CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Inspraakreactie P. Vos deel III.pdf

Besluitronde (raadsvergadering) 27 januari 2021, gemeente NijmegenBij agendapunt: Brief Onderzoek woonwagenstandplaatsen en vervolgacties (o.v.v. VoorNijmegen.Nu, Stadspartij Nijmegen en GroenLinks) (DEBATSTUK)21.787 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Een andere gemeente waren de oordelen van het College opgevallen. Maar zij erkende hierin een afwachtende houding in te nemen. Deze gemeente had hierover geen contact opgenomen met de Rijksoverheid.

39

5. CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN 5.1 Inleiding Het tweede hoofdstuk liet zien dat de Rijksoverheid, sinds de afschaffing van de Woonwagenwet in 1999, de verantwoordelijkheid voor het standplaatsenbeleid heeft overgedragen aan gemeenten. Tegelijk zag de Rijksoverheid wel een rol voor zichzelf om gemeenten te ondersteunen in het vormgeven van hun beleid voor woonwagenlocaties, zoals blijkt uit de handreiking voor gemeenten Werken aan woonwagenlocaties (VROMInspectie 2006). Hierin worden meerdere opties voor het standplaatsenbeleid aangereikt waaronder die van het ‘uitsterfbeleid’, in ambtelijk jargon: de nuloptie. Aanbevelingen van de ECRI en het CERD over bescherming van het standplaatsenbeleid brachten geen verandering in de rolverdeling tussen Rijksoverheid en gemeenten. Ook hebben zij niet geleid tot herziening van de handreiking. Het derde hoofdstuk liet de woonwagenbewoners aan het woord. Zij signaleren een tekort aan standplaatsen en ervaren dit als veruit de grootste bedreiging voor de instandhouding van hun culturele identiteit. Als zij dit tekort onder de aandacht willen brengen bij instanties zoals gemeenten of woningcorporaties, ondervinden veel woonwagenbewoners problemen hiermee. Instanties zijn bijvoorbeeld niet bereid om te luisteren.

Ook ervaren zij problemen met het toegewezen krijgen van een standplaats: wachtlijsten zijn onbetrouwbaar of ontbreken zelfs, de wachttijd is zeer lang. Ook vertellen ze over standplaatsen die aan niet-woonwagenbewoners worden toegewezen. Zelfs woonwagenbewoners die wel over een standplaats beschikken, zijn niet zeker daarvan en maken zich zorgen over het behoud van die standplaats voor zichzelf of hun kinderen. Het vierde hoofdstuk liet zien dat de zeven gemeenten uit het onderzoek naar dit standplaatsenbeleid mede vanuit het gelijkheidsbeginsel kijken. Maar ze vinden het moeilijk om het gelijkheidsbeginsel goed te verenigen met een beleid dat standplaatsen alleen toekent aan één bijzondere groep. Daarnaast zijn verschillende onderdelen van hun standplaatsenbeleid besproken: de inventarisatie van behoefte aan nieuwe standplaatsen, de toewijzing van standplaatsen (afstammingsbeginsel en inkomensnormen conform beleid voor sociale huurwoningen) en het omgaan met bestaande standplaatsen.

Dit hoofdstuk keert terug naar de onderzoeksvraag: Handelt de Nederlandse overheid, centraal en decentraal, vanuit het perspectief van de woonwagenbewoners, betrouwbaar in het borgen van hun mensenrechten, en meer in het bijzonder het recht op een eigen culturele identiteit? Woonwagenbewoners lieten de Nationale ombudsman weten dat, voor het borgen van hun culturele identiteit, vooral belangrijk is dat er voldoende standplaatsen zijn. Uit het onderzoek bleek dat hiervoor drie voorwaarden belangrijk zijn:

40

De Nederlandse overheid handelt betrouwbaar voor woonwagenbewoners: a. doordat zij hun behoefte aan standplaatsen voldoende inventariseert; b. doordat zij standplaatsen toewijst op een manier die ten minste het afstammingsbeginsel als uitgangspunt neemt; c. doordat zij ook bij de herontwikkeling van bestaande woonwagenlocaties rekening houdt met het recht van hun bewoners om volgens hun culturele identiteit te wonen. Paragraaf 5.2 behandelt de vraag of de overheid aan deze drie voorwaarden voldoet. Paragraaf 5.3 gaat in op het dilemma dat gemeenten ervaren met het standplaatsenbeleid (zie eerder paragraaf 4.5). Paragraaf 5.4 geeft een nadere duiding van dit dilemma en van wat nodig is om aan de drie voorwaarden te voldoen. Het hoofdstuk sluit af met aanbevelingen (paragraaf 5.5). 5.2 Het standplaatsenbeleid De Nederlandse staat heeft zich aan diverse mensenrechtenverdragen verbonden en moet daaraan gevolg geven. Gezaghebbende interpretaties op basis van deze verdragen erkennen dat de culture identiteit van woonwagenbewoners als mensenrecht bijzondere bescherming behoeft. De Nederlandse staat is betrouwbaar als zij daaraan gevolg geeft, d.w.z. zich ook daadwerkelijk inzet om te borgen dat er voldoende standplaatsen zijn.

Aansluiting van aanbod van en behoefte aan standplaatsen Een woonbeleid dat recht doet aan de culturele identiteit van woonwagenbewoners, vergt dat het aanbod van standplaatsen in een redelijke verhouding staat tot de vraag naar standplaatsen. Waar de behoefte aan standplaatsen het aanbod overtreft, komt het recht op culturele identiteit in de knel en kan de Nederlandse staat zijn internationale verplichtingen niet nakomen. De overheid heeft echter geen actuele cijfers over het aanbod aan standplaatsen of over het totaal aantal woonwagenbewoners. Woonwagenbewoners zijn afhankelijk van gemeenten voor het aanwijzen van grond die als bestemming standplaats / woonwagen heeft. Gemeenten hebben dan ook de verantwoordelijkheid de vraag naar standplaatsen te inventariseren. De gemeenten uit het onderzoek blijken niet zozeer vanuit de behoeftekant, maar vanuit de aanbodkant te kijken: zodra er een standplaats vrijkomt, hoe kan deze standplaats dan opnieuw worden toegewezen? Gemeenten gaan hier verschillend mee om. Sommige gemeenten geven bijvoorbeeld de bewoners van een woonwagenlocatie de ruimte om een kandidaat voor te dragen. Dit systeem laat niet zien hoe groot de behoefte aan standplaatsen is, hetzij onder woonwagenbewoners die al op de locatie wonen, hetzij onder woonwagenbewoners die noodgedwongen al in een bakstenen huis of appartement wonen.

Andere gemeenten hanteren wachtlijsten speciaal voor standplaatsen. Deze zouden wel een betrouwbare bron moeten zijn voor de behoefte onder woonwagenbewoners in althans die gemeenten. Het onderzoek van de Nationale ombudsman bevat echter aanwijzingen om hieraan te twijfelen. In bijna alle gemeenten uit het onderzoek zijn vele

41

decennia lang geen nieuwe standplaatsen aangelegd. Woonwagenbewoners hebben dan ook te maken met lange wachtlijsten. Uit verhalen van woonwagenbewoners uit andere gemeenten wordt duidelijk dat dit probleem landelijk speelt: woonwagenbewoners zijn vaak ontmoedigd geraakt om zich te blijven inschrijven voor een wachtlijst die geen reëel perspectief biedt op een standplaats. Afstammingsbeginsel Het respecteren van het afstammingsbeginsel is onder de huidige wet niet meer verplicht. Gemeenten uit het onderzoek gaan er wisselend mee om: sommige respecteren dit beginsel, andere niet. Uit het onderzoek werd in ieder geval duidelijk, mede dankzij signalen uit het meldpunt, dat het respecteren van het afstammingsbeginsel cruciaal blijft om voldoende standplaatsen te behouden voor woonwagenbewoners. Uit het meldpunt vernam de Nationale ombudsman signalen dat in sommige gemeenten standplaatsen ook bewoond worden door niet-woonwagenbewoners. De Nationale ombudsman zag dit bevestigd in sommige van de gemeenten uit het onderzoek. Deze gemeenten konden niet bevestigen, of ontkennen, of alle standplaatsen ook daadwerkelijk bewoond werden door woonwagenbewoners. De toewijzing van standplaatsen aan nietwoonwagenbewoners doet in deze context dan ook afbreuk aan de bescherming van de culturele identiteit van woonwagenbewoners.

Systeem van 'passend toewijzen' Sommige gemeenten kiezen ervoor om het systeem van 'passend toewijzen', conform het beleid voor sociale huurwoningen, standaard toe te passen bij toewijzing van standplaatsen. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de sociaaleconomische achterstand die woonwagenbewoners van oudsher hebben (gehad), in het verleden een 65 uitgangspunt was voor specifiek beleid voor woonwagenbewoners. Het onderzoek van de Nationale ombudsman geeft aanleiding te geloven dat die achterstand niet meer voor alle woonwagenbewoners geldt. Het automatisme om een beleid voor sociale huurwoningen onverkort over te hevelen naar standplaatsenbeleid is in zoverre niet meer te rechtvaardigen. Het leidt ertoe dat woonwagenbewoners met hogere inkomens principieel worden uitgesloten van de mogelijkheid om volgens hun cultuur te leven. 5.3 Gelijkheidsbeginsel en het recht op voldoende standplaatsen De gemeenten uit het onderzoek hebben oog voor het gelijkheidsbeginsel. Dat betekent dat zij een generiek beleid voeren en in beginsel geen bijzonder beleid voor woonwagenbewoners of andere groepen voeren. Immers: alle inwoners hebben recht op bijvoorbeeld onderwijs. Als burger krijg je ondersteuning van de gemeente om dit recht te krijgen, niet omdat je tot een bijzondere groep behoort, maar omdat je net zoals iedereen recht hebt op onderwijs.

Tegelijk voeren deze gemeenten allemaal wel een specifiek woonbeleid voor woonwagenbewoners: het standplaatsenbeleid. Gemeenten zijn ambivalent hierover en ervaren het als een dilemma. Enerzijds vinden ze dat ze hiermee tegemoet komen aan het bijzondere karakter van de woonwagenbewoners als groep. Anderzijds vinden ze dat 65 Overbekking (1994).

42

zo'n speciaal woonbeleid zich moeilijk verhoudt tot het gelijkheidsbeginsel. Immers: als de gemeente sommige burgers (woonwagenbewoners) de kans biedt om te wonen op een bepaalde plek, in een bijzondere woonvorm, hebben niet ook andere burgers het recht om daar te wonen? Is dat niet juist een schending van het gelijkheidsbeginsel om hun niet ook de kans te geven daar te wonen? De praktijk van een speciaal woonbeleid voor woonwagenbewoners botst dus met de opvatting dat woonwagenbewoners en niet-woonwagenbewoners een gelijke behandeling verdienen. Die opvatting veronderstelt dat woonwagenbewoners en nietwoonwagenbewoners in alle opzichten gelijke gevallen zijn, niet alleen voor onderwijs en werk, maar ook voor hun ‘woonwensen’. Gelijke gevallen moeten immers gelijk behandeld worden. Maar gemeenten lijken zich niet te realiseren dat het gelijkheidsbeginsel een bredere uitleg vergt waarin ook plaats is voor de ongelijke behandeling van ongelijke gevallen (zie paragraaf 2.2). De behoefte van woonwagenbewoners aan standplaatsen (zie paragraaf 3.2) is uitdrukking van een eigen culturele identiteit die zij met familie op woonwagenlocaties willen voortzetten. Deze culturele identiteit is door diverse mensenrechtenorganisaties inmiddels erkend als een mensenrecht (zie paragraaf 2.2 en paragraaf 2.3).

Een speciaal woonbeleid is dan ook, via een recht op culturele identiteit, een uitwerking van het idee: 'ongelijke gevallen ongelijk behandelen' omdat de woonwagenbewoners, voor hun behoefte aan standplaatsen althans, op grond van hun culturele identiteit niet zonder meer gelijkgesteld kunnen worden aan andere burgers. Dit is dan ook de uitleg die nodig is voor het waarborgen van het recht op culturele identiteit. 5.4 Een betrouwbare overheid Een betrouwbare overheid die zich verbindt aan mensenrechten, in bijvoorbeeld de ondertekening van mensenrechtenverdragen, zet zich ook daadwerkelijk in om die mensenrechten te waarborgen. Dit houdt onder meer in dat die overheid kennis neemt van ontwikkelingen in mensenrechtelijke opvattingen, daaraan een duiding geeft en zo nodig een standpunt inneemt. Gemeenten Gemeenten hebben niet in alle gevallen voldoende kennis of expertise om te weten wat van hen, vanuit mensenrechtenperspectief, verwacht wordt voor het standplaatsenbeleid. Enkele gemeenten bleken niet goed bekend met oordelen van het College over het standplaatsenbeleid. Gemeenten die hiermee wel bekend waren, wisten niet goed wat dit voor hun gemeente betekende. Eén gemeente gaf duidelijk aan te kiezen voor een 'afwachtende houding'.

Daarnaast bleek dat alle geïnterviewde gemeenten vrijwel niet bekend zijn met de zorgen en aanbevelingen die internationale mensenrechtenorganisaties hebben uitgesproken over het Nederlandse standplaatsenbeleid. Niet gebleken is dat hun standplaatsenbeleid is vormgegeven vanuit de erkenning van de culturele identiteit van woonwagenbewoners als mensenrecht. Het onderzoek laat zien dat sommige gemeenten, ondanks het ontbreken van kennis over het juiste en actuele mensenrechtenkader, toch kiezen voor uitbreiding van

43

standplaatsen. Maar zo'n keuze blijft afhankelijk van lokaal politiek draagvlak ('politieke wil') en mist de inbedding binnen een mensenrechtenvisie op standplaatsenbeleid. Als gevolg daarvan gaan gemeenten wisselend om met standplaatsenbeleid en hebben de woonwagenbewoners van sommige gemeenten meer dan die van andere gemeenten te maken met een gebrekkige borging van de culturele identiteit van woonwagenbewoners. Het borgen van de mensenrechten van woonwagenbewoners vereist kennis van het mensenrechtelijk kader. De gemeenten uit het onderzoek bleken deze kennis onvoldoende te hebben. Dit maakt een wezenlijk verschil voor hoe gemeenten kunnen aankijken tegen de verzoeken van woonwagenbewoners om meer standplaatsen: zijn standplaatsen uitdrukking van een voorrecht, van een bijzondere ‘woonwens’? Of zijn ze uitdrukking van een mensenrecht, van een culturele identiteit? De Nationale ombudsman concludeert dan ook dat bewustwording van dat mensenrechtelijk kader voor gemeenten een belangrijke stap is in de bescherming van de culturele identiteit van woonwagenbewoners.

Rijksoverheid Welke overheid, centraal of decentraal, is verantwoordelijk voor het bijhouden en duiden van ontwikkelingen in mensenrechtenopvattingen zoals die blijken uit bijvoorbeeld (internationale) jurisprudentie en rapportages van mensenrechtenorganisaties? Het ligt voor de hand dat de Rijksoverheid hierin een rol neemt omdat zij namens de Nederlandse staat mensenrechtenverdragen ondertekent. Gemeenten hebben een eigen verantwoordelijkheid om mensenrechten na te leven. Maar de Rijksoverheid houdt een eindverantwoordelijkheid om toe te zien op naleving van mensenrechtenverdragen, een verantwoordelijkheid dus die zij nooit kan doorschuiven naar gemeenten. Zowel de ECRI als het CERD verbindt de aanbeveling om voor voldoende standplaatsen te zorgen met de mogelijkheid voor woonwagenbewoners om volgens hun tradities en culture identiteit te leven. Opvolging van deze aanbeveling veronderstelt dus een erkenning van de culturele identiteit van woonwagenbewoners als mensenrecht. Dit wordt bevestigd in arresten van het Hof en in oordelen van het College. Op de aanbeveling van de ECRI en het CERD reageert de Rijksoverheid met het verwijzen naar de verantwoordelijkheid die gemeenten voor het standplaatsenbeleid hebben. De Rijksoverheid heeft immers als standpunt dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor het standplaatsenbeleid. Maar zij kiest daarin een te strikte opstelling.

Het decentraliseren van het standplaatsenbeleid ontheft haar niet van een eindverantwoordelijkheid voor de naleving van mensenrechten. Zij dient gemeenten op zo'n manier te ondersteunen dat deze de culturele identiteit van woonwagenbewoners als mensenrecht in hun standplaatsenbeleid kunnen borgen. Dat vergt van de Rijksoverheid ten minste dat zij aan gemeenten een duiding geeft van de mensenrechtenontwikkelingen, relevant voor de groep van woonwagenbewoners, en gemeenten hierover actief informeert. Het is niet gebleken dat de Rijksoverheid dit voor gemeenten doet. Ook heeft de Rijksoverheid tot op heden geen herziening gegeven van de handreiking Werken aan woonwagenlocaties (VROM-Inspectie 2006). Overigens heeft het College recent geoordeeld dat de 'Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties […] jegens Woonwagenbewoners-

44

vereniging Gouda verboden onderscheid [maakt] op grond van ras met de ‘nuloptie’ in de 66 handreiking 'Werken aan woonwagenlocaties''. Tot slot bieden de monitoren voor het EU-kader, verricht in opdracht van de Rijksoverheid, onvoldoende inzicht in problemen met de bescherming van de culturele identiteit van woonwagenbewoners. 5.5 Aanbevelingen De overheid handelt onvoldoende betrouwbaar in het borgen van de culturele identiteit van woonwagenbewoners. Door het systeem dat zij hanteren voor toewijzing van standplaatsen, hebben gemeenten uit het onderzoek geen zicht op de werkelijke behoefte aan standplaatsen. Dit bevestigt het beeld dat ook andere gemeenten en de Rijksoverheid dit zicht niet hebben. Sommige vormen van toewijzing - door afschaffing van het afstammingsbeginsel, door onverkorte toepassing van criteria uit het beleid voor sociale huurwoningen - dragen bij aan een afname van standplaatsen voor woonwagenbewoners. Ook wanneer gemeenten niet de genoemde toewijzingsvormen hanteren, of werken aan uitbreiding van het aantal standplaatsen, blijft er reden tot zorg.

Een betrouwbare overheid beschermt de culturele identiteit van woonwagenbewoners niet alleen door een beleid van voldoende standplaatsen, maar ook door dit in te passen in het juiste mensenrechtelijke kader waardoor een standplaatsenbeleid niet geldt als voorkeursbehandeling, maar als uitvloeisel van een mensenrecht. Voor gemeenten is kennis en bewustwording van dit mensenrechtelijk kader belangrijk. Voor de Rijksoverheid is het belangrijk om een regierol te nemen in het verzamelen en verspreiden van kennis over woonwagenbewoners en de bescherming die hun culturele identiteit nodig heeft. Aanbevelingen aan de Rijksoverheid: Wijs een minister aan die namens de Rijksoverheid portefeuillehouder is voor woonwagenbewoners en hun mensenrechten. Ontwikkel samen met gemeenten een visie op het standplaatsenbeleid in overeenstemming met het mensenrechtenkader voor de culturele identiteit van woonwagenbewoners (onder meer de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en de oordelen van het College voor de Rechten van de Mens). Breng de handreiking Werken aan woonwagenlocaties (2006) hiermee in overeenstemming. Zorg voor kennis hierover in gemeenten die adequaat en op peil is. Monitor de impact van het overheidsbeleid op de bescherming van de culturele identiteit van woonwagenbewoners. 66 College, d.d. 1 mei 2017 (oordeelnummer: 2017-55), par. 6.

Het oordeel vermeldt dat '[n]aar aanleiding van de onderhavige procedure heeft verweerder de brochure van zijn website gehaald' (par. 5.4). Bij een bezoek op 11 mei 2017 aan de website van de Inspectie Leefomgeving en Transport was de handreiking nog toegankelijk.

45

Aanbevelingen aan gemeenten: Benoem in het college van burgemeester en wethouders een portefeuillehouder voor woonwagenbewoners en hun mensenrechten. Ga in gesprek met de gemeenteraad over het standplaatsenbeleid en eventuele voornemens om het standplaatsenbeleid aan te passen. Maak standplaatsenbeleid in overeenstemming met het mensenrechtenkader voor de culturele identiteit van woonwagenbewoners (onder meer de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en de oordelen van het College voor de Rechten van de Mens) en leg de standplaatsenbehoefte onder woonwagenbewoners in uw gemeente vast in de Woonvisie. Inventariseer daartoe de behoefte aan standplaatsen, toewijzingscriteria, constructies voor huur of koop en woonvorm onder woonwagenbewoners in uw gemeente.

46

LITERATUURLIJST

Hieronder is alleen de literatuur opgenomen waarnaar in de voetnoten verwezen wordt. BMC (2012). Woonwagenbewoners in Nederland 2011. Onderzoek uitgevoerd in opdracht van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Boog, Igor, ed. (2006). Monitor Rassendiscriminatie 2005. Cebeon (27 juni 1997). Monitor woonwagenbewoners. Economische en maatschappelijke positie. --------- (25 februari 2002). Monitor maatschappelijke en economische positie woonwagenbewoners; tweede meting. CERD (27 augustus 2015), Concluding observations on the Nineteenth to Twenty-First Periodic Report of the Netherlands, UN Doc CERD/C/NLD/CO/19-21. College voor de Rechten van de Mens (19 december 2014). Oordeelnummer 2014-165, 2014-166 en 2014-167. --------- (28 mei 2015). Oordeelnummer: 2015-61. --------- (22 oktober 2015). Oordeelnummer: 2015-119. --------- (8 maart 2016). Oordeelnummer: 2016-19. --------- (5 juli 2016). Oordeelnummer 2016-64, 2016-67 en 2016-68. --------- (7 juli 2016). Oordeelnummer 2016-71 en 2016-72. --------- (14 oktober 2016). Oordeelnummer 2016-109 en 2016-110. --------- (19 december 2016). Oordeelnummer 2016-139. --------- (1 mei 2017). Oordeelnummer 2017-55. Cottaar, Annemarie (1996). Kooplui, Kermisklanten en andere Woonwagenbewoners. Groepsvorming en Beleid 1870-1945. Het Spinhuis. Dijkstra, R.I. (2015). Uitsterfbeleid woonwagenkampen in Nederland legitiem? Public Litigation Project.

Donders, Y. (2016), Protecting the home and adequate housing: living in a caravan or trailer as a human right, International Human Rights Law Review 2016:5, 1-25. ECRI (12 februari 2008). Third report on the Netherlands, CRI(2008)3. --------- (20 juni 2013). Report on the Netherlands (Fourth Monitoring Cycle), CRI(2013)39. EHRM (6 april 2000). Appl.no. 34369/97 (Thlimmenos vs. Greece) --------- (18 januari 2001). Appl.no. 27238/95 (Chapman vs. VK). --------- ( 8 december 2009). Appl.no. 49151/07 (Munos Diaz vs. Spain). --------- ( 24 april 2012). Appl.no 25446/06 (Yordanova e.a. vs. Bulgarije). --------- ( 17 oktober 2013). Appl.no. 27013/07 (Winterstein vs. Frankrijk). Europese Commissie (2011). Een EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma tot 2020. COM(2011) 173 final. --------- (2012). Nationale strategieën voor integratie van de Roma: eerste stap van de uitvoering van het EU-kader. COM(2012). 226 final. Henrard, K. (2011) Boosting Positive Action: The Asymetrical Approach towards NonDiscrimination and Special Minority Rights Heidelberg Journal of International Law 71, 379-418. --------- (2012) Noot bij EHRM Yordanova e.a./Bulgarije, European Human Rights Cases afl. 8.

47

Huijbers, Leonie (2015). 'Het woonwagenbeleid vanuit mensenrechtelijk perspectief'. NTM/NJCM-Bulletin 2015:4, 387-417. Huurcommissie van Eindhoven (10 januari 2014). ZKN-2013-009056. Jorna, Peter, red. (2009). Education and training for Roma and Sinti in the Netherlands. Utrecht, Forum. Kromhout, Steven; Eline van Kessel; Geert van der Wilt en Sjoerd Zeelenberg (9 mei 2016). Wachten, zoeken en vinden. Hoe lang duurt het zoeken naar een sociale huurwoning? Onderzoek uitgevoerd door RIGO Research en Advies, in opdracht van het ministerie van BZK. Loven, C. (2017). Woonwagenbewoners in Nederland, een strijdbaar volk?, Een onderzoek naar de mensenrechten van woonwagenbewoners vanuit het perspectief van de woonwagenbewoner (ongepubliceerd manuscript). Lucassen, Leo (1990). En men noemde hen zigeuners… De geschiedenis van Kaldarasch, Ursari, Lowara en Sinti in Nederland (1750 - 1944). Stichting beheer I.I.S.G./SDU Uitgeverij. --------- (1991), The power of definition. Stigmatisation, minoritisation and ethnicity illustrated by the history of gypsies in the Netherlands, Netherlands' Journal of Social Sciences 27(2): 80-91. Minister van BZK (10 juli 2015). Kamerstuk, vergaderjaar 2014-2015, 33 826, Nr. 11. Bijlage: 'Overzicht van internationale aanbevelingen op het gebied van mensenrechten'. Minister van SZW (18 november 2013). Kamerstuk, vergaderjaar 2013-2014, 30 950, Nr. 62.

--------- (2 december 2013). Kamerstuk, vergaderjaar 2013-2014, 32 824, Nr. 46. --------- (18 december 2015). Kamerstruk, vergaderjaar 2015-2016, 32 824, Nr. 118. Ministers van SZW en BZK (28 oktober 2015a). Kamerstuk, vergaderjaar ***. --------- (28 oktober 2015b). Bijlage 1 bij (28 oktober 2015a): ‘Reactie op de aanbevelingen van het CERD’. Overbekking, J.; Hahn, A.; Driessen, P. (1991) Woonwagenjongeren: een generatie dichter bij de marge, Een onderzoek in opdracht van het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, Onderzoek- en Adviesbureau Geerts. Overbekking, Jos (1994). Woonwagenbeleid, 20 jaar later en halverwege. Een evaluatie van het sinds 1975 gevoerde beleid. Verslag van een onderzoek in opdracht van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Penninx, Rinus (1988). Minderheidsvorming en emancipatie. Balans van kennisverwerving ten aanzien van immigranten en woonwagenbewoners. Samsom. Raad Openbaar Bestuur (2006), Verschil moet er zijn, bestuur tussen discriminatie en differentiatie. Raad van Europa (1993). Gypsies in Europe, Recommendation 1203. Rodriguez, P. en Matelski, M. (2004), Monitor racism & the extreme right: Roma and Sinti, Anne Frank Stichting en Onderzoek en Documentatie Universiteit Leiden. Schriemer, Rita (maart 2009). The Netherlands RAXEN National Focal Point. Thematic Study.

Housing Conditions of Roma and Travellers.

48

Seidler, Y.; A.M. Weltevrede; M. Nieuwenhuys en J. de Boom; m.m.v. P. Jorna (2015). Monitor Sociale Inclusie: vervolgmeting 1. Eerste vervolgmeting naar de woonen leefomstandigheden Roma en Sinti in Nederland. Risbo BV/ Erasmus Universiteit Rotterdam. Sitalsing, Karin (2004). 'Weg van de rand: voor Sinti en Roma in Nederland is nu pas de eerste stap bereikt' in: Contrast, 16 juli 2004. Sluiter, Liesbeth (2011). Beukbergen. Een geschiedenis van woonwagenbewoners. Uitgeverij Stokerkade. Sobotka, Eva and Peter Vermeersch (2012). ‘Governing Human Rights and Roma Inclusion: Can the EU be a Catalyst for Local Social Change?’ Human Rights Quarterly, 34:3, pp. 800-822. Tweede Kamer, vergaderjaar 2008-2009, 31 700 XVIII, nr. 86. ---------, vergaderjaar 2009-2010, 32 123 XVIII, nr. 11. Van Baar, H. (2014). Participatie, veiligheid en beeldvorming van Romaminderheden. WODC, Ministerie van Veiligheid en Justitie (2014). Europa en zijn Roma. Uitgave in de serie Justitiële Verkenningen, jaargang 40:5, 86-98. Van Bochove, Marianne, en Jack Burgers (2009). 'De stille kracht van pragmatische preventie. Een analyse van verschuivingen in het woonwagenbeleid' in: Sociologie, 5 (1), 69-88. Van Ooijen, D.A.Th. (1993). 'Je moet weg, hier komen mensen wonen'. Woonwagenbeleid in Nederland 1890-1990. Sdu uitgeverij. Van Osch, M.F.J.N. (20 juni 1997).

'Twee (drog?)redenen om de woonwagenwet in te trekken' in NJB, afl. 25, 1127-28. Verduyn, Marijke (2010). Beelden van reizigers. Woonwagenbewoners in Nederland. 67 Uitgave van SEV. VROM-Inspectie (2006). Werken aan Woonwagenlocaties. Handreiking voor gemeenten: over beleid en handhaven. Nr. 6374. --------- (2009). Eigentijds omgaan met woonwagenbewoners. Opmaat naar Normalisatie. --------- (2009). Vrijplaatsen op woonwagenlocaties.

67 http://sev.platform31.nl: 'De SEV is medio 2012 gefuseerd met KEI, Nirov en Nicis Instituten tot Platform31'.

49

LIJST VAN GEBRUIKTE AFKORTINGEN AWBG BZ BZK CERD College ECRI EHRM Hof IVBPR IVESCR IVUR SZW VROM

Algemene wet gelijke behandeling Buitenlandse Zaken Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Committee on the Elimination of Racial Discrimination College voor de Rechten van de Mens European Commission against Racism and Intolerance Europese Hof voor de Rechten van de Mens Europese Hof voor de Rechten van de Mens Internationaal Verdrag inzake Burger en Politieke Rechten Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie Sociale Zaken en Werkgelegenheid Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

50

de Nationale ombudsman Postbus 93122 2509 AC Den Haag Telefoon (070) 356 35 63 www.nationaleombudsman.nl Uitgave van Bureau Nationale ombudsman, mei 2017

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=26c93e1a-d2e1-4cd8-9720-63191161bf50