CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Nijmegen Waalfront - 5 Bijlage 4 regels Toolbox natuurinclusief

Besluitronde (raadsvergadering) 28 april 2021, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica) (29/2021) (DEBATSTUK)14.568 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toolbox natuurinclusief ontwikkelen en bouwen Waalkwartier Oplegnotie

Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

Aanleiding De gemeente Nijmegen hecht grote waarde aan een prettige leefomgeving. Voor haar burgers , maar ook voor de flora en fauna in de omgeving. Uitgangspunten uit de omgevingsvisie (Omgevingsvisie Nijmegen 2020-2040) zijn: We nemen de natuur mee in onze plannen en kiezen voor ‘natuurinclusief bouwen’. Om natuurinclusief bouwen te implementeren in de bouwplannen, is voor de Waalsprong de “Toolbox natuurinclusief ontwikkelen en bouwen, Leidraad voor de Waalsprong” (verder benoemd als Toolbox Waalsprong) opgesteld. Deze Toolbox Waalsprong is gebaseerd op de omgeving, de gewenste soorten en de ambitie en gekoppeld aan de Leidraad natuurinclusief bouwen, renoveren en verduurzamen van de Provincie Gelderland. Voor de rest van de stad gaat een dergelijke Toolbox ook opgesteld worden. Deze zal bij vaststelling van het bestemmingplan Waalkwartier echter nog niet beschikbaar zijn. Deze oplegnotitie is daarom bedoeld om de Toolbox Waalsprong toepasbaar te maken voor het Waalkwartier.

Waar doen we het voor Het doel van het natuurinclusief ontwikkelen en bouwen is het versterken van de stedelijke biodiversiteit en het vergroten van de belevingswaarde voor de bewoners. Biodiversiteit is de verscheidenheid aan soorten die er zijn. Voor de mens is biodiversiteit van groot belang; voor ons welzijn, een goede ontwikkeling van gewassen en het voorkomen van ziekten en plagen. Variatie is belangrijk voor evenwicht in de natuur en maakt haar minder kwetsbaar. Tevens willen we met de groene maatregelen uit de toolbox een bijdrage leveren aan het tegengaan van hittestress, wateroverlast en droogte. Klimaatadaptieve maatregelen moeten bijdragen aan het terugdringen of tenminste beheersbaar houden van de effecten van klimaatverandering. De Nijmeegse klimaatadaptieve ambities zijn opgenomen in de omgevingsvisie. Het Waalkwartier wordt een dichtbebouwde stadswijk met een hoog stedelijk karakter. Er wordt gestreefd naar meervoudig ruimtegebruik en stapeling van functies. De plannen bevatten veel hoogbouw met platte daken en binnenterreinen op parkeergarages. Wanneer geen maatregelen worden genomen is in het plangebied weinig ruimte voor flora en fauna. Het stenig milieu is gevoelig voor hittestress, wateroverlast en droogte.

Stap 1 – bepalen aantal nestvoorzieningen Gebouwbewonende soorten hebben hun broed- en verblijfsplaatsen in of tegen gebouwen. Huismussen leven al eeuwenlang in de omgeving van mensen, gierzwaluwen zijn in West-Europa sterk geassocieerd met mensen en ook de gewone dwergvleermuis is een echte cultuurvolger en is dan ook veel in de bebouwde omgeving te vinden. Door moderne bouwtechnieken zijn gebouwen echter vaak ontoegankelijk geworden en blijven weinig spontane spleten en gaten over die gebruikt kunnen worden door deze gebouwbewonende dieren. Het grote aantal nieuwe gebouwen in het Waalkwartier kan echter in potentie veel nest- en verblijfplaatsen bieden wanneer daarin bewust ruimte wordt gecreëerd. Het ambitieniveau van de aantallen te realiseren verblijfplaatsen is gebaseerd op de van oudsher ruim aanwezige spontane kieren en gaten in gebouwen en gewenste variatie in microklimaat en omgeving. Voor de huismus, gierzwaluw en gewone dwergvleermuis kan het Waalkwartier dan geschikte huisvesting bieden.

1

Stap 1a rekenkundige bepaling Het onderstaande rekenmodel dient gebruikt te worden om de aantallen te realiseren nestvoorzieningen te bepalen. Dit komt overeen met stap 1 uit de Toolbox Waalsprong.

Stap 1b plaatsing binnen plangebied De aantallen die voortkomen uit stap 1a dienen binnen het plangebied gerealiseerd te worden. Het is niet noodzakelijk dat de verdeling naar gevels en woningen uit het rekenmodel wordt aangehouden. Binnen de invloedsfeer van het plangebied dient gezocht te worden naar de beste locaties voor de nestvoorzieningen. Oftewel, binnen het plangebied kan geschoven worden met de nestvoorzieningen.

Stap 1c ecologische potenties De uiteindelijke locatiebepaling van de nestvoorzieningen is afhankelijk van ecologische potenties. Daarbij zijn onder andere van belang de situering van de bouwblokken (bezonning), aanwezigheid van belemmerende elementen in de in- en uitvliegzone en verlichting. Deze factoren dienen in het ontwerpproces meegenomen te worden zodat er “bijgeschaafd” kan worden. Uitgangspunt is in een vroegtijdig stadium de opgave voor nestvoorzieningen mee te nemen, zodat er rekening kan worden gehouden met ecologische eisen. Het is weinig doelmatig om aan een voltooid ontwerp als laatste de nestvoorzieningen toe te voegen. Er kan alleen worden afgeweken van de aantallen uit stap 1a wanneer uit een ecologische onderbouwing blijkt dat dit niet leidt tot potentieel geschikte nest- en verblijfplaatsen voor de huismus, gierzwaluw en/of gewone dwergvleermuis. Om tot duurzame vestiging van deze soorten te komen, zijn nestvoorzieningen alleen niet genoeg. Wanneer zij geen plek hebben om te foerageren, is de waarde van de nestvoorzieningen beperkt. Voor écht natuurinclusief bouwen en ontwikkelen is dus meer nodig. Zie de hierna volgende stappen.

2

Stap 2 – stedelijke zone Om de bepalen binnen welke ruimtelijke context de natuurinclusieve maatregelen genomen worden is in de Toolbox Waalsprong het plangebied ingedeeld in vier zones (stap 2 uit de Toolbox Waalsprong). Aansluitend op deze indeling en karakterisering is het Waalkwartier benoemd als Stedelijke zone.

Stap 3 – bepalen van de inwisselbaarheid van aan te brengen nestvoorzieningen In de Stedelijke zone zijn groene maatregelen verplicht. In onderstaande tabel is weergegeven dat in het ‘stedelijke’ Waalkwartier voor de gewone dwergvleermuis en huismus minimaal 25% van de verblijfplaatsen móet en maximaal 50% van de verblijfplaatsen màg worden ingewisseld voor groene maatregelen. Het betreft inwisselen van òfwel 25% òfwel 50% van de verblijfplaatsen. Het vrijwillig treffen van extra groene maatregelen is uiteraard mogelijk en zeer gewenst.

3

Voor het inwisselen van verblijfplaatsen voor groene maatregelen wordt gewerkt met punten. Elke groene maatregel heeft een ecologische waarde van 1 tot 6 punten, zie bijlage A van de Toolbox Waalsprong. De verplichtte inwisseling van 25% betekent dat er tenminste 6 punten gerealiseerd dienen te worden. Op welke wijze daar standaard invulling aan wordt gegeven in Waalkwartier en hoeveel groene maatregelen per project nog gerealiseerd moeten worden, is te vinden in de volgende paragraaf.

Stap 4 – bepalen van type maatregelen Verplichting groene maatregelen Waalkwartier Voor het Waalkwartier dient minimaal 6 punten gescoord te worden aan groene maatregelen. Het Handelshavenpark telt als “basis groene maatregel” voor ieder project mee voor 4 punten.

Inrichting Handelshavenpark Het Handelshavenpark wordt ingericht met onder andere inheemse struiken en bomen en bevat een groot oppervlak bloemrijk grasland. De inrichting met deze landschappelijke elementen levert een belangrijke bijdrage aan het leefgebied voor met name de huismus en de gewone dwergvleermuis en staat daarom gelijk aan 4 punten. Deze groene inrichting draagt bij aan het hele plangebied en geldt als “basis groene maatregel” voor alle projecten in dit gebied.

Keuze in overige groene maatregelen Overige groene maatregelen Aanvullend wordt per bouwblok minimaal één van de volgende opties uitgevoerd: a.

b.

indien in een bouwblok een binnentuin in de vorm van een pocketpark als bedoeld in " Toolbox natuurinclusief ontwikkelen en bouwen Waalkwartier" van minimaal 150 m2 wordt gerealiseerd, dan zijn binnen dit bouwblok geen overige maatregelen van de Toolbox benodigd; of indien in een bouwblok niet een pocketpark wordt gerealiseerd, dan worden per omgevingsvergunningaanvraag van dit bouwblok twee punten gescoord uit de Toolbox, zoals opgenomen in “Toolbox natuurinclusief ontwikkelen en bouwen Waalkwartier”.

Erratum In de Toolbox Waalsprong zijn nog enkele onderwerpen genoemd. Hierover het volgende: - De algemene maatregelen zoals benoemd in bijlage A tabel A (ecologisch advies, voorbeeldtuin, faciliteren inloopspreekuur, grondbewerking, korting plantmateriaal en voorlichtingsfolder) zijn zeer gewenst, echter zijn dit geen fysieke maatregelen die in de openbare ruimte te herkennen zijn. Vandaar dat deze algemene maatregelen niet meetellen in de minimaal te behalen score. De maatregelen benoemd in tabel B Opstalgebonden maatregelen en tabel C Omgevingsgebonden maatregelen tellen wel mee als groene maatregel. - De maatregelen zoals benoemd in tabel B en C dienen in verhouding te staan tot de opgave en te beantwoorden aan het doel. Bij twijfel moeten de maatregelen worden goedgekeurd door de gemeente Nijmegen om te kunnen meewegen in de beoordeling. - Het onderscheid dat wordt gemaakt voor ‘particuliere kavels” geldt niet voor Waalkwartier. Oftewel, voor particuliere kavels is de opgave dezelfde als bij de overige kavels.

4

TOOLBOX NATUURINCLUSIEF ONTWIKKELEN EN BOUWEN Leidraad voor de Waalsprong Gemeente Nijmegen

14 JANUARI 2020 GEWIJZIGD DOOR GEMEENTE NIJMEGEN

TOOLBOX NATUURINCLUSIEF ONTWIKKELEN EN BOUWEN

Contactpersonen VERIAN KLARUS Adviseur Natuur

T +31 6 151 186 072 M +31 6 151 186 072 E verian.klarus@arcadis.com

Arcadis Nederland B.V. Postbus 264 6800 AG Arnhem Nederland

MAX KLASBERG Stadsecoloog

T +31 6 27 06 06 69 E max.klasberg@arcadis.nl

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

Arcadis Nederland B.V. Postbus 33 6800 LE Arnhem Nederland

2 van 57

INHOUDSOPGAVE 1

2

INLEIDING

4

1.1

Ambitie voor de Waalsprong

4

1.2

Inwisselen van verblijfplaatsen voor groen

4

1.3

Uitgangspunten groene omgevingsmaatregelen

5

1.4

Inzet van de leidraad binnen Waalsprong

5

LEIDRAAD NATUURINCLUSIEF BOUWEN

6

2.1

Stap 1 – bepalen aantal nestvoorzieningen uit SMP-N

6

2.2

Stap 2 – bepalen van de relevante zone

7

2.3

Stap 3 – bepalen van de inwisselbaarheid van aan te brengen nestvoorzieningen

9

2.4

Stap 4 – bepalen van type maatregelen

10

2.5

Stap 5 – registratie en presentatie maatregelen

11

BRONNEN

56

BIJLAGEN BIJLAGE A – RELEVANTE MAATREGELEN PER SOORT EN ZONE (TOOLBOX)

12

BIJLAGE B – INWISSELEN VERBLIJFPLAATSEN VOOR GROENE MAATREGELEN

19

BIJLAGE C – INFORMATIE DOELSOORTEN

21

BIJLAGE D – INFORMATIE OVER DE ZONES

33

BIJLAGE E – OVERZICHT MOGELIJKE MAATREGELEN VOOR DE DOELSOORTEN IN MITIGATIECATALOGUS

40

BIJLAGE F – PROJECTFORMULIER NATUURINCLUSIEF ONTWIKKELEN EN BOUWEN

45

BIJLAGE G – REKENVOORBEELDEN REFERENTIEPROJECTEN

46

COLOFON

57

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

3 van 57

1

INLEIDING

1.1

Ambitie voor de Waalsprong

Nijmegen is de stad aan de Waal met het meeste aantal inwoners van de Provincie Gelderland. Een stad die blijft groeien en daarmee een opgave heeft om voldoende woningen en een prettige leefomgeving te realiseren. Voor haar burgers, maar ook voor de beschermde flora en fauna in de omgeving. De gemeente heeft op dit vlak al de nodige resultaten geboekt: • Handvat Natuurinclusief bouwen en ontwerpen. • Notitie ‘Groen in Nijmegen(-Noord), Hapklare blokjes voor een natuurinclusieve wijk’. • Soortenmanagementplan Nijmegen (SMP-N) voor het duurzame behoud van beschermde soorten binnen de Waalsprong. Op basis hiervan is door de provincie een gebiedsontheffing verleend in het kader van de Wet natuurbescherming. Met het SMP-N streeft de gemeente naar een effectieve en efficiënte instandhouding en versterking van een aantal (beschermde) diersoorten bij de ontwikkelingen in de Waalsprong. Onderdeel van het SMP-N is tevens het natuurinclusief bouwen dat zich richt op de huismus, gierzwaluw en gewone dwergvleermuis. Tussen gemeente Nijmegen en de provincie is een ambitieniveau afgesproken over de betreffende gebouwgebonden diersoorten. Zie ook onderstaande tabel. Daarnaast gaat het ook om aanvullende maatregelen zoals gevelgroen en heggen. Tabel 1 - Ambitieniveau natuurinclusief bouwen SMP-N

Soort woning

Gewone dwergvleermuis

Gierzwaluw

Huismus

Hoogbouw Vanaf 2020 circa 1.800 woningen (volgens rekenmodel 40 gebouwen)

1 winterverblijfplaats per kopgevel

20 voorzieningen per kopgevel/gevel met gewenste oriëntatie

20 voorzieningen per kopgevel

Grondgebonden woningen Vanaf 2020 circa 3.000 woningen

1.2

Totaal circa 40 voorzieningen

1 voorziening per kopgevel Totaal circa 375 voorzieningen

Totaal circa 800 voorzieningen

Totaal circa 800 voorzieningen

3 voorzieningen per woning aan de voorgevel

3 voorzieningen per woning aan de achtergevel

Totaal circa 9.000 voorzieningen Totaal circa 9.000 voorzieningen

Inwisselen van verblijfplaatsen voor groen

Om tot duurzame vestiging van de huismus, gierzwaluw en gewone dwergvleermuis te komen, zijn nestvoorzieningen alleen niet genoeg. Wanneer de soorten geen plek hebben om te foerageren, is de waarde van de nestvoorzieningen beperkt. Voor écht natuurinclusief bouwen en ontwikkelen is dus meer variatie in de maatregelen nodig. Daarom wordt door de gemeente de mogelijkheid geboden om de verplichte nestvoorzieningen uit SMP-N in sommige gevallen ‘in te wisselen’ met groene omgevingsmaatregelen. Dat is vooral van belang in een meer stenige omgeving met weinig tuinen en openbaar groen. Zie bijlage B voor de achtergrond van deze keuze. Voor dit doel is de onderhavige Toolbox natuurinclusief ontwikkelen en bouwen opgesteld. Met deze groene omgevingsmaatregelen wordt ook de stedelijke biodiversiteit versterkt, de belevingswaarde voor de toekomstige bewoners vergroot en een bijdrage geleverd aan klimaatadaptatie. In dit kader dient nog vermeld te worden dat het niet gaat om waterbergingsvraagstukken. Het watersysteem van de Waalsprong is namelijk al klimaatbestendig opgezet en wordt beheerd vanuit het waterhuiskundig plan. Desalniettemin kunnen groene omgevingsmaatregelen - waarmee het versteende areaal wordt beperkt positief doorwerken op de waterhuishouding in de Waalsprong.

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

4 van 57

1.3

Uitgangspunten groene omgevingsmaatregelen

Om de waarde van de verplicht te plaatsen nestvoorzieningen vanuit de SMP-N tot uiting te laten komen, kan een percentage hiervan ingeruild worden voor maatregelen niet-zijnde nestvoorzieningen. Dit percentage varieert van 0 tot 50%, afhankelijk van de zone waar de ontwikkeling plaatsvindt. De toolbox natuurinclusief bouwen en ontwikkelen helpt om invulling te geven aan deze ruil. Daarbij biedt de toolbox een weg naar passende maatregelen voor het beoogde doel van de gemeente Nijmegen: een leefomgeving creëren waar zowel de mens als de natuur baat bij heeft. Uitgangspunten daarbij zijn als volgt: 1. Natuurinclusief bouwen is niet als eenduidig voorschrift in een wet of contract te vatten. De gemeente wil de creativiteit en keuzevrijheid van architecten en ontwikkelaars in het werken met en voor de biodiversiteit bevorderen. 2. De maatregelen waar de gemeente Nijmegen mee wil werken hebben betrekking op: • zowel flora als fauna; • het bevorderen van de biodiversiteit; • klimaatadaptatie: het tegengaan van hittestress als gevolg van klimaatverandering en/of; • belevingsfunctie: het bevorderen van de kwaliteit van de leefomgeving voor inwoners én bezoekers 3. Maatregelen werken door op diverse schaalniveaus en elementen in de Waalsprong.

Denk hierbij aan: • specifieke elementen inbouwen voor specifieke (dier)soorten, zoals neststenen voor de huismus; • gebouw gebonden ingrepen, zoals gevelgroen en groene daken; • gebouw gebonden buitenruimtes, zoals tuinen; • publieke ruimtes en openbaar groen, zoals parken, speeltuinen en groenstroken. 4. De toolbox richt zich specifiek op het creëren van een gunstige leefomgeving voor de huismus, gierzwaluw en gewone dwergvleermuis (de gebouw gebonden soorten). Maatregelen die genomen worden vanuit de SMP-N en de toolbox hebben een algemeen positief effect op de biodiversiteit. Hierdoor hebben ook andere (niet beschermde) soorten profijt van de voorzieningen. 5. Passende maatregelen zijn in de toolbox (bijlage A en bijlage B) te vinden. Ter inspiratie zijn daar ook maatregelen in meegenomen ten behoeve van andere soorten dan enkel de gebouw gebonden soorten. 6. Door middel van een helder stappenplan kunnen ontwikkelaars en architecten bepalen wat er nodig is voor hun specifieke project. De overtuiging is dat het inruilen van een percentage van de verplichte voorzieningen, ten behoeve van foerageergebied en voedselvoorziening, ontwikkelaars en bouwers een positievere stimulans geeft om aan de slag te gaan met natuurinclusieve maatregelen. Daarnaast wordt met het ‘inruilen’ van de min of meer ‘onzichtbare’ nestvoorzieningen, een getroffen maatregel voor natuur zichtbaarder.

Dit draagt bij aan de bewustwording van bewoners. Tot slot wordt door middel van een aantal natuurinclusieve maatregelen invulling gegeven aan het nevendoelen: het voorkomen van hittestress. Op deze manier wordt de waarde van de maatregelen die getroffen worden vanuit het SMP-N geoptimaliseerd op gebiedsniveau.

1.4

Inzet van de leidraad binnen Waalsprong

Het werken met onderhavige leidraad is van toepassing voor nieuwbouwprojecten binnen het plangebied de Waalsprong vanaf 2020. Het gebied wordt globaal begrensd door de A15 in het noorden, de Zandsestraat en Vossenpelsestraat in het oosten, de Waal met uiterwaarden in het zuiden, en de Waaldijk in het westen. Verschillende delen in de Waalsprong zijn reeds ontwikkeld of worden op dit moment ontwikkeld. Het is van groot belang om de natuurinclusieve maatregelen vroegtijdig in het project mee te nemen, namelijk bij het formuleren van uitgangspunten (planuitwerkingskader / programma van eisen). Hoe vroeger in het planproces, hoe meer mogelijkheden om natuurinclusieve maatregelen in te passen zonder of met een geringe kostenverhogende werking. Andersom geldt dat late inbreng van natuurinclusieve uitgangspunten tot knelpunten kan leiden en soms tot afstel. Dat kan dus voorkomen worden door inbreng van voorstellen en ideeën tijdens de haalbaarheids- en uitgangspuntenfase van een nieuwbouwproject.

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

5 van 57

2

LEIDRAAD NATUURINCLUSIEF BOUWEN

2.1

Stap 1 – bepalen aantal nestvoorzieningen uit SMP-N

Vanuit het SMP-N is er de ambitie om voor de gebouwgebonden soorten nestvoorzieningen aan te brengen in de nieuwe bebouwing binnen de Waalsprong. Het gaat daarbij specifiek om de gewone dwergvleermuis, gierzwaluw en huismus. Op basis van onderstaande tabel kan in deze stap worden bepaald hoeveel maatregelen er voor het betreffende project moeten worden getroffen. Dit is niet afhankelijk van de zone waar de ontwikkeling plaatsvindt (zie volgende stap). Soort woning

Gewone dwergvleermuis

Appartementen en 1 winterverblijfplaats per hoogbouw kopgevel Grondgebonden woningen

1 voorziening per kopgevel

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

Gierzwaluw

Huismus

20 voorzieningen per kopgevel/gevel met gewenste oriëntatie

20 voorzieningen per kopgevel

3 voorzieningen per woning aan de voorgevel

3 voorzieningen per woning aan de achtergevel

6 van 57

2.2

Stap 2 – bepalen van de relevante zone

Als tweede stap is het van belang om te bepalen binnen welke ruimtelijke context de natuurinclusieve maatregelen genomen worden. Er wordt gewerkt met vier zones, die ook toegepast worden in het kader van de SMP-N in de Waalsprong voor een afbeelding van de indeling van het gebied: • Landschappelijk wonen • Groen stedelijk • Stedelijk • Bedrijventerrein Zie onderstaande kaart voor de begrenzing van deze zones. In bijlage D is een nadere omschrijving van deze zones te vinden. Daarin staat ook vermeld welke soorten er mogelijk voorkomen of voor welke soorten de ruimtelijke context kansen biedt.

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

7 van 57

Figuur 1 zones in de Waalsprong

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

8 van 57

2.3

Stap 3 – bepalen van de inwisselbaarheid van aan te brengen nestvoorzieningen

In de vorige stap wordt duidelijk hoeveel nestvoorzieningen er aangebracht moeten worden. Onderstaande tabel laat zien welk percentage daarvan ingewisseld kan of dient te worden voor groene omgevingsmaatregelen. Dit is afhankelijk van de soort en de zone waarin het project wordt gerealiseerd. Zie voor nut, noodzaak en uitgangspunten ook paragraaf 1.2 en bijlage B. Samenvattend gesteld, is het uitwisselen van nestvoorzieningen voor groenvoorzieningen facultatief behalve in de Stedelijke zone waar verplicht 25% van de nestvoorzieningen voor de gewone dwergvleermuis en huismus moeten worden ingewisseld voor groenvoorzieningen. In de zone Landschappelijk wonen is geen uitwisseling met groenvoorzieningen mogelijk. Voor particuliere kavels geldt in alle gebieden dat er geen uitwisseling kan plaatsvinden met groenvoorzieningen. De reden hiervan is dat het hier gaat om een enkele woning en het duidelijk moet zijn voor de particulier welke voorzieningen hij/zij moet treffen. Daarnaast zijn de kavels dusdanig groot dat op basis van ervaring redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze al in ruime mate groen worden ingericht.

Zone

Landschappelijk wonen

Groen stedelijk

Inwisselbaarheid nestvoorzieningen en groene maatregelen Gewone dwergvleermuis

Gierzwaluw

Huismus

0%

0%

0%

Maximaal 25%

Maximaal 25%

Maximaal 25%

Minimaal 25% en maximaal 50% Stedelijk

Voor zover de afstand tussen project en grenszone Landschappelijk wonen > 25 meter1

Bedrijventerrein

Maximaal 25%

Minimaal 25% en maximaal 50% 0%

Voor zover de afstand tussen project en grenszone Landschappelijk wonen > 100 meter

Maximaal 25%

Maximaal 25%

1 Indien de afstand van de grens van het projectgebied kleiner is dan 25 meter respectievelijk 100 meter, dan kan worden uitgewisseld

conform Groen stedelijk Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

9 van 57

2.4

Stap 4 – bepalen van type maatregelen

Het is aan de gemeentelijke ontwikkelaar en/of opstalontwikkelaar om de betreffende maatregelen te realiseren binnen het project. Afhankelijk van de zone moet en kan dit worden ingewisseld door groene omgevingsmaatregelen (zie stap 3). Dit hangt uiteraard ook af van de wensen en mogelijkheden binnen het project. In bijlage A staan de maatregelen die per zone nuttig zijn. Voor het wisselen van verblijfplaatsen voor groene omgevingsmaatregelen wordt gewerkt met punten. Elke maatregel heeft een ecologische waarde van 1 tot 6 punten, zie bijlage A. Als leidraad geldt het volgende uitgangspunt per soort: • Bij het inwisselen van 25% van de nestvoorzieningen, dienen tenminste 6 punten per project te worden gerealiseerd waarbij het gaat om aparte maatregelen. • Voor het inwisselen van 50% van de nestvoorzieningen dienen minimaal 9 punten per project te worden gerealiseerd waarbij het eveneens gaat om aparte maatregelen. Uit oogpunt voor natuur is de realisatie van een combinatie van nestvoorziening, foerageergebied én dekking aan te raden. Er kan ook worden gekozen voor het realiseren van leefgebied van een bepaalde soort. Hier is alle keuzevrijheid. Het is daarbij wenselijk om af te stemmen met de ecoloog van de gemeente.

In de praktijk kan het dus zijn dat bijvoorbeeld voor een project in de groenstedelijke zone 25% van alle nestvoorzieningen wordt ingewisseld voor andere (groen)maatregelen en 6 punten gescoord worden uit de maatregelentabel van bijlage A. Deze punten mogen alleen gehaald worden met afzonderlijke maatregelen. Een bomenlaan van 9 bomen mag dus niet 3x meetellen als ‘cluster van 3 inheemse bomen’. Het gaat er namelijk om dat gestreefd wordt naar een gevarieerd aanbod van groen in het leefgebied van de huismus, gierzwaluw en gewone dwergvleermuis. Verder is het ook mogelijk dat bestaande bomen of groenstroken worden ingepast binnen een nieuwbouwproject. De betreffende elementen (bijvoorbeeld een cluster met bomen) tellen in dat geval mee als maatregel. Uit oogpunt van biodiversiteit heeft dit zelfs de voorkeur. In bijlage G is een aantal concrete rekenvoorbeelden bij referentieprojecten uitgewerkt. Als de aard en/of omvang van een project sterk afwijkt van de referentieprojecten kan maatwerk nodig zijn.

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

10 van 57

2.5

Stap 5 – registratie en presentatie maatregelen

Het is wenselijk om de gekozen maatregelen te registreren via het formulier in bijlage F. • Daarmee houdt de gemeente het overzicht en kan desgewenst gerapporteerd worden naar de provincie gelet op de wettelijke verplichtingen uit SMP-N, al of niet in de vorm van een kaartbeeld. • Het formulier kan voor het betreffende project gebruikt worden als onderdeel van de ontwikkelopgave. • De mogelijkheid om andere projecten binnen de Waalsprong te kunnen gebruiken als voorbeeld en inspiratiebron.

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

11 van 57

BIJLAGE A – RELEVANTE MAATREGELEN PER SOORT EN ZONE (TOOLBOX) Onderstaande tabel geeft weer in welke zone welke maatregel passend is, voor welke soort. Dit wordt weergegeven door middel van een getal (punten). Het getal geeft de zwaarte van de maatregel weer. Zodoende is het mogelijk te bepalen welk aandeel van het in te ruilen aantal nestvoorzieningen ingewisseld kan of moet worden voor welk type groene maatregel. De groene maatregelen zijn onderverdeeld in drie categorieën: A. Algemeen, B. Opstalgebonden en C. Omgevingsgebonden. Voor opstalontwikkelaars gaat het primair om gevel-, dak- of tuinmaatregelen (categorie B). Met de inzet van een ecoloog en/of het treffen van andere algemene maatregelen zoals een informatiefolder of goede borging van de maatregelen kunnen ook nog punten worden verdiend (categorie A). Maximaal de helft van de te scoren punten mogen uit deze categorie (A) komen. De Omgevingsgebonden maatregelen (categorie C) zijn bedoeld voor ontwikkelaars die openbaar groen aanleggen. Voor alle maatregelen geldt dat ze aantoonbaar: • in goede staat moeten blijven; • realiseerbaar zijn binnen de invloedsfeer van de uitvoerende partij; • beantwoorden aan het doel. Bij twijfel moeten de maatregelen worden goedgekeurd door de gemeente Nijmegen om mee te kunnen wegen in de beoordeling.

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

12 van 57

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

13 van 57

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

14 van 57

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

15 van 57

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

16 van 57

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

17 van 57

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

18 van 57

BIJLAGE B – INWISSELEN VERBLIJFPLAATSEN VOOR GROENE MAATREGELEN Motivatie Een deel van de te realiseren nestvoorzieningen vanuit de SMP-N kan en zal ingeruild worden voor groene omgevingsmaatregelen. Dit percentage varieert van 0 tot 50%, afhankelijk van de zone waar de ontwikkeling plaatsvindt. De ‘toolbox natuurinclusief bouwen en ontwikkelen’ helpt om invulling te geven aan deze ruil. Daarbij biedt de toolbox een weg naar passende maatregelen voor het beoogde doel van de gemeente Nijmegen: een leefomgeving creëren waar zowel de mens als de natuur baat bij heeft. Overwegingen en uitgangspunten daarbij zijn als volgt: 1. De toolbox richt zich specifiek op het creëren van een gunstige leefomgeving voor de huismus, gierzwaluw en gewone dwergvleermuis (de gebouw gebonden soorten). Maatregelen die genomen worden vanuit de SMP-N en de toolbox hebben een algemeen positief effect op de biodiversiteit. Hierdoor hebben ook andere (niet beschermde) soorten profijt van de voorzieningen. 2. Maatregelen hebben een ruimere doorwerking in de Waalsprong, namelijk: • specifieke elementen inbouwen voor specifieke (dier)soorten, zoals neststenen voor de huismus; • gebouw gebonden ingrepen, zoals gevelgroen en groene daken; • gebouw gebonden buitenruimtes, zoals tuinen; • publieke ruimtes en openbaar groen, zoals parken, speeltuinen en groenstroken. 3.

Natuurinclusief bouwen is niet als eenduidig voorschrift in een wet of contract te vatten. De gemeente wil de creativiteit en keuzevrijheid van architecten en ontwikkelaars in het werken met en voor de biodiversiteit bevorderen. 4. De groene omgevingsmaatregelen hebben als nevendoel: • het bevorderen van de biodiversiteit; • klimaatadaptatie: het tegengaan van hittestress als gevolg van klimaatverandering en/of; • belevingsfunctie: het bevorderen van de kwaliteit van de leefomgeving voor inwoners én bezoekers 5. Passende maatregelen zijn in de toolbox te vinden. Ter inspiratie zijn daar ook maatregelen in meegenomen ten behoeve van andere soorten dan enkel de gebouw gebonden soorten. 6. Door middel van een helder stappenplan kunnen ontwikkelaars en architecten bepalen wat er nodig is voor hun specifieke project. De overtuiging is dat het inruilen van een percentage van de verplichte voorzieningen, ten behoeve van foerageergebied en voedselvoorziening, ontwikkelaars en bouwers een stimulans geeft om aan de slag te gaan met natuurinclusieve maatregelen. Daarnaast wordt met het ‘inruilen’ van de min of meer ‘onzichtbare’ nestvoorzieningen, een getroffen maatregel voor natuur zichtbaarder. Dit draagt bij aan de bewustwording van bewoners. Tot slot wordt door middel van een aantal natuurinclusieve maatregelen invulling gegeven aan het nevendoelen: het voorkomen van hittestress.

Op deze manier wordt de waarde van de maatregelen die getroffen worden vanuit het SMP-N geoptimaliseerd op gebiedsniveau.

Uitgangspunten doelsoorten Voor alle zones gaan we per soort uit van de volgende principes: • De gierzwaluw is voor foerageren en voedsel minder afhankelijk van de directe omgeving. Deze soort legt grote afstanden af tussen het verzamelen van voedsel en de nestplaats (tot meer dan 100 km). • Voor de gewone dwergvleermuis en huismus is de nabije aanwezigheid van foerageergebied en voedselvoorziening een voorwaarde om zich te vestigen in aangebrachte nestkasten. Voor de huismus wordt uitgegaan van een actieradius van 100 meter. Voor de gewone dwergvleermuis geldt dat de verblijfplaats binnen 25 meter moet aansluiten op openbaar groen2. • Het verschil in groenkarakter per landschapszone bepaalt de gewenste en toegestane inwisselbaarheid. Onderstaande tabel 2 formuleert daarvoor de uitgangspunten.

2 Het gaat daarbij om openbaar groen in en rond de Waalsprong in de vorm van bos, park, plantsoen, wadi’s, watergangen en/of vijvers

die onderdeel uitmaken van de groenstructuur of het agrarisch gebied (met aanwezigheid van hagen en struiken). Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

19 van 57

Tabel 2 Percentage in te ruilen groene omgevingsmaatregelen vanuit het SMP-N per landschapszone

Kenmerken per zone

Landschappelijk wonen Deze zone wordt gekenmerkt door het vele openbare groen. Daarmee wordt de aanwezigheid van foerageergebied (voedselvoorziening) reeds geborgd.

Inwisselbaarheid nesten versus groen Gewone dwergvleermuis

Gierzwaluw

Huismus

0%

0%

0%

Maximaal 25%

Maximaal 25%

Groen stedelijk Deze zone heeft minder aaneengesloten openbaar groen, Maximaal 25% waarmee het toevoegen van groen aan bebouwing waarde toe kan voegen Minimaal 25% tot Stedelijk maximaal 50% In deze zone is het groen in de openbare ruimte beperkt. Zodoende is het vooral zinvol nestvoorzieningen te treffen bij afstand tot voor de gierzwaluw, die grotere afstanden aflegt tussen projectgrens nestplek en voedselvoorziening. De ambitie is dat bebouwing Landschappelijk een nadrukkelijk groenfunctie gaat vervullen voor ook andere wonen van meer soorten. Vandaar dat wordt aangestuurd op het inwisselen van dan 25m nesten voor groen.

Bedrijventerrein Deze zone wordt gekenmerkt door het grenzen aan de zone Maximaal 25% ‘landschappelijk wonen’ en grote oppervlakte bebouwing. Het toevoegen van groen aan de bebouwing kan van grote waarde zijn in combinatie met nestvoorzieningen.

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

Minimaal 25 tot maximaal 50%

0%

Maximaal 25%

bij afstand tot projectgrens Landschappelijk wonen van meer dan 100m

Maximaal 25%

20 van 57

BIJLAGE C – INFORMATIE DOELSOORTEN Huismus Algemeen De huismus is een zangvogel die vaak in kolonies broedt in gebouwen en de hoogste dichtheden bereikt wanneer menselijke bebouwing is afgewisseld met groenvoorzieningen. De soort is een echte zaadeter. Het dieet van volwassen dieren bestaat voor 90% uit zaden. Jongen worden tot tien dagen na het uitvliegen gevoerd met insecten (voornamelijk bladluizen). Huismussen zijn standvogels en de laatste decennia erg in aantal achteruitgegaan3. Deze achteruitgang vond de laatste kwart eeuw (50% landelijk) vooral plaats in bebouwde kom. Populaties in het buitengebied blijven nog stabiel.

Beschermingsstatus De huismus is een beschermde inheemse diersoort als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming op basis van het feit dat de soort is opgenomen in Bijlage II/2 van de Vogelrichtlijn. De huismus staat vermeld op de lijst met vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn 4. De nesten van huismussen vallen onder categorie 2 van vogelnesten: nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en beperkt beschikbaar. De huismus staat tevens als gevoelig vermeld op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels 5,6. Dit komt omdat het recente herstel nog te beperkt is om te compenseren voor de grote afname die eind vorige eeuw heeft plaatsgevonden. In stedelijk gebied zijn zowel nestgelegenheid als voedselbeschikbaarheid afgenomen. Op het platteland is vooral het voedselaanbod afgenomen.

Habitat De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen herbergen hogere dichtheden huismussen dan als er geen groen aanwezig is, of wanneer groen in een laat successie stadium (bos) aanwezig is. De habitat van de huismus moet voldoen aan een combinatie van een aantal elementen, die ook nog eens binnen een straal van enkele meters (dekking bij voedselbronnen) tot enkele honderden meters (nestplek en voedselbronnen) van elkaar moeten liggen. De habitat moet bestaan uit een combinatie van plekken voor nestgelegenheid, voedsel (voor volwassen en jongen), dekking (stekelige struiken, groenblijvende struiken en klimplanten, coniferen, klimop), plekken voor stofbaden en drinkwater. Ontbreekt één van de onderdelen of liggen ze te ver van elkaar verwijderd, dan is de habitat niet geschikt. Voor zijn voedsel is de soort sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn zoals zaden van grassen en onkruiden en wordt aangevuld met bessen, bloemknoppen en insecten. In stedelijke omgeving zijn broodkruimels en andere voedselresten van mensen en hun huisdieren ook een belangrijke voedselbron.

In het broedseizoen hebben vrouwtjes voldoende eiwitrijk voedsel, zoals insecten en spinnen, nodig om eieren te kunnen leggen. De huismus kent twee typen vaste verblijfplaatsen: de nesten als voortplantingsplaats en altijdgroene struiken en klimplanten als vaste rust- en verblijfplaats.

3 Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Soortenstandaard Huismus, versie 1.1. (maart 2014). 4 RVO (2009). Lijst jaarrond beschermde nesten. https://mijn.rvo.nl/wet-natuurbescherming-bijbuitenwerkzaamheden. 5 Bij12 (2017). Kennisdocument Huismus. Passer domesticus. Versie 1.0 juli 2017. 6 Sovon, 2016, Basisrapport voor de Rode Lijst Vogels 2016 volgens Nederlandse en IUCN-criteria,opgesteld door: A. van Kleunen,

R. Foppen & C. van Turnhout. Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

21 van 57

Voortplantingsgebied Nesten van huismussen zijn in de regel te vinden in of tegen allerlei menselijke bebouwing: onder dakpannen, in neststenen en in kieren en gaten in muren. Ook zijn nesten te vinden achter regenpijpen, bij klimop begroeide muren en in nestkasten als ook in speciale mussennestkasten. Soms maakt de huismus in holten van bomen of in dichte struiken een nest, maar dat gebeurt alleen als er geen vijanden in de omgeving voorkomen en de hoeveelheid nestgelegenheid een beperkende factor is terwijl er wel voldoende voedsel aanwezig is. Als geschikte holtes en beschutte plaatsen schaars zijn kunnen huismussen vrij hangende, bolvormige nesten in bomen bouwen. Boomnesten worden in Nederland echter maar zelden waargenomen. Binnen enkele meters van de nestplaats moet dekking aanwezig zijn voor de jongen als ze uitvliegen en voor de ouders voordat ze naar het nest vliegen om de jongen te voeren. De huismus is zeer honkvast. Hij blijft het gehele jaar in de buurt van zijn eenmaal gekozen nest. Huismussen gebruiken het nest zelf ook het gehele jaar door. In de periode begin april tot en met augustus worden er 2 à 3 legsels per seizoen gelegd in het nest. Voorafgaand aan het broeden slapen vrouwtjes al op het nest. Tijdens strenge koude wordt het nest ook in de winter gebruikt voor overnachting.

In het najaar begint de huismus alweer met het naar het nest toe slepen van nestmateriaal, waarschijnlijk ook voor bekleding van het door de jongen vervuilde nest. Huismussen zijn, als dat noodzakelijk is, in staat om nieuwe nestplekken te accepteren. Dit kunnen ze doen als ze een nieuwe partner hebben gevonden. Ook als nestgelegenheid de beperkende factor is geworden, kunnen ze nieuw aanbod gaan bewonen.

Nest huismus onder pannendak. Foto Tim Leerschool Functioneel leefgebied Het gaat hier om altijdgroene beplanting (heesters en gevelbegroeiing) en dichte beplanting (zoals meidoorn, beukenhagen, coniferen en bamboe) welke dekkingsmogelijkheid tegen predatoren en een rustplaats voor de soort bieden. De functionele leefomgeving van een voortplantingsplaats en een vaste rust- en verblijfplaats moet het volgende leveren: • Er moet continu voedsel te vinden zijn. Bij de plekken waar voedsel gezocht wordt moet in de directe omgeving (binnen 5 à 10 meter; bij aanwezigheid van predatoren dichterbij) dekking aanwezig zijn. De dekking bestaat uit stekelige struiken, begroeide gevels of schuttingen, groenblijvende begroeiingen zoals klimop. • Voldoende inheems groen en enkele grote bomen als leverancier van eiwitrijk voedsel (kleine zachte insecten, bladluizen, larven, rupsen) voor de jongen. Deze elementen moeten binnen 50 meter van de nestplaats te vinden zijn. • Altijd groenblijvende planten in hagen, gevelbegroeiing of plekken onder daken te gebruiken als collectieve slaapplek (en tevens voor dekking) voor mannetjes, ongepaarde vrouwtjes en juvenielen. Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

22 van 57

• • • •

Niet te veel grote bomen. Droge, zandige plekken voor het nemen van een zandbad. Water om te drinken en water om in te baden. Er moet binnen 1 à 2 meter dekking aanwezig zijn om op te drogen. Plekken waar kleine steentjes of grit gevonden kan worden.

Dit alles moet bij voorkeur zo dicht mogelijk bij elkaar liggen, maar altijd binnen een straal van 100 à 200 meter rond de plek waar gebroed wordt. Deze elementen moeten binnen die straal op meerdere plekken aanwezig zijn.

Eisen verblijfplaatsen De huismus kent twee typen verblijfplaatsen. Een plek om te broeden (nestkasten, onder de dakpannen) en een aangrenzend gebied dat (groene beplanting, hagen, tuinen, groenblijvende winterverblijfplaatsen zoals klimop etc.) als leefgebied wordt gebruikt. De nieuw aan te brengen of te optimaliseren bestaande nestplekken moeten voldoen aan de hieronder vermelde eisen. Maatwerksituaties kunnen in afstemming met de ecoloog afwijken. • De huismus is een soort die een sterke binding heeft met de menselijke omgeving. Deze menselijke omgeving biedt onderdak, voedsel en schuilmogelijkheden (een leefgebied) voor de soort. De compensatiemogelijkheden dienen in een bebouwde omgeving te worden gezocht. • De huismus is een koloniebroeder waardoor er altijd tenminste 10 nestplekken in de nabijheid van elkaar dienen te worden aangeboden/aanwezig te zijn. • De nestkastopeningen liggen minimaal 50 centimeter uit elkaar • De nestplekken dienen op minimaal 3 meter en maximaal 12 meter hoogte ten opzichte van het maaiveld te worden geplaatst. • De invliegopening van een nestkast voor een huismus dient een diameter van 3,5 centimeter te hebben. Bij de invliegopening moet grip en ruw materiaal aanwezig zijn, voorkom gebruik gladde folies, zoals vogelvides, dampremmende of dampdoorlatende folie en schuim.

• Minimale broedruimte 15 x 8 cm oppervlakte, optimale broedruimte: 150 x 150 x 220 mm (maten van prefab nesten kunnen afwijken en nestruimte onder dakpan wijkt ook af). • Goede klimatologische omstandigheden: bij voorkeur noord of oost expositie of een ligging in de schaduw van bijvoorbeeld een dakgoot, overstek of zonnepaneel. De nesten mogen niet te heet worden in de middagzon. Zonnepanelen mogen geen warmte afgeven aan de onderkant. • De inbouwkasten of maatwerkkasten zijn van voldoende duurzaam materiaal gemaakt en zijn niet behandeld met chemische middelen.

Eisen omgeving Een geschikt leefgebied voor de huismus bestaat uit een combinatie van elementen die binnen een straal van 100 à 200 meter maar liefst binnen 50 meter van de beoogde nestplek aanwezig zijn. In de meeste gebieden zijn deze elementen reeds aanwezig. Daar waar er een of enkele elementen verdwijnen als gevolg van de werkzaamheden dienen deze (like for like) te worden teruggebracht. Wanneer er kansen zijn om een ‘plus’ voor het leefgebied aan te leggen wordt dat gedaan. Dit wordt door de projectecoloog bepaald. De volgende elementen dienen aanwezig te zijn om een gebied als geschikt leefgebied te beoordelen. • Geschikte nestgelegenheid (met voedselbronnen binnen enkele honderden meters). • Aanwezigheid voedsel voor volwassen en jongen door aanwezigheid van voldoende inheems groen en enkele grote bomen als leverancier van eiwitrijk voedsel (kleine zachte insecten, larven, rupsen) voor de jongen. Deze elementen moeten binnen 50 meter van de nestplaats te vinden zijn daarnaast moet er dekking binnen een straal van maximaal 2 tot 3 meter van de voedselplekken aanwezig zijn. • Dekking (stekelige struiken, groenblijvende struiken en klimplanten, coniferen, klimop) binnen 5 tot 10 meter (bij voorkeur binnen 2,5 meter) van de nestplaats. • Droge, zandige plekken voor het nemen van een zandbad. • Water om te drinken en om in te baden.

Er moet binnen een à twee meter dekking aanwezig zijn om op te drogen. • Plekken waar kleine steentjes of grint gevonden kunnen worden. • Niet te veel grote bomen. • Winterverblijfplaatsen en plaatsen waar de uitgevlogen jongen met hun ouder kunnen verblijven (zij mogen namelijk niet in het nest verblijven als het vrouwtje aan een vervolglegsel bezig is).

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

23 van 57

Gierzwaluw Voor de specifieke Nijmeegse context, zie ook https://www.xjochemx.nl/

Algemeen Aangenomen wordt dat het gaat om een rotsbewoner die door de eeuwen heen de rotsen in hebben geruild voor huizen en andere gebouwen. Er zijn echter ook aanwijzingen dat de gierzwaluw van oorsprong broeden in boomholten, zoals nu nog hier en daar in Noorden Oost-Europa. De soort broedt in onze streek echter uitsluitend in steden en dorpen en heeft een voorkeur voor woonwijken van meer dan 30 jaar oud. Daarnaast is de soort soms te vinden in kerktorens. De soort voedt zich uitsluitend met kleine en middelgrote vliegende insecten en door de lucht zwevende spinnetjes. Qua nestkeuze is de soort zeer honkvast en worden dezelfde broedplaatsen jarenlang achtereen worden gebruikt, hoewel korte verplaatsingen van enkele meters wel optreden. De jonge vogels (bangers) zoeken bij voorkeur de bestaande (en bezette) nestplekken op en bezoeken die regelmatig en op luidruchtige wijze voordat ze zelf gaan broeden (na 2, 3 of 4 jaar). Zo kunnen nesten decennialang in gebruik zijn, omdat broedplekken worden overgenomen. Nieuwe nestlocaties worden vliegend ontdekt. Deels vanuit bestaande nestplekken (kolonies die zich uitbreiden) en deels vanuit rondvliegende dieren (nieuwe kolonies). Dat betekent dat alleen daken en gevels worden ‘gevonden’ die zich bevinden van een bestaand nest.

De soort eet, slaapt en paart vrijwel uitsluitend vliegend en is in staat om bij slechte weersomstandigheden voor zijn voedselvluchten zeer grote afstanden af te leggen. Gierzwaluwen zijn trekvogels en zomergasten die vrij laat (eind april) aankomen en weer vroeg (juli-augustus) verdwijnen7. De soort reproduceert langzaam met doorgaans met 1 tot 3 jongen per nest afhankelijk van het voedselaanbod. De gierzwaluw wordt relatief oud zodat de populatie op peil kan worden gehouden (oudste terugvangst van maar liefst 21 jaar).

Beschermingsstatus De gierzwaluw is een beschermde inheemse diersoort als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming op basis van het feit dat de soort is opgenomen in Bijlage II van de Vogelrichtlijn. De gierzwaluw staat vermeld op de lijst met vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Op deze lijst vallen de gierzwaluwnesten onder categorie 2 “nesten van deze semi-koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar”. De gierzwaluw staat niet vermeld op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels 8.

Habitat Voortplantingsplaatsen, vaste rust- en verblijfplaatsen De gierzwaluw brengt het grootste deel van zijn leven door in de lucht. Alleen om te broeden verlaten gierzwaluwen tijdelijk het luchtruim en komen ze aan het aardoppervlak. In ons land zijn gierzwaluwen voor hun nest volledig afhankelijk van ruimtes in gebouwen. Door sloop en renovatie van oude gebouwen en wijken gaat veel broedgelegenheid verloren nesten van de soort zijn te vinden onder dakpannen, in kieren en gaten in muren en in nestkasten. Functioneel leefgebied Naast het eigenlijke nest is ook de functionele leefomgeving van belang om het nest in stand te houden. De functionele leefomgeving moet het volgende leveren: • Vrije uitvliegroute van minimaal 2 meter onder de uitvliegopening van het nest en minimaal 1 meter breed. • Geen belemmerende elementen in de in- en uitvliegroute zoals bomen, vlaggenmasten, steigers, et cetera. • Bij broedlocaties naast wegen is het van belang dat de uitvliegopening hoog genoeg is zodat er geen verkeersslachtoffers kunnen vallen.

7 Soortenstandaard Gierzwaluw, versie 1.1 Rijksdienst voor Ondernemend Nederland | maart 2014. 8 Bij12 (2017). Kennisdocument Gierzwaluw. Apus apus. Versie 1.0 juli 2017.

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

24 van 57

Vliegroute Gierzwaluwen hebben een vrije vliegruimte rond de nestingang van minimaal circa 1 meter breed en 3 meter diep nodig, omdat ze niet direct vanuit het nest kunnen opstijgen en zich daarom eerst naar beneden laten vallen. De gierzwaluw volgt geen specifieke migratieroutes, maar volgt wel de contouren van het landschap voor zijn oriëntatie om van bijvoorbeeld de nestplaats naar het foerageergebied te gaan. Ook heeft de gierzwaluw geen specifiek foerageergebied: ze vliegen soms over enorme afstanden naar de gebieden waar voedsel beschikbaar is. Wel foerageren ze vaak in de buurt van of boven open water.

Eisen verblijfplaatsen De gierzwaluw heeft diverse eisen aan zijn verblijfplaatsen. Hieronder zijn de eisen uitgewerkt voor nieuw aan te brengen of te optimaliseren bestaande verblijfplaatsen voor de meeste voorkomende situaties. Maatwerksituaties kunnen in afstemming met de deskundige ecoloog afwijken. • Invliegopening van het nest op minimaal drie meter (liefst hoger dan 5 meter) hoogte en dient een vrije uitvliegbreedte te hebben van minimaal twee meter. • Geen belemmerende elementen in de in- en uitvliegzone (2 meter breed en 3,5 meter hoog onder invliegopening) zoals bomen, platte daken, balustraden, borstweringen, vlaggenmasten en tijdelijke steigers met beschermingsdoeken tijdens het broedseizoen. • Bij nestlocaties naast wegen is het van belang dat de uitvliegopening hoog genoeg is (>5 m), zodat er geen verkeersslachtoffers kunnen vallen. • Nestplaatsen mogen niet in de volle zon (direct zonlicht) liggen. Voor een optimaal gebruik plaats je de kasten:  Op het noorden of het oosten.  Op een hoek of langs de kopse kant van een gebouw in de koele, schaduwrijke noord- en oostgevels aanbrengen in verband met de hitte die kan ontstaan in de kleine broedruimte.  Als nestgelegenheden tussen 9 en 19 uur in de schaduw blijven onder bijvoorbeeld een dakrand of dakgoot, kunnen andere windrichtingen overwogen worden.

 Bij toepassing onder/in overstek of inbouwkast achter de buitengevel geplaatst dan kan deze ook op de gevels met meer zon worden toegepast zolang het nest niet in de zon zit. • Afmetingen verblijfplaatsen (buiten de speciale dakpannen) voldoen aan:  Een minimum bodemoppervlakte van 350 cm 2, bijvoorbeeld 12 x 30 cm, 17,5 x 20 cm of 15 x 25 cm; bij voldoende ruimte bij voorkeur 800 cm 2, bijvoorbeeld 40 x 20 cm.  Een minimumhoogte van 13 cm; bij voorkeur 15 tot 20 cm.  Een ovale of rechthoekige invliegopening van 65 mm (breed) en 30 mm (hoog) in verband met spreeuwen.  Afstand tussen invliegopening en bodem maximaal 40 mm  Afstand tussen invliegopening en verblijfplaats < 5 cm.  Invliegopening moet uiterst links of rechts worden aangebracht zodat er een donkere hoek in de nestgelegenheid ontstaat. • Gierzwaluwen broeden in sommige plaatsen bij voorkeur onder dakpannen. Gelet op de aanwezige ruimte en invliegmogelijkheden zijn vooral de Oude holle pan (HP) en de Opnieuw verbeterde holle pan (OVHP), de kantpan van bijvoorbeeld de Sneldekker / betonpan geschikt, via loodslabben en scheefliggende dakpannen. Bij renovatie en verduurzaming kunnen nestplekken behouden worden door de toepassing van gierzwaluwpannen. Geïsoleerde daken kunnen in de zomer te warm worden (> 50 graden Celsius).

Daarom raadt de Gierzwaluwbescherming Nederland het gebruik af.9 Het is aan de betrokken ecoloog om hier een passende oplossing voor te vinden. Voor gebruik van gierzwaluwpannen geldt in ieder geval de strikte eis dat direct zonlicht moet worden vermeden. • Nestgelegenheid moet van voldoende duurzaam materiaal zijn en op een voldoende duurzame wijze worden bevestigd. Bij ophanging moet bevestigingsmateriaal aan de gevel minimaal RVS A4 kwaliteit in verband met zeeklimaat. • Nestplaatsen mogen dicht naast elkaar worden geplaatst omdat de soort een koloniebroeder is. Richtlijn is 1 tot 4 nesten per huis, 4 tot 10 nesten per woningblok of kleine flat en 10 tot 20 nesten in een groter gebouw.

9 In de zeer warme zomer van 2018 hebben veel jonge gierzwaluwen het nest onder dakpannen (te vroeg) verlaten. Het is echter niet

duidelijk of dit komt door de langdurige hittegolf of door het isoleren van daken. Dit aspect zal nader onderzocht c.q. onderbouwd moeten – bijvoorbeeld met behulp van dataloggers - worden voordat hier conclusies uit kunnen worden getrokken. Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

25 van 57

Gierzwaluwnesten worden vaak ook benut door huismus en spreeuw. Dit is een positief effect omdat de huismus de nestplek daarmee kan aanwijzen aan de gierzwaluw. Dit kan echter slecht aflopen voor de huismus omdat de gierzwaluwen de jongen en ouders uit het nest verwijderen als zij rond 20 april terugkeren. Voor de huismus dient dan ook een alternatief te zijn bijvoorbeeld in de vorm van alternatieve nestplaatsen met een opening van ø 35 mm. • Indien de nestplaatsen op een nieuwe, voor gierzwaluwen nog onbekende, locatie worden geplaatst, kan vestiging bespoedigd worden door het afspelen van gierzwaluwgeluiden.  Deze geluiden kunnen bij mooi weer tussen 6 en 8 uur en tussen 20.00 uur en zonsondergang worden afgespeeld.  Deze geluiden dienen zo luid mogelijk afgespeeld te worden.

Eisen omgeving De gierzwaluw is een goede vlieger en overbrugt gemakkelijk grote afstanden om te foerageren. Hierdoor zijn er geen directe omgevingseisen voor deze soort.

Geraadpleegde bronnen • • • • •

Soortenstandaard Gierzwaluw, versie 1.1 Rijksdienst voor Ondernemend Nederland | maart 2014. Bij12 (2017). Kennisdocument Gierzwaluw. Apus apus. Versie 1.0 juli 2017. Remco Daalder (2014). De gierzwaluw. De Strandloper; Gierzwaluw special; 37e jaargang, nummer 2, april 2005; Vereniging voor natuur- en vogelbescherming Noordwijk. Kelly Gunnell, Brian Murphy & Dr Carol Williams (2013). Designing for biodiversity: a technical guide for new and existing buildings. Second edition. RIBA Publishing, London.

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

26 van 57

Gewone dwergvleermuis Algemeen De gewone dwergvleermuis is een kleine vleermuis. Het is de meest algemene vleermuissoort in Nederland. Hij komt vooral in de bebouwde omgeving voor, zowel in het stedelijk gebied als op het platteland. In de levenscyclus van de gewone dwergvleermuis kunnen verschillende perioden worden onderscheiden, zoals een winterslaapperiode, een periode waarin gepaard en gebaltst wordt en een periode dat de jongen gezoogd worden. De verblijfplaatsen in Nederland bevinden zich in de regel in gebouwen en hun omgeving. Zo vindt baren en zogen vooral in gebouwen plaats, het paren in weer andere gebouwen en ook de winter wordt in gebouwen doorgebracht. Gewone dwergvleermuis, De dieren verlaten ’s avonds relatief vroeg hun verblijfplaats, rond zonsondergang. De jachtvlucht is gemiddeld op 2-5 m hoogte en de prooi Bron: Vivara Pro wordt in snelle duikvluchten en bochten achtervolgd. De echolocatie klinkt onregelmatig en is aangepast aan halfopen terrein; in open ruimte gaat het ritme omlaag. In het najaar maken territoriale mannetjes harde roepjes die vooral door jonge mensen ook zonder detector te horen zijn 10,11.

Beschermingsstatus De gewone dwergvleermuis wordt in Europees verband beschermd onder Bijlage II van de Habitatrichtlijn. In Nederland wordt de gewone dwergvleermuis beschermd onder het beschermingsregime ‘Europees beschermde soorten’, Artikel 3.5 Wet natuurbescherming. De IUCN-status van deze soort is ‘niet bedreigd’. Voor meer informatie over de beschermingsstatus van de gewone dwergvleermuis, zie kennisdocument ‘gewone dwergvleermuis’ op https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-enlandschap/kennisdocumentensoorten-ontheffingen-wet-natuurbescherming/.

Habitat De gewone dwergvleermuis is in Nederland overwegend een gebouw bewonende soort (in een enkel geval wordt een boomholte gebruikt). De soort gebruikt hiervoor een netwerk aan verscheidene gebouwen en bouwwerken. Hierbij kan onderscheid worden gemaakt in kraamverblijven, paarverblijven en zomer- en winterverblijven. Vooral in gebieden met bebouwing nabij een ‘groene omgeving’ zoals parken, loofbossen, houtsingels en beschutte waterpartijen komen ze veel voor. Hierbij is de aanwezigheid van geschikt foerageergebied, met voldoende dekking, van belang. Tevens is de aanwezigheid van lijnvormige elementen die beschutting bieden tegen wind en predatoren, zoals bomenrijen, belangrijk vanwege de functionaliteit als vliegroutes. De soort is dus afhankelijk van meerdere, met elkaar samenhangende onderdelen van het landschap, namelijk verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindend habitat tussen de verschillende elementen. Gewone dwergvleermuizen zijn plaatstrouw en keren jaarlijks terug naar hetzelfde gebied. De vrouwtjes krijgen doorgaans één jong, welke na enkele dagen kan meeverhuizen aan de buik van de moeder. De vrouwtjes vliegen na zonsondergang uit om te foerageren, maar keren na enkele uren terug om de jongen te zogen en daarna opnieuw uit te vliegen.

Verblijfplaatsen De volgende typen verblijfplaatsen maken deel uit van het functioneel leefgebied, waarbij eenzelfde verblijfplaats voor meerdere typen (functies) gebruikt kan worden wanneer die ook voor die functies geschikt is. 1. Kraamverblijfplaatsen Kraamverblijfplaatsen worden gebruikt van begin mei tot half juli. Vanaf begin mei clusteren de vrouwtjes samen in groepen van meestal 50 tot 120 en soms tot meer dan driehonderd individuen. De vrouwtjes maken in de kraamperiode gebruik van een netwerk aan verblijfplaatsen. Het totaal aan verblijfplaatsen met individuen binnen een netwerk vormt de kolonie. Binnen dit netwerk kunnen ze regelmatig van verblijfplaats verhuizen. Zeer geschikte verblijfplaatsen zijn de hele kraamperiode in gebruik; ook kan een deel van de aanwezige vrouwtjes verhuizen naar een andere verblijfplaats binnen het netwerk. Na de kraamperiode, zodra de jongen zelfstandig worden, valt de kolonie geleidelijk uit elkaar en vormen de vrouwtjes kleinere groepjes in hetzelfde gebied. De mannetjes verblijven buiten de paartijd alleen of in kleine groepjes. Bovengenoemde tijden kunnen afwijken door weersomstandigheden.

10 BIJ12 (2017). Gewone dwergvleermuis, Pipistrellus. 11 Spijkman, E. (2016). Gewone dwergvleermuis.

Onze referentie: 084007625 B - Datum: 14 januari 2020

27 van 57

2. Paarverblijfplaatsen Eén paarverblijfplaats heeft een voortplantingsfunctie voor 1 -10 dwergvleermuizen. Paarverblijfplaatsen zijn in Nederland alleen goed vast te stellen van half augustus tot begin oktober maar worden vaak het gehele jaar door het mannetje gebruikt. De paarverblijfplaatsen bevinden zich meestal in de bebouwing, al zijn er enkele balts- en paarverblijfplaatsen in bomen bekend12. Maar in tegenstelling tot de andere typen verblijfplaatsen kunnen ze zich soms ook in boomholten of in kasten bevinden. Bovengenoemde tijden kunnen afwijken door weersomstandigheden. 3. Winterverblijfplaatsen Winterverblijfplaatsen worden als rustplek (winterslaap) gebruikt van november tot en met maart (kan afwijken door weersomstandigheden). Tijdens iets zachtere omstandigheden, of als een reactie op koudeval, in deze periode kunnen ze weer actief worden, gaan foerageren of wisselen van verblijfplaats. Vanaf augustus worden de winterverblijven al geïnspecteerd en kunnen ze in gebruik genomen worden. De winterverblijfplaatsen bevinden zich in de regel bovengronds in gebouwen, soms in de ingangen van kelders, forten of kalkgroeven e.d. Van belang is dat de overwinteringslocatie overwegend vorstvrij is: gewone dwergvleermuizen lijken een voorkeur te hebben voor gebouwen die langzaam op de buitentemperatuur reageren.

De overwinteringverblijfplaatsen bevinden zich in de regel in objecten die een sterkere dagfluctuatie van de temperatuur hebben dan de objecten waar andere vleermuissoorten in overwinteren. Er zijn weinig overwinteringsplekken bekend. 13 Er zijn drie typen winterverblijfplaatsen: winterverblijfplaatsen waar mannetjes alleen, soms met enkele vrouwtjes verblijven tot dat de temperatuur daalt, kraam- en zomerverblijfplaatsen waar een kleine groep exemplaren verblijft tot de temperatuur daalt, en de winterverblijfplaatsen met groepen van veel exemplaren. Met name de winterverblijfplaatsen met enkele exemplaren zijn moeilijk aan te tonen. Er mag zekerheidshalve vanuit worden gegaan dat een plek die als zomerverblijfplaats in gebruik is, ook als winterverblijf wordt gebruikt. Daarnaast zijn er dus mogelijk ook plekken die niet als zomerverblijfplaats of als paarverblijfplaats, maar wel als winterverblijfplaats worden gebruikt. Dit zijn veelal massawinterverblijven waarvan nog maar weinig bekend is in ons land. 4. Zomerverblijfplaatsen Onder een zomerverblijfplaats valt elke verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn én waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats betreft. Het gaat hierbij dus zowel om locaties van vrouwtjes als mannetjes, losse individuen of kleine groepjes.

Waarschijnlijk hebben gewone dwergvleermuizen een voorkeur voor gebouwen waarbij verschillende ruimten benut kunnen worden afhankelijk van de weersomstandigheden.

Kwetsbare periodes De gewone dwergvleermuis kent de volgende kwetsbare perioden: • Winterrust: 1 november tot 1 april, gewone dwergvleermuizen kunnen echter de gehele winter foeragerend worden aangetroffen bij temperaturen boven 10° Celsius. • Kraamtijd: 15 mei tot en met 15 juli. • Paartijd: 15 augustus tot en met 15 oktober • Gebruik zomerverblijfplaatsen: april tot en met oktober De genoemde perioden kunnen eerder beginnen of later eindigen afhankelijk van de lokale klimatologische en meteorologische omstandigheden voorafgaand aan of tijdens de werkzaamheden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=a74f2631-6d21-4592-9165-c159424eb2a8