Interventieprognose Jeugd, Nijmegen 2024
Tekst van het document
- € 1,2 mln
ongecontracteerd aanbod (B12)
43
Standaardisatie uitvoering (B23)
Onbekend
Onbekend
Onbekend
Voorkomen en verkorten residentiële zorg, inclusief frictiekosten (B17)
- € 1,8 mln
- € 1,8 mln
- € 1,8 mln
Totaal
minimaal - € 5,1 mln
minimaal - € 5,6 mln
minimaal - € 6,0 mln
De totale besparing uit deze tabel kan worden vergeleken met de besparing die van Nijmegen verwacht kan worden op basis van de landelijke tabel (het totaal uit tabel 22). Deze vergelijking is samengevat in onderstaande tabel. Tabel 25. Vergelijking tussen de totale (gerealiseerde en nog mogelijke) kostenbesparing van de gemeente Nijmegen en de kostenbesparing vanuit de Hervormingsagenda die aan de gemeente toegerekend kan worden.
2024
2025
2026
Besparing verwacht o.b.v. toerekening landelijke tabel
- € 2,9 mln
- € 2,7 mln
- € 4,9 mln
Besparing Nijmegen al gerealiseerd Besparing Nijmegen nog mogelijk
- € 4,0 mln - € 1,1 mln
- € 4,0 mln - € 1,6 mln
- € 4,0 mln - € 2,1 mln
Besparing Nijmegen totaal verwacht
- € 5,1 mln
- € 5,6 mln
- € 6,0 mln
Voor 2024 en 2025 kan op basis van de landelijke tabel een besparing van Nijmegen worden verwacht van respectievelijk € 2,9 miljoen en € 2,7 miljoen. Als de in het verleden al behaalde besparingen worden geteld, komen deze samen al uit op € 4,0 miljoen. Daarmee kan gesteld worden dat de gemeente Nijmegen met het bestaande beleid de besparing die op basis van de landelijke tabel aan de gemeente kan worden toegerekend voor deze jaren al heeft gerealiseerd. Met de interventies die in de toekomst nog genomen (kunnen) worden, kan deze besparing voor deze jaren oplopen tot respectievelijk € 5,1 miljoen en € 5,6 miljoen. Voor 2026 kan op basis van de landelijke tabel een besparing aan de gemeente Nijmegen worden toegerekend van € 4,9 miljoen. De al behaalde besparingen van de gemeente betreffen € 4,0 miljoen. Als we hier de besparingen bij optellen die nog mogelijk zijn door middel van de betreffende interventies die in dit onderzoek in beeld zijn gebracht, zou Nijmegen tot een besparing van € 6,0 miljoen komen. Ook dit ligt boven de besparing die op basis van de landelijke tabel aan Nijmegen toegerekend kan worden. Het advies richting de gemeente Nijmegen is om voor de toekomst de kostenbesparing die is opgenomen in tabel 25 (op de regel genaamd “Besparing Nijmegen nog mogelijk”) op te nemen als taakstelling. De onderbouwing van deze bedragen is terug te vinden in tabel 23.
Hiermee worden de besparingen die op basis van de landelijke tabel (volgend uit de Hervormingsagenda) van Nijmegen verwacht kunnen worden, ruimschoots gehaald. Voor 2024 en 2025 geldt zelfs dat de besparingen die van Nijmegen verwacht kunnen worden, met het beleid dat momenteel wordt uitgevoerd, al behaald zijn.
44
/ A Uitwerking beleidsinterventies In deze bijlage is de schematische weergaven van elke beleidsinterventie opgenomen. De schema’s geven logische oorzaak-gevolg relaties weer en dienen van links naar rechts gelezen te worden. Aan de rechterkant zijn alle uiteindelijke effecten opgenomen. Voor de consistentie zijn hier bijvoorbeeld ook kosten in opgenomen, hoewel deze eigenlijk als input aan de linkerkant zouden moeten staan.
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
/ B Kwantificering beleidsinterventies In deze bijlage beschrijven we de aannames die voor elk van de beleidsinterventies zijn gedaan. Daarnaast geven we ook de rekenmethodiek weer die is gevolgd om te komen tot de uiteindelijke resultaten.
B.1
Versterken pedagogische basisvoorzieningen Deze interventie kent effecten die direct invloed hebben op de kosten, effecten die invloed hebben op het aantal cliënten in bepaalde zorgvormen, en een effect dat invloed heeft op het volume van bepaalde zorgvormen. Effecten op de kosten Voor deze interventie zijn er twee effecten die direct invloed hebben op de kosten die de gemeente maakt: de ondersteuning aan SWV Stromenland, en de kostenreductie door de collectivering van ZBO. Er zijn in dit onderzoek geen aannames gedaan over het collectiveren van andere zorgvormen. De ondersteuning van SWV Stromenland betreft een incidenteel bedrag van € 1,1 miljoen voor de periode van 2022 t/m 2024. Gemiddeld is dit dus € 366.667 aan jaarlijkse kosten. We bekijken de kosten ten opzichte van 2023. Dat betekent dat er in 2024 geen sprake is van een verandering, en in de latere jaren een daling van € 366.667. Met de collectivering van ZBO is vanaf schooljaar 2023-2024 gestart op 3 VSO-scholen. De verwachting is, op termijn vanaf 2025, een regionale besparing van € 120.000. We doen de aanname dat de helft hiervan aan de gemeente Nijmegen toe te rekenen is, ofwel een besparing ten opzichte van 2023 van € 60.000 per jaar, vanaf 2025.
Effecten op aantallen cliënten Voor deze interventie zijn er twee onderdelen die effect hebben op het aantal cliënten: de afname van verwijzingen vanuit de voorschool, en een toename van cliënten doordat er meer kinderen op regulier onderwijs terechtkomen. De inzet van deze interventie leidt er naar verwachting toe dat er minder verwijzingen vanuit de voorschool naar formele jeugdzorg plaats zullen vinden. Hiervoor is in overleg met de inhoudelijk betrokken collega gekeken naar alle kinderen jonger dan 4 jaar in een aantal zorgvormen. Vervolgens is de aanname gedaan dat 80% van deze kinderen ook naar de voorschool gaat. In onderstaande tabel zijn deze aantallen weergegeven. Tabel 26. Het aantal cliënten per zorgvorm dat jonger dan 4 jaar is, en het aantal cliënten per zorgvorm dat naar de voorschool gaat.
Zorgvorm Dagbehandeling
Cliënten jonger dan 4 66
Cliënten voorschool 53
Dagbesteding Kortdurend verblijf
0 4
0 3
Basis GGZ
21
17
60
Specialistische GGZ
22
18
Behandeling J&O LVB Begeleiding regulier
94 43
75 34
Begeleiding specialistisch
44
35
In overleg met de inhoudelijk betrokken collega is de aanname gedaan dat er met deze interventie een reductie van 20% op dit aantal cliënten vanuit de voorschool mogelijk is. De verwachting is dat deze reductie vanaf 2024 bereikt wordt. Naar verwachting zullen er meer kinderen op het regulier onderwijs terecht komen in plaats van in het S(B)O door deze interventie. Momenteel ligt het percentage kinderen in S(B)O ten opzichte van alle kinderen in S(B)O plus regulier onderwijs op 3,4%. Het landelijk gemiddelde percentage bedraagt 2,5%. We nemen aan dat de gemeente Nijmegen in drie jaar tijd (startend in 2024) naar het landelijk gemiddelde toe groeit met behulp van deze interventie. In onderstaande tabel is weergegeven hoeveel kinderen er dan (ten opzichte van 2023) op een reguliere school terecht komen, in plaats van een S(B)O. Tabel 27. Het aantal kinderen (ten opzichte van 2023) dat op een reguliere school terecht komt met deze maatregel, in plaats van een (S)BO.
Aantal kinderen BO in plaats van S(B)O
2024 39
2025 79
2026 118
In overleg met de inhoudelijk betrokken collega is de aanname gedaan dat ongeveer 15% van deze kinderen in de toekomst behoefte zou kunnen hebben aan aanvullende jeugdzorg. Daarbij is de aanname gedaan dat deze behoefte gemiddeld 3 jaar later pas ontstaat. Het gaat hierbij om reguliere / specialistische begeleiding of basis / specialistische GGZ. Om een zo conservatief mogelijk resultaat voor deze interventie te krijgen, is aangenomen dat het voor alle cliënten om de zorgvorm gaat die de meeste kosten per cliënt met zich meebrengt (reguliere begeleiding). Effecten op het volume van zorg Naast een reductie in het aantal cliënten, is het ook de verwachting dat de duur van de trajecten in de zorgvormen in bovenstaande tabel afneemt. De inschatting van de gemeente Nijmegen is dat deze afname 15% kan bedragen. Uiteraard zal deze afname van het volume alleen gelden voor een deel van de cliënten in deze zorgvormen: de cliënten die naar de voorschool gaan, minus de 20% hiervan die geen jeugdzorg meer nodig zullen hebben (zie het effect of het aantal cliënten).
B.2
STORM-aanpak Deze interventie kent een effect dat direct invloed heeft op de kosten, en een effect dat invloed heeft op het aantal cliënten in bepaalde zorgvormen. Effecten op de kosten Momenteel bedragen de kosten voor de STORM-aanpak € 80.000 per jaar. Vanaf 2026 is het de verwachting dat deze kosten € 170.000 bedragen. Vanaf dat jaar is er dus sprake van een toename van de kosten (ten opzichte van 2023) met € 90.000. In de eerdere jaren blijven de kosten ten opzichte van 2023 gelijk.
61
Effecten op aantallen cliënten In 2024 zijn drie scholen gestart met de STORM-aanpak.9 Naar verwachting zal er in dit jaar maar op één van deze scholen (aangepaste) screening worden uitgevoerd. In 2025 moeten dit 10 scholen zijn en in 2026 zelfs 15 scholen. Voor 2025 is de verwachting dat hiermee regionaal 308 kinderen worden bereikt. Door aan te nemen dat de helft hiervan uit Nijmegen komt, komen we uit op een verwacht bereik van 154 voor de gemeente. Door dit te schalen op basis van het aantal scholen, worden er naar verwachting 15 kinderen bereikt in 2024 en 231 kinderen in 2026. In Nijmegen heeft 8% van de jongeren een vorm van GGZ-zorg. We nemen aan dat dit percentage in deze groepen anderhalf keer hoger ligt, voor een totaal van 12% van de jongeren. Ten slotte is de vraag hoeveel van deze jongeren door de inzet van STORM géén GGZ-zorg meer nodig hebben. We gaan daarbij uit van een percentage van 38%. Dit is gebaseerd op de resultaten uit onderzoek naar de afname van depressieve klachten bij inzet van deze interventie.10 In onderstaande tabel zijn deze aannames en aantallen samengevat. Tabel 28. Verschillende aannames die zijn gehanteerd bij het kwantificeren van deze maatregel.
B.3
2024
2025
2026
Aantal bereikte scholen (met screening) Aantal bereikte kinderen (regionaal)
1 31
10 308
15 462
Aantal bereikte kinderen (alleen Nijmegen) Aantal hiervan met GGZ-zorg
15 2
154 18
231 28
Aantal hiervan waarbij STORM zorg voorkomt
1
7
11
Meer gewone oplossingen Deze interventie kent effecten die direct invloed hebben op de kosten, effecten die invloed hebben op het aantal cliënten in bepaalde zorgvormen, effecten die invloed hebben op het volume van bepaalde zorgvormen, en effecten die invloed hebben op de inzet vanuit de buurtteams. Effecten op de kosten De inzet voor jongerenwerk (12+) en kinderwerk (12-) wordt grotendeels geleverd door Bindkracht10. De middelen die extra zijn aangevraagd voor 2024 nemen we mee als toename van kosten ten opzichte van 2023. We gaan er daarbij vanuit dat dit in de latere jaren gelijk blijft. Voor jongerenwerk op het PO is € 115.000 aanvullend aangevraagd. Voor jongerenwerk op het VO is € 289.494 aangevraagd voor de verlenging van een lopend project en daarnaast € 150.000 aan extra middelen. Hiervan is de verwachting dat slechts de helft wordt verstrekt, waardoor met € 75.000 rekenen. Ten slotte is er ook een aanvraag van € 73.653 voor kinderwerk gedaan. Effecten op aantallen cliënten In deze interventie zijn er twee effecten die invloed hebben op het aantal cliënten in bepaalde zorgvormen. Ten eerste voorkomt de inzet van jongerenwerk en kinderwerk jeugdzorgtrajecten. Daarnaast is het ook de verwachting dat huisartsen vaker doorverwijzen naar de buurtteams dan
De STORM-aanpak wordt door scholen geïmplementeerd per schooljaar. Om de vergelijking met andere interventies goed te kunnen doen, spreken we hier van kalenderjaren. Als de STORM-aanpak door een school in het schooljaar 2023-2024 wordt geïmplementeerd, rekenen we deze in dit onderzoek tot het kalenderjaar 2024. 10 “Learn to dance in the storm”, Karlijn Heesen, 2021 (Link) 9
62
naar formele zorg. Hierdoor neemt het aantal zorgtrajecten ook af. Onderstaand lichten we beide effecten toe. De inzet van jongerenwerk en kinderwerk leidt naar verwachting tot een daling van het aantal cliënten in jeugdzorg. Om te bepalen om hoeveel cliënten dit gaat, berekenen we eerst hoeveel nieuwe jongeren er bereikt worden met de inzet. Hiervoor starten we vanuit de subsidie die Bindkracht10 in 2023 ontving. Voor 12- tellen we hiervoor de basissubsidie welzijn die aan Jeugd & Opvoeden is toegerekend, en de omzet van projectsubsidies die hieraan zijn toegerekend. Voor 12+ nemen we deze subsidies in hoeverre deze aan Jongeren zijn toegerekend.11 Vervolgens delen we deze subsidies door het aantal kinderen / jongeren dat is bereikt om te komen tot een bedrag per kind.12 In onderstaande tabel zijn deze gegevens samengevat. Tabel 29. Subsidie per bereikte jongere voor kinderwerk en jongerenwerk.
Subsidie Bindkracht10
Kinderwerk (12-) € 2.573.024
Jongerenwerk (12+) € 2.368.863
Bereikte jongeren Subsidie per bereikte jongere
29.271 € 87,90
45.384 € 52,20
Op basis van de toename van het budget voor 2024, berekenen we hiermee hoeveel extra jongeren er in dat jaar bereikt zullen worden. Voor deze interventie zijn we echter geïnteresseerd in het aantal jongeren dat nog niet eerder was bereikt. Ook dit is in de jaarrapportage opgenomen (1.892 voor kinderwerk en 4.139 voor jongerenwerk). We bepalen hiermee het percentage van de bereikte jongeren dat nog niet eerder bereikt was (6,5% voor kinderwerk en 9,1% voor jongerenwerk). Dit percentage passen we vervolgens toe op de jongeren die in de toekomst naar verwachting bereikt zullen worden. Dit geeft de aantallen uit de volgende tabel. Tabel 30. Aantallen nieuw bereikte jongeren met kinderwerk en jongerenwerk.
Extra bereikte jongeren (12-) t.o.v. 2023
2024 2.146
2025 2.146
2026 2.146
Extra nieuw bereikte jongeren (12-) t.o.v. 2023 Extra bereikte jongeren (12+) t.o.v. 2023
139 6.983
139 6.983
139 6.983
Extra nieuw bereikte jongeren (12+) t.o.v. 2023 Totaal nieuw bereikte jongeren t.o.v. 2023
637 776
637 776
637 776
De verwachting is dat deze inzet basis / specialistische GGZ, en reguliere / specialistische begeleiding kan voorkomen. De volgende stap is bepalen hoeveel van de nieuw bereikte jongeren (zowel 12- als 12+) één van deze zorgvormen ontvangen. We bepalen het procentuele gebruik door de cliënten in deze zorgvormen te delen door het aantal jongeren (18-) in de gemeente. Per zorgvorm levert dit een percentage op wat we vervolgens gebruiken om te bepalen hoeveel van de nieuw bereikte jongeren van deze zorgvorm gebruik maken. Dit aantal cliënten binnen de groep nieuw bereikte jongeren is in onderstaande tabel weergegeven.
11 12
Begroting Bindkracht10, 2022 Jaarrapportage 2022 Bindkracht10
63
Tabel 31. Aantal nieuw bereikte jongeren (met kinderwerk en jongerenwerk) met bepaalde zorgvormen.
Nieuw bereikte jongeren met basis GGZ
2024 27
2025 27
2026 27
Nieuw bereikte jongeren met specialistische GGZ Nieuw bereikte jongeren met reguliere begeleiding
40 14
40 14
40 14
Nieuw bereikte jongeren met specialistische begeleiding
21
21
21
Bij niet al deze jongeren zal kinderwerk / jongerenwerk kunnen voorkomen dat er jeugdzorg nodig is. We doen de aanname dat in een derde van de gevallen een jeugdzorgtraject voorkomen kan worden.13 In 2023 zijn er door huisartsen 241 cliënten doorverwezen naar een vorm van begeleiding. Het doel van Nijmegen is om dit in de toekomst terug te brengen naar 0, doordat deze jongeren in plaats daarvan naar het buurtteam worden verwezen. Voor de berekening van deze interventie gaan we er vanuit dat niet alle verwijzingen voorkomen kunnen worden. De aanname is dat er uiteindelijk nog 25% van deze verwijzingen door huisartsen naar begeleiding gedaan zal worden. Daarnaast nemen we aan dat deze afname met 75% over een periode van 5 jaar plaatsvindt. Deze afname gebeurt exponentieel, waarbij de afname in de eerste jaren dus groter zal zijn dan in de latere jaren. Het aantal verwijzingen naar begeleiding dat hierdoor niet meer plaats zal vinden, verdelen we ten slotte proportioneel over reguliere en specialistische begeleiding. In onderstaande tabel zijn deze aantallen weergegeven. Tabel 32. Aantal verwijzingen naar begeleiding dat wordt voorkomen.
Verwijzingen naar begeleiding door huisartsen
2024 183
2025 138
2026 105
Voorkomen verwijzingen naar begeleiding
58
103
136
Effecten op het volume van zorg Naast het voorkomen van zorgtrajecten, is de verwachting ook dat jongerenwerk en kinderwerk ertoe leiden dat de inzet die wel nog nodig is, korter kan duren. We gaan ervan uit dat dit mogelijk is bij de nieuw bereikte jongeren met een zorgtraject, waarbij het zorgtraject niet voorkomen wordt. Concreet betekent dit dat we uitgaan van twee derde van het aantal nieuw bereikte jongeren met zorgtrajecten uit de op een na laatste tabel in de vorige paragraaf. De inschatting van inhoudelijk betrokkenen vanuit de gemeente is dat het volume van de trajecten voor deze jongeren met 10% kan worden verkleind als het om GGZ gaat, en met 15% als het om begeleiding gaat. Effecten op de inzet van buurtteams Cliënten die niet langer door huisartsen worden doorverwezen naar begeleiding, worden in plaats daarvan doorverwezen naar de buurtteams. Dit betekent dat er een extra inzet van de buurtteams wordt gevraagd. De inschatting van de inhoudelijk betrokken medewerker is dat voor 15% van deze cliënten geldt dat zij uiteindelijk geen ondersteuning vanuit het buurtteam nodig hebben. Deze cliënten worden doorverwezen naar de sociale basis. Voor de overige 85% is er ondersteuning vanuit het buurtteam nodig. Voor deze trajecten is het de verwachting dat ze ongeveer 30% korter duren dan het geval was geweest voor het alternatieve begeleidingstraject.
Voor de ondersteuning die reguliere begeleiding vervangt gaat het daarbij om 136 uur door het buurtteam (in plaats van 194 uur
13
Maatschappelijke Businesscase jongerenwerk voor gemeenten, Participe Advies, 2017 (Link)
64
per begeleidingstraject) en voor specialistische begeleiding om 64 uur (in plaats van 91 uur per begeleidingstraject). In onderstaande tabel zijn de resulterende aantallen weergegeven. Tabel 33. Inschatting van de extra benodigde ureninzet van de buurtteams.
Extra cliënten begeleiding door buurtteams Aantal extra uren inzet buurtteams
B.4
2024
2025
2026
50 4.571
87 8.036
116 10.661
Meer basishulp door buurtteams Deze interventie kent effecten die invloed hebben op het aantal cliënten in bepaalde zorgvormen, effecten die invloed hebben op het tarief van bepaalde zorgvormen, en effecten die invloed hebben op de inzet vanuit de buurtteams. Effecten op aantallen cliënten Het aantal cliënten in formele zorgvormen kan door deze interventie dalen doordat buurtteams meer basishulp gaan bieden. De gemeente Nijmegen geeft aan dat er in 2023 in totaal 1.055 cliënten instroomden in een vorm van begeleiding. Het doel is om dit in eerste instantie (2024) af te laten nemen naar maximaal 700 cliënten en later naar 655. Omdat een afname naar 700 cliënten een forse opgave lijkt, gaan we er bij de berekening vanuit dat de afname naar 700 over drie jaar (startend in 2024) plaatsvindt en de afname naar 655 vervolgens over twee jaar. Omdat het aantal instromende cliënten niet gelijk is aan het aantal trajecten, berekenen we eerst het percentage waarmee het aantal instromende cliënten de komende jaren naar verwachting afneemt. We nemen vervolgens aan dat het aantal trajecten met dezelfde percentages afneemt. In onderstaande tabel zijn de resulterende aantallen samengevat. Tabel 34. De afname van het aantal begeleidingstrajecten t.o.v. 2023.
Maximale instroom begeleiding
2024 937
2025 818
2026 700
Afname instroom begeleiding t.o.v. 2023 Afname aantal trajecten (cliënten) begeleiding t.o.v. 2023
11% 146
22% 292
34% 438
De totale afname van het aantal cliënten begeleiding verdelen we vervolgens naar rato over reguliere en specialistische begeleiding. Effecten op tarieven van zorgvormen Momenteel wordt voor bepaalde zorgvormen een deel van de zorg geleverd door partijen die niet gecontracteerd zijn. Het gaat hierbij om basis en specialistische GGZ, en reguliere en specialistische begeleiding. Vanuit de gemeente wordt aangegeven dat de verwachting is dat 3% van de trajecten momenteel door een niet-gecontracteerde partij worden uitgevoerd, maar na deze interventie bij een gecontracteerde partij worden belegd. Deze 3% van de trajecten representeren 5% van de kosten. Voor elk van de vier zorgvormen hebben we eerste bepaald 3% van het totaal aantal cliënten is. Vervolgens is ook bepaald hoeveel 5% van de totale kosten bedraagt. Door deze kosten (per zorgvorm) te delen door het aantal cliënten, verkrijgen we de kosten per traject voor zorg geleverd door niet-gecontracteerde partijen. Door dit ten slotte te delen door het volume per traject van deze zorgvormen, volgen de kosten per volume per traject die zouden worden voorkomen als de zorg zou
65
worden geleverd door een gecontracteerde partij. Uiteraard geldt deze mogelijke besparing alleen voor de eerdergenoemde 3% aan trajecten. Effecten op de inzet van buurtteams Binnen deze interventie zijn er een aantal effecten die invloed hebben op de benodigde inzet vanuit buurtteams. Er is extra inzet nodig voor de VO-teams, de intensievere samenwerking met huisartsen en GI’s, en de investering in het vakmanschap van gezinswerkers. Daarnaast zijn er ook meer uren nodig doordat buurtmedewerkers basishulp gaan bieden aan een deel van de cliënten die momenteel door huisartsen naar begeleiding worden verwezen. Voor de benodigde inzet van VO-teams gaan we op basis van ervaringen vanuit Utrecht uit van 6 uur per week per school. Vermenigvuldigd met de 21 VO-scholen in de gemeente komt dit uit op een totaal van 6.552 uren. Deze aanwezigheid op scholen moet opgebouwd worden. We gaan er daarom voor de berekening vanuit dat er in 2024 op slechts 2 scholen aanwezigheid is, in 2025 op 8 scholen, in 2026 op 15 scholen en in 2027 op 21 scholen. Voor de intensievere samenwerking met huisartsen en GI’s rekenen we per praktijk 1 uur per week. Met 46 huisartsenpraktijken komen daarmee uit op een extra inzet van 2.392 uren per jaar.
Voor de extra investering in het vakmanschap van gezinswerkers rekenen we een toename van 5% in het huidige aantal indirecte uren (vooral voor scholing) van buurtteammedewerkers. In totaal betekent dit een toename van 2.326 uren per jaar. Voor de basishulp die buurtteams leveren gebruiken we dezelfde methodiek als in interventie 3: we gaan ervan uit dat de basishulp ter vervanging is van een reguliere of specialistische begeleiding en 30% korter duurt dan het formele zorgtraject had geduurd. In onderstaande tabel zijn de aantallen uren extra inzet vanuit buurtteams samengevat. Tabel 35. Benodigde extra uren inzet vanuit de buurtteams.
B.5
Extra uren voor VO-team
2024 624
2025 2.496
2026 4.680
Extra uren voor samenwerking met huisartsen en GI’s Extra uren voor vakmanschap gezinswerkers
2.392 2.326
2.392 2.326
2.392 2.326
Extra uren voor basishulp Totaal
11.449 16.790
22.897 30.111
34.346 43.744
Regionaal Expertteam Deze interventie heeft alleen effect op de directe kosten. Zoals in de hoofdtekst beschreven, is deze maatregel al ingevoerd, en worden er dus geen verdere besparingen verwacht. We brengen dus in kaart wat de financiële effecten zouden zijn als Nijmegen zou stoppen met deze interventie. Effecten op de kosten De interventie heeft zowel een positief als negatief effect op de directe kosten. Het positieve effect komt voort uit een afname van het volume van jeugdzorg door de inzet van het RET. De gemeente geeft aan dat er regionaal 129 keer laagdrempelig contact was met de RET voorzitter en er 21 keer een RET tafel heeft plaatsgevonden. Voor de gemeente Nijmegen geldt dat aan tafel in totaal 16 kinderen zijn besproken. Door de laagdrempeligheid van het RET, waarin voorzitter verwijzer wijst
66
naar passende zorgvormen; de samenwerking van aanbieders in het RET netwerk buiten en aan de tafel, wordt passendere zorg ingezet. Dit leidt tot een afname van zorg, omdat 24-uurs zorg wordt voorkomen of vervangen door een andere voorzieningen, en doordat er minder stapeling van zorg plaatsvindt. Het is heel moeilijk om een inschatting te maken van hoeveel zorgkosten er waren geweest als er geen RET en daarmee geen nauwe samenwerking tussen zorgaanbieders was. Bovendien kunnen de zorgkosten na RET ook hoog zijn, omdat hoogspecialistisch verblijf soms onvermijdelijk is. Sommige cliënten wonen nog thuis en door het advies van het RET wordt een uithuisplaatsing voorkomen en wordt toegeleid naar zorg die dit mogelijk maakt (zie maatregel B6: een sluitend zorglandschap). Andere cliënten (ongeveer 40%) verblijven al in residentiële jeugdhulp. Doordat de hulp daar vastloopt, en door RET interventies als een Verklarende Analyse óf procesregie (zoals bieden van perspectief na gesloten jeugdzorg) worden ingezet, wordt een traject anders en wordt minder gestapelde zorg ingezet. Het effect op de kosten is onbekend, maar het vinden van meer passende hulp kan een groot effect hebben op de kosten. Voor het kwantificeren van deze maatregel is door de gemeente Nijmegen op basis van BSN’s bekeken wat de actuele zorgkosten waren in 2023.
Voor de kinderen die zijn besproken aan de RET-tafel was dit in totaal € 1.184.422. Voor dit onderzoek nemen we aan dat deze kosten 10% lager liggen dan het geval was geweest zonder o.a. procesregie van RET. Dit betekent dat de kosten zonder de inzet van deze interventie (per kind) dus op € 1.316.024 uit zouden komen. Er zou dus sprake zijn van een kostenstijging per kind van € 131.602 als de gemeente zou stoppen met deze interventie. Deze aanname is op dit moment niet goed te onderbouwen en zal in de toekomst beter moeten worden onderzocht. De kosten die voor 2024 zijn begroot voor deze interventie bedragen een regionale bijdrage van € 70.000 en de kosten voor de verklarende analyses (regionaal € 48.000). Beide bedragen zijn voor de gehele regio, en inclusief indexatie. Voor Nijmegen rekenen we 60% van deze bedragen, voor een totaal (inclusief indexatie) van € 70.800. Door uit te gaan van een indexatie van 6% komen we uit op een bedrag van € 66.792.
B.6
Sluitend zorglandschap Deze interventie kent effecten die invloed hebben op de directe kosten, effecten die invloed hebben op het aantal uithuisplaatsingen en effecten die invloed hebben op de zorginzet vanuit het RET. Voor de berekening van deze interventie zijn al deze effecten direct vertaald naar kosten. Effecten op de kosten Bij deze interventie nemen we het effect mee van vier vormen zorgvormen die erop gericht zijn om uithuisplaatsingen te voorkomen. Het gaat hierbij om het Inverbindingsteam Jouw Ingebracht Mentor (IVT JIM), Multisysteem Therapie (MST), Intensieve Ambulante Gezinsbegeleiding (IAG) en Ambulante Spoedhulp (ASH). Voor elk van deze zorgvormen bepalen we de kosten per cliënt en de besparing vanwege het feit dat hier uithuisplaatsingen mee worden voorkomen. Voor elke interventie hanteren we daarvoor gemiddelde kosten per cliënt, en het aantal cliënten waarbij deze interventie wordt ingezet. We gebruiken hiervoor het aantal cliënten uit 2023. Voor elk van de interventies doen we daarnaast een aanname over het percentage cliënten waarbij door deze inzet een uithuisplaatsing wordt voorkomen. Voor IVT JIM, MST en ASH is dit op dezelfde wijze gedaan: er is aangenomen dat er zonder de inzet van deze zorgvormen in alle gevallen een uithuisplaatsing nodig was geweest. Het
67
percentage cliënten waarbij na inzet van deze zorg geen uithuisplaatsing heeft plaatsgevonden, is dan dus het percentage voorkomen uithuisplaatsingen. Voor IAG is dit percentage (en het aantal cliënten) op een afwijkende manier bepaald. De reden hiervoor is dat deze zorgvorm naast het voorkomen van uithuisplaatsingen, ook ander doelen heeft. De eerste aanname die is gedaan, is dat de inzet van IAG uiteindelijk bij 10% van de cliënten waarbij IAG is ingezet, een uithuisplaatsing heeft voorkomen. De vraag is vervolgens bij welk deel van de cliënten een uithuisplaatsing plaats had gevonden als er geen IAG was ingezet. Om een conservatieve inschatting te maken, kijken we hiervoor naar de resultaten van ASH. Bij ASH wordt in 80% van de gevallen een uithuisplaatsing voorkomen. Als we datzelfde percentage zouden hanteren voor IAG, betekent dit dat bij 12% van de cliënten waarbij IAG wordt ingezet, zonder deze ondersteuning een uithuisplaatsing had plaatsgevonden (de 10% voorkomen UHP zijn namelijk 80% van deze 12% cliënten waarbij anders een UHP had plaatsgevonden). Om de rekenmethodiek voor IAG gelijk te houden aan de andere methoden, gebruiken we deze percentages om het aantal cliënten aan te passen.
Het aantal cliënten waarbij IAG wordt ingezet bedroeg 261, maar als we alleen kijken naar de cliënten IAG waarbij anders een uithuisplaatsing had plaatsgevonden, gaat het om 12% daarvan, ofwel 31 cliënten. In onderstaande tabel zijn de gebruikte gegevens samengevat. Tabel 36. Kosten per cliënt, aantal cliënten en percentage uithuisplaatsingen dat wordt voorkomen met verschillende ondersteuningsvormen.
Inzet
Kosten per cliënt
Aantal cliënten met dreigende UHP
% voorkomen UHP
IVT JIM MST
€ 21.000 € 18.235
10 10
95% 95%
IAG14 ASH
€ 10.011 € 14.573
31 31
80% 80%
Met behulp van bovenstaande gegevens kunnen we de kosten bepalen voor de inzet van deze zorgvormen bij cliënten waar een uithuisplaatsing dreigt. Deze kosten zijn simpelweg de kosten per cliënt maal het aantal cliënten met een dreigende uithuisplaatsing. Om vervolgens te bepalen hoeveel kosten hiermee worden voorkomen, nemen we aan dat de jaarlijkse kosten voor een uithuisplaatsing gemiddeld € 40.000 bedragen. De voorkomen kosten per zorgvorm zijn dus gelijk aan het aantal cliënten waarbij een uithuisplaatsing dreigt, maal het percentage van de gevallen waarin de zorgvorm een uithuisplaatsing voorkomt, maal € 40.000.
B.7
Doorbraakaanpak Deze interventie kent effecten die invloed op de directe kosten, en effecten die invloed hebben op de benodigde inzet vanuit buurtteams. Bij deze interventie hebben we zowel in kaart gebracht wat een eventuele uitbreiding zou betekenen, als wat het volledig stopzetten van de interventie zou betekenen. Effecten op de kosten De gemeente Nijmegen heeft inzicht in de besparing per casus van casussen met een maatwerkplan. Het gaat om een besparing van € 29.608 per casus. Dit bedrag had de gemeente dus uitgegeven (per maatwerkplan), als er geen inzet was gepleegd via deze interventie. In 2023 waren er in totaal 60
14
IAG wordt door verschillende aanbieders ingezet. In deze tabel is gewerkt met de gewogen gemiddelden.
68
casussen met een dergelijk plan, wat een besparing van € 1.776.462 zou betekenen. Dit is echter een besparing op meerdere terreinen. Als we alleen naar de besparing binnen de jeugdwet kijken, gaat het om een totaal van € 980.982. Deze 60 maatwerkplannen zijn tot stand gekomen met de inzet van 2,5 fte uit het doorbraakteam. Gemiddeld betekent dit dus dat er 24 maatwerkplannen per fte gerealiseerd zijn. Vanaf 2025 wordt 15 fte buurtteammedewerkers en 5 fte jeugdbeschermers getraind om ook dergelijke casussen op te pakken. De aanname is dat zij dit 20% van hun tijd gaan doen, wat netto dus neerkomt op een toename van 4 fte. Hierbij nemen we echter ook aan dat deze medewerkers minder vaak tot een maatwerkplan zullen komen, bijvoorbeeld doordat casuïstiek soms zelf opgepakt zal worden. In plaats van 24 maatwerkplannen per fte, rekenen we daarom met 12 maatwerkplannen per fte. De verwachting is dus dat deze uitbreiding van 4 fte kan leiden tot een toename van 48 maatwerkplannen. In 2024 zullen nog niet alle medewerkers betrokken zijn, en gaan we uit van 13 buurtteammedewerkers en 4 jeugdbeschermers. Dit zou dus neerkomen op 40 extra maatwerkplannen (bovenop de huidige 60) in 2024 en 48 extra maatwerkplannen in 2025 en verder. Ten slotte gaan we er ook vanuit dat het opstarten van deze werkwijze gepaard gaat met een iets lager aantal maatwerkplannen.
Dit heeft ermee te maken dat het tijd vraagt om gewend te raken aan de methodiek. Hiervoor gaan we uit van een verminderde efficiëntie van 30% in 2024 en 15% in 2025. In totaal leidt dit tot de volgende aantallen maatwerkplannen: 60 in 2023 (het huidige aantal), 88 in 2024, 101 in 2025 en uiteindelijk 108 in 2026 en verder. Deze buurtteammedewerkers en jeugdbeschermers krijgen een training. De kosten voor deze eenmalige training bedragen € 21.078. Daarnaast vraagt deze training ook 8 dagdelen van de buurtteammedewerkers en 6 dagdelen van de jeugdbeschermers. Voor de jeugdbeschermers nemen we de kosten voor deze inzet mee. Voor de buurtteammedewerkers brengen we (net zoals voor alle andere interventies) zowel de uren als de kosten die hiermee gemoeid staan in beeld. Naast de training gaan de buurtteams vanaf 2025 ook werken met een doorbraaktool. Het gebruik hiervan kost € 750 per buurtteam per jaar. Als we kijken naar het volledig stoppen met deze interventie, dan kunnen we stellen dat de volledige besparing die in 2023 is behaald binnen de jeugdwet (€ 980.982) komt te vervallen. Daar staat tegenover dat ook niet langer de kosten voor de doorbraakaanpak worden gemaakt. Deze kosten bedragen € 220.000. Effecten op de inzet van buurtteams Momenteel vraagt de doorbraakaanpak nauwelijks inzet van de buurtteams.
Het stoppen met deze interventie zou dus ook geen effect hebben op de inzet van de buurtteams. Als de interventie wordt uitgebreid, is het ook de verwachting dat er training nodig is voor medewerkers van het buurtteam. Hierbij gaan we uit van een training voor in totaal 14 personen (vanuit elk van de 7 buurtteams 2 personen). Aangezien de training 6 dagdelen duurt, komt dit neer op in totaal 42 dagen aan tijdsinvestering. Inclusief terugkomdagen gaan we in totaal uit van 45 dagen. Voor de berekening is de tijdsinvestering voor deze training opgenomen voor het jaar 2024. De uitbreiding van de interventie wordt onder andere vormgegeven doordat 15 buurtteammedewerkers 10% van hun tijd hieraan gaan besteden. Dit betekent effectief dus een tijdsinvestering van 1,5 fte. Voor de 5 jeugdbeschermers die 10% van hun tijd hieraan gaan besteden, rekenen we een tarief van € 145.831 per fte. Zoals bij alle interventies brengen we de tijdsinvestering van de buurtteammedewerkers zowel in uren als in middelen in beeld.
69
B.8
Ontlasten kwetsbare gezinnen Deze interventie kent effecten die invloed op de directe kosten, en effecten die invloed hebben op het aantal cliënten in bepaalde zorgvormen. Bij deze interventie hebben we zowel in kaart gebracht wat een eventuele uitbreiding zou betekenen, als wat het volledig stopzetten van de interventie zou betekenen. Effecten op de kosten Deze interventie kent drie onderdelen waarvoor de gemeente Nijmegen kosten maakt. Voor buurtgezinnen werd in 2023 in totaal € 125.550 aan kosten gemaakt. De kosten voor de zorgoppas waren € 57.150. Het derde onderdeel is de inzet van Jij & Ik. Voor deze inzet was het echter niet mogelijk om het effect op het aantal cliënten te kwantificeren. Daarom nemen we ook de kosten voor dit onderdeel niet mee bij deze interventie. Het gaat dus om een totaal van € 182.700 in 2023. Als men zou stoppen met deze interventie, zouden deze kosten niet meer gemaakt worden. Effecten op aantallen cliënten Vanuit Buurtgezinnen zijn in 2023 in totaal 30 koppelingen gemaakt. Jeugdzorgvormen die bij deze inzet voorkomen kunnen worden zijn begeleiding, pleegzorg, GGZ-zorg en OTS. Op basis van een effectrapportage van buurtgezinnen gaan we hierbij uit van de volgende percentages.15 Tabel 37. Aantal cliënten waarbij verschillende zorgvormen worden voorkomen.
Zorgvorm
Percentage
Voorkomen aantal 2023
Begeleiding Pleegzorg
27% 22%
8 cliënten 7 cliënten
GGZ OTS
14% 7%
4 cliënten 2 cliënten
De zorgoppas is in van maart t/m december 39 keer ingezet, door dit op te schalen naar een jaarlijks totaal, komen we uit op een gemiddelde inzet van 47 keer per jaar. Voor deze interventie gaan we ervan uit dat deze inzet bij 20% van de gezinnen kan voorkomen dat er dagbesteding wordt ingezet.
B.9
Verstevigen gezinsvormen Deze interventie kent effecten die invloed op de directe kosten, en effecten die invloed hebben op het aantal cliënten in bepaalde zorgvormen. Er is geen sprake van een eventuele uitbreiding van deze interventie. We hebben dus alleen in kaart gebracht wat het volledig stopzetten van de interventie zou betekenen. Effecten op de kosten De kosten die momenteel worden gemaakt zijn regionaal en lokaal. Voor werving van pleegouders (bijvoorbeeld advertenties, de website onderhouden en campagne materiaal) is er een jaarlijks budget van in totaal € 12.150. Als men zou stoppen met deze interventie worden deze kosten dus niet langer gemaakt.
15
Effectrapportage buurtgezinnen, 2019 (Link)
70
Voor het lokale, Nijmeegse pleegzorgcompliment wordt € 18.000 besteed. Het is een klein bedrag waarmee waardering wordt gegeven aan een totaal van 140 pleeggezinnen in 2023. Daarbij worden via inkoop kosten gemaakt voor pleegzorg begeleiding. Effecten op aantallen cliënten Van alle zorg met verblijf in Nijmegen maakt pleegzorg en gezinsgerichte zorg momenteel 48% uit. Landelijk ligt dit percentage op 56%.16 De gemeente gaat er niet vanuit dat het met deze interventie mogelijk is om het percentage in Nijmegen te verhogen tot het landelijke percentage. Dit komt door de specifieke demografie van Nijmegen. Daarnaast is het een landelijke trend dat steeds meer pleegouders stoppen, onder andere vanwege hun leeftijd. Door de inzet op deze interventie is de wachtlijst voor pleegzorg in 2022-2023 afgenomen van 28 kinderen naar 3 kinderen. Hierna is deze wachtlijst weer gegroeid naar 18 kinderen, een toename van 15 kinderen dus. Uiteraard is het niet mogelijk om te bepalen met hoeveel kinderen de wachtlijst jaarlijks zou toenemen als er géén inspanningen meer werden geleverd voor deze interventie. Voor de kwantificering hiervan nemen we aan dat de wachtlijst jaarlijks met 15 kinderen toe zou nemen in dat geval.
We gaan er daarmee vanuit dat er jaarlijks 15 kinderen minder in pleegzorg terecht komen, maar dat deze 15 kinderen in plaats daarvan in andere (zwaardere) vormen van zorg met verblijf komen. Omdat het naar verwachting niet om alle vormen van zorg met verblijf gaat, rekenen we hiervoor met het tarief van gezinshuiszorg. Helaas daalt het bestand van ouders die pleegzorg bieden hard. Deze daling is autonoom en staat los van het al dan niet langer uitvoeren van deze interventie van werving. Voor de kwantificering gaan we ervan uit dat de daling van 15 cliënten per jaar blijft voortduren tot het totaal aantal cliënten in pleegzorg 75% van het huidige aantal cliënten bedraagt. Ook deze 75% is een aanname.
16
Bron: CBS Statline.
71
/ C Maatregelentabel Hervormingsagenda Op de volgende pagina is de tabel met maatregelen zoals opgenomen in de Hervormingsagenda weergegeven.17 In deze tabel zijn de landelijke besparingen terug te vinden die per maatregel worden verwacht. Om dit te vertalen naar de besparing die van een individuele gemeente kan worden verwacht, kan de bijbehorende handreiking van de VNG worden gebruikt.18 Hierin is terug te vinden dat aan de gemeente Nijmegen 1,33% van de landelijk verwachte besparing kan worden toegerekend. Van de bedragen in onderstaande tabel hebben we dit percentage gehanteerd als de besparing die van Nijmegen verwacht kan worden.
17 18
Hervormingsagenda Jeugd 2023 - 2028 | Rapport | Rijksoverheid.nl, bijlage 2 (pagina 72). Handreiking voor gemeenten bij uitvoering Hervormingsagenda | VNG, bijlage (pagina 15).
72
Tabel 38. Tabel met maatregelen uit de hervormingsagenda
2023
2024
2025
2026
2027
2028
2030
structureel
Onzeker
Haalbaar
-24
-49
-73
-97
-121
-121
-121
-60
-61
Versterken normale leven/veerkracht jeugdigen en hun omgeving (B16)
Rijk en VNG
Afbakening reikwijdte (B2)
Rijk en VNG
-67
-67
-67
-210
-210
-210
-210
-210
-210
Invoeren doorbraakmethode (B15)
VNG
-101
-101
-101
-101
-101
-101
-101
-101
-75
Brede invoering jeugdconsulenten bij de huisarts (AEF rapport, bijlage E,1)
VNG
-75
-75
-75
-88
-88
-88
-88
-88
-88
Beperking verwijzingen naar ongecontracteerd aanbod (B12)
VNG
-49
-49
-49
-49
-49
-49
-49
-49
-49
Regionalisering (B3)
Rijk en VNG
13
13
13
11
4
-6
-6
-6
-6
Voorkomen en verkorten residentiële zorg (B17)
Rijk en VNG
15
6
-7
-32
-67
-74
-74
-74
23
47
72
60
65
28
Frictiekosten voorkomen en verkorten residentiële zorg (B17)
-37
-26
-37
Normaliseren voogdijondersteuning (B18)
Rijk en VNG
-6
-6
-6
-26
-26
-26
-26
-26
-26
Selectie en contractering (B5) (gecorrigeerd voor interferentie B6)
VNG
1
-28
-62
-79
-72
-73
-73
-73
-73
Tariefdifferentiatie (B6)
Rijk en VNG
-12
-14
-16
-17
-24
-24
-24
-24
-24
Standaardisatie uitvoering (B23)
Rijk en VNG
-112
-112
-112
-224
-224
-224
-224
-224
-224
Vereenvoudiging productcodes (BV)
VNG
1
-3
-6
-7
-7
-7
-7
-7
-7
-37
-37
-37
-37
-37
-37
-37
-37
-37
4
7
9
12
13
13
22
22
28
69
119
-101
-97
-18
-374
-374
-374
-961
-1017
-1017
-1018
-1018
Correctie begrotingsstand Investering kwaliteitsagenda en kwaliteitscyclus Kasschuif Totaal incl. investeringen en technische mutaties
Rijk en VNG
73
-382
-658
/ D Groepering van zorgvormen De gemeente Nijmegen kent verschillende zorgvormen. Voor dit onderzoek hebben we deze gegroepeerd tot overkoepelende categorieën. Onderstaand is een overzicht gegeven van deze categorieën voor zorgvormen zonder verblijf, met de productcodes die hiertoe zijn gerekend. Begeleiding regulier (45A04, 45A71) Behandeling J&O LVB (45A65) Jeugd Dagbehandeling (41A03, 41A11, 41A12, 41A13, 41A20, 41R03) Jeugd GGZ opname (54013, 54014, 54015) Jeugd Persoonlijke verzorging (40A04) Jeugd Vervoerdiensten (42A03) Jeugdbescherming (48A00, 48B02, 48B11, 48A00, 48B07, 48B97) Jeugdhulp ambulant (45A40, 45A41, 45A55, 45A74) Jeugdhulp crisis (46A04, 46A01, 46A03) Jeugdreclassering (47B00, 47B10, 47B03, 47B04, 47B14, 47B05) LTA (55001, 55002, 55003, 55005, 55010, 55011, 55012, 55013, 55014, 55015, 55016, 55019, 55023, 55024, 55025, 55026, 55028, 55031, 55033, 55034, L0006, L0008, L0120, L0123, L0125, L0141, L0142, L0143, L0144, L0145) OTS (48B00, 48B01, 48B80, 48B10, 48B12, 48B99) Preventief justicieel kader (49B02, 49B07, 49B03, 49B21, 49B00, 49B98, 49B05, 49B04, 49A02, 49B61, 49B24) Vaktherapie (45A53, 45A52) Basis GGZ (54001) Begeleiding specialistisch (45A05, 45A49) Dagbesteding (41A04, 41A18, 41A21) Specialistische ggz (54002) Logeren (44A09), deze zorgvorm zit momenteel niet in het prognosemodel, en valt ook niet onder zorg
met verblijf De zorgvormen met verblijf die we in dit onderzoek mee hebben genomen zijn de volgende JeugdzorgPlus en 3LM (43A06, 43A12, 43A56, 43B15, 44R31, 43A08, 43O90) Pleegzorg (44A07, 35502) Gezinshuiszorg (44A29, 44A30, 44A31) Overige residentiële zorg (43A07, 43A31, 43A37, 43A38, 43A39, 43A55, 44A27, 44A28, 44A32, 44A45, 44A52, 44A33, 44A34)
74
/ E Toewijzingen aan kostenposten PM
75
/ F Dashboard interventieprognose PM
76