CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Nijmegen Waalfront - 5 Toelichting

Besluitronde (raadsvergadering) 28 april 2021, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica) (29/2021) (DEBATSTUK)34.084 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

4.13.4 Planvoornemen In het bestemmingsplan zijn de onderwerpen klimaatadaptatie en natuurinclusief bouwen in de regels nader uitgewerkt.

4.13.4.1 Klimaatadaptatie Het stedenbouwkundigplan en het bijbehorende beeldkwaliteitsplan gaan uit van veel groene daken, gevelgroen, geveltuinen en binnentuinen op het garagedak. Daarnaast zullen de binnenstraten en de Laan van Oost-Indië van bomen worden voorzien. Dit zijn mooie voornemens om het gebied een groene en koelere uitstraling en beleving te geven, wat goed is tegen hittestress. Tegelijkertijd is dit groen kwetsbaar. Krijgt het voldoende water in de hete periodes? Daarnaast speelde het vraagstuk hoe om te gaan met water in het plangebied. Daarop is de Visie klimaatadaptatie opgesteld. Deze Visie klimaatadapatie biedt een oplossing voor beide. De wateropvang wordt ingericht op de plekken waar ook het groen is, zodat daarmee het groen gericht van water wordt voorzien. De uitvoering van deze Visie Klimaatadaptatie is door middel van een voorwaardelijke verplichting in de regels zekergesteld.

4.13.4.2 Natuurinclusief bouwen In de Waalsprong wordt al enige tijd natuurinclusief gebouwd. Met het vaststellen van de Omgevingsvisie Nijmegen 2020-2040 gaat dit ook in de rest van de stad van start. Het natuurinclusief bouwen is gekoppeld aan de toepassing van een Toolbox natuurinclusief bouwen en ontwikkelen. Voor het plangebied is door middel van een oplegnotitie de Toolbox Waalsprong vertaald. Daarbij is gericht naar het stedenbouwkundigplan en het inrichtingsplan Waalkwartier gekeken. Het aan te leggen Handelshavenpark heeft hierin een prominente plek, ook in ecologische zin. Daarom kan een groot deel van de te scoren punten uit de Toolbox op voorhand aan dit Handelshavenpark worden toegekend. Ook de (mogelijk) aan te leggen binnentuinen kunnen bijdragen aan een mooie score, als dit uitgevoerd wordt als zogenaamd pocketpark. Als een pocketpark binnen een bouwblok wordt aangelegd, zijn er voor dat bouwblok al voldoende punten gescoord. Het staat echter vrij hierin een andere keuze te maken; de regels voorzien hierin. In de regels is de toepassing van deze Toolbox Waalkwartier door middel van een voorwaardelijke verplichting zekergesteld.

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica)

79

4.14 Cultuurhistorie en archeologie 4.14.1 Cultuurhistorie 4.14.1.1 Toetsingskader 4.14.1.1.1 Rijksregelgeving Cultuurhistorie speelt een belangrijke rol bij de ruimtelijke inrichting van ons land. De uiterlijke verschijningsvorm van de stad weerspiegelt haar ontwikkelingsgeschiedenis en bepaalt mede de identiteit van een gebied. Archeologische vondsten en historische bebouwing vormen het fysieke archief van de stad. De grond, waarop we staan is laag voor laag opgebouwd, waarbij iedere laag iets vertelt over een bepaalde periode uit de geschiedenis van de stad. Om deze redenen heeft het Rijk de beleidslijn ingezet om cultuurhistorie onderdeel te laten zijn van het afwegingskader bij het opstellen van bestemmingsplannen. Deze beleidslijn is verwoord in de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg uit 2009 en heeft geleid tot wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) sinds 1 januari 2012. Met het gewijzigde Bro zijn gemeenten wettelijk verplicht cultuurhistorie deel uit te laten maken van het afwegingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het Rijk vraagt hiermee aan gemeenten om bij het opstellen van bestemmingsplannen, projectafwijkingsbesluiten en beheersverordeningen gebouwen, objecten en structuren met cultuurhistorische waarde te inventariseren en daaraan conclusies te verbinden en in het bestemmingsplan te verankeren.

De Erfgoedwet vormt de basis voor de monumentenzorg. Rijksmonumenten worden op basis van deze wet aangewezen, evenals rijksbeschermde stadsgezichten. Rijksmonumenten komen in Ulpia en Fabrica niet voor en ook niet in de nabije omgeving. Er lopen geen procedures om te komen tot aanwijzing van rijksmonumenten. Voor Ulpia en Fabrica is geen procedure voor aanwijzing als rijksbeschermd stadsgezicht in voorbereiding. 4.14.1.1.2

Gemeentelijk beleid

Uitgangsputen Omgevingsvisie We willen het cultureel erfgoed niet alleen beschermen en in stand houden, maar ook versterken, ontwikkelen en benutten. We vinden het belangrijk dat monumenten een duurzame, toekomstbestendige functie hebben. Op cultureel gebied willen we bij toekomstige ontwikkelingen van de stad aandacht besteden aan de 'geschiedenis van morgen'. Concreet betekent dit meer aandacht voor iconische ruimtelijke elementen van vandaag en morgen, die cultureel bepalend zijn voor Nijmegen.

Nota Cultureel Erfgoed Het gedachtengoed uit de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg en het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening zijn aanleiding geweest om ook het gemeentelijk erfgoedbeleid te actualiseren. Dit heeft geresulteerd in de Nota Cultureel Erfgoed, die op 15 mei 2013 door de raad is vastgesteld. Deze nota beschrijft op welke manier erfgoed kan bijdragen aan de ambitie van de gemeente Nijmegen om de identiteit van de stad te behouden en te versterken. Hiervoor worden drie strategieën ingezet: duurzame ruimtelijke ontwikkeling, kennis &

80

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica)

inspiratie en bescherming & instandhouding. De strategie duurzame ruimtelijke ontwikkeling heeft betrekking op een toekomstbestendige stad, waar erfgoed wordt ingezet om bij gebiedsontwikkelingen de eigen identiteit van de locatie te behouden of te versterken. De verplichtingen vanuit het Besluit ruimtelijke ordening en de daaruit voortvloeiende beleidsvrijheid die we als gemeente hebben, zetten we in om deze ambitie te kunnen realiseren. Erfgoed is een belangrijke factor die kwaliteit geeft aan de ruimte en daarmee ruimtelijke ontwikkelingen kan verrijken. De cultuurhistorische elementen die onderdeel zijn van de identiteit van de stad kan men niet allemaal als beschermd monument of gezicht aanwijzen, maar zijn wel onderdeel van de manier waarop we onze stad beleven, inrichten en gebruiken. De cultuurhistorische beleidskaart is de basis voor de cultuurhistorische inbreng bij het opstellen van ruimtelijke plannen.

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica)

81

Cultuurhistorische beleidskaart, met plangebied in groen weergegeven (bron: Nota Cultureel Erfgoed) Gebiedstype 3 Het plangebied valt binnen gebiedstype 3 van de cultuurhistorische beleidskaart. In deze gebieden is sprake van een rijke cultuurhistorische gelaagdheid. Het gaat om zowel de grotere schaal, zoals het stedenbouwkundige plan en/ of historische structuren, als om specifieke objecten en om de samenhang tussen de structuren, bebouwing en/of cultuurlandschap. Bij de bebouwing die geen beschermde status heeft gaat het niet zozeer om de architectuur en het

82

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica)

beeld, maar om het silhouet, zoals de situering, de nok- en goothoogte en de nokrichting. Zowel de zichtbare als de niet-zichtbare geschiedenis van het gebied zal uitgangspunt moeten zijn bij ontwikkelingen.

Uitsnede cultuurhistorische beleidskaart, met plangebied in groen weergegeven (bron: Nota Cultureel Erfgoed) Voor het opstellen en actualiseren van bestemmingsplannen wordt een cultuurhistorische

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica)

83

analyse van het gebied gemaakt. Aan waardevolle elementen worden planregels en passende functies gekoppeld, zodat de karakteristieken als uitgangspunt genomen kunnen worden bij nieuwe ontwikkelingen en veranderingen. Kenmerken van de bebouwing, zoals hoofdvorm en omvang, worden beschouwd als onderdeel van de identiteit van een plek. In deze gebieden zijn cultuurhistorische waarden een middel om nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kwaliteit te geven en de identiteit van een gebied herkenbaar en het verleden zichtbaar te houden en te versterken. Er is daarom veel aandacht voor cultuurhistorie bij ruimtelijke plannen in gebiedstype 3. Nieuwe ontwikkelingen zijn mogelijk, maar worden afgestemd op het karakter van het gebied. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zal voor het ontwerp- en ontwikkeltraject een cultuurhistorische rapportage gevraagd worden, waarin de kansen en beperkingen met betrekking tot cultuurhistorie zijn benoemd. Het rapport 'Bouwhistorische verkenning met waardestelling, fabriek Honig-Latenstein Waalbandijk 20-22' door Bureau voor Bouwhistorie en Architectuurgeschiedenis (BBA) uit 2012 kan als uitgangspunt dienen voor de nieuwe ontwikkelingen bovengronds. De Monumentenverordening is de juridische basis om monumenten en gebieden te kunnen beschermen.

De aanwijzing tot gemeentelijk monument wordt ingezet voor objecten en gebouwen die dusdanig belangrijk en karakteristiek zijn voor Nijmegen dat ongewenste wijzigingen en sloop op voorhand voorkomen moeten worden. Niet alle cultuurhistorisch waardevolle objecten zijn beschermd. Daarom heeft de gemeente ter completering van het monumentenbestand een aandachtspandenlijst opgesteld die in 2015 is vastgesteld door de gemeenteraad. Op de aandachtspandenlijst staan alle gebouwen, objecten en terreinen die in aanmerking komen voor plaatsing op de gemeentelijk monumentenlijst als gemeentelijk of archeologisch monument of als identiteitsbepalend object. De aanwijzing tot gemeentelijk beschermd stadsbeeld wordt ingezet voor (delen van) buurten/ wijken met een bijzondere verkaveling, een vanuit cultuurhistorisch belangwekkend stratenplan of stedenbouwkundige structuur. Onder de bescherming kunnen onder meer voor- en zijgevels vallen, erfafscheidingen, straatprofielen en straatmeubilair.

4.14.1.2 Planvoornemen Op basis van een eerder uitgevoerd algemeen cultuurhistorisch onderzoek van het Waalfront, waar Ulpia en Fabrica deel van uitmaakt, en een aantal specifieke onderzoeken, is vast komen te staan dat in het gebied aanzienlijke cultuurhistorische waarden aanwezig zijn, vandaar dat het in de Erfgoednota waarde 3 heeft gekregen, direct onder waarde 4, die betrekking heeft op gemeentelijk- en rijksbeschermde gebieden. Uit het cultuurhistorisch onderzoek is gebleken dat het gebied drie dominante cultuurhistorische lagen kent: de Romeinse stad, de vestingwerken en de laag van de industriële ontwikkeling. De Romeinse stad ligt onder het maaiveld en zal in de archeologische paragraaf aan de orde komen. Vestingwerken Het gebied ten westen van de spoorlijn naar Arnhem en ten noorden van de Weurtseweg is na de middeleeuwen vooral de locatie van de steeds verder opschuivende vestingwerken van de stad Nijmegen. De zestiende-eeuwse bastions Havenbolwerk en Hezelpoort reikten evenals de versterkingen, die door de beroemde vestingbouwmeester Menno van Coehoorn in 1700 zijn aangelegd en de uitbreidingen daarvan in 1726-1732 met de bastions Leliënverdriet en Zelandia, reeds tot aan de huidige Waalhaven. In 1748 werden deze buitenwerken door een enveloppe met glacis en bedekte weg verbonden.

Het systeem van Coehoorn was in de Franse tijd nog intact, maar door de aanzienlijke vooruitgang van de artillerie verouderd. In de Franse tijd werd Nijmegen verplicht om de vestingwerken te ontmantelen. Hiermee was echter nauwelijks een aanvang gemaakt, toen Napoleon definitief werd verslagen bij Waterloo. Na de

84

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica)

ineenstorting van het keizerrijk gelastte koning Willem I herstel en modernisering van de vesting. Het nieuwe fortificatieplan bestond onder meer uit de aanleg van de aarden werken de Sterreschans op de Hunnerberg en de schansen Oost-Indië en Batavia aan de Weurtseweg, die in 1817 gereed kwamen. In 1824-1831 werd in plaats van beide aarden werken aan de Weurtseweg het buitenfort of polygoonfort Krayenhoff gebouwd, genoemd naar zijn ontwerper, de Nijmeegse vestingbouwdeskundige Luitenant-generaal Cornelis Krayenhoff. Bij de aanleg stuitte men op de resten van het Romeinse Ulpia Noviomagus. Krayenhoff werd in 1840 in het fort begraven in een speciaal hiervoor bestemde kelder. Toen na de Eerste Wereldoorlog het fort werd ontmanteld, bracht men zijn resten naar elders over. De grafsteen met inscriptie werd vanuit het fort overgebracht naar het driehoekig plantsoen op de splitsing tussen de Weurtseweg en de Voorstadslaan: Krayenhoffpark.

Na het gereed komen van de tweede stadsomwalling in 1468 was er een bouwverbod uitgevaardigd voor het terrein buiten de wallen. In de loop van de zestiende eeuw wordt alle nog bestaande bebouwing buiten de wallen gesloopt. Tevens verwoestte Nijmegen systematisch vrijwel alle versterkte plaatsen en burchten die binnen de invloedsfeer van de stad lagen. Afgezien van de vestingwerken was het gebied ten noorden van de Weurtseweg dus eeuwenlang onbebouwd. Het gebied werd behalve door de Waaldijk doorsneden door veldwegen, die nog herkenbaar zijn in de huidige stedenbouwkundige structuur zoals de Weurtseweg, de Voorstadslaan, de Waterstraat en de Biezenstraat. De Voorstadslaan en de Weurtseweg leidden naar de Hezelpoort, de westelijke toegang tot de stad. In 1853 besloot het stadsbestuur om buiten de stadswallen een nieuwe haven aan te leggen. De haven, die vijfmaal zo groot was als de oude haven aan de Waalkade, kwam in 1855 gereed. Met de rivierscheepvaart samenhangende activiteiten verplaatsten zich sedertdien grotendeels naar de nieuwe haven. Toen korte tijd daarna de in 1865 geopende spoorverbinding met Kleef werd doorgetrokken, was de haven ook per spoor bereikbaar.

In 1874 werd de vesting Nijmegen opgeheven, met uitzondering echter van het fort Krayenhoff, zijn oostelijke pendant fort Sterreschans en de beide aan de overzijde van de Waal gelegen forten Boven en Beneden Lent (Sprokkelenburg en Nieuw Knodsenburg). Tussen 1876 tot 1880 werd de vesting - afgezien van enkele fragmenten bij de Kronenburgertoren en de Belvedère - daadwerkelijk gesloopt. In 1879 werd de spoorverbinding met Arnhem gerealiseerd. Met de hoge spoordijk, noodzakelijk vanwege de voor de scheepvaart vereiste doorvaarhoogte van de spoorbrug, werd een nieuwe barrière opgeworpen en werd het westelijke gebied ook visueel van de oude binnenstad afgesloten. De laag van de vestingwerken is met de restanten het Fort Krayenhoff in het gebied vertegenwoordigd. De kern van het fort is ten westen van Ulpia en Fabrica gelegen en zal worden gevisualiseerd in een park. In het kader hiervan zal ook de voormalige binnengracht met beer, die in het plangebied ligt, worden gevisualiseerd respectievelijk behouden blijven.

Fort Krayenhoff: Rechts de nog aanwezige beer in de oostelijke gracht onder een inmiddels gesloopt deel van Latenstein

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica)

85

Industrieel Erfgoed De industriële laag is prominent in het plangebied aanwezig. Vanwege de vestingstatus was de industrialisatie in de negentiende eeuw grotendeels aan Nijmegen voorbijgegaan. Na de ontmanteling begon de stad aan een inhaalslag. Talloze industriële kleinbedrijven vestigden zich op de logistiek gunstig gesitueerde en niet dure terreinen ten westen van de oude stad: in de omgeving van het spoorwegemplacement en de nieuwe haven. Het centrum van de Nijmeegse bedrijvigheid verschoof van de Benedenstad, behalve naar de nieuwe wijk Bottendaal, vooral ook naar de omgeving van de Waalhaven. Tussen de Waal en de Weurtseweg werden rond 1900 fabrieken gebouwd. In het begin van de twintigste eeuw werden hier onder meer het slachthuis, de papierfabriek Gelderland, een ijzergieterij en een vlasfabriek gevestigd. Het slachthuis Het slachthuiscomplex werd in 1900 gebouwd op een opgehoogd terrein aan de westzijde van de nieuwe haven naar ontwerp van stadsarchitect J.J. Weve. De toegang van het voor die tijd zeer moderne gemeentelijk abattoir was gelegen op de kop van de nieuwe haven tussen de directeurswoning en het administratiegebouw. Beide in Zwitserse Chaletstijl opgetrokken gebouwen zijn in 1987 gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw, waarmee de meeste representatieve gebouwen van het slachthuiscomplex zijn verdwenen.

Het slachthuiscomplex is in het kader van de voorgenomen ontwikkeling van het westelijk Waalfront tot woningbouwlocatie in 2019 bouwhistorisch onderzocht en gedocumenteerd door BBA (Bureau voor Bouwhistorie en Architectuurgeschiedenis). Van het slachthuis zal geen bebouwing worden gehandhaafd. Het verdient aanbeveling om de herinnering aan het slachthuis op een andere manier levend te houden, bijvoorbeeld met behulp van beeldende kunst. De Waalhaven uit het midden van de negentiende eeuw is behouden gebleven, de kenmerkende bebouwing van kleine bedrijfjes en een graansilo langs de Lijnbaan is echter sinds een aantal decennia verdwenen. Bij herontwikkeling van het gebied zou getracht kunnen worden om de levendige havensfeer van bedrijvigheid wederom op te roepen en te versterken. Tevens verdient het aanbeveling om aan de westzijde van de haven bebouwing van enige massa toe te voegen, wellicht met een opening ter plekke van de vroegere hoofdingang van het slachthuiscomplex. De van elders afkomstige havenkraan op het havenhoofd is beschermd als gemeentelijk monument.

Links: zicht op de haven. Rechts: Directeurswoning en kantoor van het slachthuis gezien vanuit de haven, detail Het Honig-Latensteincomplex Achter het slachthuis, aan de Waaloever, werd in 1906 met de bouw van een maisstijfselfabriek de grondslag gelegd voor wat later Honig zou worden. De van oorsprong Twentse fabriek werd in 1914 aangekocht door de firma "De Bijenkorf" uit Koog aan de Zaan. In de jaren twintig werd

86

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica)

de fabriek herhaaldelijk uitgebreid onder meer met een vermicellifabriek. Toen de Oostzaanse tarwestijfselfabriek Latenstein in 1925 afbrandde, werd besloten om het bedrijf, dat sinds enkele jaren in bezit was van De Bijenkorf, te verplaatsen naar Nijmegen. Dankzij de aankoop van de oude vlasfabriek met bijbehorend terrein, kon in hetzelfde jaar aan de westzijde van het bestaande bedrijf met de bouw van een nieuw fabriekscomplex worden begonnen. De bekende Nijmeegse architect Oscar Leeuw tekende in 1926 voor het ontwerp van dit zogenoemde tarwegebouw van vier verdiepingen. Tevens werd de vermicellifabriek uitgebreid. In 1930 werd een fabriek bijgebouwd voor de vervaardiging van gedroogde soepen en bouillonblokjes. In 1936 werd het bedrijf uitgebreid met een rijststijfselfabriek, waarvoor in 1938 direct naast Latensteins tarwestijfselfabriek twee grote fabricageloodsen werden gebouwd. Het fabrieksterrein was nu geheel volgebouwd. Om het steeds verder uitdijende bedrijf tegemoet te komen, besloot de Gemeente om de Waalbandijk enige tientallen meters zuidelijker te verplaatsen. Werklozen voerden in het kader van de werkverschaffing de dijkverlegging uit. In 1941 kon bijna één hectare aan het fabrieksterrein worden toegevoegd. Na de Tweede Wereldoorlog werd de fabriek, die bij de Nijmeegse bevolking bekend stond als de "Stiefselkeet", omgedoopt tot "N.V.

Fabriek van Honig's Artikelen". Tussen 1947 en 1951 werden delen van de oude fabriek vervangen door nieuwbouw en werd ook het nieuw verworven terrein bebouwd. In 1956 en de daarop volgende jaren ontstonden weer tal van uitbreidingen. Latenstein werd vrijwel geheel vernieuwd. De aangrenzende terreinen van Fort Krayenhoff aan de westzijde werden aangekocht. Bij latere uitbreidingen is Fort Krayenhoff vrijwel verdwenen. Enkel aan de rivierzijde zijn de twee beren van de voormalige fortgracht nog te zien en vanaf de Waal is te zien hoe de noordelijke muren van het fort zijn opgenomen in de kade. De fabriek bestreek in 1964 een terrein van ca. zes hectare.

Het Honig-Latensteincomplex

Het Honig-Latensteincomplex is in het kader van de voorgenomen ontwikkeling van het westelijk Waalfront tot woningbouwlocatie bouwhistorisch onderzocht en gewaardeerd door BBA (Bureau voor Bouwhistorie en Architectuurgeschiedenis). Uit de waardenstelling blijkt dat een belangrijk deel van het complex hoge monumentale waarde heeft. Dit zijn o.m. de Honigtoren en de bouwdelen ontworpen door Oscar Leeuw en ouder (zie bijgevoegd kaartje). Een ander deel heeft positieve monumentwaarde. Dit heeft o.m. betrekking op de biljartruimte,

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica)

87

de werkplaats TD (Brebl) en de soepafdeling (vrijwel alle bebouwing ten noorden van de voormalige dijk/ fabrieksstraat) en de beide fabrieksstraten. Een groot deel van het complex heeft weinig tot geen waarde vanuit cultuurhistorisch oogpunt. Dit betreft alle bebouwing ten zuiden van de voormalige dijk/tweede fabrieksstraat en vrijwel het gehele Latensteingedeelte, dat inmiddels is gesloopt. Op grond van bovenstaand onderzoek is het complex op de aandachtslijst Cultureel Erfgoed geplaatst, die in 2015 is vastgesteld door de gemeenteraad.

Vanuit cultuurhistorisch oogpunt is te zijner tijd bescherming (van de delen met hoge monumentwaarde en enkele delen met positieve monumentwaarde) als gemeentelijk monument een manier waarop de monumentale waarden met de grootst mogelijke zekerheid kunnen worden behouden en zoveel tegemoet wordt gekomen aan de publieke vraag tot behoud en bescherming. We gebruiken de sturingsmogelijkheden die we als mede-eigenaar hebben bij de planvorming ten behoeve van de herbestemming van het Honig-Latensteincomplex, waarbij we nadrukkelijk de cultuurhistorische aspecten laten meewegen. Tijdens of na de herbestemming kunnen dan delen van het complex worden aangewezen als gemeentelijk monument om bepaalde subsidies te verkrijgen en behoud van cultuurhistorische waarden na eventuele verkoop te garanderen.

Waardenstelling in geschematiseerde plattegrond

88

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica)

Noordelijke fabrieksstraat en gevelsteen in bewaard gebleven voorgevel van Stijfselfabriek Hollandia, later Honig

Overzicht Honig-Latenstein in de jaren zestig

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica)

89

Honigcomplex met rechts deel Oscar Leeuw met hoge monumentwaarde

Links detail pilaster, Latenstein naar ontwerp van Oscar Leeuw, hoge monumentwaarde

4.14.1.3 Conclusie Het stedenbouwkundig plan voor Ulpia en Fabrica voorziet in het behoud van alle bouwdelen met hoge monumentwaarde (blauw op de kaart) en van een deel van de bebouwing met positieve monumentwaarde (groen op de kaart). De bebouwing zal worden herbestemd. De toekomstige bestemming is nog niet duidelijk. Het is van groot belang dat het industriële karakter van de bebouwing wordt gehandhaafd en dat de gebouwen dus niet worden 'schoon gezaagd' of 'schoongepoetst'. Het is van belang dat de bebouwing wordt gehandhaafd in zijn oorspronkelijke hoogte. Bij het ophogen van het maaiveld ten behoeve van de waterkering zou de zuidgevel in zijn geheel zichtbaar en ervaarbaar moeten blijven. Het eventueel optoppen van de bestaande gebouwen met extra bouwlagen zou behoedzaam en met respect voor het bestaande moeten gebeuren zonder ingewikkelde kunstgrepen. Dit om het oorspronkelijk karakter van het complex te respecteren en de Honigtoren zijn signaalfunctie t.o.v. de overige historische bebouwing te laten behouden. Het stedenbouwkundig plan voorziet ook in het behoud van de twee fabrieksstraten. Aan de noordelijke fabrieksstraat is een deel van de voorgevel met jaarsteen 1909 van de oude Hollandiafabriek bewaard.

De zuidelijke fabrieksstraat, nu binnenstraat (nr.6) die in de Honigfabriek onder de silotoren doorloopt, ligt op het tracé van de oude Waalbandijk en de toegangsweg naar Fort Krayenhoff.

90

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica)

4.14.2 Archeologie 4.14.2.1 Toetsingskader 4.14.2.1.1 Rijksbeleid Met de ondertekening van het Verdrag van Valletta (Malta) in 1992 is in Nederland de beleidsmatige zorg voor het archeologisch bodemarchief aanzienlijk toegenomen. In het verdrag staat: Archeologische waarden dienen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed te worden meegenomen en te worden ontzien bij de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke plannen. Mocht bescherming onvoldoende mogelijk zijn dan dient, volgens dit verdrag, de informatie te worden onttrokken aan de bodem via archeologisch onderzoek. Uitgangspunt hierbij is dat de initiatiefnemer van de verstoring van het bodemarchief de kosten van het onderzoek dient te dragen. Inmiddels zijn de uitgangspunten van het Verdrag in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de (voormalige) Monumentenwet 1988 via de Wijzigingswet Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMz, 1-9-2007).

Met het in werking treden van de Erfgoedwet op 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 grotendeels vervallen. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de hoofdstukken II, paragrafen 2 en 3, IV, V, paragrafen 1 en 9, en VI van de Monumentenwet 1988, zoals die luidden voor inwerkingtreding van deze wet, nog van toepassing. Hoofdstuk V regelt de Archeologische Monumentenzorg.

Het Besluit ruimtelijke ordening artikel 3.1.6, lid 5 regelt de omgang van het bestemmingsplan met de in een gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. Ook dit wordt straks onderdeel van de Omgevingswet. 4.14.2.1.2 Provinciaal beleid De provincie heeft van het Rijk een rol gekregen bij het juridisch beschermen van erfgoederen met een uitzonderlijk nationaal belang. Dit is geregeld via het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Van belang voor dit plangebied is daarbij de Romeinse Limes. De ambitie van de provincie is de Romeinse Limes te beschermen tegen ongewenste ingrepen, en om deze verder te ontwikkelen en beleefbaar te maken. Dit betekent dat een bestemmingsplan voor een plangebied waar de Limes doorheen loopt geen activiteiten mogelijk maakt die de kernkwaliteiten van de Limes aantasten. Dit is verwerkt in de provinciale Omgevingsverordening Gelderland, waarin de Limes aan bod komt. Er loopt een aanvraag bij Unesco om de Romeinse Limes aangewezen te krijgen als werelderfgoed. In de provinciale Omgevingsverordening is de begrenzing van het gebied van de Romeinse Limes weergegeven op een kaart. In de huidige versie van de kaart (december 2018) ligt een deel van het plangebied van dit bestemmingsplan binnen de zone van de Limes. Daarmee is er ook sprake van een provinciaal belang.

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica)

91

Limeszone geprojecteerd op plangebied en directe omgeving (bron: uitsnede viewer Geconsolideerde Omgevingsverordening december 2018) 4.14.2.1.3 Gemeentelijke beleid Het archeologiebeleid van de gemeente Nijmegen is er, in overeenstemming met Malta en de Erfgoedwet, op gericht om het bodemarchief zoveel mogelijk te ontzien. Indien dat niet mogelijk is, wordt voorafgaande aan de bodemverstoring archeologisch onderzoek verricht. De wijze van onderzoek wordt bepaald op basis van de vast te stellen archeologische waarden en de aard en omvang van de bodemingrepen. De archeologische (in bredere zin: cultuurhistorische) kennis die hierbij wordt vergaard, levert informatie op die mede als inspiratiebron kan dienen voor het ontwerp van een gebouw of bij het inrichten van de openbare ruimte. Zo kan het 'verhaal van de plek' ook door toekomstige generaties nog worden gelezen. De Structuurvisie voor Nijmegen uit 2013 legt nadrukkelijk een koppeling tussen archeologie en lokale identiteit, en als bron of inspirator voor toerisme, een economisch belangrijke factor in de economie van de gemeente Nijmegen.

Het zal duidelijk zijn dat een betere bescherming van het bodemarchief en vooral ook het tijdig meewegen van de archeologische belangen vraagt om een zo goed mogelijk inzicht in de verwachte ligging, verspreiding en aard van het bodemarchief. Om deze reden heeft Bureau Archeologie en Bodemkwaliteit van de gemeente Nijmegen een archeologische beleidsadvieskaart ontwikkeld (ABAK), waarop de belangrijkste archeologische vindplaatsen en zones en hun waardering zijn aangegeven. Deze kaart is onderdeel van de Nota Nieuw Beleid (2013) en in een bijgewerkte vorm van het facetbestemmingsplan archeologie (2014). De op de kaart aangeduide waarden worden overgenomen in (nieuwe) bestemmingsplannen. Nieuwe inzichten worden in deze kaart verwerkt en waar nodig zullen deze zo overgenomen worden in nieuwe bestemmingsplannen.

Het streven van de gemeente Nijmegen is in eerste instantie gericht op behoud in situ. Planaanpassingen kunnen de kosten voor archeologisch onderzoek overbodig maken of sterk beperken. Initiatiefnemers wordt dan ook aangeraden in een vroeg stadium met de gemeente in overleg te gaan inzake de mogelijkheden om te kijken naar de best mogelijke opties. Het kan daarbij gaan om adviezen voor de soort van archeologisch onderzoek die het beste gekozen kan worden of om de mogelijkheden van archeologie sparend bouwen te bekijken.

92

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica)

4.14.2.2 Planvoornemen Archeologie in het plangebied Het plangebied Ulpia en Fabrica maakt deel uit van de grotere gebiedsontwikkeling Nijmegen Waalfront. Om in deze gebiedsontwikkeling vanuit de identiteit van het gebied de belangrijkste cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten te behouden is door het college op 9 april 2019 de Cultuurhistorische visie Waterkwartier (voor Waalfront en Biezen) vastgesteld. Zowel de ontwikkelingsgeschiedenis van het plangebied Nijmegen Ulpia en Fabrica als de archeologische waarden van dit gebied worden in deze visie beschreven. De visie is in Bijlage 14 Cultuurhistorische visie Waterkwartier opgenomen. In deze paragraaf wordt daarom volstaan met een korte samenvatting.

Archeologische waarden in het bestemmingsplan Romeinse Limes Het gebied maakt volgens de Provinciale Verordening deel uit van de zone van de Romeinse Limes. Binnen het plangebied zijn echter geen fysieke kernkwaliteiten van de Limes aanwezig.

Bestaande archeologische waarden Op grond van in het verleden uitgevoerd onderzoek is bekend dat het plangebied een zeer hoge archeologische waarde heeft. Het gebied ligt volgens de ABAK binnen een terrein waarvan de zeer hoge waarde al is vastgesteld. Het betreft terrein Z-07 Nijmegen West. Er zijn binnen dit uitgestrekte terrein verspreide vondsten uit de prehistorie gedaan, maar het grootste deel van de resten die zijn aangetroffen dateert uit de Romeinse tijd en behoort tot de stad Ulpia Noviomagus en de bijbehorende grafvelden. Aan de westzijde van het plangebied bevinden zich de resten van het 19eeeuwse Fort Krayenhoff en de Schans Oost-Indië.

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica)

93

Uitsnede van de archeologische beleidskaart Nijmegen met in zwart indicatief de contour van het plangebied

Ulpia Noviomagus Binnen terrein Z-07 zijn sinds 1920 tijdens opgravingen en archeologische begeleidingen overblijfselen aangetroffen van verschillende onderdelen van Ulpia Noviomagus. De stad was planmatig aangelegd en was opgedeeld in rechthoekige blokken (insulae), gescheiden door straten. Binnen deze insulae zijn resten van regelmatig verkavelde woonwijken aangetroffen. Wonen en werken werd meestal gecombineerd in de huizen die zich aan de voorzijde van de erven bevonden. Op de achtererven zijn sporen aangetroffen die wijzen op de productie van o.a. aardewerk, schoenen en benen voorwerpen. Daarnaast zijn er restanten aangetroffen van grote openbare gebouwen, zoals de tempelcomplexen bij de Winseling en op het Maasplein en het thermencomplex op het voormalig Honigterrein. Op verschillende plaatsen is de begrenzing van de stad, in de vorm van een muur plus droge gracht aangetroffen evenals delen van de belangrijkste oost west lopende weg die de stad richting het oosten verbond met de Hunerberg en het Kops Plateau. Het bestemmingplangebied Ulpia en Fabrica is gelegen in het noordelijke deel van Ulpia Noviomagus. Binnen de grenzen van dit plan liggen de resten van het thermencomplex en van de tempel bij de Winseling. Voor grote delen van het plangebied geldt dat deze nog niet zijn onderzocht.

De verwachting is dat ook in deze delen van het gebied een rijk bodemarchief onder het huidige maaiveld schuilgaat. De stad Ulpia Noviomagus is de eerste en grootste stad in Nederland in de Romeinse tijd. Vanwege deze unieke status is het van belang om zoveel mogelijk facetten van deze stad te kunnen leren kennen. De bewaard gebleven resten kunnen een groter inzicht geven de ruimtelijke inrichting en in de economische, sociale en religieuze aspecten van de stad.

Ulpia Noviomagus op de huidige topografie. In blauw de verschillende fasen van de verdedigingswerken rond de stad, 1) tempel bij de Winseling, 2) thermencomplex bij de Honig, 3) tempels Maasplein. In oranje het plangebied Ulpia en Fabrica

94

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica)

Fort Krayenhoff en Schans Oost-Indië Van het 19eeeuwse fort zijn vandaag de dag slechts enkele fragmenten van muurwerk zichtbaar. Na de ontmanteling van de vestingstad Nijmegen, toen het fort zijn functie had verloren, is het gedeeltelijk gesloopt. Na grootschalige ophogingen en egaliseringen in het gebied in de 20e eeuw is het fort niet meer zichtbaar. In de bodem zullen nog resten van de oorspronkelijke aardwerken, de gracht en mogelijk delen van muurwerk aanwezig zijn.

Uitsnede van de kaart van L.A. Reuvens uit 1871 met daarop Fort Krayenhoff en de schans Oost-Indië

Onderzoek in het plangebied Selectiebesluit archeologie Waalfront Om archeologische belangen tijdig te kunnen meewegen was het nodig om een preciezer inzicht te hebben in de verwachte ligging en aard van het bodemarchief dan dat de ABAK bood. Grote verschillen in de opbouw van de ondergrond van het plangebied maakten het noodzakelijk om een verfijning van de bestaande beleidskaart op te stellen. Voor afzonderlijke deelgebieden is onderzocht hoe de bodem is opgebouwd en op welke diepte intacte archeologische resten te verwachten zijn. Dit heeft geleid tot een selectieadvies waarmee per deelgebied wordt aangegeven vanaf welke diepte archeologische waarden kunnen worden verwacht en vervolgonderzoek noodzakelijk is (zie Bijlage 15 Archeologie: Selectiebesluit). Met het besluit d.d. 26-10-2018 is het selectieadvies integraal overgenomen en

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica)

95

wordt per specifieke zone aangegeven vanaf welke diepte, in het geval van een verstoring, vervolgonderzoek nodig is.

Bestemmingsplanregels Op basis van de gespecificeerde kaart die met het genoemde selectiebesluit is vastgesteld, worden in dit bestemmingsplan maatregelen ter behoud van archeologie opgenomen. Het betreft een dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie maatwerk' waarbij vrijstellingsdiepten gehanteerd worden. Binnen het plangebied “Ulpia en Fabrica" zijn vier zones aangegeven met ieder een eigen vrijstellingsdiepte, aangeduid in m +NAP. De zones zijn weergegeven in de verbeelding met de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - archeologie nap', gevolgd door respectievelijk de maten 9,95; 10,95; 11,25 en 11,25. Boven de desbetreffende NAP-maat is geen archeologisch vervolgonderzoek nodig. Bij ingrepen in de bodem dieper dan de desbetreffende NAP-maat geldt een plicht tot vervolgonderzoek, tenzij er sprake is van een van de volgende situaties: Wanneer de beoogde ingrepen in de bodem een oppervlakte kleiner dan 4 m2 hebben, gemeten in de behoudenswaardige laag; voor funderingswerken met een verstoring kleiner dan 2,5% van het te bebouwen plangebied. Doelstelling moet zijn om het aantal funderingspalen zoveel als mogelijk te beperken en zoveel als mogelijk in evenwijdige rijen met een afstand van 5 m te realiseren.

Benodigd onderzoek Indien een plan op basis van het bestemmingsplan vergunningplichtig is, kunnen voorwaarden ten aanzien van archeologie aan de vergunning worden verbonden. Uitgangspunt hierbij is de verplichting van de initiatiefnemer om het bevoegd gezag te voorzien van gegevens die aantonen hoe het met de archeologische waarden in het plangebied is gesteld, zodat een besluit genomen kan worden hoe hiermee om te gaan bij de planrealisatie. De exacte eisen zullen daarom pas geformuleerd kunnen worden als de concrete, bodemverstorende ingrepen bekend zijn en kan worden beoordeeld welke impact de voorgenomen ingrepen op die waarden hebben. Tot slot zullen bij de vergunningaanvraag de concrete plannen bekend moeten zijn.

Belangrijk zijn de uitgangspunten van het gemeentelijk archeologiebeleid: streven naar behoud in situ en enkel daar waar nodig en noodzakelijk onderzoek ter behoud ex situ. Daar waar geopteerd wordt voor behoud in situ zijn parameters als behoud van huidige waterhuishouding, grondsamenstelling en gronddruk van belang.

In samenspraak met het bevoegd gezag wordt, zodra het planvoornemen uitgewerkt is en de beleidsuitgangspunten indachtig, bepaald welke ingrepen wel of niet raadzaam zijn, en indien uitgevoerd, welke gevolgen daar vanwege de archeologie voor de initiatiefnemer aan verbonden zullen worden. Deze maatregelen, en de archeologische onderzoeken die vooraf kunnen gaan aan een dergelijk besluit, worden bij voorkeur als maatwerk toegepast. Ze worden dus zoveel mogelijk per geval bekeken. Er zijn verschillende opties voor het te verrichten archeologisch onderzoek, die hieronder kort worden weergegeven.

96

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica)

Uitgebreid archeologisch onderzoekschema, naar de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA)

Het ruitje in het midden van de bovenstaande afbeelding staat voor het rapport dat moet aantonen hoe het met de archeologie binnen het plangebied is gesteld. De daarboven staande onderzoeksstappen kunnen elkaar opvolgen, maar er kan ook gekozen worden om maar één bepaald soort onderzoek uit te voeren. In het algemeen geldt dat hoe lager men in de boom komt, hoe hoger de kosten worden, maar ook dat de data die gegenereerd worden steeds beter worden.

Op basis van het advies kan de gemeente maatregelen opleggen. Deze variëren van het vrijgeven van het terrein tot het nemen van langdurige fysieke beschermingsmaatregelen. Een andere vorm kan het behoud van de archeologische waarden zijn door middel van een

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica)

97

opgraving. Dit wordt ook wel behoud ex situ genoemd.

Meldingsplicht art. 5.10 en 5.11 Erfgoedwet

Archeologische vondsten dan wel waarnemingen gedaan bij niet-archeologisch onderzoek moeten gemeld worden op basis van de artikelen 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Dit soort vondsten wordt aangeduid als toevalsvondst. Om het documenteren van toevalsvondsten en waarnemingen mogelijk te maken, verdient het aanbeveling de volgende standaardtekst bij de vergunningverlening op te nemen, die refereert aan de wettelijke meldingsplicht van archeologische waarden (ex artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet): Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze minister (artikel 5.10). Degene die bij het opsporen van archeologische monumenten, zonder het verrichten van een opgraving, waarnemingen doet, waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat die waarnemingen van belang zijn voor de archeologische monumentenzorg, meldt die waarnemingen zo spoedig mogelijk bij Onze minister (artikel 5.11). Deze melding kan in de praktijk worden gedaan bij het bevoegd gezag archeologie van de gemeente Nijmegen.

4.14.2.3 Conclusie De archeologisch verwachte situatie is op juiste en volledige wijze in beeld gebracht. Ten behoeve van archeologie is een maatwerkregeling opgesteld, vertaald naar de bestemming 'Waarde - Archeologie maatwerk'. Daarmee heeft een vertaling naar vrijstellingsdiepten tot een NAP-maat plaatsgevonden. Beneden deze vrijstellingsdiepten zijn de archeologische waarden geborgd door de onderzoeksplicht, die geldt wanneer er verstoringen groter dan de genoemde vrijstellingsgrenzen worden beoogd. Hiermee zijn de archeologische waarden voldoende beschermd. Aan het aspect archeologie wordt voldaan.

4.15 Mobiliteit 4.15.1 Toetsingskader 4.15.1.1 Uitgangspunten Omgevingsvisie We zorgen ervoor dat de omgeving actief bewegen (wandelen, fietsen, spelen, sporten) stimuleert en faciliteert. We gaan uit van het STOP-principe: eerst oog hebben voor Stappers en Trappers, dan voor Openbaar Vervoer en pas dan voor de Personenauto. We creëren op stedelijk niveau en wijkniveau een netwerk van aantrekkelijke beweegroutes door de stad, die wijken en publieke plekken met elkaar verbindt. Zoals winkelcentra, wijkgebouwen, sport- en speelplekken.

98

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica)

4.15.1.2 Nijmegen Goed op Weg Het Nijmeegse mobiliteitsbeleid is vastgesteld in het ambitiedocument "Nijmegen Goed op Weg". De verwachting is dat het aantal inwoners fors blijft groeien met 10 - 15% tot 2035. Ook het aantal banen zal meegroeien, naar verwachting met 15.000 extra banen tussen 2017 en 2022. Extra mensen betekent ook extra verplaatsingen. Nijmegen is een compacte stad met de campus Heyendaal en andere verkeersaantrekkende plekken midden in het stedelijk weefsel. Het ligt niet voor de hand dat deze indeling van de stad ingrijpend zal veranderen. Ruimte voor uitbreiding van de infrastructuur is er niet. Dit betekent dat de groei van het aantal verplaatsingen opgevangen moet worden binnen het huidige netwerk. Als we niets doen komt de leefbaarheid en de bereikbaarheid van de stad met haar wijken verder onder druk te staan. Er staat een sterk kader waarbinnen een groot aantal maatregelen wordt uitgevoerd om de deze druk te verlagen: inzet op de voetganger, de fiets, het (H) OV en daarna de auto (verbeteren doorstroming, beperken autogebruik). Echter de wereld staat niet stil en de ontwikkelingen gaan snel. Daaruit ontstaan nieuwe kansen en uitdagingen.

4.15.2 Planvoornemen De ontwikkelingen in het westelijk deel van de stad Nijmegen, meer specifiek het Waalfront, heeft natuurlijk zijn invloed op het verkeer in en om het gebied. In het kader van de herontwikkeling van het Waalfront is het noodzakelijk een goed functionele ontsluitingsstructuur te realiseren. Hiertoe is afgesproken om de Waalbandijk in fasen te transformeren tot de Laan van Oost-Indië. Conform de Nijmeegse ontsluitingsstructuur zal deze weg één van de radialen van en naar de stad worden. De weg zal een snelheidsregime van 50 km/u kennen en neemt een groot deel van het verkeer van de Weurtseweg over. De Laan van Oost-Indië vormt zowel ruimtelijk als functioneel gezien een belangrijke structuurdrager binnen de gehele ontwikkeling van het Waalfront. Wanneer de volledige ontwikkeling van de Laan van Oost-Indië vorm heeft gekregen, zal de Weurtseweg getransformeerd worden tot een fietsstraat met een snelheidsregime van 30 km/u. Daarmee zullen auto's in de toekomst te gast zijn en blijft de bestaande snelfietsroute over de Weurtseweg gehandhaafd. Ter hoogte van de Havenweg zal de Laan van Oost-Indië afbuigen naar de Weurtseweg om zo aan te haken op het stedelijk netwerk richting de Voorstadslaan en Hezelpoort. Het woongebied Batavia en het Dijkkwartier langs de Weurtseweg worden voor de auto ontsloten vanaf deze straat.

De auto's staan geparkeerd in de hoven binnen de bouwblokken met woningen welke aan de Weurtseweg zijn of worden gerealiseerd. De woningen en de voorzieningen noordelijk van de nieuwe Laan van Oost-Indië (dit geldt voor zowel het deelgebied Batavia, het parkwonen Fort Krayenhoff als Ulpia en Fabrica) worden ontsloten vanaf de Laan van Oost-Indië, waarbij ter hoogte van Ulpia en Fabrica een parallelweg wordt gerealiseerd op de verschillende deelgebieden in Ulpia en Fabrica.

Verkeer Bij de nieuwe inrichting van de Laan van Oost-Indië wordt rekening gehouden met de gehele herontwikkeling van het Waalfront. Ook het programma uit voorliggend plan is hierin meegenomen. Dit maakt dat de toename van het extra verkeer kan worden opgenomen in het toekomstige verkeersbeeld van de Laan van Oost-Indië. Tevens biedt het tracé van de Laan van Oost-Indië goede mogelijkheden om onder andere de beoogde snelfietsroute en stedenbouwkundige kwaliteit te kunnen realiseren. Zo draagt de beoogde stedenbouwkundige opzet van het plangebied bij aan het zicht en de oriëntatie van de

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica)

99

weggebruiker. Het is van groot belang dat mensen zich goed door de stad kunnen bewegen en zich daarbij goed kunnen oriënteren (wayfinding). De stedenbouwkundige structuur kan hier een bijdrage aan leveren door op strategische plekken accenten te situeren of het profiel te vernauwen. De opzet van het profiel van de weg en de stedenbouwkundige opzet van het plangebied zijn daarom in nauwe samenspraak vormgegeven. Het profiel is er op gericht dat het vanzelfsprekend is dat weggebruikers komend vanuit de stad de doorsteek naar de Laan van Oost-Indië volgen en niet de Weurtseweg inrijden (wat tot nu toe de uitvalsroute de stad uit is). Andersom geldt dit ook de stad in ter hoogte van de Waalhaven. Het Waalfront wordt aangesloten op de S100, de belangrijkste doorstroomroute in de stad. De doorstroming en verkeersafwikkeling op de S100 heeft op stedelijk niveau de hoogste prioriteit.

Openbaar vervoer Het OV moet een belangrijke bijdrage gaan leveren aan het verbeteren van de bereikbaarheid van Nijmegen en haar knooppunten. Het streven is een toename van het gebruik van het OV. De kracht van het OV ligt vooral bij zoveel mogelijk gebundelde vervoersstromen. De mogelijkheden voor openbaar vervoer in het Waalfront zijn onderzocht in de studie naar Hoogwaardig Openbaar Vervoer (HOV) in Nijmegen, die samen met de provincie Gelderland is uitgevoerd. Vanuit de OV-aanbieder is er de wens om met een bus te gaan rijden bij het Waalfront via de Laan van Oost-Indië.

Voor het Waalfront is de ontwikkeling van het centraal station belangrijk. Aan de westzijde van het station komt een volwaardige tweede ingang, met een herkenbare en zichtbare entree. Er komt een nieuwe fietsenstalling die aansluit op de snelfietsroute tussen Graafseweg-Waalfront en een Kiss&Ride plek. De aanpassing hangt samen met het Programma Hoogfrequent Spoor (PHS) dat ProRail in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu en samen met de vervoerders realiseert. Uiterlijk in 2028 moet er iedere 10 minuten een trein gaan rijden op de 6 drukste trajecten in Nederland door uitbreiding met een derde perron. Station Nijmegen is het eindpunt van de lijn Schiphol-Utrecht-Arnhem/Nijmegen.

Parkeren In december 2020 zijn de nieuwe "beleidsregels parkeren" vastgesteld en gepubliceerd. Deze beleidsregels vloeien voort uit de nieuwe Parkeernota "Parkeren in Nijmegen, 2020-2030". In de gemeentelijke "Beleidsregels parkeren" wordt helderheid gegeven over het aantal te realiseren parkeerplaatsen bij diverse functies en de werkwijze bij het bepalen van de normen. Aangezien het programma nog niet vastligt, is de precieze parkeerbehoefte nog niet te bepalen. Wel is het gemeentelijk parkeerbeleid in de regels van dit bestemmingsplan juridisch-planologisch vastgelegd. Deze regeling is overgenomen uit het "Facetbestemmingsplan Parkeren", zoals vastgesteld op 13 september 2017. Dit betekent dat bij de omgevingsvergunning voor het bouwen getoetst zal worden of het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Daarmee is verzekerd dat het aspect 'parkeren' voldoende in dit plan is gewaarborgd. Binnen de parkeernormen wordt een onderscheid gemaakt in normen per functie en per stedelijke zone. Gelet op deze trends wordt er ingezet op een toekomstbestendige, duurzame en realistische parkeernormering. Om dit mogelijk te maken is voor Ulpia en Fabrica en het Dijkkwartier de centrumnorm vastgesteld. Deze twee gebieden vormen een toekomstig hoogstedelijk gebied en daar is het dan ook gerechtvaardigd om deze centrumnorm toe te passen. Nieuw in het beleid

100

is dat er korting op de parkeerbalans behaald kan worden als

vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=7dfd6a6d-78d9-4edd-bd1e-16c0a21ef396