CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering bopa 95-bopa-20241028 Hoge Bongerd

Besluitronde (raadsvergadering) 8 oktober 2025, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 95-bopa-20241028 Hoge Bongerd (79/2025)32.098 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

7:0019:00 50 dB(A) 70 dB(A)

19:0023:00 45 dB(A) 65 dB(A)

23:007:00 40 dB(A) 60 dB(A)

Tabel 2

-

In de zone waar deze menging niet optreedt, worden de bovenstaande waarden met 5 dB verminderd.

-

Mochten deze voorschriften ertoe leiden dat er door de grote afstand tot geluidgevoelige gevels geen beperking geldt, dan dient ter bescherming van de kwaliteit van de openbare ruimte en beperking van onnodige geluidruimte uitgegaan worden van de waarden in Tabel 2 bij de begrenzing van de commerciële of de maatschappelijke functieaanduiding.

7.2.2 Trillingen 7.2.2.1 Algemeen Trillingen kunnen hinder geven aan personen, gebouwen en activiteiten door golfbewegingen via de bodem. Deze trillingen worden vooral veroorzaakt door weg- en railverkeer en industriële machines. De trillingen die voelbaar zijn, bestaan uit mechanische golvende bewegingen van materialen. Anders dan bij geluid vindt de overdracht niet plaats via de lucht (gasvormig medium), maar via vaste materie (bodem, vloeren, wanden en dergelijke). Trillingen nemen af naarmate de afstand tot de bron groter is. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in de Omgevingswet art. 4.2. De overheid moet bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties rekening houden met het belang van het beschermen van de fysieke leefomgeving. In art. 5.1.4.4 van het Bkl zijn voor de bescherming van de gezondheid en het milieu, instructieregels opgenomen ter voorkoming en beperking van trillingshinder. Het toepassingsbereik van deze instructieregels is gekoppeld aan een combinatie van trillinggevoelige gebouwen én aan op locatie toegelaten activiteiten. Trillinggevoelige gebouwen zijn bijvoorbeeld woningen, scholen, gezondheidszorgfuncties (met bed) en kinderopvang (met bed).

Dit houdt in dat bij het verlenen van de bopa moet worden gewaarborgd dat activiteiten, die daarin worden toegestaan, niet leiden tot onaanvaardbare trillingen met een frequentie van 1 tot

45 Motivering bopa - 95-bopa-20241028 Hoge Bongerd

80 Hertz in trillinggevoelige ruimtes binnen trillinggevoelige gebouwen. De instructieregels voor trillingen uit het Bkl zijn echter niet van toepassing op doorgaand verkeer, spoorwegen en vaarwegen. Trillingshinder door spoorweg Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kunnen de SBR-richtlijn (van Stichting Bouwresearch), Beleidsregel Trillingshinder Spoor van de Rijksoverheid en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen worden gebruikt. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder door spoor wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillingshinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor normaliter geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Dat binnen een zone van 100 meter tot het spoor rekening gehouden moet worden met trillingen betekent niet dat er binnen deze zone altijd maatregelen nodig zijn.

Trillingshinder door milieubelastende activiteiten, anders dan wonen, bouw- en sloopwerkzaamheden, milieubelastende activiteiten in de openbare ruimte, doorgaand verkeer op (spoor)wegen en vaarwegen, evenementen en mobiele installaties In de Bruidsschat, die onderdeel is van het tijdelijke omgevingsplan, zijn regels opgenomen voor milieubelastende activiteiten met een trillingsemissie. De regels bieden trillinggevoelige gebouwen bescherming tegen trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt door een activiteit op een locatie. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. Zie Omgevingsplan/Bruidsschat art. 22.88 en art. 5.87a.

7.2.2.2 Toetsing De Hoge Bongerd maakt woonfuncties en daarmee trillingsgevoelige gebouwen mogelijk binnen 100 meter van de spoorlijn Nijmegen-Arnhem. Voor extra zekerheid hanteert Nijmegen de regel om binnen 200 meter van het spoor een trillingsonderzoek te laten voeren. Bureau DGMR heeft het onderzoek uitgevoerd (referentie M.2024.1427.00.N001). Voor dit onderzoek zijn trillingsmetingen en registraties van treinpassages uitgevoerd. In de toetsing is rekening gehouden met de statistische kans op diverse trillingsniveaus en zijn ook de scenario’s meegenomen als de rijsnelheid van de treinen zal worden verhoogd. Hieruit blijkt dat er afhankelijk van de bouwmethode reële kans is op hinderlijke trillingen. De hinderkans is afhankelijk van de afstand van het spoor. Het is echter op basis van het onderzoek wel mogelijk om bij de juiste maatregelen woningen te realiseren. Speciaal wordt opgemerkt dat houtskeletbouw een problematische keuze kan zijn. Bij zwaardere bouwmethodes geldt nog wel extra aandacht voor de buigstijfheid en massa van vloeren. In alle gevallen wordt in dit onderzoek uitgegaan van een fundering op palen. Er geldt een aandachtsgebied voor zware bouwmethodes tot 70 meter van het spoor en een aandachtsgebied voor lichtere bouwmethodes tot 85 meter van het spoor.

Voor beide zones (gebied tussen lijn en spoor) geldt vervolgens de plicht aannemelijk te maken dat er sprake is van acceptabele trillingsniveaus. Hiervoor wordt verwezen naar het trillingsonderzoek (referentie M.2024.1427.00.N001) en naar de SBR-B richtlijnen; hinder voor personen in gebouwen. Indien er wordt afgeweken van de adviezen uit het onderzoek dient er middels aanvullend trillingsonderzoek te worden aangetoond dat er wordt voldaan aan de richtlijnen. Er zijn verder geen andere trillingveroorzakende activiteiten met reële kans op onwenselijke niveaus.

7.2.2.3 Conclusie Deze bopa is uitsluitend uitvoerbaar voor het aspect trillingen als voldaan wordt aan het volgende voorschrift: o Ingebruikname van trillinggevoelige bebouwing in de zone tot 100 meter van het spoor is uitsluitend toegestaan nadat middels het nemen van maatregelen wordt voldaan aan de streefwaarde uit de Richtlijn B “Hinder voor personen in gebouwen door trillingen, Meet- en beoordelingsrichtlijn” van de Stichting Bouwresearch.

46 Motivering bopa - 95-bopa-20241028 Hoge Bongerd

7.2.3 Luchtkwaliteit 7.2.3.1 Algemeen Voor luchtkwaliteit gelden doelen en omgevingswaarden. De doelen voor luchtkwaliteit zijn vastgelegd in het Schone Lucht Akkoord, waarbij de gemeente Nijmegen streeft naar het permanent verbeteren van de luchtkwaliteit. Dit moet leiden tot een gezondheidswinst van minimaal 50% in 2030 ten opzichte van 2016. Hierdoor leven mensen langer, gezonder en met meer kwaliteit. Initiatieven moeten een positieve bijdrage leveren aan de maatregelen die hieruit voortvloeien. Deze maatregelen zijn vastgelegd in het Uitvoeringsprogramma 20202030 (‘Op weg naar een gezonde luchtkwaliteit’). Naast het Schone Lucht Akkoord zijn in Afdeling 2.2. van het Bkl omgevingswaarden voor zwaveldioxide, stikstofoxiden, stikstofdioxiden, fijnstof, benzeen, lood, koolmonoxide en ozon opgenomen. In Nederland worden over het algemeen alleen mogelijke overschrijdingen voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) verwacht. Als een bopa activiteiten toestaat die leiden tot een verhoging van die concentratie stikstofdioxide of fijnstof in de buitenlucht, dan moeten de omgevingswaarden uit afdeling 2.2. van het Bkl in acht worden genomen. Dit volgt uit paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. In 2024 zijn door de EU nieuwe omgevingswaarden vastgesteld. Deze gaan in per 2030. De luchtkwaliteit hoeft in de meeste gevallen niet beoordeeld te worden.

Er bestaat namelijk een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM). In een aantal situaties moet de luchtkwaliteit wel beoordeeld worden, bijvoorbeeld wanneer sprake is van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (als bedoeld in het Bal). Een bopa voldoet aan de luchtkwaliteitsnormen indien: • Aannemelijk is gemaakt dat het project niet leidt tot het overschrijden van een grenswaarde of niet leidt tot een toename van reeds bestaande overschrijding van een grenswaarde; • Aannemelijk is gemaakt dat de luchtkwaliteit als gevolg van het project per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; of bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit, door een met het project samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (saldering); • Aannemelijk is gemaakt dat het plan NIBM bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor een grenswaarde is opgenomen. Gevoelige functies De belangrijkste bepalende factor voor de blootstelling aan luchtverontreiniging door druk verkeer is de afstand tussen bron en ontvanger.

Voldoende afstand wordt het meest effectief bereikt door hiermee rekening te houden bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij “[…] in ieder geval rekening wordt gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid”. Gevoelige groepen worden extra beschermd tegen blootstelling aan luchtverontreiniging door geen nieuwe voorzieningen voor langdurig verblijf te realiseren dichtbij drukke wegen. Voor Nijmegen betekent dit dat: • Er minimaal 300 meter afstand wordt gerealiseerd tussen een snelweg en een gevoelige functie; • Er geen gevoelige functies worden gerealiseerd in de eerstelijns bebouwing binnen een straal van 25 meter van een drukke weg (>10.000 voertuigen/etmaal); • Reconstructie van gemeentelijke wegen binnen 50 meter van een gevoelige functie alleen plaats mag vinden als dit de luchtkwaliteit positief beïnvloedt. Decentrale omgevingswaarden In Nijmegen zijn geen facultatieve omgevingswaarden voor luchtkwaliteit van toepassing. Luchtvervuiling door milieubelastende activiteiten Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat algemene Rijksregels voor lucht bij milieubelastende activiteiten. Voor veel milieubelastende activiteiten gelden regels die de emissie naar de lucht moeten beperken, net als een zogenaamde zorgplicht.

Deze regels verplichten bedrijven vooraf na te gaan op welke wijze zij verontreiniging van de buitenlucht kunnen voorkomen of beperken. Bedrijven moeten preventieve maatregelen nemen.

47 Motivering bopa - 95-bopa-20241028 Hoge Bongerd

De regels voor luchtemissies staan in hoofdstuk 4 en 5 van het Bal. De regels hebben tot doel de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in de artikelen 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bkl. De gemeente vraagt van initiatiefnemers om aan te tonen op welke wijze in het project rekening wordt gehouden met de gezondheid van toekomstige bewoners en op welke wijze potentiële emissies naar de lucht worden gereduceerd.

7.2.3.2 Toetsing Het plan betreft een woonwijk van maximaal 250 woningen en 2825 m2 aan (commerciële) voorzieningen. Hiermee voldoet het plan niet aan de eisen van een standaardgeval NIBM zoals gesteld in artikel 5.54 Bkl. Dit houdt in dat er een berekening gemaakt moet worden met de NIBM-tool. Hier wordt de verkeersgeneratie, zoals berekend in het Verkeersonderzoek Hoge Bongerd en Veur Lent, gebruikt om te berekenen of het gehele plan de 3%-grens niet overschrijdt. De resultaten van deze berekening zijn hieronder weergegeven:

Het plan is daarmee niet in betekenende mate (NIBM).

7.2.3.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van deze bopa.

7.2.4 Geur 7.2.4.1 Algemeen Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening houden met geur door activiteiten in de omgeving van geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: • Bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen; • Bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven). Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan de locaties vast waar waarden voor geur gelden. Sommige activiteiten kennen afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit. De gemeente Nijmegen heeft nog geen normen voor geurhinder opgenomen in het omgevingsplan.

Om te bepalen of sprake is van aanvaardbare geurhinder, hanteert de gemeente het Gelders geurbeleid als toetsingskader. In het Gelderse geurbeleid is de eerste stap het vaststellen hoe (on)aangenaam de geur is die vrijkomt bij het

48 Motivering bopa - 95-bopa-20241028 Hoge Bongerd

bedrijfsproces. Daar zijn normen voor ontwikkeld (hedonische schaal). De mate van (on)aangenaamheid van de geur, de zogenoemde hedonische waarde, wordt vastgesteld volgens de Nederlandse Voor Norm (NVN) 2818. Deze norm is door de NEN-normcommissie geur opnieuw herzien en vastgesteld in 2019. Geurhinder door activiteiten Activiteiten die op enige wijze geurhinder veroorzaken, moeten voldoen aan de regels in het (tijdelijk) omgevingsplan. Als er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit die voorheen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, gelden de regels uit de bruidsschat bij het omgevingsplan. Op termijn worden de regels uit de bruidsschat geïntegreerd in het (permanente) omgevingsplan van de gemeente. Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Bal. De beoordelingsregels zijn opgenomen in afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het Bkl. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.

7.2.4.2 Toetsing In het besluitgebied Hoge Bongerd bevinden zich geen agrarische activiteiten binnen of nabij de gestelde afstandsnormen. Daarnaast bevindt het besluitgebied zich ook buiten de invloedsgebieden van andere geurveroorzakende activiteiten, alsmede buiten de planologische mogelijkheden daartoe. Hierdoor vormt geur geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

7.2.4.3 Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggende bopa.

7.2.5 Bodem 7.2.5.1 Algemeen Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving. Daaronder wordt ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem verstaan. Onder de Omgevingswet is het wettelijk instrumentarium voor de bodem gebaseerd op drie pijlers: 1. het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); 2. het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); 3. het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen). Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, moet op grond van het Bkl (artikel 5.89i en 5.89j) worden aangetoond dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van het omgevingsplan of omgevingsvergunning. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook het aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein.

Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Bal noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

49 Motivering bopa - 95-bopa-20241028 Hoge Bongerd

7.2.5.2 Toetsing Voorliggende bopa maakt de bouw van woningen mogelijk. Een woning is een bodemgevoelige gebouw. Dit betekent dat in dit geval een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie mogelijk wordt gemaakt. In het kader van de uitvoerbaarheid van het planvoornemen en om te kunnen onderbouwen dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, is voor het besluitgebied in 2021 een vooronderzoek uitgevoerd uitgevoerd, conform de daarvoor geldende NEN-norm 5725. Dit vooronderzoek resulteert in een hypothese over de aard en verdeling van mogelijke verontreinigingen in het onderzoeksgebied. In en rondom het besluitgebied zijn een groot aantal bodemonderzoeken verricht voor de aankoop van agrarische percelen, voor bodemsaneringen de voorbereiding van de aanleg van de watersingel en de nevengeul (ook bekend onder de naam spiegelwaal). De volgende onderzoeken zijn nog wel beschouwd in het vooronderzoek, maar omdat zij door de vergravingen en sanering na 2015 niet meer representatief zijn, is besloten deze niet integraal op te nemen: Bodemonderzoeken ten noorden van de watersingel in besluitgebied deel 2: • Verkennend bodemonderzoek Weverstraat 41, ARNS, projectnr.

31373501, 12 januari 1994; • Bodemonderzoek Parallelweg in Lent, Royal Haskoning, referentie 9M2620.D0^003^SEPZNijm, 15 oktober 2003; • Verkennend en aanvullend bodem- en asbestonderzoek Weverstraat 41, Grontmij, referentienr. 99048670, 10 juli 2009; • Verkennend bodemonderzoek Weverstraat 37, Envita, kenmerk JSP/VN-3007, 25 maart 2010; • Verkennend bodemonderzoek Weverstraat 37, Van der Poel, projectnr. 171539, 25 september 2017. Bodemonderzoeken ten zuiden van de watersingel in besluitgebied deel 1: • Milieutechnisch verkennend bodem en asbestonderzoek aan de Parallelweg 45 te Lent, Mos, kenmerk R6061811 -RH_1, 20 september 2011; • Verkennend bodemonderzoek Weverstraat 27 A/29 in Lent, Envita, kenmerk RHA/VN- 30299, 1 juli 2010; • Verkennend bodemonderzoek perceel 1582 Weverstraat 23 in Lent, Envita, kenmerk RGA/VN-30299A, 1 juli 2010; • Bus-evaluatie Griftijd Zuid 67 te Lent cluster 3, Heel, identificatienummer NM026801682, 27 januari 2014; • Aanvullend bodemonderzoek Oosterhoutsedijk 42a te Lent, Witteveen en Bos, projectcode Nm60.218, 1 december 2000; • Verkennend bodem- en asbestonderzoek Griftdijk Zuid 55 te Lent, Grontmij, referentienr. 99044364, 22 december 2008; • Verkennend bodem- en asbestonderzoek Griftdijk zuid 67 te Lent, Grontmij, referentienr.

99036837, 11 februari 2008; • Verkennend bodemonderzoek Parallelweg ongenummerd te Lent, CSO, projectcode 01 .W058.10, 29 augustus 2001; • Verkennend milieukundig bodemonderzoek Oosterhoutsedijk 42 te Lent, Arcadis, kenmerk 10301/OF4/196/001120 /402/HB, 16 april 2004. Deze bodemonderzoeken die in een eerder stadium zijn uitgevoerd, staan in de Milieuatlas van de gemeente Nijmegen en zijn online in te zien en te downloaden. Het meest recente bodemonderzoek binnen het besluitgebied is: Indicatief bodemonderzoek en asbest in bodem onderzoek Hoge Bongerd, Sweco, kenmerk SWNL0271084, d.d. 12-01-2021 (zie bijlage 7). https://www.odregionijmegen.nl/vergunningenpagina/download/D210026791’ • Proefsleuvenonderzoek en analyse op asbest in bodem ter plaatse van proefsleuf 19, memo gemeente Nijmegen kenmerk D252260150, d.d. 25-04-2025. (zie bijlage 8). https://www.odregionijmegen.nl/vergunningenpagina/download/D252260150 •

50 Motivering bopa - 95-bopa-20241028 Hoge Bongerd

Dit bodemonderzoek is uitgevoerd op die terreindelen waar een bodemgevoelig gebouw wordt toegelaten op grond van het omgevingsplan of de omgevingsvergunning. Dit is het overgrote deel van het besluitgebied. Ter plaatse van te handhaven wegen, verhardingen, fietspaden en ter plaatse noordelijk te realiseren fietspad (deel 3 van het besluitgebied) is de bodem niet onderzocht omdat dit gebruik niet bodemgevoelig is. Bij de aanleg is gebruik gemaakt van bouwstoffen en grond welke voldeden aan de regels van het besluit bodemkwaliteit of de regels in de omgevingswet. Ter plaatse van boring H-15, gesitueerd aan de noordelijke kant van de watersingel nabij de Weverstraat, (zie onderstaande afbeelding) is asbesthoudend plaatmateriaal in de bodem aangetroffen. Door dit plaatmateriaal overschrijdt het gehalte asbest (460 mg/kg) in bodem de Interventiewaarde van 100 mg/kg voor asbest in bodem. In 2024 is in combinatie met het onderzoek naar onontplofte oorlogsresten een proefsleuven onderzoek uitgevoerd. Sleuf 19 is gegraven waar in 2020 asbest is aangetroffen bij gat H15. In de puinhoudende laag van 0 tot 1,5 m-mv is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. De laag van 0-1,5 meter is bemonsterd en onderzocht op asbest. Het asbestgehalte blijft met 2,85 mg ruim onder de norm voor asbest van 100 mg/kg d.s. Er is geen noodzaak om te saneren op asbest.

Figuur 8: Locatie boring H-15

In het milieukundige bodemonderzoek (NEN-5740) worden verder maximaal licht verhoogde gehalten aan PCB, kwik, lood, zink, nikkel , PAK en minerale olie aangetroffen. De aangetroffen lichte verontreinigingen vormen geen risico voor het beoogde gebruik. Bij het realiseren van de gewijzigde activiteiten verwachten we zodoende geen verdere maatschappelijke en financiële belemmeringen ten gevolge van een bodemverontreiniging.

7.2.5.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggende bopa

51 Motivering bopa - 95-bopa-20241028 Hoge Bongerd

7.2.6 Water 7.2.6.1 Algemeen Weging van de waterbelangen Uit de Omgevingswet en paragraaf 5.1.3 van het Bkl volgt dat het bevoegd gezag bij het verlenen van een bopa rekening moet houden met de waterbelangen. Deze waterbelangen zijn belegd bij verschillende overheden. Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling de belangen van de andere overheden/waterbeheerders raakt, moet vroegtijdig afstemming plaatsvinden over manieren waarop de ruimtelijke ontwikkeling en de waterbelangen optimaal kunnen samengaan. Water en bodem sturend Volgens de Nijmeegse Klimaatadaptatiestrategie vormt het natuurlijk water en bodemsysteem het uitgangspunt bij stedelijke ontwikkelingen. De gemeente bouwt bij voorkeur niet op locaties waar dit vanuit waterhuishoudkundig oogpunt niet gewenst is, zoals in de droogdalen (langgerekte laagten) en gebieden met (kans op) hoge grondwaterstanden. Als de gemeente op basis van een integrale afweging toch voor de betreffende locatie kiest, moet de bouw zodanig plaatsvinden dat dit geen nadelige invloed heeft op de natuurlijke waterhuishouding. Beheer van watersystemen Uit de instructieregels van het Bkl volgt dat de gemeenteraad rekening dient te houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De opvattingen van de waterbeheerder moeten daarbij worden betrokken. Dit betekent dat er sprake is van een motiveringsverplichting en een impliciete overlegverplichting.

Het doel is om op deze wijze bij ruimtelijke planprocessen vroegtijdig afstemming te laten plaatsvinden tussen de betrokken overheden, en gezamenlijk te zoeken naar manieren waarop ruimtelijke ontwikkelingen en waterbelangen optimaal kunnen samengaan. Waterbeheerprogramma 2022-2027: Versterken. Verbinden. Vergroenen. Het beleid van het waterschap Rivierenland is beschreven in het waterbeheerprogramma. Hierin stuurt het waterschap onder andere aan op het verbeteren van de waterkwaliteit en op ‘slim waterbeheer’. Hierbij geldt de volgende strategie: als eerst (grond)water zien vast te houden (infiltreren) en bergen voordat het wordt afgevoered. Daarnaast moet er zuiniger worden omgaan met water. Hierbij volgt de gemeente de route van vroegtijdige waterbesparing naar beperking van watergebruik, om minder afhankelijk te zijn van de aanvoer van water. Als de voorgaande stappen onvoldoende opleveren, moet de maatschappij leren accepteren dat er tijdelijk overlast of schade kan ontstaan. Bij het volgen van deze route is het uitgangspunt dat de ruimtelijke inrichting van gebieden is afgestemd op de beschikbaarheid van zoet water. Waterschapsverordening De waterschapsverordening bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die het waterschap stelt binnen haar beheergebied.

In deze verordening staan onder andere: • Regels om schade aan dijken en oevers te voorkomen; • Regels voor onderhoud van onder andere sloten en beken; • Regels om watertekort, wateroverlast en vervuiling te voorkomen. De waterschapsverordening is bovendien van toepassing wanneer er sprake is van een lozing, onttrekking van water, aan- of afvoer van water of werkzaamheden bij dijken en wateren. In deze situaties moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Het waterschap is daarbij bevoegd gezag.

52 Motivering bopa - 95-bopa-20241028 Hoge Bongerd

Voorkomen wateroverlast In de Klimaatadaptatiestrategie Nijmegen ‘Samen voorbereid op het weer van de toekomst (2023)’ wordt voor de verwerking van het hemelwater aangesloten bij de landelijke Maatlat voor een Groene en Klimaatadaptieve Gebouwde Omgeving. Deze landelijke maatlat geeft aan dat er een range van 40 tot 70 millimeter water moet worden verwerkt op privaat terrein, of in daaraan gekoppelde extra voorzieningen binnen het besluitgebied, of binnen de watersysteemgrenzen. Hierbij geldt de volgende voorkeursvolgorde: 1. Besparen en benutten; het ontwerp van nieuwbouwwoningen dient te voorzien in waterbesparende maatregelen. 2. Vasthouden en infiltreren; bij voorkeur oppervlakkig. 3. Bergen; alleen als het niet anders kan, kan het hemelwater worden afgevoerd. De gemeente Nijmegen wil voorkomen dat het hemelwater het bodem- en watersysteem vervuilt. Daarom moet afstromend hemelwater zo schoon mogelijk blijven. Dit betekent dat er geen uitlogende bouwmaterialen mogen worden gebruikt. Om wateroverlast te voorkomen, moeten gebouwen zo worden gebouwd, dat er geen schade optreedt bij een bui van 70 mm in een uur. Dit kan bijvoorbeeld door het vloerpeil 20 cm boven het hoogste deel van de weg aan te leggen.

7.2.6.2 Gebiedsspecifiek Twee watersystemen Het Waterhuishoudkundig Inrichtingsplan Waalsprong 2009 (WIW 2009, kenmerk 9T9874.A0, d.d. 20-11-2009) beschrijft twee hoofdgebieden: het droogvallende watersysteem van De Grift en het zelfvoorzienende systeem van singels en plassen. Voorkomen wateroverlast Het WIW 2009 beschrijft de gebiedsspecifieke randvoorwaarden en uitgangspunten ten aanzien van de inzameling en verwerking van hemelwater, en dient als waterhuishoudkundig kader voor ontwikkelingen in Nijmegen Noord. Hoge Bongerd Door Hoge Bongerd, tussen deel 1 en 2 van het besluitgebied, loopt een primaire watergang die deel uitmaakt van het hoofdsysteem van singels en plassen. Dit hoofdsysteem is zelfvoorzienend. Dit betekent dat er geen gebiedsvreemd water wordt ingelaten. De singels en plassen worden aangevuld met regenwater dat in het plangebied valt. In de afgelopen jaren is gebleken dat de stand van de Waal grote invloed heeft op het waterpeil. Dit had in droge periodes tot gevolg dat het waterpeil onwenselijk ver uitzakte. Om dit effect terug te dringen, zijn de wanden van de waterloop beleemd. Aan de oevers is een ecologische grofzandberm aangelegd die kwelwater afvangt en voorkomt dat de leemlaag openbarst bij een hoge waterstand in de Waal.

De grofzandberm en de beleemde wanden zijn essentieel voor het functioneren van het watersysteem als geheel en moeten behouden blijven. Het onderhoud aan de watergang wordt verricht met een boot of vanaf de kant met een kraan. Aan de zuidzijde is over de gehele lengte een beschermingszone aanwezig van vier meter breed. Aan de noordzijde is deze ter plaatse van de bestaande bebouwing niet meer aanwezig. De aangrenzende eigenaren zijn verantwoordelijk voor het onderhoud van het talud van de waterloop. De mogelijkheid tot onderhoud aan de watergang, en daarmee de toegankelijkheid voor onderhoud, moet geborgd blijven. De beschermingszone van vier meter moet daarom obstakelvrij blijven. Wijzigingen aan de onderhoudsstrook van de huidige situatie kunnen alleen doorgevoerd worden met vergunning van Waterschap Rivierenland. Aan de oostzijde van de bestaande woningen langs de Parallelweg bevindt zich een tertiaire watergang. Deze voorziet in de afvoer van water vanuit de bergbezinkvoorziening (bij hevige regenval) naar de singel. De afvoer van water vanuit de bergbezinkvoorziening aan de Parallelweg moet te allen tijde geborgd blijven. Dit betekent dat er ruimte aanwezig is voor de afvoer en ruimte voor het onderhoud hiervan. Waterveiligheid Aan de zuidzijde van het besluitgebied bevindt zich de Waaldijk, ook bekend als de ‘Lentse Warande’.

In de Waterschapsverordening van Waterschap Rivierenland zijn regels opgenomen ter bescherming van dit

53 Motivering bopa - 95-bopa-20241028 Hoge Bongerd

Waterstaatswerk. In 2024 zijn met Waterschap Rivierenland maatwerkafspraken gemaakt om bouwen binnen de zone van het Waterstaatwerk mogelijk te maken. Deze afspraken zijn vastgelegd in een brief van Waterschap Rivierenland aan Gemeente Nijmegen (Bijlage 9. Afsprakenbrief waterstaatwerk, kenmerk: D240885047, 1 oktober 2024). Bouwen binnen het profiel van vrije ruimte is niet toegestaan en bouwen binnen de zonering van het Waterstaatswerk is mogelijk indien voldaan wordt aan de maatwerkafspraken Deze is als bijlage (9) toegevoegd. Voor het bouwen binnen beschermingszone is een omgevingsvergunning nodig voor een wateractiviteit. Streefpeilen De streefpeilen van oppervlaktewateren zijn vastgelegd in het Streefpeilbesluit Overbetuwe. Dit Besluit wordt in 2025 aangepast. Voor de Waalspong betekent dit dat het streefpeil een bandbreedte wordt, en niet langer één vast peil. Dit komt beter overeen met de natuurlijke situatie: het peil in de singels staat sterk onder invloed van de fluctuaties in de stand van de Waal. De bandbreedte is ook in het WIW beschreven. In perioden van langdurige droogte of extreme neerslag kan er een onderschrijding of overschrijding van deze peilen optreden. Hiermee dient rekening te worden gehouden bij ontwikkelingen op of rond het oppervlaktewatersysteem.

Hemelwater, waterberging en voorzuivering Afstromend hemelwater van wegen en daken wordt zoveel mogelijk zichtbaar ingezameld. Door middel van goten wordt het water verzameld in wadi’s. Vanuit deze wadi’s vindt zuivering door een bodempassage plaats. Overtollig water wordt afgevoerd naar de singels. De inhoud van de wadi’s is 10 liter per vierkante meter bebouwd oppervlak. Dakwater mag ongezuiverd geloosd worden indien gebruikt gemaakt wordt van niet uitloogbare materialen. Maatwerk is mogelijk indien hierover met de waterkwaliteitsbeheerder Waterschap Rivierenland afspraken zijn gemaakt. Bij een bui van 70 millimeter per uur mag er geen schade optreden aan gebouwen of aan de bestaande omgeving. Het plan wordt zo ingericht dat dit niet zal optreden. Grondwaterneutraal In het gebied dient grondwaterneutraal te worden gebouwd. Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) in het projectgebied niet significant wijzigt ten opzichte van de oorspronkelijk situatie. Afvalwater In 2017 is in het ‘Pompenplan Waalsprong’ vastgelegd hoeveel afvalwater in de Waalsprong geproduceerd wordt en op welke wijze deze getransporteerd wordt naar de RWZI Arnhem-Zuid (kenmerk: WAT9P3171R001UW, d.d. 9 juni 2017, RHDHV B.V.). In de berekeningen is rekening gehouden met de uitbreiding Hoge Bongerd.

Het afvalwater zal worden ingezameld en getransporteerd naar het gemengde stelsel van (oud) Lent. De nadere uitwerking van het rioleringssysteem wordt uitgewerkt in een waterhuishoudkundig plan. Hierin wordt ook getoetst of de hoeveelheden afvalwater overeenkomen met het Pompenplan. Aansluitingen van nieuwe panden op de riolering Het afvalwater van de woningen moet worden aangesloten op de openbare riolering. Indien er nieuwe aansluitingen nodig zijn, moet voor het maken van die aansluitingen op de riolering in de openbare ruimte vanaf de perceelgrens tot aan de riolering een aanvraag worden ingediend bij Kwaliteitsbeheer Riolering (zie www.nijmegen.nl > Diensten > Bouwen en wonen > Rioolaansluiting aanvragen). Op grond van de 'Verordening éénmalig rioolaansluitrecht' worden de kosten voor het maken van deze aansluiting op de aanvrager verhaald. Afvalwater en hemelwater moeten gescheiden ingezameld worden en gescheiden aangeboden worden. Dit voorkomt dat in de basis schoon water verpompt wordt naar de rioolwaterzuivering. Om foutieve aansluitingen te voorkomen, moet hemelwater van particuliere terreinen bovengronds worden aangeboden. Het verdient aanbeveling afvalwater en hemelwater per woning of bedrijf via eigen aansluitingen op de riolering af te voeren.

Het verdient tevens aanbeveling goede afspraken te maken en vast te leggen over de afvoer van afvalwater en hemelwater over de percelen van derden als die situatie zich voordoet. Voorzieningen voor de afvoer

54 Motivering bopa - 95-bopa-20241028 Hoge Bongerd

van afvalwater en hemelwater moeten op particulier terrein liggen. In alle voorzieningen moet op particulier terrein een controleput geplaatst worden. Inpandige controleputten zijn toegestaan.

7.2.6.3 Toetsing Waterhuishoudkundig plan Voor de technische uitwerking van de waterhuishouding en de riolering wordt in opdracht van gemeente Nijmegen een waterhuishoudkundig plan opgesteld voor het gebied. Het ontwerp wordt afgestemd met het vigerend beleid en getoetst aan de eisen en randvoorwaarden die hieruit voortvloeien. De inhoud wordt afgestemd met en ter goedkeuring voorgelegd aan Waterschap Rivierenland. De afwatering van het besluitgebied zal als gevolg van de ontwikkeling worden herzien. Nieuwe daken en verharding wateren af op het hoofdsysteem van singels en plassen.

7.2.6.3 Conclusie Voorliggende bopa is uitsluitend uitvoerbaar voor het aspect water als voldaan wordt aan het volgende voorschrift: • Een opvolgende aanvraag omgevingsvergunning dient een door het waterschap goedgekeurd waterhuishoudkundig plan te bevatten en daaraan te blijven voldoen; • Particuliere voorzieningen voor vuilwater en hemelwater dienen op particulier terrein te liggen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de controleput. Hemelwater dient bovengronds aangeboden te worden op openbaar terrein; • Hemelwater stroomt bovengronds af en water dat van of via wegen en parkeervoorzieningen afstroomt, dient voorgezuiverd te worden voordat het geloosd wordt op oppervlaktewater. Infiltratievoorzieningen dienen een berging te hebben van 10 mm. Dakwater mag indien mogelijk rechtstreeks geloosd worden op oppervlaktewater; • Bij de aanleg van drainage mag het drainagesysteem niet strijdig zijn met het belang van grondwaterneutraal bouwen; • Bij een bui van 70 millimeter in een uur mag er geen schade optreden aan nieuwe gebouwen of in de bestaande omgeving. • Maatwerk over technische randvoorwaarden en uitgangspunten is uitsluitend mogelijk na instemming of op aanwijzing van Gemeente Nijmegen.

7.3

Klimaatadaptatie

7.3.1 Algemeen Het klimaat verandert. Ook Nijmegen ervaart de laatste jaren steeds vaker wateroverlast, extreme hitte en droogte. Nijmegen wil deze problemen aanpakken door in 2035 klimaatbestendig te zijn. De klimaatadaptatiestrategie ‘Samen voorbereid op het weer van de toekomst’ (college 31 oktober 2023) beschrijft de aanpak om dit doel te bereiken. In deze strategie staan per thema onze hoofddoelen: • Droogte: langdurige droogte leidt niet tot structurele schade aan bebouwing, fundering, wegen, groen, gronden oppervlaktewater en vitale en kwetsbare functies. • Hitte: een gezonde groene fysieke leefomgeving, met voldoende koelteplekken. Vitale en kwetsbare functies, groengebieden en ecologische verbindingen zijn bestand tegen hitte. • Wateroverlast: hevige neerslag leidt niet tot schade aan gebouwen, boven- en ondergrondse infrastructuur en voorzieningen. Kwetsbare en vitale functies blijven beschikbaar. • Gevolgbeperking overstroming: we zorgen voor gevolgbeperking van overstromingen bij overstroombare gebieden langs de Waal en buitendijkse gebieden. Daarnaast staan in deze strategie stadsbrede doelstellingen voor droogte, hitte en wateroverlast, waarmee de gemeente invulling geeft aan wat Nijmegen verstaat onder klimaatadaptatie. De klimaatadaptatiestrategie

55 Motivering bopa - 95-bopa-20241028 Hoge Bongerd

beschrijft aan de hand van leidende principes en prestatie-indicatoren hoe deze doelstellingen kunnen worden bereikt. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkeling wordt aan de strategie getoetst. Verder zijn in de klimaatadaptatiestrategie een aantal prioritaire locaties benoemd. Op deze locaties zijn extra inspanningen nodig om de doelstellingen te bereiken. Op overige locaties worden de klimaatdoelstellingen bereikt door deze doelen te verbinden aan ruimtelijke ontwikkelingen.

7.3.2 Doelstellingen beleid Om deze hoofddoelstellingen te bereiken, hanteren we de volgende doelstellingen en leidende principes, die richting geven aan de oplossingen in dit besluitgebied: Droogte De afgelopen jaren hebben aangetoond wat de impact kan zijn van langdurige perioden van droogte. In de Waalsprong zijn bijvoorbeeld de watergangen bijna drooggevallen. De hoeveelheid neerslag die valt is niet te beïnvloeden, maar wel is het doel om de impact van langdurige droogte zoveel mogelijk minimaliseren. Hierbij hanteert de gemeente de volgende leidende principes, die richting geven aan de oplossingen in het besluitgebied: • Alleen verharden daar waar het moet, vergroenen waar het kan; • Klimaatbestendige beplanting, die past bij de bodem en de grondwaterstand; • Besparen en benutten van drinkwater; • Vasthouden en infiltreren van regenwater; • Bodem en water zo schoon mogelijk houden. Hitte De stijgende temperaturen leiden steeds vaker tot hittestress. De gemeente streeft ernaar dat Nijmegen tijdens hitte een gezonde groene leefomgeving biedt, met voldoende koelteplekken. Ook wil de gemeente dat vitale en kwetsbare functies, zoals de energievoorziening en zorginstellingen, blijven functioneren. De doelstellingen zijn: • Koelte en groen binnen bereik van iedereen; • Voldoende schaduw op loop- en fietsroutes en verblijfsplaatsen; • Voldoende groen in de buurten.

Om deze doelstellingen te bereiken, hanteert de gemeente de volgende leidende principes: • Gebruik van de volgende voorkeursvolgorde voor verkoeling: 1. Koele groene omgeving; 2. Warmte weren; 3. Passief koelen; 4. Actief koelen. • Een evenwichtige spreiding van groen door de stad; • 40 tot 50% warmtewerende oppervlakten bij nieuwbouw; • Benutten van de kansen voor het versterken van de biodiversiteit. Wateroverlast Het veranderende klimaat zorgt ervoor dat extreme regenbuien Nijmegen vaker zullen raken. De huidige ondergrondse en bovengrondse infrastructuur is hierop nog niet ingericht, waardoor schade kan ontstaan. Korte tijd water op straat zal in de toekomst steeds vaker voorkomen en vindt de gemeente daarom acceptabel. Schade wil de gemeente echter zoveel mogelijk proberen te voorkomen. Hierbij wordt uitgegaan van schade die optreedt bij een bui van 70 millimeter water in een uur, een bui die in 2050 eens in de 100 jaar valt. De doelstelling voor nieuwbouw is: • Bij nieuwbouw zodanig bouwen, dat er geen schade optreedt bij een bui van 70 millimeter per uur. In de waterparagraaf staan de eisen voor de waterberging, het watersysteem en het grondwater.

56 Motivering bopa - 95-bopa-20241028 Hoge Bongerd

Naast de hierboven beschreven doelstellingen en leidende principes hanteert de gemeente enkele aanvullende leidende principes die gelden voor alle genoemde klimaatthema’s: • Voorkómen van afwenteling; • Eerst kiezen voor natuurlijke oplossingen, daarna pas voor techniek. Zie de klimaatadaptatiestrategie voor de verdere detaillering van de doelstellingen en leidende principes.

7.3.4.2 Toetsing Voorliggende bopa bevat geen uitgewerkt stedenbouwkundig programma. Toetsing is derhalve nog niet mogelijk. De bedoeling van de Klimaatadaptatiestrategie wordt met voorliggende bopa omarmd. Groen is niet alleen een belangrijk structurerend element in de stedenbouwkundige proefverkaveling, maar groen draagt ook in belangrijke mate bij aan het beperken van hittestress en het verhogen van de biodiversiteit. Daarom is hieraan in voorliggende bopa de volgende invulling gegeven. Hitte Groen zorgt voor schaduw, verdamping en verminderde opwarming voor een lagere gevoelstemperatuur. Onder groen valt groen op maaiveldniveau (inclusief open verharding), groen op daken en boomkronen dat vanuit de lucht waarneembaar is. In het besluitgebied is de functie groen voldoende aanwezig. Voorschrift koelte en groen binnen bereik van iedereen De stijgende temperaturen leiden steeds vaker tot hittestress. De gemeente streeft ernaar dat Nijmegen tijdens hitte een gezonde groene leefomgeving biedt, met voldoende koelteplekken. Met het oog op het beperken van hittestress en het bevorderen van een gezonde leefomgeving wordt binnen een loopafstand van 300 meter van elke woning een aaneengesloten groengebied van 5.000 m² aangelegd, waarbinnen een schaduwrijke ontmoetingsplek van minimaal 1.000 m² aanwezig is.

Als deze schaduwplek met bomen is ingericht, is het uitgangspunt 10 jaar na aanplant voor de berekening van de schaduw van de boomkroon. De afstand van 300 meter geldt als een afstand die een gemiddelde inwoner van Nijmegen in 5 minuten kan afleggen.

7.3.4.3 Conclusie Voorliggende bopa is uitsluitend uitvoerbaar voor het aspect klimaatadaptatie als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: • Ter plaatse van de gebiedsaanwijzing 'Groen’ gelden de volgende bepalingen: o Binnen de gebiedsaanwijzing ‘Groen’ wordt minimaal 10.000 m2 groen gerealiseerd in de vorm van een gevarieerde groene inrichting. o Van het hiervoor genoemde groen wordt minimaal 5.000 m2 aaneengesloten gerealiseerd, waarbinnen een schaduwrijke ontmoetingsplek van minimaal 1.000 m² aanwezig is.

7.4

Duurzaamheidsaspecten

7.4.1 Algemeen Een van de vier hoofdopgaven van de omgevingsvisie is het streven naar een duurzame stad. Nijmegen heeft de ambitie voorop te lopen op het gebied van duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Het uitgangspunt is duurzaam grondgebruik, waarbij ontwikkelingen waarde aan de stad toevoegen en een bijdrage leveren aan het oplossen van de grote opgaven. Circulair bouwen, klimaatadaptatie, natuurinclusief bouwen en energieneutraal zijn hierbij centrale (samenhangende) thema's. De hoofdambities van Nijmegen voor duurzaamheid richten zich op de energietransitie (streven energieneutraal in 2045), stimulering van circulaire economie (streven circulaire regio in 2050) en klimaatadaptatie (streven volledig klimaatneutrale stad in 2050).

57 Motivering bopa - 95-bopa-20241028 Hoge Bongerd

7.4.2 Energie 7.4.2.1 Algemeen Nijmegen heeft zich tot doel gesteld uiterlijk in 2045 energieneutraal en aardgasvrij te zijn. Energiebesparing is een eerste vereiste om de energievraag te minimaliseren. Het gaat daarbij om het minimaliseren van zowel de energievraag van gebouwen als die van bedrijfsprocessen. De energie die dan nog wordt gebruikt, wordt zoveel mogelijk duurzaam opgewekt. Uitgangspunt van de gemeente Nijmegen is dat bij nieuwbouw alle daken zoveel mogelijk vol komen te liggen met zonnepanelen. Alle (nieuwe) daken dienen dan ook geschikt te zijn voor zonnepanelen. De gemeente streeft naar slimme, lokale energieoplossingen, bijvoorbeeld door lokale, duurzame energie tijdelijk op te slaan en vraag en aanbod onderling af te stemmen. Aardgasvrij Nieuwbouw in de bestaande stad en de Waalsprong is aardgasvrij. De Waalsprong valt binnen het concessiegebied van het warmtenet. Nieuwbouw in de Waalsprong moet hier verplicht worden aangesloten op het warmtenet. Daarnaast heeft Nijmegen de ambitie om de bestaande stad van het aardgas te halen en delen van de stad aan te sluiten op een nog aan te leggen warmtenet.

7.4.2.2 Toetsing Het plan gaat uit van het warmtenet en biedt ruimte voor optimale toepassing van zonne-energie. Het voldoet aan de uitgangspunten en randvoorwaarden van het Nijmeegse energiebeleid.

7.4.2.3 Conclusie Bij de planvorming is rekening gehouden met de doelen uit de omgevingsvisie ten aanzien van energie.

7.4.3 Circulariteit 7.4.3.1 Algemeen De Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen (GMR) wil zich profileren als circulaire regio. In de Woondeal Arnhem Nijmegen is aangegeven dat voor ontwikkelingen van meer dan 50 woningen de regio de ambitie heeft om vanaf 2025 minimaal 25% en vanaf 2030 minimaal 50% circulair bouwen om uiteindelijk in 2050 te komen tot een circulaire leefomgeving. Deze ambitie wordt mede door de gemeente Nijmegen onderschreven. Om in het vervolg van het ontwikkelingsproces te onderbouwen welke prestatie het project bereikt, stelt de GMR de online tool “Circulaire impactladder” ter beschikking. De gemeente streeft ernaar om zoveel mogelijk conceptueel, modulair en losmaakbaar (demontabel) te bouwen. Bij voorkeur wordt gebruik gemaakt van hernieuwbare organische bouwmaterialen (bijvoorbeeld hout, hennep, vlas, etc.). De Gemeentelijke Praktijkrichtlijn (GPR methodiek) wordt voor gemeentelijk vastgoed gebruikt als ontwerptool en beoordelingsmethodiek om de duurzaamheid van gebouwen in beeld te brengen. In de grond-, weg- en waterbouw onderschrijft Nijmegen de uitgangspunten van het manifest duurzaam GWW; samen met onze ketenpartners wil de gemeente de verduurzaming in de sector structureel aanjagen. Uitgangspunt is om zo min mogelijk verharding toe te passen en waar verharding nodig is te kijken naar meer duurzame oplossingen, zoals klinkers of duurzaam asfalt.

7.4.3.2 Toetsing Voorliggende bopa biedt de ruimte om te voldoen aan de gemeentelijke randvoorwaarden en ambities op het gebied van circulair bouwen.

58 Motivering bopa - 95-bopa-20241028 Hoge Bongerd

7.4.3.3 Conclusie Bij de planvorming is rekening gehouden met circulariteit.

7.5

Natuur- en landschapsaspecten

7.5.1 Soortenbescherming 7.5.1.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde planten- en diersoorten. Het gaat om zowel soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen als soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f van de Omgevingswet). Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora- en faunaactiviteiten. Een flora- en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. Specifieke zorgplicht in de omgevingswet In de Omgevingswet geldt voor alle van nature in het wild voorkomende soorten in het gebied een specifieke zorgplicht.

Deze zorgplicht bestaat minimaal uit het volgende: Voordat een flora- en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde soorten of habitats voorkomen; Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn; Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in veel gevallen (beschermde soorten) een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling; Als er in de uitvoer toch nadelige gevolgen zijn voor de instandhouding van soorten om de activiteiten, moet er direct gestaakt worden en moeten herstelmaatregelen getroffen worden. Soortmanagementplan Waalsprong (SMP-N) In 2018 heeft de gemeente Nijmegen in samenspraak met de provincie Gelderland voor de Waalsprong een soortenmanagementplan opgesteld (hierna: SMP-N). Het SMP-N beschrijft hoe de staat van instandhouding in Nijmegen-Noord van de ransuil, kerkuil, steenuil, roek, buizerd, rugstreeppad en grote modderkruiper wordt geborgd. In 2019 zijn daar de kleine marterachtigen aan toegevoegd en in 2025 de teunisbloempijlstaart.

Het SMPN heeft geleid tot een gebiedsgerichte ontheffing van de voormalige Wet natuurbescherming voor genoemde soorten. 7.5.1.2 Toetsing Bureau Waardenburg heeft een ecologische quickscan uitgevoerd ten behoeve van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling in het gebied Hoge Bongerd (rapport d.d. 19 september 2024; zie bijlage 10). Uit deze toets blijkt dat het besluitgebied mogelijk leefgebied vormt voor de rugstreeppad, kleine marterachtigen en mogelijk de steenuil. Voor deze soorten is een gebiedsgerichte ontheffing verleend op basis van het Soortenmanagementplan Nijmegen – De Waalsprong (Martens & Krijt, 2019; zaaknummer 2019-001733). Aangevuld met kleine marterachtigen (oktober 2020) en de teunisbloempijlstaart (maart 2025). De activiteiten dienen te worden uitgevoerd conform dit SMP en de daarbij behorende voorschriften. Voor genoemde soorten moeten in en direct grenzend aan het besluitgebied de voorgeschreven mitigerende maatregelen worden getroffen.

59 Motivering bopa - 95-bopa-20241028 Hoge Bongerd

Daarnaast blijkt uit nader veldonderzoek en habitatsanalyse dat: • het gebied ongeschikt is als leefgebied voor de grote leeuwenklauw (Ecologisch onderzoek Grote leeuwenklauw van gemeente Nijmegen en Waardenburg ecology d.d. 3 juli 2025, zie bijlage 16); • het gebied is deels ongeschikt en deels matig geschikt is voor de teunisbloempijlstaart (Habitatbeoordeling Teunisbloempijlstaart De Waalsprong van De Interim Ecoloog d.d. 13 december 2024, zie bijlage 15). Het aanvullend onderzoek sluit het voorkomen van de grote leeuwenklauw uit. Voor de teunisbloempijlstaart dient gehandeld te worden volgens de in het SMP opgenomen protocollen. Voorts kunnen algemene zoogdieren en amfibieën door de werkzaamheden worden beïnvloed. Voor deze soorten geldt een vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen, mits voldaan wordt aan de algemene zorgplicht. Het gebied is tevens leefgebied van diverse algemene vogelsoorten. Om verstoring van broedende vogels te voorkomen, moet bij de planning en uitvoering van werkzaamheden hiermee rekening worden gehouden. Voor overige beschermde soorten is het gebied niet relevant of zijn negatieve effecten uitgesloten. Voor zover redelijkerwijs mogelijk, dienen aanvullende maatregelen te worden getroffen om negatieve effecten voor de grote leeuwenklauw en teunisbloempijlstaart te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken.

De (specifieke) zorgplicht blijft hierbij onverkort van toepassing.

7.5.1.3 Conclusie Bij de planvorming is zorgvuldig rekening gehouden met soortenbescherming. Effecten op beschermde gebieden en houtopstanden zijn uitgesloten. Er geldt een verleende gebiedsontheffing voor soortenbescherming (Zaaknummer 2019-001733) dan wel de rechtsopvolger daarvan. Het college van gedeputeerde staten (GS) is hiervoor het bevoegd gezag.

7.5.2 Gebiedsbescherming 7.5.2.1 Algemeen De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de provincies zijn verantwoordelijk voor de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura 2000 Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In en om Nijmegen liggen de Natura 2000-gebieden 'Uiterwaarden Waal' en de 'Gelderse Poort', als onderdeel van het gebied ‘Rijntakken’. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die – afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als ‘Natura 2000-activiteit’. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig.

Voor activiteiten die mogelijk leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied moet er per geval een stikstofbeoordeling worden gemaakt. Om in beeld te brengen of deze activiteit invloed heeft op een Natura 2000-gebied en te beschouwen is als een Natura 2000activiteit (activiteit inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied).

60 Motivering bopa - 95-bopa-20241028 Hoge Bongerd

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincie. Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden. De Hoge Bongerd ligt niet in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) of de Groene Ontwikkelingszone (GO), de waardevolle natuurgebieden die in de Omgevingsvisie Gelderland opgenomen zijn. De Omgevingsvisie is wat dat betreft niet van toepassing. Houtopstanden buiten de bebouwingscontouren Bomen en bossen vallen onder houtopstanden en vervullen een belangrijke en unieke functie in de fysieke leefomgeving. Bescherming van houtopstanden is een onderdeel van de Omgevingswet. Door de lange ontwikkelingstijd van bossen is deze bescherming van groot belang. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers of andere houtachtige gewassen. Het (deels) vellen ervan zorgt ervoor dat die verdwijnen of beschadigd raken. Herbeplanten zorgt voor nieuwe houtopstand. Om bossen te beschermen en vanwege internationale regels geeft het Rijk regels voor het vellen van houtopstanden, herbeplanten, het verhandelen en bezit van hout(producten). Degene die zo’n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht.

Ook kan een meldingsplicht gelden. Deze rijksregels gelden alleen voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (voormalig buiten de bebouwde kom). Daarbij gelden op deze rijksregels een aantal uitzonderingen. Die uitzonderingen staan in het Bal (artikel 11.111).

7.5.2.2 Toetsing Natura 2000-gebieden Indien er sprake is van significante stikstofdepositie op overbelaste gebieden van de Rijntakken, kan dit leiden tot negatieve gevolgen voor het Natura 2000-gebied. Om deze negatieve gevolgen te voorkomen is het noodzakelijk dat een project geen significante stikstofdepositie heeft. Daarom is het verplicht dat mobiele werktuigen die ingezet worden, voldoen aan de eisen van het convenant Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB). Bovendien speelt de afstand van het project tot de Rijntakken een rol bij de stikstofbeoordeling. Hoe korter de afstand tot de Rijntakken is, hoe sneller de grens van significante stikstofdepositie bereikt wordt. Voor projecten die dicht bij de Rijntakken plaatsvinden, kan, bovenop het SEB, inzet van elektrische mobiele werktuigen nodig zijn om te voldoen aan de grenswaarden. De afstand tot het dichtstbijzijnde natura 2000 – gebied ‘Rijntakken’ bedraagt circa 45 meter. Andere Natura 2000 gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand.

61 Motivering bopa - 95-bopa-20241028 Hoge Bongerd

Figuur 9: Ligging Hoge Bongerd t.o.v. Natura 2000 gebieden

Uit het stikstofonderzoek (bijlage 11 Stikstofonderzoek) blijkt dat significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied (Rijntakken e.a.) van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase op voorhand zijn uit te sluiten. De berekening heeft plaatsgevonden met de meest recente versie van AERIUS. De omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit staat de uitvoerbaarheid van de bopa niet in de weg. Natuurnetwerk Nederland Het besluitgebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; in Gelderland bestaande uit het Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones). Op grond van de aard van de ingreep en afstand tussen NNN en besluitgebied zijn effecten op het NNN uitgesloten. Houtopstanden Het besluitgebied bevindt zich binnen de bebouwingscontour houtkap van Nijmegen. De rijksregels ten aanzien van houtopstanden zijn daarop niet van toepassing.

7.5.2.3 Conclusie Bij de planvorming is rekening gehouden met gebiedsbescherming. Effecten op beschermde gebieden en houtopstanden zijn uitgesloten.

62 Motivering bopa - 95-bopa-20241028 Hoge Bongerd

7.5.3 (Hoofd)boomstructuur 7.5.3.1 Algemeen Bomenplan Nijmegen Het Bomenplan Nijmegen (2021) vormt het kader voor inrichtingsplannen en beheerplannen voor de openbare ruimte waar het bomen betreft. Het handboek is daarnaast te definiëren als toetsingskader voor ruimtelijke plannen en initiatieven en biedt inzicht in de beleidsuitgangspunten ten aanzien van bescherming, aanplant, beheer en kap van bomen. De verschillende doelstellingen van dit bomenplan zijn: - Gezonde bomen zo lang mogelijk behouden; - Bomenkap zoveel mogelijk vermijden; - Aanplant van bomen zoveel mogelijk stimuleren; - De belangrijkste bomen in de stad vormen een groene beschermende verbindende structuur. Het Bomenplan Nijmegen richt zich op alle bomen binnen de gemeentegrenzen. Dat zijn dus niet alleen de park-, laan- en straatbomen, maar ook bomen in tuinen en op particuliere terreinen. Voor bosopstanden, bosplantsoen en bomen in natuurgebieden gelden andere beleidskaders en wet- en regelgeving. Hoofdboomstructuur De gemeente wil dat de belangrijkste bomen in de stad samen een groene beschermde verbindende structuur vormen die de stad dooradert. Uitgangspunt voor de hoofdboomstructuur zijn drie belangrijke waarden voor de stad, die het belang van instandhouding en uitbreiding of versterking rechtvaardigen: 1. Beeldkwaliteit: lommerrijk groen en statige lanen; 2.

Ecologie: verbindingselementen en bevordering van biodiversiteit; 3. Cultuurhistorie: historische (veld)wegen en monumentaal stadsgroen. De gemeente combineert de hoofdboomstructuur met andere doelen zoals de gezonde stad, klimaatadaptatie en beleving. Netwerk in de wijken Het is niet voldoende om alleen in te zetten op de hoofdboomstructuur. Ook een fijnmazig netwerk van bomen op wijkniveau is van groot belang: het vormt de routes om te bewegen, te wandelen en te fietsen in de wijk. Het maakt een buurt gezond, aantrekkelijk en leefbaar. Het voorkomt hitte-eilanden dichtbij huis en maakt de stad, juist in de wijken, klimaatadaptief. De hoofdboomstructuur vormt samen met het groen in de wijken, de totale groenstructuur van de stad Nijmegen. In de afbeelding is te zien dat het plangebied grenst aan een plek waar groene structuren aanwezig zijn. Deze dienen behouden te blijven.

7.5.3.2 Toetsing De waarden uit de hoofdgroenstructuur liggen voor een klein deel binnen het besluitgebied zie figuur 10. Verder raakt een groot gedeelte het besluitgebied aan de randen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=3b8481b1-9d88-4100-bc0a-bf691af80573