CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Inspraakreactie P. Vos deel V.pdf

Besluitronde (raadsvergadering) 27 januari 2021, gemeente NijmegenBij agendapunt: Brief Onderzoek woonwagenstandplaatsen en vervolgacties (o.v.v. VoorNijmegen.Nu, Stadspartij Nijmegen en GroenLinks) (DEBATSTUK)47.390 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 6

**Red.: De zin ‘Deze beleidsvrijheid wordt echter beperkt door onder meer de grond- en mensenrechten’, komt ons wat vreemd over, er is immers geen sprake van beperking, juist de erkende grond- en mensenrechten dwingen tot verruiming van de beleidsvrijheid.

42

Wet van 1 juli 1998 tot wijziging van de Huisvestingswet, de Woningwet en enige andere wetten in verband met de integratie van de woonwagen- en woonschepenregeling 43 Kamerstukken II, 1996/97, 25 333, nr. 3 44 L. Huijbers, Het woonwagenbeleid in Nederland vanuit mensenrechtelijk perspectief, NTM/NJVM bull. 2015/28 45 Artikel 132, vierde lid, van de Grondwet 46 Committee on the Elimination of Racial Discrimination, Concluding observations on the ninetheent tot twentyfirst periodic reports of the Netherlands, 2015. Daarnaast heeft ook het de Europese Commission tegen Racisme en Intolerantie in rapporten in 2007 en 2013 hierover aanbevelingen gedaan 47 European Union Agency for Fundamental Rights report 2018, p. 103 en 107 htttp://fra.europa.eu/en/publication/2018/fundamentalrights-report-2018 48 Committee on the Elimination of Racial Discrimination, Concluding observations on the ninetheent tot twentyfirst periodic reports of the Netherlands, 2015.

Daarnaast heeft ook het de Europese Commission tegen Racisme en Intolerantie in rapporten in 2007 en 2013 hierover aanbevelingen gedaan 49 College voor de rechten van de Mens, oordeelnummers: 2014-165, 2014-166, 2014-167, 2015-61, 2016-19, 2016-63, 2016-64, 201665, 2016-66, 2016-67, 2016-68, 2016-71, 2016-72, 2016-95, 2016-107, 2016-109, 2016-139, 2017-31, 2017-32, 2017-103, 2018-08, 2018-09 50 Nationale Ombudsman, Woonwagenbewoner zoekt standplaats: Een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de overheid voor woonwagenbewoners, 17 mei 2017, rapportnr. 2017/060

Vereniging Behoud Woonwagencultuur in Nederland Advies Gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid, 27 november 2019

pagina 26

4.2

Welke mensenrechten zijn van toepassing? In paragraaf 4.2 Welke mensenrechten zijn van toepassing? van het Beleidskader worden de grond- en mensenrechten aangehaald die dienen te worden gerespecteerd bij de huisvesting van woonwagenbewoners. VBWN acht hetgeen is omschreven in het Beleidskader voldoende informatief en duidelijk, derhalve wordt er in dit Advies niet nader op ingegaan, echter hechten we er wel aan hier het begrip ‘ras’ zoals dat in de rechtspraak wordt gehanteerd onder andere voor woonwagenbewoners nader te belichten, zie hiertoe de aan dit hoofdstuk toegevoegde paragraaf 4.6 Woonwagenbewoners zijn in juridische zin een ‘ras’. 4.2 Welke mensenrechten zijn van toepassing? Bij de huisvesting van woonwagenbewoners dient rekening gehouden te worden met onder meer de volgende grondrechten: het recht op huisvesting, het recht op bescherming van het privéleven en het recht op gelijke behandeling. 4.2.1 Het recht op huisvesting In meerdere verdragen die door Nederland geratificeerd zijn, is het recht op huisvesting opgenomen51. Dit houdt in dat de overheid een inspanningsverplichting heeft om voor iedereen te voorzien in adequate huisvesting.

De overheid heeft een inspanningsverplichting om te voorzien in onder meer veilige, passende en betaalbare huisvesting waarbij ook rekening gehouden wordt met de culturele identiteit52 (cultural adequacy)53 van de woningzoekenden54 en dakloosheid wordt voorkomen. In de Grondwet is dit recht als volgt geformuleerd: “Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid”55. Dit betreft zowel het aantal woningen, de kwaliteit en de veiligheid ervan56, alsmede de betaalbaarheid57. Het grondrecht geeft geen recht op woonruime, maar het beleid moet er op gericht zijn dat er slechts in noodgevallen een situatie van onvoldoende aantal wooneenheden zou bestaan58. Er is bewust voor gekozen om de nadere uitwerking over te laten aan wetgevende en besturende organen 59.

Foto: Vereniging Behoud Woonwagencultuur in Nederland op bezoek bij het College op 5 april 2018 te Utrecht. Het College voor de Rechten van de Mens heeft op verzoek van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties in het voorjaar van 2018 advies uitgebracht inzake het woonwagen- en standplaatsenbeleid, hetgeen zijn weerslag vindt in het Beleidskader. 51

Onder meer: Artikel 25, eerste lid, van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, Artikel 11, eerste lid, van het internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, Artikel 35 van het Herzien Europees Sociaal Hansvest, Artikel 34, lid 3 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (2000/C364/01) 52 Waardoor het recht op huisvesting ook gevolgen heeft voor de wijze waarop voorzien wordt in de huisvesting van woonwagenbewoners 53 High Commissioner for Human Rights, The right to adequate housing, factsheet no. 21/rev. 1, UN-HABITAT; zo ook M. Uhry housing related binding obigations on states, Fondation Abbé Pierre & Feantsa, 2016 54 Zie ook: Commissioner for Human Rights, Human Rights of Roman and Travellers in Europe, Council of Europe, p. 137 ev. 55 Artikel 22, tweede lid van de Grondwet 56 Kamerstukken II 1975/76, 13873, nr. 3, p.14 57 Van der Pot, ‘Handboek van het Nederlands staatsrecht’, Deventer: Kluwer 2006, p. 461 58 P.P.T. Bovend’Eerd e.a., ‘Tekst & Commentaar Grondwet’, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 65-66 59 Kamerstukken II 1975/76, 13873, nr. 3, p.2

Vereniging Behoud Woonwagencultuur in Nederland Advies Gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid, 27 november 2019

pagina 27

4.2.2 Het recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven Het mensenrechtelijk kader voor het woonwagenbeleid wordt voor een belangrijk deel gevormd door het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). In artikel 8 van het EVRM60 is bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Voor het bepalen of een woonwagen of een woonwagen valt aan te merken als ‘woning’ en daarmee onder de bescherming van artikel 8 EVRM valt, is bepalend dat de bewoner ‘een voldoende en voortdurende band heeft met een specifieke woonwagen(standplaats)61. Dit betekent dat ook wanneer een woonwagenbewoner niet officieel staat ingeschreven op een woonwagenlocatie, deze aangemerkt zou kunnen worden als zijn of haar ‘home’. Niet relevant is wat in de Nederlandse wet- en regelgeving onder het begrip “woning” wordt verstaan. Evenmin is van belang of de verblijfplaats wordt gehuurd of illegaal bewoond. Het EHRM beschouwt als wezenskenmerken van de identiteit van woonwagenbewoners: het wonen in een woonwagen waarbij familieverbanden in onderlinge verbondenheid een belangrijke rol spelen62. Trekvrijheid kan ook worden aangemerkt als een cultureel kenmerk63 dat nadere invulling geeft aan de ‘wezenskenmerken’ woonvorm en familiebanden64.

De overheid heeft een positieve verplichting65 om deze cultuur te beschermen66 en het woonwagenleven te faciliteren67. Gemeenten dienen bij het uit te voeren woonwagenbeleid rekening te houden met deze uitgangspunten. Bij het bepalen van wat adequate huisvesting is moet de overheid dus respect hebben voor en rekening houden met de culturele identiteit 68. Woonwagenbewoners hebben een van generatie op generatie overgedragen cultuur waarbij het wonen in onderlinge verbondenheid in een woonwagen bepalend is69. Daarom is het onvoldoende om woonwagenbewoners reguliere huisvesting te bieden en geen rekening te houden met hun specifieke woonbehoefte70. Dit betekent niet dat iedere woonwagenbewoner per direct een standplaats moet krijgen, maar wel dat een woningzoekende woonwagenbewoner binnen een afzienbare termijn een kans heeft op een standplaats71. Niet van belang is of een woonwagenbewoner tijdelijk in een reguliere woning heeft gewoond. Zolang hij de intentie had om terug te keren naar het woonwagenleven, dient rekening gehouden te worden met zijn woonbehoefte. 4.2.3 Het recht op gelijke behandeling Een verbod op discriminatie met betrekking tot huisvesting is onder meer opgenomen in het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (IVUR).21.

Het recht op gelijke behandeling is ook beschermd in de grondwet72 en verder geconcretiseerd in onder meer de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB). De AWGB is zowel van toepassing op gemeenten als woningcorporaties. Het College benadert in individuele gevallen het woonwagenbeleid vanuit het discriminatieverbod zoals dat is neergelegd in artikel 7a van de AWGB, hetgeen een implementatie is van de Europese richtlijn houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming73. Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat woonwagenbewoners niet nadeliger mogen worden behandeld vanwege het feit dat zij woonwagenbewoner zijn. Om die reden heeft het College geoordeeld dat een uitsterfbeleid van woonwagenstandplaatsen, dat gericht is op het laten verdwijnen van woonwagenbewoning in een gemeente, discriminerend74 is. Eveneens heeft het College bepaald dat gemeentelijk beleid dat gericht is op het reduceren van standplaatsen strijdig kan zijn met het discriminatieverbod en de mensenrechten; zeker wanneer daarbij geen rekening wordt gehouden met de behoefte aan standplaatsen. Het (materiële) gelijkheidsbeginsel houdt in dat ongelijke gevallen ongelijk behandeld moeten worden naarmate van hun verschil.

Bij woonwagenbewoners gaat het om ongelijke gevallen, omdat deze woonvorm voor woonwagenbewoners een wezenlijk onderdeel is van hun cultuur en identiteit. Daarom kan hun woonbehoefte niet gelijk gesteld worden aan bewoners van reguliere woningen. De bijzondere beschermingspositie van woonwagenbewoners vloeit dus ook voort uit het gelijkheidsbeginsel.

60

Dit recht is ook opgenomen in artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten EHRM 29 september 1996, appl.no.20348/92 (Buckley/VK) EHRM 18 januari 2001, appl.no. 27238/95 (Chapman/VK), par. 73 63 EHRM 18 januari 2001, appl.no. 27238/95 (Chapman/VK), par. 73 64 Advies inzake Woonwagen- en standplaatsenbeleid van het College voor de Rechten van de Mens, bij brief van 28 maart 2018 aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties aangeboden 65 EHRM 11 oktober 2016, appl.no. 19841/06 (Bagdonavicius e.a./Rusland) 66 EHRM 27 mei 2004, appl.no. 66746/01 (Conners/VK) 67 EHRM 17 oktober 2013, appl.no. 27013/07 (Winterstein/Frankrijk), par. 76 68 Office of the UN High Commissioner for Human Rights, The Right to Adequate Housing. Fact Sheet No 21/Rev. 1, Geneva 69 College, d.d. 19 december 2014 (oordeelnummer 2014-165, 2014-166 en 2014-167), d.d. 28 mei 2015 (oordeelnummer 2015-61), d.d. 8 maart 2016 (oordeelnummer 2016-19), d.d. 5 juli 2016 (oordeelnummer 2016-64, 2016-67 en 2016-68), d.d. 7 juli 2016 (oordeelnummer 2016-71 en 2016-72), d.d. 14 oktober 2016 (oordeelnummer 2016-139 en 2016-110), d.d. 19 december 2016-139). 14 College, d.d. 8 maart 2016 (oordeelnummer 2016-109), d.d. 19 december 2016 (oordeelnummer 2016-139) 70 EHRM 17 oktober 2013, appl.no. 27013/07 (Winterstein/Frankrijk), par.

76 71 Effectief genot van het recht: zie EHRM 17 oktober 2013, appl.no. 27013/07 (Winterstein/Frankrijk), par. 76; EHRM 18 januari 2001, appl.no. 27238/95 (Chapman/VK), par. 89-99 72 Artikel 1 van de Grondwet 73 Artikel 3, eerste lid, onder h, van de Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming 74 College voor de Rechten van de Mens, oordeelnummer 2015-61, par. 4 en 2014-165 en 167, par. 3.19 61 62

Vereniging Behoud Woonwagencultuur in Nederland Advies Gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid, 27 november 2019

pagina 28

4.3 Mensenrechtelijke standaarden voor woonwagenbeleid Uit het bovenstaande volgt dat gemeenten in hun algemene beleid aandacht moeten hebben voor de specifieke woonbehoefte van woonwagenbewoners. Deze behoefte kenmerkt zich door het wonen in een woonwagen en door het in familieverband samen wonen op een woonwagenlocatie. De volgende standaarden gelden voor woonwagenbeleid: ● ● ●

De gemeente heeft een zorgplicht om een beleid te ontwikkelen dat het woonwagenleven voldoende faciliteert en beschermt. Om die reden dient de lokale overheid te voorzien in voldoende woonwagenstandplaatsen. Om de rechten van woonwagenbewoners ‘praktisch en effectief’ te laten zijn, dient een woningzoekende woonwagenbewoner binnen een afzienbare tijd kans te maken op een standplaats. Als uitgangspunt is de wachttijd voor een standplaats ongeveer hetzelfde als de wachttijd voor een sociale huurwoning75. Bij het bepalen of iemand als woonwagenbewoner kan worden aangemerkt, dient ook rekening gehouden te worden met ‘spijtoptanten’. Voor de bescherming van de rechten is het niet van belang of een woonwagenbewoner tijdelijk in een reguliere woning heeft gewoond. Zolang hij of zij de intentie had om terug te keren naar het woonwagenleven, moet rekening gehouden worden met zijn of haar woonbehoefte.

Bij het vormgeven van het gemeentelijk woonwagenbeleid is het aan te bevelen om de behoefte aan woonwagenbewoning te inventariseren. Zo kan worden bepaald of gemeenten het woonwagenleven in hun gemeente voldoende mogelijk maken en of woonwagenbewoners daadwerkelijk binnen afzienbare tijd kans maken op een standplaats. Op deze manier kan het woonwagenbeleid ook voldoende gemotiveerd worden. Overigens kan bij een wijziging van een bestemmingsplan van een woonwagenlocatie ‘een gebrek aan behoefte - en het ten gevolge daarvan mogelijke ontstaan van leegstand’ – als een ruimtelijk motief worden aangemerkt’76. Maar, ook hier dient dit gebrek aan behoefte goed te worden onderbouwd. Het enkel stellen dat er een gebrek aan behoefte is, is onvoldoende77. Voor een gebalanceerd beleid en goede communicatie tussen overheden en woonwagenbewoners, is participatie van woonwagenbewoners en hun belangenorganisaties in woonwagenbeleidsvoering en -besluitvorming zeer van belang. Participatie gaat verder dan alleen raadpleging van woonwagenbewoners, het betekent dat zij juist actief, effectief en doorlopend betrokken worden bij zaken die hen betreffen78.

4.4 Mensenrechtelijke standaarden bij individuele besluiten Ook bij individuele besluiten, bijvoorbeeld bij een besluit tot uitzetting als gevolg van verplaatsing van een woonwagenlocatie, dient rekening gehouden te worden met het mensenrechtelijk kader. Vanwege het feit dat een woonwagen een uiting is van de cultuur en identiteit van de woonwagenbewoners, dient rekening gehouden te worden met het feit dat het woonwagenleven dermate specifiek is, dat een zelfde woongenot voor woonwagenbewoners alleen mogelijk is in een woonwagen. In andere woorden het aanbieden van reguliere huisvesting aan woonwagenbewoners is onvoldoende; dit is immers geen cultureel toereikende woning voor hen79.

4.5 Conclusie De mensenrechten hebben invloed op de beleidsvrijheid die een gemeente heeft bij het ontwikkelen en uitvoeren van woonwagenbeleid. Samenvattend komt het erop neer dat een gemeente rekening houdt in zijn woonbeleid met de specifieke woonbehoefte van woonwagenbewoners en voorziet in voldoende standplaatsen, zodat woonwagenbewoners binnen een redelijke termijn een standplaats kunnen krijgen. Zo mogelijk wordt tegemoet gekomen aan de wens om in familieverband samen te leven. Ook bij de individuele beslissingen dient rekening gehouden te worden met de mensenrechten van de woonwagenbewoners.

75

College voor de Rechten van de Mens, oordeelnummer 2016-19 (gemeente Waddinxveen), par. 5.3 College voor de Rechten van de Mens, oordeelnummer 2014-165 en 2014-167, par. 3.15 EHRM 17 oktober 2013, appl.no. 27013/07 (Winterstein/Frankrijk), par. 76 ABRvS 19 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1103, r.o. 3.2 77 College voor de Rechten van de Mens, oordeelnummer 2016-19 (Waddinxveen), par. 5.3, oordeelnummer 2017-136 (Capelle aan den IJssel), par. 6.3, en oordeelnummer 2018-18 (Utrechtse Heuvelrug), par. 6.4-6.5 78 Recommendation Rec(2008)5 of the Committee of Ministers to member states on policies for Roma and/or Travellers in Europe (definitions) 7979 EHRM 17 oktober 2013, appl.no. 27013/07 (Winterstein/Frankrijk), par. 76; Stenegry en Adams 76

Vereniging Behoud Woonwagencultuur in Nederland Advies Gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid, 27 november 2019

pagina 29

4.6

Woonwagenbewoners zijn in juridische zin een ‘ras’ Ras-echte-reizigers! Woonwagenbewoners worden wettelijk beschouwd - in juridische zin - als een ´ras´. Bij velen roept deze kwalificatie vragen op; bij juristen, bij burgers in het algemeen, maar ook onder de woonwagenbevolking zelf. ´Ras´, dat is toch een biologisch begrip, zoals plantenrassen, dierenrassen … en er is toch maar één mensenras? In de antropologie spreekt men van mensenrassen op basis van uiterlijk en genetische kenmerken, over de huidskleur of afkomst, bijvoorbeeld het Aziatische ras, het negroïde en het blanke ras. Sommige reizigers (woonwagenbewoners) waren ongemakkelijk verrast met deze kwalificatie, gegeven het feit dat deze Nederlandse bevolkingsgroep vanaf haar oorsprong geconfronteerd wordt met discriminatie en stigmatisering en nu ook wéér in een hokje worden gestopt; ´we zijn nu zelfs een ras … we zijn toch geen honden of aardappels!´ Ook moeten we hier wijzen op de open wonden van onze Roma en Sintivrienden, ook reizigers, die een heel nare geschiedenis hebben omdat zij tot het ´zigeunerras´ behoren met als tragisch dieptepunt het afvoeren naar vernietigingskampen in de Tweede Wereldoorlog. Al met al goed om deze juridische kwalificatie ´ras´ eens nader te belichten.

Ras? Wie zegt dat? Waar komt dat vandaan? De juridische kwalificatie ´ras´ vindt haar oorsprong en definitie in diverse internationale en nationale verdragen alsmede in jurisprudentie inzake ´rassendiscriminatie´. Het door de Verenigde Naties (VN) opgestelde ´Internationale Verdrag inzake de Uitbanning van alle vormen van Rassendiscriminatie’ (IVUR) is in 1971 door Nederland geratificeerd en werden vervolgens de anti-discriminatiebepalingen opgenomen in het Wetboek van Strafrecht. Op 9 januari 1972 trad het IVUR in Nederland in werking. In artikel 1, lid 1, van dit VN-verdrag wordt het verbod van rassendiscriminatie omschreven: Artikel 1, lid 1 In dit Verdrag wordt onder 'rassendiscriminatie' verstaan elke vorm van onderscheid, uitsluiting, beperking of voorkeur op grond van ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming die ten doel heeft de erkenning, het genot of de uitoefening, op voet van gelijkheid, van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel gebied, of op andere terreinen van het openbare leven, teniet te doen of aan te tasten, dan wel de tenietdoening of aantasting daarvan ten gevolge heeft.

In vele rechtszaken waarin het definiëren van rassendiscriminatie een rol speelt zien we dat het begrip ´ras´ zeer ruim wordt gehanteerd, o.a. blijkt dat uit uitspraken van de Hoge Raad en lagere rechterlijke instanties. Zo heeft bijvoorbeeld de Hoge Raad in 2000 in een uitspraak vastgesteld dat als een persoon wordt benadeeld op grond van kenmerken van fysieke, etnische, geografische, culturele, historische of godsdienstige aard, er dan sprake is van ´discriminatie op grond van ras´. Herhaald heeft de Hoge Raad en de lagere rechterlijke instanties dus bepaald dat het begrip ´ras´ in de Nederlandse wetgeving dus de ´ruimere´ definitie conform artikel 1 van het VN-verdrag dient te volgen. Woonwagenbewoners gediscrimineerd op grond van ras Ook het College voor de Rechten van de Mens (het College) heeft zich veelvuldig uitgesproken over klachten van woonwagenbewoners waarbij vaak werd geoordeeld dat er sprake was van discriminatie op grond van ras. Zo werd door het College het zogenoemde ´uitsterfbeleid´ waarvan vele gemeenten zich bedienden - ten einde de naar hun mening de ´ongewenste´ woonvorm ‘de woonwagen’ en de bijbehorende ´lastige´ bevolking uit te bannen - beoordeeld als ´discriminatie op grond van ras´.

Inmiddels is het verwerpelijke zogenoemde ´uitsterfbeleid´ verboden, maar worden door woonwagenbewoners er meer en meer rechtszaken aangespannen aangaande andere zaken waarbij ´discriminatie op grond van ras´ succesvol ten laste kan worden gelegd, o.a. ten aanzien van verzekeraars, financiële instellingen, leveranciers enz.

Vereniging Behoud Woonwagencultuur in Nederland Advies Gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid, 27 november 2019

pagina 30

Wat zijn de voordelen voor de Nederlandse reizigers, nu ze tot een ´ras´ behoren? Uit het voorgaande moge blijken dat de kwalificatie ´ras´ op zowel internationaal als op nationaal juridisch vlak gunstig uitpakt voor de Nederlandse reizigers, het borgt de erkenning en rechtsgrond voor het voortbestaan van de cultuur van deze bevolkingsgroep. Dat klinkt misschien wat zwaar, maar U dient hierbij te bedenken dat er vele jaren een uitsterfbeleid is gehanteerd, waarbij ´men´ deed voorkomen dat de woonvorm, de ´woonwagens´, niet meer gewenst waren, maar feitelijk waren het de woonwagenmensen, de reizigers zelf, die niet meer gewenst waren, die groep moest ´uitsterven´, die moest opgaan/integreren in de ´gewone´ maatschappij. Het bewijs hiervoor ligt voor de hand, immers in Nederland is feitelijk geen enkele woonvorm ongewenst, denk maar aan verbouwde kerken/kantoren/cruiseschepen, containerwoningen, tiny-houses en ga zo maar door. Een ander (tijdelijk) voordeel is de in het voornoemde VN-verdrag gegeven rechtvaardiging voor specifieke maatregelen die genomen dienen te worden voor een behoorlijke ontwikkeling van ´bepaalde rasgemeenschappen, etnische groepen of personen´. Hierbij moet gedacht worden aan diverse vormen van (tijdelijk) voorkeursbeleid en andere positieve activiteiten.

In artikel 1, lid 4, van dit VN-verdrag worden de criteria voor deze maatregelen als volgt omschreven: Artikel 1, lid 4 1. Het moeten gemeenschappen, groepen of personen betreffen die bescherming behoeven om hun gelijk genot of gelijke uitoefening van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te verzekeren; 2. De maatregelen moeten niet tot gevolg hebben dat voor verschillende rasgemeenschappen afzonderlijke rechten in stand worden gehouden; 3. De maatregelen blijven niet van kracht nadat de oogmerken waarmee zij genomen zijn, bereikt zijn.

Foto’s: Enkele schilderijen van de productieve kunstschilder Adrianus Johannes (Arie) Zwart (1903-1981), hij schilderde veel landschappen en stillevens in de stijl van de Haagse School. Hij heeft in een woonwagen gewoond, kreeg drie kinderen en ging later op een woonboot ‘De Trekschuit’ wonen, waarmee hij telkens een andere ligplaats zocht om in de buurt te schilderen. Ook reisde hij veel naar Spanje en Frankrijk om ook daar te schilderen, In 1974 is hij met zijn vrouw in het Rosa Spier Huis in Laren gaan wonen, daar stief hij in 1981.

Vereniging Behoud Woonwagencultuur in Nederland Advies Gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid, 27 november 2019

pagina 31

4.7

Het rollemanoproer Sedert de geboden mogelijkheid aan gemeenten om ook voor een nuloptie (uitsterfbeleid) te kiezen is de achterstand, de woningnood, onder de woonwagenbewoners enorm opgelopen. Nu met het Beleidskader verwacht met name de jonge generatie woonwagenbewoners ook een plekje om te kunnen wonen. Na de publicatie van het Beleidskader hebben de woonwagenbewoners spontaan op zo’n 60 plaatsen in het land demonstraties (het ‘rollemanoproer’) gehouden om aandacht te vragen voor hun woningnood en om gemeenten aan te sporen het Beleidskader serieus te nemen en het gemeentelijke beleid daarmee in overeenstemming te brengen. Deze demonstraties zijn vreedzaam en ordelijk verlopen, de aandacht in de media was positief. VBWN heeft, hoewel zij niet de regie had over de demonstraties, wel dagelijks haar leden, en op verzoek ook de pers en het ministerie BZK geïnformeerd door middel van het bijhouden van een overzichtslijst … en uiteraard zoveel mogelijk de demonstraten geadviseerd omtrent de wettelijke kaders rond het betogen en het in goede banen te leiden.

De publicatie van het Beleidskader, het rollemanoproer en een enkele krant die sprak van ‘kraken’ en ‘landjepik’ waren aanleiding voor vragen aan de minister BZK, de beantwoordingen met ook een toegevoegde overzichtslijst van de demonstraties treft U aan als bijlagen in paragraaf 6.1 Brieven en toelichtingen minister en ministerie BZK inzake het Beleidskader. Voor veel gemeenten waar de demonstraties werden gehouden was het aanleiding om op basis van het nieuwe Beleidskader in gesprek te gaan met de demonstraten c.q. de woonwagenbewoners van hun gemeenten. Helaas toch ook enkele gemeenten die streng wensten op te treden tegen de demonstraties van die woonwagenklanten, maar daar toch op last van de rechter van af moesten zien.

Foto links: Actievoerders de gebroeders Piet, Hein en Willem Soering met spandoek op de demonstratielocatie in de gemeente Mill en Sint Hubert, met de aftrap van hun betoging volgden in veel gemeenten de demonstraties van de woonwagenbewoners. Foto midden: Actievoerder Wesley Massing op de demonstratielocatie in de stad Spijkenisse; hier stond een grote politiemacht reeds op de been om de betoging te beëindigen, maar net op tijd werd dit besluit van de gemeente Nissewaard door de rechtbank Rotterdam geschorst. ‘Het houden van een betoging is een gronden mensenrecht en kan daarom niet zo maar worden verboden’ lezen we onder de overwegingen in de uitspraak (ECLI:NL:RBROT:2018:8658). Foto rechts: Actievoerder Hendrik Heesbeen op de demonstratielocatie in Alkmaar vertelt aan een verslaggever hoe de vlag er bij hangt.

Foto links: Femke Baum, Stacey Reuvers en Grada van der Linden tijdens de demonstratie op het woonwagenkamp aan de Brasem te Oss. Foto van Peter van Huijkelom, in het Brabants Dagblad van 15 januari 2019. Foto rechts: Jan van Susteren vertelt dat hij al twaalf jaar staat ingeschreven in de gemeente Leudal. Het College voor de Rechten van de Mens oordeelde twee jaar eerder al dat de gemeente Leudal met betrekking tot de huisvesting van woonwagenbewoners zich schuldig maakt aan discriminatie.

Vereniging Behoud Woonwagencultuur in Nederland Advies Gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid, 27 november 2019

pagina 32

5

Bouwstenen voor gemeentelijk beleid

5.1

Visie In paragraaf 5.1 Visie van het Beleidskader wordt de visie van het Rijk aangegeven die ten grondslag ligt aan het nieuwe Beleidskader en worden er concrete voorwaarden genoemd om hieraan te voldoen. 5.1 Visie De kern van het lokale standplaatsenbeleid, dat past binnen het mensenrechtelijk kader, is dat het woonwagenleven mogelijk is en voldoende wordt ondersteund. Uitgangspunt hierbij blijft dat het huisvestingsbeleid een primaire verantwoordelijkheid van de gemeente is. De gemeente is bij uitstek de bestuurslaag die lokaal afwegingen kan maken. Het beleidskader biedt bouwstenen die gemeenten kunnen gebruiken om invulling te geven aan het gemeentelijke huisvestingsbeleid voor woonwagenbewoners. De visie die ten grondslag ligt aan dit nieuwe beleidskader heeft als kern inzake huisvesting het beschermen van woonwagenbewoners tegen discriminatie, het waarborgen van hun mensenrechten en het bieden van rechtszekerheid en duidelijkheid. Concreet betekent dit: ● ● ● ● ● ●

De gemeente stelt het beleid voor woonwagens en standplaatsen vast als onderdeel van het volkshuisvestingsbeleid; Het beleid dient voldoende rekening te houden met en ruimte te geven voor het woonwagenleven van woonwagenbewoners; Hiervoor is nodig dat de behoefte aan standplaatsen helder is; Corporaties voorzien in de huisvesting van woonwagenbewoners voor zover deze tot de doelgroep behoren; De afbouw van standplaatsen is niet toegestaan (behoudens uitzonderlijke omstandigheden) zolang er behoefte is aan standplaatsen; Een woningzoekende woonwagenbewoner die dit wenst, heeft binnen een redelijke termijn kans op een standplaats.

Als niet duidelijk is wat de behoefte is, kan dat betekenen dat de behoefte aan standplaatsen in kaart wordt gebracht. Als een gemeente in de afgelopen jaren een afbouw dan wel een bevriezingsbeleid heeft gehanteerd wat betreft het aantal standplaatsen, en er is een gebleken behoefte aan standplaatsen, dan is een inhaalslag nodig. Als er in de gemeente geblokkeerde standplaatsen bestaan, kan snel resultaat worden geboekt door deze standplaatsen opnieuw in gebruik te geven aan woningzoekende woonwagenbewoners.

Schilderij ‘Woonwagenkamp’ van kunstschilder Cornelis Vredenburgh (1880-1946), hij woonde in het kunstenaarsdorp Laren en schilderde veel in deze omgeving en in Amsterdam.

Vereniging Behoud Woonwagencultuur in Nederland Advies Gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid, 27 november 2019

pagina 33

5.2

Rolverdeling In paragraaf 5.2 Rolverdeling van het Beleidskader wordt in grote lijnen de rolverdeling en de verantwoordelijkheden geschetst tussen het Rijk, de provincies, de gemeenten en de woningcorporaties, de partijen betrokkenen bij het woonwagen- en standplaatsenbeleid. 5.2 Rolverdeling Het is aan het Rijk om de visie op en het beleidskader voor standplaatsen- en woonwagenbeleid, zoals opgenomen in dit document, vast te stellen. Het Rijk is internationaal rechtelijk het aanspreekpunt voor de naleving van mensenrechten, ook wanneer de primaire verantwoordelijkheid is overgedragen aan gemeenten. Vanuit de systeemverantwoordelijkheid die het Rijk heeft, bewaakt het Rijk de ontwikkeling van het aantal standplaatsen door de jaren heen. Het Rijk houdt vanuit zijn systeemverantwoordelijkheid en vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de nakoming van internationale (mensenrechten-)verdragen vinger aan de pols en zal blijvend investeren in een goede relatie met vertegenwoordigers van de doelgroep. Uiteraard werkt het Rijk hierbij nauw samen met de betrokken partijen. Binnen de interbestuurlijke verhoudingen houdt het Rijk toezicht op de provincies. Het Rijk houdt toezicht op gemeenten voor die terreinen waar de provincies geen taak en expertise hebben, zoals de mensenrechten. De provincies houden toezicht op gemeenten.

Het gaat om de kerntaken in het ruimtelijk-fysieke domein: onder meer bouwen, ruimtelijke ordening en huisvesting van mensenrechten*80, ook wat betreft woonwagenbewoners. Tevens kan de provincie een rol spelen bij de inventarisatie van de behoefte aan standplaatsen en/of locaties. Immers ook gemeenten die de nuloptie hebben gerealiseerd, hebben de verplichting om te voorzien in voldoende standplaatsen voor woonwagenbewoners die willen wonen in een woonwagen. Derhalve dient verdient het aanbeveling om de behoefte-inventarisatie tenminste op regionaal niveau te laten plaatsvinden. Ook voeren gemeenten bij de voorbereidingen van het bestemmingsplan onder meer overleg met de provincie81. Hierbij kan de regionale behoefte aan woonwagenstandplaatsen op tafel komen. De partijen op lokaal niveau stellen binnen dit beleidskader een lokaal beleid vast en voeren dat uit. De gemeente is verantwoordelijk voor het lokale woonbeleid, neergelegd in een woonvisie. Om goede redenen zijn de meeste gemeentelijke woningbedrijven in de vorige eeuw omgezet in woningcorporaties. Het daadwerkelijk realiseren en exploiteren van (sociale) woonruimten (in welke vorm dan ook) is geen kerntaak van gemeenten. De gemeente is natuurlijk wel verantwoordelijk voor de ruimtelijke ordeningskant van het standplaatsenbeleid.

Via het bestemmingsplan (in de toekomst het omgevingsplan) wordt vastgelegd waar de kavels voor standplaatsen liggen en hoeveel dat er zijn. Ook is de gemeente verantwoordelijk voor het beheer van de openbare ruimte en voor de handhaving en voor handhaving van bijvoorbeeld bouwvoorschriften (brandveiligheid). Woonwagenbewoners die een huishouden hebben tot aan de inkomensgrenzen, genoemd in artikel 48 van de Woningwet, behoren tot de doelgroep van woningcorporaties. Het ontwikkelen, verhuren en exploiteren van woonwagenlocaties, standplaatsen en woonwagens behoort daarmee tot de kerntaak van de woningcorporaties. Veel woningcorporaties zijn al actief op dit terrein. Daarbij worden diverse werkvormen gebruikt. Sommige corporaties richten een BV of een stichting op die voor de corporaties gezamenlijk het woonwagen- en standplaatsenbeleid uitvoert. Soms op regionaal niveau, soms op provinciaal niveau. Voor de duidelijkheid en ter voorkoming van misverstanden: een door corporaties in het leven geroepen BV of stichting is aan de zelfde regels gebonden als de corporatie zelf. Woningcorporaties hebben onder de Algemene wet gelijke behandeling een zelfstandige verplichting om te voldoen aan de non-discriminatie standaarden. *Red.: We menen dat de zinsnede ‘huisvesting van mensenrechten’, een omissie is bij de tekstverwerking en dat ‘huisvesting van mensen’ bedoeld wordt.

In het Beleidskader wordt de rol van intermediaire organisaties, de zogenoemde tussenbureaus, besproken in paragraaf 5.6 Beheer en exploitatie, derhalve treft U het advies hieromtrent aldaar. Uiteraard hebben de (vertegenwoordigers) van de woonwagenbewoners ook een rol bij implementatieproces van het Beleidskader naar lokaal (gemeentelijk) beleid alsmede bij de voorbereiding en uitvoering van huisvestingsplannen, het advies hieromtrent treft U aan in paragraaf 5.8 Communicatie.

80

Handboek Wet revitalisering generiek toezicht, ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, Vereniging Nederlandse Gemeenten, Interprovinciaal Overleg, augustus 2012 81 Art. 3.11 van het Besluit ruimtelijke ordening

Vereniging Behoud Woonwagencultuur in Nederland Advies Gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid, 27 november 2019

pagina 34

5.2.1

De rol van het Rijk: actieve sturing op beleid en monitoring De rol van het Rijk is duidelijk: zij geeft de (wettelijk) kaders aan en doet aanbevelingen voor het woonwagenbeleid; de daadwerkelijke en praktische uitwerking van het Beleidskader ligt bij de provincies, de gemeenten en de woningcorporaties. Maar het Rijk geeft ook aan dat behalve de aangereikte (wettelijke) kaders zij vinger aan de pols zullen houden ten aanzien van het nakomen van internationale 82 (mensenrechten-)verdragen. In de begeleide brief bij het aan gemeenten aangeboden Beleidskader wordt aangegeven dat het ministerie van BZK gemeenten blijvend wil ondersteunen op dit onderwerp en dat reeds opdracht is verstrekt om een monitor standplaatsen te ontwikkelen. Deze brief treft bijgevoegd aan, zie paragraaf 6.1 Brieven en toelichtingen minister en ministerie BZK inzake het Beleidskader. 83 Ook in de begeleide brief bij de aanbieding aan de Tweede Kamer geeft de minister aan dat zij het Beleidskader actief zal uitdragen en de kennis op dit beleidsterrein zal verzamelen en beschikbaar stellen voor gemeenten en woningcorporaties, terwijl, zo schrijft zij, ook blijvend zal investeren in een goede relatie met de vertegenwoordigers van de doelgroep. Ook deze brief treft bijgevoegd aan, zie paragraaf 6.1 Brieven en toelichtingen minister en ministerie BZK inzake het Beleidskader.

Hoe onder andere het ministerie BZK hier handen en voeten geeft aan genoemde toezeggingen treft U aan in paragrafen 5.2.3 t/m 5.2.5.

Foto links: Foto van Marcel van den Bergh; woonwagenbewoners doen in de woonwagen de schoenen uit. Voor de foto wel netjes op een rijtje en reeds in de vertrekrichting geplaatst. Foto rechts: Foto uit het Beleidskader, foto van Riesjard Schopp.

Foto links: 1928, Groepsfoto op het woonwagenkamp van Hilversum, dit (verplaatste) kamp nabij de gasfabriek was gesitueerd op een voormalige ‘aschbelt’, een modderpoel, kinderen op hun klompjes. Midden op de foto zien we Elizabeth (Liza) Meijer (grootmoeder van Cornelis (Cees) Groenendaal, secretaris a.i. VBWN) en houdt zij trots haar halfjaar oude baby Jantje (Sjaan) omhoog, collectie Coen de Raer. Foto rechts: 1960, Sinterklaas op bezoek op het woonwagenkamp Vorstendonk in Oss, foto Daan Scholte, collectie Stadsarchief.

82

Begeleidende brief aan de colleges van Burgemeester en Wethouders bij ‘aanbieding gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid’, ministerie BZK, 23 juli 2018, kenmerk 2018-0000644451 83 Begeleidende brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer bij ‘aanbieding beleidskader voor gemeentelijk standplaatsenbeleid’, ministerie BZK, 12 juli 2018, kenmerk 2018-0000135570

Vereniging Behoud Woonwagencultuur in Nederland Advies Gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid, 27 november 2019

pagina 35

5.2.2

Nadere toelichting door minister BZK op het Beleidskader 84 Op schriftelijke Kamervragen naar aanleiding van de in het najaar van 2018 ontstane spontane demonstraties door woonwagenbewoners, het zogenoemde ´rolleman85 oproer´ (zie ook paragraaf 4.7 Het rollemanoproer), heeft de minister van BZK in haar brief van 16 oktober 2018 onder meer geantwoord (vraag/antwoord 4) dat, citaat: ‘De komende tijd zal ik in gesprek treden met gemeenten en organisaties van 86 woonwagenbewoners , gericht op nadere toelichting van het beleidskader’. Deze brief treft U aan als bijlage, zie paragraaf 6.1 Brieven en toelichtingen minister en ministerie BZK inzake het Beleidskader. In het Algemeen Overleg van 18 oktober 2018 heeft de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken overleg gevoerd met de minister van BZK over onder andere de brieven van de minister over het Beleidskader en de zogenoemde Nulmeting. Van dit overleg is een woordelijk verslag gemaakt, de link naar dit verslag treft U aan in de bijlagen onder paragraaf 6.2 Brieven en toelichtingen minister en ministerie BZK inzake het Beleidskader. Op de website Woonwagenwijzer wordt het als volgt samengevat: Behandeling van het Beleidskader in vaste commissie Binnenlandse Zaken op 18 oktober Er waren veel woonwagenbewoners komen opdagen tijdens deze commissie over het Beleidskader woonwagenbeleid met minister Ollongren.

Voorafgaande aan de vergadering heeft minister Ollongren nog een brief gestuurd aan de Tweede Kamer, waarin zij stelt dat het niet de bedoeling is dat woonwagenbewoners het recht in eigen handen moeten nemen, door alvast illegaal zonder toestemming en vergunning zich op een standplaats te vestigen. Natuurlijk vindt zij het wel toegestaan, dat woonwagenbewoners demonstreren voor hun zaak. Er werden met name door kamerlid Ronnes van het CDA vragen gesteld over de bezettingsacties, de inname van illegale standplaatsen door woonwagenbewoners, waarover met name de burgemeesters uit Limburg, Zeeland-West-Brabant en Oost-Brabant met de minister in gesprek wilden gaan. Vanuit die kant werd weer gewezen op de gelijktijdige aanpak van zware en ondermijnende criminaliteit. Probleem met die invalshoek is, dat net als in de voorgaande 10 jaren, toen vooral het ministerie van Justitie zich bemoeide met woonwagenbeleid, er niets gedaan is aan de huisvestingsproblematiek van woonwagenbewoners, waardoor de achterstand aan standplaatsen is toegenomen en verbetering van de woonkwaliteit is achtergebleven. De partijen in de Tweede Kamer onderschrijven allemaal de uitgangspunten van het nieuwe beleidskader, maar zetten wel vraagtekens bij die acties, waar standplaatsen of grond geclaimd worden.

De minister gaf aan dat de gemeenten vooral in gesprek moeten gaan, de dialoog moeten aangaan met woonwagenbewoners en vraagt bewoners er rekening mee te houden, dat besluiten nemen in een gemeente nu eenmaal de nodige tijd vragen.

In dit Algemeen Overleg van 18 oktober 2018 heeft de minister van BZK toegezegd een brief aan gemeenten te sturen om enkele aspecten van het Beleidskader te 87 verduidelijken. Op 18 december heeft de minister deze brief aan de colleges van 88 Burgemeester en Wethouders toegestuurd met een afschrift aan de Tweede Kamer . Deze schriftelijke toelichting op het Beleidskader treft U aan als bijlage, zie paragraaf 6.1 Brieven en toelichtingen minister en ministerie BZK inzake het Beleidskader. Zoals genoemd stuurden juist de regioburgemeesters van Limburg, Zeeland-WestBrabant en Oost-Brabant op 17 oktober 2018 de minister BZK een brief waarin aandacht werd gevraagd voor de zorgen over de uitvoering van het Beleidskader, zie ook paragraaf 5.6.2 Ondermijnende activiteiten en criminaliteit op woonwagenlocaties.

84

Beantwoording vragen van de heer Ronnes CDA’ over kraakactie in Mill, min. BZK, kenmerk 2018-0000821820, 16 oktober 2018 De na de publicatie van het Beleidskader spontaan ontstane landelijke demonstraties door woonwagenbewoners Op 25 oktober 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden op het ministerie BZK, met onder anderen Frenk Wiersma, directie Woningmarkt - senior beleidsadviseur en de directeur-generaal Bestuur, Ruimte en Wonen, Chris Kuijpers, de vertegenwoordigers van de woonwagenbewoners (TUN, VSRWN en VBWN) en het VNG. 87 Brief aan de colleges van Burgermeester en Wethouders, ministerie BZK, 18 december 2018, kenmerk 2018-0000865258 88 Brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer met afschrift van de brief van 18 december 2018 aan de colleges van Burgemeester en Wethouders alsmede overzicht van de demonstraties van woonwagenbewoners, 18 december 2018, kenmerk 2018-0000865108 85 86

Vereniging Behoud Woonwagencultuur in Nederland Advies Gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid, 27 november 2019

pagina 36

5.2.3

Monitor standplaatsen in Nederland Dat de minister en haar ministerie van BZK serieus de huisvestingsproblematiek van de woonwagenbewoners wenst aan te pakken - waarbij bovenal de mensenrechten dienen te worden gerespecteerd - blijkt uit het voornemen om de ontwikkelingen van standplaatsen in Nederland te monitoren. Het startschot voor deze monitoring werd gegeven met de opdracht tot het in kaart brengen van de actuele stand van het aantal woonwagenstandstandplaatsen en woonwagenlocaties in alle gemeenten in Nederland. In dit Advies zullen we meer inhoudelijk op deze ‘nulmeting’ ingaan, zie paragraaf 5.2.4 Rapport Woonwagenstandplaatsen in Nederland, de nulmeting.

5.2.4

Rapport Woonwagenstandplaatsen in Nederland, de nulmeting Het eerste resultaat van de door het ministerie van BZK ontwikkelde ´monitor 89 standplaatsen in Nederland´, het rapport ´Woonwagenstandplaatsen in Nederland’ , de zogenoemde ´nulmeting´, werd op 12 oktober 2018 aan de Tweede Kamer 90 aangeboden. In de begeleidende brief bij de aanbieding ‘nulmeting woonwagenstandplaatsen’ schrijft de minister, citaat: ‘Wat betreft de monitor meld ik nog dat mijn inzet is om met gemeenten en VNG, en eventuele andere partijen, deze verder te ontwikkelen. Zoals gezegd betreft het hier de nulmeting van het aantal standplaatsen per gemeente. Op zich valt hierin geen ontwikkeling waar te nemen. Ik ben voornemens om elke twee jaar Uw Kamer te rapporteren over het aantal standplaatsen, derhalve kunt u dat in 2020 tegemoet zien’. Ook lezen we in de brief, citaat: ‘De 310 gemeenten hebben bij elkaar 260 woonwagenlocaties’, we menen dat de minister hier bedoelt dat ‘van de 310 die men in beeld heeft kunnen krijgen er 260 zijn met woonwagenlocaties met een totaal van 7.723’.

Deze begeleidende brief bij de aanbieding van de ‘nulmeting woonwagenstandplaatsen’ treft U aan als bijlage onder paragraaf 6.1 Brieven en toelichtingen minister en ministerie BZK inzake het Beleidskader, en link naar deze ‘nulmeting’, de eindrapportage van 10 oktober 2018, treft U aan onder paragraaf 6.2 Belangrijke adressen, documenten en links. De opdracht voor deze zogenoemde ´nulmeting´ van het ministerie van BZK was het in kaart brengen van het aantal woonwagenstandstandplaatsen en het aantal woonwagenlocaties in alle gemeenten in Nederland naar de toestand (peildatum) op 1 januari 2018. Per saldo blijkt dat slechts 75% van de gemeenten gehoor hebben gegeven aan de oproep van het ministerie c.q. het onderzoeksbureau, welk percentage nog kon worden bijgesteld naar 82% door gebruik te maken van gegevens van corporaties en overige beheerders. Voor VBWN en haar leden, de woonwagenbewoners, is met name de respons waarbij per saldo dus 25% van de gemeenten (en van de corporaties en provincies nog hoger!) simpelweg een vraag van het ministerie BZK hebben genegeerd.

Het is ons een doorn in ’t oog, ook vanwege het feit dat toen gemeenten voor een ander kwantitatief onderzoek benaderd werden door het toenmalige ministerie VROM met vragen omtrent overtredingen van regelgeving, vrijplaatsen en geweldsdreiging de respons 100% was! Deze rapportage, een publicatie van de VROM-Inspectie van februari 2009, komt ook aan de orde in dit Advies onder paragraaf 5.6.2 Ondermijnende activiteiten en criminaliteit op woonwagenlocaties. VBWN meent ook dat juist onder die 25% weiger-gemeenten juist ook die gemeenten zich schuilhouden die juist wél aandacht moeten geven aan het Beleidskader en dus juist wél hadden moeten meewerken aan het onderzoek. VBWN zal uiteraard de monitor monitoren, waarbij we nu reeds niet uitsluiten dat juist ook onder die 25% weiger-gemeenten het ook weer die gemeenten zijn die geen vooruitgang hebben geboekt. Kortom een goed startpunt met een deugdelijk ijkpunt, is bij het volgen van de ontwikkelingen van belang … maar om met een bekende Nederlandse filosoof te spreken: ‘ieder nadeel heeft z’n voordeel’, immers de weiger-gemeenten geven zich bloot door zich te verschuilen, da’s logisch! In de bijlage 1 van het rapport wordt de uitvoering van het onderzoek verantwoord en daaruit blijkt dat ondanks de ruim geboden gelegenheden en zelfs een ´reminder´ de respons zeer teleurstellend was.

89

Eindrapportage ‘Woonwagenstandplaatsen in Nederland’, Companen in opdracht van ministerie BZK, projectnummer 2700.207, 10 oktober 2018 90 Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, ministerie BZK, 12 oktober 2018, kenmerk 2018-0000810391

Vereniging Behoud Woonwagencultuur in Nederland Advies Gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid, 27 november 2019

pagina 37

Fragment eindrapportage ‘Woonwagenstandplaatsen in Nederland’ pagina 19, Companen Advies voor woningmarkt en leefomgeving, 10 oktober 2018.

Figuur links: In het rapport ‘Woonwagenbewoners in Nederland 2011’ wordt in een figuur het aantal woonwagenstandplaatsen per provincie aangegeven. Rapport BMC-Onderzoek, Inspectie Leefomgeving en Transport (VROM-Inspectie) van 9 mei 2012, zie voor de link de bijlage paragraaf 6.2 Belangrijke adressen, documenten en links. Foto rechts: 1925, Amsterdam, een ambtenaar van de gemeente bezoekt het woonwagenkamp aan de Hemweg voor de volkstelling en noteert Gieleman Theunisz en zijn vrouw Tonia Huurman en hun kinderen Antonia en Anne Theunisz.

Foto links: 1930, De politie bezoekt een woonwagenkamp op 2 januari voor de volkstelling. Foto rechts: 1930, Amsterdam, een medewerker bezoekt een woonwagenkamp voor de volkstelling. Red.: Nimmer in de geschiedenis van de woonwagenbewoners zijn er betrouwbare cijfers over aantallen woonwagens en woonwagenbewoners verkregen. Oudtijds was dat toe te schrijven aan de beperkte mogelijkheden aan de kant van de overheid en anderzijds vanwege de lastige ‘grip’ op de groep reizigers, zo werden bijvoorbeeld tellingen onzuiver vanwege het feit dat zij gedaan werden midden in het ‘trekseizoen’. Bij een eerste telling in 1879 leverde dat slechts 16 woonwagens op, 9 in Groningen en 7 in Gelderland. Een eerste min of meer betrouwbaar overzicht biedt de ‘Uitkomsten der achtste tienjaarlijksche volkstelling in het Koninkrijk der Nederlanden gehouden op den een en dertigsten December 1899’, als we dan alle provincie bij elkaar tellen komen we uit op een aantal van 429 woonwagens in heel Nederland en 2.189 woonwagenbewoners. De hieruit af te leiden gezinssamenstelling is dus 5 mensen in een woonwagen, vader, moeder met drie grommen.

Vereniging Behoud Woonwagencultuur in Nederland Advies Gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid, 27 november 2019

pagina 38

Voor wat betreft de nulmeting moeten we vaststellen dat we nu slechts de beschikking hebben over aantallen gebaseerd op beperkt verstrekte gegevens, we lezen in het rapport onder onderzoeksverantwoording, citaat: ‘Er hebben 285 gemeenten gereageerd op de vragenlijst, maar dankzij de input van corporaties en overige beheerders kunnen we over ruim meer dan 285 gemeenten een uitspraak doen over het aantal standplaatsen …’, we nemen aan dat met die ‘meer dan 285’ dus die 308 of 310 wordt bedoeld. Laten we maar eens naar de cijfers kijken, waarbij voor het gemak enkele eerdere tellingen, waaronder de cijfers van 10 jaar geleden - waarbij wel alle 471 gemeenten respondeerden - uit het Rapport ‘Vrijplaatsen op woonwagenlocaties’, naast elkaar leggen. Teneinde een voorlopig beeld te krijgen van het huidig aantal standplaatsen hebben we de absolute aantallen die gelden voor de 82% van de gemeenten gemakshalve geëxtrapoleerd naar 100%, dus 7.723 standplaatsen : 82% x 100% = 9.418 standplaatsen. Het achterhouden van de gegevens maakt ook dat het aantal woonwagenlocaties in Nederland zelfs niet in beeld is verkregen, dus ook hier maar extrapoleren naar het absolute geschatte huidige aantal: 1.016 locaties : 82% x 100% = 1.239 standplaatsen. Dus ook met onze rekenexercitie komen we uit op een gemiddeld aantal van 7,5 standplaatsen per woonwagenlocatie.

Hieronder een overzicht van de ontwikkeling van het aantal woonwagenlocaties en standplaatsen van de afgelopen 20 jaar, zeg maar sedert de intrekking van de Woonwagenwet van 1999. Overzicht aantal woonwagenlocaties en standplaatsen sedert de intrekking Woonwagenwet 1999 Bron VROM1 VROM2 VROM3 VROM4 CBS5 BZK6 VBWN7

Peildatum 1998 eind 2000 1 januari 2009 1 januari 2012 1 januari 2017 1 januari 2018 1 januari 2018

Aantal gemeenten

Aantal locaties

437 van de 437 471 van de 471 ca. 370

1.181 1.150

308 van de 380 380

1.016 1.239

Aantal standplaatsen 8.749 9.618 (8.947) 8.319 8.300 9.285 7.723 9.418

Opmerking: Door de gemeentelijke herindelingen loopt het aantal gemeenten in Nederland terug. Red.1: Aantallen genoemd in brief van 16 december 1998 van de staatssecretaris VROM aan de Tweede Kamer over de wijziging van de Huisvestingswet, de Woningwet en enige andere wetten in verband met de integratie van de woonwagen- en woonschepenregelgeving. In de brief wordt gemeld dat uit onderzoek blijkt dat per 1 augustus 1998 het landelijk tekort aan standplaatsen 2.178 bedraagt, het verschil tussen de 8.749 bestaande standplaatsen en de 10.927 standplaatsgerechtigden volgens de Woonwagenwet. Red.2: Aantallen genoemd in brief van 14 februari 2001 van de staatssecretaris VROM aan de Tweede Kamer over de huisvesting van de woonwagenbewoners – Vaststelling van de begroting van de uitgaven en ontvangsten van het Ministerie van VROM (XI) voor het jaar 2001. Van het totaal van 9.618 standplaatsen zijn er 701 met een tijdelijke of illegale status. Verder merken we op dat bij de telling eind 2000 van de 9.618 standplaatsen er 8.947 daadwerkelijk werden ingenomen door woonwagens, dit verschil werd o.a. verklaard door leegstand en plekken bestemd voor reizende circus- en kermisexploitanten. Red.3: Aantallen genoemd in de handreiking van de VROM-Inspectie ‘Vrijplaatsen op woonwagenlocaties’, van februari 2009.

Red.4: Aantallen genoemd in de BMC-onderzoek van 9 mei 2012 in opdracht van de VROM-Inspectie ‘Woonwagenbewoners in Nederland 2011’, waarbij we opmerken dat geen specifiek onderzoek betreft naar aantallen standplaatsen. Red.5: De cijfers van het CBS zijn gebaseerd op de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) waardoor de aantallen onbetrouwbaar zijn vanwege het mogelijk meetellen van andere typen objecten zoals bijvoorbeeld stacaravans voor recreatief gebruik. Red.6: Aantallen genoemd in COMPANEN-onderzoek van 10 oktober 2018 in opdracht van BZK ‘Woonwagenstandplaatsen in Nederland’ (de ‘nulmeting’), de genoemde aantallen zijn gebaseerd op beperkt beschikbare (ca. 82%) gegevens. Red.7: De door VBWN genoemde aantallen zijn gebaseerd op extrapolatie tot 100% van de aantallen genoemd in het voornoemde COMPANEN-onderzoek van BZK. Opmerking: De in het overzicht genoemde brieven en rapporten treft U als link aan in hoofdstuk 6.2 Belangrijke adressen, documenten en links.

VBWN benadrukt nogmaals dat het spijtig is dat de ‘nulmeting’ als start van de monitor geen exacte aantallen heeft kunnen produceren en er ook niet is ingegaan (in voorgaande rapporten) op de ontwikkeling van de aantallen standplaatsen sedert de intrekking van de Woonwagenwet in 1999 toen het Rijk de handen aftrok van de woonwagenbewoners en de ‘normalisatie’ werd ingezet. Spijtig is ook het volledige gebrek aan inzicht in het (actuele) tekort aan standplaatsen, pas na een deugdelijk woonbehoefteonderzoek onder de woonwagenbewoners (en spijtoptanten) zal er sprake kunnen zijn monitoring van de benodigde standplaatsen. Vereniging Behoud Woonwagencultuur in Nederland Advies Gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid, 27 november 2019

pagina 39

5.2.5

Platform31, Kennis- en leerprogramma lokaal woonwagenbeleid Ten einde de vele vragen die het Beleidskader oproept bij gemeenten en woningcorporaties te beantwoorden c.q. te verduidelijken heeft ministerie van BZK Platform31 ingeschakeld. Platform31 is een kennis- en netwerkorganisatie - onder anderen en met name op het gebied van wonen en volkshuisvesting - gespecialiseerd in het verbinden van beleid, praktijk en wetenschap rondom actuele vraagstukken en het projectmatig komen tot een aanpak waarmee bestuurders, beleidsmakers en uitvoerders direct aan de slag kunnen. Op de site van Platform31 lezen we, citaat: Platform31 neemt een onafhankelijke positie in tussen overheden, maatschappelijke organisatie en marktpartijen. Wij brengen partijen bij elkaar, vinden het gemeenschappelijke belang en gaan aan de slag. Platform31 is een van de weinige organisaties in Europa die onderzoek, beleid en praktijk met elkaar verbindt, nationaal èn internationaal.

In het projectvoorstel van Platform31 ‘Kennis- en leerprogramma lokaal woonwagenbeleid’ aan het ministerie van BZK wordt het Plan van Aanpak als volgt beschreven, (gedeeltelijk) citaat: Plan van Aanpak Voor gemeenten en haar lokale partners is het belangrijk dat er verduidelijking komt over de vele vragen die er zijn en er voorbeelden van beleid en instrumenten komen die zij kunnen gebruiken zodat niet iedere gemeente het wiel moet uitvinden. Het onderstaand plan van aanpak heeft als doel dat gemeenten, corporaties en (organisaties van) woonwagenbewoners gezamenlijk hun lerend vermogen rond dit thema vergroten. Als onafhankelijke kennispartner treedt Patform31 hierbij op als kennismakelaar en facilitator van het leerproces. Daarnaast brengt Platform31 ‘good & best practices’ (praktijkvoorbeelden) in beeld, richt zij een online kennisloket in, organiseert zij regionale leerkringen (CoP’s en intervisie-bijeenkomsten), stellen we een expertpool samen om vragen in stad en regio te ondersteunen en organiseren we een slotcongres. In het online kennisloket bundelen we alle informatie, kennis en expertise die op dit dossier wordt opgebouwd. Alle lokale stakeholders kunnen er terecht voor informatie en/of antwoorden op generieke vragen over beleidsontwikkeling en uitvoering over dit onderwerp.

Klankbordgroep Voor de opzet en uitvoering van dit programma is tegelijkertijd een breed draagvlak nodig van relevante organisaties en koepels. Bij de start van het programma stelt Platform31 voor een klankbordgroep of programmaraad samen te stellen voor de looptijd van het project. Hierin nemen relevante organisaties en koepels voor dit thema plaats, zoals koplopende gemeenten, corporaties en provincies, de VNG, het Interprovinciaal Overleg (IPO), Aedes, de Woonbond en (belangen)vertegenwoordigers van woonwagenbewoners, zoals de Vereniging Behoud Woonwagencultuur in Nederland, Travellers United Nederland (TUN) en de Vereniging Sinti, Roma en Woonwagenbewoners. Vooral de betrokkenheid van de bewoners en de organisaties die hun belangen vertegenwoordigen zien wij als een belangrijke succesfactor voor het project. De klankbordgroep komt in totaal drie keer bij elkaar: in een startbijeenkomst (inventarisatie van verwachtingen), halverwege de looptijd (voortgang op programma) en een slotbijeenkomst (evaluatie). Platform31 faciliteert deze bijeenkomsten en bereidt ze inhoudelijk voor in nauwe afstemming met het ministerie van BZK. Om aan de behoeften van gemeenten en andere relevante organisaties tegemoet te komen, richt Platform31 een kennis- en leerprogramma in rond twee inhoudelijke sporen waarop activiteiten worden ontwikkeld.

Platform31 treedt bij alle onderdelen van het plan van aanpak op als proces-coördinator die partijen aan elkaar verbindt, alle informatie bij elkaar brengt en zorg draagt voor onderlinge afstemming. Het plan van aanpak is gericht op twee sporen: (1) informatievoorziening en kennisdeling, en (2) praktijkontwikkeling en uitwisseling ervaringskennis. Spoor 1: informatievoorziening en kennisdeling: (online) informatie- en kennisloket Kennisloket Platform31 richt een online kennisloket op de eigen website met een duidelijk herkenbare uri (b.v. www.platform31.nl/woonwagenbeleid). Hier kunnen gemeenten terecht voor informatie, generieke vragen en Q en A’s over beleidsontwikkeling en uitvoering over dit onderwerp. Platform31 inventariseert en analyseert de beschikbare informatie, brengt ‘good & best practices’ (goed werkende praktijkvoorbeelden) in beeld en zorgt ervoor dat de aanwezige kennis en ervaring breed onder de aandacht komt met behulp van interviews (o.a. films) en blogs die we verspreiden via de Platform31 nieuwsbrief en de eigen sociale media (Twitter, LinkedIn, Facebook). Hierbij kan ook gedacht worden aan een twee/drie maandelijkse Update met een overzicht van het laatste nieuws, praktijkvoorbeelden en interviews/columns/blogs over dit thema. …

Het project ‘Kennis- en leerprogramma lokaal woonwagenbeleid’ vindt plaats in de periode 1 februari 2019 – 30 juni 2020.

Vereniging Behoud Woonwagencultuur in Nederland Advies Gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid, 27 november 2019

pagina 40

5.3

Vraag, het inventariseren van de woonbehoefte In paragraaf 5.3 Vraag, het inventariseren van de woonbehoefte gaat het Beleidskader in op zaken zoals: de inventarisatie naar de behoefte aan standplaatsen en/of woonwagens, onderzoek-enquêtes, wachtlijsten, woonruimteverdeelsysteem, afstammingsbeginsel, spijtoptanten, allemaal zaken die aan de orde zijn bij het opstellen van lokaal woonwagenbeleid en het vaststellen van het daarvan af te leiden ‘aanbod’ als bedoeld in de volgende paragraaf 5.4 Aanbod. Dit Advies gaat in de paragrafen 5.3.1 t/m 5.3.5 in op de onderdelen die hierbij van belang zijn.

5.3 Vraag, het inventariseren van de woonbehoefte Voor een goed standplaatsenbeleid is het van belang om de omvang van de vraag te weten. Een voor de hand liggende methode om daar achter te komen is het instellen van een wachtlijst. Ook is het raadzaam om, als er bijvoorbeeld een lange periode geen wachtlijst is geweest (of geen actief beleid is gevoerd), een onderzoek naar de behoefte aan standplaatsen en woonwagens te doen. Het opstellen van een wachtlijst en de inventarisatie aan behoefte hoeft geen ingewikkelde of kostbare procedures te zijn. Bij het inrichten van een wachtlijst zijn de volgende opties mogelijk: a. aansluiten bij de reguliere wachtlijst van de woningcorporatie of een regionaal woonruimteverdeelsysteem, waar een woningzoekende kan aangeven dat hij of zij belangstelling heeft voor een standplaats en/of woonwagen; b. een aparte wachtlijst voor standplaatsen. Bij beide opties is het van belang om criteria op te stellen op basis waarvan de volgorde op die wachtlijst (hierbij kunnen ook urgentieregels gelden) en de uiteindelijke toewijzing (zie paragraaf 4.5) plaatsvindt. Van groot belang is dat de gehanteerde criteria helder zijn en de werkwijze transparant. Bij deze criteria gaat het erom aan te geven wie in aanmerking komt voor een standplaats en/of woonwagen.

Bij schaarste aan standplaatsen dient voorrang te worden gegeven aan woonwagenbewoners, die vanwege hun culturele eigenheid een andere woonbehoefte hebben dan andere woningzoekenden. Hierbij kan het “afstammingsbeginsel” worden gehanteerd: woningzoekende woonwagenbewoners die nu reeds in een woonwagen wonen, dan wel door omstandigheden in een stenen woning wonen (spijtoptanten), Om op een eenvoudige en pragmatische wijze de afstamming aan te tonen kan gebruik worden gemaakt van het criterium “woonadres” van de aanvrager, van de ouders of grootouders. In die gevallen waarin, om welke reden dan ook , dit criterium niet kan worden toegepast, kan de woningzoekende in de gelegenheid worden gesteld om op andere wijze de afstamming van woonwagenbewoners aan te tonen. Als er wordt gekozen om een onderzoek te doen, op basis waarvan beleid kan worden geformuleerd, kan er een enquête worden uitgezet bij de woonwagenbewoners die wonen in een woonwagen en hun inwonende familieleden en bij spijtoptanten. Daarmee kan de actuele behoefte aan standplaatsen en woonwagens in beeld worden gebracht en kunnen ook prognoses gemaakt worden voor de komende jaren, net als bij reguliere huisvesting. Woonwagenbewoners hechten er aan in familieverband te wonen. Door de woonwagenbewoners bij het onderzoek te betrekken, kunnen de spijtoptanten mogelijk weer in beeld worden gebracht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=57414f60-9634-49c4-9b09-b6971db11099