Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)_vastgesteld_3_Toelichting
Tekst van het document
34
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
Conclusie De herontwikkeling van het ENGIE-terrein biedt ruimte voor innovatieve vormen van duurzame opwekking van energie en draagt zo bij de ambities van de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. Dit bestemmingsplan voldoet aan de (instructie)regels die de Omgevingsveordening Gelderland stelt voor dit bedrijventerrein. Niet alleen draagt de herontwikkeling van het ENGIE-terrein bij aan de doelstellingen van het Energieakkoord en het (ontwerp)Klimaatakkoord maar ook aan die van het Gelders Energieakkoord en het Gelders Klimaatplan 2021-2030 en ook bij de ambities van het RES. In de aanloop naar de Gebiedsvisie Waal Energie heeft de gemeente Nijmegen in samenspraak met de provincie en ENGIE invulling gegeven aan de aanwijzing als bijzondere werklocatie (zie paragraaf 4.1).
3.3
Gemeentelijk beleid
Omgevingsvisie Nijmegen Op 28 oktober 2020 stelde de gemeenteraad van Nijmegen de Omgevingsvisie 2020-2040 vast: Nijmegen - Stad in beweging. In de omgevingsvisie legt de gemeente Nijmegen haar langetermijnvisie tot 2040 voor de stad vast, met richtinggevende speerpunten voor de sociaal-economische en fysieke leefomgeving. In de visie staan vier opgaven centraal: economisch veerkrachtige stad; sociale en gezonde stad; aantrekkelijke stad; duurzame stad.
Binnen de opgave Economisch veerkrachtige stad is een van de ambities om de positie van de havens economisch te versterken door meer ruimte voor watergebonden bedrijvigheid te creëren rondom de Kanaalhavens en het ENGIE-terrein. Binnen de opgave Duurzame stad is een van de ambities om in 2050 een volledig circulaire stad te zijn, waarin geen grondstoffen verloren gaan. Met circulaire verstedelijking bedoelt de gemeente naast circulariteit op zichzelf ook klimaatadaptatie en energietransitie. Uit deze opgaven zijn acht ruimtelijke keuzes voor de fysieke leefomgeving afgeleid. In een aantal keuzes speelt het ENGIE-terrein een rol: Om de impact van de groei van de stad op de omgeving zo klein mogelijk te houden, streeft de gemeente Nijmegen naar een compacte dynamische stad. Specifiek focust de gemeente in haar keuzes op de Kanaalzone. Als onderdeel van dat focusgebied wordt het ENGIE-terrein herontwikkeld voor watergebonden bedrijvigheid en bedrijven die duurzame energie opwekken. Ook in de keuze voor duurzame mobiliteit speelt het ENGIE-terrein een rol, namelijk ten behoeve van een efficiënte en schone stadslogistiek. Ten aanzien van de energieopgave is het ENGIE-terrein in beeld als potentiegebied voor zonneparken en voor grootschalige zonne-energie op daken.
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
35
36
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
Hoofdstuk 4 4.1
Planbeschrijving
Gebiedsvisie Waal Energie
ENGIE, gemeente Nijmegen en de provincie Gelderland hebben een gebiedsvisie opgesteld voor het plangebied, in het verlengde van het plan ‘De Groene Delta’ uit 2014 en als uitwerking van de aanwijzing als bijzondere werklocatie in het RPW 2021-2024: Gebiedsvisie Waal Energie. De nieuwe functies op het ENGIE-terrein hebben daarin en onderlinge samenhang, zodat het terrein zich ontwikkelt als Groene Hub waar ondernemers samenwerken op het gebied van energie, water, afval, grondstoffen en logistiek. Het plangebied ligt aan de westkant van Nijmegen en dicht bij het dorp Weurt. Omdat ontwikkelingen op het terrein invloed hebben op de leefomgeving, is bij het opstellen van de visie daarom ook gemeente Beuningen betrokken. Vanuit de context van het terrein zijn voor de herontwikkeling de volgende ambities geformuleerd: Het terrein draagt bij aan de energietransitie, zowel in concrete opwekking als ook door innovatie, educatie en voorbeeldfuncties op het terrein. Het gebied blijft onderdeel van het geluidgezoneerde industrieterrein TPN-west. Hier is industriële bedrijvigheid mogelijk tot maximaal cat. 5.2 met inachtneming van de bestaande kaders zoals de huidige geluidszone en het externe-veiligheidsbeleid. Gelet op de unieke ligging van het gebied aan het water en de aanwezigheid van BCTN is de watergebonden bedrijvigheid een passende functie voor het terrein.
De ambitie is om het terrein meer te openen zodat er een connectie ontstaat met Weurt, Nijmegen en de directe omgeving. Het terrein ontwikkelt zich als vitaal werkgebied. Daarmee kan invulling worden gegeven aan de regionale ambitie om de 4e economische regio van Nederland te worden. Het gebied wordt in nauwe en continue afstemming met de omgeving ontwikkeld.
figuur 4.1: Visiekaart Gebiedsvisie Waal Energie
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
37
Het ENGIE-terrein is decennialang afgesloten geweest voor de omwonenden. De herontwikkeling biedt de mogelijkheid om het terrein grotendeels openbaar toegankelijk te maken met een groene, parkachtige uitstraling waar ook iedereen van kan genieten, zodat het gebied geen barrière meer vormt tussen Nijmegen-West en Weurt, maar juist een verbindende schakel wordt. Het terrein is echter niet geschikt voor wonen of recreatie als hoofdfunctie: het is een buitendijks gebied, waar woningbouw niet is toegestaan, en deze functies verhouden zich niet met de grootschalige opwekking van energie en watergebonden of -verbonden bedrijvigheid. De beschreven ambities laten zich vertalen in: Procesvoorwaarden, namelijk continue afstemming; Randvoorwaarden, namelijk blijvend onderdeel van geluidgezoneerd industrieterrein en ontwikkeling als vitaal werkgebied; Ambitie voor bedrijvigheid: bijdrage in energietransitie en watergebonden bedrijvigheid.
Bijdrage aan de energietransitie. Als bijdrage aan de energietransitie geldt dat op het terrein onder meer plaats is voor: opwek en opslag van duurzame energie, middels bijvoorbeeld batterijen en waterstof; vergroening van het transport over weg en water; het verduurzamen van de binnenstedelijke logistiek, zoals thans gebeurt met de Emmerik; het leveren van warmte uit aquathermie.
Ook de mogelijkheid van grootschalige energieopwek hoort bij de energietransitie, binnen de juiste randvoorwaarden. Door de voor deze regio unieke aanwezige infrastructuur biedt deze locatie de mogelijkheid om een significante rol te spelen binnen de energietransitie van de regio (circa 10% van de verwachte regionale energievraag in 2045). Zie ook onderstaande figuur.
figuur 4.2. Kwalitatieve ontwikkeling energievormen en technologieën (bron Gebiedsvisie Waal Energie, 2019)
In het Barro is het ENGIE-terrein aangewezen voor de elektriciteitsproductie met één of meer elektriciteitsproductie-installaties met een gezamenlijk vermogen van circa 500 MW (paragraaf 3.1). Voor de realisatie hiervan ligt het voor de hand om aan te nemen dat deze op een duurzaam gas zal zijn gebaseerd. Op dit moment is aardgas nog erg belangrijk in Nederland. We
38
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
gebruiken tussen de 35 en 40 miljard kubieke meter gas per jaar, niet alleen voor verwarming en warm water, maar ook in de industrie en in energiecentrales. Energie in de vorm van gassen blijft een belangrijke rol spelen. Het streven is om uiteindelijk zonder aardgas te kunnen, maar de alternatieven voor een grootschalige toepassing zijn er nog niet. De verwachting is dat in 2050 ongeveer de helft van onze energievraag met stroom te beantwoorden is. Voor de andere helft blijven gassen, zoals aardgas, groen gas, waterstof en warmte nodig. Daarbij gaat het er om dat we niet per se van het gebruik van gas af komen, maar dat we de uitstoot van CO2 bij de verbranding van het gas voorkomen. Op dit moment weten we dus nog niet hoe we de energievoorziening op een volledig duurzame manier in kunnen vullen. De komende jaren zullen uitwijzen óf er daadwerkelijk grote opwekcapaciteit op deze plaats in Gelderland nodig is voor de energietransitie. Vooralsnog kan er echter niet van uitgegaan worden dat die ruimte niet nodig is voor een moderne energiecentrale, omdat er op dit moment geen reële alternatieven zijn om circa 500 MW op te wekken met een duurzame techniek.
Maar gelet op de duurzaamheidsambities die ENGIE en de gemeente hebben voor het terrein zal ENGIE, op het moment dat er er een energiecentrale wordt gebouwd een hybride productie installatie realiseren die duurzame electriciteit kan opwekken zoals genoemd in de Electriciteitswet 1998. ENGIE heeft deze wens en ambitie verwoord en toegezegd aan de gezamelijke gemeenteraden van Nijmegen en Beuningen tijdens de toelichtende vergadering van 27 februari 2023.
Bijdrage aan watergebonden bedrijvigheid In de monitoring van het Regionaal Programma Werklocaties (RPW) Arnhem-Nijmegen in 2018 is geconcludeerd dat er in de regio geen uitgeefbaar aanbod beschikbaar is op watergebonden bedrijventerreinen. Ecorys heeft in eerder onderzoek voor de periode 2014 tot 2020 een uitbreidingsvraag van watergebonden en -verbonden bedrijvigheid geraamd van circa 11 hectare. Door toenemende logistieke bewegingen en productie in de (maak)industrie is het niet ondenkbaar dat de ruimtevraag hoger uitvalt. Ook de transitie naar een circulaire economie zorgt, zeker in de transitiefase, voor een hogere ruimtevraag. De ruimtebehoefte blijkt ook in de praktijk manifest. Deze ruimtevraag kan op dit moment echter niet of beperkt worden gehuisvest in de regio. In een onderzoek naar watergebonden bedrijventerreinen in de provincie Gelderland heeft Ecorys (Behoefteonderzoek watergebonden en waterverbonden bedrijventerreinen Gelderland, 2016) de belangrijkste trends en ontwikkelingen in de binnenvaart verkend. Op basis daarvan zijn de vestigingseisen van watergebonden en waterverbonden bedrijvigheid geïdentificeerd. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen watergebonden en waterverbonden bedrijven: watergebonden bedrijven zijn bedrijven die direct aan het vaarwater liggen met vaak een eigen kade of gebruikmaken van een direct naastliggende openbare kade.
Vaak bulkbedrijven, zoals betonbedrijven en zand- en grindbedrijven. waterverbonden bedrijven zijn bedrijven die gebruikmaken van een kade maar goed op enige afstand van het water gelegen kunnen zijn, zoals transportbedrijven die gebruik maken van containerterminals.
In 2019 heeft een update van deze studie plaatsgevonden, waarbij onderstaande vestigingseisen zijn geformuleerd: voldoende diepgang vaarweg en kade: het behandelen van een binnenvaartschip met CEMT-klasse V (met een laadvermogen van 2.750 ton) vraagt om een diepgang van circa 3 meter; kavelgrootte/kadelengte: Voor productie-en logistieke bedrijven minimaal zo’n 2 hectare, in toenemende mate ook groter dan 4 hectare met mogelijkheden voor uitbreiding. Voor
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
39
toeleverende en/of dienstverlenende bedrijven en startups worden ook kleinere kavels gevraagd; (fysieke) nabijheid toeleveranciers/klanten in verband met toename circulariteit; planologische randvoorwaarden: voldoende milieu/geluidsruimte; multimodaliteit; imago.
Het gebied Waal Energie voldoet aan al deze eisen, waarbij de kades in de Noord-Kanaalhaven van de voormalige kolencentrale kunnen worden hergebruikt en eventueel in de toekomst ook kades langs de Waal nog kunnen worden gerealiseerd, in het verlengde van de kade van BCTN. Vanuit het energiehart van het gebied is er tevens voorzien in een bijdrage in de verduurzaming van de scheepvaart door een nieuw modulair energieconcept (MEC) op de locatie te ontwikkelen, gebaseerd op batterijen en voor langere termijn op waterstofopslag in de vorm van containers.
Bijdrage aan werkgelegenheid Landelijk is de arbeidsintensiteit op regulier, gemengde bedrijventerreinen rond de 30 tot 60 personen per hectare (Ruimtebehoefte onderzoek bedrijventerreinen, Stec Groep, januari 2021). Dit aantal banen per hectare is vanzelfsprekend lastiger te behalen op logistieke en industriële locaties (monofunctioneel), omdat deze functies zich moeilijk lenen voor het stapelen en hier ook voldoende buitenruimte nodig is voor de bedrijfsvoering. Er wordt een indicatie gegeven van enkele soorten bedrijventerreinen: Voor sec logistieke terreinen wordt een bandbreedte van 25 tot 40 banen per hectare gehanteerd en zien we in het algemeen dat het gemiddeld aantal banen per hectare afneemt wanneer de kavelomvang vaneen bedrijf toeneemt. Kleine logistiek is in het algemeen arbeidsintensiever dan XXL-logistiek. Op meer industriële en watergebonden locaties (inclusief locaties met een hogere milieucategorie) is de arbeidsintensiteit doorgaans lager. Zo’n 20 tot 40 banen per uitgegeven hectare is haalbaar. Voor bedrijventerreinen/werklocaties met meer hoogwaardiger/kantoorachtig vastgoed en op Perifere Detailhandel Vestigingslocaties is de arbeidsintensiteit hoger. Dit hangt sterk samen met het aandeel banen in de diensten (ICT, zakelijke en overige dienstverlening en consumentendiensten).
Landelijk zien we op deze locaties een arbeidsintensiteit tussen de 50 en 100 banen per hectare (en in specifieke situaties nog hoger).
Omdat het hier om deels watergebonden, deels industrie en logistiek en deels een hoogwaardiger locatie gaat, lijkt het een redelijke aanname om uit te gaan van circa 30 banen per ha. De circa 30 ha uitgeefbaar terrein levert daarmee circa 900 banen.
4.2
Stedenbouwkundig raamwerk en beeldkwaliteit
Kuiper Compagnons en ENGIE hebben de ambities van de Gebiedsvisie Waal Energie stedenbouwkundig vertaald (Waal Energie, Aanjager voor een duurzame stad, Stedenbouwkundig raamwerk en beeldkwaliteit, 27 juli 2022). Het stedenbouwkundigplan richt zich op drie ambities voor het plangebied die aansluiten bij de Gebiedsvisie: 1.
Een nieuw energiehart dat positief bijdraagt aan de energietransitie, door de opwek, buffering en distributie van (hernieuwbare) energie.
40
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
2.
Ruimte voor duurzame, emissieloze logistiek (watergebonden op- en overslag en stadsdistributie) die bijdraagt aan verbetering van de luchtkwaliteit.
3.
Een nieuwe (deels watergebonden) werklocatie in de stad, die ruimte biedt aan verschillende soorten ondernemers.
4.
Een nieuwe groene verbinding tussen Nijmegen, Weurt en buitengebied en een optimale aansluiting van NYMA met o.a. fietsroutes, wandelroutes, uitkijkpunten en parkeren.
Nieuwe energie voor regio en stad De bijdrage aan de energietransitie vertaalt zich in de ontwikkeling van het Energiehart (figuur 4.3), met gebruikmaking van de bestaande energie-infrastructuur (zie ook figuur 2.2) en de ontwikkeling van nieuwe, innovatieve mogelijkheden voor (grootschalige) energieopwek en -distributie: een energiecentrale op de locatie van de voormalige kolencentrale, waterstofvoorzieningen voor binnenvaart en wegvervoer, aquathermie en de bestaande windturbines.
figuur 4.3: Energiehart
Distributie-hub regio en stad In het licht van de gunstige ligging ten opzichte van (inter)nationale en lokale verbindingen en ten opzichte van (bestaande) bedrijvigheid en het centrum van Nijmegen schetst het stedenbouwkundig verhaal de ontwikkeling van een distributie-hub. Aan de ene kant watergebonden bedrijvigheid conform het Regionaal Programma Werklocaties 2021-2024, met gebruikmaking van de bestaande kades, aan de andere kant stadsdistributie gericht op het stedelijk gebied van Nijmegen.
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
41
figuur 4.4: distributie-hub
Betere verbindingen tussen stad en dorp Het stedenbouwkundig verhaal werkt ook de ambitie van de Gebiedsvisie Waal Energie uit om het ENGIE-terrein meer openbaar toegankelijk (en beleefbaar) te maken en om het een verbindende schakel te laten vormen tussen Nijmegen-West en Weurt, in plaats van een barrière: juist een belevingsroute tussen Nijmegen en Weurt op de dijk, met groene plekken en cultuurhistorische objecten en andere bijzondere plekken. De ruimtelijke en functionele aansluiting op de bruisplaats Nyma is daarbij belangrijk.
42
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
figuur 4.5: ENGIE-terrein als verbindende schakel tussen Nijmegen en Weurt
Ruimtelijke raamwerk Figuur 4.6 toont het ruimtelijk raamwerk waarin de uitwerking van de ambities voor het ENGIE-terrein samenkomt. Het raamwerk geeft richting aan de invulling van het terrein zoals hiervoor ook beschreven, maar kent ook een zekere mate van flexibiliteit, omdat er nog geen verkaveling in is opgenomen. De conrete invulling is daarmee afhankelijk van de markt maar moet ook aansluiten bij de ambities van de Gebiedsvisie. Het bestemmingsplan is voldoende ruim en flexibel om hierin nog nader afgewogen keuzes te maken.
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
43
figuur 4.6: ruimtelijk raamwerk
In figuur 4.7 is het ruimtelijk raamwerk toegespitst op de gewenste beeldkwaliteit, met name aan de randen van het plangebied. Hier is een versterking van de ecologische verbindingszone tussen de stad en het groene buitengebied beoogd (zie paragraaf 5.12), in het verlengde van het doel om het ENGIE-terrein een verbindende schakel tussen stad landschap te laten zijn (zie hiervoor). De (inheemse, bloemrijke) beplanting op de dijk is oplopend van de energiecampus naar het kanaal. Bij de campus is het zicht belangrijk en is de beplanting lager, richting het kanaal functioneert hogere beplanting als groene vitrage. Ook aan de noordwestkant komt hogere beplanting die dient als visuele buffer naar het industrieterrein.
44
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
figuur 4.7: ruimtelijk-functioneel raamwerk
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
45
46
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
Hoofdstuk 5 5.1
Omgevingsaspecten
Inleiding
Een bestemmingsplan verbrede reikwijdte hoeft op grond van artikel 7c onder 9, 2o Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet nog geen inzicht hoeft te verschaffen in de uitvoerbaarheid van het plan en er is ook geen beschrijving nodig van de wijze waarop krachtens hoofdstuk 5 Wet milieubeheer vastgestelde milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Toch zijn in dit hoofdstuk de uitkomsten beschreven van de (milieu)onderzoeken die in het kader van het MER en dit bestemmingsplan zijn uitgevoerd: de uitkomsten geven inzicht in waarmee bij de herontwikkeling van het ENGIE-terrein rekening moet worden gehouden en waren input voor de toepassing van de milieuzonering nieuwe stijl.
5.2
Milieueffectrapportage
Wettelijk kader De Wet milieubeheer (Wm) en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) bepalen voor welke activiteiten, die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu, het bevoegd gezag die gevolgen moet beoordelen (artikel 7.2 Wm). Activiteiten die over het algemeen belangrijke nadelige milieugevolgen hebben, staan in het Besluit m.e.r. op de C-lijst (m.e.r.-plicht); andere activiteiten die afhankelijk van de omstandigheden nadelige milieugevolgen kunnen hebben staan op de D-lijst (m.e.r-beoordelingsplicht). Het doel van de m.e.r.-procedure is om het milieubelang volledig mee te wegen in de besluitvorming over activiteiten die mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben.
Omdat het bestemmingsplan een kader schept voor de toekomstige 'oprichting, wijziging of uitbreiding van een industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water' (onderdeel D 22.1 bijlage Besluit m.e.r.) is een m.e.r-beoordelingsplicht van toepassing. Uit deze beoordeling komt naar voren dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet zijn uit te sluiten. Daarom hebben ENGIE en de gemeente Nijmegen besloten voor dit bestemmingsplan een plan-m.e.r-procedure te voeren en om een plan-MER op te stellen.
Notitie reikwijdte en detailniveau Aan de hand van de Gebiedsvisie Waal Energie is een notitie reikwijdte en detailniveau (NRD) opgesteld in voorbereiding op de m.e.r.-procedure. De NRD beschrijft globaal voor welke activiteit het MER wordt opgesteld en op welke manier en tot welk detailniveau de milieueffecten zullen worden beschouwd. Van 26 september tot en met 6 november 2019 lag de NRD ter inzage (zie paragraaf 7.2). Daarna ontstond er op nationaal niveau, maatschappelijk en politiek, een discussie over de stikstofaanpak in het Nederlands ruimtelijke ontwikkelingsprogramma. Er is sindsdien onderzoek gedaan naar de manier waarop stikstofdepositie als een van de deelonderzoeken in de ontwikkeling kan worden ingepast.
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
47
Er zijn voor de NRD binnen een basisalternatief twee varianten ontwikkeld, voor de mogelijke invulling van het gebied met een grootschalige energieopwekking (figuur 5.1). Daarnaast is er op basis van de reacties op de NRD besloten om de situatie zoals die was tot 2015 met een werkende kolencentrale zoveel mogelijk te betrekken bij de beschrijving van de effecten. Omdat de centrale lange tijd een bepalende factor is geweest in hoe het gebied werd ervaren, is het belangrijk geacht die situatie in de beeld- en besluitvorming een plaats te geven. Per milieuaspect zijn effecten in de volgende situaties en varianten onderzocht: Situatie 2015. Voor de situatie van het voor publiek afgesloten plangebied Waal Energie in 2015 wordt uitgegaan van de aanwezigheid van een kolen en biomassa gestookte energiecentrale, een zonnepark en een containerterminal. En de planologische reservering voor grootschalige energieopwekking die ziet op het gehele plangebied Waal Energie; Autonome ontwikkeling 2032: De doorvertaling van de uitgangspunten voor de autonome ontwikkeling op basis van de situatie in 2021 is dat binnen het voor het publiek afgesloten plangebied Waal Energie de kolen en biomassa gestookte energiecentrale volledig is geamoveerd en de aanwezigheid van een zonnepark, een containerterminal en twee windturbines; Locatievarianten (2032): 1.
Locatievariant A (variant A) betreft de reservering voor grootschalige energie opwekking op de footprint van voormalige kolen en biomassa gestookte energiecentrale; 2. Locatievariant B (variant B) betreft de reservering voor grootschalige energie opwekking aan de Waalzijde.
figuur 5.1: locatievarianten met varianten A en B
48
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
Plan-MER In het plan-MER (zie Bijlage 1 en Bijlage 2) zijn de milieugevolgen van deze situaties en locatievarianten onderzocht. Hierna worden de uitkomsten van die onderzoeken weergegeven. Uit deze onderzoeken bleek weinig onderscheid tussen varianten A en B, met uitzondering van de aspecten geluid en externe veiligheid. Wat betreft geluid bleek locatievariant B niet uitvoerbaar: in de Gebiedsvisie Waal Energie is uitgesproken dat het geluid na herinrichting van het terrein niet meer mag bedragen dan ten tijde van de werkende kolencentrale en dat de milieugebruiksruimte zo mogelijk kleiner wordt; in locatievariant B ligt de geluidcontour van de nieuwe energiecentrale echter buiten de vastgestelde geluidzone en zou daarvoor meer geluidruimte nodig zijn. Ook wat betreft externe veiligheid is er een duidelijke voorkeur voor locatievariant A, omdat daarin de nieuwe energiecentrale wordt gerealiseerd buiten de veiligheidscontour van de windturbines. Op basis van het onderzoek naar de milieugevolgen is het locatievariant A met gedifferentieerde geluidruimte als voorkeursvariant naar voren gekomen. Alle relevante documenten in relatie tot de MER zijn als bijlage bij de toelichting opgenomen.
5.3
Milieuzonering nieuwe stijl
Beleidsmatig kader Bedrijfsactiviteiten kunnen hinder voor de (woon)omgeving veroorzaken door lawaai, onaangename geuren, stof, trillingen, verkeers- en parkeeroverlast. Daarom is het nodig om bedrijfsactiviteiten (of andere functies die het leefmilieu belasten) op een aanvaardbare afstand van woningen of andere hindergevoelige functies te situeren, al dan niet gecombineerd met het treffen van speciale maatregelen.
In dit plan wordt de toelating van bedrijven gereguleerd aan de hand van milieuzonering nieuwe stijl. Deze methode is opgesteld om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieunormen. Deze regels en normen worden gesteld in het belang van een goede ruimtelijke ordening en gezonde en veilige fysieke leefomgeving, ten behoeve van een optimaal en doelmatig grondgebruik. Het gaat hierbij om regels in het bestemmingsplan verbrede reikwijdte die vanuit dit belang naast de bestaande milieuregelgeving gelden.
De tot op heden veel gebruikte VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering (2009) gaat uit van een indeling van bedrijven in milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden tot een rustige woonwijk en gemengd gebied. In een Staat van bedrijfsactiviteiten zijn bedrijven aan de hand van de SBI-code ingedeeld in een milieucategorie. De milieucategorie en de daarbij behorende richtafstand geven een eerste indicatie van de benodigde afstand tot wonen, maar ook niet meer dan dat. In de praktijk is al vaak gebleken dat de werkelijk benodigde milieuruimte van een bedrijf flink kan afwijken van de richtafstand: deze kan zowel groter zijn als kleiner. Dit is één van de redenen dat de VNG besloten heeft de huidige VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering niet meer te actualiseren. Naar de mening van de VNG is deze uitgave niet geschikt voor toepassing onder het nieuwe stelsel van de omgevingswet. In mei 2019 heeft de VNG de uitgave Milieuzonering nieuwe stijl gepubliceerd.
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
49
Methodiek Milieuzonering nieuwe stijl anticipeert op de integratie van milieu en ruimte in de Omgevingswet en gaat uit van de beschikbare milieuruimte voor een bedrijf, zonder verwijzing naar een Staat van bedrijfsactiviteiten met richtafstanden op basis van de SBI-code.
De methodiek is veel flexibeler dan de traditionele bedrijven en milieuzonering, omdat: 1. 2.
er geen discussie meer is of een bepaald bedrijf wel of niet is genoemd in de Staat van Bedrijfsactiviteiten: er is immers geen Staat van bedrijfsactiviteiten meer; een bedrijf niet 'vast' zit aan een bepaalde milieucategorie met bijbehorende richtafstand. Als een bedrijf minder milieuruimte nodig heeft, is plaatsing in een andere zone zonder specifieke omgevingsvergunning goed mogelijk.
Gebruiksruimte In plaats van een milieuzonering aan de hand van zones met oplopende milieucategorieën en een Staat van bedrijfsactiviteiten, krijgt milieuzonering nieuwe stijl vorm door zones die bij grotere afstand tot de woonomgeving voorzien in een oplopende gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf, zonder een Staat van bedrijfsactiviteiten.
De gebruiksruimte van een bedrijf is de milieuruimte die een bedrijf op grond van het bestemmingsplan mag benutten voor zijn bedrijfsvoering. Milieuzonering nieuwe stijl limiteert de gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf. Dus ieder bedrijf krijgt zijn eigen gebruiksruimte.
In de VNG-uitgave Milieuzonering nieuwe stijl wordt gemotiveerd dat het niet nodig is om al in het ruimtelijk spoor concrete milieunormen op te nemen voor veiligheid en stof, ter vervanging van de richtafstanden voor gevaar en stof zoals die in de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering (2009) zijn opgenomen.
Geluid door bedrijven op het industrieterrein De hoeveelheid geluidruimte per bedrijf is afhankelijk van de zone van het industrieterrein waarin het bedrijf ligt. Per zone wordt een standaard geluidruimte per bedrijf toegekend. Vanwege de ligging op een geluidgezoneerd industrieterrein is hiervoor een systematiek gehanteerd die afwijkt van de VNG-uitgave 'Milieuzonering nieuwe stijl'. De geluidruimte is weergegeven in een reservering in dB(A)/m2. In paragraaf 5.7 is verantwoord dat de herontwikkeling van het ENGIE-terrein conform dit plan mogelijk is binnen de vergunde situatie in 2015 en daarmee binnen de vastgestelde geluidzone. In paragraaf 6.3 is dit nader toegelicht.
Geur door bedrijven op het industrieterrein Voor geur is in de nieuwe regeling het gebruikelijke onderscheid tussen een rustige woonwijk en gemengd gebied van ondergeschikt belang geacht: in beide gebieden dient geurhinder te worden voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau te worden beperkt, waarbij in beginsel geen onderscheid wordt gemaakt tussen een rustige woonwijk en gemengd gebied. In de volgende
50
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
figuur is de ligging van de verschillende zones ten opzichte van een rustige woonwijk en gemengd gebied schematisch weergegeven. Daaruit blijkt dat de afstand van geur zone 2 en 3 tot een rustige woonwijk gelijk is aan die tot gemengd gebied.
De waarden op industrieterreinen zijn primair gericht op het afbakenen van de gebruiksruimte en niet op het beschermen van gevoelige objecten. Voor het beschermen van gevoelige objecten gelden eigen waarden en regels, op grond van het Activiteitenbesluit of een omgevingsvergunning milieu. In de regels is voor bedrijven de mogelijkheid opgenomen om met een omgevingsvergunning af te wijken van de standaardwaarden voor geluid of geur. Voor geur is in dit bestemmingsplan een regeling opgenomen met waarden voor de toelaatbare geur per bedrijf, die gelden op een afstand van 50 meter van de terreingrens van het bedrijf. Gelet op de grote afstand tot de woonbebouwing kan worden volstaan met alleen zone 3 voor geur (zie paragraaf 5.8 en 6.3).
figuur 5.2: overzicht ligging zones ten opzicht van rustige woonwijk en gemengd gebied
5.4
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
Nijmegen als duurzame stad is een van de opgaven van de Omgevingsvisie Nijmegen (zie paragraaf 3.3). Gemeente Nijmegen heeft de ambitie om voorop te lopen op het gebied van duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Ze gaat uit van duurzaam grondgebruik, waarbij ontwikkelingen waarde aan de stad toevoegen en een bijdrage leveren aan het oplossen van onze grote opgaven. Circulair bouwen, klimaatadaptatie, natuurinclusief bouwen en energieneutraal zijn hierbij centrale (samenhangende) thema's die ook elders in de stad vorm krijgen.
De hoofdambities van Nijmegen voor duurzaamheid richten zich op de energietransitie (streven energieneutraal in 2045), stimulering van circulaire economie (streven circulaire regio in 2050) en klimaatadaptatie (streven volledig klimaatneutrale stad in 2050).
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
51
Circulaire stad De regio Arnhem-Nijmegen wil zich profileren als circulaire regio. Dit uit zich onder meer in de met het Rijk afgesloten woondeal waarin nadrukkelijk deze groene ontwikkeling aan de groeiopgave van de regio gekoppeld is.
In de nieuwe woningbouwplannen spant gemeente Nijmegen zich in om minimaal 25% circulair te laten ontwikkelen. Vanaf 2030 wil de regio minimaal 50% circulair bouwen om uiteindelijk in 2050 te komen tot een circulaire leefomgeving. Gemeente Nijmegen streeft daarom naar circulaire woningbouw, het liefst met gebruik van hernieuwbare organische bouwmaterialen (bijvoorbeeld hout, vlas, schapenwol etc.). Ze gebruikt de GPR-methodiek als ontwerptool en als beoordelingsmethodiek om de duurzaamheid van gebouwen in beeld te brengen.
De ambitie van de gemeente Nijmegen is om van de bouw een drijvende kracht te maken voor de circulaire economie. Daarom heeft zij zich aangesloten bij de City Deal Circulair en Conceptueel Bouwen. Ze wil laten zien dat het grootschalig circulair en conceptueel bouwen van woningen niet ten koste gaat en mag gaan van snelheid en betaalbaarheid. In de grond-, weg- en waterbouw onderschrijft gemeente Nijmegen de uitgangspunten van de Green Deal Duurzaam GWW 2.0; samen met haar ketenpartners wil zij de verduurzaming in de sector structureel aanjagen. Voor het afwegen van duurzame keuzen maakt ze o.a. gebruik van het ambitieweb en Dubocalq. De gemeente streeft naar een gesloten grondbalans.
Klimaatadaptief Nijmegen ligt in een kwetsbaar landschap dat gevoelig is voor hitte, droogte en wateroverlast. Klimaatverandering heeft bijvoorbeeld effect op piekbuien. Plekken in de stad met dichte bebouwing zijn gevoelig voor hittestress. Samen met partners in de regio, zoals gemeenten, provincie en waterschapen en vele andere organisaties, werkt gemeente Nijmegen daarom aan een regionale adaptatiestrategie om een klimaatbestendige regio te zijn. In deze strategie staat beschreven wat de ambities en doelstellingen zijn voor de korte en langere termijn en hoe de gemeente binnen (en buiten) de regio met klimaatadaptatie aan de slag wil gaan. Thema's voor Nijmegen in deze strategie zijn 'een groenblauwe stad' en 'klaar voor de hitte'. Op 26 maart 2019 heeft het college de Regionale Adaptatie Strategie (RAS) vastgesteld. De regionale klimaateffectatlas geeft een overzicht van de huidige stand van zaken van kennis en informatie over de potentiële klimaatkwetsbaarheden van de regio.
Water, droogte en hitte De opgave voor een klimaatbestendige wijk vraagt om een integrale blik waarbij de combinatie van inrichting, architectuur, (bodem)infrastructuur en beplanting zorgen voor een aangenaam klimaat. Concreet gaat het bijvoorbeeld om de situering van gebouwen voor schaduwwerking, keuze van materialen, het beperken van verharding en de keuze van het type verharding, wortelruimte en kwalitatief goede grond voor planten en bomen, groene daken en natuurlijk de waterhuishouding.
Het is de ambitie van de gemeente Nijmegen dat het watersysteem zichtbaar (bovengronds) is, een positieve bijdrage levert aan het woon- en verblijfsklimaat en dat het recreatieve en ecologische kansen schept. De waterhuishouding vormt een integraal onderdeel van de stedenbouwkundige opgave. Gemeente Nijmegen maakt een robuust watersysteem dat
52
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
rekening houdt met de impact van klimaatverandering en dat zodoende zowel toenemende piekbuien als drogere perioden aankan. De gemeente belast het riool niet met regenwater dat stroomt via een bodempassage naar het oppervlaktesysteem. Zo zorgen het watersysteem en het groennetwerk voor een klimaatbestendige, gezonde openbare ruimte.
Denk bijvoorbeeld aan maatregelen als: Een zoveel mogelijk groen ingerichte omgeving met niet meer dan noodzakelijke verharding van wegen, fiets-/voetpaden en terrassen. Met het vele groen ontstaat een natuurlijke piekberging voor neerslag en het zorgt voor minder hittestress en droogte. Inpassen van bestaande bomen vanwege de hoeveelheid schaduw die ze direct geven in vergelijking met nieuwe bomen. En ook vanwege de biodiversiteit die al in de bestaande bomen aanwezig is. Het verwerken van hemelwater op de plek waar het valt zodat het verderop in het afvoertraject geen overlast kan veroorzaken. Groen en water dragen bij aan het ter plekke vasthouden en verwerken van regenwater zowel in de openbare ruimte als op particulier grondgebied (zie paragraaf 5.11). Vermijd grote gesloten verharde parkeervlakken of voorzie ze van voorzieningen zoals pergola's om lokale oververhitting te beperken. Half open parkeerterreinen / waterdoorlatende tegels zijn ook goede opties. Gevelgroen en groendaken dragen bij aan een betere waterberging en terugdringen van hittestress. Overstekken en geïntegreerde zonneweringen in gebouwen kunnen bijdragen aan de vermindering van hittestress in de woning Natuurinclusief bouwen In de Omgevingsvisie Nijmegen kiest de gemeente voor natuurinclusief bouwen.
Ze neemt de natuur vanaf het begin mee bij de planontwikkeling en gaat uit van de gebiedsspecifieke kansen. Dat betekent dat nieuwe ontwikkelingen bewust ruimte creëren voor natuur, in de groenstructuur en bij/in gebouwen. Natuurinclusief bouwen is een van de maatregelen om die ambitie te realiseren. Dit is niet alleen goed voor de flora en fauna, maar ook voor klimaatadaptatie en de belevingswaarde van toekomstige bewoners. Gemeente Nijmegen bouwt hiervoor voort op de Toolbox Natuurinclusief Bouwen en Ontwikkelen die ze voor de Waalsprong en het Waalfront heeft opgesteld. De toolbox kan niet één op één worden doorvertaald voor het industrieterrein zonder grote beperkingen voor de bedrijfsmatige activiteiten. Voor de ontwikkeling in dit plan is een stedenbouwkundig raamwerk en beeldkwaliteit document opgesteld waarin duurzaamheidsprincipes zijn vertaald (zie MER Bijlage 11.2a Stedenbouwkundig raamwerk en beeldkwaliteit).
Energieneutraal Nijmegen heeft de ambitie om uiterlijk in 2045 energieneutraal en aardgasvrij te zijn. Energiebesparing is een eerste vereiste om de energievraag te minimaliseren. De energie die dan nog wordt gebruikt, wordt zoveel mogelijk duurzaam opgewekt. Het instrument GPR kan de energieprestaties van een gebouw in beeld brengen. Deze software staat via de gemeente Nijmegen ter beschikking aan ontwikkelaars in dit gebied. De ontwikkelaar kan deze systematiek ook gebruiken om haar ontwerpen te optimaliseren en te toetsen op bouwbesluitaspecten zoals energieprestatie en materiaalprestatie.
Energiebehoefte beperken Vanaf 1 januari 2021 is bijna energie neutrale bouw (BENG) de norm. De energiebehoefte van
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
53
een gebouw bestaat uit de warmte- en koudevraag en kan in kaart worden gebracht met een energiescan. De energiebehoefte wordt bepaald door een samenspel van factoren, zoals de verhouding glas ten opzichte van dichte gevel, de mate van isolatie, de mate van kierdichting, de aanwezigheid van koudebruggen, de vorm (geometrie), de ligging en de bezonning van een gebouw. Hierbij kan ook onderzocht worden of oververhitting in een gebouw een probleem kan zijn en hoe de ventilatie geoptimaliseerd kan worden.
Hernieuwbare energie opwekken De resterende energiebehoefte kan (deels) worden opgewekt met zonne-energie. Nijmegen heeft de ambitie dat alle geschikte daken vol liggen met zonnepanelen. Naast de standaard zonnepanelen komen er steeds meer opties op de markt, denk aan geïntegreerde zonnedaken en -gevels en zonnedakpannen.
5.5
Verkeer
Beleidskader In het belang van een goede ruimtelijke ordening moet sprake zijn van een aanvaardbare afwikkeling van alle soorten verkeer. Bij ruimtelijke planning dienen verkeerskundige aspecten afgewogen te worden, omdat deze van grote invloed zijn op de het doelmatig functioneren van verschillende functies. Wanneer nieuwe ontwikkelingen worden gepland, is het van belang te onderzoeken welke effecten dit heeft op de verkeerskundige situatie om zo nodig passende maatregelen te kunnen nemen.
Uitgangspunt in het onderzoek naar de verkeerskundige situatie is dat het ENGIE-terrein primair wordt ontsloten via de Nymaweg en de Energieweg (S100). Vanuit het Ambitiedocument mobiliteit 2019-2030 van de gemeente Nijmegen is de S100 aangewezen als route waarop autoverkeer kan doorstromen. De wegen binnen de S100, waaronder de Nymaweg richting Nijmegen Centrum, zijn aangewezen voor bestemmingsverkeer.
Om de stad leefbaar en aantrekkelijk te houden kiest de gemeente Nijmegen ervoor om ruimtelijk geen verdere groei van het autoverkeer te faciliteren. Actieve en duurzame mobiliteit wordt gestimuleerd binnen de gemeente.
Onderzoek In het kader van het MER en dit bestemmingsplan zijn de verkeersintensiteiten bepaald met behulp van het Verkeersmodel Regio Arnhem-Nijmegen (versie 71) en vervolgens zijn de intensiteiten van het basisjaar (2018) en toekomstjaar (2032) geïnterpoleerd naar het toetsingsjaar 2025. Specifiek voor de locatie van de containerterminal geldt dat niet wordt uitgegaan van de feitelijke, bestaande toestand na realisatie, maar van het huidig toegestane gebruik. Hiermee kan specifiek worden getoetst of de herontwikkeling van het ENGIE-terrein past binnen de nog beschikbare verkeersruimte. In het onderzoek zijn verder de volgende uitgangspunten gehanteerd: De verkeersgeneratie van de herontwikkeling wordt bepaald aan de hand van het aantal te ontwikkelen hectares en CROW-publicatie 381 (Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie).
54
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
Om te beoordelen of het noodzakelijk is om verkeersmaatregelen toe te passen bij een kruising wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde Coconberekeningen. Met deze methode kan de afwikkelingscapaciteit worden beoordeeld op basis van de verkeersintensiteiten op de kruising. Bij de berekening is personenauto equivalent (pae) als meeteenheid toegepast. Daarbij is voor het vrachtverkeer een vermenigvuldigingsfactor van 1,50 gehanteerd voor zwaar verkeer tot 7,5 ton en een vermenigvuldigingsfactor van 2,30 voor zwaar verkeer boven 7,5 ton. Bij het onderzoek is rekening gehouden met onderstaand studiegebied:
figuur 5.4: studiegebied verkeersonderzoek en ligging ontsluiting waarop effecten van verkeer gegenereerd door de beoogde ontwikkeling
De herontwikkeling van het ENGIE-terrein zorgt voor een extra verkeersgeneratie van circa 4.200 Door de beoogde ontwikkeling van het plangebied Waal Energie neemt de verkeersintensiteit zowel op de Hollandiaweg als op het gedeelte van de Latensteinweg tussen Nymaweg en Hollandiaweg toe ten opzichte van de referentiesituatie. De intensiteit op de Hollandiaweg en de Latensteinweg neemt toe van circa 50 respectievelijk 2.100 pae/dag in de referentiesituatie naar rond 7.200 pae/dag in de beoogde ontwikkelingen, waarvan circa 30% zwaar verkeer. Fietsers bereiken het terrein van het plangebied Waal Energie ook via deze weg en delen de rijbaan met het overige verkeer. De route wordt met deze intensiteiten relatief
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
55
druk voor fietsers; kanttekening daarbij is wel dat het verkeersaanbod meer gespreid optreedt. Verder is scheiding van fietsers en vrachtverkeer het uitgangspunt in de beoogde ontwikkeling. In de ontwikkeling is een langzaam-verkeersverbinding voorzien vanuit het Waalfront richting het plangebied Waal Energie via de Winselingseweg. Deze verbinding biedt een goed alternatief voor fietsers vanuit westelijke richting. Vanuit het zuiden blijft de kruising van de Nymaweg richting de Latensteinweg de meest logische ontsluitingsroute: door de komst van de rotonde wordt dit punt voor fietsers veiliger en comfortabeler te kruisen ten opzichte van de huidige situatie met een T-aansluiting en met voorrang voor de Nymaweg. In het stedenbouwkundig raamwerk en beeldkwaliteitsplan is opgenomen dat bij de inrichting van het plangebied Waal Energie fietsers en gemotoriseerd verkeer ook op deze locatie zoveel als mogelijk worden gescheiden, daarmee verbetert de verkeersveiligheid ten opzichte van de referentiesituatie en de situatie in 2015.
Tabel 5.5: verkeer van en naar plangebied Waal Energie - beoogde ontwikkeling
figuur 5.6: personenauto-equivalenten - beoogde ontwikkeling Conclusie Ten aanzien van verkeer is de beoogde ontwikkeling van plangebied Waal Energie in het MER vergeleken met de referentiesituatie. In de referentiesituatie is binnen het voor publiek
56
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
afgesloten plangebied Waal Energie de kolen- en biomassa gestookte energiecentrale uit bedrijf genomen; het zonnepark, de windturbines en de containerterminal zijn operationeel. De Nymaweg heeft in zekere mate een doorgaande functie gekregen en het Waalfront is verder ontwikkeld. Ook in de beoogde ontwikkeling is de verkeersafwikkeling goed en zijn er geen verkeersveiligheidsknelpunten voorzien. Vanwege het extra verkeer dat de beoogde ontwikkeling genereert verslechtert de verkeersafwikkeling op Hollandiaweg en Latensteinweg ten opzichte van de referentiesituatie enigszins. Echter doordat een vrij liggende fietsroute wordt gerealiseerd, overeenkomstig het stedenbouwkundig raamwerk is hier sprake van een uit oogpunt van verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid goede situatie. Het kruispunt Nymaweg-Latensteinweg wordt in de nabije toekomst een rotonde: deze heeft ruim voldoende capaciteit om het toegenomen verkeer af te kunnen wikkelen. Met het scheiden van fietsers van het gemotoriseerd verkeer verbetert de verkeersveiligheid ten opzichte van de referentiesituatie.
5.6
Luchtkwaliteit
Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen; het project draagt alleen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging conform het Besluit NIBM en Regeling NIBM. Een project is twee gevallen 'niet in betekenende mate': 1. het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; 2. het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2 µg /m³). Onderzoek Om de invloed op de luchtkwaliteit ten gevolge van emissies van de herontwikkeling in de omgeving vast te stellen zijn verspreidingsberekeningen uitgevoerd.
Hiertoe is de verspreiding (dispersie) van de emissie bepaald, onder andere rekening houdend met de emissieduur, de emissiehoogte en de meteorologische omstandigheden. De resultaten van de berekeningen zijn getoetst aan de grenswaarden.
Er wordt getoetst of buiten het beoogde industrieterrein zich overschrijdingen voordoen van de wettelijk voorgeschreven grenswaarden. Met name de invloed op woongebieden in de buurt (Weurt, Lent en Nijmegen-West) zijn in kaart worden gebracht. De immissiewaardes op het industrieterrein zelf zijn niet betrouwbaar vanwege de modelbeperkingen.
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
57
Uit de verspreidingsberekeningen komt naar voren dat de maximale jaargemiddelde bronbijdrage voor NO2 en fijn stof (PM10) respectievelijk 30,94 µg/m3 en 38,97µg/m3, bij herontwikkeling van het ENGIE-terrein met een energiecentrale in het zuidelijk deel van het plangebied. De totale maximale jaargemiddelde concentraties bedragen voor NO2 en fijn stof (PM10) (zonder zeezoutcorrectie) respectievelijk 47,91 µg/m3 en 57,49 µg/m3. Voor NO2 en PM10 is inzichtelijk gemaakt waar de overschrijdingen plaatsvinden. Dit blijkt alleen binnen de plangrenzen te zijn en niet nabij woonwijken. De herontwikkeling van het ENGIE-terrein heeft dan ook geen negatieve invloed op de lokale volksgezondheid en voldoet daarmee aan de luchtkwaliteitseisen.
Uit de verspreidingsberekening volgt verder dat het maximale aantal overschrijdingsdagen voor fijn stof (PM10) (exclusief zeezoutcorrectie) uitkomt op respectievelijk 194 dagen, bij herontwikkeling van het ENGIE-terrein met een energiecentrale in het zuidelijk deel; daar waar maximaal 35 dagen per jaar zijn toegestaan. Voor NO2 doen zich 154 dagen overschrijding van de uurgemiddelde grenswaarde voor; het maximale aantal toegestane overschrijdingen per jaar bedraagt 18. Voor zowel NO2 als PM10 is inzichtelijk gemaakt waar de overschrijdingen zich bevinden. Dit blijkt ook alleen binnen de plangrenzen en ver buiten woonwijken. Er is ook hier geen sprake van een negatieve invloed op de lokale volksgezondheid en er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitseisen.
Conclusie Er is sprake van een toename van de NO2- en PM10-immissie, die onder de Niet In Betekenende Mate (NIBM) projectbijdrage ligt, in de nabijgelegen woonwijken. De maximale bijdrage aan de rand van de woonwijk ligt rond de 0,5 µg/m3 voor NO2 en significant lager voor PM10. Dit classificeert als een minimale beïnvloeding van de luchtkwaliteit. De eisen op het gebied van luchtkwaliteit belemmeren niet de uitvoering van dit plan.
5.7
Geluidhinder
Wettelijk kader De Wet geluidhinder stelt eisen aan geluidhinder die wordt veroorzaakt door verkeer over weg, water en spoor en vanwege gezoneerde industrieterreinen met als doel deze geluidhinder te beperken. Aanvullend hierop wordt het Nijmeegs Geluidsbeleid gehanteerd. In dit bestemmingsplan worden geen geluidgevoelige objecten mogelijk gemaakt binnen de geluidzones van wegen en worden geen nieuwe wegen aangelegd of bestaande wegen gereconstrueerd. Op grond van de Wet geluidhinder is dan ook geen geluidonderzoek nodig naar wegverkeerslawaai.
Wel is onderzoek nodig vanwege industrielawaai. Een (gezoneerd) industrieterrein is volgens de Wet geluidhinder een terrein waar zich zogenaamde grote geluidsbelastende bedrijven kunnen vestigen als bedoeld in artikel 40 en 41 Wgh en onderdeel D van Bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht. Op grond van hoofdstuk V van de Wet geluidhinder is rondom deze terreinen een zone vastgesteld waarbuiten de etmaalwaarde van het gemiddelde geluidsniveau ten gevolge van alle bedrijven op dat terrein niet hoger mag zijn dan 50 dB(A). De zone is een planologisch aandachtsgebied waarbinnen regels van kracht zijn die aan zowel industriële activiteiten als aan woningbouw beperkingen opleggen. De ligging en omvang van de geluidszone wordt met een bestemmingsplan vastgelegd. In het kader van dit
58
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
bestemmingsplan dient gekeken te worden naar de geluidbelasting van geluidgevoelige bestemmingen in de omgeving van het industrieterrein. Indien de geluidsbelasting meer dan 50 dB(A) bedraagt, kan de gemeente (een ontheffing voor) een hogere grenswaarde vaststellen. De maximale ontheffingswaarde voor nieuwe woningen bedraagt 55 dB(A).
Onderzoek In opdracht van de gemeente Nijmegen is in het kader van het MER en dit bestemmingsplan een onderzoek naar industriegeluid verricht. Het uitgangspunt is dat de beoogde ontwikkeling van het plangebied, inclusief de toekomstige energiecentrale, de vergunde geluidruimte conform de situatie in 2015 met een kolen- en biomassa gestookte energiecentrale, niet overschrijdt. Daarbij is voor de berekening van het geluidvermogen van de beoogde energiecentrale uitgegaan van een geïnstalleerd vermogen van 500 MW en waarbij de geluidsbronnen van de bestaande Maximacentrale in Lelystad als referentie in het rekenmodel is gebruikt, omdat over de beoogde energiecentrale zelf nog geen concrete informatie beschikbaar is.
Uit het onderzoek blijkt de beoogde ontwikkeling van het plangebied Waal Energie conform locatievariant A (zie paragraaf 5.2) - met een locatiereservering voor de beoogde energiecentrale op de locatie van de voormalige kolen- en biomassa gestookte energiecentrale - inpasbaar te zijn binnen de geluidruimte. Bij locatievariant B is de reservering voorde beoogde energiecentrale in het noorden van het plangebied voorzien en is daar niet inpasbaar binnen de beschikbare geluidruimte. Wel is het hiervoor noodzakelijk om maatregelen toe te passen om het geluidvermogen van de beoogde energiecentrale te beperken, vergelijkbaar met de toepassing van de best beschikbare technieken, gebaseerd op gegevens van een energiecentrale van ENGIE die in 2021 gebouwd is in België.
Milieuzonering nieuwe stijl en geluidverkaveling In dit bestemmingsplan met verbrede reikwijdte wordt toelating van bedrijven gereguleerd aan de hand van milieuzonering nieuwe stijl. Deze methode is opgesteld om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieunormen. Zoals in paragraaf 5.2 aangegeven, gebeurt de toedeling van geluidruimte op nog uit te geven delen van het gezoneerde industrieterrein in dit plangebied aan de hand van een geluidverkaveling. Paragraaf 6.3 licht dit nader toe.
5.8
Geurhinder
Wettelijk kader Geur kan in de leefomgeving hinder veroorzaken en brengt om die reden ook gezondheidsrisico's met zich mee. Bij geur van bedrijven gaat het om de geuruitstoot (emissie) van bedrijven die zich verspreidt via de lucht en een geurbelasting veroorzaakt op de woon- en leefomgeving. Onder geurbelasting (of ‘immissie') verstaan we de hoeveelheid geur, uitgedrukt in odour units per m3 lucht, die op een geurgevoelig object zoals een woning ‘terecht' komt. Deze hoeveelheid kan worden gemeten of berekend. Voor geurhinder door industrie en bedrijven gelden gezien geen wettelijke kaders maar voor een afweging in dat kader wordt nu de methodiek van milieuzonering nieuwe stijl toegepast (zie paragraaf 5.2), in samenhang met het provinciaal geurbeleid.
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
59
Geurbeleid Ter invulling van het wettelijk kader heeft de provincie geurbeleid opgesteld. Dit of toekomstige aanpassingen hierin, is het toetsingskader voor milieuvergunningen. Op dit moment is gemeente Nijmegen bezig met het opstellen van een gemeentelijk toetsingskader, ter vervanging van de toetsing aan het provinciale beleid. Zodra het gemeentelijke geurbeleid is vastgesteld, zal dat het toetsingskader voor geur worden.
5.9
Veiligheid
5.9.1
Veiligheid
Met het openbaar toegankelijk maken van het ENGIE-terrein ontstaat ook een andere behoefte naar veilig gebruik en inrichting van de gronden. Het is van essentieel belang om ervoor te zorgen dat de toekomstige ontwikkeling van het gebied geen onnodige risico's met zich meebrengt voor de onderling toegestane functies en de mensen die er werken of zich in het gebied bevinden. Een belangrijk aspect van veiligheid in een bestemmingsplan is het identificeren en beperken van risico's op het gebied van bijvoorbeeld brandveiligheid, constructieve veiligheid, milieu- en gezondheidsrisico's en verkeersveiligheid. Hierbij moet worden gekeken naar de functie van de gebouwen en de aard van de activiteiten die in het gebied plaatsvinden. Deze aspecten worden veelal getoetst bij de verlening van omgevingsvergunningen voor bouwen en/of gebruiken van bouwwerken. De algemene milieuaspecten worden in de toelichting van het bestemmingsplan genoemd waaronder specifiek het onderdeel externe veiligheid. Nu het ENGIE-terrein openbaar toegankelijk wordt, is het wenselijk om het onderwerp veiligheid in deze toelichting integraal te benaderen en niet te beperken tot het onderwerp externe veiligheid.
Hiervoor maken we onderscheid in openbare veiligheid (gericht op veilig verblijf in de openbare gedeelten van het gebied en voorkoming criminaliteit en vandalisme) , externe veiligheid (gericht op de veiligheid van mensen als gevolg van activiteiten), veiligheid voor overstromen en bescherming objecten van hoge infrastructurele waarde (gericht op de veiligheid, toegankelijk en ononderbroken gebruik van infrastructuur).
5.9.2
Openbare veiligheid
Met het openbaar worden van (een deel van) het ENGIE-terrein zullen er (meer) mensen en functies in het gebied verblijven die geen directe relatie hebben met het opwekken van (duurzame) energie. Deze keuze om het gebied toegankelijk te maken kan positieve gevolgen hebben voor de veiligheid en veiligheidsbeleving van het gebied. In de huidige situatie is er beperkte sociale toezicht en is het gebied vandalisme gevoelig. Met de juiste inrichting kan de veiligheid en veiligheidsbeleving worden vergroot. Hierbij kan gedacht worden aan; a.
b.
60
voldoende verlichting in openbare ruimtes, voetpaden, parkeerplaatsen en andere gebieden waar mensen zich 's avonds bevinden. Goede verlichting maakt het voor criminelen en van dalen moeilijker om onopgemerkt te blijven; duidelijke bewegwijzering in het openbaar gebied, zodat mensen hun weg kunnen vinden en niet verdwalen. Dit voorkomt dat mensen onbedoeld in risicovolle situaties terechtkomen;
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
c.
d.
e. f.
straatmeubilair, zoals bankjes en prullenbakken, op strategische plaatsen in het openbaar gebied. Dit zorgt voor meer sociale controle en maakt het voor criminelen moeilijker om onopgemerkt te blijven; cameratoezicht op strategische plaatsen in het openbaar gebied, zoals parkeerplaatsen en drukke straten. Dit kan een afschrikkende werking hebben op criminelen en kan helpen bij het oplossen van misdaden; voldoende groenvoorziening in het openbaar gebied. Dit kan bijdragen aan een gevoel van veiligheid en kan helpen bij het voorkomen van vandalisme en andere criminele activiteiten; goed onderhoud van het openbaar gebied. Dit houdt de buurt schoon en veilig en voorkomt dat het verloederd raakt.
In het beeldkwaliteitsplan 'Waal Energie, aanjager voor een duurzame stad stedenbouwkundig raamwerk en beeldkwaliteit' komen meerdere van deze aspecten met betrekking tot de (vormgeving van) de inrichting aan de orde.
5.9.3
Externe veiligheid
Wettelijk kader Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat uit de volgende besluiten en regelingen die relevant zijn voor de herontwikkeling van het ENGIE-terrein: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het doel van het Bevi is om mensen in de buurt van een bedrijf met gevaarlijke stoffen te beschermen. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die onder het BRZO vallen, LPG-tankstations, opslagplaatsen (PGS), ammoniakkoelinstallaties en spoorweg-emplacementen. Het besluit bevat eisen voor het plaatsgebonden risico (PR) en regels voor het groepsrisico (GR). Het verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen hiermee rekening te houden. Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). In deze regeling staan regels over de veiligheidsafstanden en berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Op grond van het Bevi zijn in de Revi voor een aantal bedrijfscategorieën (zoals LPG-tankstations, ammoniakkoelinstallaties, opslagplaatsen) vaste veiligheidsafstanden opgenomen. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Dit besluit is vergelijkbaar met het Bevi maar dan van toepassing op buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen.
Het gaat om buisleidingen voor aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm (1,97 inch) en een druk van meer dan 1600 kPa (16 bar) en om buisleidingen voor aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm (2,76 inch) en een druk van meer dan 1600 kPa. Buiten de regels over het plaatsgebonden risico en de verantwoording van het groepsrisico is in het Bevb bepaald dat in een bestemmingsplan de ligging van buisleidingen wordt weergegeven en dat een regeling wordt opgenomen voor de belemmeringenstrook. Deze belemmeringenstrook ligt op 5 m aan weerszijden van de buisleiding of 4 m in geval van aardgasleidingen met een druk tussen 1600 en 4000 kPa. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) / Regeling Basisnet. Het Bevt stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen. Al deze regelingen gaan op in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), en wel in Bijlage 7. Ook actualiteiten in veiligheidsrisico's, die nu niet onder het Bevi e.a. vallen, zijn opgenomen in het Bkl. Het Besluit kwaliteit leefomgeving is al gepubliceerd in het Staatsblad
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
61
(Staatsblad 2018, nr 292). De inwerkingtreding volgt gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. In de planregels is al aangesloten op deze nieuwe regelgeving over externe veiligheid in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Onderzoek Dit bestemmingsplan maakt met de herontwikkeling van het ENGIE-terrein een aantal nieuwe risicobronnen mogelijk, naast een aantal bestaande. De relevante risicobronnen zijn in beeld gebracht met de Signaleringskaart 2021 en er is bepaald of een risicobron een invloedsgebied heeft over het plangebied. Risicobronnen worden getoetst aan de risicomaten plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR): Plaatsgebonden risico: de kans per jaar dat een persoon, die onafgebroken en onbeschermd op een plaats verblijft buiten de inrichting, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval met een buisleiding, transportroute of binnen een inrichting, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico: de kans per jaar dat een groep van ten minste tien personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied is het gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Dit gebied is over het algemeen bepaald door voor het grootst mogelijke ongeval te berekenen op welke afstand nog 1% van de blootgestelde personen overlijdt (zogenaamde 1% letaliteitsgrens. Als een invloedsgebied over het plangebied valt is de risicobron relevant.