Landschapszone - 12 (Dorpensingel Nijmegen) Toelichting Bijlage 3 Stikstofrapport Dorpensingel
Tekst van het document
Zie o.a. STOWA, Deltafact, 2018: Beheer is gericht op het beperkt houden van de hoeveelheid voedingsstoffen, omdat planten daarmee gedwongen worden om te investeren in een diep wortelstelsel. Dit is gunstig voor de erosiebestendigheid van dijken, en gunstig voor de ontwikkeling van een bloemrijke dijk. 9
Pagina 10 van 13
5.2. (zoekgebied) leefgebieden
Instandhoudingsdoelen vogelrichtlijnsoorten die van de leefgebieden LG07, LG08 en LG11 gebruik maken Kwartelkoning: Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 160 paren. Watersnip: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 17 paren. Kievit: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 8.100 vogels (seizoensgemiddelde). Tureluur: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 65 vogels (seizoensgemiddelde). Kemphaan: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.000 vogels (seizoensmaximum). Grutto: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 690 vogels (seizoensgemiddelde). Scholekster: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 340 vogels (seizoensgemiddelde).
Voor de leefgebieden zijn geen instandhoudingsdoelen geformuleerd. Voor de vogelsoorten die van de leefgebieden gebruik maken is dat wel het geval (zie tekstkader hiervoor). De depositietoename op leefgebieden dient dan ook te worden getoetst aan alleen de instandhoudingdoelen voor de vogelsoorten die van deze leefgebieden gebruik maken.10 Bij de voortoets van de stikstofdepositie-effecten van de beoogde ontwikkeling is dan ook de volgende vraag aan de orde: Is van de berekende depositietoename op voorhand uit te sluiten dat deze significante gevolgen heeft voor de huidige staat van instandhouding van de soorten die ervan gebruik maken, vanwege veranderingen in structuur en functie van het leefgebied? Het Beheerplan Rijntakken en de PAS-Gebiedsanalyse Rijntakken verwijzen niet naar zoekgebieden leefgebied als middel om de instandhoudingsdoelen voor vogelrichtlijnsoorten te bereiken. Niettemin kunnen zoekgebieden nodig zijn om uitbreidings- en verbeterdoelen voor Vogelrichtlijnsoorten (in de Rijntakken alleen de Kwartelkoning, andere soorten kennen alleen behoudsdoel) te behalen. Daarom wordt de depositietoename als gevolg van de beoogde ontwikkeling op zoekgebied leefgebied LG08 en LG11 ook meegenomen in deze voortoets.
Met betrekking tot deze zoekgebieden leefgebied is daarom bij toetsing aan instandhoudingsdoelen de volgende vraag aan de orde: Is van de berekende depositietoename op voorhand uit te sluiten dat deze significante gevolgen heeft voor het halen van uitbreidings- en verbeteringsdoelen van Kwartelkoning, omdat deze toename tot een onomkeerbare, verminderde geschiktheid van het zoekgebied voor een toekomstige inrichting als broedof voedselgebied? Bepalend voor een eventueel negatief effect van de berekende depositietoename op de instandhoudingsdoelen is een mogelijke verandering in de geschiktheid van het leefgebied qua structuur en functie. Dit geldt voor alle drie de leefgebieden waarop zich een depositietoename voordoet als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Deze leefgebieden hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat het grasland-ecosystemen zijn, die eenzelfde reactie 10
De leefgebieden in de Rijntakken, die door de beoogde ontwikkeling worden beïnvloed, leveren geen specifieke bijdrage aan de gunstige staat van instandhouding van Habitatrichtlijnsoorten. In deze voortoets kan de toets van de depositietoename van de beoogde ontwikkeling aan instandhoudingsdoelen dus beperkt blijven tot vogelrichtlijnsoorten die van de leefgebieden gebruik maken. Pagina 11 van 13
vertonen op een (kleine) toename van stikstof. Onderstaande beschouwing is dan ook van toepassing op structuur en functie van zowel LG07, LG08 als LG11. Het berekende stikstofeffect op LG07, LG08 en LG11 betreft een (zeer) kleine depositietoename op sinds jaar en dag agrarisch (extensief) gebruikt grasland, grotendeels gelegen op voedselrijke en vochthoudende klei- of zavelgronden. In zijn algemeenheid kennen graslanden een reguliere stikstofhuishouding waarin jaarlijkse bemesting zorgt voor aanvoer van stikstof en (meerder malen per jaar) beweiden of maaien zorgt voor de afvoer van stikstof. Onderstaand overzicht geeft een conservatief beeld van deze stromen in de situatie van graslanden met een functie als leefgebied. Dit regulier en relatief extensieve agrarisch beheer (met bijhorende stikstofhuishouding) is een must voor instandhouding van leefgebied. Zonder dit beheer verruigt en verbost het gebied.
Input door bemesting: uitgaand van een lichte bemesting met ruige stalmest (nodig voor een goede structuur en functionaliteit van het leefgebied) van 25 kg/ha/jaar is 1750 mol N/ha/jaar; in de huidige praktijk zal de bemesting van leefgebieden binnen de Rijntakken waarschijnlijk méér dan die 25 kg N/ha/jaar bedragen); Output door maaien, weiden: voor matig voedselarm grasland is dat ongeveer 3,5 -5 ton droge stof per ha. Dat betekent een hoeveelheid stikstof van 21-30 kg; uitgedrukt in molen stikstof is dat 1470-2100 mol N/ha/jaar.
Tabel 2 Overzicht van input en output van stikstof (N) bij regulier agrarisch natuurbeheer op extensief grasland StikstofRegulier beheerde extensieve Stikstof Stikstof (mol N/ha/jaar) huishouding graslanden Input Bemesting met ruige stalmest + 25 kg/ha/jaar + 1750 Output Maaien en afvoeren of beweiden - 21 - 30 kg/ha/jaar - 1470-2100 Hierbij is aan te tekenen dat de bovenstaande getallen gemiddelden zijn voor situaties waarin agrarisch natuurbeheer centraal staat. Afhankelijk van de abiotische omstandigheden (bodemsamenstelling, grondwaterregime) kan de grasopbrengst afwijken van dit gemiddelde. Zo komt leefgebied LG08 in zijn algemeenheid op van nature voedselrijkere bodems voor met als gevolg een hogere grasproductie (en dus output van stikstof) in vergelijking met leefgebied LG11. Sommige bestaande leefgebieden kennen een meer op agrarische productie gericht beheer (met hogere mestgiften en opbrengsten). In dat geval kunnen de in- en output van stikstof uitgedrukt in molen N een factor 1,5 a 2 hoger liggen. Het risico van een toenemende stikstofdepositie is dat de productie van biomassa in het grasland omhoog gaat. Als de afvoer door beweiden en maaien daarmee geen gelijke tred houdt, is er kans op verruiging van de vegetatie, en daarmee op verminderde kwaliteit en functionaliteit als leefgebied.
De berekende depositietoenames als gevolg van de beoogde ontwikkeling op LG07, LG08 en LG11 is maximaal 0,35 mol N/ha/jaar. Dat is een ordegrootte van 0,30 promille van de jaarlijkse input door bemesting. Voor alle drie leefgebieden geldt dat deze toename, zowel absoluut als relatief, ver beneden de responsgrens zit, waarop de vegetatie op meer stikstof reageert met een hogere productie. Bovendien is deze depositietoename een zeer klein deel van de jaarlijks door de vegetatie bewegende stikstofstromen, zodat de totale stikstofhuishouding binnen het leefgebied ook in situatie met maximale depositietoename niet wordt beïnvloed. Structuur en functie van de leefgebieden LG07, LG08 en LG11 verandert dus niet ten opzichte van de huidige situatie als gevolg van de stikstofdepositie die wordt veroorzaakt door de beoogde ontwikkeling. Leefgebied dat nu van goede kwaliteit is, blijft dat, en leefgebied dat nu van matige kwaliteit, blijft dat ook. De mate waarin de KDW van leefgebied nu al wordt overschreden, doet in wezen niet ter zake, omdat deze ‘overmaat’ aan depositie (en dus bemesting) in de huidige situatie al wordt afgevoerd middels het gemaaide of afgeweide gras. De draagkracht van de leefgebieden voor de vogelrichtlijnsoorten verandert niet ten opzichte van de huidige situatie.
Dat betekent dat significante effecten op de instandhoudingsdoelen voor de vogelsoorten, die in meer of mindere mate van deze leefgebieden afhankelijk zijn, op voorhand zijn uit te sluiten. Bovenstaande systeemanalyse is ook van toepassing op zoekgebied voor leefgebieden, in dit geval de zoekgebieden leefgebied LG08 als LG11. Ook hier is de maximale depositietoename klein (namelijk 0,19 mol N/ha/jaar), waarbij ook deze toename een zeer klein deel van de jaarlijkse turnover van stikstof is. Bovendien Pagina 12 van 13
hebben de zoekgebieden in het algemeen een beheer dat meer gericht is op agrarische productie dan de leefgebieden zelf, en dus een grotere input aan bemesting en een grotere output aan grasopbrengst. Gevolg is, dat de depositietoename dan relatief gezien nog kleiner is. Structuur en functie van de zoekgebieden leefgebied verandert dus niet ten opzichte van de huidige situatie als gevolg van de stikstofdepositie die wordt veroorzaakt door de beoogde ontwikkeling . Er is dus ook geen sprake van een onomkeerbare verandering als gevolg van de depositietoename. Dat betekent dat de kleine depositietoename de geschiktheid van de zoekgebieden leefgebied om deze in de toekomst in te zetten ten behoeve van het halen van uitbreidingsdoel van Kwartelkoning op geen enkele wijze wordt beïnvloed. Dat betekent dat significante effecten op Kwartelkoning (de enige aan grasland gebonden soort die voor het halen van het uitbreidingsdoel afhankelijk is van de mogelijkheden tot vergroten van het leefgebied), op voorhand zijn uit te sluiten. Het Beheerplan Natura 2000 Rijntakken voorziet zoals gezegd niet in instandhoudingsmaatregelen in de vorm van inrichting van zoekgebieden leefgebied voor andere aan grasland gebonden vogelsoorten dan de Kwartelkoning, of voor Habitatrichtlijnsoorten.
Significante effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de instandhoudingsdoelen voor deze soorten zijn dus eveneens op voorhand uit te sluiten.
6. Conclusie voortoets stikstof 6.1. Conclusie m.b.t. habitattypen De ontwikkeling leidt tot een kleine stikstofdepositietoename (max 0,01 mol N/ha/jaar) in Natura 2000-gebied Rijntakken op het habitattype H6510A. Voor deze toename is in deze ecologische voortoets stikstof nagegaan in hoeverre significante effecten ervan op voorhand kunnen worden uitgesloten. In een ecologische analyse en een daarbij horende veldverkenning is een beeld gevormd van de actuele toestand van deze habitattypen, de standplaatsfactoren die bepalend zijn voor het voorkomen ervan en van het gevoerde beheer. Het effect van de ontwikkeling is vervolgens op basis van een expertoordeel nader beschouwd op zijn mogelijke ecologische gevolgen tegen de achtergrond van deze factoren. De conclusie van de ecologische analyse en het daarop gebaseerde expert oordeel is, dat, voor wat betreft het aspect stikstof, significant negatieve effecten als gevolg van deze ontwikkeling op voorhand zijn uit te sluiten. 6.2. Conclusie m.b.t. (zoekgebied) leefgebieden De ontwikkeling leidt tot een toename van stikstofdepositie (max 0,35 mol N/ha/jaar) in Natura 2000-gebied Rijntakken op de leefgebied LG08. Bovendien leidt de ontwikkeling tot een toename van stikstofdepositie (max 0,19 mol N/ha/jaar) in Natura 2000-gebied Rijntakken op de zoekgebieden leefgebieden ZgLG11.
Voor deze toename is in deze ecologische voortoets stikstof nagegaan in hoeverre significante effecten ervan op voorhand kunnen worden uitgesloten. Daartoe is geanalyseerd in hoeverre structuur en functie van de (zoekgebieden) leefgebied zodanig veranderen dat ze de draagkracht van Natura 2000-gebied Rijntakken voor de vogelrichtlijnsoorten die van die gebieden gebruik (kunnen) maken veranderen. Aan de hand van een analyse van de stikstofhuishouding van deze leefgebieden (alle grasland) is geconstateerd dat de maximale toename als gevolg van de ontwikkeling ver beneden de responsgrens van de vegetatie ligt. Structuur en functie van de (zoekgebieden) leefgebieden zullen dus niet veranderen als gevolg van de depositietoename veroorzaakt door de beoogde ontwikkeling. Op grond van deze analyse is de conclusie dat, voor wat betreft het aspect stikstof, significant negatieve effecten als gevolg van deze ontwikkeling op voorhand zijn uit te sluiten. 6.3. Eindconclusie De stikstofdepositietoename als gevolg van de ontwikkeling doet zich voor op één habitattype en drie (zoekgebieden van) leefgebieden. Het effect van de depositietoename op deze habitattypen en leefgebieden is nader verkend in deze voortoets stikstof. De eindconclusie is, dat significante effecten van stikstofdepositie als gevolg van deze ontwikkeling, op voorhand zijn uit te sluiten.
Pagina 13 van 13
Bijlage 6 Overzicht inzet tijdens aanlegfase
10
Uitgangspunten aanleg- / realisatiefase Naam project
Dorpensingel Nijmegen
Duur bouwfase Duur bouwfase (aantal maanden): 12 maanden Start bouwfase Nog niet bekend Bouwverkeer verkeerbewegingen Bewegingen
Per dag of voor totale bouwfase of ..
Personenauto's (licht) Bestelbusjes (middelzwaar)
5.756 2.000
Totale bouwfase van 12 mnd Totale bouwfase van 12 mnd
Veegwagen Asfaltset Sproeiwagen of kleefwagen Markeringwagen Vrachtauto / Trekkeroplegger
2 2 2 2 250
Totale bouwfase van 12 mnd Totale bouwfase van 12 mnd Totale bouwfase van 12 mnd Totale bouwfase van 12 mnd Totale bouwfase van 12 mnd
Draaiuren per jaar
Verbruik brandstof (in ltr/jr)
Verbruik Adblue (in ltr/jr) (5% van dieselverbruik)
10.382 2.307 559 2.798 559 27 45 454 74 45
elektrisch 23.405 50% elektrisch 2.969 elektrisch 11.065 1.901 1.049 16.011 1.711 1.033
nvt nvt 148 nvt 553 95 52 801 86 52
Werktuigen op bouwplaats
In te zetten voertuigen
Tractor met grondkar Knikdumper Bulldozer / Schovel Hydraulische rupsmachine Zelfrijdende wals asfaltfrees set Veegwagen Asfaltset Sproeiwagen of kleefwagen Markeringwagen
Per dag of voor totale bouwfase of Vermogen (kW) ..
Totale bouwfase van 12 mnd Totale bouwfase van 12 mnd Totale bouwfase van 12 mnd Totale bouwfase van 12 mnd Totale bouwfase van 12 mnd Totale bouwfase van 12 mnd Totale bouwfase van 12 mnd Totale bouwfase van 12 mnd Totale bouwfase van 12 mnd Totale bouwfase van 12 mnd
100 210 55 47,5 205 725 240 365 240 240
Euroklasse
V V V V V V V V V V
Uitgangspunten aanleg- / realisatiefase Naam project
Vossenhol
Duur bouwfase Duur bouwfase (aantal maanden): Start bouwfase
6 maanden Nog niet bekend
Bouwverkeer verkeerbewegingen Aantal uren
Per dag of voor totale bouwfase of ..
Personenauto's (licht) Bestelbusjes (middelzwaar)
1.671 310
Totale bouwfase van 6 mnd Totale bouwfase van 6 mnd
Tractor met grondkar op vrachtauto Veegwagen op vrachtauto Asfaltset Sproeiwagen of kleefwagen Markeringwagen Vrachtauto / Trekkeroplegger
2 2 2 2 2 138
Totale bouwfase van 6 mnd Totale bouwfase van 6 mnd Totale bouwfase van 6 mnd Totale bouwfase van 6 mnd Totale bouwfase van 6 mnd Totale bouwfase van 6 mnd
Draaiuren per jaar
Verbruik brandstof (in ltr/jr)
Verbruik Adblue (in ltr/jr) (5% van dieselverbruik)
596 133 35 172 35 26 44 151 26 19
5.762 2.689 189 792 703 1.833 1.011 5.331 607 440
288 134 9 40 35 92 51 267 30 22
Werktuigen op bouwplaats
In te zetten voertuigen
Tractor met grondkar Knikdumper Bulldozer / Schovel Hydraulische rupsmachine Zelfrijdende wals asfaltfrees set Veegwagen Asfaltset Sproeiwagen of kleefwagen Markeringwagen
Per dag of voor totale bouwfase of Vermogen (kW) ..
Totale bouwfase van 6 mnd Totale bouwfase van 6 mnd Totale bouwfase van 6 mnd Totale bouwfase van 6 mnd Totale bouwfase van 6 mnd Totale bouwfase van 6 mnd Totale bouwfase van 6 mnd Totale bouwfase van 6 mnd Totale bouwfase van 6 mnd Totale bouwfase van 6 mnd
100 210 55 47,5 205 725 240 365 240 240
Euroklasse
V V V V V V V V V V