CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Mitigatieplan De Grift en afslag 35 Nijmegen

Besluitronde (raadsvergadering) 1 november 2023, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Chw-bestemmingsplan Nijmegen Uitbreiding bedrijventerrein De Grift' (98/2023)10.975 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Alle openingen in de muren en openingen bij de dakrand en gevelbekleding moeten zijn afgesloten voorafgaand aan de sloop. Dit moet gebeuren met zogenaamde 'exclusion-flaps' (zie Figuur 14). Dit zijn stukken stevig plasticfolie die aan bovenzijde en aan de zijkanten tegen de muur worden bevestigd zodat deze open ingen zoals

34

Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01

stootvoegen afdekken. Aan de onderzijde hangen deze flappen los. Ook zijn er speciaal hiervoor ontwikkelde kapjes van hard plastic te gebruiken. Deze bieden vleermuizen wel de mogelijkheid weg te komen maar verhinderen terugkeer. Het aanbrengen van de flappen moet tenminste zeven dagen voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden afgerond zijn. •

Het dichtmaken van de openingen dient plaats te vinden in de actieve periode van vleermuizen (welke loopt van april tot en met oktober) en bij voorkeur buiten de paarperiode (welke loopt van half augustus tot en met half oktober).

•

Het plaatsen van de flappen moet onder begeleiding van een deskundige op het gebied van vleermuizen worden uitgevoerd.

•

Wanneer de periode tussen het ophangen van de exclusion-flaps en de sloop meer dan zeven dagen bedraagt, moeten de exclusion-flaps na de eerste zeven dagen regelmatig gecontroleerd worden of ze nog goed vasthangen. Ook kan ervoor gekozen worden de openingen op dat moment effectiever af te sluiten, bijvoorbeeld met weringsgaas of Purschuim.

•

Het definitief dichtmaken van de openingen en/of de sloop mag plaatsvinden als alle gewone dwergvleermuizen de verblijfplaatsen in het gebouw verlaten hebben. Na het plaatsen van de exclusion-flaps moet daarom voldoende lang gewacht worden zodat vleermuizen die aanwezig zijn in het gebouw in de gelegenheid zijn geweest om het gebouw te verlaten. De tijd die daarvoor benodigd is hangt sterk samen met de weersomstandigheden. Als richtlijn moet ervanuit uitgegaan worden dat er drie avonden voorbij moeten gaan waarbij de temperatuur na zonsondergang minimaal 6 °C is geweest, bij maximaal windkracht 5 Bft en droog weer of lichte motregen. Een deskundige op het gebied van vleermuizen kan bepalen wanneer vleermuizen voldoende gelegenheid hebben gehad het pand te verlaten en ervanuit gegaan mag worden dat alle vleermuizen redelijkerwijs het te renoveren gebouw verlaten hebben.

•

Als tijdens de werkzaamheden toch vleermuizen worden aangetroffen moeten de werkzaamheden onmiddellijk worden stopgezet en moet een vleermuisdeskundige worden geraadpleegd over de manier waarop de werkzaamheden verder uitgevoerd kunnen worden met zo min mogelijk negatieve effecten voor de aangetroffen vleermuizen.

35

Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01

Figuur 14. Voorbeelden van twee soorten exclusion -flaps, waarmee vleermuizen uit een gebouw verdreven kunnen worden.

3.9.5 Potentiële vliegroute Het viaduct over de A15 en het geleidende opgaande groen van en naar dit viaduct vormen mogelijk een vaste vliegroute van vleermuizen. Daarom dient bij de ingreep voorkomen t e worden dat de toekomstige inrichting of werkzaamheden kunnen leiden tot het ongeschikt raken van deze vliegroute. Daarmee is het niet toegestaan de lichtuitstraling of de intensiteit op het viaduct of de geleidende structuren toe te laten nemen ten opzichte van de huidige situatie of het op andere plaatsen aan te lichten als in de huidige situatie het geval is. Zodra het verlichtingsplan gereed is dient dit ter controle voorgelegd te worden aan een vleermuisdeskundige om te laten toetsen of dit kan leiden tot negatieve effecten op de mogelijk aanwezige vliegroute. Wanneer dit het geval kan zijn dient het verlichtingsplan aangepast te worden.

3.10 Overige maatregelen •

Indien gebruik van kunstmatige verlichting gedurende de uitvoering van de werkzaamheden noodzakelijk is dient deze zoveel mogelijk beperkt te worden en gericht te worden op die plaatsen waar verlichting nodig is. Uitstraling van verlichting naar boven en naar de omgeving toe moet geheel voorkomen worden door gebruik te maken van armaturen die het licht bundelen.

•

Bij het aanbrengen van permanente verlichting bij de nieuwe gebouwen moet deze zoveel mogelijk beperkt worden, en mag deze niet uitstralen naar de groenstroken rondom de gebouwen. Ook mogen plaatsen waar nest- en verblijfplaatsen worden aangeboden in deze en omliggende gebouwen in zijn geheel niet aangelicht worden. Hiermee blijft het gebied geschikt als leefgebied voor (lichtschuwe) nachtactieve dieren en wordt de kans op gebruikt van aangeboden rust- en verblijfplaatsen

36

Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01

verhoogd. Dit sluit tevens aan bij de richtlijn met betrekking tot verlichting zoals opgenomen in het beeldkwaliteitsplan voor het gebied (Nijmegen, 2023).

3.10.1 Toolbox Natuurinclusief bouwen Voor alle nieuwbouw die wordt ontwikkeld binnen de Waalsprong geldt dat deze natuurinclusief gerealiseerd dient te worden. Dat geldt dus ook voor alle nieuwbouw welke plaats zal gaan vinden binnen De Grift. Daartoe is een toolbox natuurinclusief bouwen voor opgesteld welke initiatiefnemers een set aan keuzemogelijkheden geeft om het geb ouw natuurinclusief te realiseren (Klarus, V, 2020). Middels dit natuurinclusief bouwen wordt tevens invulling gegeven aan de plus die vereist wordt vanuit het SMP -N en de daaraan ten grondslag gelegen gebiedsgerichte ontheffing. De toolbox natuurinclusief bouwen is gericht op het aanbrengen van extra nest- en verblijfplaatsen voor de gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw. Gierzwaluwen zijn in Nederland gebonden aan sterk bebouwde gebieden in de woonkernen van steden en dorpen. Het bedrijfsterrein wo rdt naar verwachting niet geschikt als broedgebied voor deze soort. Het gebied kan wel bijdragen als foerageergebied voor deze soort. Voor de gewone dwergvleermuis en huismus kunnen mogelijk wel extra nest- en verblijfplaatsen gerealiseerd worden. Daarvoor dient vooral gekeken te worden naar delen van de gebouwen welke opgetrokken zijn uit steen en voorzien van een spouwruimte waar voorzieningen ingebouwd kunnen worden.

Met het inbouwen van dergelijke verblijfplaatsen in damwandconstructies en derge lijke leidt niet of nauwelijks tot succesvol gebruikte nest- en verblijfplaatsen. Door het toevoegen van extra nestgelegenheid en verblijfplaatsen voor vleermuizen neemt het aantal nieuwe geschikte plekken naar verwachting nog sterk toe ten opzichte van d e reeds opgenomen maatregelen in de bovenstaande paragrafen. Verder biedt de toolbox de mogelijkheid een deel van het verplicht aantal aan te brengen nest - en verblijfplaatsen (maximaal 25%) te verruilen voor maatregelen die bijdragen aan het verbeteren va n het leefgebied voor de doelsoorten. Hierbij moet worden gedacht aan aanbrengen extra gevelgroen, zoomvegetaties langs perceelranden of de aanleg van een natuurlijke poel. In plaats van een poel kan ook gedacht worden aan een natuurlijk ingerichte waterbe rging. Iedere ontwikkelaar zal bij het ontwerp voor zijn bedrijfspand samen met een eigen ecoloog een voorstel moeten maken hoe zijn het vereiste aantal punten gaan behalen en dit ter goedkeuring voor moeten leggen aan de gemeente.

37

Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01

3.11 Natuurkalender Een belangrijke mitigerende maatregel is het uitvoeren van de werkzaamheden buiten de kwetsbare periode. Dat is de periode waarin planten en dieren het meest kwetsbaar zijn voor verstoring. Dit is in de bovenstaande paragrafen voor de betreffende soorten b eschreven. Bij de uitvoering van de werkzaamheden dient echter met verschillende beschermde soorten rekening gehouden te worden. Hierdoor is het lastig inzichtelijk te krijgen wanneer werkzaamheden nu het beste uitgevoerd kunnen worden. Daarom is in de on derstaande tabel (Tabel 1) overzichtelijk weergegeven in welke periode de werkzaamheden uitgevoerd dienen te worden om negatieve effecten op beschermde soorten en overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Deze tabel moet gelezen worden in samenhang met de corresponderende tekst in de bovenstaande paragrafen. De natuurkalender kan gebruikt worden als hulpmiddel bij het plannen van de werkzaamheden. Voor de grote modderkruiper en poelkikker zijn de kwetsbare perioden niet opgenomen in de tabel om dat de soorten nu nog niet aanwezig zijn in het plangebied en daarmee ook niet extra kwetsbaar zijn voor de werkzaamheden in een bepaalde periode.

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari

Tabel 1: Natuurkalender met kwetsbare periode van de aanwezige beschermde soorten.

Broedseizoen Boomvalk Sperwer Roek Huismus Gewone dwergvleermuis Marterachtigen Voorkeursperiode, met minste risico op afbreuk aan populaties van soorten. Wel zorgplicht in acht nemen. 2 e voorkeursperiode: ’ja, mits’. Uitvoering met de nodige schadebeperkende maatregelen. 3 e voorkeursperiode: ’nee, tenzij’. Alleen in uiterste noodzaak en met de nodige schadebeperkende maatregelen

38

Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01

4. Bronnen BIJ12, 2023. Kennisdocument Huismus Passer domesticus. Versie 2.1. BIJ12, Utrecht BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Versie 1.0. BIJ12, Utrecht. Gemeente Nijmegen, 2023. Concept beeldkwaliteitsplan uitbreiding bedr ijventerrein De Grift. Versie februari 2023. Hoefsloot, G. & Daamen J., 2022b. Onderzoek beschermde fauna Afrit 38 A15, Nijmegen. Inventarisatie beschermde fauna en effectbepaling in het kader van de Wet natuurbescherming. Bureau Waardenburg, rapportnr. 22-208. Bureau Waardenburg, Culemborg. Hoefsloot, G. & Daamen J., 2022a. Onderzoek beschermde fauna Uitbreiding bedrijventerrein De Grift, Nijmegen. Inventarisatie beschermde fauna en effectbepaling in het kader van de Wet natuurbescherming. Bureau Waardenburg, rapportnr. 22-209. Bureau Waardenburg, Culemborg. Martens, T. & Krijt, N., 2021. WERKPROTOCOL SOORTENMANAGEMENTPLAN NIJMEGEN – DE WAALSPRONG Kenmerk: D190515619. Martens, T. & Krijt, N., 2019. SOORTENMANAGEMENTPLAN NIJMEGEN – DE WAALSPRONG. Kenmerk: D190080965. Klarus, V, 2020. TOOLBOX NATUURINCLUSIEF ONTWIKKELEN EN BOUWEN. Leidraad voor de Waalsprong. Gemeente Nijmegen ARCADIS Nederland. Referentie: 084007625 B Stadswerk, 2020. Gedragscode soortbescherming gemeenten. Versie 4 december 2020 (definitief).

39 Mitigatieplan De Grift en afrit 38 Waalspring Nijmegen | RA22215-01

Bijlage 1: Wet- en regelgeving Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de bescherming van de natuur in Nederland geregeld middels de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet is de Nederlandse implementatie van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn, aangevuld met nationale bepalingen. De Wet natuurbescherming vervangt de voormalige Natuurbeschermingswet 1998, de Flora - en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming heeft drie belangrijke onderdelen, namelijk: •

Bescherming van Natura 2000-gebieden,

•

Bescherming van soorten,

•

Bescherming van houtopstanden.

De hoofdlijnen van de bepalingen in deze drie onderdelen van de Wet natuurbescherming welke van belang zijn voor de nadere toetsing in dit onderzoek worden in de onderstaande paragrafen nader toegelicht.

Bescherming van Natura 2000-gebieden Binnen de Wnb is de bescherming van zogenaamde Natura 2000-gebieden geregeld. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. De grondslag hiervoor ligt in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Natura 2000 -gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Welke planten- en diersoorten of habitattypen dit zijn is voor ieder gebied afzonderlijk vastgelegd middels beheerplannen met zogenaamde instandhoudingsdoelstellingen. Ingrepen of evenementen mogen deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen. Activiteiten mogen alleen doorgang vinden als deze de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden niet in gevaar brengen, of wanneer de provincie waarin de ingr eep of het evenement plaatsvindt een vergunning verleend. Bij ingrepen in gebieden van nationaal belang is het ministerie van Economische Zaken Bevoegd gezag.

40 Mitigatieplan De Grift en afrit 38 Waalspring Nijmegen | RA22215-01

Bescherming van soorten De soortbescherming onder de Wnb onderscheidt drie verschillende besche rmingsregimes, namelijk: •

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn,

•

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn,

•

Beschermingsregime andere soorten (nationaal beschermde soorten).

Op soorten uit de beschermingsregimes Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn de verbodsbepalingen uit de door de Europese Unie opgestelde Vogelrichtlijn (1979) en Habitatrichtlijn (1992) van toepassing. Binnen de categorie andere soorten vallen soorten welke op Europees niveau niet beschermd zijn maar door Nederland wel als besche rmde soort aangewezen zijn. Iedere provincie heeft zelf de mogelijkheid om een of meerdere van deze planten- en diersoorten vrij te stellen onder bepaalde voorwaarden. Wel geldt voor alle soorten de algemene zorgplicht (Artikel 1.11). Deze zorgplicht houdt in dat men bij werkzaamheden met mogelijk negatieve effecten op planten en dieren maatregelen dient te nemen om onnodige schade aan planten of dieren te voorkomen.

Ontheffingen en vrijstelling De provincies en de Minister van Economische zaken kunnen ontheffing of vrijstelling afgeven om onder voorwaarden de Wnb te overtreden. Ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen of het verkrijgen van een vrijstelling kan alleen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en er geen negatief e ffect is op de staat van instandhouding van de soort. Dit is wel alleen mogelijk wanneer de aanleiding van de ingreep of activiteit valt onder een in de wet genoemd belang.

41 Mitigatieplan De Grift en afrit 38 Waalspring Nijmegen | RA22215-01

Tabel 1: Verbodsbepalingen per beschermingsregime Wnb, voor zover van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen of evenementen. Beschermingsregime soorten

Beschermingsregime soorten

Beschermingsregime andere soorten

Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1

Habitatrichtlijn (paragraaf 3.2

(paragraaf 3.3 Wnb)

Wnb)

Wnb)

Art 3.1 lid 1: Het is verboden

Art 3.5 lid 1: Het is verboden

Art 3.10 lid 1a: Het is verboden in het wild

in het wild levende vogels

soorten in hun natuurlijke

levende soorten opzettelijk te doden of te

opzettelijk te doden of te

verspreidingsgebied

vangen.

vangen.

opzettelijk te doden of te vangen.

Art 3.1 lid 2: Het is verboden

Art 3.5 lid 2: Het is verboden

Art 3.10 lid 1b: Het is verboden de vaste

opzettelijk nesten,

dieren opzettelijk te

voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van

rustplaatsen en eieren van

verstoren.

dieren opzettelijk te beschadigen of te

vogels te vernielen of te

vernielen.

beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Art 3.1 lid 3: Het is verboden

Art 3.5 lid 3: Het is verboden

Art 3.10 lid 1c: Het is verboden

eieren te rapen en deze

eieren van dieren in de

plantensoorten in hun natuurlijke

onder zich te hebben.

natuur opzettelijk te

verspreidingsgebied opzettelijk te plukken

vernielen of te rapen.

en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Art 3.1 lid 4 en lid 5: Het is

Art 3.5 lid 4: Het is verboden

verboden vogels opzettelijk

de voortplantingsplaatsen of

te storen, tenzij de storing

rustplaatsen van dieren te

niet van wezenlijke invloed is

beschadigen of te vernielen.

op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Art 3.5 lid 5: Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

42 Mitigatieplan De Grift en afrit 38 Waalspring Nijmegen | RA22215-01

Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden richt zich op de instandhouding van het oppervlakte bos in Nederland. Artikel 4.2 uit de Wet natuurbescherming verbiedt het zonder melding (gedeeltelijk) vellen van houtopstanden groter dan tien are of van meer dan twintig rijbomen welke gelegen zijn buiten de “bebouwde kom houtopstanden”. Artikel 4.3 lid 1 en 2 stellen dat het naast melding noodzakelijk is dat er herplant plaatsvindt binnen 3 jaar na het vellen van de bomen, en dat vervolgens binnen 3 jaar herplant plaats m oet vinden voor niet aangeslagen beplanting. Het bevoegd gezag kan tevens een kapverbod opleggen in het geval van bijzondere beplantingen. Zoals opgenomen in Artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming geldt voor bepaalde soorten en gevallen (houtproductie of andere bedrijfsmatige activiteiten) een vrijstelling voor de bescherming houtopstanden.

43 Mitigatieplan De Grift en afrit 38 Waalspring Nijmegen | RA22215-01

Bijlage 2: Kaart mitigerende maatregelen

44 Mitigatieplan De Grift en afrit 38 Waalspring Nijmegen | RA22215-01

Bijlage 3: Stedenbouwkundig plan De Grift

45 Mitigatieplan De Grift en afrit 38 Waalspring Nijmegen | RA22215-01

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=04df8fd9-9a78-4d78-b4e8-37d02004402d