CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Interventieprognose Jeugd, Nijmegen 2024

Besluitronde (raadsvergadering) 11 september 2024, gemeente NijmegenBij agendapunt: D32 d.d. 2 juli 2024 over Interventieprognose adviesbureau Andersson Elffers Felix (AEF)25.370 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Interventieprognose Jeugd Nijmegen 2024 Financiële impact van kwantificeerbare interventies en externe ontwikkelingen op de kostenontwikkeling van jeugdzorg

1

Datum 6 juni 2024

Opdrachtgever Gemeente Nijmegen

Onderzoeksteam Gillian Lustermans Irene Niessen

Referentie NG40/interventieprognose jeugd nijmegen 2024.docx

bezoekadres postadres

Maliebaan 16 Postbus 85198

3581 CN Utrecht 3508 AD Utrecht

telefoon website

+31 30 236 30 30 www.aef.nl

2

/

Managementsamenvatting Net als veel andere gemeenten kent ook de gemeente Nijmegen financiële uitdagingen op het gebied van jeugdzorg. Om de kosten te kunnen beheersen, is het van belang om deze zo goed mogelijk te kunnen voorspellen. Naast begrotingen en realisaties gebruikt de gemeente hiervoor een zelf ontwikkeld prognosemodel dat het aantal cliënten per zorgvorm (voor jeugdhulp zonder verblijf) voorspelt. In dit onderzoek hebben we een aanvullend instrument ontwikkeld om voorspellingen van de kosten te maken. Met deze interventieprognose worden de verwachte financiële effecten van een aantal specifieke, concrete beleidsinterventies die de gemeente kan uitvoeren of uitbreiden berekend. Daarnaast worden ook de financiële effecten van een aantal externe ontwikkelingen in beeld gebracht. Tot slot berekenen we met deze interventieprognose ook wat het financiële effect zou zijn als de gemeente zou stoppen met bepaalde beleidsinterventies die momenteel worden uitgevoerd. Voor dit onderzoek is er een selectie van belangrijke beleidsinterventies gekozen waarvan het mogelijk was om een kwantificering van het resultaat uit te voeren. Hiervoor is gekeken naar de Hervormingsagenda, het regioprogramma en het lokaal plan. De effecten van interventies die concreet genoeg waren zijn eerst kwalitatief in beeld gebracht. Hierna is gekeken welke interventies ook gekwantificeerd konden worden.

Dit heeft uiteindelijk geleid tot negen interventies waarvan de effecten zijn berekend. Bij vijf interventies is berekend wat het effect van het invoeren of uitbreiden zou zijn. Daarnaast is ook voor vijf interventies die al uit worden gevoerd berekend wat het effect zou zijn van het stoppen met deze interventie. Van één interventie is dus zowel het effect van uitbreiden als stoppen bepaald. In onderstaande figuur zijn de resultaten van deze berekeningen samengevat. In het groen is het effect op de kosten ten opzichte van 2023 weergegeven als de vijf gekwantificeerde interventies worden ingevoerd of uitgebreid. In het rood is het effect op de kosten (ook ten opzichte van 2023) weergegeven als de gemeente zou stoppen met de vijf interventies die momenteel al worden uitgevoerd.

Figuur 1. Het effect op de kosten ten opzichte van 2023 bij het invoeren / uitbreiden van alle interventies waarvoor dit is gekwantificeerd (groen) of het stoppen met alle interventies waarvoor dit is gekwantificeerd (rood).

3

Uit deze figuur is af te lezen dat de invoering of uitbreiding van de gekwantificeerde interventies in 2024 kan leiden tot een daling van de kosten ten opzichte van 2023 van ongeveer € 1,5 miljoen. Daarnaast is ook te zijn dat het stoppen met interventies die de gemeente momenteel al uitvoert, zou leiden tot een kostenstijging van € 3,9 miljoen in 2024 (ten opzichte van 2023). In feite kan dus gesteld worden dat dit bedrag al is bespaard met de huidige inspanningen op deze interventies. Naast beleidsinterventies is er in het onderzoek ook gekeken naar een aantal externe ontwikkelingen. Hierbij gaat het om tariefontwikkelingen, verwachte groei op basis van het prognosemodel en de ontwikkeling van kleinschaligheid in jeugdhulp met verblijf. In onderstaande figuur is weergegeven wat het effect op de kosten is als deze externe ontwikkelingen worden meegenomen. Hierbij hebben we ook weergegeven wat het totale financiële effect zou zijn van deze externe ontwikkelingen en het invoeren of verder uitbreiden van de vijf eerdergenoemde interventies.

Figuur 2. Het verwachte effect op de kosten ten opzichte van 2023 van de externe ontwikkelingen (licht blauw) en het invoeren / uitbreiden van interventies (licht groen). Het gecombineerde effect op de kostenontwikkeling is donkerblauw weergegeven.

In deze grafiek is te zien dat de externe ontwikkelingen en de in te voeren of uit te breiden interventies er samen toe leiden dat de kosten in 2024 naar verwachting bijna € 7 miljoen hoger zullen liggen dan in 2023. In 2025 gaat het om € 15 miljoen en in 2026 naar verwachting om € 18 miljoen (beiden ten opzichte van 2023). Het is belangrijk om te vermelden dat de ontwikkelde interventieprognose een groeimodel is. Niet alle interventies zijn meegenomen, omdat deze nog ontwikkeld worden in pilots, maar deze kunnen hier op een later moment wel aan toe worden gevoegd. Daarnaast zijn de berekeningen gebaseerd op bepaalde aannames. Hoewel deze zoveel als mogelijk op werkelijke data berusten, was dit niet altijd mogelijk. Ook hiervoor is het van belang dat nieuwe inzichten in de toekomst worden gebruikt om deze aannames aan te scherpen. De financiële effecten van de interventies die zijn doorgerekend, zijn ook te relateren aan de besparingen die van gemeenten worden verwacht op basis van de Hervormingsagenda. In dit onderzoek hebben we de besparingen die de gemeente Nijmegen al heeft bereikt, en de besparingen die met verdere inspanningen nog bereikt kunnen worden, vergeleken met de besparingen die

4

vanuit de Hervormingsagenda van Nijmegen worden verwacht. Deze vergelijking is in onderstaande tabel opgenomen. Tabel 1. Vergelijking tussen de totale (gerealiseerde en nog mogelijke) kostenbesparing van de gemeente Nijmegen en de kostenbesparing vanuit de Hervormingsagenda die verwacht kan worden.

Besparing verwacht o.b.v. toerekening

2024 - € 2,9 mln

2025 - € 2,7 mln

2026 - € 4,9 mln

landelijke tabel Besparing Nijmegen al gerealiseerd

- € 4,0 mln

- € 4,0 mln

- € 4,0 mln

Besparing Nijmegen nog mogelijk Besparing Nijmegen totaal verwacht

- € 1,1 mln - € 5,1 mln

- € 1,6 mln - € 5,6 mln

- € 2,1 mln - € 6,0 mln

Om te bepalen welke besparing verwacht kan worden van de gemeente Nijmegen, is een percentage genomen van de besparingen in de landelijke besparingstabel van de Hervormingsagenda. Dit percentage komt uit de handreiking die de VNG ter beschikking heeft gesteld. Deze toerekening is terug te vinden in bijlage C. De besparingen die Nijmegen al heeft gerealiseerd bedragen ongeveer € 4,0 miljoen. Deze liggen al hoger dan de besparingen die in 2024 en 2025 van de gemeente kunnen worden verwacht op basis van de Hervormingsagenda. Daar bovenop heeft Nijmegen ook nog de mogelijkheid om een extra besparing van € 1,1 miljoen in 2024, oplopend tot € 2,1 miljoen in 2026 te realiseren. Met deze aanvullende besparing zou de totale besparing elk jaar hoger zijn dan de besparing die op basis van de Hervormingsagenda verwacht wordt. Net zoals alle voorspellingen, kent ook de interventieprognose die in dit onderzoek is ontwikkeld onzekerheden. Slechts een deel van de beleidsinterventies is gekwantificeerd. De overige interventies (en beleid op andere beleidsterreinen zoals bestaanszekerheid en wonen) hebben in de praktijk wel degelijk een financieel effect. Het is echter onmogelijk om in te schatten hoe groot dit effect is. Verder zijn de prognoses van de effecten van de interventies deels gebaseerd op aannames en inschattingen.

Het is dan ook belangrijk om de prognose te actualiseren als er nieuwe inzichten ontstaan. De interventieprognose zal echter altijd een versimpeling van de werkelijkheid blijven. De financiële effecten van het gevoerde beleid kunnen in de praktijk dus anders uitpakken dan vooraf (via deze prognoses) werd verwacht. De interventieprognose moet dan ook gezien worden als een hulpmiddel. Het inzicht dat ermee wordt verkregen kan gebruikt worden om (bestuurlijke) keuzes te maken over het al dan niet voeren van bepaald beleid. Nog belangrijker is het feit dat deze interventieprognose alleen financiële effecten in beeld brengt. Vrijwel alle interventies worden gedaan vanuit een inhoudelijk oogpunt. Hoewel zij een kostenbesparing als neveneffect kunnen hebben, is dat niet het hoofddoel. Daarnaast zullen er ook interventies zijn die tot hogere kosten leiden. Dat betekent zeker niet dat de gemeente met deze interventies zou moeten stoppen. Uiteindelijk is het doel om de juiste zorg te leveren aan inwoners die dat echt nodig hebben. De conclusie van dit onderzoek is dat er met het gevoerde beleid al een behoorlijke kostendaling is gerealiseerd en dat, als dit beleid gestopt zou worden, dit tot hogere kosten zou leiden. Daarnaast is het ook de verwachting dat de beleidsinterventies die in de toekomst worden uitgebreid of opgezet, tot een daling van kosten zullen leiden.

Zover bekend zijn er ook geen andere interventies (in andere gemeenten) die Nijmegen nog niet uitvoert, maar die wel aantoonbaar tot kostenverlaging leiden. Echter zijn er externe factoren die zorgen voor een kostenstijging die fors groter is dan de besparingen die via beleidsinterventies behaald kunnen worden. De belangrijkste van deze factoren zijn tariefstijgingen door de nieuwe aanbesteding van zorgvormen, en de ontwikkeling van kleinschaligheid in jeugdhulp met verblijf. Ten slotte concluderen we dat de besparingen die landelijk overeen gekomen zijn, door de gemeente Nijmegen al grotendeels gerealiseerd zijn.

5

/

Inhoud /

Managementsamenvatting

3

/1

Introductie

7

1.1

Achtergrond

7

1.2 1.3

Aanleiding en doel Onderzoeksopzet

7 9

/2

Beleidsinterventies

11

2.1

Beleid vanuit het regioprogamma en lokaal plan

11

2.2

Omschrijving van beleidsinterventies

13

/3

Externe ontwikkelingen

25

3.1

Omschrijving van ontwikkelingen

25

3.2

Taakstellingen Hervormingsagenda

26

/4

Model interventieprognose

28

4.1 4.2

De opzet van het model voor de interventieprognose Effecten beleidsinterventies en externe ontwikkelingen

28 29

4.3

Verwachte effecten maatregelen Hervormingsagenda

35

/5

Conclusies en aanbevelingen

38

5.1 5.2

Gecombineerd effect van de interventies De interventieprognose in de toekomst

38 39

5.3 5.4

Beleidsinterventies uit andere regio’s Taakstellingen uit de Hervormingsagenda

41 41

/A

Uitwerking beleidsinterventies

45

/B

Kwantificering beleidsinterventies

60

/C

Maatregelentabel Hervormingsagenda

72

/D

Groepering van zorgvormen

74

/E

Toewijzingen aan kostenposten

75

/F

Dashboard interventieprognose

76

6

/ 1 Introductie In deze introductie geven we een kort overzicht van de achtergrond waartegen dit onderzoek op het gebied van jeugdzorg zich afspeelt. We gaan in op de aanleiding van het onderzoek, het doel dat hiermee wordt beoogd, en de wijze waarop het onderzoek is opgezet.

1.1

Achtergrond Sinds 2015 is de verantwoordelijkheid voor jeugdzorg gedecentraliseerd. Gemeenten zijn daarmee verantwoordelijk geworden voor de drie onderdelen waar jeugdzorg uit bestaat: jeugdhulp (met en zonder verblijf), jeugdbescherming en jeugdreclassering. Doordat gemeenten dichter bij de cliënt staan, moest de decentralisatie ertoe leiden dat de juiste zorg eerder en effectiever kon worden ingezet. De verwachting was dat dit ook zou leiden tot een daling van de kosten voor jeugdzorg. In de jaren na de decentralisatie bleek echter dat de kosten niet afnamen, maar juist toenamen. Waar de landelijke kosten in 2015 nog € 3,6 miljard bedroegen, was dit in 2022 toegenomen tot € 6,5 miljard.1 Deze toename van kosten wordt onder andere veroorzaakt door een toename van de trajectduur, en een toename van het aantal jongeren met jeugdzorg. Naar aanleiding van het rapport “Stelsel in Groei”, waaruit de volume- en kostenontwikkeling van jeugdzorg duidelijk werd, is een Commissie van Wijzen benoemd. Eén van de adviezen van deze commissie was dat gemeenten en het Rijk gezamenlijk moesten komen tot een agenda. 2 Dit advies heeft ertoe geleid dat het Rijk, gemeenten, zorgaanbieders, professionals en cliëntenorganisaties samen zijn gekomen tot de zogeheten “Hervormingsagenda Jeugd 2023-2028”.3 Het doel van deze Hervormingsagenda is om het jeugdzorgstelsel weer meer in balans te brengen.

De verbetering van het stelsel moet onder andere leiden tot een financiële besparing. Hiervoor is voor verschillende maatregelen in kaart gebracht welk financieel effect zij landelijk kunnen hebben. Dit overzicht is ook terug te vinden in bijlage C. Om vanuit deze maatregelen tot een concreet handelingsperspectief te komen, is een implementatieplan opgesteld.4 Naast dit implementatieplan heeft de VNG ook een handreiking beschikbaar gesteld om gemeenten te ondersteunen bij het uitvoeren van de maatregelen.5

1.2

Aanleiding en doel Door de toename van de kosten voor jeugdzorg, kampen veel gemeenten momenteel met financiële uitdagingen. Ook de gemeente Nijmegen is op zoek naar manieren om de kosten zo goed mogelijk te kunnen beheersen. Hiervoor is het essentieel om goed zicht te hebben op de verwachte ontwikkeling van de kosten. Om de kosten voor jeugdzorg zo goed mogelijk te kunnen voorspellen, heeft de gemeente Nijmegen een prognosemodel ontwikkeld voor jeugdhulp zonder verblijf. Dit model is

Zie “Stelsel in Groei”, AEF, 2020 (Stelsel in groei | Rapport | Rijksoverheid.nl) en “Budget en kosten voor jeugdzorg 2020-2022”, AEF en Improven, 2023 (Budget en kosten jeugdzorg 2020 - 2022 | Rapport | Rijksoverheid.nl) 2 Jeugdzorg: een onderwerp van aanhoudende zorg | Rapport | Rijksoverheid.nl 3 Hervormingsagenda Jeugd 2023 - 2028 | Rapport | Rijksoverheid.nl 4 Implementatieplan Hervormingsagenda Jeugd 2023-2028 (vng.nl) 5 Handreiking voor gemeenten bij uitvoering Hervormingsagenda | VNG 1

7

opgezet en gevalideerd vanuit eigen (historische) data. Met behulp van dit prognosemodel is het mogelijk om het aantal cliënten met jeugdhulp zonder verblijf, en de bijbehorende kosten, voor de komende jaren te voorspellen. Dit model houdt geen rekening met nog in te zetten beleid of externe ontwikkelingen, maar is gebaseerd op de drie best voorspellende variabelen vanuit demografie, inkomenspositie en deelname aan onderwijs van gezinnen en kinderen in Nijmegen. Naast het prognosemodel worden ook de begroting van de gemeente en de realisatie gebruikt om zicht te krijgen op de ontwikkeling van de kosten voor jeugdzorg. Om nog beter zicht te krijgen op de ontwikkeling van kosten, is het van belang om zoveel mogelijk ontwikkelingen die hier invloed op hebben in kaart te brengen. Hierbij is onderscheid te maken tussen interne en externe ontwikkelingen. Externe ontwikkelingen zijn ontwikkelingen waar de gemeente weinig tot geen invloed op heeft. Onder externe ontwikkelingen vallen bijvoorbeeld tariefontwikkelingen en de beweging naar kleinschaligheid in jeugdhulp met verblijf. Ook de autonome groei van cliënten kan worden gezien als een externe ontwikkeling. Deze laatstgenoemde ontwikkeling wordt momenteel (voor jeugdzorg zonder verblijf) al in beeld gebracht via het prognosemodel. Naast externe ontwikkelingen, zijn er ook interne ontwikkelingen.

Op deze ontwikkelingen heeft een gemeente wel invloed. Deze interne ontwikkelingen betreffen het beleid dat de gemeente voert, en de maatregelen die de gemeente neemt. In dit rapport noemen we deze ook wel (beleids)interventies. De gemeente Nijmegen kent een groot aantal van dit soort maatregelen. Het grootste deel van deze maatregelen komt voort uit een reeks van drie opeenvolgende beleidsstukken. Het eerste document in deze reeks is de Hervormingsagenda. Hierin is een aantal maatregelen opgenomen waarvan wordt verwacht dat alle gemeenten deze inbedden in hun beleid. Vanuit de Hervormingsagenda heeft de regio Rijk van Nijmegen een regioprogramma opgesteld voor de periode 2023-2028.6 In dit meerjarenprogramma is opgenomen wat er als regio wordt gedaan op het gebied van jeugdzorg, waarbij rekening is gehouden met landelijke ontwikkelingen (zoals de Hervormingsagenda). In dit regioprogramma hebben de verschillende gemeenten samen een zestal opgaven benoemd. Voor elk van de opgaven zijn vervolgens actielijnen beschreven, die ertoe moeten leiden dat het doel van de opgave bereikt wordt. Met dit regioprogramma als uitgangspunt heeft de gemeente Nijmegen tenslotte ook een lokaal plan opgesteld.

Waar het regioprogramma beschrijft waar de focus regionaal ligt, wordt er in het lokale plan beschreven hoe men in de gemeente Nijmegen opgavegericht werkt aan de ambities en doelen vanuit het regioplan. Het lokaal plan is echter meer dan een lokale vertaling van het regioprogramma. De twee documenten vullen elkaar aan. Van alle interne ontwikkelingen (de beleidsinterventies die staan benoemd in het lokaal plan en regioprogramma) worden inhoudelijke effecten verwacht. De financiële effecten zijn echter nog niet in kaart gebracht. Deze financiële vertaling is wenselijk, omdat dit een beter beeld geeft van de ontwikkeling van de kosten voor jeugdzorg. Daarnaast geeft dit het bestuur ook een handelingsperspectief. Het doel van dit onderzoek is dan ook om interne en externe ontwikkelingen in beeld te brengen en te gebruiken om te komen tot een interventieprognose. Deze interventieprognose moet uiteindelijk vorm worden gegeven in een interactief dashboard waarbij de effecten van verschillende (interne en externe) ontwikkelingen individueel en in samenhang kunnen worden bekeken.

6

Regioprogramma-jeugd-klikbaar-V2.pdf (jeugdregionijmegen.nl)

8

1.3

Onderzoeksopzet Aan de start van dit onderzoek hebben we een inventarisatie gemaakt van alle beleidsinterventies die staan beschreven in zowel het regioprogramma als het lokale plan. Daarbij is er ook gekeken naar de Hervormingsagenda, hoewel de maatregelen daaruit ook zijn verwerkt in de twee andere documenten. Vanuit deze lijst met beleidsinterventies is een eerste selectie gemaakt door te kijken naar mate van concreetheid. Voor interventies die nog niet concreet genoeg zijn (bijvoorbeeld omdat ze in de komende tijd nog verder uitgewerkt gaan worden), is het immers nog niet mogelijk om een financiële inschatting te maken. Dit heeft geleid tot een eerste set van beleidsinterventies die zijn onderzocht. We zien deze systematiek als een groeimodel, omdat interventies die in een latere fase concreet worden, kunnen worden toegevoegd. Van alle beleidsinterventies die concreet genoeg zijn, is in samenwerking met de betrokken medewerkers van de gemeente Nijmegen in kaart gebracht wat deze precies inhouden. De volgende stap in het onderzoek was het opstellen van een beleidstheorie voor elk van deze interventies. Deze beleidstheorieën zijn schematische overzichten van de verwachte effecten van de interventies. Het is belangrijk om te vermelden dat een dergelijke beleidstheorie altijd een versimpeling is van de werkelijkheid. Deze beleidstheorieën zijn terug te vinden in bijlage A.

Vanuit de beleidstheorie van elke interventie is vervolgens de stap gemaakt naar de kwantificering van de effecten die hieronder vallen. Voor deze kwantificering is gebruik gemaakt van openbare gegevens (van bijvoorbeeld het CBS), gegevens van de gemeente Nijmegen (bijvoorbeeld aantallen cliënten), en inschattingen van betrokken medewerkers. Voor een aantal interventies bleek het niet mogelijk om de beleidstheorie te kwantificeren, omdat er te weinig gegevens beschikbaar waren of er te grote onzekerheden rondom de inschattingen bestonden. Dit neemt niet weg dat ook beleidsinterventies die we voor dit onderzoek niet hebben kunnen kwantificeren wel degelijk een belangrijk (positief) effect kunnen hebben op het jeugdzorg gebruik, zoals beleid gericht op wonen en bestaanszekerheid. Naast de beleidsinterventies zijn ook de externe ontwikkelingen (bijvoorbeeld tariefontwikkelingen) gekwantificeerd. Voor alle interne en externe ontwikkelingen geldt dat de verwachte verandering voor de toekomst en / of het effect dat zou optreden als de ontwikkeling zou stoppen is gekwantificeerd. Dat betekent dat veel bestaand beleid van gemeente Nijmegen niet gekwantificeerd is. Een groot deel van de inzet van de gemeente Nijmegen wordt immers al langer gedaan en zal naar verwachting niet veranderen in de toekomst.

De financiële effecten van de interne en externe ontwikkelingen zijn doorgerekend en opgenomen in een interactief dashboard. In dit dashboard is het mogelijk om een bepaalde selectie van de ontwikkelingen te maken, en het financiële effect daarvan te zien. Hoewel de analyses in dit onderzoek zich specifiek richten op financiële effecten, is het van belang om op te merken dat beleidsinterventies niet alleen om financiële redenen uitgevoerd worden. Voor alle interventies geldt dat er een inhoudelijke reden is om deze uit te voeren. Dit onderzoek is uitgevoerd in nauwe samenwerking met medewerkers van de gemeente Nijmegen. Er zijn gesprekken gevoerd en sessies georganiseerd met inhoudelijk betrokken beleidsambtenaren om de situatie in Nijmegen goed in beeld te kunnen brengen. Hierbij is, zowel vanuit beleid alsook vanuit onderzoek & statistiek, veel kwalitatieve en kwantitatieve input aangeleverd. Zonder deze

9

samenwerking was het niet mogelijk geweest om dit onderzoek uit te voeren. We zijn alle betrokken medewerkers vanuit de gemeente dan ook dankbaar voor alle input die zij hebben geleverd.

10

/ 2 Beleidsinterventies In dit hoofdstuk geven we een overzicht van de beleidsinterventies in de gemeente Nijmegen. Hieruit maken we een selectie van interventies die concreet genoeg waren om in het onderzoek mee te nemen. Van elk van deze interventies geven we een kwalitatieve beschrijving van de inspanningen die worden gedaan en doelen die hiermee worden beoogd.

2.1

Beleid vanuit het regioprogamma en lokaal plan Het beleid dat de gemeente Nijmegen voert op het gebied van jeugdzorg komt voort uit afspraken op verschillende niveaus.  Op landelijk niveau bevat de Hervormingsagenda afspraken over een aantal maatregelen die gemeenten worden geacht te nemen. Deze maatregelen vinden uiteindelijk ook hun weg in het beleid van de gemeente Nijmegen.  Daarnaast wordt er door de gemeente ook bovenregionaal samengewerkt. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het gezamenlijk inkopen van zorg voor de meest kwetsbare kinderen, en de samenwerking in het Bovenregionaal Expertisenetwerk Gelderland (BOEG). Nijmegen is hierbij de coördinerende gemeente.  Op het niveau van de regio (Rijk van Nijmegen) zijn afspraken vastgelegd in het eerder benoemde regioprogramma.  Naast de actielijnen uit dit programma kent Nijmegen ook een lokaal plan. Dit lokaal plan is meer dan een lokale vertaling van het regioprogramma en dient als aanvullend gezien te worden. Voor dit onderzoek hebben we in eerste instantie op basis van het lokaal plan en het regioprogramma een inventarisatie gemaakt van de beleidsinterventies. De afspraken uit de Hervormingsagenda zitten veelal verwerkt in deze beleidsinterventies.

In hoofdstukken 3 en 4 komen we terug op de maatregelen uit deze Hervormingsagenda, de mate waarin Nijmegen hier momenteel mee aan de slag is, en de voortgang (verdere besparing) die de gemeente hier nog op zou kunnen boeken. In onderstaande tabellen is het resultaat van de inventarisatie van beleidsinterventies uit het lokaal plan en regionaal programma opgenomen. Hierbij is het belangrijk om te vermelden dat het alléén gaat om maatregelen uit deze programma’s, en dus niet om alle andere activiteiten die de gemeente al langer uitvoert, of die buiten deze programma’s om worden gedaan. In de eerste kolom is aangeduid waar de interventie terug te vinden is in het betreffende document. Hierbij staat het eerste getal voor één van de opgaven (regioprogramma) of opgavensporen (lokaal plan) en het tweede cijfer voor de actielijn.

11

Tabel 2. Inventarisatie beleidsinterventies uit het regionaal programma.

Regioprogramma 1.1 Opstellen ontwikkelagenda voor het onderwijs zodat scholen een stevige basis worden met 1.2

aansluiting van jeugdhulp. Versterken zorgteams op school. Verbinden onderwijs, jeugdhulp en lokale teams. Borging

1.3

en doorontwikkeling regionale aanpak Jongeren naar school of werk. Organiseren van een passend en dekkend aanbod voor dyslexie en onderzoeken inzet

1.4

preventie. Realiseren van een kwalitatief, voordelig en dekkend aanbod dagbehandeling/ dagbesteding

1.5

in aansluiting op de beweging naar een stevige basis. Implementeren STORM-aanpak depressiviteit onder jongeren in het voorgezet onderwijs.

2.1

Inzetten ondersteuning jeugdigen vanuit het gewone leven, met voorzieningen en mensen in de eigen omgeving.

2.2

Vergroten integrale hulp in de wijk: betere verbinding tussen jeugd-ggz en andere (jeugdhulp) aanbieders met lokale teams, onderwijs, welzijn en (ondersteuners) huisartsen.

2.3

Realiseren van een passender, voordeliger en dekkend aanbod begeleiding en respijtzorg (oppas, weekendopvang, logeren).

2.4

Verbeteren crisisketen: goede triage bij crises, doorstroom na opname, afstemming / regie met lokale teams, spoedeisende zorg, crisisdienst, jeugd-ggz en volwassen-ggz.

3.1

Verstevigen en meer laagdrempelig inzetten van het Regionaal Expertise Team (RET) om mee te denken bij (complexe) vastgelopen situaties van jeugdigen en hun gezin

3.2

Verbeteren insteek op de behoeften van jongeren en ouders door inzet van de doorbraakmethode.

4.1 4.2

Ontlasten kwetsbare gezinnen door sociale steun van (in)formele opvoeders. Verstevigen pleegzorg in de regio.

4.3 4.4

Vergroten en versterken gezinshuiszorg in de regio. Versterken van specialistische jeugdhulp en toewerken naar een dekkend zorglandschap.

4.5 4.6

Verbinden bovenregionale samenwerking (Gelderland) op essentiële jeugdhulpfuncties. Verbeteren door- en uitstroom 18+

5.1

Vormen van een samenwerkingsverband met jeugdzorg, ggz en lokale teams voor consultatie en advies bij (complexe) scheidingen: REPS, Regionaal Expertise Project Complexe

5.2

Scheidingen. Realiseren van eenduidige informatie en advies aan scheidende ouders om complexe

5.3

scheidingen te voorkomen. Onderzoeken en realiseren van preventiemogelijkheden voor (juridisch) dienstverleners om

6.1

escalatie en juridische strijd in echtscheidingen te voorkomen. Verstevigen samenwerking jeugdbescherming, Veilig Thuis en lokale teams in het licht van de

6.2

Gelderse Verbeteragenda Jeugdbescherming. Uitrollen toekomstscenario kind- en gezinsbescherming; testen nieuwe manier van

6.3

(samen)werken voor meer veiligheid in gezinnen (Proeftuin). Verbeteren positionering Jeugdbeschermingstafel (JBT).

6.4

Verkennen betere verbinding tussen regionaal jeugd- en veiligheidsbeleid en het Zorg- en Veiligheidshuis Gelderland-Zuid om jeugdcriminaliteit (preventief) aan te pakken.

12

Tabel 3. Inventarisatie beleidsinterventie uit het lokaal plan.

Lokaal plan 1.1 Versterken sociale basis: preventieprogramma’s jeugd

2.2

1.2 1.3

Meer inclusie: Netwerk Jonge Kind Gelijkwaardige kansen

1.4 1.5

Stimuleren brede ontwikkeling en ontplooiing Jongeren naar school of werk

1.6 1.7

Minder jongeren tussen wal en schip 18-/18+ Jongerenwerk: versterken verbinding school-wijk-jongere

1.8 2.1

Vergroten jongerenparticipatie Meer basishulp, minder indicaties

2.2 2.3

Sterke pedagogische basisvoorzieningen en normalisering Meer collectief hulpaanbod

2.4 2.5

Jeugd-GGZ in de wijk Veiligheid en minder uithuisplaatsingen

3.1 3.2

Grotere bestaanszekerheid: inkomen en wonen Meer maatwerk via doorbraakaanpak

3.3

Regieteams: stevige regie bij multiproblematiek

Omschrijving van beleidsinterventies De beleidsinterventies die volgen uit het regioprogramma en het lokaal plan zitten in verschillende fases wat implementatie betreft. Sommige interventies betreffen het uitbreiden of intensiveren van beleid dat al wordt uitgevoerd. Deze interventies zijn logischerwijs vrij concreet. Bij andere interventies is wel duidelijk wat men wil gaan doen, maar nog niet hoe de implementatie er precies uit gaat zien. Op basis van de fase qua implementatie van interventies is een selectie gemaakt. De interventies waarvan de wijze van implementatie al relatief duidelijk is, hebben we opgenomen in dit onderzoek. In samenwerking met inhoudelijk betrokken collega’s hebben we deze selectie gemaakt. In onderstaande tabel zijn de interventies terug te vinden die we meenemen in dit onderzoek. Omdat sommige interventies meer omvatten dan alleen de beschrijvingen uit het regioprogramma of lokaal plan, wijken de titels van deze interventies af van de termen uit deze documenten. Bij elke interventie is aangegeven waarin het regioprogramma en / of lokaal plan deze teruggevonden kan worden. Tabel 4. Selectie van beleidsinterventies die in dit onderzoek zijn meegenomen.

1

Versterken pedagogische basisvoorzieningen: minder dagbehandeling, dekkend aanbod dagbesteding en dagbehandeling, minder jonge kinderen

Reg.

Lok.

1.4

1.2

2

in dagbehandeling en speciaal onderwijs STORM-aanpak: eerder en beter ondersteunen bij (zware) depressiviteit

1.5

3

jongeren Meer gewone oplossingen: meer ondersteuning uit gewone leven en

2.2

2.4

4

preventie in plaats van jeugdhulp Meer basishulp door buurtteams: passend en dekkend aanbod

2.3

2.1

5

begeleiding Regionaal Expertteam: meer passende hulp bij complexe situaties door

3.1

6

laagdrempelige inzet van RET Sluitend zorglandschap: voorkomen uithuisplaatsingen

4.4

2.5

13

7

Doorbraakaanpak: meer passende hulp door verbreden inzet lokale

3.2

8

doorbraakaanpak Ontlasten kwetsbare gezinnen: meer sociale steun

4.1

9 10

Verstevigen gezinsvormen: meer kinderen in gezinssetting 18- / 18+: verbeteren overgang naar volwassenheid

4.3 4.6

1.6

11 12

REPS: minder complexe scheidingen Samenwerken bij onveiligheid: uitrollen toekomstscenario kind en

5.1 6.2

2.5

13

gezinsbescherming Preventieprogramma’s jeugd: versterken sociale basis

14

Wonen: meer zekerheid en woonruimte voor kwetsbare gezinnen en jongeren

3.2

1.1 3.1

Onderstaand beschrijven we voor deze interventies in meer detail wat de gemeente met de interventie hoopt te bereiken, welke inzet er momenteel al wordt gepleegd, en hoe deze inzet in de toekomst naar verwachting wordt vormgegeven. In een aantal werksessies hebben we voor elk van deze beleidsinterventies een schematische beleidstheorie opgesteld. Deze schema’s zijn voor de leesbaarheid niet opgenomen in dit hoofdstuk zelf, maar kunnen terug worden gevonden in bijlage A. Om uiteindelijk het verwachte financiële effect van de beleidsinterventies te kunnen bepalen, moeten ze worden gekwantificeerd. Niet alle interventies waarvan een beleidstheorie is opgesteld, bleken kwantificeerbaar te zijn. Onderstaand geven we van elk van de beleidsinterventies die we in kaart hebben gebracht aan of ze al dan niet gekwantificeerd konden worden. De uiteindelijke kwantitatieve resultaten per interventie zijn terug te vinden in hoofdstuk 4.3. De gegevens die zijn gebruikt voor de kwantificering, en de aannames die daarvoor zijn gedaan, zijn opgenomen in bijlage B.

2.2.1 Versterken pedagogische basisvoorzieningen Er is steeds meer instroom vanuit de kinderopvang (voorschool) in dagbehandeling en vanuit daar in het speciaal (basis)onderwijs (S(B)O). Momenteel ligt deze instroom boven het landelijk gemiddelde. Met het versterken van de pedagogische basisvoorzieningen hoopt de gemeente te bereiken dat er minder verwijzingen naar dagbehandeling worden gedaan vanuit de voorschool. Daarnaast is het ook een doel om meer te kunnen sturen op de tijdelijkheid van deze voorzieningen. Deze interventie zou er ten slotte ook toe moeten leiden dat er minder doorstroom plaatsvindt van de voorschool naar het S(B)O (meer inclusief onderwijs). Om het aantal verwijzingen naar dagbehandeling te verlagen, wordt de kinderopvang versterkt. Het verkorten van trajecten dagbehandeling bij deze doelgroep moet bereikt worden via de inzet van SWV Stromenland en regievoering vanuit de buurtteams. Aan het andere doel van deze interventie, zorgen voor minder doorstroom naar het S(B)O, wordt op meerdere manieren gewerkt. SWV Stromenland heeft hiervoor een Jonge Kindgroep en Kleuterstartgroep, en jonge kindspecialisten in dienst die de regie voeren over onderwijsplaatsingen vanuit de dagbehandeling. Daarnaast wordt het onderwijs ook inclusiever vormgegeven en worden er betere afwegingen gemaakt over het grijze gebied tussen jeugdzorg en onderwijs.

Hiervoor is het van belang dat de Interne Begeleiders (IB’ers) op scholen de leerkrachten in grotere mate ondersteunen, en dat er sprake is van een sluitende driehoek tussen IB’er, gezinswerker en ondersteuner passend onderwijs. Via deze beleidsinterventie zullen er meer kinderen op het regulier onderwijs terecht komen, in plaats van op het S(B)O. Voor sommige van hen zal dit betekenen dat er een vorm van (formele)

14

ondersteuning vanuit jeugdzorg nodig is. Ook deze verwachte toename van het aantal cliënten nemen we mee bij het in kaart brengen van de effecten van deze interventie. De mate van toename is afhankelijk van het feit of Stromenland erin slaagt om parallel aan de verkleining van SBO de expertise die daar aanwezig is te verschuiven naar het regulier onderwijs. Een laatste effect dat onder deze interventie wordt verstaan is het in grotere mate collectiveren van de zorg binnen onderwijs (ZBO). Vanuit de jeugdhulp zijn gemeenten verantwoordelijk voor (een deel van) ZBO, in de vorm van reguliere begeleiding en persoonlijke verzorging. ZBO wordt ingezet om mogelijk te kunnen maken dat leerplichtige kinderen met een beperking, ontwikkelingsachterstand of beperkende aandoeningen toch kunnen deelnemen aan onderwijs. Dit schooljaar 2023-2024 is de gemeente gestart met pilots op vso-scholen in de regio rijk van Nijmegen om te zorgen dat niet ieder kind zijn eigen hulpverlener meeneemt, maar dat één aanbieder de gehele zorg voor de school organiseert met vaste hulpverleners. In deze pilots wordt de hulp ingezet als algemene voorziening, voor leerlingen met een zorgbehoefte tot 12 uur per week. Hierdoor kan hulp efficiënter ingezet worden en geeft het duidelijkheid voor zowel de school als de leerlingen. De samenwerking tussen school en hulpverlening wordt sterker.

Minder partijen betekent ook minder wisselende afspraken, verwachtingen en afstemmingsoverleggen. De pilots worden op dit moment gemonitord met als doel om te komen tot een duurzaam vervolg op meerdere speciaal onderwijsscholen in de regio. Door het efficiënter en slimmer organiseren van ZBO verwachten we uiteindelijk ook – tevens gebaseerd op resultaten uit andere regio’s – dat de kosten voor jeugdhulp af zullen nemen. Kwantificering Voor deze interventie was het mogelijk om een onderbouwde inschatting te maken van de kwantitatieve effecten. Concreet zijn daarbij de volgende effecten meegenomen.  De kosten die de gemeente maakt voor de financiering van SWV Stromenland (incidentele financiering voor de schooljaren 2022-2023 en 2023-2024).  De afname van cliënten doordat er minder verwijzingen vanuit de voorschool komen.  De afname van de duur van jeugdzorg doordat er meer grip komt op de tijdelijkheid van verwijzingen die vanuit de voorschool worden gedaan.  De toename van het aantal cliënten in jeugdzorg doordat er meer kinderen op regulier onderwijs terecht komen.  De kostenreductie die het collectiveren van ZBO naar verwachting oplevert.

2.2.2 STORM-aanpak De STORM-aanpak is een programma dat dit jaar naar verwachting wordt ingezet op één school. In 2025 wordt dit uitgebreid naar 10 scholen en in 2026 zelfs naar 15 scholen. Het doel van het programma is om jeugdigen met depressieve / suïcidale gedachten beter te bereiken en hen te kunnen ondersteunen. Vanwege de vroegtijdige signalering kunnen hiermee problemen op latere leeftijd worden voorkomen. Eén van de onderdelen van STORM is het trainen van mentoren en sleutelfiguren op school tot gatekeeper. Via deze training leren zij om sensitiever te reageren en problemen eerder te kunnen signaleren. Deze trainingen zijn een belangrijke randvoorwaarde binnen het programma. Naast de gatekeeper-training bevat de STORM-aanpak ook een training genaamd “Op Volle Kracht”. Deze training heeft als doel om depressieve klachten bij jongeren te verminderen en daarmee het risico op escalaties te verkleinen. Uiteraard zouden niet alle kinderen die deze training volgen zonder deze training een vorm van jeugdzorg nodig hebben gehad. Van de kinderen die met depressieve of

15

suïcidale gedachten kampen, is het de verwachting dat deze gedachten bij een deel van hen afnemen. Dit leidt er vervolgens ook weer toe dat voor een deel van de kinderen die zonder de training een vorm van formele jeugdzorg nodig hadden gehad, dit na de training niet langer nodig is. De vorm van zorg die hiermee wordt voorkomen betreft naar verwachting vooral specialistische GGZ. GGD verpleegkundigen hebben afspraken met cliënten, waarbij zij binnen 48 uur gesproken worden en er gekeken wordt wat er nodig is. In sommige gevallen betreft dit een crisisinterventie (vanuit Karakter). Deze zijn naar verwachting iets korter van duur dan andere crisisinterventies. Naar verwachting gaat dit echter om een klein verschil. Kwantificering Voor deze interventie was het mogelijk om een onderbouwde inschatting te maken van de kwantitatieve effecten. Concreet zijn daarbij de volgende effecten meegenomen.  De kosten die de gemeente maakt voor de STORM-aanpak  De afname van cliënten in specialistische GGZ door deze aanpak

2.2.3 Meer gewone oplossingen Het doel van deze interventie is om het systeem een andere wending te geven. Hiervoor wordt er meer gebruikt gemaakt van preventie en ondersteuning vanuit het gewone leven, in plaats van de inzet van jeugdhulp. Dit gebeurt op verschillende terreinen. Eén van de onderdelen hiervan is een extra inzet op jongerenwerk (12+) en kinderwerk (12-), wat in Nijmegen door Bindkracht10 wordt vormgegeven. De gedachte is dat dit er uiteindelijk toe leidt dat er minder formele jeugdzorg nodig is, omdat meer vragen in de sociale basis of via preventieve werkzaamheden worden opgepakt. Van een deel van de kinderen die toch een bepaalde vorm van jeugdzorg nodig hebben, is het de verwachting dat deze hulp eerder afgeschaald kan worden, doordat er een steviger netwerk is om op terug te vallen. Ten slotte zorgt de inzet er ook voor dat er eerder ingegrepen kan worden als dat nodig is, en dus dat er minder escalaties zullen plaatsvinden. Naast de inzet vanuit Bindkracht10, is het doel ook een nauwere samenwerking tussen de buurtteams en de praktijkondersteuners bij de huisarts (POH). Huisartsen en POH’s kunnen niet gemakkelijk verwijzen naar partijen in de sociale basis, zoals bijvoorbeeld een sportclub. Onderhand kunnen zij wel verwijzen naar het buurtteam, als alternatief voor formele jeugdzorg.

Vanuit de buurtteams kan vervolgens weer verwezen worden naar bijvoorbeeld een maatjesproject. Het doel met deze inzet is om de verwijzingen vanuit huisartsen naar begeleiding te laten afnemen en op termijn zelfs helemaal niet meer te laten voorkomen. Kwantificering Voor deze interventie was het mogelijk om een onderbouwde inschatting te maken van de kwantitatieve effecten. Concreet zijn daarbij de volgende effecten meegenomen.  De kosten die de gemeente maakt voor jongerenwerk en kinderwerk (door Bindkracht10).  Het aantal cliënten dat hiermee wordt voorkomen.  De mate waarin de trajectduur afneemt door de inzet van jongerenwerk en kinderwerk.  De afname van het aantal cliënten doordat huisartsen naar de buurtteams verwijzen in plaats van naar formele jeugdzorg.  De inspanningen die dit van de buurtteams vraagt.

16

2.2.4 Meer basishulp door buurtteams Er wordt momenteel al basishulp door buurtteams geboden, maar het doel is om dit nog verder uit te breiden. Hiervoor gaan buurtteams nauwer samenwerken met huisartsen en gecertificeerde instellingen (GI’s), en investeren zij in het vakmanschap van gezinswerkers. Daarnaast wordt er ook een VO-team opgezet dat actief is op middelbare scholen om zo meer te kunnen kijken naar reguliere oplossingen en eventueel zelf begeleiding te bieden vanuit het buurtteam. Deze inzet, samen met kwaliteitssturing op efficiënte doelrealisatie vanuit het Regionaal Ondersteuningsbureau (ROB), naast het werken met signaleringsplafonds en bestedingsruimtes, moet er uiteindelijk toe leiden dat het aantal cliënten in jeugdzorg afneemt. Een groot deel van de cliënten die anders een vorm van jeugdzorg zouden krijgen, zullen met deze interventie door de buurtteams worden ondersteund. Dat betekent uiteraard wel een forse extra tijdsinvestering voor de buurtteams. Ondersteuning kan hierbij ook collectieve begeleiding betekenen, niet alleen individueel. Enerzijds is het doel dus een substitutie van een deel van de zorg die momenteel door aanbieders wordt geboden, door ondersteuning vanuit buurtteams.

Daarnaast is het ook de bedoeling (vanuit de Gelderse verbeteragenda en vanuit de Hervormingsagenda) om de zorg die wel nog door zorgaanbieders wordt geboden, in grotere mate door gecontracteerde partijen te laten uitvoeren. De zorg die op dit moment door niet-gecontracteerde partijen wordt geleverd, is over het algemeen duurder. Ook dit zou dus moeten leiden tot een financiële besparing. Kwantificering Voor deze interventie was het mogelijk om een onderbouwde inschatting te maken van de kwantitatieve effecten. Concreet zijn daarbij de volgende effecten meegenomen.  De extra inzet vanuit buurtteams voor de VO-teams.  De extra inzet vanuit buurtteams voor de nauwere samenwerking met huisartsen en GI’s.  De extra inzet vanuit buurtteams voor de investering in vakmanschap van gezinswerkers.  De afname van het aantal cliënten in begeleiding doordat buurtteams deze cliënten gaan ondersteunen  De extra inzet vanuit buurtteams om deze cliënten te ondersteunen.  De afname van het aantal maatwerkvoorzieningen in reguliere en specialistische begeleiding en GGZ (en dus de gemiddelde kosten voor deze zorgvormen).

2.2.5 Regionaal Expertteam In tegenstelling tot de eerdere interventies, is dit een interventie die al volledig is ingevoerd. Het Regionaal expertteam is een stevig netwerk van experts met een brede vertegenwoordiging van expertises, op het gebied van jeugd-GGZ, LVB, jeugd & opvoedhulp en onderwijs. Verwijzers (m.n. buurtteams en jeugdbeschermers) kunnen bij het RET terecht voor laagdrempelig sparren, een bespreking aan tafel om breed mee te denken met een vraagstuk, procesregie en de inzet van een verklarende analyse. Het doel is om gezamenlijk ervoor te zorgen dat er voor elke jeugdige, ongeacht de complexiteit van een zorgvraag en wachtlijsten bij aanbieders, passende hulp georganiseerd wordt en dat er van de zorgvragen geleerd wordt. De inzet van het RET leidt er uiteindelijk toe dat er in meer gevallen tijdige en passende hulp (matched care) geboden kan worden. Daarnaast zorgt de inzet ook voor een verplaatsing van cliënten van terreinvoorzieningen naar regionale gezinsvormen of verblijf, en een afname van het aantal overplaatsingen naar andere regio’s. Vooral de tijdige en passende hulp zorgt ervoor dat trajecten onder de streep minder lang duren.

17

Kwantificering Voor deze interventie was het mogelijk om een onderbouwde inschatting te maken van de kwantitatieve effecten. Omdat deze maatregel momenteel al volledig wordt uitgevoerd, is in dit geval juist in beeld gebracht wat het effect zou zijn als er gestopt zou worden met deze inzet. Concreet zijn daarbij de volgende effecten meegenomen.  De kosten die worden gemaakt voor de inzet van het RET.  Het volume van jeugdzorg dat is afgenomen door de inzet van het RET.

2.2.6 Sluitend zorglandschap Er zijn verschillende redenen waarom kinderen uit huis geplaatst kunnen worden. Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat problemen bij het kind zelf ervoor zorgen dat het niet langer goed is voor het kind om thuis te wonen. Daarnaast kan het ook zo zijn dat de thuissituatie niet veilig is, bijvoorbeeld vanwege mishandeling of (zware) psychische problematiek bij de ouders. Een uithuisplaatsing is zeer ingrijpend en wordt dan ook alleen ingezet als er echt geen andere oplossing bestaat. De gemeente Nijmegen contracteert jeugdhulp-met-verblijf aanbieders met als opdracht gezinnen en kinderen te versterken. Zij, maar ook andere partners zoals buurtteams, dragen met een sluitend zorglandschap bij aan de ambitie kinderen en gezinnen te versterken en uiteindelijk ook uithuisplaatsingen te voorkomen. De gemeente Nijmegen probeert dreigende uithuisplaatsingen te voorkomen via de inzet van gerichte zorgvormen. De vier zorgvormen die hier een rol in spelen zijn:  Inverbindingsteam Jouw Ingebrachte Mentor (IVT JIM). Hierbij wordt systeemgerichte behandeling van een gezin met complexe problematiek geleverd met behulp van een informele mentor. De mentor komt uit de eigen omgeving van de jongere.  Multisysteem Therapie (MST).

Deze zorgvorm is gericht op het verminderen van ernstige gedragsproblemen bij jongeren van 10 tot 18 jaar oud waarbij een uithuisplaatsing dreigt. Hierbij wordt op alle systemen rondom de jongeren geïntervenieerd via verschillende behandeltechnieken.  Intensieve Ambulante Gezinsbehandeling (IAG). Deze zorgvorm is gericht op gezinnen met complexe en meervoudige problematiek. Het is naast de gedragsproblemen bij de jongeren ook gericht op de opvoedvaardigheden van de ouders, en het sociale netwerk rondom het gezin. Door deze veel ingezette methode worden ook uithuisplaatsingen voorkomen.  Ambulante Spoedhulp (ASH). Als een gezin in een crisissituatie (bijvoorbeeld heftige conflicten binnen het gezin) terecht komt, kan ambulante spoedhulp worden ingezet. In veel gevallen is de inzet erop gericht om een uithuisplaatsing te voorkomen. In de gemeente Nijmegen wordt met deze methoden al gewerkt. De zorg wordt ingezet wanneer hier vraag naar is. Het is dan ook niet te verwachten dat de inzet van deze zorgvormen in de toekomst verandert. Voor deze interventie brengen we dan ook in beeld welke financiële effecten de huidige inzet van deze zorgvormen heeft. Daarmee moet duidelijk worden wat het financieel zou betekenen als deze zorg niet langer ingezet zou worden.

Kwantificering Voor deze interventie was het mogelijk om een onderbouwde inschatting te maken van de kwantitatieve effecten. Zoals eerder beschreven wordt de maatregel al uitgevoerd. Voor deze interventie zijn de volgende effecten meegenomen.  De kosten die worden gemaakt voor de inzet van IVT JIM, MST, IAG en ASH.

18

 De afname van het aantal uithuisplaatsingen door deze inzet.  De afname van de inzet vanuit het RET doordat deze zorgvormen worden ingezet.

2.2.7 Doorbraakaanpak Sinds 2019 kent Nijmegen een doorbraakteam. Dit team maakt gebruik van de doorbraakmethode, die wordt ingezet bij gezinnen waarbij problematiek op verschillende vlakken speelt. Met deze methode wordt er bij deze gezinnen maatwerk ingezet dat op de specifieke situatie is afgestemd. Het doorbraakteam heeft hiervoor de mogelijkheid om budget in te zetten op een manier die volgens hen het effectiefst is. De doorbraakaanpak wordt momenteel al ingezet door Nijmegen. Voor deze beleidsinterventie hebben we twee opties in beeld gebracht: de situatie waarin men stopt met de doorbraakaanpak, en de situatie waarin het gebruik van de doorbraakaanpak wordt uitgebreid. In deze laatstgenoemde situatie vormen de medewerkers van het buurtteam een lerend netwerk onder leiding van de doorbraakcoaches van de gemeente Nijmegen en wordt een aantal jeugdbeschermers gekoppeld aan de buurtteams. In combinatie met het goed werkende doorbraakteam moet dit ertoe leiden dat de doorbraakaanpak vaker wordt toegepast. De doorbraakaanpak leidt ertoe dat inwoners meer regie krijgen op hun eigen leven en dat publieke middelen beter worden ingezet. Daarnaast is een belangrijk gevolg van de methodiek dat er minder sprake is van stapeling van hulp. Dit leidt tot een afname van het aantal cliënten in jeugdzorg en het volume van jeugdhulptrajecten.

De doorbraakaanpak zorgt niet alleen voor een besparing binnen de jeugdwet. Hoewel er op sommige vlakken sprake zal zijn van een toename van de inzet (bijvoorbeeld voor een verbouwing van een woning of investeren in bestaanszekerheid), zal de doorbraakaanpak ook voor een besparing zorgen binnen andere wettelijke kaders, zoals de Wmo. Kwantificering Voor deze interventie was het mogelijk om een onderbouwde inschatting te maken van de kwantitatieve effecten. Zoals eerder beschreven wordt de maatregel al uitgevoerd. Voor zowel het uitbreiden van de maatregel, als het stoppen daarmee, zijn de volgende effecten meegenomen.  De kosten die worden gemaakt voor de doorbraakaanpak.  De inzet van buurtteammedewerkers voor eenmalige trainingen en periodieke scholingen bij uitbreiding van de aanpak.  De uren van jeugdbeschermers en buurtteammedewerkers die bij uitbreiding van de interventie betrokken zullen zijn.  De besparing binnen de jeugdwet waar de aanpak toe leidt.

2.2.8 Ontlasten kwetsbare gezinnen De overkoepelende gedachte achter deze interventie is het normaliseren van kwetsbare (en eventueel onveilige) opvoed- en opgroeisituaties. Hieronder wordt de inzet vanuit drie verschillende initiatieven geschaard. Het eerste initiatief is de inzet van steungezinnen. De gemeente Nijmegen is in 2020 gestart met het koppelen van steungezinnen aan vraaggezinnen in de buurt. De match tussen steungezinnen en vraaggezinnen worden gedaan door de partij Buurtgezinnen. Doordat het steungezin helpt met de zorg voor de kinderen, is er meer aandacht voor hen, en kunnen ouders even worden ontlast.

19

Het tweede initiatief is de inzet van de zorgoppas. Met deze inzet worden de ouders van zorgbehoevende kinderen even ontlast. Het gaat hierbij echt om het ontlasten van gezinnen, en niet het versterken van gezinnen. Ook is er geen sprake van vervangende (formele) zorg (respijtzorg). De inschatting is wel dat de inzet van de zorgoppas respijtvoorzieningen (zoals begeleiding of dagbesteding) minder noodzakelijk maakt. Het derde initiatief is het maatjesproject Jij & Ik. Dit wordt uitgevoerd door een combinatie van Sterker en Bindkracht10. Dit project wordt ingezet ter ontlasting van een gezin. Een kind gaat samen met een vrijwilliger een dagdeel weg uit de thuissituatie. De extra aandacht die er met deze initiatieven is voor kinderen, en het ontlasten van de ouders, zorgen ervoor dat er minder escalaties plaatsvinden in gezinnen waar de vrijwilligers actief zijn. Uiteindelijk zorgt dit voor een afname van het aantal cliënten met jeugdzorg. Mogelijk kan dit ook uithuisplaatsingen (op latere leeftijd) voorkomen. Kwantificering Voor deze interventie was het mogelijk om een onderbouwde inschatting te maken van de kwantitatieve effecten. Zoals eerder beschreven wordt de maatregel al uitgevoerd. Voor zowel het uitbreiden van de maatregel zijn de volgende effecten meegenomen.  De kosten die worden gemaakt voor de drie initiatieven.

 Het aantal cliënten in begeleiding (regulier en specialistisch), dagbesteding, logeren en zelfs verblijf zoals pleegzorg dat wordt voorkomen.

2.2.9 Verstevigen gezinsvormen Het heeft de voorkeur om gezinshuisvormen zoals pleegzorg en gezinshuiszorg in te zetten in plaats van residentiële jeugdhulp. De gecontracteerde zorgaanbieders zetten dan vrijwilligers of professionals in voor het verblijf. Ook bij de afbouw van de gesloten jeugdzorg kan gezocht worden naar meer hybride vormen waarbij een professional een thuis biedt aan kinderen en ondersteund wordt met een pedagogisch team. Om al deze gezinsvormen mogelijk te maken, is de gemeente afhankelijk van pleegouders, gezinshuisouders en andere partners die dit mogelijk maken. Het aantal cliënten in pleegzorg en gezinsgerichte zorgvormen, ten opzichte van het totaal aantal cliënten in zorgvormen met verblijf, ligt in Nijmegen lager dan landelijk gemiddeld het geval is. Het doel van deze interventie is dan ook om dit percentage voor Nijmegen op te hogen tot het landelijk gemiddelde. Voor het hebben van een voldoende bestand aan pleegouders is het nodig om middels een gerichte campagne aandacht te vragen voor pleegzorg en zo de wachtlijsten voor pleegzorg te verkleinen. Omdat de wachtlijsten regionaal kleiner zijn geworden, is het doel om door te blijven gaan met de werving zoals dat nu wordt gedaan. Tegelijkertijd wordt geïnvesteerd in het behoud van pleegzorg. Hiervoor wordt jaarlijks een compliment gegeven aan de Nijmeegse pleegouders, echter dit is niet voldoende.

Het aantal pleegouders neemt af, ook door externe factoren als vergrijzing. Voor het hebben van een voldoende bestand aan gezinshouders is het nodig dat voldoende professionals als onderaannemer een gezinshuis starten. Om te komen tot een reëel tarief, dat recht doen aan de variatie van de zorg die nodig is voor het kind, is een beslisboom gezinshuiszorg met zorgaanbieders ontwikkeld. Hoewel deze interventie dit effect beoogt, is het in de praktijk onhaalbaar om gezinshuiszorg verder uit te breiden. De reden hiervoor is de krapte op de arbeidsmarkt en woningnood. Ook worden meer hybride varianten gestimuleerd, waarbij een professional als ondernemer en partner, een thuis wil bieden als alternatief voor zwaardere jeugdzorg.

20

Kwantificering Voor deze interventie was het mogelijk om een onderbouwde inschatting te maken van de kwantitatieve effecten bij pleegzorg. Nijmegen voert deze maatregel momenteel al uit. Zoals eerder beschreven is het momenteel niet mogelijk om de effecten van deze maatregel verder uit te breiden bij pleegzorg en andere gezinsvormen. Voor de kwantificering hebben we daarom het financiële effect in kaart gebracht dat zou optreden bij het stoppen met de huidige inspanningen op deze interventie. Concreet zijn daarbij de volgende effecten meegenomen.  De kosten voor de werving van pleegouders  De kosten voor het pleegoudercompliment  De afname van het aantal cliënten in residentiële zorgvormen  De (even grote) toename van het aantal cliënten in pleegzorg en gezinsgerichte zorgvormen.

2.2.10 18- / 18+ Er zijn vijf domeinen waarop jongeren een stevige basis nodig hebben om uiteindelijk zelfstandig te kunnen zijn. Deze vijf domeinen (ook wel de big 5 genoemd) zijn: support, wonen, school / werk, inkomen, en zorg / welzijn. Residentiële zorg stopt als een jongere 18 wordt. Voor pleegzorg en gezinshuiszorg geldt dat deze op de 21e verjaardag van een jongere stoppen. Als de basis op de big 5 niet op orde is, leert de ervaring dat het voor jongeren lastig is om zelfstandig te worden. Hierdoor raken jongeren bijvoorbeeld dakloos. Om de big 5 op orde te krijgen, is een domeinoverstijgende aanpak nodig. In de regio Nijmegen is hier een overlegtafel Tussen Wal En Schip (TWES) voor opgezet. Hierin werken ruim 25 partijen samen op de big 5. Deze interventie raakt logischerwijs veel verschillende domeinen en omvat daarom ook een groot aantal inspanningen en verwachte effecten. Zo wordt er bijvoorbeeld ingezet op informele steunfiguren en wordt de inkoop van beschermd wonen verbeterd. Daarnaast zijn er ook een aantal doorontwikkelingen die worden doorgevoerd. Voorbeelden hiervan zijn de doorontwikkeling van Sterker (sociaal werk), R75 (informatieve en psychosociale hulpverlening), en het jongerenproject van Portaal (woningverhuurder).

De inzet op deze interventie moet ertoe leiden dat er een grotere beschikbaarheid aan woonruimten voor jongeren komt, evenals meer passend ambulant aanbod. Daarnaast is het ook de verwachting dat er meer zorg met verblijf (preventief) wordt ingezet voor jongeren in de overgang naar volwassenheid. Dat zal ertoe leiden dat het aantal cliënten in beschermd wonen toeneemt, maar dat minder jongeren dakloos worden en er minder problematiek op latere leeftijd optreedt. Door de combinatie van meer woningen en meer ambulant hulpaanbod daalt anderzijds het aantal jongvolwassenen in beschermd wonen ook weer. Kwantificering Voor deze interventie was het niet mogelijk om een onderbouwde inschatting te maken van de kwantitatieve effecten. Een belangrijke reden hiervoor is de grote hoeveelheid aan inzet waarvan de exacte uitwerking nog niet duidelijk is. Daarbij is het voor de meeste effecten vrijwel onmogelijk om een betrouwbare inschatting te maken. Hierdoor is een cijfermatige kwantificering van deze interventie op dit moment niet mogelijk. Ten slotte is dit ook een interventie die voor een groot deel ook een effect heeft op domeinen buiten de jeugdzorg. Door alleen het onderdeel dat binnen de jeugdzorg een weerklank heeft te kwantificeren, zouden we geen recht doen aan de domeinoverstijgendheid van de inspanningen.

21

2.2.11 REPS Het Regionaal Expertise Project complexe Scheidingen (REPS) ondersteunt professionals bij hun werk in complexe scheidingszaken. Het REPS neemt geen zaken over en voert geen casusregie, maar kan de buurtteams en jeugdbeschermers wel bijstaan in dergelijke zaken. De inzet van het REPS zorgt ervoor dat er minder escalaties plaatsvinden bij complexe echtscheidingen. Dit leidt vervolgens weer tot minder (slecht uitvoerbare) ondertoezichtstellingen en minder uithuisplaatsingen. Verder ontstaat er met deze interventie aandacht voor de zorgvraag vanuit het hele gezin, en wordt de juiste informatie verstrekt aan bijvoorbeeld onderwijs en partners in de sociale basis. Dit bevordert het welzijn van de ouders, wat uiteindelijk ook weer kan leiden tot een afname van de vraag naar jeugdzorg. Het REPS is momenteel actief in een tweejarige leertuin en wordt door buurtteams en partners uit de veiligheidsketen gebeld voor consultatie en advies wanneer daar behoefte aan is. Het is nog onduidelijk op welke wijze het project wordt voortgezet in de toekomst. Kwantificering Voor deze interventie was het niet mogelijk om een onderbouwde inschatting te maken van de kwantitatieve effecten. De verwachte effecten zijn momenteel niet betrouwbaar genoeg (kwantitatief) in te schatten. In oktober 2024 wordt het project geëvalueerd en kan iets meer worden gezegd over het effect.

Ook wordt dan gekeken of de kosten van het project en de interventie consultatie en advies opwegen tegen de opbrengsten.

2.2.12 Samenwerken bij onveiligheid Regionaal heeft men vastgesteld dat er een werkwijze nodig is om alle leden van gezinnen te kunnen ondersteunen waar sprake is van complexe, meervoudige veiligheidscasuïstiek. Daarbij is het van belang om de eigen kracht van het gezin te versterken, en het sociale netwerk te ondersteunen. In de wijk Dukenburg in Nijmegen wordt momenteel in een proeftuin geëxperimenteerd vanuit deze gedachte. Samen met partners zetten de buurtteams in die wijk in op een integrale aanpak, ter vervanging van het estafettemodel waarbij de ene hulpverlener telkens de andere opvolgt. In deze werkwijze staat de leefwereld van alle gezinsleden centraal. Men gaat uit van de gezamenlijke verantwoordelijkheid van het buurtteam en de veiligheidspartners voor het opstellen en uitvoeren van een integraal plan. Belangrijk hierbij is dat er met één of twee vaste gezichten wordt gewerkt voor het gezin. Deze professionals blijven gedurende het gehele ondersteuningstraject betrokken. Onderdeel van deze werkwijze is de ontwikkeling van een brede samenhangende probleemanalyse. Hierdoor zijn alle relevante expertisen aan de voorkant betrokken en komen de onderliggende problemen die onveiligheid veroorzaken goed in beeld. Het effectieve werkproces voorkomt dubbelingen in de inzet en vergroot daarbij ook het werkplezier van professionals.

Kwantificering Voor deze interventie was het nog niet mogelijk om de een onderbouwde inschatting te maken van de kwantitatieve effecten. De interventie omvat een proeftuin in Dukenburg die momenteel loopt, en waarvan het op dit moment nog niet een doel is om deze uit te breiden. Het is aannemelijk dat er financiële effecten zijn. Er zijn ook kosten en het is onbekend hoe de verhouding tussen de kosten en financiële baten is. Omdat we te weinig informatie hebben, weten we ook niet wat het financiële effect is als de gemeente zou stoppen met deze proeftuin. Ook landelijke informatie gebaseerd op proeftuinen die langer lopen ontbreken of zijn niet bruikbaar omdat ze anders zijn van opzet.

22

2.2.13 Preventieprogramma’s jeugd In verschillende stadsdelen heeft men de afgelopen jaren ervaring opgedaan met preventieprogramma’s voor jongeren van 12 jaar en ouder, en in vier stadsdelen ook voor jongeren tot 12 jaar. De programma’s zijn bedoeld om in te spelen op de behoeften van de jongeren en zo een sociale basis op te bouwen. Om dit te bereiken wordt er samengewerkt door veel verschillende partijen zoals Bindkracht10, de GGD, Stichting Scoren doe je samen en de buurtteams. In de preventieplatforms werken verschillende partners vanuit de 0e en 1e lijn integraal samen. Hierdoor kunnen er meer (en vooral beter passende) preventieve activiteiten worden ontplooid, wat uiteindelijk moet leiden tot een afname van het aantal cliënten in jeugdzorg. De kosten voor deze inzet worden voor een deel vanuit NPO-middelen betaald. Ook het efficiënter inrichten van subsidies maakt onderdeel uit van deze interventie. Met deze subsidies is er een betere aansluiting bij de (integrale) zorgvraag mogelijk, wat vervolgens kan leiden tot een afname van het volume van jeugdzorg (bijvoorbeeld door de trajectduur te verkleinen). Kwantificering Voor deze interventie was het niet mogelijk om een onderbouwde inschatting te maken van de kwantitatieve effecten. Het is momenteel vrijwel onmogelijk om het aantal jongeren dat wordt bereikt met de preventieplatforms goed in aantallen uit te drukken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=85b39e2d-f7b9-4024-a0dc-89f2dc1583de