Nijmegen Winkelsteeg - Stationsomgeving Goffert (Herstelbesluit)_VG02_Toelichting
Tekst van het document
Partijen streven naar een permanente verbetering van de luchtkwaliteit om gezondheidswinst voor iedereen in Nederland te realiseren waarbij wordt toegewerkt naar de WHO-advieswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof in 2030. 2. Partijen stellen als doel om landelijk in 2030 gemiddeld minimaal 50% gezondheidswinst ten opzichte van 2016 te behalen voor de negatieve gezondheidseffecten afkomstig van binnenlandse bronnen. 3. Partijen onderschrijven de ambitie om in de sectoren (weg)verkeer, inclusief mobiele werktuigen, landbouw, scheepvaart, industrie en huishoudens een dalende trend in te zetten van emissies van stikstofdioxide en fijn stof naar de lucht. 4. Partijen erkennen dat éénieder verantwoordelijk is voor de eigen bijdrage aan de doelstelling en dat partijen gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren van het akkoord en voor het bereiken van het doel Luchtkwaliteit is geen beperking voor het plan. Daarnaast is in 2016 door de gemeente Nijmegen de roetreductienorm vastgesteld. Met deze norm wordt in 2022 een reductie van 40% nagestreefd ten opzichte van de roetconcentratie in 2014. Ook hanteert de gemeente Nijmegen de landelijke GGD-richtlijn luchtkwaliteit en gezondheid voor wat betreft gevoelige bestemmingen (niet voor woningen).
6.5
Geur
Geur kan in de leefomgeving hinder veroorzaken en brengt om die reden ook gezondheidsrisico's met zich mee. Bij geur van bedrijven gaat het om de geuruitstoot (emissie) van bedrijven die zich verspreidt via de lucht en een geurbelasting veroorzaakt op de woon- en leefomgeving. Voor het ontwikkelen van een woon-werkomgeving in Stationsomgeving Goffert is de geursituatie beoordeeld. Het enige bestaande bedrijf op het bedrijventerrein Winkelsteeg-Noord met een mogelijk relevante geuremissie is de productiefaciliteit voor oriëntaalse maaltijden Plaza Foods op het adres Oostkanaaldijk 110-112. De afstand tussen het bedrijf en de ontwikkelgebieden in het voorliggend bestemmingsplan bedraagt circa 670 m. Gezien de grote afstand tussen het bedrijf en de ontwikkelgebieden, kunnen geurgevoelige objecten worden toegevoegd zonder dat het bedrijf wordt belemmerd in de bedrijfsvoering. Daarnaast maken het voorliggend bestemmingsplan en het bestemmingsplan 'Nijmegen Goffert-Winkelsteeg 2017' de vestiging van nieuwe bedrijven mogelijk. Bedrijven met een relevante geuremissie kunnen zich vestigen op het bedrijventerrein. Het betreft de bedrijven in de categorieën die voorkomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten die is opgenomen in de regels van beide voorgenoemde bestemmingsplannen. In de paragraaf 6.2 Bedrijven en milieuzonering is weergegeven welke milieucategorieën
76
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Stationsomgeving Goffert (Herstelbesluit)
worden toegestaan op de bedrijfsgronden rondom de gebieden waar wordt ontwikkeld in Stationsomgeving Goffert. Het bedrijventerrein wordt met het voorliggend bestemmingsplan zodanig partieel herzien, dat alle gebieden waar wordt ontwikkeld buiten de richtafstanden van het bedrijventerrein liggen. Daarmee kan worden gesteld dat, naast de bestaande bedrijvigheid, ook de vestiging van eventuele vestiging van nieuwe bedrijven op het bedrijventerrein in de toekomst niet kan leiden tot onevenredige geurhinder in de nieuwe woon-werkomgeving. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voorliggend bestemmingsplan.
6.6
Externe veiligheid
Externe veiligheid moet worden meegewogen in de besluitvorming over ruimtelijke ontwikkelingen. In deze afweging is het van belang de risico's te beschouwen die ontstaan door inrichtingen vallend onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en door risicovolle transportroutes. Voor het plaatsgebonden risico (PR) zijn grenswaarden voor kwetsbare objecten aangegeven en richtwaarden voor beperkt kwetsbare objecten. Het groepsrisico (GR) dient verantwoord te worden bij ontwikkelingen in een invloedsgebied van een risicobron. Plaatsgebonden risico: grenswaarde of richtwaarde: Onder het PR wordt verstaan de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een gevarenbron bevindt, overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen van die bron. Voor het plaatsgebonden risico (PR) zijn grenswaarden voor (zeer) kwetsbare objecten aangegeven en richtwaarden voor beperkt kwetsbare objecten. De PR 10-6 contour geldt als een grenswaarde waarbinnen vrijwel geen ontwikkeling van kwetsbare objecten mogelijk is. Groepsrisico: verantwoording: Het groepsrisico (GR) dient verantwoord te worden bij ontwikkelingen in een invloedsgebied van een risicobron. Het groepsrisico geeft de kans weer op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers binnen het invloedsgebied van de beschouwde risicobron.
Het groepsrisico dient verantwoord te worden. Voorbeelden van (zeer) kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten: Zeer kwetsbare objecten: woonfunctie met 24-uurszorg, basisscholen, scholen voor minderjarigen met een lichamelijke of geestelijke beperking, dagverblijf van personen met een lichamelijke of geestelijke beperking, gezondheidszorg met bedgebied (ziekenhuizen en verpleeghuizen), kinderopvang, gevangenissen. Kwetsbare objecten: woonfunctie, bijeenkomstfunctie, kantoorfunctie* (>1500 m2), sportfunctie*, scholen voor volwassenen, gezondheidszorg zonder bedgebied, locatie voor evenementen in de open lucht voor ten minste 5.000 personen. Beperkt kwetsbare objecten: overig.
*Indien zich meer dan 50 personen gedurende een groot deel van de dag in het object bevinden, dan is sprake van een kwetsbaar object. Bij minder personen is sprake van een beperkt kwetsbaar object. Beleidsvisie externe veiligheid Nijmegen 2014: Veel externe veiligheidsbeleid is vastgelegd in landelijke wet- en regelgeving, maar gemeenten zijn grotendeels verantwoordelijk voor de invulling en uitvoering daarvan. De beleidsvisie biedt de gemeente Nijmegen de mogelijkheid om op gestructureerde wijze keuzes te maken over externe veiligheid en met name in de samenhang tussen ruimtelijke ordening en externe veiligheid. Daarnaast biedt de beleidsvisie ook een platform voor een samenwerking tussen de afdelingen van de gemeente en
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Stationsomgeving Goffert (Herstelbesluit)
77
bijvoorbeeld de hulpdiensten. Een belangrijk nevendoel van de Beleidsvisie is om de beschikbare gemeentelijke middelen efficiënt in te zetten. Vanuit de externe veiligheidswetgeving gelden verplichtingen waarvan de invulling een inspanning vraagt van het gemeentelijk apparaat.
6.6.1
Risicobronnen in de omgeving van het plangebied
De volgende risicobronnen hebben invloed op het bestemmingsplangebied: Spoorlijn Nijmegen-Den Bosch; NXP; De routering vervoer gevaarlijke stoffen; Gasverdeelstation 6.6.1.1
Spoorlijn Nijmegen-Den Bosch
De spoorlijn tussen Nijmegen en Den Bosch is onderdeel van het 'Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen'. Over dit spoor worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Plaatsgebonden risico: De PR 10-6 contour valt niet over de voorgenomen ontwikkeling en vormt dus geen belemmering. Groepsrisico: Op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt, artikel 8) is een groepsrisicoverantwoording noodzakelijk als een planontwikkeling geheel of gedeeltelijk binnen een afstand van 200 meter ligt van het spoor. Dat is het geval voor het voorliggend bestemmingsplan. Deze paragraaf vormt de groepsrisicoverantwoording. De risico's van het spoorvervoer van gevaarlijke stoffen op het plangebied zijn berekend. De bestaande dichtheid langs het spoor in het invloedsgebied van de spoorlijn (ongeveer 460 meter aan weerszijde) is ongeveer 35 personen per hectare. Door het toevoegen van de nieuwe ontwikkelingen in dit plan wordt de dichtheid verhoogd naar 55 personen per ha. In de huidige situatie is het groepsrisico van de hoogst belaste kilometer ter hoogte van het plangebied 0,16 maal de oriëntatiewaarde (zie Bijlage 11). Door de ontwikkeling van het plan neemt dit toe tot 0,33 maal de oriëntatiewaarde (zie Bijlage 12). De woningen die worden gerealiseerd in het plangebied zijn kwetsbare objecten volgens de definitie van het Bevt.
Volgens de Beleidsvisie externe veiligheid van Nijmegen (februari 2014) dient de groepsrisicoverantwoording 'zwaar' te worden uitgevoerd indien kwetsbare objecten worden gerealiseerd binnen de 200 meter contour van het spoor. De visie is echter opgesteld voordat het 'Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' in werking is getreden. Met dit 'Basisnet' zijn de risico's langs het spoor aanzienlijk gereduceerd. Een van de maatregelen die destijds is doorgevoerd is het BLEVE-vrij rijden (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion). Hierdoor is een scenario met een warme BLEVE vrijwel uitgesloten. Aanvullende maatregelen zoals bouwkundige maatregelen staan nu niet meer in verhouding tot het eventueel verder reduceren van het risico. Alleen zeer kwetsbare objecten worden nog uitgesloten binnen een veiligheidszone van 200 meter vanaf het spoor. Bestemmingsplan: Zeer kwetsbare objecten worden in beginsel uitgesloten binnen een veiligheidzone van 200 meter vanaf het spoor. Deze veiligheidzone is opgenomen in het bestemmingsplan door middel van de aanduidingen 'veiligheidzone - vervoer gevaarlijke stoffen 1' en 'veiligheidzone - vervoer gevaarlijke stoffen 2'. De zone van 0 tot 30 meter afstand tot het spoor heeft de aanduiding 'veiligheidzone - vervoer gevaarlijke stoffen 1'. Binnen deze aanduiding worden zeer kwetsbare objecten uitgesloten.
De zone van 30 tot 200 meter afstand tot het spoor heeft de aanduiding 'veiligheidzone - vervoer gevaarlijke stoffen 2'. Binnen deze aanduiding worden zeer kwetsbare objecten eveneens uitgesloten, maar kunnen deze na een afweging door het college toelaatbaar worden geacht, waarbij in elk geval het groepsrisico en
78
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Stationsomgeving Goffert (Herstelbesluit)
zelfredzaamheid worden afgewogen. In de onderstaande afbeelding is de ligging van de betreffende veiligheidzones weergegeven.
Kaart ligging veiligheidzones vervoer gevaarlijke stoffen spoor
6.6.1.2
NXP
Het bedrijf NXP valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarnaast is het bedrijf een Seveso-inrichting en valt het dus onder het Besluit Risico's Zware Ongevallen (BRZO). NXP heeft een vergunning uit 2017 waarin de huidige situatie voor wat betreft de risico's goed is weergegeven met de bij de vergunning behorende berekening van de risico's (QRA). Hieruit blijkt dat er over een groot deel van de inrichting met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt maar dat dit slechts op twee plekken leidt tot een risicocontour die relevant kan zijn voor de planontwikkeling. Dat betekent dus ook dat van de overige opslaglocaties is ingeschat dat deze niet of nauwelijks risico's veroorzaken buiten de inrichtingsgrens. De twee opslagen die wel risico's kunnen veroorzaken buiten de inrichtingsgrens zijn de Isopropylalcohol-afvalopslag (IPA-waste) en de waterstofopslag. Plaatsgebonden risico: De PR 10-6 contouren vallen niet over de voorgenomen ontwikkeling en vormt dus geen belemmering. Groepsrisico: Het invloedsgebied valt echter wel deels over de ontwikkeling. Op grond van het Bevi dienen alle ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een dergelijk bedrijf verantwoord te worden. Zekerheidshalve is een herberekening gemaakt van de vergunde situatie bij NXP (zie Bijlage 20).
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Stationsomgeving Goffert (Herstelbesluit)
79
Rode lijnen PR 10-6 contouren, zwarte lijn invloedsgebied Uit de figuur blijkt al dat het invloedsgebied/effectgebied van NXP (zwarte lijn) slechts deels over de nieuwe ontwikkeling valt en over enkele bestaande woningen in Neerbosch Oost valt. De bestaande dichtheid aan personen in dit invloedsgebied is dan ook zeer laag. Feitelijk is er geen sprake van een groepsrisico aangezien er niet meer dan 10 slachtoffers kunnen vallen. In de nieuwe situatie is er een toename van het groepsrisico door het toevoegen van de ontwikkeling. Gezien het feit dat deze ontwikkeling buiten de PR 10-8 contour plaatsvindt is het effect hiervan op de hoogte van het groepsrisico gering. Het groepsrisico stijgt van 0 naar een verwaarloosbare hoogte. De huidige opslag van de waterstof bij NXP voldoet aan alle eisen van deze tijd waardoor daar geen veiligheidswinst is te boeken. Het rekenprogramma waarmee de risico's worden berekend houdt geen rekening met hoogtes of afschermende werking van objecten. Het is duidelijk dat in de feitelijke situatie er wel een afschermende werking uitgaat van het hoger gelegen spoortalud tussen de waterstofopslag en de ontwikkeling ten noorden van het station. Dit zal dus feitelijk tot een nog lager risico leiden dan uit de berekening blijkt. Het groepsrisico is dus 0 in de huidige situatie en is bij realisatie van de ontwikkeling nog steeds verwaarloosbaar.
Zelfs deze zeer geringe hoogte van het groepsrisico is echter nog een overschatting van het werkelijke risico door de afschermende werking van het spoortalud. Deze toename van het groepsrisico is derhalve aanvaardbaar. Bestemmingsplan: De bestemming van NXP wordt slechts partieel herzien. Er is geen aanleiding om de huidige contouren van de milieuzones voor externe veiligheid te wijzigen. In de huidige situatie is sprake van voldoende functiescheiding tussen de bedrijfslocatie van NXP en nieuwe woon-werkgebieden. Wel is in het voorliggend bestemmingsplan een nieuwe regeling opgenomen om ook in de toekomst voldoende scheiding tussen risicovolle activiteiten en zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare functies te waarborgen. In het voorliggend bestemmingsplan is partieel een planregel toegevoegd aan de geldende bestemmingsplanregels, waarin is bepaald dat bestaande Bevi-bedrijven zijn toegestaan, voor zover de PR-contour van de activiteiten binnen de bouwperceelsgrens blijft. De huidige PR-contour van NXP ligt buiten de bouwperceelsgrens. Daarom is tevens de bepaling opgenomen dat de PR-contour ook buiten de inrichting mag liggen, voor zover deze binnen de aanduidingsgrens van de gebiedsaanduiding 'milieuzone – (zeer) kwetsbare objecten uitgesloten' ligt.
80
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Stationsomgeving Goffert (Herstelbesluit)
Met het partieel toevoegen van deze nieuwe bepalingen aan de geldende bestemmingsplanregels wordt nu en in de toekomst voldoende functiescheiding geborgd tussen NXP en de nieuwe woon-werkgebieden, terwijl NXP de mogelijkheid behoudt om in de toekomst binnen de inrichting te schuiven met de opslag van gevaarlijke stoffen.
6.6.1.3
Routering vervoer gevaarlijke stoffen over de weg
Op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft de gemeente Nijmegen in 2013 een 'Routering vervoer gevaarlijke stoffen' aangewezen. Deze routering heeft als doel om de risico's van dit vervoer beperkt te houden door het mijden van grote bevolkingsconcentraties langs de aangewezen route. De route dient er ook voor om de bedrijven die met gevaarlijke stoffen werken te ontsluiten van en naar de snelweg.
Bestaande routering voor het vervoer van gevaarlijke stoffen ter hoogte van plangebied Plaatsgebonden risico: De PR 10-6 contour valt niet over de voorgenomen ontwikkeling en vormt dus geen belemmering. Groepsrisico: Op grond van het Bevt, artikel 7 en 8, dient het groepsrisico dat de routering veroorzaakt te worden verantwoord indien de ontwikkeling geheel of gedeeltelijk binnen 200 meter van de route wordt gerealiseerd. Dat is het geval. De dichtheid van het aantal personen binnen de 200 meter van de route en het invloedsgebied neemt daarmee fors toe. Daarom is een berekening uitgevoerd van de hoogte van het groepsrisico in de bestaande situatie en de te verwachten situatie nadat alle objecten zijn gerealiseerd die dit plan mogelijk maakt. De hoogte van het groepsrisico wordt bepaald door enerzijds de hoeveelheid en aard van het vervoer over de weg en anderzijds door de dichtheid van personen dat langs die weg. De hoeveelheid vervoer over de weg kan worden afgeleid van het vergunde gebruik van gevaarlijke stoffen bij de risicovolle bedrijven die met de routering worden ontsloten. Hierbij zijn vooral de
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Stationsomgeving Goffert (Herstelbesluit)
81
tot vloeistof verdichte gassen (GF3= bijvoorbeeld LPG, propaan, butaan) bepalend voor de hoogte van het risico. Over de route door het plangebied worden de volgende bedrijven ontsloten: Antargaz, LPG tankstation Shell Grootstal en NXP. Het aantal vervoerbewegingen bij Antargaz is afgeleid van de risicoberekening voor de meest recente vergunning van het bedrijf. Hieruit blijkt dat er per jaar 1.500 vervoerbewegingen zijn van en naar het bedrijf met GF3 stoffen. Het LPG tankstation Shell aan de Grootstalselaan heeft een vergunning waarin de doorzet van LPG op jaarbasis is gemaximeerd op 1.000 m3. Op basis hiervan zijn 100 vervoerbewegingen met GF3 stoffen ingeschat. Voor NXP is vooral de vulling van de waterstofopslag van belang en daarnaast nog het vervoer van enkele andere stoffen. De bijdrage van NXP aan de hoogte van het groepsrisico is zeer klein omdat dit geen GF3 stoffen zijn. Met het rekenprogramma RBM II is een berekening gemaakt van de hoogte van het groepsrisico in de bestaande situatie en de nieuwe situatie (zie Bijlage 13 en Bijlage 14). Voor die berekening is een aanname gemaakt van de hoeveelheid personen die lang de route komen te werken en te wonen. Uit de populatieservice van het BAG is de meest actuele personendichtheid gehaald. De hoogte van het groepsrisico van de hoogst belaste kilometer van de route is 1,2 maal de oriëntatiewaarde in de huidige situatie.
Hierbij is er uitgegaan van het feit dat de nieuwe wegenstructuur al is gerealiseerd om een betere vergelijking te kunnen maken met de nieuwe situatie. Uit de berekening van de nieuwe situatie blijkt dat er een forse toename is van het groepsrisico tot 4,8 maal de oriëntatiewaarde voor de hoogst belaste kilometer. Op een groot deel van het traject (in onderstaande figuur in rood en blauw aangegeven) wordt de oriëntatiewaarde overschreden.
Traject met bestaande route. Rood is overschrijding oriëntatiewaarde. Blauw is de zwaarst belaste kilometer (hoogste dichtheid). (zie berekening Bijlage 14) Aangezien het vaststellen van een routering juist als doel heeft om grote bevolkingsconcentraties te mijden is deze forse toename van het risico in principe niet wenselijk. Om het risico te verminderen zijn twee scenario's onderzocht: het verplaatsen van
82
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Stationsomgeving Goffert (Herstelbesluit)
Antargaz en het verleggen van de routering vervoer gevaarlijke stoffen. In dit bestemmingsplan is vastgelegd dat één van beide scenario's gerealiseerd dient te zijn, voordat de woningen in gebruik mogen worden genomen. Scenario 1: Verplaatsing Antargaz Door verplaatsing van Antargaz naar een andere locatie buiten Winkelsteeg verminderd het groepsrisico drastisch. Het groepsrisico daalt met de verwijdering van het transport van Antargaz van 4,8 maal de oriëntatiewaarde naar 0,3 de oriëntatiewaarde (zie Bijlage 15). Dan is, op grond van het Bevt artikel 8 lid 2, een uitgebreide groepsrisicoverantwoording niet nodig. Een nieuw Bevi bedrijf op de huidige locatie is niet mogelijk volgens het bestemmingsplan. Scenario 2: Verlegging route Een ander scenario is de verlegging van de routering vervoer gevaarlijke stoffen via de Van Schuylenburgweg, zoals op de afbeelding hierna, zodat de stationsomgeving Goffert wordt vermeden. Ook dit scenario kan leiden tot een aanzienlijke reductie van het groepsrisico.
Kaart met de ligging van de alternatieve routering De route gaat dan via het Takenhofplein over de Van Schuylenburgweg naar de Nieuwe Dukenburgseweg. Er is dan dus geen transport van gevaarlijke stoffen meer toegestaan over de Wijchenseweg (na het Takenhofplein), Graafseweg, Neerbosscheweg en vanaf hier over de Nieuwe Dukenburgseweg tot aan de Gerstweg (en terug). Om een goede vergelijking te maken tussen de bestaande en nieuwe route is een berekening gemaakt van de hoogte van het groepsrisico die beide trajecten veroorzaken vanaf het Takenhofplein tot aan Antargaz (zie Bijlage 14 en Bijlage 16). De huidige route veroorzaakt een groepsrisico van 5,5 maal de oriëntatiewaarde over het
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Stationsomgeving Goffert (Herstelbesluit)
83
gehele traject van 4,3 kilometer (1,3 per km). Het nieuwe traject is 3,8 kilometer lang en veroorzaakt daar een groepsrisico van 0,9 maal de oriëntatiewaarde (0,2 per km). Over het nieuwe traject worden dus aanzienlijk minder mensen aan een risico's blootgesteld. Het is gebruikelijk om bij een groepsrisicoverantwoording te kijken naar de hoogst belaste kilometer in de directe omgeving van een nieuwe planontwikkeling. Bij de huidige route ligt die kilometer ter hoogte van 52 Nijmegen en levert met de ontwikkelingen een overschrijding van de oriëntatiewaarde op van 4,8 (hoogst belaste kilometer). In de nieuwe situatie ontstaat er door het verleggen van de route een groepsrisiconiveau van 0,7 ter hoogte van de dichtstbijzijnde kilometer nabij het plangebied. De nieuwe route is dus ook voor wat betreft de hoogst belaste kilometer veiliger dan de bestaande route. Indien de nieuwe route wordt geïmplementeerd met de huidige transporthoeveelheden (Antargaz blijft), dan heeft die route vrijwel geen invloed meer op de ontwikkelvlekken ter hoogte van Stationsomgeving.
De verwachting is dat in de huidige situatie het westelijk deel van de Nieuwe Dukenburgseweg tussen de Gerstweg en het kanaal niet of nauwelijks wordt gebruikt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen aangezien er alleen bij de kruising Gerstweg-Nieuwe Dukenburgseweg stoplichten staan en niet bij de oprit vanaf de Oostkanaaldijk. We veronderstellen dan ook dat dit geen hoog groepsrisiconiveau oplevert in de bestaande situatie. De toename van het groepsrisico blijft onder de oriëntatiewaarde, maar is groter dan 10%. Dan is een volledige verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk op grond van het Bevt artikel 8. De huidige dichtheid van personen langs de Nieuwe Dukenburgseweg van het kanaal tot aan de Gerstweg is laag (<25 personen per ha). Vanaf het kanaal tot aan het Takenhofplein is de dichtheid langs de route (eerste 200 meter) veel lager dan langs de bestaande route. Maatregelen om de hoogte van het groepsrisico te beperken kunnen gericht zijn op de bron, de overdracht van effecten (hitte of overdruk) en/of het ontvangende bedrijf of woning. Deze maatregelen zijn hierna afgewogen. Maatregelen aan de bron: Aan de bronzijde leidt het verplaatsen van Antargaz tot een zeer grote reductie van het risico. Antargaz wordt echter in deze optie verondersteld te blijven.
Het verminderen van de overige stroom aan gevaarlijke stoffen (NXP en LPG tankstation) heeft weinig effect op de hoogte van het groepsrisico. Een ander optie is het verminderen van het vervoer van en naar Antargaz. Momenteel wordt het vervoer op 1.500 bewegingen per jaar ingeschat. Deze vergunde hoeveelheid is echter nog steeds passend bij de huidige exploitatie. Het coaten van de tankauto's van Antargaz zorgt voor een reductie van het risico. Deze coating is al voorgeschreven in de vergunning van Antargaz. Alle vervoerbewegingen van Antargaz (1.500 per jaar) zijn in het rekenmodel RBM II met grote tankauto's uitgevoerd omdat dit een standaard is die niet te wijzigen is. Dit is voor de feitelijke situatie een overschatting van het risico omdat er ook met kleinere tankauto's wordt gereden.
Maatregelen bij de overdracht: Bij het vervoer van tot vloeistof verdichte gassen is de hitte die afkomstig is van de explosie van een tank bepalend voor de hoogte van het risico. Daarnaast speelt op kortere afstand ook de drukgolf van die explosie een rol bij het ontstaan van slachtoffers. Afscherming van gebouwen van de vuurbal die ontstaat bij een BLEVE op deze gemeentelijke weg is onmogelijk door de omvang van het scenario en de beperkte ruimte langs de weg.
84
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Stationsomgeving Goffert (Herstelbesluit)
Maatregelen aan de nieuwe woningen en bedrijven: Een BLEVE kan tot op 200 meter van de bron tot dodelijke brandwonden bij personen leiden. In de praktijk is dit afhankelijk van de eventuele afscherming tussen bron en persoon. De overdruk van een explosie leidt op korte afstand 0-30 meter tot veel schade aan gebouwen. Het zijn echter vaak de indirecte effecten van rondvliegend glas die leiden tot de meeste slachtoffers. Het beschermen tegen hittestraling is mogelijk door bij gebouwen extra hittewerende voorzieningen aan te brengen. Het doel is dat mensen binnen in een gebouw voldoende veilig zijn om het scenario dat kan optreden te overleven. Gezien het feit dat de vuurbal van een BLEVE maar 11 seconden duurt is de meerwaarde van deze ingrijpende maatregelen echter gering. Tegen de effecten van een explosie/drukgolf zijn ook maatregelen denkbaar zoals het verzwaren van de gevel of het aanbrengen van splinter werend glas. Vooralsnog is er weinig reden om een van beide maatregelen voor te schrijven. Het verzwaren van de gevel voor meerdere gebouwen op de route is erg kostbaar en dus niet kosten effectief. Naar het voorschrijven van splinterwerend glas is onderzoek gedaan ((Glas en gevel, 23 maart 2021, Antea, IFV) waaruit blijkt dat er onvoldoende duidelijk is wat het beschermingsdoel is en welke ontwerpuitgangspunten gehanteerd moeten worden.
Er is dus momenteel te weinig houvast over de juiste toepassing en financiering van dit glas. Dit zou ook alleen mogelijk zijn bij nieuwbouw. Nieuwbouw aan de nieuwe route wordt echter met dit bestemmingsplan niet mogelijk gemaakt.
Hiervoor zijn alle mogelijke maatregelen afgewogen om het risico te reduceren van de alternatieve route vervoer gevaarlijke stoffen. Gezien het feit dat het groepsrisico een overschatting is van de feitelijke risico's en ook onder de oriëntatiewaarde blijft is het berekende risico aanvaardbaar. Bestemmingsplan: Via een voorwaardelijke verplichting is vastgelegd dat zeer kwetsbare en kwetsbare objecten in het gebied pas in gebruik mogen worden genomen na verplaatsen van Antargaz of na verleggen van de routering vervoer gevaarlijke stoffen. Op de onderstaande kaart is weergegeven voor welke gebieden deze voorwaardelijke verplichting geldt.
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Stationsomgeving Goffert (Herstelbesluit)
85
Kaart met ligging 'wetgevingzone - voorwaardelijke verplichting vervoer gevaarlijke stoffen weg'
6.6.1.4
Gasverdeelstation
Binnen het plangebied ligt een gasverdeelstation. Het gasverdeelstation staat nabij de kruising van de Nieuwe Dukenburgseweg en de Halfgeleiderweg. Het betreft een gasverdeelkast van Alliander die op grond van het Activiteitenbesluit veiligheidsafstanden heeft waarbinnen geen (beperkt-) kwetsbare objecten gerealiseerd mogen worden. De veiligheidszones van het verdeelstation zijn al op de geldende verbeelding weergegeven met een gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - nutsvoorziening 1' en 'veiligheidszone - nutsvoorziening 2'. Deze aanduidingen zijn overgenomen in het voorliggend bestemmingsplan. Het gasverdeelstation heeft geen invloedsgebied waarmee in de planontwikkeling rekening dient te worden gehouden.
6.6.2
Cumulatie- en domino-effecten
Bij het verantwoorden van de risico's in het plangebied Winkelsteeg wordt eerst gekeken naar alle individuele risicobronnen en de invloed daarvan op de omgeving. Naast deze effecten en risico's kunnen er ook eventueel domino, of cumulatie-effecten of -risico's zijn. Bij een domino-effect is sprake indien er bijvoorbeeld door een explosie bij een bedrijf of tankauto een opslag van gevaarlijke stoffen bezwijkt en er daardoor dus meer risico ontstaat als in de situatie dat de risico's niet geclusterd zouden voorkomen. Van cumulatie is sprake indien er meerdere invloedsgebieden van risicobronnen elkaar overlappen en daardoor objecten/gebouwen meer risico ondervinden dan ze zouden ondervinden indien er slechts blootstelling zou zijn aan één van de risicobronnen. In het plangebied zijn domino-effecten mogelijk. In theorie zou een wagon gevuld met propaan bijvoorbeeld van het spoortalud kunnen rollen, daar een koude-BLEVE veroorzaken en vervolgens de waterstof-opslag van NXP raken die dan vervolgens ook explodeert. De kans
86
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Stationsomgeving Goffert (Herstelbesluit)
daarop is echter verwaarloosbaar en draagt niet bij aan het risicoprofiel zoals hiervoor geschetst. De kans dat een wagon verongelukt is afhankelijk van het type spoorbaan en de aanof afwezigheid van wissels. De faalfrequentie is daardoor in de orde grote van 2 à 3 per 100 miljoen jaar per kilometer (Handleiding risicoanalyse transport, 2017). De kans per jaar dat een wagon met propaan van het spoor afschiet ter hoogte van de waterstof opslag en daar ontploft is zeker een factor 10 lager (100 meter). Dit extra domino-risico voor de waterstofopslag van NXP is dus verwaarloosbaar. De ongevalsfrequentie van een tankauto met gevaarlijke stoffen op een weg binnen de bebouwde kom ligt ongeveer op een vergelijkbaar niveau als bij het spoorvervoer. De kans op het falen van een nabijgelegen stationaire bron is dan ook alleen substantieel verhoogd indien er sprake is van zeer grote hoeveelheden vervoer van gevaarlijke stoffen. Hiervan is geen sprake. Omgekeerd is door het falen van een stationaire bron, zoals NXP, Antargaz het falen van een voorbijgaande goederentrein zeer onwaarschijnlijk, dan wel onmogelijk. De kans op het falen is immers al zeer klein en er komen per dag maar ongeveer 3 goederentreinen voorbij. Van cumulatie is sprake indien een plangebied binnen meerdere invloedsgebieden ligt van verschillende risicobronnen.
Een groot deel van het transformatiegebied ligt maar in één invloedsgebied of ligt buiten een invloedsgebied. Daar is dus geen sprake van cumulatie. In de omgeving van het station Goffert overlappen de invloedsgebieden van de routering vervoer gevaarlijke stoffen en die van het spoor. Daarnaast geldt dat over enkele gebieden ook nog een invloedsgebied van NXP ligt. Het totale risico binnen dit gebied wordt vooral gedomineerd door het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg van en naar Antargaz. Alleen NXP veroorzaakt een PR 10-6 contour. De transportassen doen dat niet. Van enige cumulatie van de PR-contour tot een onaanvaardbaar niveau is dan ook geen sprake in het gebied. De berekende groepsrisiconiveaus zijn alleen van de routering vervoer gevaarlijke stoffen substantieel, voor de overige bronnen zijn het betrekkelijk lage groepsrisiconiveaus. Het groepsrisico als gevolg van de routering is al verantwoord. Ook hier is dus nauwelijks sprake van een cumulatie tot een onaanvaardbaar niveau.
6.6.3
Advies VRGZ bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid
De Veiligheidsregio Gelderland-Zuid (VRGZ) heeft advies uitgebracht over het aspect externe veiligheid (zie Bijlage 21). De VRGZ bevestigt het voorgaande en geeft aan dat de kans dat er een van de scenario's zoals beschreven optreedt klein is. De VRGZ geeft verder aan betrokken te willen blijven bij de verdere inrichting van het gebied. De VRGZ zal daarom ook om advies worden gevraagd op het moment dat er een uitgewerkt stedenbouwkundig plan ligt. Binnen dit plan zal er aandacht zijn voor bijgaande advies van de VRGZ. Ten aanzien van de bestrijdbaarheid wordt opgemerkt dat deze in de huidige situatie voldoende is geborgd. Het mogelijk verplaatsen van bluswatervoorzieningen bij een nadere uitwerking van dit plan zal worden afgestemd met de VRGZ. Gezien het feit dat scenario's zoals een koude BLEVE zich zeer snel kunnen ontwikkelen, is het voorkomen van het incident niet altijd mogelijk. De bereikbaarheid is echter voldoende om de gevolgen van een incident te beperken. Zeer kwetsbare gebouwen en objecten zijn uitgesloten in de eerste 200 meter vanaf het spoor.
6.6.4
Eindconclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Stationsomgeving Goffert (Herstelbesluit)
87
6.7
Bodem
Indien sprake is van een planologische functiewijziging, is een inventarisatie benodigd om te kunnen bepalen of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik in relatie tot de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De gemeente Nijmegen heeft voor haar beheergebied de Nota Bodembeheer opgesteld. Hierin is het lokale beleid voor grondverzet en bodemsanering beschreven. Grondverzet Voornaamste doel van het bodembeheerbeleid is om zoveel mogelijk hergebruik van grond toe te staan, zodat niet altijd primaire grondstoffen hoeven te worden gebruikt en overtollige grond niet hoeft te worden afgevoerd. Uiteraard mogen geen risico's voor mens en ecologie ontstaan en mag de kwaliteit van de al aanwezige grond niet verslechteren. Er zijn ook gebieden of locaties waarvan we, vanwege hun functie, vinden dat de kwaliteit van de bodem (op den duur) moet verbeteren. Dat zijn het grondwaterbeschermingsgebied Heumensoord, de Ecologische Hoofdstructuur, volkstuinen en speelplaatsen. Daar mag dus alleen schone grond worden toegepast. Bij het hergebruik van grond heeft het de voorkeur eerst grond binnen de locatie her te gebruiken. Als extra grond nodig is, dan verdient het de voorkeur deze eerst van binnen Nijmegen en vervolgens pas van buiten Nijmegen te gebruiken.
Voor grond die afkomstig is van buiten Nijmegen gelden strengere eisen voor toepassing in Nijmegen. Dit om geen extra verontreiniging van buiten te introduceren (standstill-principe). In de nota is beschreven onder welke randvoorwaarden en eisen grond mag worden toegepast. Onderdeel van de nota zijn de bodemkwaliteitskaarten. Die geven de milieuhygiënische basiskwaliteit van de grond in verschillende deelgebieden in Nijmegen weer. Het gaat om de kwaliteit van verder onverdachte gebieden. Echte bodemverontreinigingen zijn hierin niet meegenomen. Bodemsanering Omdat de grond in Nijmegen nergens echt schoon is, kunnen de landelijke achtergrondwaarden, waaronder grond als schoon wordt bestempeld, niet dienen als de begrenzing van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Die normen moeten ook worden afgestemd op de basiskwaliteit van de grond in een gebied. De nota beschrijft daarom ook hoe de saneringsgrenzen worden vastgesteld en welke kwaliteit een leeflaag moet hebben. Binnen voorliggend plangebied zijn een groot aantal milieuhygiënische bodemonderzoeken uitgevoerd om de bodemkwaliteit in beeld te brengen. Er bestaat daarom een goed beeld van de bodemkwaliteit. Op de milieuatlas van de gemeente Nijmegen (https://kaart.nijmegen.nl/milieu/) zijn de bij de gemeente Nijmegen bekende bodemonderzoeken digitaal in te zien en te downloaden.
Hier zijn ook de locaties te vinden die (mogelijk) verontreinigd zijn. Veel van de uitgevoerde bodemonderzoeken voldoen aan de NEN-normen voor milieuhygiënisch bodemonderzoek. Echter, veel van de onderzoeken zijn ook gedateerd (het bodemonderzoek heeft veelal plaatsgevonden voor 2016). Aanvullend of actualiserend bodemonderzoek moet voorafgaand aan de ontwikkeling (bij aanvraag omgevingsvergunning, activiteit bouwen) worden uitgevoerd om een volledig en voldoende gedetailleerd beeld van de bodemsituatie te krijgen. De verwachting is dat er geen
88
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Stationsomgeving Goffert (Herstelbesluit)
onvoorziene grootschalige verontreinigingen, anders dan de bekende (potentiele) ernstige verontreinigingen, aanwezig zijn. In de gemeentelijke grondexploitatie is rekening gehouden met het saneren van eventueel verontreinigingen. Het grondwater is ter plaatse van de Sint Teunismolenweg 15-25 verontreinigd met VOCl (Vluchtige chloorkoolwaterstoffen). Voor deze grondwaterverontreiniging is al een saneringsplan en beheerplan opgesteld, dat binnenkort in uitvoering gaat. De verwachting is dat er binnen 30 jaar een stabiele eindsituatie zal ontstaan. Wanneer een bemaling nodig is binnen deze grondwaterverontreiniging, of in de directe omgeving daarvan om de plannen te kunnen realiseren, moet voorkomen worden dat de grondwaterverontreiniging zich verspreidt. Ook wanneer een KWO-installatie wordt aangebracht moet rekening worden gehouden met deze grondwaterverontreiniging. Uit een Europese Verordening en uit een handelsverbod voor Aziatische duizendknopen uit het Besluit natuurbescherming volgt dat het verplicht is om rekening te houden met de eventuele aanwezigheid van invasieve exoten. De saneringsaanpak heeft wellicht gevolgen voor andere aspecten. Hierbij kan gedacht worden aan de gevolgen van een saneringsaanpak waarbij wordt gekozen voor verharding en bebouwing in relatie tot bijvoorbeeld opvang van hemelwater op eigen perceel, de mogelijkheden voor groen, klimaatadaptatie etc.
Op plaatsen waar sterke verontreiniging aanwezig is moet worden bekeken of bij infiltratie op zo'n plek ontoelaatbare uitloging optreedt van stoffen die onderdeel uitmaken van de aanwezige verontreiniging. In het gebied zijn stortplaatsen aanwezig: Op twee van deze stortplaatsen is eerder onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheid om de bestemmingen verkeer en maatschappelijk religie mogelijk te maken. Hiervoor is toen een uitgebreide beschrijving gemaakt van de bodemkwaliteit die ook nu nog actueel is. Op de locatie bevinden zich twee oude stortplaatsen. Het stortmateriaal bevat sterk verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK en minerale olie. Het stortmateriaal wordt aangetroffen in een laag van maximaal 6 meter dik en wordt globaal aangetroffen op een diepte van 3 m-mv tot 9 m-mv. In de afdeklaag zijn geen verhoogde gehalten aan verontreinigde stoffen gemeten. Het grondwater bevindt zich op 7-8 m-mv. De stromingsrichting is als gevolg van de onttrekkingen op het terrein van NXP zuidwestelijk gericht. In het grondwater worden licht verhoogde concentraties aan zware metalen, VOCl en minerale olie gemeten. Vanwege de aanwezigheid van stortplaatsen op de locatie is onderzocht of er vluchtige organische stoffen uitdampen. In de bodemlucht zijn echter geen verhoogde concentraties aan organische stoffen aangetoond. Tijdens het veldwerk is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen.
In de uitgevoerde boringen in de afdeklaag zijn geen zintuiglijke bijmengingen aangetroffen. In de Beleidsnota Bodem 2012 van de gemeente Nijmegen is aangegeven dat voormalige stortplaatsen altijd als een potentieel geval van ernstige bodemverontreiniging worden beschouwd. Door de onbekendheid van het stortmateriaal kan het stortmateriaal worden beschouwd als een 'black-box', die een bedreiging vormt voor de om- en onderliggende bodem en het grondwater. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken gaan wij er daarom vanuit dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De verontreiniging wordt echter pas aangetroffen op ca. 3 meter minus maaiveld. De aangetroffen verontreinigingen vormen een risico bij de realisering van de beoogde bestemmingen verkeer. Voor de herontwikkeling van de locatie moet daarom een saneringsplan ter goedkeuring worden ingediend bij het bevoegd gezag Wet
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Stationsomgeving Goffert (Herstelbesluit)
89
bodembescherming. Hierin wordt vastgelegd hoe het grondverzet er uit ziet om de voorgenomen ontwikkeling te realiseren, waarbij in ieder geval onderscheid wordt gemaakt in grondverzet in de deklaag en grondverzet in het stortmateriaal. Ten behoeve van de fundering van te plaatsen bouwwerken wordt uitgewerkt welk soort palen wordt gebruikt, én wordt de wijze van plaatsen van de boorpalen beschreven, zodat verspreiding van verontreiniging uit het stort naar de diepte wordt voorkomen. Er wordt een monitoringsplan opgesteld om het effect van de aangebrachte fundering op de grondwaterkwaliteit te monitoren. Bij het realiseren van de gewijzigde bestemming worden geen onoverkomelijke maatschappelijke en financiële belemmeringen verwacht ten gevolge van een bodemverontreiniging. Hoewel de bodemkwaliteit nog niet volledig in beeld is, zijn de bestaande bodemonderzoeken toereikend voor de beoogde bestemmingsplanwijziging. De reeds bekende saneringslocaties, 3 oude stortlocaties, moeten voorafgaand aan de herontwikkeling van het plangebied gesaneerd worden. De kosten van de saneringsopgaven zijn meegenomen in het exploitatieplan (zie daarvoor ook Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid). In het exploitatieplan is ook rekening gehouden met het feit dat uit een of meerdere nadere onderzoeken eveneens een saneringsopgave kan volgen.
Omdat sprake is van een sluitende grondexploitatie, kan worden gesteld dat sprake is van een financieel uitvoerbaar plan. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
6.8
Water
6.8.1
Watertoets en algemeen
Voor de ruimtelijke aspecten heeft het Nationaal Waterplan de status van structuurvisie. Hierin zijn water en ruimtelijke ontwikkelingen geïntegreerd, conform de Wet ruimtelijke ordening, de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Bouwbesluit 2012 en de Waterwet. Binnen het Besluit ruimtelijke ordening (21 april 2008) is de watertoets verankerd. Het plangebied maakt deel uit van de waterhuishoudkundige inrichting van het gebied Hatert, De Biezen en Winkelsteeg (noord). Voor dit gebied zijn het Gemeentelijk Rioleringsplan Nijmegen 2017-2023, de nota 'Afkoppelen en infiltreren hemelwaterafvoer' (2013) en het Waterplan Winkelsteeg (2022) relevant. Daarnaast ook het beleid en de regels van het Waterschap. Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2017 - 2023 Het GRP 2017-2023 geeft invulling aan de wettelijke gemeentelijke watertaken voor stedelijk afvalwater, afstromend hemelwater en maatregelen tegen grondwateroverlast. Het GRP beschrijft visie en ambities voor de gemeentelijke watertaken en geeft invulling aan de uit te voeren activiteiten en benodigde financiële en personele middelen. In het nieuwe GRP 2017-2023 blijft het accent liggen op duurzame ontwikkeling in combinatie met doelmatig beheer (Asset-management).
Dit betekent onder andere: gegevens goed op orde krijgen en houden, gericht meten aan de riolering en grondwater, en maatwerk bij het vaststellen van de juiste maatregelen op het juiste tijdstip. De belangrijkste ambities en activiteiten in het GRP 2017-2023 zijn:
90
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Stationsomgeving Goffert (Herstelbesluit)
Het (per stadsdeel) ontwikkelen van een strategie voor klimaatadaptatie; Effectieve samenwerking met waterpartners en buurgemeenten; Beperken van regenwateroverlast; Beperkt houden van gezondheidsrisico; Tegengaan van structurele grondwateroverlast. De activiteiten die hiervoor worden ontplooid omvatten onder meer: Aanleg van infrastructuur; Reinigen, inspecteren en onderhouden van infrastructuur; Vernieuwen en verbeteren van infrastructuur; Onderzoek en monitoring; Beleid en planvorming. Het afkoppelen van hemelwaterafvoer van de gemengde riolering blijft doorgaan in gebieden waar het bijdraagt aan oplossen, beperken of voorkomen van regenwateroverlast, milieubelasting en gezondheidsrisico. Bij het afkoppelen van openbare ruimte wordt gezocht naar combinaties met verbetering van groen. De voorkeur gaat uit naar bovengronds infiltreren. Zowel voor afkoppelen gebouwen als voor toepassing van vegetatiedaken bij bestaande bebouwing is subsidie mogelijk. In het nieuwe GRP ligt nog meer accent op klimaatadaptatie en op de visie om als stad klimaatbestendig te zijn in 2050. Daarom zal extra aandacht aan duurzame stedelijke ontwikkeling worden gegeven, die rekening houdt met meer groen in de stad om hittestress tegen te gaan en minder verharding om beter met hevige regenval om te kunnen gaan.
Voor dit plangebied, dat al erg groen is, betekent dit dat vooral op het bedrijventerrein Winkelsteeg veel aandacht zal uitgaan naar een duurzamere waterhuishouding. Nota Afkoppelen en infiltratie hemelwaterafvoer (2013) Het gemeentelijk beleid voor het afkoppelen van hemelwaterafvoer is opgenomen in vastgesteld beleid: de Nota Afkoppelen en infiltreren hemelwaterafvoer (2013). Deze is gebaseerd op het Bouwbesluit 2012. Deze nota bevat eisen voor het ontwerp en de aanleg van voorzieningen voor het afkoppelen en infiltreren van hemelwaterafvoer en geldt zowel voor openbaar terrein als particulier terrein. De nota stimuleert particulieren af te koppelen en eist dat bij sloop, herbouw en nieuwbouw op eigen terrein wordt geïnfiltreerd. De afkoppelnormen in deze nota zijn laag in relatie tot de toekomstig te verwachten hevigere regenbuien (eerste 10 mm bergen op eigen terrein) en vallen weg tegen de strengere eisen die het waterschap eist ten aanzien van nieuwbouw. Waterschap Rivierenland Het beleid van het waterschap Rivierenland is beschreven in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 Versterken Verbinden Vergroenen. Daarnaast beschikt het waterschap over een verordening, de Keur voor waterkeringen en wateren. Daarin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op waterkeringen en watergangen.
Voor het uitvoeren van werkzaamheden in of nabij waterkeringen of watergangen kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden worden getoetst aan de beleidsregels. Waterplan Winkelsteeg 2022 Voor de ontwikkeling van Winkelsteeg is een Waterplan opgesteld. Het Waterplan Winkelsteeg 2022 heeft twee doelen: 1. 2.
Het geeft de kaderstellende inrichting weer voor de uitwerking van het watersysteem in de deelplannen. Het is de grondslag voor (bestuurlijke) afstemming tussen de betrokken partijen. De
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Stationsomgeving Goffert (Herstelbesluit)
91
gemeente stelt bij de verdere stedenbouwkundige uitwerking van het plan een waterhuishoudkundigplan op, in afstemming met de betrokken partijen. Dat waterhuishoudkundigplan voor Stationsomgeving Goffert wordt voorgelegd aan het waterschap. De gemeente is zelf grondeigenaar van het gebied. In het waterhuishoudkundigplan wordt onder andere beschreven: Huidige situatie met relevante gegevens over grondwater, riolering en oppervlaktewater; De ontwikkeling met verharde oppervlaktes, infrastructurele inrichting en kabels & leidingen. De oppervlaktes moeten in de ontwerpfase worden ingetekend en aangeleverd als shapefile. Na oplevering wordt de ontwikkeling geactualiseerd (op basis van de BGT) en blijvend geborgd in Atlaz. Hierin moet onder andere staan vermeld hoeveel verhard oppervlak er aanwezig is en hoeveel waterberging (in mm en m3) is gerealiseerd. Een beschrijving van het nieuwe hemel- en afvalwatersysteem. Hierbij zijn peilen, afwatering en controleberekeningen opgenomen. De effecten op de integrale waterhuishouding; De wijze van beheer en onderhoud, afgestemd met stadsbeheer gemeente Nijmegen. Een waterboekhouding moet worden bijgehouden zodat bij het ontwikkelen van het laatste deelgebied de waterbalans en waterstructuur voor het gehele gebied klopt. Een format voor de waterboekhouding wordt opgesteld en geactualiseerd.
Bij ruimtelijke plannen is het verplicht om het watertoetsproces te doorlopen. Bij toename van verhard oppervlak zal met het waterschap overeenstemming moeten worden bereikt over de compensatie van de waterberging. De uitgangspunten van het integrale waterplan zijn hierbij leidend. Bij het opstellen van de bestemmingsplannen en later het omgevingsplan moeten regels worden opgenomen die verwijzen naar het integrale waterplan en eisen stellen aan de waterberging volgens de uitgangspunten van het integrale waterplan. In de verplichte waterparagraaf staat een verdere toelichting voor het plangebied.
Bestemmingsplanregels In de planregels is opgenomen dat de gronden zoals aangewezen in de verschillende bestemmingen slechts mogen worden bebouwd, indien wordt voldaan aan de capaciteitseisen voor de berging van hemelwater en aan de inrichtingsprincipes voor het watersysteem uit het (meest recente) Waterplan Winkelsteeg.
92
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Stationsomgeving Goffert (Herstelbesluit)
Schematische weergave inrichtingsprincipes waterplan
6.8.2
Oppervlaktewater
De Nelson Mandelavijvers liggen op een groot kruispunt waar de Graafseweg aansluit op de Neerbosscheweg en zijn in beheer van de gemeente Nijmegen. In het midden van dit verkeersplein liggen twee vijvers waarop dit verkeersplein afwatert. Op de vijvers lozen tevens enkele belangrijke HWA-stelsels vanuit hoofdbemalingsgebied De Biezen. De vijvers voeren af naar de watergang langs de Serenadestraat richting het bemalingsgebied Neerbosch. De eerste waterberging zal plaatsvinden in de wadi's binnen het plangebied. Vanuit de wadi's wordt het water vertraagd naar de nieuw te graven hoofdstructuur afgevoerd. Alleen bij noodsituaties kan er directe overstort via de slokops plaatsvinden. Er vinden met het plan ontwikkelingen plaats op de locatie van de huidige Nelson Mandelavijvers. Hiervoor wordt een vervangende waterbergingsvoorziening gerealiseerd. De exacte locatie en uitwerking van de nieuwe waterbergingsvoorziening is nog niet bekend. In de directe omgeving is wel voldoende ruimte om vervangende waterberging te realiseren. De realisatie van de vervangende waterbergingsvoorziening is geborgd via het Waterplan Winkelsteeg. De watergang langs het Maas-Waalkanaal is in de huidige situatie de hoofdwatergang van dit gedeelte van Nijmegen, waar afstromend hemelwater en overstortend rioolwater in wordt ontvangen en afgevoerd.
Deze functie moet gehandhaafd blijven met mogelijkheden tot verbetering.
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Stationsomgeving Goffert (Herstelbesluit)
93
6.8.3
Grondwater
Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Het uitgangspunt bij stedelijke uitbreidingen is grondwaterneutraal bouwen. Dat wil zeggen dat de oorspronkelijke grondwaterstanden en stromen in de omgeving niet wijzigen. Dit kan bereikt worden door: een aan grondwater gerelateerde keuze van de locatie, bijvoorbeeld geen stedelijke uitbreidingen in gebieden met (kans op) hoge grondwaterstanden; maatregelen tijdens bouwrijp maken en bouw, bijvoorbeeld ophogen, goede structuur van het oppervlaktewatersysteem, voorkomen verdichting bodemstructuur; een waterbestendig bouwkundig ontwerp van woningen en gebouwen, bijvoorbeeld kruipruimteloos bouwen. Om grondwateroverlast in bestaand stedelijk gebied te beperken zet de gemeente in eerste instantie in op bouwkundige maatregelen. Pas als die onvoldoende soelaas bieden, komen drainerende of onttrekkende oplossingen in beeld. Dit sluit ondergronds bouwen niet uit. Dat is mogelijk mits voldoende technische maatregelen worden getroffen zodat de bouw waterdicht is. In de Waterwet is naast de gemeentelijke zorgplicht voor regenwater ook een zorgplicht voor grondwater opgenomen. Gelet op de verantwoordelijkheden van particulieren strekt deze zorgplicht niet zover dat gemeenten ook gehouden zijn (ter voorkoming van grondwateroverlast) maatregelen te nemen op percelen die in particulier eigendom zijn.
Eigenaren moeten zelf zorgen voor een goede staat van de bij hen in eigendom zijnde percelen en gebouwen. Zij moeten in dat kader zelf bouwkundige maatregelen treffen. Dit speelt vooral bij ondergronds bouwen. Voor indicatieve informatie over de grondwaterstanden wordt verwezen naar de milieuatlas van de gemeente Nijmegen die te vinden is via http://kaart.nijmegen.nl/milieu/. De grondwaterstand is van belang voor de eventuele bouw van een kelder of een verdiepte parkeervoorziening en het (tijdelijk) lozen van het bronneringswater. Op de milieuatlas is ook informatie te vinden over (resultaten en onderzoek naar) de waterdoorlatendheid van de bodem. Voor infiltratie van hemelwater naar grondwater dient te worden bekeken of de beoogde locatie vervuild is, zoals beschreven in paragraaf 6.7 Bodem. Vervuilde grond moet gesaneerd worden alvorens geïnfiltreerd kan worden.
6.8.4
Riolering en hemelwater
De riooltechnische ontsluiting van het plangebied bevindt zich aan de Weg door Jonkerbos. De huidige riolering is uitgevoerd als verbeterd gescheiden stelsel. Vanuit het Bouwbesluit 2012 geldt de verplichting om afvalwater en hemelwater op verantwoorde wijze te verwerken. Afvalwater moet verplicht op de openbare riolering aangesloten worden. Hemelwater moet op eigen terrein verwerkt worden. De gemeente Nijmegen hanteert bij de duurzame omgang met hemelwater de nota 'Afkoppelen en infiltreren hemelwaterafvoer' en voor Winkelsteeg specifiek het Waterplan Winkelsteeg. De verbeterd gescheiden riolering blijft aanwezig om vervuilde rioleringsoppervlaktes af te voeren naar de zuivering. Ten aanzien van vervuilde (ontsluitings)wegen zijn voorzieningen en/of bermpassages beoogd (conform waterplan) om vervuilingsrisico's te minimaliseren.
94
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Stationsomgeving Goffert (Herstelbesluit)
Riolering Winkelsteeg Op grond van het Bouwbesluit (artikel 6.18) moet hemelwater van daken en andere verharding in beginsel op eigen terrein verwerkt worden. Schoon hemelwater dient in de bodem te worden geïnfiltreerd. Bij de infiltratie van hemelwater dient waar mogelijk conform het convenant 'Duurzaam bouwen in het KAN' (2000) gebruik te worden gemaakt van duurzame bouwmaterialen. Het niet toepassen van uitlogende materialen is een voorbeeld. Het convenant is in 2013 geactualiseerd als Het groene akkoord. Voor plannen waarbij hemelwater in de bodem geïnfiltreerd wordt, moet een waterhuishoudkundig plan bij de gemeente worden ingediend. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet een goedgekeurd waterhuishoudkundig plan gevoegd zijn. Conclusie is dat het plan geen negatieve effecten heeft op het rioleringsstelsel of (indirect) oppervlaktewatersysteem. De omgevingsvergunningsaanvraag voor bouwen moet een goedgekeurd rioleringsplan/ waterhuishoudkundig plan bevatten. De nota 'Afkoppelen en infiltreren hemelwaterafvoer' geeft de inhoud van een dergelijk plan weer. Hiertoe is onderzoek naar bodemgesteldheid en
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Stationsomgeving Goffert (Herstelbesluit)
95
grondwaterstanden nodig. Geen bijgevoegd goedgekeurd plan betekent een niet-ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag. Belangrijke keuzen die al in het stadium van het schetsontwerp gemaakt moet worden, zijn: het type infiltratievoorziening/filtervoorziening dimensies en het globale functioneren van de infiltratievoorziening(en) de locatie(s) van infiltratievoorziening(en) en noodoverlopen naar openbaar gebied de locatie voor eventuele uitbreiding van wateroppervlak (indien extra berging nodig is)
Riolering algemeen Het afvalwater van de gebouwen in het plangebied moet worden aangesloten op de openbare riolering. Het is niet uitgesloten dat van bestaande aansluitingen gebruik gemaakt kan worden. Voor het maken van nieuwe aansluitingen op de riolering in de openbare ruimte vanaf de perceelgrens tot aan de riolering moet een aanvraag worden ingediend bij Kwaliteitsbeheer Riolering (zie www.nijmegen.nl > Diensten > Bouwen en wonen > Rioolaansluiting aanvragen). Op grond van de 'Verordening éénmalig rioolaansluitrecht' worden de kosten voor het maken van deze aansluiting op de aanvrager verhaald. Indien voor de afvoer van bestaande aansluitingen gebruik gemaakt kan worden, zijn geen kosten verschuldigd. Bouwen boven gemeentelijke riolering is niet toegestaan en kan betekenen dat riolering verlegd of dat de inrichting gewijzigd moet worden. Bij hoofdtransportleidingen dient rekening gehouden te worden met niet te bebouwen stroken aan weerszijden van de leiding van 6 m. Deze eis is vastgelegd in artikel 2.5.19 van de Nijmeegse bouwverordening. Uitleggers aansluiting riolering Het afvalwater van de woningen moet worden aangesloten op de openbare riolering. Het is niet uitgesloten dat van bestaande aansluitingen gebruik gemaakt kan worden. Hiertoe dient contact opgenomen te worden met Kwaliteitsbeheer Riolering.
Indien wel nieuwe aansluitingen nodig zijn, moet voor het maken van die aansluitingen op de riolering in de openbare ruimte vanaf de perceelgrens tot aan de riolering een aanvraag worden ingediend bij Kwaliteitsbeheer Riolering (zie www.nijmegen.nl > Diensten > Bouwen en wonen > Rioolaansluiting aanvragen). Op grond van de 'Verordening éénmalig rioolaansluitrecht' worden de kosten voor het maken van deze aansluiting op de aanvrager verhaald. Indien voor de afvoer van bestaande aansluitingen gebruik gemaakt kan worden, zijn geen kosten verschuldigd. Controleput Afvalwater en hemelwater moeten gescheiden ingezameld en afgevoerd worden. Het verdient aanbeveling afvalwater en hemelwater per woning of bedrijf via eigen aansluitingen op de riolering af te voeren. Het verdient tevens aanbeveling goede afspraken te maken over de afvoer van afvalwater en hemelwater over de percelen van derden als die situatie zich voordoet en die afspraken goed vast te leggen. Voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en hemelwater dienen op particulier terrein te liggen. In alle voorzieningen moet op particulier terrein een controleput geplaatst worden. Inpandige controleputten zijn toegestaan. Gescheiden stelsels en foutieve aansluitingen Bij gescheiden stelsels is het van belang dat foutieve aansluitingen voorkomen worden omdat deze de waterkwaliteit nadelig beïnvloeden.
Bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning bouwen toetst het bevoegd gezag of de juiste maatregelen worden genomen. Hierbij wordt onder andere getoetst aan het nog op te stellen waterhuishoudkundig plan.
96
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Stationsomgeving Goffert (Herstelbesluit)
Bestemmingsplanregels Zoals hiervoor reeds aangeven is in de planregels opgenomen dat de gronden zoals aangewezen in de verschillende bestemmingen slechts mogen worden bebouwd, indien wordt voldaan aan de capaciteitseisen voor de berging van hemelwater en aan de inrichtingsprincipes voor het watersysteem uit het Waterplan Winkelsteeg.
6.9
Natuur
In deze paragraaf is ingegaan op de landelijke kaders rondom natuur (Wet natuurbescherming), de provinciale kaders en de gemeentelijke kaders.
6.9.1
Wet natuurbescherming
In Nederland is de bescherming van inheemse soorten planten en dieren geregeld in de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). Deze wet bevat regels voor de bescherming van natuurgebieden, in het wild levende dier- en plantensoorten en houtopstanden in Nederland. Het uitgangspunt van de wet is de natuur te beschermen, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van biologische diversiteit zonder de lasten te verhogen. In 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. De wet bepaalt dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van het habitat kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning. Er wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden en beschermde soorten. Gebiedsbescherming: De Wet natuurbescherming voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te weten de Natura 2000- gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor soorten en/of habitattypen. Per soort en/of habitattype is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is of dat uitbreiding dan wel verbetering nodig is.
Het is verboden om zonder vergunning een project te realiseren dat significante gevolgen kan hebben op de instandhoudings- doelstellingen van (de aangewezen habitattypen en -soorten van) een Natura 2000-gebied en aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Soortenbescherming: De Wet natuurbescherming vormt tevens het wettelijk kader voor de bescherming van een groot aantal inheemse bedreigde dier- en plantsoorten. Op het gebied van soortbescherming is het uitgangspunt van de Wet natuurbescherming dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan; het 'nee, tenzij-principe'. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden.