CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Minima-effectrapportage 2024 van het Nibud

Besluitronde (raadsvergadering) 13 november 2024, gemeente NijmegenBij agendapunt: D15 d.d. 24 september 2024 over Startnotitie beleidskader Financiële bestaanszekerheid11.960 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Minima-effectrapportage gemeente Nijmegen 2024 De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens Sanne Lamers, Gitta van den Enden

-- april 2024

Minima-effectrapportage gemeente Nijmegen 2024

De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens

Auteurs Sanne Lamers Gitta van den Enden

Nibud, Nijmegen -- april 2024 In opdracht van de gemeente Nijmegen

Voorwoord Het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting) is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk. Ons doel is het voorkomen van geldproblemen. Naast het verzamelen, berekenen en bijhouden van basiscijfers, doet of initieert het Nibud ook onderzoek naar andere aspecten over omgaan met geld, zoals bijvoorbeeld gedragsaspecten. Op basis van dit onderzoek kunnen we snel inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen. Het Nibud is gespecialiseerd in het maken van de vertaalslag van de verzamelde data en kennis over de huishoudfinanciën in methodes, materialen en tools. Daarbij wordt voortdurend voeling gehouden met de actualiteit en de praktijk van alledag. We gaan uit van drie niveaus van voorlichting en financiële educatie: direct voor consumenten (via onze websites, (social) media, interactieve tools, voorlichtingsmaterialen en hulpmiddelen en de helpdesk), via onderwijs/educatie door derden en door deskundigheidsbevordering van professionals. Als kenniscentrum vervult het Nibud ook een adviesrol naar derden. Bij dit alles gaat het Nibud uit van een standaardmethode van begroten. Dit resulteert in een reeks voorbeeldbegrotingen met referentiecijfers die zijn gebaseerd op empirisch wetenschappelijk onderzoek. Het Nibud stelt de keuzevrijheid en de eigen verantwoordelijkheid van de huishoudens voorop.

Het Nibud geeft gemeenten meer inzicht in het effect van hun minimabeleid. Door middel van een minima-effectrapportage (MER) helpt het Nibud gemeenten het geld bestemd voor minimabeleid, optimaal te besteden. Deze rapportage is uitgevoerd door het Nibud, in opdracht van de gemeente Nijmegen. Met dit onderzoek wil de gemeente Nijmegen inzicht krijgen in de effecten van haar minimabeleid. Utrecht, april 2024

Inhoud 1 Inleiding....................................................................................................................... 5 1.1 Centrale vraag ........................................................................................................... 5 1.2 Kern minima-effectrapportage ..................................................................................... 5 1.2.1 Huishoudtypen ........................................................................................................... 5 1.2.2 Inkomensniveaus ....................................................................................................... 6 1.2.3 Armoedeval ............................................................................................................... 6 1.2.4 Voorbeeldhuur ........................................................................................................... 6 1.3 Leeswijzer ................................................................................................................. 7 2 Onderzoeksmethode: begrotingen ................................................................................... 8 2.1 Inleiding....................................................................................................................

8 2.2 Inkomsten ................................................................................................................. 8 2.3 Uitgaven ................................................................................................................... 9 2.4 Uitgavenindeling ........................................................................................................ 9 2.5 Voorwaarden aan de begrotingen ................................................................................10 2.6 De begrotingen .........................................................................................................11 3 Minimabeleid ...............................................................................................................12 3.1 Landelijk beleid .........................................................................................................12 3.2 Lokaal minimabeleid ..................................................................................................15 3.2.1 Kwijtscheldingsbeleid .................................................................................................15 3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering ....................................................................15 3.2.3 Individuele inkomenstoeslag .......................................................................................16 3.2.4

Kindregeling .............................................................................................................16 3.2.5 Meedoenregeling .......................................................................................................17 3.2.6 Busvoordeelabonnement ............................................................................................17 3.2.7 Individuele bijzondere bijstand, waaronder voor duurzame gebruiksgoederen ...................17 3.2.8 Kinderopvang en peuterspeelzaal ................................................................................18 4 Resultaten ...................................................................................................................19 4.1 Bestedingsruimte per huishoudtype .............................................................................19 4.2 Armoedeval ..............................................................................................................20 5 Extra berekeningen ......................................................................................................23 5.1 Alle regelingen op 130 procent ....................................................................................23 5.1.1 Armoedeval ..............................................................................................................24 5.2 Alle huren op 700 euro

..............................................................................................25 6 Conclusies en aanbevelingen .........................................................................................26 6.1 Bestedingsruimte en armoedeval.................................................................................26 6.2 Aannames en aanbevelingen ......................................................................................27 Bijlage 1 | Verantwoording uitgaven .......................................................................................31 Bijlage 2 | Begrotingen .........................................................................................................34

1 Inleiding 1.1

Centrale vraag

Iedere gemeente beschikt over mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens. Dat kan bijvoorbeeld door het kwijtschelden van gemeentelijke heffingen en/of door bijzondere bijstand. Het is echter niet direct zichtbaar wat in de praktijk de effecten van die maatregelen zijn op het budget van verschillende groepen huishoudens. De gemeente Nijmegen wenst inzicht te krijgen in het samenspel van landelijk en lokaal minimabeleid. De centrale vraag van dit onderzoek luidt: Wat is het effect van landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de gemeente Nijmegen in 2024? Bekeken wordt welke groepen huishoudens in de gemeente het best ondersteund worden door middel van het gemeentelijke minimabeleid en welke groepen minder goed. Ook maakt deze rapportage eventuele armoedevallen inzichtelijk. In de begrotingen worden alle minimaal onvermijdbare uitgaven afgezet tegen verschillende inkomensniveaus.

1.2

Kern minima-effectrapportage

Om tot een antwoord te komen op de centrale vraag, worden voor een aantal voorbeeldsituaties alle inkomsten geïnventariseerd. Hierbij wordt rekening gehouden met alle landelijke en gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelen. Dit inkomen zal in een begroting worden afgezet tegen de minimale uitgaven waarmee huishoudens met een laag inkomen worden geconfronteerd. De minimale uitgaven zijn gebaseerd op de Nibud methode van budgetteren, aangevuld met lokale tarieven en tegemoetkomingen.

1.2.1 Huishoudtypen In deze minima-effectrapportage wordt voor een aantal huishoudtypen de bestedingsruimte inzichtelijk gemaakt. In overleg met de gemeente Nijmegen is ervoor gekozen om eerst de volgende voorbeeldsituaties door te rekenen: 1. Een alleenstaande tot de AOW-leeftijd; 2. Een alleenstaande vanaf de AOW-leeftijd; 3. Een eenoudergezin met drie jonge kinderen (3, 10 en 14); 4. Een paar met twee oudere kinderen (10 en 14 jaar). Het Nibud doet in de eerste helft van 2024 een landelijk onderzoek naar de gemiddelde kosten waarmee huishoudens die te maken hebben met een zorgvraag worden geconfronteerd. Voor gemeente Nijmegen de reden om de volgende voorbeeldhuishoudens na deze periode te laten doorrekenen: 5. Een alleenstaande vanaf de AOW-leeftijd met een zorgvraag; 6. Een ouder echtpaar met zorgvraag; 7. Een paar met twee oudere kinderen (10 en 14 jaar) met zorgvraag van één ouder.

Minima-effectrapportage gemeente Nijmegen 2024

Bij de huishoudens met een zorgvraag worden in de begroting extra kosten meegenomen die gemiddeld gezien vaak voorkomen wanneer een persoon binnen het huishouden een chronische ziekte of beperking heeft (zorgprofiel).

1.2.2 Inkomensniveaus De rapportage laat zien welke effecten de landelijke en gemeentelijke maatregelen hebben op de financiële positie van de huishoudtypen bij verschillende inkomensniveaus. In overleg met de gemeente Nijmegen is in dit rapport gekozen om begrotingen op te stellen met de volgende inkomensniveaus: bijstand- of AOW- niveau, 110 procent, 120 procent, 130 procent, 140 procent en 150 procent van de geldende bijstandsnorm. Voor dezelfde inkomens rekenen we ook een (fictieve) situatie door waarbij alle regelingen een inkomensgrens hebben van 130 procent van de norm.

1.2.3 Armoedeval Het kan voorkomen dat een huishouden met een hoger inkomen minder overhoudt dan met een lager inkomen, nadat rekening is gehouden met alle noodzakelijke uitgaven. Een dergelijke situatie ontstaat bijvoorbeeld doordat er geen recht meer is op inkomensondersteunende regelingen. Als zo een armoedeval zich voordoet binnen de gestelde kaders, dan blijkt dat uit de resultaten van dit onderzoek. Hierbij onderscheiden we twee soorten armoedevallen: • een werkloosheidsval of uitstroomval. Dat is een armoedeval bij uitstroom uit een bijstandsuitkering naar betaald werk; • een doorstroomval. Dat is een armoedeval bij het meer gaan verdienen. Bij huishoudens boven de AOW-gerechtigde leeftijd wordt officieel niet gesproken van een armoedeval, omdat deze gewoonlijk geen inkomensstijging meemaken. Toch kan er bij hen ook sprake zijn van een geringere vrije bestedingsmogelijkheid bij een hoger inkomen.

1.2.4 Voorbeeldhuur Uit het WoOn-onderzoek van het CBS1 komt dat 96 procent van de huishoudens die de bijstandsuitkering als belangrijkste inkomstenbron hebben, in een huurwoning woont. Op basis hiervan gaan we er in deze rapportage vanuit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De huur vormt in de meeste huishoudens de hoogste uitgave op de begroting. De huurprijzen in dit onderzoek zijn vastgesteld in overleg met de gemeente: € 525 voor eenen twee-persoonshuishoudens en € 575 voor huishoudens met drie of meer personen. Dit zijn huren die vaak horen bij woningcorporatiewoningen. De huurtoeslag waarop het huishouden recht heeft, wordt in de begrotingen (Bijlage 2) bij de inkomsten verwerkt (post Huurtoeslag). De huurtoeslag is berekend op basis van bovenstaande huren en het inkomen van het huishouden. ____________________ https://www.woononderzoek.nl/style/custom/citavista/pdf/Kernpublicatie_WoON_2021_INTERACTIEF.pdf

Minima-effectrapportage gemeente Nijmegen 2024

Vanwege de wachtlijsten zijn steeds meer huishoudens aangewezen op particuliere huurwoningen met vaak hogere huren 2. Daarom rekenen we in dit onderzoek ook een scenario door waarbij de huur voor alle huishoudens € 700 per maand is.

1.3

Leeswijzer

Het rapport is als volgt opgebouwd. • In hoofdstuk 2 gaan we in op de onderzoeksmethode. • Hoofdstuk 3 geeft een toelichting op de landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen. • In hoofdstuk 4 geven we de resultaten weer: Wat is de bestedingsruimte van de onderzochte huishoudtypen? En wat zijn de effecten van het minimabeleid op de financiële positie van deze huishoudens? Apart vermelden we de (fictieve) situaties als: o alle lokale minimaregelingen dezelfde inkomensgrens (130 procent) hebben; o alle huishoudens dezelfde huur hebben (€ 700). • Ten slotte worden in hoofdstuk 5 de conclusies en aanbevelingen beschreven. In de bijlagen wordt meer informatie gegeven over bronnen van de referentiecijfers en staan de begrotingen per huishoudtype naar inkomen.

____________________ 2

https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/statistische-trends/2022/woonsituatie-en-woonbeleving-van-jongeren-2012-2021/1-inleiding

Minima-effectrapportage gemeente Nijmegen 2024

2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1

Inleiding

Om het effect van inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens te berekenen, maakt het Nibud gebruik van begrotingen. Uit deze begrotingen zijn de inkomsten en uitgaven van de huishoudens af te lezen. De begrotingen in deze rapportage zijn gemaakt voor verschillende huishoudtypen op verschillende inkomensniveaus. Hierbij gaan we ervan uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De begrotingen zijn voor groepen van huishoudens. De bedragen in de begrotingen zijn gemiddelden; in werkelijkheid zal de financiële situatie van de individuele huishoudens er anders uitzien. De begroting laat dus niet zien in hoeverre een individueel huishouden een sluitende begroting heeft. Bij het opstellen van de begrotingen wordt geen rekening gehouden met schulden, omdat daarover niets algemeens te zeggen valt. Schulden komen echter vaak voor onder huishoudens met lage inkomens. Ook is er geen rekening gehouden met inkomsten of betalingen vanwege alimentatie. Maandbegrotingen Alle begrotingen zijn maandbegrotingen, waarbij de inkomsten en uitgaven zijn omgerekend naar gemiddelde maandbedragen. In de praktijk kunnen er flinke verschillen zijn tussen de maanden van het jaar. Vakantiegeld wordt bijvoorbeeld vaak jaarlijks uitgekeerd, maar wordt in deze rapportage uitgedrukt in een maandelijks bedrag. Het inkomen is in iedere begroting een vast gegeven.

2.2

Inkomsten

In deze rapportage worden op zes inkomensniveaus begrotingen opgesteld voor de betreffende voorbeeldhuishoudens: het minimuminkomen (bijstand/AOW-uitkering), 110 procent, 120 procent, 130 procent, 140 procent en 150 procent van de geldende bijstandsnorm. Met bijstandsniveau wordt in deze rapportage bedoeld de norm op grond van de Participatiewet, artikel 5 sub c. Uitgangspunt in deze rapportage is het totaal besteedbaar maandinkomen. Dat inkomen bestaat uit alle inkomsten van het huishouden, zoals netto salarissen, uitkeringen, kortingen op de belasting, landelijke toeslagen (zorgtoeslag, huurtoeslag, kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget), kinderbijslag en vakantietoeslag. Hoe de regelingen doorwerken in de begrotingen en wat de invloed is op het inkomen van de verschillende huishoudens is te zien in bijlage 2. In de rapportage wordt verondersteld dat de huishoudens maximaal gebruik maken van alle inkomensondersteunende regelingen die op hen van toepassing zijn, zowel de landelijke als de gemeentelijke.

Minima-effectrapportage gemeente Nijmegen 2024

2.3

Uitgaven

De noodzakelijke uitgaven vullen we in via een basispakket waarvan uitgaven aan sociale participatie een onderdeel vormen. Het basispakket bestaat uit uitgaven die voor elk huishouden niet of moeilijk vermijdbaar zijn. In bijlage 1 staan de uitgangspunten en de samenstelling van de pakketten beschreven. Het basispakket is op bepaalde punten verschillend voor de diverse huishoudtypen. Een alleenstaande staat immers voor andere kosten dan bijvoorbeeld een gezin met kinderen. De pakketten bestaan uit relatief goedkope artikelen (niet de allergoedkoopste) die algemeen verkrijgbaar zijn. We houden geen rekening met tweedehands artikelen. De pakketten zijn vastgesteld in samenwerking met andere deskundigen. Zo bestaat het voedingspakket uit gezonde voeding zoals vastgesteld door het Voedingscentrum. Sociale participatie Het pakket voor sociale participatie is opgesteld door het Nibud in samenwerking met het Sociaal Cultureel Planbureau. Het gaat om uitgaven aan contributies en abonnementen, bezoek ontvangen en op bezoek gaan, vakantie/uitgaan en recreatief vervoer. Sociale participatie wordt als noodzakelijk beschouwd en is in veel gemeenten op de een of andere manier onderdeel van het minimabeleid. Persoonlijk onvermijdbare uitgaven Naast de noodzakelijke uitgaven van de pakketten zijn er in individuele gevallen persoonlijk moeilijk of niet-vermijdbare uitgaven.

Dit zijn uitgaven die voor een bepaald persoon onontkoombaar zijn, maar niet voor iedereen gelden. Bijvoorbeeld wanneer iemand een speciaal dieet moet volgen. Voor dit soort uitgaven is vaak een tegemoetkoming mogelijk via gemeentelijk beleid. Deze uitgaven worden in dit rapport niet meegenomen. In de begrotingen is ook geen rekening gehouden met kosten voor een huisdier of voor roken. Deze uitgaven worden niet gezien als noodzakelijk. Indien een huishouden hiervoor toch kosten heeft, wordt het saldo op de begroting lager dan in deze rapportage is weergegeven. Mensen die werken maken extra kosten ten opzichte van niet werkenden. Deze kosten zijn meegenomen in het basispakket als aparte post bij een inkomen vanaf 110 procent van de geldende bijstandsnorm.

2.4

Uitgavenindeling

In alle begrotingen onderscheidt het Nibud vier soorten uitgaven: • Vaste lasten. Dit zijn periodiek terugkerende uitgaven, waarbij het bedrag veelal elke periode hetzelfde is. Vaak is er een contract afgesloten voor deze uitgaven. • Reserveringsuitgaven. Dit zijn uitgaven die niet iedere maand terugkomen. De bedragen voor de verschillende reserveringsuitgaven zou een huishouden in principe maandelijks opzij moeten zetten om deze onregelmatige uitgaven direct te kunnen betalen. • Huishoudelijke uitgaven. Dit zijn regelmatig terugkerende uitgaven, waarvan het bedrag per keer (per aankoopbeurt) verschilt. • Sociale Participatie. Dit zijn uitgaven die een huishouden wat vrijer kan invullen. In deze rapportage vallen daaronder: contributies en abonnementen, bezoek ontvangen en op bezoek gaan, vakantie/uitgaan en recreatief vervoer.

Minima-effectrapportage gemeente Nijmegen 2024

Lokale tarieven In deze rapportage wordt gerekend met minimale bedragen die huishoudens nodig hebben om deze uitgaven te kunnen betalen. Voor de uitgaven is waar mogelijk uitgegaan van lokale tarieven. Voorbeelden hiervan zijn de tarieven voor gemeentelijke- en waterschapsheffingen, de premie van de collectieve zorgverzekering en de kosten van de peuterspeelzaal. Minimabeleid Als er inkomensondersteunende maatregelen zijn die een vergoeding vormen voor bepaalde uitgavenposten, dan is hier rekening mee gehouden in de begrotingen. De regelingen staan beschreven in het volgende hoofdstuk. Zo zijn alle meer generieke lokale minimaregelingen meegenomen in de berekeningen. Dit geldt niet voor de individuele bijzondere bijstand, omdat daarvoor geldt dat deze sterk afhankelijk is van de persoonlijke situatie.

2.5

Voorwaarden aan de begrotingen

In het onderzoek rekenen we met voorbeeldhuishoudens en met minimale bedragen. Om voor deze huishoudens berekeningen te kunnen maken moet het Nibud uitgaan van drie belangrijke voorwaarden. Het is raadzaam om rekening te houden met het feit dat die voorwaarden in de praktijk niet altijd opgaan en huishoudens daarbij hulp nodig hebben. 1. Zeer goed met geld kunnen omgaan Een goed overzicht van alle inkomsten en uitgaven is noodzakelijk. Alleen dan kan er voldoende geld opzij worden gezet om onregelmatige uitgaven te kunnen doen. Een gebrek aan goed overzicht kan vaak confronterend zijn en moeilijk te doorbreken. 2. Alle inkomensondersteuning aanvragen Toeslagen en tegemoetkomingen beslaan vaak een groot deel van het totale inkomstenplaatje. Het is daarom voor huishoudens belangrijk om te weten op welke inkomensondersteuning men recht heeft en hoe en waar deze moet worden aangevraagd. Het tijdig doorgeven van gegevens is hierbij belangrijk. Dit vereist dus ook een actieve houding. 3. Geen grote persoonlijk onvermijdbare uitgaven hebben Hoge persoonlijk onvermijdbare uitgaven zoals afbetalingen, zorgkosten of een hoge huur, kunnen het moeilijk of onmogelijk maken om een sluitende begroting op te stellen. Als de uitgaven niet omlaag gebracht kunnen worden, dan resteert er niks anders dan om te bezuinigen op overige uitgaven.

In het geval van de begrotingen met minimale uitgaven, zoals ze in dit rapport zijn opgesteld, ontstaat het gevaar dat er ook bezuinigd wordt op noodzakelijke uitgaven. Dit kan ertoe leiden dat er totaal geen reserves meer zijn om tegenslagen op te kunnen vangen, dat rekeningen niet meer betaald worden waardoor schulden ontstaan of dat gezondheidsbedreigende omstandigheden ontstaan. Deze voorwaarden zijn voor een deel te vangen in competenties voor goed financieel beheer. Het gaat hierbij niet alleen om vaardigheden, maar ook om gedragsaspecten. Daarom is inkomensondersteuning alleen niet voldoende. Het is ook belangrijk om ondersteuning op het gebied van het aanleren van vaardigheden te bieden, aangevuld met ondersteuning die rekening houdt met min of meer individuele gedragsaspecten.

Minima-effectrapportage gemeente Nijmegen 2024

2.6

De begrotingen

Volgens de methodiek die hierboven staat beschreven, worden de begrotingen opgesteld. Deze begrotingen staan in bijlage 2.

Minima-effectrapportage gemeente Nijmegen 2024

3 Minimabeleid In dit hoofdstuk worden diverse landelijke en gemeentelijke regelingen voor inkomensondersteuning van minima beschreven. Alleen de regelingen die in de berekeningen zijn meegenomen komen in dit hoofdstuk aan bod. Paragraaf 3.1 beschrijft de landelijke regelingen. In paragraaf 3.2 komen de lokale inkomensondersteunende regelingen aan bod.

3.1

Landelijk beleid

Bij het opstellen van de begrotingen worden de landelijke uitkeringen, de landelijke heffingskortingen, de landelijke toeslagen en de kinderbijslag in de berekeningen opgenomen. In 2024 zijn er op dit terrein een aantal belangrijke onderdelen aangepast die van invloed zijn op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen: een hogere huurtoeslag, een hoger minimumloon en een hogere bijstandsuitkering en AOW. Daarnaast verandert de hoogte van de meeste belastingschijven. Specifiek gaat het om de volgende veranderingen per 1 januari 2024: 1. Tarief eerste belastingschijf daalt en heffingskortingen stijgen (sterk). 2. De huurtoeslag stijgt en het kindgebonden budget stijgt sterk. 3. Minimumloon en uitkeringen stijgen. 4. De zorgtoeslag daalt.

Landelijke heffingskortingen Heffingskortingen zijn kortingen op de belasting. Hiermee wil de overheid bepaalde groepen ondersteunen. Denk aan ouders, ouderen en gehandicapten. Door de heffingskorting betalen zij minder belasting. Er zijn verschillende heffingskortingen: • Algemene heffingskorting: voor iedereen vanaf 18 jaar die inkomstenbelasting betaalt, ook als men niet werkt. • Arbeidskorting: voor iedereen die betaald werk doet, ook als men daarnaast nog gedeeltelijk een uitkering ontvangt. • Inkomensafhankelijke combinatiekorting: voor werkende ouders met kinderen jonger dan 12 jaar. Deze wordt toegekend aan de alleenstaande ouders of aan de minstverdienende fiscale partner. • Ouderenkorting en alleenstaande ouderenkorting: voor AOW-gerechtigden. Tabel 1: Tabel landelijke heffingskortingen in bedragen per jaar Algemene heffingskorting

Onder AOW-leeftijd Vanaf AOW-leeftijd

Arbeidskorting Inkomensafhankelijke combinatiekorting Ouderenkorting Alleenstaande ouderenkorting

Minima-effectrapportage gemeente Nijmegen 2024

2023 € 3.070 € 1.583 € 5.052 € 2.694

2024 € 3.362 € 1.735 € 5.532 € 2.950

€ 1.835 € 478

€ 2.010 € 524

Landelijke toeslagen Toeslagen zijn bijdragen van de overheid om tegemoet te komen in de kosten voor de zorgverzekering, huur of kind(eren). Of een huishouden recht heeft op bepaalde toeslagen, is afhankelijk van een aantal factoren (bijvoorbeeld inkomen). De volgende toeslagen (2024) zijn van belang voor de voorbeeldhuishoudens. Zorgtoeslag Zorgtoeslag is een bijdrage van de overheid voor de kosten van de zorgverzekering. Iemand kan aanspraak maken op zorgtoeslag vanaf 18 jaar. Dit geldt voor zowel alleenstaanden als stellen. Naast de inkomensgrens is er ook een vermogensgrens voor de zorgtoeslag. Hoe lager het inkomen, hoe meer toeslag iemand ontvangt. Tabel 2: Zorgtoeslag bedragen Inkomensgrens alleenstaand Inkomensgrens paar Vermogensgrens alleenstaand Vermogensgrens paar Maximaal maandbedrag alleenstaand Maximaal maandbedrag paar

€ 38.520 € 48.224 € 127.582 € 161.329 € 154 € 265

€ 37.496 € 47.368 € 140.213 € 177.301 € 123 € 236

Huurtoeslag Huurtoeslag is een bijdrage van de overheid in de huurkosten. Huurders van een zelfstandige huurwoning kunnen in aanmerking komen voor huurtoeslag. De hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van het inkomen, het vermogen, de huishoudsamenstelling en de huur. Vanaf 1 januari 2020 kent de huurtoeslag geen inkomensgrenzen meer, maar wordt de huurtoeslag inkomensafhankelijk afgebouwd. De vermogensgrens voor de huurtoeslag is per persoon. Huishoudens krijgen boven de minimale basishuur3 volledige huurtoeslag tot een bepaalde huur. Vanaf deze huur wordt 65 procent vergoed. Alleenstaanden of ouderen/hulpbehoevenden krijgen daarnaast nog hierboven tot de hoogste huurgrens 40 procent vergoed. Tabel 3: Huurtoeslag bedragen Vermogensgrens per persoon Huurtoeslaggrens Huurgrens volledige huurtoeslag Huurgrens 65% huurtoeslag 1p en 2p Huurgrens 65% huurtoeslag 3p of meer Huurgrens 40%

€ 33.748 € 808,60 € 452,20 € 647,19 € 693,60 € 808,06

€ 36.952 € 879,66 € 454,47 € 650,43 € 697,07 € 879,66

Kinderopvangtoeslag Kinderopvangtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. De kinderopvangtoeslag is geregeld in de Wet Kinderopvang. De wet geldt voor dagopvang ____________________ 3 De minimale basishuur is inkomensafhankelijk en bedraagt voor huishoudens op minimumniveau € 192. (Voor AOW-

gerechtigden is dit voor eenpersoonshuishoudens € 190,18 en voor meerpersoonshuishoudens € 188,37). Bij een hoger inkomen wordt de basishuur hoger.

Minima-effectrapportage gemeente Nijmegen 2024

voor kinderen van 0 tot 4 jaar en buitenschoolse opvang voor basisschoolkinderen en voor opvang door ouderparticipatiecrèches of gastouders via een gastouderbureau en voor de peuterspeelzaal. Informele opvang door familie of kennissen valt hier niet onder. Om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen moet de instelling zijn aangemeld bij het Landelijk Register Kinderopvang. Ook moeten, in het geval van paren, beide ouders werken, tenzij er een re-integratietraject wordt gevolgd. Tabel 4: Kinderopvangtoeslag, bedragen per uur Maximale vergoeding dagopvang Maximale vergoeding buitenschoolse opvang

€ 9,12 € 7,85

€ 10,25 € 9,12

Kindgebonden budget Elk huishouden met kinderen jonger dan 18 jaar komt in aanmerking voor het kindgebonden budget. Dit is een maandelijkse, inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderen. Voorwaarde is dat iemand zijn of haar kind ‘in belangrijke mate onderhoudt’. Er geldt een inkomensgrens. Na de inkomensgrens wordt de hoogte van het bedrag geleidelijk afgebouwd. Het bedrag aan kindgebonden budget is afhankelijk van het aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen. Alleenstaande ouders ontvangen meer dan paren. Vanaf 12 jaar is het kindgebonden budget hoger. In 2024 zijn de bedragen van het kindgebonden budget flink verhoogd. Daarnaast zijn ook de inkomensgrenzen veranderd. Tabel 5: Kindgebonden budget, bedragen per maand Maximale bedrag eerste kind Maximale bedrag vanaf tweede kind Extra bedrag kind 12 t/m 15 jaar Extra bedrag kind 16 en 17 jaar Extra bedrag Alleenstaande ouder Inkomensgrens alleenstaande Inkomensgrens paar

€ 65 € 75 € 35 € 37 € 320,67 € 25.070 € 43.397

€ 203 € 203 € 57 € 77 € 290 € 26.819 € 35.849

Kinderbijslag Een ouder heeft recht op kinderbijslag voor eigen kinderen en stiefkinderen tot 18 jaar en soms voor pleegkinderen tot 16 jaar. Kinderbijslag wordt eenmaal per kwartaal uitgekeerd. De bedragen worden in het geval van meerdere kinderen bij elkaar opgeteld. De bedragen voor kinderbijslag zijn afhankelijk van de leeftijd van het kind en onafhankelijk van het inkomen. Tabel 6: Kinderbijslag 0 – 6 jaar 6 – 12 jaar 12 – 18 jaar

Minima-effectrapportage gemeente Nijmegen 2024

€ 261,70 € 317,77 € 373,85

€ 279,49 € 339,38 € 399,27

3.2

Lokaal minimabeleid

Naast de landelijke inkomensondersteunende maatregelen heeft de gemeente Nijmegen voor huishoudens met een laag inkomen ook een lokaal minimabeleid. De regelingen die worden opgenomen in de begrotingen komen in de volgende paragrafen aan bod.

3.2.1 Kwijtscheldingsbeleid De gemeente Nijmegen kent geen afvalstoffenheffing en rioolheffing. Voor het afvoeren van afval betaalt een huishouden voor gebruik van de afvalzakken of de ondergrondse container. Er kan geen kwijtschelding worden verleend. Het waterschap Rivierenland kent een kwijtschelding voor de watersysteemheffing ingezetenen en de waterzuiveringsheffing. Bij de berekening van de kwijtschelding hanteert het waterschap de norm van 100 procent van de toepasselijke bijstandsnorm. De beleidsvrijheid ten aanzien van het kwijtscheldingsbeleid wordt bepaald door landelijke regelgeving. Hierbij wordt aan instanties de mogelijkheid geboden om rekening te houden met de kosten voor kinderopvang en om voor AOW’ers uit te gaan van de netto AOW in plaats van de bijstandsbedragen voor AOW-gerechtigden. Het waterschap maakt gebruik van de mogelijkheid om uit te gaan van de verhoogde norm voor AOW’ers met extra vermogensvrijstelling van € 2.000 voor een echtpaar. Daarnaast wordt ook rekening gehouden met de kosten voor kinderopvang bij de bepaling van de betalingscapaciteit.

3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering Het verzekeren tegen ziektekosten is voor iedereen wettelijk verplicht. Daarom biedt de gemeente Nijmegen inwoners met een laag inkomen een collectieve aanvullende zorgverzekering met korting aan bij zorgverzekeraar VGZ of CZ. Tabel 7: Collectieve zorgverzekering kosten per maand 2024 Verzekering Poliskosten 2024 Gemeentelijke bijdrage Nijmegen CZ start € 171,47 € 10,00 CZ extra € 194,58 € 18,00 CZ extra uitgebreid € 237,31 € 42,00 (vergoeding eigen risico) VGZ compact € 171,35 € 10,00 VGZ compleet € 201,20 € 18,00 VGZ compleet eigen € 230,10 € 42,00 risico (vergoeding eigen risico)

Kosten inwoner (zonder zorgtoeslag) € 161,47 € 176,58 € 195,31 € 161,35 € 183,20 € 188,10

In dit onderzoek gaan we uit van VGZ Compact. Dit pakket rekenen we door voor alle voorbeeldhuishoudens zonder een zorgvraag. De reden hiervoor is dat we voor alle huishoudens uitgaan van een zo goed mogelijke gezondheid en daarmee het minst uitgebreide pakket. Een te ruime aanvullende zorgverzekering leidt in deze gevallen tot onnodige oververzekering. De huishoudens zijn dan duurder uit dan nodig is. Bij onderliggende zorgvragen (huishoudens met een zorgvraag) is het wel verstandig om een ruimere zorgverzekering af te sluiten. In de uitgebreide variant (VGZ Compleet eigen risico) wordt er meer vergoed en is het verplichte eigen risico meeverzekerd. Deze

Minima-effectrapportage gemeente Nijmegen 2024

rekenen we door bij de huishoudens met een zorgvraag, omdat deze beter aansluit bij de zorgbehoefte. Om voor deelname aan de collectieve zorgverkering in aanmerking te komen, hanteert de gemeente Nijmegen een inkomensgrens van 130 procent van de toepasselijke bijstandsnorm. De vermogensgrens zoals genoemd in de Participatiewet is van toepassing. In de begrotingen rekenen we met de premies uit tabel 7 als het huishouden daarop recht heeft bij de post “zorgverzekering”. Ook rekenen we met een bedrag voor de reservering van het eigen risico. De zorgtoeslag die huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten.

3.2.3 Individuele inkomenstoeslag De individuele inkomenstoeslag (IIT) in de gemeente Nijmegen is bedoeld voor huishoudens die langdurig (3 jaar) een laag inkomen hebben. Hierbij mag het inkomen in de afgelopen drie jaar niet hoger zijn geweest dan 110 procent van de geldende bijstandsnorm en het vermogen niet meer dan het wettelijk vrij te laten vermogen. De hoogte van de IIT bedraagt per jaar: • € 435 voor een alleenstaande; • € 550 voor een alleenstaande ouder; • € 495 voor paren. Bij de resultaten van deze rapportage worden de saldi van huishoudens die recht hebben op de individuele inkomenstoeslag apart gepresenteerd, omdat niet elke inwoner van Nijmegen met een laag inkomen hiervoor in aanmerking komt.

3.2.4 Kindregeling Ieder kind moet kunnen meedoen. Bijvoorbeeld mee kunnen gaan op schoolreisje of lid kunnen zijn van een club of vereniging zoals de scouting, dansles of toneel. In gezinnen met een laag inkomen is dat vaak lastig. Voor deze gezinnen is er de Kindregeling. In Nijmegen wordt deze uitgevoerd door Stichting Leergeld Nijmegen en is bedoeld voor kinderen van 0 tot en met 17 jaar, waarvan de ouders een inkomen hebben dat niet hoger is dan 140 procent van de geldende bijstandsnorm. De bijdrage kan worden gebruikt voor schoolkosten, bijvoorbeeld een schoolreisje, rekenmachine, laptop, rugtas of de schoolbijdrage. De regeling geldt ook voor kunst en cultuur of educatie, zoals dans- of muziekles, de theaterklas of scouting. Vanuit Stichting Leergeld zelf kan ook de fiets voor startende middelbare scholieren worden vergoed. De Kindregeling bestaat uit: • Vergoeding vrijwillige ouderbijdrage van € 50 per kind per jaar, voor kinderen in groep 1 t/m 8 • Vergoeding van de kosten van excursie/schoolreis voorgezet onderwijs • Vergoeding van de kosten van laptop voortgezet onderwijs. Voor kinderen in groep 6, 7 en 8 is deze vergoeding ook mogelijk mits er geen gezinslaptop in het huishouden aanwezig is. In dit onderzoek gaan we ervan uit dat deze laptop er wel is.

• Vergoeding van een activiteit op het gebied van sport, cultuur of educatie met een maximum van € 450 per kind per jaar

Minima-effectrapportage gemeente Nijmegen 2024

•

Vergoeding van de kosten van een fiets in het voortgezet onderwijs

In de begrotingen zijn deze regelingen bij de betreffende uitgavenposten “onderwijs”, “vervoer” en “sociale participatie” verrekend. Hierbij gaan we er vanuit dat de begrote daadwerkelijk uitgaven worden vergoed en dat het bedrag niet in zijn geheel wordt verleend. De gemeente Nijmegen heeft daarnaast de zwemfondsregeling: zwemmen voor behalen van de zwemdiploma A voor kinderen vanaf 6 jaar uit huishoudens met een inkomen niet hoger dan 140 procent van de bijstandsnorm. De maximale vergoeding is € 550. 3.2.5 Meedoenregeling Voor inwoners vanaf 18 jaar met een laag inkomen kent de gemeente Nijmegen een participatiebudget van € 150 per persoon per jaar. Zo kunnen deze huishoudens toch meedoen aan culturele, maatschappelijke of sportieve activiteiten. De regeling is bedoeld voor huishoudens met een inkomen dat niet hoger is dan 140 procent van de geldende bijstandsnorm. In de begrotingen is de bijdrage vanuit Meedoenregeling verrekend met de post “sociale participatie”.

3.2.6 Busvoordeelabonnement Voor inwoners met een laag inkomen kent de gemeente Nijmegen een goedkoop busabonnement om te reizen in de daluren. De eigen bijdrage is € 15 per jaar. De inkomensgrens is 130 procent. Er geldt geen vermogenstoets. We gaan ervan uit dat niet alle reizen gemaakt kunnen worden in de daluren. Daarom verrekenen we de helft van de reiskosten. In de begrotingen is deze regeling verrekend met de post “vervoer”.

3.2.7 Individuele bijzondere bijstand, waaronder voor duurzame gebruiksgoederen De gemeente Nijmegen verstrekt voor bijzondere en noodzakelijke kosten individuele bijzondere bijstand. Voor verschillende doelgroepen hanteert de gemeente verschillende inkomensgrenzen voor een draagkrachtloos inkomen. • Voor gepensioneerden, chronisch zieken, gehandicapten en huishoudens met 2 of meer kinderen hanteren we bij het inkomen tot 120 procent een draagkrachtloos inkomen. • Voor huishoudens met 1 kind is deze grens 110 procent • Voor de overige huishoudtypen is deze grens 100 procent. Is het inkomen hoger dan de genoemde inkomensgrenzen, dan geldt voor het inkomensdeel dat hoger is dan de inkomensgrens, 30 procent als draagkracht. De individuele bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen is bedoeld voor huishoudens die niet de middelen hebben een koelkast of wasmachine aan te schaffen. In Nijmegen is deze vergoeding voor energiezuinige duurzame producten hoger en wordt onder vastgestelde voorwaarden categoriaal verstrekt aan huishoudens in de bijstand. In dit onderzoek gaan we er echter vanuit dat huishoudens de middelen zelf hebben en reserveren om de duurzame gebruiksgoederen aan te schaffen (zie basisbegroting bijlage 2). In de berekeningen wordt deze vergoeding niet meegenomen om zo uit te gaan van de minst gunstigste situatie.

Minima-effectrapportage gemeente Nijmegen 2024

3.2.8 Kinderopvang en peuterspeelzaal Op grond van de Wet kinderopvang kunnen ouders van kinderen tot 12 jaar een tegemoetkoming toegekend krijgen voor de kosten van kinderopvang: de kinderopvangtoeslag. Vervolgens resteert een eigen bijdrage voor deze kosten. In de gemeente Nijmegen kunnen ouders via de bijzondere bijstand een vergoeding krijgen voor de eigen bijdrage, als kinderopvang nodig is wegens een sociaal-medische indicatie of als er sprake is van een leer-werktraject. Daar wordt in deze rapportage niet van uitgegaan. Alleenstaande ouders met een inkomen boven bijstandsniveau zullen enkele dagen per week werken en gebruik maken van de kinderopvang voor het kind van drie jaar. Bij 110 procent van het minimum inkomen wordt gerekend met 20 uur kinderopvang per week, bij een inkomen op 120 en 130 is dat 30 uur en bij het inkomen op 140 en 150 procent gaan we uit van 40 uur kinderopvang per week. Een alleenstaande ouder met een bijstandsuitkering (die geen arbeidsmarktgericht traject volgt) hoeft geen gebruik van de kinderopvang te maken. Daarom zijn in de begrotingen op 100 procent geen kosten voor kinderopvang opgenomen. Wel wordt ervan uitgegaan dat twee dagdelen per week gebruik wordt gemaakt van de peuteropvang. In de gemeente Nijmegen is er een vergoeding mogelijk als er een VVE indicatie is. Hiervan gaan we in dit onderzoek niet uit.

Voor andere kinderen geldt een eigen bijdrage naar inkomen. Hiervoor hanteert een peuterspeelzaal in Nijmegen de landelijke peuterspeelzaaltabel. Voor 2 dagdelen zijn de kosten € 10,78 per maand. De kosten voor kinderopvang en de peuterspeelzaal zijn in de begrotingen opgenomen onder de post “kinderopvang”. Voor de huishoudens die hiervoor in aanmerking komen is de kinderopvangtoeslag in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten.

Minima-effectrapportage gemeente Nijmegen 2024

4 Resultaten Dit hoofdstuk bevat de resultaten van de berekeningen naar het effect van landelijke en lokale inkomensondersteuning op de begroting van huishoudens. De begrotingen zijn gepresenteerd in bijlage 2, hierbij zijn de inkomsten afgezet tegen de uitgaven. Het resultaat van deze begroting (inkomsten minus uitgaven) geeft het beeld weer wat het huishouden overhoudt of te kort komt als alle uitgaven zijn gedaan. Deze resultaten zijn in de volgende tabel gepresenteerd en kunnen positieve of negatieve waarden opleveren: het huishouden houdt geld over of komt geld tekort. Bij het berekenen van de bestedingsruimte worden alle landelijke en lokale regelingen meegenomen waar de huishoudens recht op hebben in 2024. Wanneer het huishouden minder overhoudt bij een hoger inkomen in vergelijking tot één of meerdere lagere inkomens (armoedeval), dan is dit zichtbaar gemaakt via een oranje kleur. Tabel 8: Vrije bestedingsruimte per maand in euro’s

Huishoudtype

100

110

120

130

140

150

1. alleenstaande tot AOW-leeftijd

123

167

296

424

511

594

2. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd

381

406

549

650

721

766

3. eenoudergezin met 3 kinderen

543

545

658

787

855

877

4. paar met 2 oudere kinderen

188

276

414

492

508

446

4.1

Bestedingsruimte per huishoudtype

1. Alleenstaande tot AOW-leeftijd Een alleenstaande heeft, nadat alle uitgaven zijn gedaan, op bijstandsniveau een saldo van € 123. Op 110 procent is het € 167 oplopend naar € 594 bij het inkomen op 150 procent van het wettelijk minimum. 2. Alleenstaande vanaf AOW-leeftijd Ook een alleenstaande oudere heeft, nadat alle uitgaven zijn gedaan, geen tekorten op de maandbegroting. Met alleen een AOW-uitkering zonder aanvullend pensioen is er een bestedingsruimte van € 381 per maand. Dit loopt op naar € 766 bij 150 procent. Het maandelijkse AOW-bedrag is bijna € 250 hoger dan de bijstand waardoor deze huishoudens bij 100 procent meer bestedingsruimte hebben. Vanaf 110 procent rekenen we met de bijstandsnormen voor AOW-gerechtigden. Ook deze zijn hoger dan voor huishoudens onder de AOW-leeftijd, maar het verschil is kleiner. Echter, bij een inkomen boven bijstandsniveau gaan we voor huishoudens onder de AOW-leeftijd uit van werk en zijn er werkgerelateerde kosten. Bij een oudere gaan we uit van een aanvullend pensioen en zijn deze kosten er niet. Daarom is het verschil in bestedingsruimte tussen de alleenstaande onder de AOW-leeftijd en de alleenstaande oudere nog steeds groot. 3. Alleenstaande met 3 kinderen (3, 10 en 14 jaar)

Minima-effectrapportage gemeente Nijmegen 2024

Het eenoudergezin met 3 kinderen heeft op bijstandsniveau een saldo van € 543 nadat het basispakket en de kosten voor sociale participatie zijn bekostigd. Dit loopt op naar € 877 op 150 procent. Als de alleenstaande ouder 3 jonge kinderen had gehad was de bestedingsruimte ruimer geweest. De kosten voor oudere kinderen zijn over het algemeen hoger dan voor jonge kinderen. Dit geldt bijvoorbeeld voor voeding, kleding en schoolkosten. De hogere kinderbijslag en het hogere kindgebonden budget kunnen dit verschil niet compenseren. 4. Paar met 2 oudere kinderen (14 en 16 jaar) Het paar met twee oudere kinderen heeft op bijstandsniveau een bestedingsruimte van € 188, wat oploopt naar € 446 op 150 procent. Een belangrijke oorzaak van de lagere bestedingsruimte ten opzichte van alleenstaande ouders, ligt in het feit dat een paar de kosten van twee volwassenen moet dragen. Dit gaat bijvoorbeeld over kosten van de zorgverzekering, kleding en voeding. Deze kosten worden niet gecompenseerd door de hogere bijstandsnorm voor een paar ten opzichte van de norm voor een alleenstaande (ouder). Dat het paar met oudere kinderen meer ruimte heeft dan de alleenstaande zonder kinderen, komt doordat de landelijke toeslagen (kinderbijslag en het kindgebonden budget) plus de gemeentelijke ondersteuning de extra kosten van de twee oudere kinderen meer dan compenseren.

Belangrijk om op te merken is dat we in de berekeningen geen zakgeld hebben meegenomen. Het zakgeld voor oudere kinderen bedraagt gemiddeld € 22,50 per kind per maand. Ouders kunnen hiervoor kiezen maar kunnen ook stimuleren dat hun kind een bijbaantje gaat zoeken om zelf wat geld te verdienen.

4.2

Armoedeval

Voor elk huishoudtype zijn verschillende inkomensniveaus doorgerekend. Naast het minimuminkomen zijn inkomens op 110, 120, 130, 140 en 150 procent van het netto minimuminkomen gespecificeerd. Soms leidt een hoger inkomen tot een beperktere bestedingsmogelijkheid. Dit komt doordat landelijke en gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelen, zoals huurtoeslag en kindregelingen, er niet op voorhand toe leiden dat een huishouden meer te besteden heeft bij een hoger inkomen. Een armoedeval kan ontstaan door een stijging van het salaris, bijvoorbeeld als iemand meer uren gaat werken. Deze armoedeval wordt ook wel doorstroomval genoemd. Een andere situatie ontstaat wanneer huishoudens vanuit een uitkering uitstromen naar betaald werk. Deze armoedeval wordt ook wel de uitstroomval genoemd. Op dat moment nemen de kosten door werk toe en komen rechten op diverse inkomensondersteunende regelingen (gedeeltelijk) te vervallen. In de gemeente Nijmegen zien we het volgende beeld (figuur 1) voor de 4 doorgerekende voorbeeldhuishoudens naar inkomenstoename.

Minima-effectrapportage gemeente Nijmegen 2024

Figuur 1: Ontwikkeling saldo naar inkomensniveaus

In de gemeente Nijmegen zien we nauwelijks toename in bestedingsruimte bij de alleenstaande ouder met 3 kinderen op 110 procent. Deze situatie (bijna uitstroomval) wordt vooral veroorzaakt door werkgerelateerde kosten (reiskosten en kinderopvang) die optreden als dit huishouden gaat werken vanuit een bijstandssituatie. Daarbij zien we ook op 110 procent geen kwijtschelding van de lokale lasten meer. Een doorstroomval is te zien bij paren met kinderen bij de overgang van het inkomen van 140 naar 150 procent van het minimum. Deze doorstroomval wordt veroorzaakt door het wegvallen van de ruime tegemoetkomingen vanuit het gemeentelijk minimabeleid voor deze doelgroep: de Kindregelingen en de bijdrage vanuit de Meedoenregeling. Dit gecombineerd met het lagere Bij een alleenstaande met 3 kinderen is deze doorstroomval niet te zien. Dit huishouden maakt voor één volwassene gebruik van de Meedoenregeling. Daarmee is het verschil

Minima-effectrapportage gemeente Nijmegen 2024

tussen een rechthebbend (140 procent) en niet meer rechthebbend (150 procent) huishouden minder groot dan we zien bij het paar met ouderen kinderen. Bovendien geldt bij paren met oudere kinderen dat de bestedingsruimte op 150 procent ook lager is dan op 130 procent. Dit komt omdat bij paren vanaf een inkomen van 130 procent ook landelijke toeslagen (huurtoeslag en de zorgtoeslag) worden afgebouwd. Bij alleenstaande ouders is dit niet het geval, voor deze groep zijn de landelijke toeslagen op alle onderzochte inkomensniveaus even hoog. Individuele inkomenstoeslag en armoedeval Huishoudens tot de AOW-gerechtigde leeftijd die langdurig van een laag inkomen moeten rondkomen, kunnen in aanmerking komen voor de individuele inkomenstoeslag (IIT). In de gemeente Nijmegen geldt dit voor huishoudens die gedurende drie jaar over een inkomen beschikken dat niet hoger is dan 110 procent van de geldende bijstandsnorm. In tabel 9 staan de saldi van de inkomsten min de uitgaven uitgewerkt waarbij ook rekening is gehouden met de IIT. Tabel 9: Vrije bestedingsruimte per maand in euro’s, inclusief IIT Huishoudtype

100

110

120

130

140

150

01. alleenstaande tot AOW-leeftijd

159

203

296

424

511

594

02. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd

381

406

549

650

721

766

03. eenoudergezin met 3 kinderen

589

591

658

787

855

877

04. paar met 2 oudere kinderen

229

317

414

492

508

446

Als we tabel 8 en 9 met elkaar vergelijken, zien we logischerwijs duidelijk meer ruimte bij de eerste twee inkomensniveaus. Zeker voor de alleenstaanden en de paren met oudere kinderen is dit een welkome aanvulling. We zien ook dat deze IIT geen extra armoedevalsituaties veroorzaakt bij het inkomen waarbij het huishouden geen recht meer heeft op de IIT. Overigens kan erover gediscussieerd worden in hoeverre er gesproken kan van een armoedeval als het saldo inclusief IIT vergeleken wordt met een hoger inkomensniveau waarin er geen recht op de IIT bestaat. De IIT is immers bedoeld voor huishoudens die langdurig op het minimum leven en zeer weinig kans hebben om hun inkomen te verhogen.

Minima-effectrapportage gemeente Nijmegen 2024

5 Extra berekeningen 5.1

Alle regelingen op 130 procent

De gemeente Nijmegen kent verschillende inkomensondersteunende maatregelen voor huishoudens met een laag inkomen. De gemeente zet breed in op de ondersteuning van kinderen (Kindregeling) en op ondersteunen van sociale participatie (Meedoenregeling). Niet alle regelingen hebben dezelfde inkomensgrenzen. Daarom is bekeken wat het effect is als voor alle in dit rapport beschreven gemeentelijke regelingen de inkomensgrens op 130 procent wordt gezet. De saldo’s zijn weergegeven in de volgende tabellen Tabel 10: Vrije bestedingsruimte per maand in euro’s, bij uniforme grens 130 procent zonder IIT

Huishoudtype

100

110

120

130

140

150

01. alleenstaande tot AOW-leeftijd

123

167

296

424

499

594

02. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd

381

406

549

650

709

766

03. eenoudergezin met 3 kinderen

543

545

658

787

759

888

04. paar met 2 oudere kinderen

188

276

414

492

403

446

Wat we zien in vergelijking met de resultaten in tabel 8 is dat er vooral bij de huishoudens met kinderen duidelijk minder vrije bestedingsruimte is bij het inkomen op 140 procent. Deze huishouden hebben ruim € 100 per maand minder te besteden bij dit inkomen (soms ook wel lage middeninkomen genoemd). Er blijft voldoende vrije bestedingsruimte, mits de huishoudens niet te maken hebben met onvermijdbare extra uitgaven en alle landelijke toeslagen aanvragen. Tabel 11: Vrije bestedingsruimte per maand in euro’s, bij uniforme grens 130 procent met IIT

Huishoudtype

100

110

120

130

140

150

01. alleenstaande tot AOW-leeftijd

159

203

332

460

499

594

02. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd

381

406

549

650

709

766

03. eenoudergezin met 3 kinderen

589

591

704

833

759

888

04. paar met 2 oudere kinderen

229

317

455

533

403

446

Bekijken we de situatie als we ook de IIT meenemen en daarbij ook de grens naar 130 procent aanpassen, dan zien we uiteraard meer ruimte bij de inkomens tot en met 130 procent.

Minima-effectrapportage gemeente Nijmegen 2024

5.1.1 Armoedeval Bij de situatie dat alle regelingen een inkomensgrens hebben van 130 procent van de geldende norm treden er andere armoedevalsituaties op dan in de huidige situatie van inkomensgrenzen. Als we figuur 1 met de figuur 2 vergelijken, is dat duidelijk te zien. Bij het paar met oudere kinderen is de armoedeval die eerder bij 150 procent was, nu zichtbaar bij 140 procent. Daar komt bij dat de vrije bestedingsruimte op 140 procent nu ook zelfs lager is dan bij een inkomen op 120 procent. Het paar met oudere kinderen heeft bij dit inkomen net boven het minimum (120 procent) meer te besteden dan bij het zogenaamde lage middeninkomen (140 procent). Verder zien we nu een extra armoedeval ontstaan bij het eenoudergezin met 3 kinderen. Dit gezin heeft minder te besteden bij het inkomen op 140 procent dan bij het inkomen op 130 procent. Dit komt doordat bij 140 procent én alle gemeentelijke regelingen vervallen én dat kosten kindervang bij 140 procent toenemen ten opzichte van 130 procent. Op 150 procent heeft dit huishoudtype weer wel voldoende inkomen om een hoger saldo te hebben dan op 130 procent. Figuur 2: Ontwikkeling saldo naar inkomensniveaus

Minima-effectrapportage gemeente Nijmegen 2024

5.2

Alle huren op 700 euro

In dit rapport wordt gerekend met een gemiddelde huur van € 525 voor alleenstaanden en € 575 voor gezinnen. De gemeente Nijmegen wilde ook de resultaten inzichtelijk hebben als de huren voor alle huishoudtypen € 700 per maand zijn. Daarom hebben we doorgerekend wat de vrije bestedingsruimte zou zijn als de huren voor alle huishoudtypes op € 700 worden gezet. Hierbij houden we de originele inkomensgrenzen aan. In de volgende tabel is te zien dat de vrije bestedingsruimte duidelijk lager is voor alle huishoudens. De huurtoeslag, waarop de huishoudens recht hebben, is niet voldoende dekkend om de financiële situatie gelijk te houden. Een deel van de hogere rekenhuur drukt duidelijk op de maandbegroting van alle huishoudens. Bij alleenstaanden is het verschil in de vrije bestedingsruimte € 74 per maand en bij de gezinnen is het verschil bij alle inkomens € 46 per maand. De huurtoeslagsystematiek is verschillend voor één-, twee en meerpersoonshuishoudens. Voor alleenstaanden geldt dat de vergoeding langer doorloopt naarmate de huur hoger is. Voor het huishoudens van 2 personen of meer bestaat er boven de aftoppingsgrens geen vergoeding meer. Tabel 12: Vrije bestedingsruimte per maand in euro’s, bij uniforme huur € 700

Huishoudtype

100

110

120

130

140

150

01. alleenstaande tot AOW-leeftijd

49

93

222

350

438

520

02. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd

307

349

475

576

647

692

03. eenoudergezin met 3 kinderen

497

499

613

741

809

831

04. paar met 2 oudere kinderen

142

230

368

446

462

401

De armoedeval die we in paragraaf 4.2 zagen, zien we ook bij deze situatie optreden. Het paar met oudere kinderen heeft minder vrije ruimte bij het inkomen op 150 procent dan bij de inkomens op 130 en 140 procent. Daarbij komt dat het saldo bij de huur op € 700 per maand op al deze inkomensniveaus lager is. Tabel 13: Vrije bestedingsruimte per maand in euro’s, bij uniforme huur € 700, incl IIT

Huishoudtype

100

110

120

130

140

150

01. alleenstaande tot AOW-leeftijd

85

129

222

350

438

520

02. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd

307

349

475

576

647

692

03. eenoudergezin met 3 kinderen

543

545

613

741

809

831

04. paar met 2 oudere kinderen

183

271

368

446

462

401

De huishoudens die recht hebben op de IIT hebben bij de 2 laagste inkomens uiteraard meer te besteden dan zonder de IIT. Maar, als we dit vergelijken met de andere huren (tabel 9) zien we ook inclusief de IIT nog steeds minder vrije bestedingsruimte.

Minima-effectrapportage gemeente Nijmegen 2024

6 Conclusies en aanbevelingen Dit hoofdstuk beschrijft, naar aanleiding van de resultaten in de vorige hoofdstukken, de conclusies. Daarnaast worden er verschillende adviezen gegeven voor de aanpassing van regelingen in het kader van minimabeleid van de gemeente Nijmegen.

6.1

Bestedingsruimte en armoedeval

In de gemeente Nijmegen kunnen alle onderzochte huishoudtypen de maandbegroting rond krijgen, ook als sprake is van een hogere huur van € 700 per maand. Dat bij de huishoudens geen tekorten optreden komt onder andere door de koopkrachtreparaties van zowel 2023 als van dit jaar, ondanks het feit dat daarnaast de inflatie nog steeds behoorlijk hoog is. Er blijft grote onzekerheid over het verloop van alle prijzen en reparaties in de komende jaren. Weten waar je financieel aan toe bent, is nodig om te kunnen begroten en uit te kunnen rekenen hoeveel budget er is voor andere uitgavenposten. Hogere inkomens hebben meer ruimte in hun begroting om te kunnen schuiven met uitgavenposten en hebben vaker een buffer om op terug te vallen. Iets wat huishoudens met een laag inkomen meestal niet hebben. Daarnaast laten de resultaten van deze rapportage zien dat alleenstaande ouders een hogere bestedingsruimte hebben dan paren. Dit komt doordat paren de kosten van twee volwassenen moeten dragen, terwijl het bijbehorende inkomen in verhouding lager ligt: een eenoudergezin ontvangt 70 procent van de norm voor een paar plus de alleenstaande ouderkop vanuit het kindgebonden budget, wat samen neerkomt op ongeveer 90 procent van de norm. Paren ontvangen 100 procent van de norm.

De extra inkomsten voor paren (van ongeveer 10 procent) ten opzichte van het eenoudergezin wegen vaak niet op tegen de kosten voor een extra volwassene aan bijvoorbeeld voeding, kleding en de zorgverzekering. Welke huishoudens hebben het moeilijk? De alleenstaande onder de AOW-leeftijd heeft de minste vrije bestedingsruimte van de onderzochte huishoudtypen in Nijmegen. Zeker als de huur wat hoger is zijn deze huishoudens met een laag inkomen duidelijk kwetsbaar. Ze hebben bij de twee laagste inkomensniveaus minder dan € 100 per maand ruimte om uitgaven boven het basispakket en andere onvoorziene uitgaven op te vangen. Ook het paar met twee oudere kinderen heeft een lage bestedingsruimte. De hogere bijstandsnorm voor paren ten opzichte van het eenoudergezin wegen vaak niet op tegen de kosten voor een extra volwassene. Daarnaast drukken met name oudere kinderen sterk op de begroting. Deze kosten worden niet volledig gecompenseerd door (leeftijdsafhankelijke) kindgebonden toeslagen. Als dit huishouden met persoonlijk onvermijdbare kosten te maken heeft, zal dit positieve saldo ook kunnen omslaan in een tekort. Armoedeval Van een armoedeval is sprake als er op een bepaald inkomensniveau minder bestedingsruimte is dan op het voorliggende, lagere inkomensniveau.

In de gemeente Nijmegen zien we alleen een armoedeval bij de paren met 2 kinderen bij het inkomen op 150 procent als ze geen recht meer hebben op de lokale regelingen (Kindregeling,

Minima-effectrapportage gemeente Nijmegen 2024

Meedoenregeling). Bij dit huishoudtypen nemen namelijk ook de landelijke toeslagen af naarmate het inkomen toeneemt, iets wat bij het eenoudergezin niet zo sterkt gebeurt. Bij de alleenstaande ouder met jonge kinderen zien we nauwelijks toename in inkomen bij het inkomen van 110 procent: bij € 2 minder zou er sprake zijn van een uitstroomval. Werken met een inkomen op 110 procent loont nauwelijks voor dit huishoudtype. De eigen bijdrage voor de kinderopvang plus de werkgerelateerde kosten zijn bijna hoger dan het extra inkomen op 110 procent (vergeleken met de bijstandsnorm). Wanneer we de berekeningen doen met de inkomensgrenzen van alle lokale regelingen op 130 procent zien we uiteraard op een ander inkomensniveau een armoedeval ontstaan. Op 140 procent komen alle regelingen te vervallen. Het paar met kinderen heeft bij dat inkomen minder ruimte over dan bij het inkomen op 130 procent. Ook het eenoudergezin heeft op 140 procent te maken met een armoedeval door het samenspel van kinderopvangkosten en wegvallen van de gemeentelijke regelingen.

6.2

Aannames en aanbevelingen

De berekening van de bestedingsruimte van de voorbeeldhuishoudens in dit onderzoek is gebaseerd op een drietal voorwaarden. 1. Men moet zeer goed met geld kunnen omgaan; 2. Men moet alle inkomensondersteuning aanvragen waar men recht op heeft; 3. Men moet niet of zeer beperkt te maken hebben met persoonlijk onvermijdbare uitgaven. Dit geldt voor bijvoorbeeld huishoudens met een hogere huur dan hier opgenomen, en voor mensen met een noodgedwongen hogere energierekening, bijvoorbeeld omdat er sprake is van een slecht geïsoleerde woning. De conclusies van dit rapport moeten met die voorwaarden in het achterhoofd geïnterpreteerd worden. Kijkend naar de voorwaarden kan gesteld worden dat er heel veel verwacht wordt van huishoudens met een laag inkomen. Dat gecombineerd met de kosten veroorzaakt door leven met een kleine vrije bestedingsruimte, is het goed deze voorwaarden op te pakken. Zo zijn arme mensen vaker ziek en hebben de huishoudens minder financiële reserves. Het Nibud adviseert de gemeente Nijmegen om actief de betreffende huishoudens te (blijven) helpen aan deze voorwaarden te kunnen voldoen. Stimuleer goed financieel beheer Om rond te kunnen komen van een minimuminkomen is een goed financieel beheer van het huishouden noodzakelijk. Men reserveert om zo nodig grote uitgaven te kunnen doen voor de vervanging van de inboedel.

We gaan ervan uit dat het huishouden niet leent, zodat er niet nog extra kosten van rente en aflossing bijkomen. Veel huishoudens die van een minimum inkomen moeten rondkomen, voeren een goed financieel beheer, maar een deel ook niet. Voor deze huishoudens is het aan te bevelen cursussen of begeleiding te organiseren. Het Nibud, en ook andere (lokale) organisaties, hebben hiervoor een uitgebreid aanbod.

____________________ 4

RIVM https://www.loketgezondleven.nl/gezondheidsthema/armoede-schulden-en-gezondheid/relatie-armoede-en-gezondheid

5

SCP https://digitaal.scp.nl/armoedeinkaart2016/hoeveel_financiele_reserves_hebben_de_armen/

Minima-effectrapportage gemeente Nijmegen 2024

Verminder niet-gebruik regelingen In deze rapportage wordt ervan uitgegaan dat alle regelingen waarop men recht heeft ook worden aangevraagd! Uit diverse onderzoeken 6 blijkt echter dat dit niet altijd gebeurt en dat er een behoorlijke mate van niet-gebruik is. Voor de groep die niet alle regelingen gebruikt waarop recht is, geldt dat de bestedingsruimte in deze rapportage lager is. Het Nibud adviseert dan ook in het beleid sterk de nadruk te leggen op het verminderen van niet-gebruik. Bijvoorbeeld door gerichte communicatie te stimuleren met hulp van verschillende lokale organisaties, waaronder die in de gezondheidzorg. En zorg voor eenvoudige procedures met betrekking tot toekenning, bijvoorbeeld door aanvragen te combineren. Het niet-gebruik is vooral groot onder werkenden. De groep is zeer divers en zijn nauwelijks bekend bij gemeenten 7. Dat niet-gebruik versterkt de armoedeval. In de handreiking Het beter bereiken van werkende armen (Platform31, 2022)8 staan suggesties om het niet-gebruik van voorzieningen door werkenden tegen te gaan. Help energie- en woonlasten verlagen Wonen in een huis met een slecht energielabel veroorzaakt persoonlijk onvermijdbare uitgaven. De afgelopen periode zijn de energielasten gestegen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=381c5b55-5968-465b-8220-c345b60774a0