Mitigatieplan De Grift en afslag 35 Nijmegen
Tekst van het document
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen In het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon In opdracht van
Gemeente Nijmegen
Contactpersoon
Redmar van Steen
Datum
25 maart 2023
Kenmerk
RA22215-01
Aantal pagina’s
45
Status rapport
Definitief
Contactpersoon
Benjamin Backx
Telefoonnummer
06 1511 4537
info@ecoassist.nl Backx, B.J.A., 2023. Mitigatieplan De Grift en Afrit 38
Wijze van citeren
Waalsprong Nijmegen. In het kader van de Wet natuurbescherming. Rapport RA2215-01. Eco Assist, Helmond.
Eco Assist B.V.
Eco Assist is lid van het Netwerk Groene Bureaus:
Wildenborchlaan 62
brancheorganisatie voor kwaliteitsverbetering en
5709 RR Helmond
belangenbehartiging
06 15 114 537 info@ecoassist.nl www.ecoassist.nl Eco Assist B.V. is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Eco Assist; opdrachtgever vrijwaart Eco Assist voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. © copyright Eco Assist B.V. / Gemeente Nijmegen Dit rapport is vervaardigd op verzoek van Gemeente Nijmegen. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaand schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Eco Assist, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.
2
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
Inhoudsopgave
COLOFON ..................................................................................................................................... 2 INHOUDSOPGAVE ......................................................................................................................... 3 1.
INLEIDING ............................................................................................................................. 5
1.1 AANLEIDING ............................................................................................................................ 5 1.2 DOEL ...................................................................................................................................... 6 2.
PLANGEBIED & INGREEP ........................................................................................................ 7
2.1 LOCATIE .................................................................................................................................. 7 2.2 BESCHRIJVING ......................................................................................................................... 7 2.3 AANWEZIGE BESCHERMDE FUNCTIES ......................................................................................10 2.4 VOORGENOMEN INGREEP .......................................................................................................11 3.
ECOLOGISCH WERKPROTOCOL ..............................................................................................14
3.1 ALGEMENE ZORGPLICHT .........................................................................................................14 3.2 ALGEMENE BROEDVOGELS ......................................................................................................15 3.3 BOOMVALK EN SPERWER ........................................................................................................16 3.4 ROEK .....................................................................................................................................18 3.5 HUISMUS ...............................................................................................................................20 3.5.1 ALTERNATIEVE NESTPLAATSEN .............................................................................................20 3.5.2 VERBETEREN HABITAT HUISMUS ..........................................................................................22 3.5.3 HUISMUSVRIENDELIJK SLOPEN .............................................................................................24 3.6 STEENUIL ...............................................................................................................................24
3
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
3.7 KLEINE MARTERACHTIGEN & STEENMARTER ............................................................................25 3.8 GROTE MODDERKRUIPER & POELKIKKER .................................................................................29 3.9 GEWONE DWERGVLEERMUIS ..................................................................................................31 3.9.1 ALTERNATIEVE VERBLIJFPLAATSEN .......................................................................................31 3.9.2 TIJDELIJKE PAARVERBLIJFPLAATSEN .....................................................................................31 3.9.3 PERMANENTE VERBLIJFPLAATSEN ........................................................................................32 3.9.4 VLEERMUISVRIENDELIJK SLOPEN ..........................................................................................34 3.9.5 POTENTIËLE VLIEGROUTE .....................................................................................................36 3.10 OVERIGE MAATREGELEN .......................................................................................................36 3.10.1 TOOLBOX NATUURINCLUSIEF BOUWEN ..............................................................................37 3.11 NATUURKALENDER ...............................................................................................................38 4.
BRONNEN ............................................................................................................................39
BIJLAGE 1: WET- EN REGELGEVING................................................................................................40 BIJLAGE 2: KAART MITIGERENDE MAATREGELEN ...........................................................................44 BIJLAGE 3: STEDENBOUWKUNDIG PLAN DE GRIFT .........................................................................45
4
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
1. Inleiding 1.1 Aanleiding Gemeente Nijmegen gaat bedrijventerrein De Grift ontwikkelen binnen de Waalsprong. Daarbij dient ook de bestaande Afrit 38 van de A15 aangepast te worden. Uit onderzoeken uitgevoerd door bureau Waardenburg (Hoefsloot, 2022) en de voorbereidende onderzoeken voor de Waalsprong in zijn geheel is gebleken dat in het gebied beschermde functies aanwezig zijn of verwacht worden voor de boomvalk, sperwer, roek, huismus, vleermuizen, steenmarter, kleine marterachtigen, grote modderkruiper en poelkikker. Deze soorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. In het kader van de zorgplicht ( Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming) en om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen moeten bij de voorgenomen ingreep voor deze soorten mitigerende maatregelen worden getroffen. Dit zijn maatregelen die erop gericht zijn negatieve effecten op deze dieren zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te verzachten. Daarnaast dient men rekening gehouden met het broedseizoen om het verstoren van nesten van algemene broedvogelsoorten te voorkomen. Wanneer er geen maatregelen worden getroffen, kunnen werkzaamheden ertoe leiden dat verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden.
Om op een effectieve en efficiënte manier om te gaan met de (beschermde) diersoorten die in het gebied van de Waalsprong voorkomen, heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen op 19 maart 2019 het Soortenmanagementplan Nijmegen - De Waalsprong d.d. 4 februari 2019 (verder: SMP-N) vastgesteld. Op 8 mei 2019 heeft Gedeputeerde Staten van Gelderland besloten op basis van het SMP -N een ontheffing Wet natuurbescherming te verlenen. Naast dat het voldoen aan de Wet natuurbescherming en de ontheffing een wettelijke verplichting is, hecht de gemeente Nijmegen veel waarde aan biodiversiteit en het bieden van kansen voor flora en fauna. Voor het aanvullend opnemen van kleine marterachtigen in het SMP-N en de gebiedsontheffing is een wijzigingsaanvraag ingediend. Op 28 oktober 2020 is definitief besloten deze ontheffing te verlenen. Er is ontheffing verleend voor steenuil, kerkuil, ransuil, buizerd, roek, rugstreeppad, grote modderkruiper, poelkikker en kleine marterachtigen. Conform het SMP-N is het voornemen om in plangebied de Grift maatregelen te treffen voor de grote modderkruiper, poelkikker, kleine marterachtigen, roek en steenuil.
Om te werken volgens de bovenstaande documenten dienen de te nemen maatregelen om schade aan deze soorten te voorkomen wel geborgd te worden in een mitigatieplan. De basis daarvoor zijn de richtlijnen uit het soortenmanagementplan voor de Waalsprong (SMP -N) dat 5 Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
onderdeel uitmaakt van de ontheffing. Voor de boomvalk, sperwer, huismus, gewone dwergvleermuis en steenmarter welke geen onderdeel uitmaken van de gebiedsontheffing zijn
in het plangebied eveneens beschermde functies. Dit gebied is tevens beschermd middels de Wet natuurbescherming, waarmee ook mitigatie daarvan noodzakelijk is. In het plan moeten ook de ambities van de gemeente een plek krijgen om invulling te kunnen geven aan de plus zoals opgenomen in het soortenmanagementplan van gemeente Nijmegen.
1.2 Doel De voorliggende rapportage beschrijft de handelingen die moeten worden uitgevoerd om een overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Het rapport beantwoordt de volgende vragen: •
In welke periode(n) dienen de ingrepen uitgevoerd te worden om negati eve effecten op beschermde soorten en algemene broedvogels zoveel mogelijk te voorkomen?
•
Welke aanpassingen in de werkwijze moeten worden gedaan om negatieve effecten op beschermde soorten en algemene broedvogels zoveel mogelijk te voorkomen?
•
Welke voorwaarden moeten aan de ingrepen en inrichting gesteld worden om de functionaliteit van het leefgebied voor de aanwezige beschermde soorten te behouden?
Dit mitigatieplan dient als onderbouwing van te treffen maatregelen voor de ontheffingsaanvraag voor het onderdeel soortbescherming voor de boomvalk en sperwer. Voor de huismus, gewone dwergvleermuis en steenmarter worden de werkzaamheden uitgevoerd onder de goedgekeurde gedragscode voor gemeenten van Stichting Stadswerk. De werkwijze welke gevolgd dient te worden voor deze soorten om aan de gedragscode te voldoen is opgenomen in dit mitigatieplan en dient gevolgd te worden om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Voor de roek en kleine marterachtigen geldt dat deze vallen onder de gebiedsgerichte ontheffing voor de Waalsprong. Dit plan omvat (voor deze soorten) de maatregelen welke noodzakelijk zijn om te werken conform de voorschriften uit het ecologisch werkprotocol van het SMP-N dat onderdeel uitmaakt van deze ontheffing. De opgenomen werkwijze dient gevolgd te worden om te voldoen aan de eisen zoals gesteld in het SMP -N. Grote modderkruiper, poelkikker en steenuil zijn momenteel niet aanwezig maar er worden in het gebied conform het SMP-N wel maatregelen getroffen voor deze soorten. 6
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
2. Plangebied & ingreep 2.1 Locatie Het plangebied bestaat uit het plangebied voor bedrijfsterrein De Grift samen met het plangebied voor afrit 38, voor zover gelegen binnen de grenzen van gemeente Nijmegen (Gelderland). Griftdijk 234 is centraal in het plangebied gelegen. In Figuur 1 is de begrenzing van het plangebied weergegeven.
Figuur 1. Ligging van het plangebied, met de begrenzing in rood aangegeven. Bron ondergrond: OpenStreetMap, 2023.
2.2 Beschrijving Het plangebied is op te delen in vier deelgebieden, De Grift Noord, De Grift Zuid, De Grift West (zie Figuur 2) en Afrit 38 (zie Figuur 3). De deelgebieden hebben globaal de volgende eigenschappen: De Grift - Noord:
7
•
Watervoerende slootjes, akkers, ruig grasland en deels opgehoogde percelen.
•
Drie windturbines. Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
•
Verschillende woonhuizen en twee percelen met gebouwen (silo) van voormalige Boerderijen.
•
Bestaande infrastructuur onderhoudspad ontsluiting 252 en windturbines .
•
De Mussenhut, bezoekerscentrum windpark Nijmegen-Betuwe deel van een compensatie voor de huismus.
De Grift - Zuid: •
Bosje met struweel nabij de rotonde.
•
Enkele solitaire bomen en plukjes struweel verspreid over het perceel.
•
Een retentiewater met slootje aan de zuidzijde van het perceel.
•
Graslandpercelen, grotendeels opgehoogd.
De Grift - West:
8
•
Maïsakkers;
•
Een watergang aan de westzijde van het perceel.
•
Diverse plaatsen begroeit met braamstruweel.
•
Meerdere bedrijfsgebouwen.
•
Een woonhuis met tuin.
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
Figuur 2. Ligging deelgebieden van het plangebied uitbreiding bedrijventerrein De Grift. Bron: Beeldkwaliteitsplan, Gemeente Nijmegen.
Afrit 38: •
Grazige vlakke bermen of talud.
•
Moestuin bij Griftdijk 212 en een laurierhaag aan de overzijde daarvan.
•
Een grazige berm met solitaire jonge essen.
•
Een begroeide greppel langs de infrastructuur die niet jaarrond water bevat ter hoogte van bedrijventerrein De Rietgraaf.
•
Een watergang met watervegetatie direct ten noorden van de plas aan de zuidwestzijde van de A15.
•
Duiker onder de griftdijk door.
•
Een essenopstand met ondergroei van meidoorn en sleedoorn ten zuidwesten van de A15.
•
9
Het essenbos ten zuidoosten van de A15 met daarin een roekenkolonie.
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
Figuur 3. Schetsontwerp deelgebied Afrit 38. Bron: Gemeente Nijmegen.
2.3 Aanwezige beschermde functies Uit het onderzoek dat is uitgevoerd door Bureau Waardenburg is gebleken dat binnen het plangebied beschermde gebiedsfuncties aanwezig zijn voor de volgende soorten: •
Boomvalk: nestplaats in hoogspanningsmast buiten het plangebied, maar De Grift Noord maakt wel onderdeel uit van het essentieel foerageergebied.
•
Sperwer: nestplaats vermoedelijk in het roekenbosje (essenopstand ten westen van Griftdijk). Essentieel foerageergebied in dit bosje en tevens bij De Grift Noord.
•
Huismus: Griftdijk 10a, 55 en 212 en Stationsstraat 25 in totaal naar verwachting 17 nestplaatsen van de huismus. Erf van Griftdijk 212 vormt essentieel foerageergebied. De laurierhaag bij Griftdijk 55 is tevens belangrijk als rust- en slaapplek.
•
Vleermuizen: 1 verblijfplaats in gebruik als zomer- en paarverblijf van de gewone dwergvleermuis in Griftdijk 212. Het viaduct over de A15 en geleidende
10
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
groenstructuren hier naartoe zijn mogelijk een vaste vliegroute voor vleermuizen (is niet specifiek onderzocht). •
Steenmarter: verblijfplaats in garagebedrijf aan de Griftdijk 234, omliggende gebied maakt onderdeel uit van het foerageergebied.
Aanvullend dient er vanuit de onderzoeken welke uitgevoerd zijn in het kader van het SMP -N rekening gehouden te worden met de volgende soorten: •
Roek: nestplaatsen in het roekenbosje (essenopstand ten westen van de Grift), foerageergebied deels binnen plangebied, naar verwachting met name de bemeste gras- en bouwlanden in deelgebied De Grift Noord maar ook buiten het plangebied in een straal van 1500 m rondom de broedplek.
•
Steenuil: Conform het SMP-N zijn voor deze soort maatregelen voorzien langs de Rietgraaf en de A-watergang.
•
Kleine marterachtigen: bunzing, hermelijn en wezel maken mogelijk gebruik van het plangebied als leefgebied. In delen met dichte begroeiingen kunnen vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn, Hermelijn en wezel ook op plaatsen met ruigtevegetaties of lang gras.
•
Grote modderkruiper: de grote modderkruiper is in de vooronderzoeken niet aangetroffen in De Grift, maar wel in de Waalsprong. Voor de grote modderkruiper dient conform het SMP-N in de Waalsprong in totaal 2.400 m 2 waterstelsel en 2.200 m 1 geschikt leefgebied gerealiseerd te worden om de doelstelling uit het SMP -N te behalen. Dit moet deels in De Grift plaatsvinden.
•
Poelkikker: de poelkikker is in de vooronderzoeken alleen aangetroffen in deelgebied Zuiderveld en niet in De Grift. Zoals vastgesteld in het SMP-N heeft de gemeente de ambitie in de gehele Waalsprong 2.400 m 2 geschikte waterstelsels en 2.200 m 1 geschikt leefgebied voor de poelkikker te realiseren. Daartoe wordt ook naar kansen gezocht binnen De Grift.
2.4 Voorgenomen ingreep Informatie over de voorgenomen ingreep is aangeleverd door de gemeente Nijmegen. De gemeente Nijmegen wil binnen het plangebied een bedrijventerrein ontwikkelen met een bijbehorende aangepaste infrastructuur. In figuur 4 staat een impressie van de groenstructuren en de op tekening lege bouwvlakken. In Bijlage 3 is een grotere versie van het stedenbouwkundige plan opgenomen. Werkzaamheden die bij de ingreep plaats moeten gaan vinden bestaan voornamelijk uit:
11
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
•
In deelgebieden De Grift Noord en De Grift West worden diverse woningen en gebouwen gesloopt.
•
Er dient onderzoek plaats te vinden naar archeologie en ongesprongen explosieven.
•
Vegetatie waaronder struweel en bomen wordt (deels) verwijderd.
•
Greppels en watergangen worden gedempt.
•
Bedrijfskavels worden bouwrijp gemaakt en ontsluitingswegen worden aangelegd, onderdeel hiervan is ophoging van het maaiveld i.v.m. archeologische waarden en waterhuishouding van het nieuwe bedrijventerrein.
•
Realiseren nieuwe ontsluitingsweg aan de zuidoostzijde van de A15 , waarbij een deel van het essenbosje gekapt wordt.
Als onderdeel van het plan dient de afrit 38 van de A15 aangepast te worden om het nieuwe bedrijfsterrein beter bereikbaar te maken. Aan de zuid- en noordzijde van de A15 worden aanpassingen gemaakt aan de infrastructuur. Werkzaamheden die bij de ingreep plaats moeten gaan vinden bestaan voornamelijk uit: •
Aanbrengen fietslus aan de zuidwestzijde van de A15, middels onderdoorgang viaduct.
12
•
Aanbrengen ontsluitingsweg aan de zuidoostzijde van de A15 en verbreding rijbaan.
•
Kap van diverse solitaire essen langs de Griftdijk.
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
Figuur 4. Schetsontwerp blauw-groene structuren uit het Stedenbouwkundig plan voor De Grift. Bron: Beeldkwaliteitsplan, Gemeente Nijmegen.
13
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
3. Ecologisch werkprotocol In dit hoofdstuk is aangegeven welke maatregelen genomen worden om schade aan beschermde soorten en algemene broedvogels zoveel mogelijk te voorkomen. Voor zover de maatregelen op een specifieke plaats uitgevoerd worden die al vastligt zijn deze op luchtfo to weergegeven in Bijlage 2. Bij het treffen van mitigerende maatregelen wordt zoveel mogelijk het soortenmanagementplan voor de Waalsprong (SMP-N) en het bijbehorende werkprotocol gevolgd. Omdat dit ten grondslag ligt van de gebiedsgerichte ontheffing wordt met het volgen van de maatregelen uit het SMP-N voorkomen dat de Wet natuurbescherming overtreden wordt. Voor de boomvalk, sperwer, huismussen , steenmarter en vleermuizen welke geen onderdeel uitmaken van het SMP-N worden in het plan aanvullende maatregelen genoemd. Daarbij wordt voor de huismus, steenmarter en gewone dwergvleermuis de goedgekeurde gedragscode van Stadswerk gevolgd (Stadswerk, 2020). Daarnaast wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de richtlijnen uit de kennisdocumenten van BIJ12 (BIJ12, 2023 & BIJ12, 2017). Werken conform de eisen uit de goedgekeurde gedragscode en volgens de kennisdocumenten geeft een grote mate van zekerheid dat de mitigerende maatregelen voldoende zijn om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen.
Daarnaast wordt met het volgen van dit werkprotocol invulling gegeven aan de Algemene zorgplicht (Artikel 1.11) uit de Wet natuurbescherming. In alle gevallen moet een deskundige op het gebied van de aanwezige beschermde soorten en broedvogels ingeschakeld worden om de best passende methode en het beste moment te bepalen om de werkzaamheden uit te voeren en te controleren. Het verloop van de werkzaamheden dient vastgelegd te worden in een ecologisch logboek. Daarnaast moet dit ecologisch werkprotocol aanwezig zijn bij de werkzaamheden en alle betrokkenen dienen op de hoogte te zijn van de inhoud van dit ecologisch werkprotocol.
3.1 Algemene zorgplicht •
Bij het maken van de planning van de, in het kader van de ingreep, uit te voeren werkzaamheden wordt rekening gehouden met de kwetsbare perioden (voortplanting, migratie en winterrust) van de aanwezige beschermde soorten.
•
Afhankelijk van het seizoen en de weersomstandigheden kunnen de in deze rapportage genoemde kwetsbare perioden langer dan wel korter zijn. De geschiktheid van de periode voor het uitvoeren van de werkzaamheden dient te worden bepaald door een deskundige op het gebied van de betreffende soort(en).
14
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
•
Het ongeschikt of onaantrekkelijk maken van delen van het plangebied vindt plaats buiten de kwetsbare perioden van aanwezige beschermde soorten, om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen.
•
De werkzaamheden in het plangebied worden begeleid door een deskundige op het gebied van de aanwezige beschermde soort(en). In dit geval een broedvogel-, zoogdier-, vissen en amfibieëndeskundige.
•
Wanneer tijdens de werkzaamheden onverwachts beschermde soorten worden aangetroffen in het werkterrein dan dienen de werkzaamheden direct stilgelegd te worden en dient contact opgenomen te worden met een deskundige op het gebied van beschermde soorten. In overleg met de deskundige wordt bepaald of de werkzaamheden voortgezet kunnen worden en of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken.
3.2 Algemene broedvogels Binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan zijn broedvogels met jaarrond beschermde nesten aanwezig. Deze worden in de onderstaande paragrafen afzonderlijk behandeld. Naast vogels met jaarrond beschermde nesten kunnen andere broedvogelsoorten broedend worden verwacht in het plangebied tijdens het broedseizoen. Het verstoren van broedende vogels en het wegnemen of vernielen van eieren is niet toegestaan onder de Wet natuurbescherming. Een vaste broedperiode of -seizoen bestaat niet, de kans op aanwezigheid van broedende vogels is het grootst in de periode maart tot en met juli. De periode en duur van het broeden zijn afhankelijk van de vogelsoort en de weersomstandigheden. Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen daarom de volgende maatregelen te worden genomen: •
Werkzaamheden worden zoveel mogelijk uitgevoerd buiten het broedseizoen .
•
Indien niet buiten het broedseizoen gewerkt kan worden wordt voorafgaand aan de werkzaamheden door een deskundige vastgesteld of broedgevallen aanwezig zijn binnen de verstoringszone van de ingreep. Dit heeft voornamelijk betrekking op de periode van maart tot en met eind augustus. Dit wordt gedaan door te beoordelen of er binnen een straal van 50 meter van de werkzaamheden nesten aanwezig zijn. Wanneer er broedende vogels aanwezig zijn wordt op basis van de soort en afstand door de deskundige beoordeeld of de werkzaamheden tot verstoring kunnen leiden.
15
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
•
Wanneer blijkt dat broedgevallen aanwezig zijn binnen de verstoringszone van de werkzaamheden wordt in overleg met een deskundige op het gebied van broedvogels bepaald op welke wijze verstoring voorkomen wordt. Als dit niet mogelijk is dienen de werkzaamheden te worden uitgesteld tot alle jonge vogels zijn uitgevlogen en het nest niet meer in gebruik is.
•
Het is toegestaan om voorafgaand aan het broedseizoen maatregelen te nemen om broedvogels te ontmoedigen om in het plangebied en binnen de verstoringszone van de werkzaamheden te nestelen. Omdat er in het grootste gedeelte van het plangebied geen jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn leidt dit niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Locaties met nesten van sperwer, roek en huismus moeten hierbij ontzien worden, zie onderstaande paragraven voor concrete maatregelen voor deze soorten. Het ontmoedigen kan worden gedaan door de vegetatie zoveel mogelijk te verwijderen, eventuele rommelhoekjes te verwijderen en de ondergrond te egaliseren. Hierdoor is er voor vogels weinig beschutting aanwezig en neemt de kans op broedgevallen sterk af. Deze maatregelen mogen alleen getroffen worden in delen van het gebied waar is vastgesteld door een deskundige dat hier nog geen broedgevallen aanwezig zijn.
3.3 Boomvalk en sperwer De boomvalk heeft een broedplaats in een hoogspanningsmast buiten het plangebied. De sperwer vermoedelijk ergens in het roekenbosje, de exacte locatie is niet gevonden tijdens het onderzoek. Mogelijk gaat deze verloren als gevolg van het kappen van een deel van het roekenbosje, maar de verwachting is dat er voldoende ruimte behouden blijft voor deze soort om hier alsnog te kunnen broeden. Desondanks wordt ook ingezet op het aanbieden van extra broedgelegenheid voor beide soorten in het plangebied. Deelgebied De Grift Noord maakt daarnaast voor beide soorten onderdeel uit van het foerageergebied. Beide soorten jagen hier op insecten en broedvogels, maar jagen ook in gebieden ten noorden van de A15. Toch is het wenselijk maatregelen te treffen in De Grift Noord en de rest van het plangebied om hier het voedselaanbod te verhogen in het resterende groen om te garanderen dat beide soorten voldoende voedsel kunnen blijven vinden in hun territoria. Daartoe worden de volgende maatregelen genomen: •
De randen van het roekenbosje dat behouden blijft na de ingreep worden versterkt door de ontwikkeling van een mantel-zoomvegetatie. Waarbij met name gezorgd wordt voor een goede struweellaag met soorten als veldesdo orn en meidoorn. Deze trekken broedvogels en insecten aan welke op hun beurt voedsel vormen voor de sperwer en boomvalk. Daarnaast kan hiermee voorkomen worden dat het bosje meer
16
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
betreden gaat worden of hier wandelroutes ontstaan welke leiden tot verstorin g van het broedgebied van de sperwer. •
Het te behouden gedeelte van het roekenbosje wordt opgewaardeerd door gericht ontwikkelingsbeheer. Dit sluit aan bij de ambities van de gemeente die dit bosje ook een prominente plaats heeft gegeven in de gebiedsvisie. Momenteel is er echter veel achterstallig onderhoud met veel relatief jonge bomen dicht op elkaar en veel omgevallen bomen erin. Door het bosje uit te dunnen krijgen de resterende bomen de mogelijkheid verder door te groeien en kunnen een hogere leeftijd bereiken. Op zonnige open plekken die in het bos ontstaan dient struweel aangeplant te worden waardoor er een waardevollere ondergroei ontstaat met meer beschutting en ook een groter voedselaanbod voor boomvalken en sperwers.
•
In de oksel van afrit 38 worden tenminste 10 dichte struiken met een uiteindelijke hoogte van minimaal 7 meter geplant welke geschikt zijn als zitplek en broedplaats voor de sperwer en boomvalk. Bij aanplant moet al gebruik gemaakt worden van grote maten van tenminste 3 meter hoogte om te zorgen dat de ontwikkelingstijd niet te lang is. De exacte plantlocatie wordt afgestemd op de ruimte die vrijgekomen is bij de aanleg van het fietspad. Daarbij wordt het bestaande bosje zoveel mogelijk gespaard. De extra struiken worden hier bijgeplant aan de randen dan wel bij de gaten welke ontstaan zijn in het bosje.
•
Net ten westen van het nieuw aan te leggen fietspad in de oksel van afrit 38 wordt 0,6 ha kruidenrijk grasland aangelegd om het voedselaanbod in de vorm van insecten, broedvogels en kleine knaagdieren te vergroten. In dit grasland worden twee hooiruiters aangelegd welke iedere maaironde aangevuld worden. Hierdoor ontstaan er hotspots met muizen, waar vooral in de winter veel roofdieren (waaronder de boomvalk en sperwer) kunnen profiteren door extra voedsel te vinden.
•
Over een lengte van ongeveer 900 meter aan de noordzijde en westzijde van deelgebied De Grift Noord wordt een natuurstrook aangelegd. Deze zal bestaan uit een natuurvriendelijk ingerichte watergang aangelegd met brede natuurvriendelijke oevers. Aansluitend komt er een brede strook kruidenrijke graslandvegetatie die zowel bloemrijk is als deels bestaat uit soorten met granen en zaden als wintervoedsel. Daarboven komt tussen de bestaande A-watergang en de natuurstrook een brede zoom met rietland en kruidenrijk grasland welke onderbroken wordt door groepjes bomen en struweel. Hiermee wordt het aanbod insecten en broedvogels sterk verhoogd ten opzichte van de huidige situatie, waarmee ook het voedselaanbod voor de boomvalk en sperwer op niveau gehouden wordt.
17
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
•
De groen-blauwe structuur welke overal door het gebied heen komt te liggen (zie Bijlage 3) draagt tevens bij aan extra nest- en foerageergelegenheid voor de boomvalk en sperwer.
•
Werkzaamheden binnen de verstoringszone van de nestplaatsen (75 m) mogen alleen uitgevoerd worden buiten het broedseizoen. Voor de boomvalk loopt deze meestal van mei tot en met juni, voor de sperwer van eind april tot en met juni.
•
Toe te passen verlichting mag geen uitstraling op het groen hebben zodat mogelijke nestplekken niet verstoord worden.
Figuur 5. Kaart met mitigerende maatregelen voor boomvalk en sperwer, inclusief maatregelen voor andere soorten welke ook gunstig zijn voor deze soorten.
3.4 Roek Er is een kolonie roeken aanwezig welke broedt in het roekenbosje wat bestaat uit de essenopstand ten westen van de Griftdijk. Tijdens de monitoring in 2022 waren hier 44 nesten aanwezig. Ten behoeve van het plan verdwijnt een strook van de rand van het bosje aan de westzijde en moet een punt verdwijnen aan de zuidzijde om de nieuwe weg en het fietspad te kunnen realiseren. Daarnaast foerageren roeken in de regel in een straal van 1500 m rondom hun nestplaats. Een deel van het foerageergebied overlapt daarmee met het gebied dat ingericht zal gaan worden als bedrijventerrein.
18
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
Om de roek op deze locatie te kunnen behouden worden de volgende maatregelen voorgesteld: •
Het versterken van de randen van het roekenbosje met een mantel-zoomvegetatie zoals voorgesteld in paragraaf 3.3.
•
Opwaardering van de kwaliteit van het roekenbosje zoals voorgesteld in paragraaf 3.3. Aanvullend dienen daarbij in overleg met een roekendeskundige toekomstbomen aangewezen te worden voor de roek. Bij dunningen worden de directe concurrenten van deze toekomstbomen verwijderd tenzij hier op dat moment ook roekennesten in aanwezig zijn. De geselecteerde bomen kunnen daarmee veder uitgroeien.
•
Aanplanten van minimaal tien grote struiken in de oksel van afrit 38 zoals voorgesteld in paragraaf 3.3. Bij voorkeur worden hier ook een paar bomenclusters gerealiseerd met een mantel-zoomvegetatie. Hiermee ontstaan er voor de toekomst meer uitwijkmogelijkheden voor de roeken die zich nu ophouden in het roekenbosje. De boomsoort is niet bepalend, zolang deze maar stevige takvorken heeft enkele meters boven het maaiveld is deze geschikt voor roeken als nestboom.
•
Het kruidenrijk grasland dat aangelegd wordt bij Afrit 38 zoals voorg esteld in paragraaf 3.3 vergroot ook het voedselaanbod voor de roek in de vorm van insecten en zaden.
•
Conform het SMP-N wordt geadviseerd om het gebied in de oksel van de oprit van de A15 ten noorden van het roekenbosje verbeterd als foerageergebied voor d e roek. Dit wordt gedaan door hier te zorgen voor de ontwikkeling van nieuwe nestbomen, met soorten als essen en populieren. Het beheer moet worden ingezet op bomengroepen met een hoogte van tenminste 15-20 meter met voldoende takvorken. In de praktijk zullen de meeste van deze bomen pas bij een leeftijd van minimaal 20 jaar dienst kunnen doen als nestboom voor roeken. Dit gebied valt wel buiten het grondgebied van gemeente Nijmegen, waardoor medewerking van de terreineigenaar doorslaggevend is of dit uitvoerbaar is.
•
De groen-blauwe structuur welke overal door het gebied heen komt te liggen (zie Bijlage 3) draagt tevens bij aan extra nest- en foerageergelegenheid voor de roek.
•
Bij werkzaamheden binnen de verstoringszone van de nestplaatsen (75 m) mogen deze alleen uitgevoerd worden buiten het broedseizoen. Voor de roek loopt deze meestal van februari tot en met juli. Activiteiten die effect hebben op het voor voortplanting gebruikte nest van de roek moeten daarom plaatsvinden in de periode augustus tot en met januari.
•
Er mag geen uitstraling van verlichting op het groen plaatsvinden zodat potentiële nestplekken van de roek niet verstoord raken.
19
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
Figuur 6. Kaart met mitigerende maatregelen voor de roek, inclusief maatregelen voor andere soorten welke ook gunstig zijn voor deze soort.
3.5 Huismus Bij de Griftdijk 10a, 55 en 212 en Stationsstraat 25 worden op basis van het uitgevoerde onderzoek in totaal 17 nestplaatsen van de huismus verwacht. Het erf van Griftdijk 212 vormt essentieel foerageergebied voor deze huismussen. Daarnaast is de laurierhaag welke aanwezig is bij Griftdijk 55 momenteel tevens belangrijk als rust- en slaapplek. Negatieve effecten op huismussen kunnen optreden doordat bij de sloop van de woningen met huismussennesten de huismussen worden verstoord, verwond en gedood. Daarnaast leidt de sloop tot het verdwijnen van zestien jaarrond beschermde nesten van de huismu s. Bij de toekomstige inrichting van het gebied gaat daarnaast het bestaande functionele leefgebied, bestaande uit foerageergebied, rust- en slaapplaatsen verloren. Om negatieve effecten op de huismus te voorkomen dienen de onderstaande maatregelen uitgevoerd te worden.
3.5.1 Alternatieve nestplaatsen Voor elke nestplaats die aangetast of verwijderd worden moeten minimaal twee nieuwe nestplaatsen aangeboden worden. Omdat het noodzakelijk is eerst de huidige woningen met verblijfplaatsen te slopen voordat er nieuwbouw plaats kan vinden worden eerst tijdelijke nestplaatsen aangeboden. Later worden deze vervangen door permanente broedplaatsen in 20
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
de nieuwbouw. In totaal dienen minimaal 34 nieuwe broedplaatsen aangebracht te worden. Voor de alternatieve nestplaatsen moeten voldoen aan de volgende voorwaarden: •
Ze moeten minimaal drie maanden voor het ongeschikt maken van de oorspronkelijke nestplaatsen in de woningen en de start van de werkzaamheden aanwezig zijn, om de vogels te laten wennen aan de nieuwe voorzieningen.
•
Er moeten meerdere nestplekken bij elkaar aangeboden worden. Zorg dat de openingen minimaal 50 centimeter uit elkaar liggen; dit kan dichter bijeen, maar zorg er dan voor dat de nestingang niet zichtbaar is voor de huismus die in de andere nestingang zit.
•
Ze dienen zo dicht mogelijk bij de locatie van de oorspronkelijke verblijfplaats te worden geplaatst en als dat niet mogelijk is, dan in de directe omgeving (in de regel binnen 200 meter, bij uitzondering 500 meter maar dat is afhankelijk van het gebied en de situatie ter plekke) van de oorspronkelijke nestplaats en buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden liggen.
•
Nestplaatsen dienen op minimaal 2 meter hoogte geplaatst te worden. En er moet voldoende veiligheid aanwezig zijn tegen predatoren. Dit geldt voor de nestplaatsen zelf maar ook dat er voldoende opgaand groen in de directe omgeving aanwezig is als dekking voor adulten of (net uitvliegende) juvenielen.
•
Er moet een passende broedruimte aangeboden worden. Uit literatuur blijkt dat de huismus een gemiddelde binnenste nestruimte heeft met een diameter van 9,6 cm met daaromheen nestmateriaal van minimaal een centimeter. Een kunstmatige nestruimte is geschikt waarin een dergelijk nest past. Daarom geeft een kunstmatige nestruimte van minimaal 12,5 x 12,5 x 12,5 cm en een invliegopening met een diameter van 3,4 cm een huismus voldoende ruimte voor het maken van een nest. Aangezien een huismus zich gemakkelijk aanpast aan de aanwezige broedruimte, is het situatieafhankelijk of een nestruimte met een lagere hoogte ook als vervangende nestplaats kan functioneren.
•
In het geval van een nestruimte onder een dakpan, kan een hoogte van minimaal 8 centimeter als richtlijn worden aangehouden tussen de dakplaat en de onderzijde van de dakpan.
•
De nestplaatsen dienen op een voor de huismus geschikte wijze en plek worden aangebracht. Zo mogen ze niet te heet worden in de middagzon, maar zich ook niet op een te koude locatie bevinden: voorkeur heeft een noord of oost positie of een ligging in de schaduw van een dakgoot, een dakoverstek of iets dergelijks. Temperatuurverloop in nestplaatsen van huismus wordt namelijk bepaald door de oriëntatie van deze nestplaatsen.
21
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
•
Dat er in de directe omgeving van de nieuwe nestplaats continu voldoende dekking aanwezig is (daarbij is van het opgaande groen een hoogte van 2 á 3 meter gewenst voor voldoende effectiviteit) en dat er altijd (zo mogelijk binnen 100 meter, bij voorkeur binnen 50 meter) voldoende geschikt voedsel en potentiële slaapplaatsen beschikbaar zijn.
•
Dat ze van voldoende duurzaam materiaal zijn en op een voldoende duurzame wijze worden geïntegreerd, bevestigd of ingemetseld worden. Wanneer onderhoud nodig is dient dit tijdig plaats te vinden om de nestplaatsen functioneel te houden.
•
Dat het materiaal waarvan ze zijn gemaakt niet behandeld is met chemische middelen.
De planning van de sloop van de woningen met huidige nestplaatsen is nog niet precies bekend. De nestplaatsen dienen zo lang mogelijk in stand gehouden te worden. Daarnaast worden de woningen bij voorkeur gefaseerd gesloopt zodat niet alle nestplaatsen in dezelfde periode worden opgeheven. De tijdelijke nestplaatsen worden aangeboden middels tijdelijke nestkasten welke aan bestaande gebouwen geplaatst worden. De exacte plaatsen voor de tijdelijke nestkasten dienen in het veld onder begeleiding van een huismussendeskundige bepaald te worden. Hierbij dient aan de bovenstaande richtlijnen te worden voldaan. Als permanente mitigatie van de nestplaatsen van de huismus worden minimaal 3 4 geschikte broedplaatsen voor de huismus aangebracht onder de dakpannen in de constructie van het nieuwe nutsgebouw dat gerealiseerd wordt bij de eerste windmolen aan de noordwestzijde van De Grift Noord. Dit gebeurt onder begeleiding van een broedvogeldeskundige conform de bovenstaande voorschriften.
3.5.2 Verbeteren habitat huismus •
Bij het inrichtingsplan van het terrein rondom het nieuwe nutsgebouw met alternatieve nestplaatsen wordt in het bijzonder aandacht besteed aan het aanbrengen van geschikt habitat voor de huismus. In samenspraak met een huismusdeskundige wordt een beplantingsplan opgesteld waarbij wordt gezorgd voor voldoende rust- en slaapplekken. Deze moet grotendeels bestaan uit groenblijvende heesters. Dit wordt onder andere gedaan door de aanplant van een haag of meerdere hagen met een totale omvang van minimaal 20 meter lang. De hagen moeten uit kunnen groeien tot een hoogte van tenminste 2 a 3 meter. Deze worden aangeplant binnen maximaal 5 a 10 meter van de nieuwe broedplekken. Geschikte soorten hiervoor zijn bijvoorbeeld meidoorn, veldesdoorn, liguuster of taxus.
22
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
•
Het nuts gebouw wordt daarnaast voorzien van gevelgroen in de vorm van vuurdoorn of klimplanten als klimop en wingerd.
•
De opwaardering van het roekenbosje, de natuurstrook die ontwikkeld wordt en het overige groen uit de groen-blauwe structuur (zie Figuur 4) gaan bijdragen aan voldoende voedselaanbod voor de huismussen. De watergang garandeert voldoende drinkwater. Daarnaast is in het beeldkwaliteitsplan vastgesteld dat bij alle bedrijven het inrichten van parkeerplaatsen zoveel mogelijk plaats moet gaan vinden door middel van halfverharding. Hierdoor ontstaat er veel extra foerageergelegenheid omdat hier te foerageren. Hier kunnen algemene kruiden (onkruid) als bron dienen voor zaden en kleine zachte insecten. Algemene soorten als straatgras, herderstasje en weegbree zijn favoriete kruiden van huismussen welke rijkelijk kunnen groeien in de halfverharding. Ook moeten alle bedrijven op de erfgrens een minimaal 2 meter brede strook beplanten met bomen en opgaand groen, en aan de voorzijde een groene strook inrichten van tenminste 8 meter breed. Deze gaan tevens bijdragen aan een geschikte leefomgeving voor huismussen.
•
De groen-blauwe structuur welke overal door het gebied heen komt te liggen (zie Bijlage 3) draagt tevens bij aan extra slaapplekken en foerageergelegenheid voor de huismussen.
Figuur 7. Kaart met mitigerende maatregelen voor de huismus, inclusief maatregelen voor andere soorten welke ook gunstig zijn voor deze soort.
23
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
3.5.3 Huismusvriendelijk slopen •
Het ongeschikt maken van de nestplaatsen van de huismus onder de daken van de woningen en het verwijderen van het groen rondom deze gebouwen dient plaats te vinden buiten de meest kwetsbare periode van de huismus. De huismus gebruikt zijn nest jaarrond waardoor het gehele jaar aangemerkt kan worden als kwetsbare periode. De meest kwetsbare periode hierbinnen is de voortplantingsperiode. Deze loopt normaal gesproken van maart tot en met augustus. Indien sprake is van late vervolglegsels kan september ook aangemerkt worden als voortplantingsperiode.
•
Perioden met extreme koude in de winter kunnen ook aangemerkt worden als kwetsbare periode voor huismussen. Op die momenten worden de nesten gebruikt om te schuilen tegen de kou.
•
Het ongeschikt maken moet voor de start van de werkzaamheden en na het tijdig realiseren van vervangende nest- en rust gelegenheid gebeuren. Wanneer de activiteiten plaatsvinden in het broedseizoen moet uiterlijk twee weken voorafgaand aan het broedseizoen de nestplaatsen ongeschikt gemaakt en gehouden worden om te voorkomen dat deze bewoond zijn tijdens de uitvoering van de activiteiten.
•
Als gewerkt wordt buiten het broedseizoen geldt dat gestart mag worden met het ongeschikt maken van de nest- en rustplaatsen als geconstateerd is dat de nest(en) zijn verlaten en er geen sprake is van een koude periode. In alle gevallen moet een huismusdeskundige worden ingeschakeld om onder de benodigde ontheffing de best passende methode en het beste moment te bepalen, uit te voeren en te controleren.
3.6 Steenuil In het SMP-N is ter compensatie van het jachtgebied dat verloren is gegaan zuiden van plangebied opgenomen dat in de groenstrook aan de westzijde van deelgebied De Grift West een rij knotwilgen wordt aangeplant. Middels extensief maaibeheer in de ruimte onder en rondom de knotwilgen wordt een ruigtevegetatie ontwikkeld. Bij het afzetten (knotten) van de wilgen worden de takken tussen de bomen verwerkt als takkenril. Daarmee wordt het een aantrekkelijk gebied voor kleine zoogdieren, vogels en insecten als leefgebied. Deze vormen vervolgens weer het voedsel voor de steenuilen en andere predatoren, zoals tornvlak, boomvalk en kleine marterachtigen.
24
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
Figuur 8. Kaart met mitigerende maatregelen voor de steenuil, inclusief maatregelen voor andere soorten welke ook gunstig zijn voor deze soort.
3.7 Kleine marterachtigen & steenmarter Bij de voorgenomen ingreep gaan geschikte en marginaal geschikte leefgebieden van kleine marterachtigen deels verloren. Deze gebieden zijn vastgesteld als onderdeel van de nulmeting voor het SMP-N. In het SMP-N is binnen het plangebied voor De Grift en Afrit 38 gezamenlijk ongeveer 7,5 ha aan geschikt leefgebied voor kleine marterachtigen voorzien en een netwerk aan verbindingen tussen deze leefgebiedjes om versnippering tegen te gaan (zie Figuur 9).
25
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
Figuur 9. Kaart van het plangebied met daarom de delen welke conform het SMP-N geoptimaliseerd dienen te worden als leefgebied voor kleine marterachtigen en de verbindingsroutes welke gerealiseerd dienen te worden.
Voor de steenmarter gaan geen bekende verblijfplaatsen verloren maar wordt het foerageergebied wel aangetast als er geen maatregelen getroffen worden. Aanvullend dient tijdens de werkzaamheden het doden en verwonden van kleine marterachtigen en steenmarters voorkomen te worden. Om dit te bereiken worden de volgende maatregelen getroffen: •
De bestaande groene structuur ten noorden van huidige bedrijventerrein dat nu bestaat uit een robuuste groenstructuur met een watergang bomen en ruigte wordt zoveel mogelijk behouden en versterkt, door een zoomvegetatie toe te voegen.
•
Binnen de aan te leggen groen-blauwe structuur op het bedrijfsterrein wordt gezorgd dat deze geschikt en bij voorkeur optimaal geschikt wordt voor kleine marterachtigen. Delen die in Figuur 5 als optimaal zijn aangemerkt dienen tenminste
26
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
zodanig ontwikkeld te worden dat deze geschikt zijn als leefgebied en verbindingszone voor bunzing, hermelijn en wezel. Dit wordt binnen de gehele groenstructuur gedaan door te zorgen dat er overal voldoende dekking aanwezig is en het (maai)beheer afgestemd wordt op de gevoelige periode van kleine marterachtigen en het behoud van voldoende habitat met dekking in de winter. Dit wordt onder andere gedaan door: o
Het versterken van de randen van het roekenbosje met een mantelzoomvegetatie zoals voorgesteld in paragraaf 3.3
o
In de oksel van afrit 38 de vegetatie en het beheer in het gebied in het centrum van het aan te leggen fietspad af te stemmen op kleine marterachtigen. Voornamelijk door niet te maaien in de periode van 15 maart tot en met eind augustus en kleine stroken afwisselend over te slaan zodat niet alle dekking verdwijnt, met name bij de laatste maaibeurt voor de winter.
o
Het kruidenrijk grasland dat aangelegd wordt bij Afrit 38 zoals voorgesteld in paragraaf 3.3. is geschikt als leefgebied voor kleine marterachtigen en heeft een verhoogd voedselaanbod. De hooiruiters kunnen een sterke bijdrage leveren als schuilplaats en voedsel hotspot voor de populatie om de wintermaanden door te komen.
o
De natuurstrook welke over een lengte van ongeveer 900 meter wordt aangelegd aan de noordzijde en westzijde van deelgebied De Grift Noord.
o
De overige beplanting en het maaibeheer van alle bermen en groenstroken tussen de gebouwen af te stemmen op voldoende dekking en beschutting voor kleine marterachtigen. Dat wil zeggen niet alles in een maaironde gelijktijdig verwijderen en te zorgen dat er voldoende gespaard wordt bij de laatste maaironde voor het einde van het groeiseizoen.
o
In deelgebied De Grift West aan ze westzijde over een lengte van ongeveer 250 meter een rij knotwilgen aan te planten. Door hier een dichte ondergroei van laag struweel met een zoomvegetatie te ontwikkelen wordt het een aantrekkelijk leefgebied voor kleine marterachtigen. Tevens kan dit een goede stepping -stone vormen voor dieren welke zich verplaatsen via de oevers van de Riergraaf.
o
Net ten zuiden van de nieuwe ontsluitingsweg voor De Grift Noord een extra stukje te optimaliseren door de aanplant van veel grote struiken met een dichte ondergroei. Hiermee wordt gecompenseerd de oppervlakte die in de oksel van Afrit 38 mogelijk niet gerealiseerd wordt.
o
In het roekenbosje op drie plaatsen marterhopen aan te leggen van tenminste 1,5 meter hoog en 2 meter breed. In de marterhoop wordt een steenmarterkast (kraamkast) verwerkt zodat er extra verblijfplaatsen ontstaan en er
27
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
mogelijkheden zijn voor de dieren om de werkzaamheden te ontvluchten. In dezelfde hopen kunnen marterachtigen aanvullende verblijfplaatsen en voedsel in de vorm van muizen vinden. •
Voor kleine marterachtigen een geschikte faunapassage te realiseren door de duiker onder De Griftdijk (vanuit het Roekenbosje) daarvoor geschikt te maken. Als dit niet mogelijk is wordt een faunatunnel onder deze weg door aangelegd om de gebieden voor marters en vele andere soorten met elkaar te verbinden. Ook dienen er faunapassages aangelegd te worden onder de weg de Rietgraaf door naar het zuiden toe en het fietspad om dit leefgebied te ontsnipperen en het risico op aanrijdingen te beperken (zie Figuur 10).
Figuur 10. Kaart met mitigerende maatregelen voor kleine marterachtingen en steenmarter, inclusief maatregelen voor andere soorten welke ook gunstig zijn voor deze soorten. •
Op plaatsen waar grondwerkzaamheden plaatsvinden tijdens de kwetsbare periode van kleine marterachtigen (15 maart tot 1 september) voorafgaand aan deze periode het gebied ongeschikt te maken voor kleine marters en steenmarters. Hiermee wordt voorkomen dat er in het plangebied rustplaatsen en voortplantingsplaatsen in gebruik genomen worden. Dit kan door opgaande begroeiing en potentiële
28
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
rustplaatsen te verwijderen en de vegetatie daarna om te ploegen dan wel kort te houden. Uiteraard dient snoeiafval direct afgevoerd te worden of buiten het werkterrein te worden opgeslagen. Als er depots van takken of s tobben worden gemaakt mogen deze vervolgens alleen buiten de kwetsbare periode verplaatst en afgevoerd te worden. Dit omdat juist deze structuren zeer aantrekkelijke zijn voor kleine marterachtigen en steenmarters om te gebruiken als rust- en verblijfplaats. •
Bij het kappen van de bomen, verwijderen van de ondergroei en eventuele maai - of graafwerkzaamheden zoals altijd één kant op te werken. Hierdoor hebben dieren altijd de mogelijkheid om te vluchten zonder in de verdrukking te komen. Voor kleine marterachtigen moet er aanvullend rekening mee worden gehouden dat de zijde waar niet gewerkt wordt wel voldoende dekking biedt om vluchten mogelijk te maken. Open vlakten durven ze vaak niet over te steken als ze in paniek zijn. Wanneer er te weinig dekking is kan deze tijdelijk worden aangeboden door middel van bijvoorbeeld takkenbossen.
•
Voorafgaand aan grondwerkzaamheden het betreffende perceel buiten de kwetsbare periode van kleine marterachtigen en steenmarters (15 maart tot en met 31 augustus) ongeschikt te maken door het te maaien (5 cm boven het maaiveld) en het maaisel direct af te voeren. Zo wordt voorkomen dat tijdens de grondwerkzaamheden nog dieren aanwezig zijn. Ook hierbij wordt één kant op gemaaid zoals hierboven beschreven. Daarnaast is het van belang indien van toepassing van binnen naar buiten te maaien en nooit van buiten naar binnen (om insluiten van dieren te voorkomen).
•
Bij het toepassen van verlichting mag deze niet uitstralen op het groen om te zorgen dat dit geschikt leefgebied blijft voor nachtactieve kleine marterachtigen.
3.8 Grote modderkruiper & poelkikker Voor zowel de grote modderkruiper als de poelkikker zijn verschillende sloten in het plangebied potentieel geschikt als leefgebied. Van de poelkikker is tijdens de monitoring in 2022 alleen een exemplaar aangetroffen in het Spiegelbos. De soort is momenteel niet aanwezig in het plangebied. Voor de grote modderkruiper heeft het laatste eDNA onderzoek in het plangebied plaatsgevonden in 2020, waarbij de soort niet is aangetroffen. Het is niet te verwachten dat er momenteel grote modderkruipers aanwezig zijn in het plangebied. Grote modderkruipers kunnen echter gemist worden bij onderzoeken omdat ze zeer lastig waar te nemen zijn. Vanuit de algemene zorgplicht is het noodzakelijk maatregelen te treffen om het doden en verwonden van vissen en amfibieën te voorkomen. Mochten er onverwachts toch grote modderkruipers aanwezig zijn in het plangebied dan worden die weggevangen en verplaatst. Hiermee wordt het doden en verwonden van de dieren 29
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
voorkomen. Overige maatregelen zijn voornamelijk gericht op het realiseren van geschikt leefgebied voor beide soorten om de doelstelling uit het SMP-N te bereiken. Omdat beide soorten van hetzelfde habitat gebruik kunnen maken wordt deze opgave gecombineerd uitgevoerd. De volgende maatregelen worden getroffen: •
In de natuurstrook welke wordt ingericht aan noord- en oostzijde van deelgebied De Grit Noord wordt gescheiden van de waterberging (m.u.v. 1 á 2 aantakkingen voor uitwisseling bij hoger water) een watergang van ongeveer 900 m aangelegd. Deze wordt zo geprofileerd en beheerd dat deze geschikt habitat gaat vormen voor de grote modderkruiper. Via omliggende watergangen wordt ervoor gezorgd dat uitwisseling met andere geschikte leefgebieden mogelijk is om te zorgen dat de dieren de locatie kunnen bereiken, maar ook om te voorkomen dat een geïsoleerde populatie ontstaat wat tot genetische verarming en kwetsbaarheid voor calamiteiten zorgt. De watergang krijgt brede natuurvriendelijke oevers. De exacte uitwerking dient nog plaats te vinden, maar uitgangspunt is dat deze oevers een breedte van ongeveer 3,5 meter krijgen welke trapsgewijs oplopen. Deze dienen goed begroeid te raken om geschikt habitat te vormen voor de grote modderkruiper. Daartoe is de noordzijde van de watergang het meest gunstige en dient ook reke ning gehouden te worden met de eventuele schaduwwerking van gebouwen nabij de watergang. Deze mag slechts in beperkte mate optreden. Door het op grote modderkruipers gerichte beheer wordt een goed ontwikkelde vegetatie met water- en oeverplanten gerealiseerd. Hierdoor ontstaat tevens optimaal voortplantingsbiotoop voor de poelkikker.
Het aanleggen van deze watergang vindt plaats onder begeleiding van een deskundige op het gebied van de grote modderkruiper en poelkikker.
•
Bij het dempen of vergraven van watergangen in het plangebied worden deze afgedamd en leeggepompt. Daartoe moet de pomp worden voorzien van een zuigkorf of de mond van de slang in een fijnmazige mand geplaatst. Daarmee wordt voorkomen dat dieren de pomp worden ingezogen en gewond raken dan wel gedood worden.
•
Voorafgaand aan het leegpompen van de laatste 25 cm water en het dempen van de watergang wordt deze zoveel mogelijk vrijgemaakt van alle amfibieën en vissen. Deze dieren worden voor zover aanwezig door een deskundige op het gebied van amfibieën en vissen weggevangen en teruggeplaatst in geschikte biotopen in de directe omgeving.
•
Het leegpompen en dempen van de watergang mag totdat deze volledig is afgevist alleen uitgevoerd worden bij een watertemperatuur van meer dan 0 ᵒC en lager dan 25 ᵒC.
30
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
Figuur 11. Kaart met mitigerende maatregelen voor de grote modderkruiper en poelkikker.
3.9 Gewone dwergvleermuis 3.9.1 Alternatieve verblijfplaatsen Binnen het plangebied is een verblijfplaats van een gewone dwergvleermuis aanwezig bij Griftdijk 212 welke in gebruik als zomer- en paarverblijf welke verloren zal gaan ten gevolge van de ingreep. In deze paragraaf wordt omschreven op welke wijze negatieve effecten ten gevolge van het aantasten van deze verblijfplaats zoveel mogelijk voorkomen kan worden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen tijdelijke verblijfplaatsen en permanente voorzieningen.
3.9.2 Tijdelijke paarverblijfplaatsen Bij het mitigeren van een paarverblijfplaats / kleine zomerverblijfplaats moet er conform het kennisdocument minimaal vier alternatieve verblijfplaatsen aangeboden te worden. Het realiseren van permanente alternatieve verblijfplaatsen in een gebouw kan pas plaatsvinden zodra er nieuwbouw gerealiseerd wordt, wat pas weer plaats kan vinden nadat het gebouw met de bestaande verblijfplaats gesloopt wordt. Daarom is ervoor gekozen om nu al te mitigeren door middel van het plaatsen van tijdelijke vleermuiskasten welke geschikt zijn als paar- en kleine zomerverblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis. Daartoe heeft Bureau 31
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
Waardenburg in opdracht van gemeente Nijmegen in april 2022 al 20 tijdelijke vleermuiskasten geplaatst verspreid door het plangebied (zie Figuur 12). Dat zijn er veel meer dan de minimaal 4 kasten die noodzakelijk zijn ter mitigatie van de verblijfplaats welke verloren gaat. Voor details met betrekking tot de locaties en de uitvoering van de werkzaamheden wordt verwezen naar het veldverslag van Bureau Waardenburg (M. Dorenbosch, 2022a).
Figuur 12. Luchtfoto met daarop de locaties van de tijdelijke vleermuiskasten. Bron: Bureau Waardenburg, 2022a.
3.9.3 Permanente verblijfplaatsen Voor iedere paarverblijfplaats / kleine zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis die verdwijnt dienen net als voor de tijdelijke mitigatie vier alternatieve verblijfplaatsen aangeboden te worden. Aan permanente verblijfplaatsen worden de volgende eisen gesteld: 32
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
•
Voldoende lang gelijktijdig met de tijdelijke verblijfplaatsen aanwezig zijn om de dieren te laten wennen aan deze voorzieningen (gewenningsperiode min 6 maanden in de actieve periode van 15 februari tot en met 15 oktober).
•
Hangen binnen het kerngebied van de groep, en dan bij voorke ur zo dicht mogelijk maar altijd binnen 100 à 200 meter van de oorspronkelijke verblijfplaats en dit buiten de invloedsfeer van de activiteiten.
•
Een locatie hebben die gelijk is aan of beter van kwaliteit is dan de oorspronkelijke situatie wat betreft hoogte (bij voorkeur op minimaal drie meter hoogte), aanvliegroute en vrije vliegruimte en de locatie is vrij van kunstlicht, vrij van verstoring en buiten bereik van predatoren.
•
Permanente voorzieningen moeten zich allen inwendig in het gebouw bevinden of als een combinatie van inwendig en uitwendig worden uitgevoerd. Uitwendige vleermuiskasten zijn niet geschikt als permanente vervanging.
•
Ze moeten een vergelijkbare spreiding in het gebouw hebben als de oorspronkelijke verblijfplaatsen.
•
Zoveel mogelijk dezelfde eigenschappen hebben als de oorspronkelijke verblijfplaatsen.
De zomer en paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis bevindt zich momenteel in de dakruimte en mogelijk wordt daarnaast de spouwmuur gebruikt als deze aanwezig is. Beide ruimtes gaan bij de ingreep verloren ten gevolge van de sloop. De alternatieve permanente verblijfplaatsen worden gerealiseerd in het nieuwe nutsgebouw dat gerealiseerd wordt bij de eerste windmolen aan de noordwestzijde van De Grift Noord. Dit gebouw moet worden opgetrokken uit baksteen met een niet geïsoleerde luchtspouw van 4 cm breed. Deze spouwmuur wordt op tenminste 20 plaatsen gelijk verdeeld over het gebouw toegankelijk gemaakt middels open stootvoegen. Deze open stootvoegen krijgen een breedte van minimaal 1,4 en maximaal 2,5 cm en een hoogte van eveneens minimaal 2 cm. Hierdoor kunnen vleermuizen de binnenruimte bereiken, maar wordt voorkomen dat vogels deze openingen ook gebruiken als nestplaats en daarmee de functie voor vleermuizen verstoren. Aanvullend wordt bij het ontwerpen van dit gebouw gekeken naar de mogelijkheid om extra verblijfplaatsen te realiseren door de kopgevels te voorzien van ruwe gepotdekselde planken te plaatsen op verticale latten van 1,4 tot 1,8 cm dik zodat vleermuizen hier achter kunnen kruipen (zie Figuur 13).
Als dit niet mogelijk blijkt worden extra verblijfplaatsen gerealiseerd door boeiboorden geschikt te maken, eveneens door deze op latten te plaatsen zodat dieren hierachter kunnen kruipen. Hiermee wordt het gebouw niet alleen geschikt als zomer- en paarverblijfplaats voor gewone dwergvleermuizen, maar naar verwachting ook als kraam - en 33
Mitigatieplan De Grift en Afrit 38 Waalsprong Nijmegen | RA22215-01
winterverblijfplaats. Bij het gebouw mag geen verlichting geplaatst worden welke uitstraalt op de invliegopeningen naar de verblijfplaatsen voor vleermuizen.
Figuur 13. Aanbrengen verblijfplaatsen vleermuizen middels gevelbekleding met planken.
3.9.4 Vleermuisvriendelijk slopen In deze paragraaf is aangegeven welke maatregelen genomen dienen te worden om het verstoren, verwonden en doden van gewone dwergvleermuizen bij de sloop van Griftdijk 212 zoveel mogelijk te voorkomen. Maatregelen die daarvoor getroffen dienen te worden zijn als volgt: •