CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Gemeentelijke rapport ‘Energie aan zet 2023, Energie en CO2 monitoring 1990-2023’

Besluitronde (raadsvergadering) 29 januari 2025, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Lokale Energie Strategie 2025-2050 (126/2024)16.525 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

CO2-effecten klimaatbeleid Nijmegen Achtergrondrapport

CO2-effecten klimaatbeleid Nijmegen Achtergrondrapport

Dit rapport is geschreven door: Suzanne Breman-Vrijmoed, Joost van den Assum en Sander Raphaël Delft, CE Delft, juli 2024 Publicatienummer: 24.230407.089b Opdrachtgever: Gemeente Nijmegen Alle openbare publicaties van CE Delft zijn verkrijgbaar via www.ce.nl Meer informatie over de studie is te verkrijgen bij de projectleider Suzanne Breman-Vrijmoed (CE Delft) © copyright, CE Delft, Delft

CE Delft Committed to the Environment CE Delft draagt met onafhankelijk onderzoek en advies bij aan een duurzame samenleving. Wij zijn toon– aangevend op het gebied van energie, transport en grondstoffen. Met onze kennis van techniek, beleid en economie helpen we overheden, NGO’s en bedrijven structurele veranderingen te realiseren. Al sinds 1978 werken betrokken en kundige medewerkers bij CE Delft om dit waar te maken.

1

230407 - CO2-effecten klimaatbeleid Nijmegen ––Juli Juli2024 2024

Inhoud 1

Inleiding

3

2

Methode 2.1 Het CEGEM-model 2.2 Huidige en 1990-emissies 2.3 Basispad 2.4 Maatregelen 2.5 Hernieuwbare opwek van energie

4 4 6 13 21 29

3

Ontwikkeling CO2-uitstoot 3.1 Gehele gemeente 3.2 Sector industrie 3.3 Sector diensten 3.4 Sector huishoudens 3.5 Sector mobiliteit 3.6 Sector landbouw

32 32 33 34 35 36 37

Literatuurlijst

38

A

Klimaat- en Energieverkenning (KEV) 2023

40

B

Achtergronddata 1990 emissies

43

2

230407 - CO2-effecten klimaatbeleid Nijmegen –Juli 2024

1 Inleiding Dit achtergrondrapport is een bijlage bij het rapport ‘Klimaatdoorrekening Nijmegen’ dat CE Delft voor de gemeente Nijmegen heeft opgesteld. Dat rapport presenteert de resultaten en aanbevelingen van ons onderzoek naar de CO2-effecten van het klimaatbeleid van de gemeente Nijmegen. In dit rapport geven we extra achtergrondinformatie: — Hoofdstuk 2 beschrijft de methode waarmee we tot de resultaten zijn gekomen. — In Hoofdstuk 3 presenteren we aanvullende grafieken en tabellen, zodat alle resultaten van de doorrekening beschikbaar zijn. Het hoofdrapport toont immers alleen de belangrijkste grafieken.

3

230407 - CO2-effecten klimaatbeleid Nijmegen –Juli 2024

2 Methode Dit hoofdstuk gaat in op de methode die we hebben gebruikt om tot de resultaten te komen. We gaan allereerst in op het CEGEM-model. Vervolgens bespreken we hoe we de huidige emissies hebben bepaald en hoe we de CO2-impact van het basispad en gemeentelijke maatregelen hebben berekend. Tot slot gaan we in op de methode omtrent de opwek van hernieuwbare energie.

2.1

Het CEGEM-model CE Delft heeft het Gemeentelijk Emissiereductie Model (CEGEM) ontwikkeld om gemeentelijk klimaatbeleid te monitoren. Met het model kunnen we het klimaatbeleid van gemeenten doorrekenen en een prognose maken van de broeikasgasemissies in de toekomst. Het CEGEM-model sluit aan bij de landelijke monitoring door het PBL in de Klimaat- en Energieverkenning (KEV).

Een onderzoek in drie stappen Het CEGEM-model is opgebouwd aan de hand van drie stappen, zie Figuur 1. De eerste stap is het in kaart brengen van de huidige emissies, zodat we weten wat het startpunt is. Ook bepalen we de emissies in 1990, omdat de doelstelling van 55% CO2-reductie in 2030 is geformuleerd ten opzichte van de emissies in het jaar 1990. Vervolgens bepalen we het basispad. Dit geeft inzicht in wat de emissies in 2030 en, in afwijking van het figuur, niet in 2050 ,maar in 2045 zullen zijn als de gemeente geen beleidsmaatregelen zou nemen. In de derde stap bekijken we wat het effect is van beleidsmaatregelen die de gemeente heeft genomen of van plan is om te nemen. Figuur 1 – Overzicht van de gemaakte stappen in de doorrekening

4

230407 - CO2-effecten klimaatbeleid Nijmegen –Juli 2024

Sectoren In dit onderzoek presenteren we de CO2-emissies voor verschillende sectoren. We sluiten aan ij de sectoren uit het Klimaatakkoord. De Regionale klimaatmonitor presenteert in opdracht van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat cijfers en trends in de energietransitie. Het gaat om de volgende vier sectoren: 1. Gebouwde omgeving (bestaande uit huishoudens en commerciële en publieke diensten). 2. Industrie. 3. Mobiliteit. 4. Landbouw. De KEV van het PBL presenteert naast deze vier sectoren ook emissies voor de sectoren elektriciteit en landgebruik. In tegenstelling tot de KEV (en het nationale Klimaatakkoord) presenteren wij elektriciteit niet als aparte sector, maar nemen we de emissies mee in de sectoren die deze elektriciteit verbruiken. De emissies van landgebruik waren voorheen geen onderdeel van het oorspronkelijke nationale streefdoel van 49% CO 2-reductie in 2030. Met de aanscherping in het Coalitieakkoord van het nationale streefdoel naar 55% reductie, zijn deze emissies wel een integraal onderdeel geworden van het nationale streefdoel (PBL, 2022b). CO2-emissies gerelateerd aan landgebruik zijn echter niet op gemeenteniveau beschikbaar. Daarom laten we deze emissies in dit onderzoek buiten beschouwing.

Broeikasgasemissies uit bunkerbrandstoffen voor de internationale lucht- en scheepvaart worden beleidsmatig niet aan Nederland toegerekend en tellen niet meer voor de Nederlandse emissiedoelen (PBL, 2022b). Deze emissies laten we in dit onderzoek (net zoals in de KEV) dan ook buiten beschouwing.

5

230407 - CO2-effecten klimaatbeleid Nijmegen –Juli 2024

2.2

Huidige en 1990-emissies In deze paragraaf beschrijven we hoe we de huidige emissies en de emissies in 1990 bepalen.

Keuze van het basisjaar De meest recent beschikbare emissiecijfers zijn die van 2021. De CO2-emissies in 2030, 2045 en 2050 zijn altijd berekend op basis van de emissiereductie ten opzichte van het basisjaar 2021. In 2021 waren er een aantal ontwikkelingen die van invloed zijn geweest op het energiegebruik en daarmee op de CO2-emissies: — er waren nog enkele coronamaatregelen van kracht; — sinds eind 2021 zijn de energieprijzen sterk toegenomen. Door deze ontwikkelingen werd minder energie gebruikt. We weten niet of deze energiebesparing ook op langere termijn stand houdt.

CO2-emissies: verbruiksbenadering Om de CO2-emissies van de gemeente te bepalen, hebben we de gegevens over het energiegebruik (gas, elektriciteit, warmte en voertuigbrandstoffen) van de verschillende sectoren gebruikt uit de Regionale klimaatmonitor. In lijn met de Regionale klimaatmonitor zijn wij voor het berekenen van CO 2-emissies uitgegaan van de verbruiksbenadering. De verbruiksbenadering, in tegenstelling tot de bronbenadering, wijst de emissies toe aan de locatie waar energie wordt gebruikt, in plaats van waar deze wordt geproduceerd. De verbruiksbenadering neemt dus de emissies van warmte en elektriciteit die in de gemeente verbruikt wordt mee en laat eventuele CO2emissies van elektriciteits- en warmteproductie op grondgebied van de gemeente (de zogenaamde puntbronemissies) buiten beschouwing (Rijksoverheid, lopend). Met behulp van CO2-emissiefactoren (verkregen uit de Regionale klimaatmonitor) hebben we het verbruik van gas, elektriciteit, warmte en voertuigbrandstoffen omgerekend naar CO2-emissies.

Emissies overige broeikasgassen: bronbenadering We hebben ook de overige broeikasgassen uit de Regionale klimaatmonitor gebruikt. De Regionale klimaatmonitor ontvangt deze gegevens via de Emissieregistratie. Emissieregistratie rapporteert enkel over de puntbronemissies (en dus niet over emissies gerelateerd aan bijvoorbeeld elektriciteitsverbruik). De puntbronemissies zijn emissies naar de lucht die plaatsvinden op het grondgebied van de gemeente. We hebben de emissies van overige broeikasgassen met de Global Warming Potentials uit het Fifth Assessment Report (AR5) van het IPCC (IPCC, 2014) omgerekend naar CO2equivalenten. Daarmee zijn deze emissies vergelijkbaar en optelbaar met de emissies van CO2.

6

230407 - CO2-effecten klimaatbeleid Nijmegen –Juli 2024

Emissies in 1990 In regionaal verband (RES) is afgesproken om voor 2030 de gemeentelijke CO 2-emissies met 55% te reduceren ten opzichte van 1990. Om te kunnen monitoren in hoeverre de gemeente aan de regionale en landelijke doelstellingen bijdraagt, moeten we weten wat de emissies van de gemeente waren in 1990. De Emissieregistratie geeft inzicht in gemeentelijke emissies van 1990 op een dataportaal (Rijksoverheid, 2021). Echter volgt de rapportagemethode van de Emissieregistratie de bronbenadering. Omdat we de verbruiksbenadering hanteren bij het bepalen van de gemeentelijke emissies, is een bewerkingstap nodig. Naast de elektriciteitsbewerking filteren we enkele categorieën zoals landgebruik, zeescheepvaart en luchtvaart uit de data van de Emissieregistratie. Omdat hiervoor op nationaal en internationaal niveau andere boekhoudings- en emissiereductieafspraken zijn gemaakt, rekenen we dit niet toe aan de gemeente zelf. Daarnaast ontbreken de overige broeikasgassen, met name methaan en lachgas, die uitgestoten worden door de veestapel in de 1990 cijfers van de Emissieregistratie. Die vullen we aan. In Figuur 2 geven we de methode voor deze correcties weer. Figuur 2 – Methode bepalen gemeentelijke emissies in 1990

Bronbenadering en emissies buiten scope Bijlage B toont per emissieoorzaak alle broeikasgasemissies die in de gemeente Nijmegen in 1990 werden uitgestoten en aan welke sectoren we deze BKG-emissies toekennen. Uit deze dataset van de Emissieregistratie (lopend) filteren we de HFK 23-emissies. HFK 23 is een sterk broeikasgas dat vrijkomt bij lekkages aan stationaire koelingen. In 1990 werden HFK’s echter nog niet toegepast als koudemiddelen en kan er dus nog geen sprake zijn van die emissie. HFK-23-emissie als gevolg van HCFK22-productie bij Chemours (toen nog Dupont) in Dordrecht vond al wel in 1990 plaats en deze emissies zijn in dat jaar onterecht verdeeld over de gemeenten, waaronder Nijmegen. De emissieregistratie geeft aan dat het voorlopig het beste is om te veronderstellen dat er geen emissies van HFK’s in 1990 hebben plaatsgevonden. Tabel 1 – IPCC AR5 Molecuul

Stof

CO2

Koolstofdioxide

kg CO2-eq. 1

CH4

Methaan

28

N2O

Distikstofoxide

PFK 116

PFK 116 (Perfluorethaan)

11.100

PFK 14

PFK 14 (Perfluormethaan)

6.630

265

Door middel van de Global Warming Potentials uit het Fifth Assessment Report (AR5) van het IPCC (IPCC, 2014) (zie Tabel 1) zijn deze broeikasgasemissies omgerekend worden naar kg CO2-equivalenten. Volgens de bronbenadering werd er in de gemeente Nijmegen in 1990 4.850 kton CO2-eq. uitgestoten.

7

230407 - CO2-effecten klimaatbeleid Nijmegen –Juli 2024

Een groot gedeelte van deze emissies valt echter buiten de scope van de verbruiksbenadering. Met name de Elektriciteitscentrale Gelderland die in Nijmegen gevestigd was, stootte veel broeikasgassen uit voor de productie van elektriciteit die elders verbruikt werd. In de tabel in Bijlage B staat aangegeven welke emissiecategorieën we niet meenemen. Gezamenlijk waren deze emissiecategorieën verantwoordelijk voor 4.143 kton aan emissies. Deze emissies vallen hoog uit vanwege de kolencentrale die tot 2015 in Nijmegen actief was. 4.118 kton van de emissies die we niet mee te nemen zijn dan ook toe te schrijven aan de energieopwekkingssector. De emissiecategorieën die we wel meenemen komen samen uit op 707 kton CO2 kg-eq. Deze emissies bestaan voor 675 kton aan CO2-emissies en voor 32 kton CO2-eq. aan overige broeikasgasemissies.

Elektriciteitscorrectie Een correctie is met name nodig voor de emissies van elektriciteitsproductie. Volgens de gebruiksbenadering moeten we de emissies meenemen die het gevolg zijn van elektriciteitsgebruik in de gemeente Nijmegen. Het elektriciteitsgebruik per gemeente is echter niet bekend. Wel zijn de emissies uit elektriciteitsproductie voor heel Nederland bekend. We beschikken ook over de Scope 1-emissies per (sub)sector van Nijmegen en van Nederland als geheel. We verdelen de emissies uit elektriciteitsproductie in heel Nederland over de gemeenten. Dit doen we door per subsector te bepalen hoeveel procent van de Nederlandse emissies er in 1990 in de gemeente werd uitgestoten (dit is dus exclusief emissies gerelateerd aan de productie van elektriciteit). Tabel 2 toont dit percentage uitstoot per subsector. Tabel 2 – Scope 1-emissies in Nijmegen en Nederland per (sub)sector Sector

Subsector

Industrie

Afvalverwijdering

Uitstoot Nijmegen

Uitstoot Nederland

%-Nijmegen

37.341

19.429.434.773

0,00%

Bouw

5.621.182

493.795.229

1,14%

Chemische industrie

14.415.287

30.977.642.654

0,05%

0

70.588.433

0,00%

164.871.435

20.692.504.381

0,80%

322.511

10.573.269.973

0,00%

1.409.246

1.608.275.530

0,09%

Drinkwatervoorziening Overige industrie Raffinaderijen Riolering en waterzuiveringsinstallaties Gebouwde omgeving

Diensten

112.568.902

8.356.161.571

1,35%

Huishoudens

218.445.306

23.172.985.656

0,94%

Mobiliteit

Verkeer en vervoer

182.951.048

29.663.288.248

0,62%

Landbouw

Landbouw, bosbouw en visserij

Totaal

-

6.522.315

7.960.735.127

0,08%

707.164.572

152.998.681.575

0,46%

Vervolgens bepalen we de elektriciteitsemissies per (sub)sector bepalen voor Nederland als geheel. De totale Nederlandse emissies voor elektriciteitsverbruik in 1990 waren 39.600 kton (PBL, 2021b). Op basis van de energiebalans van het CBS (2024) we het elektriciteitsverbruik per (sub)sector in 1990 bepaald. Vervolgens bepalen we in Tabel 3 het percentage elektriciteitsverbruik per (sub)sector en berekenen we de elektriciteitsemissies per (sub)sector.

8

230407 - CO2-effecten klimaatbeleid Nijmegen –Juli 2024

Tabel 3 – Elektriciteitsverbruik en -emissies per (sub)sector in 1990 Absoluut elektriciteitsverbruik Industrie

PJ

Percentage

Uitstoot

134,1

50,5%

20.001.355.932

Afvalverwijdering

2,0

0,7%

292.423.013

Bouw

3,7

1,4%

551.864.407

Chemische industrie

39,0

14,7%

5.816.949.153

Drinkwatervoorziening

1,8

0,7%

268.054.428

Overige industrie

78,9

29,7%

11.770.866.555

Raffinaderijen

6,6

2,5%

984.406.780

Riolering en waterzuiveringsinstallaties

2,1

0,8%

316.791.597

117,4

44,2%

17.510.508.475

Diensten

61

23,0%

9.098.305.085

Woningen

56,4

21,2%

8.412.203.390

Verkeer & Vervoer

4,6

1,7%

686.101.695

Landbouw

9,4

3,5%

1.402.033.898

265,5

100%

39.600.000.000

Gebouwde omgeving

Totaal

De cijfers uit de vorige twee tabellen gebruiken we om de Scope 2-emissies en de totale emissies van Nijmegen te bepalen. Om de Scope 2-emissies van Nijmegen in 1990 te bepalen (kolom III) in Tabel 4, vermenigvuldigen we het percentage Scope 1-emissies in Nijmegen ten opzichte van Nederland (kolom II) met de elektriciteitsemissies van Nederland (kolom III). Deze Scope 2-emissies tellen we bij de Scope 1-emissies van Nijmegen op (kolom I) om tot de totale emissies in Nijmegen exclusief de veestapelemissies te komen (1.017 kton). Tabel 4 – Scope 1-, Scope-2 en totaal aantal emissies in Nijmegen in 1990 Sector

9

(I) %Scope 1 Nijmegen

(II) Scope 2 Nederland

(III) Scope 2 Nijmegen

(IV) Totaal emissies Nijmegen

Industrie, energie, afval en water

0,22%

20.001.355.932

-

289.760.887

Afvalverwijdering

0,00%

292.423.013

562

37.903

Bouw

1,14%

551.864.407

6.282.220

11.903.402

Chemische industrie

0,05%

5.816.949.153

2.706.887

17.122.175

Drinkwatervoorziening

0,00%

268.054.428

0

0

Overige industrie

0,80%

11.770.866.555

93.786.601

258.658.036

Raffinaderijen

0,00%

984.406.780

30.027

352.537

Riolering en waterzuiveringsinstallaties

0,09%

316.791.597

277.588

1.686.834

Gebouwde omgeving

1,05%

17.510.508.475

-

532.880.302

Diensten

1,35%

9.098.305.085

122.566.588

235.135.489

Huishoudens

0,94%

8.412.203.390

79.299.507

297.744.813

Verkeer en vervoer

0,62%

686.101.695

4.231.595

187.182.643

Landbouw, bosbouw en visserij

0,08%

1.402.033.898

1.148.701

7.671.016

Totaal IND, GO, MOB, LB

0,46%

39.600.000.000

310.330.276

1.017.494.848

230407 - CO2-effecten klimaatbeleid Nijmegen –Juli 2024

Tekstkader 1 - Onzekerheden omtrent de elektriciteitscorrectie in de subsector overige industrie Onzekerheid rond Scope 2-emissies overige industrie De onzekerheid omtrent de inschatting van de Scope-2 emissies is bij de subsector ‘overige industrie’ groter dan bij andere (sub-)sectoren. Deze onzekerheid wordt veroorzaakt doordat de subsector is onderverdeeld in 11deelsectoren met verschillende gebruiksprofielen van energie. Deze deelsectoren zijn: (1) basismetaal, (2) bouwmaterialenindustrie, (3) grafische industrie, (4) houtbewerkende industrie, (5) industrie overig (tabak, meubels, etc.), (6) lederindustrie, (7) metaalelektro, (8) papier(waren), (9) rubber- en kunststofverwerkende industrie, (10) textiel- en tapijtindustrie en (11) voedings- en genotsmiddelenindustrie. Deelsectoren als de papiersector, basismetaal en de bouwmaterialenindustrie zijn aardgasintensief en verbruiken relatief weinig elektriciteit. Andere deelsectoren als de metaalelektro-industrie, waar de elektrotechnische industrie onder valt, gebruiken juist relatief veel elektriciteit en minder aardgas. Omdat de elektriciteitsverbruikdata uit 1990 (zie Tabel 3) geaggregeerd op subsectorniveau wordt gepubliceerd, is het niet mogelijk de elektriciteitscorrectie toe te passen op dit gedetailleerdere deelsectorniveau.

In Nijmegen in 1990 behoorden de twee industriële bedrijven met het grootste energieverbruik (PSN (nu NXP) en Sappi) tot de overige industrie. De verbruiksprofielen van energie van de bedrijven verschillen echter sterk van elkaar. Chipmaker PSN verbruikte relatief veel elektriciteit, terwijl de papierfabriek van Sappi relatief veel aardgas verbruikte. Deze verschillende verbruiksprofielen zorgen er naar verwachting voor dat onze methode het elektriciteitsverbruik in Nijmegen niet sterk over- of onderschat. Echter blijft de onzekerheid van onze inschatting van de Scope 2-emissies van ook voor Nijmegen hoger dan die rond andere berekeningen.

Landbouwemissies in 1990 De Emissieregistratie beschikt voor het jaartal 1990 op gemeentelijk niveau enkel over data van de CO2-uitstoot van de landbouw. Gegevens over andere belangrijke broeikasgassen afkomstig van de landbouw (met name methaan, CH4, en lachgas, N2O afkomstig van de veestapel) zijn voor het jaar 1990 echter niet op gemeenteniveau beschikbaar. Daarom hebben we de emissies van de sector landbouw in 1990 bijgeschat. Zonder deze correctie zouden de emissies namelijk lager uitvallen dan in werkelijkheid het geval was. Hieronder beschrijven wij onze methode voor het bijschatten van de emissies van overige broeikasgassen van de veestapel in 1990. Emissies van methaan en lachgas door de veestapel zijn voor het jaar 1990 wel op nationaal schaalniveau (voor heel Nederland) beschikbaar. De Emissieregistratie presenteert deze emissies voor elf categorieën dieren: 1. Runderen. 2. Varkens. 3. Schapen 4. Paarden & pony’s. 5. Muilezels. 6. Geiten. 7. Kippen. 8. Eenden. 9. Kalkoenen. 10. Konijnen. 11. Pelsdieren. Deze gegevens combineren we met cijfers over het totaal aantal gehouden dieren in Nederland in 1990 (CBS, 2009) om een gemiddelde uitstoot per diersoort te bepalen. We gebruiken gegevens van het CBS over het aantal dieren in de gemeente Nijmegen - per

10

230407 - CO2-effecten klimaatbeleid Nijmegen –Juli 2024

diersoort. Deze vermenigvuldigen we met de gemiddelde uitstoot per diersoort in Nederland. Deze emissies (1,02 kton CO2-eq.) tellen we op bij de landbouwuitstoot van de gemeente. Door deze emissies bij de uitkomst van de vorige stap op te tellen (zie kolom IV in Tabel 4) komen we uit op een totale emissies van 1.019 kton).

Emissies veroorzaakt door drinkwatervoorziening Uit Tabel 4 blijkt dat er volgens de Emissieregistratie in 1990 geen emissies werden veroorzaakt door de industriële subsector drinkwatervoorziening. De gemeente Nijmegen beschikt echter over data over drie waterwinlocaties die actief waren in 1990. Deze discrepantie wordt veroorzaakt door de methode die het RIVM hanteert bij het opstellen van de emissieregistratie. Deze methode gaat uit van het aantal arbeidsplaatsen per winningslocatie of locatie van aan waterwinning gerelateerde bedrijven. De waterwinlocaties in Nijmegen bestaan echter alleen uit pompstations, zonder vaste werkplekken. Deze waterwinlocaties verbruiken echter wel elektriciteit en aardgas. Daarom passen we ook een correctie toe voor de emissies veroorzaakt door de drinkwatervoorziening. In Nijmegen waren er in 1990 binnen de huidige grenzen van de gemeente Nijmegen drie waterwinlocaties actief bij Heumensoord, op de Nieuwe Markt en in Lent. De data weergegeven in Tabel 5 over het jaarlijkse onttrekkingsgebied en het energiegebruik van de waterwinlocaties is onttrokken uit een studie van de Kuster (2007) en vergunningen uit de archieven van de gemeente Nijmegen. De emissiefactor van elektriciteit was 0,55 kg CO2/kWh in 1990 (CLO, 2022; PBL, 2021b). In datzelfde jaar bedroeg de emissiefactor van aardgas 1,80 kg CO2/m3 (RVO, 2019).

Tabel 5 – Onttrekkingsdebiet, energiegebruik en CO2-emissies van de drie Nijmeegse waterwinlocaties in 1990 Waterwingebied

Onttrekking (m3/jaar)

Elektriciteitsgebruik (kWh)

Gasverbruik (m3)

CO2-emissies elektriciteit (kg)

CO2-emissies aardgas (kg)

CO2-emissies totaal (kg)

Heumensoord

12.200.000

5.612.000,00

81.325

3.091.237

146.385

3.237.622

Nieuwe Markt 8

2.000.000

920.000,00

13.332

506.760

23.998

530.758

Lent

1.400.000

644.000,00

9.332

354.732

16.798

371.530

Totaal

15.600.000

7.176.000

103.990

3.952.729

187.181

4.139.910

De totale emissies veroorzaakt door de drie Nijmeegse waterwinlocaties bedroegen 4,14 kton. Door deze emissies bij de uitkomst van de vorige stap op te tellen komen we uit op een totale emissies van 1.023 kton in Nijmegen in 1990.

Emissies industrie De energieverbruiks- en emissiegegevens van de sector industrie op gemeenteniveau zijn een inschatting en kunnen onvolledig zijn. Ze zijn vooral bedoeld als indicatie. De gegevens kunnen niet een-op-een worden overgenomen in gemeentelijke doelstellingen. CBS publiceert de aardgas- en elektriciteitslevering per bedrijfstak (SBI). In sommige gevallen mag CBS de aardgas- of elektriciteitslevering aan een bedrijfstak in een gemeente niet publiceren, omdat dit herleidbaar kan zijn naar individuele afnemers. Dit is bijvoorbeeld het geval als het aantal bedrijven in een bedrijfstak zeer laag is (kleiner dan tien) of als één dominante afnemer (verantwoordelijk voor meer dan 80% van het verbruik) in die bedrijfstak aanwezig is. Zowel op provinciaal als op gemeentelijk niveau komt dit

11

230407 - CO2-effecten klimaatbeleid Nijmegen –Juli 2024

regelmatig voor. Voor meer informatie hierover, zie Bijlage B3 in de toelichting op de regionale klimaatmonitor.

Databronnen Tabel 4 geeft de uitgangspunten en de informatiebronnen per sector weer. In het geval bepaalde data niet bekend waren, hebben we geïnterpoleerd op basis van de jaren waarover de data wel beschikbaar waren. Tabel 4 – Uitgangspunten en informatiebronnen per sector voor het bepalen van de huidige emissies Sector

CO2

Gebouwde omgeving

Mobiliteit

Overige broeikasgassen

Categorie uit de Regionale klimaatmonitor

Opmerkingen/correcties

Categorie uit Emissieregistratie

—

Woningen.

Gecorrigeerd met CO2-emissies van elektrisch vervoer1: — personenauto’s; — tweewielers en brommobielen.

Consumenten.

—

Commerciële dienstverlening: • handel (SBI G); • vervoer en opslag (SBI H); • horeca (SBI I); • informatie en communicatie (J); • financiële dienstverlening (K); • verhuur en handel van onroerend goed (SBI L); • specialistische zakelijke diensten (SBI M); • verhuur en overige zakelijke diensten (SBI N).

Gecorrigeerd met CO2-emissies van elektrisch vervoer: — autobussen; — bestelauto’s; — zware bedrijfsvoertuigen excl. bestelbussen; — binnenvaart; — recreatievaart; — spoorvervoer; — mobiele werktuigen.

Handel, diensten en overheid.

—

Publieke dienstverlening: • openbaar bestuur en overheidsdiensten (SBI O); • onderwijs (SBI P); • gezondheids- en welzijnszorg (SBI Q); • cultuur, sport en recreatie (SBI R); • overige dienstverlening (SBI S); • extraterritoriale organisaties (SBI U).

—

Wegverkeer; • personenauto’s; • bestelauto’s; • zware bedrijfsvoertuigen excl. autobussen; • autobussen;

Aangevuld met CO2-emissies van elektrisch vervoer (berekend op basis van Klimaat- en Energieverkenning 2021).

Verkeer en vervoer.

________________________________ 1

12

Deze correctie hebben we gedaan om dubbeltelling met de sector mobiliteit te voorkomen.

230407 - CO2-effecten klimaatbeleid Nijmegen –Juli 2024

Sector

CO2 Categorie uit de Regionale klimaatmonitor •

tweewielers en brommobielen. Mobiele werktuigen; (Nationale) Binnenvaart; Recreatievaart; Railverkeer.

De internationale binnenvaart wordt volgens IPCC definities niet toegerekend aan de nationale (en daarmee gemeentelijke) uitstoot.

—

Delfstoffenwinning (SBI B); Industrie (SBI C); Waterbedrijven en afvalbeheer (SBI E); Bouwnijverheid (SBI F).

Vanwege ons bronbenadering worden de emissies veroorzaakt door de categorie Energievoorziening (SBI D) niet meegenomen als industrieemissies.

—

Landbouw (SBI A).

— — — — Industrie

— — —

Landbouw

2.3

Overige broeikasgassen

Opmerkingen/correcties

Categorie uit Emissieregistratie

Afvalverwijdering, bouw, chemische industrie, drinkwatervoorziening, overige industrie, raffinaderijen, en riolering en waterzuiveringsinstallaties. Landbouw, natuur.

Basispad Ook zonder gemeentelijk beleid blijven de emissies in Nijmegen niet constant. Nationaal beleid en autonome ontwikkelingen zorgen voor een afname van de jaarlijkse emissies, terwijl groei van het aantal inwoners en gebouwen zorgt voor een toename. In deze paragraaf laten we zien hoe de emissies in Nijmegen richting 2030 en 2045 ontwikkelen zonder gemeentelijke inspanningen. Dit noemen we het basispad. De gemeente heeft geen of zeer beperkt invloed op het basispad. In het basispad onderscheiden we drie typen oorzaken: nationaal beleid, autonome ontwikkelingen en bevolkingsontwikkeling van de gemeente. Een overzicht van de ontwikkelingen in het basispad staat in Tabel 5. Tabel 5 – Overzicht van ontwikkelingen die worden meegenomen in het basispad Sector

Nationaal beleid

Alle sectoren

—

Daling emissiefactor elektriciteit.

Gebouwde omgeving

—

Energiebesparingsplicht bedrijven en instellingen; Label C-verplichting kantoren.

— Industrie

—

— Mobiliteit

13

Autonome ontwikkelingen

Bevolkingsontwikkeling

—

Afname aantal graaddagen; Elektriciteitsverbruik huishoudens.

—

Nieuwbouw woningen en dienstensector.

Autonome ontwikkelingen conform de aannames van de KEV maken onderdeel van het basispad. Dit houdt bijvoorbeeld in: — Veranderende verkeersvolumes

—

Bevolkingsontwikkeling.

—

KEV-trend ontwikkeling elektriciteits- en gasverbruik; KEV-trend ontwikkeling overige broeikasgassen.

Al het nationale en Europese mobiliteitsbeleid dat in de KEV als ‘vastgesteld’ of ‘voorgenomen’ was bestempeld nemen wij mee. Bijvoorbeeld:

230407 - CO2-effecten klimaatbeleid Nijmegen –Juli 2024

Sector

Nationaal beleid — — —

Landbouw

—

Subsidies elektrisch rijden; Europese voertuignormeringen; ZE-zones stadslogistiek.

Autonome ontwikkelingen

—

Bevolkingsontwikkeling

door demografische en sociaaleconomische ontwikkelingen; Verjonging wagenpark.

KEV-trend ontwikkeling elektriciteits- en gasverbruik en nietenergiegerelateerde emissies.

Tekstkader 2 - Nationaal beleid gebaseerd op Klimaat- en Energieverkenning (KEV) 2022 Om de CO2-effecten van nationaal beleid en autonome ontwikkelingen op de toekomstige emissies in Nijmegen in te schatten, baseren we ons primair op de Klimaat- en Energieverkenning 2022 (PBL, 2022b). De KEV geeft inzicht in de ontwikkelingen van de broeikasgasemissies in Nederland en de bijdrage van het nationale klimaaten energiebeleid hieraan. De KEV 2022 is in november 2022 gepubliceerd. Hierin is het vastgestelde en voorgenomen beleid meegenomen dat op 1 mei 2022 beschikbaar was, officieel was medegedeeld en concreet genoeg uitgewerkt. Dit zijn bijvoorbeeld de BENG-bouweisen, de SDE++-subsidieregeling, de uitfasering van alle E-, F- en G-labels van sociale huurwoningen en CO2-minimumprijzen in de industrie en elektriciteitssector. KEV 2023 Eind oktober 2023 heeft het PBL de KEV 2023 (PBL, 2023) gepubliceerd. Echter door beperkte uitvoerende capaciteit bij het PBL en meewerkende organisaties is de versie van 2023 beperkt ten opzichte de KEV 2022: de KEV 2023 maakt gebruik van de KEV 2022, met daarbovenop enkele recente beleidswijzigingen (peildatum 1 mei 2023).

Twee belangrijke beperkingen van de KEV 2023 ten opzichte van de versie uit 2022 zijn: (1) de KEV 2023 presenteert ramingen van broeikasgasemissies enkel op hoofdlijnen en bevat daarom resultaten voor individuele maatregelen of gedetailleerde getallenbijlagen, en (2) de KEV 2023 maakt geen onderscheid in ‘vastgesteld’, ‘voorgenomen’ en ‘geagendeerd’ beleid. Dit betekent dat ook beleid waarvan de uitvoering nog (zeer) onzeker is, door PBL is meegenomen in de prognose. Vanwege deze beperkingen baseren we ons in deze studie op de KEV 2022. Bijlage A gaat uitgebreider in op de belangrijkste verschillen tussen de KEV 2022 en 2023. Rond november 2024 geeft het PBL de KEV weer een uitgebreide update. KEV geeft inzicht in ontwikkeling emissies tot 2030 De KEV geeft inzicht in de verwachte ontwikkeling van broeikasgasemissies in Nederland tot 2030, dus niet tot 2045. Voor enkele ontwikkelingen geeft de KEV ook een prognose tot of kentallen voor 2045. Zo niet, dan hanteren we voor 2045 dezelfde gegevens als voor 2030 of doen we een (onderbouwde) aanname over de ontwikkeling richting 2045. In alle gevallen nemen we in dit rapport op welke keuze we hebben gemaakt en op welke informatiebronnen deze keuze is gebaseerd. De prognose tot 2045 heeft daarom een grotere onzekerheid dan de prognose tot 2030.

In de volgende paragrafen beschrijven we per sector welke ontwikkelingen meegenomen worden in het basispad.

14

230407 - CO2-effecten klimaatbeleid Nijmegen –Juli 2024

2.3.1 Alle sectoren Een ontwikkeling die voor alle sectoren van belang is, is de daling van de emissiefactor van elektriciteit. Dat lichten we hieronder toe.

Daling emissiefactor elektriciteit De nationale CO2-emissiefactor van elektriciteit is aan het dalen door onder meer de afspraken in het Klimaatakkoord. In de KEV heeft het PBL berekend wat de emissiefactor zal zijn in 2030 en 2040, namelijk 0,07 kg CO2/kWh (zie Tabel 6). Na 2040 nemen we aan dat deze richting 2050 lineair daalt naar nul. Tabel 6 – Emissiefactor elektriciteit (kg/kWh) Jaar

Emissiefactor (kg CO2/kWh)

2021

0,290

Bron (CBS, 2023)

2030

0,070

(PBL, 2022b)

2040

0,070

(PBL, 2022b)

2045

0,035

Aanname CE Delft (geïnterpoleerd tussen verwachte emissiefactoren van 2040 en 2050)

2050

0

Landelijke doelstelling CO2-neutrale energievoorziening in 2050

We vermenigvuldigen deze emissiefactor met de prognose van de elektriciteitsvraag in 2030, 2045 en 2050, waarbij we rekening hebben gehouden met autonome besparing. In 2030 leiden de ontwikkelingen op de elektriciteitsvraag en de daling van de emissiefactor van elektriciteit tot een CO2-besparing van 160 kton ten opzichte van 2021. Dit komt overeen met een reductie van 70% van de totale elektriciteitsemissies van de gemeente Nijmegen. Het terugdringen van de emissiefactor van het elektriciteitsnet is een nationale ontwikkeling, waar de gemeente Nijmegen ook een verantwoordelijkheid in heeft. Met gemeentelijke of regionale inspanningen (bijvoorbeeld de Regionale Energiestrategie) draagt Nijmegen bij aan het CO2-neutraal maken van elektriciteit. Paragraaf 2.5 gaat in op de inspanningen van de gemeente Nijmegen op het gebied van de opwek van hernieuwbare elektriciteit.

2.3.2 Gebouwde omgeving In deze paragraaf beschrijven we welke ontwikkelingen we meenemen in het basispad in de sector gebouwde omgeving.

Energiebesparingsplicht bedrijven en instellingen Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) verplicht bedrijven en instellingen om alle energiebesparende maatregelen te nemen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder: de energiebesparingsplicht. De energiebesparingsplicht geldt voor locaties van bedrijven en instellingen met een jaarlijks verbruik vanaf 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgas (of een equivalent daarvan) (RVO, 2023). (TNO, 2021) heeft de verwachte effecten van de energiebesparingsplicht in beeld gebracht. Uit deze studie blijkt dat 89% van de dienstensector behoort tot de doelgroep van de energiebesparingsplicht. Het gemiddelde besparingspotentieel voor gas bedraagt 14% en het

15

230407 - CO2-effecten klimaatbeleid Nijmegen –Juli 2024

gemiddelde besparingspotentieel voor elektriciteit bedraagt 6% in 2030 ten opzichte van 2020. Sinds 1 juli 2023 is de energiebesparingsplicht uitgebreid en valt een bredere groep bedrijven hieronder. De verplichting heet nu ‘Verduurzaming van het energiegebruik’ en geldt nu ook voor vergunningsplichtige inrichtingen, bedrijven die meedoen met CO2emissiehandel (EU ETS) en glastuinbouwinrichtingen (deze waren voorheen uitgezonderd van verplichtingen).2 Er zijn echter nog geen studies gedaan naar het effect hiervan op het energiegebruik of de CO2-emissies.

Label C-verplichting kantoren In het Bouwbesluit 2012 staat dat kantoorgebouwen per 1 januari 2023 minimaal energielabel C (oftewel een primair energiegebruik van maximaal 225 kWh/m 2/per jaar) moeten hebben. Als een gebouw dan niet aan de eisen voldoet, mag het niet meer als kantoor worden gebruikt (RVO, lopend). In de gemeente Nijmegen zijn 477 kantoren, waarvan 323 labelplichtig zijn. Van deze labelplichtige kantoren hebben 162 nog geen label of een energielabel lager dan C, zie Tabel 7. Tabel 7 – Labelverdeling van de labelplichtige kantoren in Nijmegen Energielabel

Aantal kantoren in Nijmegen

Label A

95

Label B

18

Label C

48

Label D

9

Label E

3

Label F

3

Label G

18

Nog geen label/label onbekend

129

Totaal

323

Bron: RVO.

Bij de 129 kantoren zonder label doen we de aanname dat de verdeling van energielabels gelijk is aan de kantoren waarvan het energielabel wel bekend is. Het gemiddelde oppervlakte van de 323 labelplichtige kantoren in Nijmegen is 1.048 m2. We berekenen de energiebesparing op basis van dit oppervlakte en energieverbruikskengetallen van kantoren per schillabel van het PBL (PBL, 2021a). Daarbij gaan we er van uit dat het niveau na renovatie Label C is. Dit is een onderschatting, aangezien de renovatie ook tot Label B of A kan gaan.

Afname aantal graaddagen Het wordt steeds warmer in Nederland. Gemiddeld zijn de winters in de periode 1906-2020 1,8˚C warmer geworden. Deze temperatuurstijging heeft een effect op de warmtebehoefte. ________________________________ 2

16

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2023-111.html

230407 - CO2-effecten klimaatbeleid Nijmegen –Juli 2024

De warmtebehoefte kan beschreven worden aan de hand van het aantal graaddagen3. Het gemiddeld aantal graaddagen daalde in de periode 2000-2020 met 6% en deze trend zal zich voortzetten. Alleen al hierdoor is in Nederland het energiegebruik voor ruimteverwarming in 2030 9% lager dan in 2000, oplopend naar 15% in (PBL, 2022a). Een afname in het aantal graaddagen zorgt voor een afname van de warmtebehoefte voor ruimteverwarming, niet voor een afname van de warmtebehoefte voor warm tapwater. Gemiddeld wordt 79% van de warmtevraag van woningen gebruikt voor ruimteverwarming, de overige 21% gaat naar warm tapwater. We doen de aanname dat deze verhouding in de dienstensector gelijk is. We hebben berekend dat de warmtevraag van gebouwen ten behoeve van ruimteverwarming in 2030 afneemt met 3,5% en in 2045 met 8% ten opzichte van 2020 (PBL, 2022a).

Elektriciteitsverbruik huishoudens Door Europese Ecodesign-wetgeving worden elektrische apparaten steeds zuiniger. We verwachten daarom dat door natuurlijke vervanging van apparaten de elektriciteitsvraag van huishoudens jaar-op-jaar daalt. Aan de andere kant zien we dat door het stijgen van de welvaart huishoudens gemiddeld meer apparaten hebben, en dus meer verbruiken. De besparing in de periode 2016-2020 is 1,5% per jaar. Daarna is de besparing 0%. De toename in elektriciteitsvraag door elektrische auto’s nemen we hier niet mee. Deze toename berekenen we bij de mobiliteitsontwikkelingen. De Ecodesign-wetgeving zorgt niet alleen voor energiebesparing bij huishoudens, maar ook bij diensten. Echter doordat deze besparing overlapt met de besparing door de energiebesparingsplicht, laten we diensten hier buiten beschouwing. Voor de gemeente Nijmegen hebben we aangenomen dat de in het Coalitieakkoord opgenomen ambitie om 10.000 woningen aardgasvrij te maken gerealiseerd wordt door dit aantal woningen aan te sluiten op het warmtenet. Paragraaf 2.4 beschrijft de effecten van deze maatregel.

Nieuwbouw woningen en dienstensector In 2021 bedroeg het aantal inwoners van Nijmegen 177.359 (CBS, lopend-b). Het inwoneraantal zal in 2030 naar verwachting zijn toegenomen tot 191.030 en in 2045 tot 196.250 (ABF Research, lopend). Als gevolg van de bevolkingsgroei komen er de komende jaren in de gemeente nieuwbouwwoningen bij. Bevolkingsgroei en uitbreiding van de woningvoorraad zorgen voor een stijging van het energiegebruik, en daarmee van de emissies in de gemeente. Deze uitstoot is beperkt, vanwege nationale energieprestatie-eisen (de BENG-norm). Tabel 8 geeft de verwachte ontwikkeling van de bevolking, woningvoorraad en dienstensector in Nijmegen weer. ________________________________ 3

Het aantal graaddagen is een maat voor uren dat gestookt moet worden. Het aantal graaddagen is de som per jaar van de daggemiddelde buitentemperatuur beneden de stookgrens van 18 graden. Een daggemiddelde temperatuur van 10 graden levert dus 18-10 = 8 graaddagen op voor die ene dag PBL. (2022a). Herziening weerscorrectie voor ruimteverwarming (Nieuwe methodiek om energieverbruik voor ruimteverwarming te corrigeren voor weer en klimaat in de Klimaat- en Energieverkenning, Issue. https://www.pbl.nl/sites/default/files/downloads/pbl-2022-herziening-weerscorrectie-voorruimteverwarming_4902.pdf.

17

230407 - CO2-effecten klimaatbeleid Nijmegen –Juli 2024

Tabel 8 – Aantal inwoners, woningvoorraad en oppervlakte dienstensector in Nijmegen in 2021, 2030 en 2045 Jaar

Aantal inwoners

Woningvoorraad

Dienstensector

2021

177.359

82.317

3.594.662 m2

2030

191.030

94.870

3.960.676 m2

2045

196.250

106.490

4.299.486 m2

2050

197.130

107.110

4.317.563 m2

Bron: Aantal inwoners in 2021: (CBS, lopend-b). Bron: Woningvoorraad in 2021: Regionale klimaatmonitor. Bron: Aantal inwoners en woningvoorraad in 2030 en 2045: (ABF Research, lopend). Bron: Oppervlakte dienstensector: Aangeleverde data Nijmegen.

Om het oppervlakte van de dienstensector voor 2030 te berekenen, gebruiken we de informatie die de gemeente heeft aangeleverd over de bedrijfsterreinen De Grift (Noord, Zuid en XXL Logistiek) en Winkelsteeg. Ten opzichte van de woningvoorraadgroei, stijgt het totale oppervlakte in de dienstensector 33,2% minder snel. We nemen aan dat deze groeiverhouding tot 2045 gelijk blijft. De nieuwe gebouwen zorgen voor groei in de energievraag en veroorzaken daarmee CO2uitstoot. Sinds 2018 wordt nieuwbouw aardgasvrij gebouwd. In onze berekening doen we de aanname dat de nieuw te bouwen gebouwen aangesloten worden op het Nijmeegse warmtenet. We gebruiken nationale bouwnormen om de elektriciteits- en warmtevraag te bepalen, zie Tabel 9. Tabel 9 – Kentallen voor het berekenen van de elektriciteits- en warmtevraag van nieuwbouw Gebruikte gegevens

Bron

Woningen Thermische energievraagnieuwbouwwoning

25

kWh/m2/jaar

(Ministerie van BZK, 2022)

Gemiddeld oppervlakte van woningen in Nijmegen in 2021, bouwjaarklasse vanaf 2015

111

m2

(CBS, lopend-c)

Gemiddelde warmtapwatervraag

856

kWh/persoon /jaar

(ECW, 2022)

Aantal personen per woning

2,01 1,84 1,84

# in 2030 # in 2045 # in 2050

Berekend op basis van gegevens van (ABF Research, lopend)

Gemiddelde elektriciteitsvraag woningen in Nijmegen in 2021

2.470

kWh/jaar

Regionale klimaatmonitor

Utiliteitsgebouwen Maximale warmtebehoefte nieuwbouw Gemiddelde warmtapwater-vraag

Gemiddelde elektriciteitsvraag apparaten

18

Kantoren

90

Onderwijs

190

Gezondheidszorg

350

Overige utiliteit

50

Kantoren

1,0

Onderwijs

1,3

Gezondheidszorg

10,6

Overige utiliteit

1,0

Kantoren

126

Onderwijs

42

Gezondheidszorg

64

Overige utiliteit

36

230407 - CO2-effecten klimaatbeleid Nijmegen –Juli 2024

(Ministerie van BZK, 2022)

(PBL, 2021a) kWh/m2/jaar

2.3.3 Industrie In deze paragraaf beschrijven we welke ontwikkelingen we meenemen in het basispad in de sector industrie.

KEV-trend ontwikkeling elektriciteits- en gasverbruik We passen de ontwikkeling van het elektriciteits- en gasverbruik in de industrie uit de KEV 2022 toe op Nijmegen. Daarin maken we onderscheid in de trends voor industriële installaties die onder het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS) vallen, en overige industrie (de ESR-sectoren). Op basis van gegevens uit de KEV 2022 hebben we berekend dat het totale energiegebruik van de sector industrie met 3% stijgt in de periode van 2020 tot 2030. Het elektriciteitsverbruik stijgt in die periode met 17%, terwijl verbruik van brandstoffen voor warmte juist daalt. De uitstoot daalt echter met 22% onder andere doordat de elektriciteit duurzamer wordt opgewekt, de CO2-heffing op de industrie en de energiebesparingsplicht. In 2040 ligt het totale energiegebruik volgens de KEV weer hoger dan in 2021. Bij gebrek aan informatie over 2045 gaan we uit van het energiegebruik in 2040.

KEV-trend ontwikkeling overige broeikasgassen We passen de industrieontwikkeling van overige broeikasgassen (methaan, lachgas en fluorhoudende gassen) uit de KEV 2022 toe op Nijmegen. Volgens de KEV 2022 nemen de emissies van deze broeikasgassen in de periode van 2021 tot 2030 af met 28% en tot 2045 met 38%. Doordat de verhoudingen tussen sectoren in Nijmegen anders zijn dan voor heel Nederland vallen de uiteindelijke reductiepercentages in de gemeente anders uit.

2.3.4 Mobiliteit In deze paragraaf beschrijven we welke ontwikkelingen we meenemen in het basispad in de sector mobiliteit.

KEV-trend emissies van verkeer De emissies voor de sector mobiliteit zijn gebaseerd het CEREM-model (CE Delft, lopend). In het CEREM-model baseren wij de nationale trends tot 2040 grotendeels op de KEV. De nationale ontwikkelingen tot 2045 hebben wij ingeschat door extrapolatie. Deze nationale ontwikkelingen passen we, gecorrigeerd voor lokale verschillen in bevolkingsgroei en werkgelegenheid, als groeivoeten toe op de lokale cijfers uit de Regionale klimaatmonitor. De KEV-raming houdt rekening met verschillende autonome trends en Europees en nationaal bestaand en voorgenomen beleid. Hieronder beschrijven we enkele van de belangrijkste trends binnen de verduurzaming van mobiliteit: — Verschoning wagenpark: Door Europese emissienormen voor het wegverkeer stoten nieuwe auto’s gemiddeld steeds minder broeikasgassen uit. Door het proces van wagenparkvernieuwing zullen de emissies per gereden kilometer tot 2030 dus vanzelf afnemen. — Elektrisch vervoer: De verkoop van elektrische personenauto’s stijgt snel. Dit is voor een groot deel een gevolg van de landelijke subsidieregeling voor nulemissiepersonenauto’s. Deze toename in elektrische auto’s zet naar verwachting door richting 2030. Het aandeel elektrische bestel- en vrachtauto’s is nog beperkt vergeleken met de

19

230407 - CO2-effecten klimaatbeleid Nijmegen –Juli 2024

personenauto’s, maar de KEV geeft aan dat dit de komende jaren waarschijnlijk snel zal stijgen. Vooral door de invoering van zero-emissie (ze-)zones voor stadslogistiek is de verwachting dat ook het aantal elektrische bestelauto’s de komende jaren flink zal stijgen. Elektrisch vervoer zorgt voor CO2-reductie door minder brandstofverbruik, maar hier komt elektriciteitsverbruik voor in de plaats. Doordat de landelijke CO 2emissiefactor van elektriciteit daalt, nemen ook de emissies van elektrisch vervoer steeds verder af. — Bijmenging biobrandstoffen: Het kabinet heeft in 2021 een wetsvoorstel ingediend om de minimale inzet van geavanceerde biobrandstoffen te verhogen naar 7% in 2030. Hiermee geeft de Nederlandse overheid invulling aan de EU-verplichtingen voor hernieuwbare energie. Het verduurzamen van de brandstofmix zorgt voor een CO 2reductie in de hele mobiliteitssector. — Nulemissie (ZE-)bussen en -doelgroepenvervoer: In het ‘Bestuursakkoord Zero-Emissie Regionaal Openbaar Vervoer per Bus’ is afgesproken dat in 2030 alle bussen die voor het stedelijk en regionale openbaar vervoer worden ingezet, zonder emissies zijn. In het bestuursakkoord ‘Zero-Emissie Doelgroepenvervoer’ is afgesproken dat in 2025 al het doelgroepenverkeer emissievrij is. De KEV neemt echter geen effect mee voor de maatregel ZE-doelgroepenvervoer.

— Groei van verkeersvolumes: Volgens de KEV neemt het aantal gereden kilometers van personenauto’s licht toe. Ook de vervoersvolumes in de binnenvaart nemen tot 2030 naar verwachting toe. Volgens de KEV zijn de emissies van broeikasgassen in 2030 vergelijkbaar met de emissies in 2021, ondanks de verwachting dat de vloot efficiënter wordt en er meer biobrandstoffen worden ingezet.

Correctie verkeersvolumes op basis van bevolkingsgroei De bevolking van de gemeente Nijmegen neemt toe van 177.359 in 2021 tot 191.030 in 2030 en 196.250 in 2045 (ABF Research, lopend). Het CBS verwacht dat de Nederlandse bevolking als geheel toeneemt van 17,45 tot 18,59 miljoen in 2030 (CBS, lopend-a). De groei in Nijmegen is dus naar verwachting ongeveer 1,2% hoger dan het Nederlandse gemiddelde. Daarom hebben we de KEV-prognose voor verkeersvolume hierop gecorrigeerd.

2.3.5 Landbouw In deze paragraaf beschrijven we welke ontwikkelingen we meenemen in het basispad in de sector landbouw.

KEV-trend ontwikkeling elektriciteits- en gasverbruik en nietenergiegerelateerde emissies In de KEV 2022 staat dat het elektriciteit- en gasverbruik in de landbouw ten opzichte van 2021 naar verwachting zal dalen met 5% richting 2030 maar juist 2% hoger ligt richting 2045. De uitstoot van overige broeikasgassen (methaan, lachgas), die vrijkomen bij onder andere de veeteelt, daalt naar verwachting met 5% in 2030, oplopend tot 13% richting 2045. Recente beleidsontwikkelingen rond het stikstofdossier en het Landbouwakkoord, waaronder de aangekondigde uitkoopregelingen van piekbelasters, neemt het PBL in deze trend dus niet mee.

20

230407 - CO2-effecten klimaatbeleid Nijmegen –Juli 2024

2.4

Maatregelen Tabel 10 geeft een overzicht van de gemeentelijke maatregelen die we hebben doorgerekend. De industriële maatregel Warmtenet TPN West wordt in paragraaf 2.4.1 Gebouwde Omgeving toegelicht, omdat deze maatregel betrekking heeft op zowel de gebouwde omgeving als de industrie. Tabel 10 - Overzicht van de doorgerekende maatregelen per sector Sector

Maatregelen

Industrie

—

Warmtenet TPN West

Gebouwde omgeving

— — — —

17.000 woningen isoleren 10.000 woningen aansluiten op het warmtenet; Warmtenet TPN West; Verduurzaming gemeentelijk vastgoed;

Mobiliteit

— — — — — — —

Zero Emissiezone Stadslogistiek Milieuzone brommers en snorfietsen Verduurzaming gemeentelijk wagenpark Uitbreiding betaald parkeren Deelmobiliteit stimuleren Fietsverkeer en ov-gebruik stimuleren Lage parkeernormen bij nieuwbouw

In deze paragraaf wijzen we alle maatregelen een status toe die de zekerheid weergeeft of het beleid uitgevoerd zal worden. Tekstkader 3 beschrijft de methode achter het toewijzen van deze onzekerheidsstatus. In de berekeningen nemen we alleen maatregelen mee dat nog niet gerealiseerd is en waarvan de reductie-effecten nog moeten optreden. Daarnaast moet het beleid specifieker zijn dan een ambitie. Het beleid moet concreet genoeg zijn uitgewerkt om de effecten ervan in kaart te kunnen brengen. Tekstkader 3 - Onzekerheden in overheidsbeleid Status van overheidsbeleid We wijzen een status toe aan overheidsbeleid die weergeeft met welke zekerheid het beleid uitgevoerd zal worden. We maken hierbij onderscheid tussen vijf categorieën statussen: (1) gerealiseerd, (2) vastgesteld, (3) voorgenomen, (4) geagendeerd en (5) ambitie. (1) Gerealiseerd beleid is beleid dat al in werking is getreden. (2) Vastgesteld beleid betreft beleid dat al is aangenomen door het relevante politieke orgaan, maar nog in werking is getreden. Denk bijvoorbeeld aan het Europese ETS2 waarvan de richtlijn al door het Europese Parlement is aangenomen, maar het systeem pas in 2027 in werking treedt. (3) Voorgenomen beleid betreft plannen of beleidsmaatregelen die zijn voorgesteld om te worden geïmplementeerd.

Een voorbeeld hiervan is de Energiewet waarvan op het moment van schrijven een wetsvoorstel wordt voorbereid. (4) Geagendeerd beleid verwijst naar beleidsmaatregelen die op de agenda zijn geplaatst ter discussie of bespreking. Dit zijn bijvoorbeeld plannen die voorkomen in het verkiezingsprogramma van een grote politieke partij. Tot slot betreffen (5) ambities doelen die overheden willen bereiken, maar waarbij de gewenste uitkomsten nog niet zijn vertaald in specifieke beleidsmaatregelen of acties.

21

230407 - CO2-effecten klimaatbeleid Nijmegen –Juli 2024

2.4.1 Gebouwde omgeving Isoleren van 17.000 woningen In het collegevoorstel Programma Energie besparen woningen 2023-2030 heeft de gemeente Nijmegen (2022) de volgende twee doelstellingen gesteld: 1. In 2030 zijn alle 15.000 koopwoningen met Label E,F en G volgens de landelijke isolatiestandaard geïsoleerd. 2. In 2030 is de helft van 4.000 koopwoningen te weten 2.000 koopwoningen met Label D volgens de isolatiestandaard geïsoleerd. Afhankelijk van de leeftijd van de woning; wordt voldaan aan de isolatiestandaard indien het energielabel verhoogd wordt naar energielabel A of B. Daarom nemen we aan dat de helft van de te isoleren woningen geïsoleerd wordt naar energielabel A en de andere helft naar energielabel B. Vervolgens is het verschil berekend tussen het aardgasverbruik van het huidige en het nieuwe isolatieniveau. De verwachte CO2-reductie van het isolatieprogramma is weergegeven in Tabel 11. Tabel 11 – CO2-reductie isoleren gebouwen Omschrijving

Waarde

Status

Voorgenomen

CO2-reductie 2030 (ten opzichte van 2021)

23,89 kton

CO2-reductie 2045 (ten opzichte van 2021)

23,70 kton

CO2-reductie 2050 (ten opzichte van 2021)

23,70 kton

10.000 woningen aansluiten op het warmtenet Vanaf 2020 zijn warmteleveranciers volgens de Warmteregeling verplicht om in hun bestuursverslag te rapporteren over hun warmtenetten de duurzaamheid van hun geleverde warmte. Warmteleveranciers dienen hun cijfers te berekenen aan de hand van een door het Rijk vastgesteld model (Aedes, 2020). Momenteel is het warmtenet in Nijmegen voor zijn warmte bijna in zijn geheel afhankelijk van de ARN-afvalenergiecentrale en kent een emissiefactor van 14,0 kg CO2/GJ (Vattenfall, 2023). Naar verwachting zal deze centrale in 2030 nog steeds de primaire warmtebron van het Nijmeegse warmtenet zijn. Voor 2050 geldt de ambitie van 0 kg CO2 per GJ, in lijn met de Klimaatwet (Ministerie van EZK, 2020). Tabel 12 – Emissiefactor warmtenet (kg CO2/GJ) Jaar

Emissiefactor (kg CO2/GJ)

Bron

2021

14,0

(Vattenfall, 2023)

2030

14,0

(Vattenfall, 2023)

2045

3,5

Aanname CE Delft op basis van Ministerie van EZK (2020)

2050

0

Ministerie van EZK (2020)

De CO2-reductie van de maatregel wordt getoond in Tabel 13 is bepaald door de uitstoot die veroorzaakt wordt door het aardgasverbruik van 10.000 woningen te verminderen met de uitstoot die veroorzaakt wordt door dezelfde hoeveelheid warmte via het warmtenet aan deze woningen te leveren.

22

230407 - CO2-effecten klimaatbeleid Nijmegen –Juli 2024

Tabel 13 – CO2-reductie woningen aansluiten op het warmtenet Omschrijving Status

Waarde Voorgenomen

CO2-reductie 2030 (ten opzichte van 2021)

15,58 kton

CO2-reductie 2045 (ten opzichte van 2021)

19,48 kton

CO2-reductie 2050 (ten opzichte van 2021)

20,83 kton

Warmtenet TPN West De warmteleveranciers ARN en Firan zijn voorgenomen om onder het initiatief TPN West 12 nieuwe klanten, waaronder Mead Johnson en Novidon, aan te sluiten op het Nijmeegse warmtenet. Naar verwachting zal het aansluiten van deze bedrijven een jaarlijkse reductie van 2.000.000 m3 opleveren. 1.500.000 m3 van deze jaarlijkse reductie wordt toegekend aan een besparing in de industrie en de overige 500.000 m3 wordt beschouwd als een besparing voor de dienstensector. De CO2-reductie van de maatregel wordt getoond in Tabel 14 en is bepaald door de uitstoot die veroorzaakt door dit aardgasverbruik te verminderen met de uitstoot die veroorzaakt wordt door dezelfde hoeveelheid warmte via het warmtenet aan deze bedrijven te leveren. Tabel 14 – CO2-reductie bedrijventerrein aansluiten op het TPN West warmtenet Omschrijving Status

Waarde Voorgenomen

CO2-reductie 2030 (ten opzichte van 2021)

2,55 kton

CO2-reductie 2045 (ten opzichte van 2021)

3,18 kton

CO2-reductie 2050 (ten opzichte van 2021)

3,40 kton

Verduurzaming gemeentelijk vastgoed De gemeente Nijmegen heeft voorgenomen om 1.119 duurzaamheidsmaatregelen te treffen in 153 verschillende gemeentelijke panden. Deze maatregelen leveren aardgas- of elektriciteitsreductie op. We hebben een extra bewerkingsstap uitgevoerd om de elektriciteitsreductie veroorzaakt door het plaatsen van de zonnepanelen te bepalen. Immers wordt niet alle opgewekte zonne-energie door het gemeentelijk vastgoed zelf gebruikt; wanneer de opbrengst hoger is dan de hoeveelheid gebruikte elektriciteit wordt het verschil aan het elektriciteitsnet geleverd. Afhankelijk van de elektriciteitsverbruiksprofiel van het vastgoed zal een gedeelte van de opgewekte energie aan het elektriciteitsnet geleverd worden. Daarom rekenen we de aangeleverde elektriciteitsbesparingsgegevens van deze maatregel om door middel van de aandeelgebruik percentages per utiliteitscategorie uit Tabel 15. We hebben aangenomen dat de overige categorie 50% eigen verbruik heeft, omdat we verwachten dat de verbruiksprofielen van cultuur, retail en horeca meer met de opwekprofielen van zonne-energie overeenkomen dan de verbruiksprofielen van dorps- of buurthuizen, maar minder dan die van kantoren.

23

230407 - CO2-effecten klimaatbeleid Nijmegen –Juli 2024

Tabel 15 – Percentage eigen gebruik zonne-PV op dat per utiliteitscategorie (TNO, 2022) Utiliteitscategorie

Categorie gemeentelijk vastgoed

%-Eigen gebruik

Kantoor

Kantoren

70%

Landbouw

-

45%

School

Scholen

30%

Zorginstelling

-

90%

Sportaccommodatie

Sport

25%

Dorps- of buurthuis

Wijkcentra

30%

Overig

Cultuur, Monument, Retail & Horeca, Overig

50%

Tabel 16 toont de elektriciteits- en aardgasbesparing en de resulterende CO2-reductie die optreedt als gevolg van het maatregelenpakket verduurzaming gemeentelijk vastgoed. De CO2-reductie die behaald wordt in 2050 is lager dan die uit het jaar 2045, omdat aangenomen is dat de emissiefactor van elektriciteit in die jaren daalt van 0,035 kg CO2eq./kWh naar 0 CO2-eq./kWh. Tabel 16 – Elektriciteits- en aardgasbesparing en CO2-reductie verduurzaming gemeentelijk vastgoed Omschrijving

Waarde

Status

Vastgesteld

Elektriciteitsreductie behaald in 2030

4.200.856 kWh

Aardgasreductie behaald in 2030

2.129.201 m3

CO2-reductie 2030 (ten opzichte van 2021)

4,55 kton

Totale elektriciteitsreductie

5.724.434 kWh

Totale aardgasreductie

2.584.218 m3

CO2-reductie 2045 (ten opzichte van 2021)

4,60 kton

CO2-reductie 2050 (ten opzichte van 2021)

4,40 kton

2.4.2 Mobiliteit en transport Binnen de sector mobiliteit en transport zijn drie maatregelen doorgerekend die een bijdrage zullen leveren aan de reductie van de emissies van de gemeente Nijmegen. Deze maatregelen betreffen een zero-emissiezone stadslogistiek, milieuzone brommers en snorfietsen en verduurzamen gemeentelijk wagenpark. De CO2-eq.-effecten die onder de volgende maatregelen benoemd zijn, zijn inclusief een dubbeltellingscorrectie voor maatregelen die een effect hebben op dezelfde modaliteit. Een autorit kan immers maar één keer worden verduurzaamd, dus voor een vermindering van autogebruik door uitbreiding van betaald parkeren én een vermindering van autogebruik door het stimuleren van fietsverkeer en ov moet voor worden gecorrigeerd.

Zero-emissiezone stadslogistiek De gemeente Nijmegen heeft aangegeven dat er vanaf 2025 drie zero-emissiezones zullen komen binnen de gemeente. Voor sommige voertuigen geldt een overgangsfase. Figuur 5 toont de omvang van de zero-emissiezones zoals ze voor Nijmegen momenteel gepland staan.

24

230407 - CO2-effecten klimaatbeleid Nijmegen –Juli 2024

Figuur 5 - Omvang zero-emissiezone stadslogistiek

Het CEREM-model heeft het effect van de ZE-zone op de totale CO2-eq.-emissies berekend. Op basis van de omvang van de ZE-zones is een procentueel effect ingeschat op de totale emissies van bestel- en vrachtauto’s binnen de aangewezen gebieden, samen met een factor voor het uitstralingseffect (het effect van de maatregel op bestel- en vrachtauto’s van buiten de gemeente). Tabel 17 toont het effect van de maatregel ZE stadslogistiek op de mobiliteits- en transportemissies in 2030 en in 2045. Het effect in 2045 is relatief groot ten opzichte van het effect in 2030, wat betekent dat vanuit autonome ontwikkelingen de emissies van bestel- en vrachtauto’s relatief weinig zal afnemen. Tabel 17 – CO2-eq.-reductie zero-emissiezone stadslogistiek Omschrijving

Waarde

Status

Vastgesteld

CO2-eq.-reductie 2030

18,12 kton

CO2-eq.-reductie 2045

16,77 kton

CO2-eq.-reductie 2050

16,32 kton

Milieuzone brommers en snorfietsen De gemeente Nijmegen is voornemens om vervuilende brom- en snorfietsen gefaseerd aan te pakken in de toekomst. Vanaf 2025 mogen Nijmegen centrum, Hof van Holland en Heijendaal (de gebieden waar tevens de zero-emissiezone stadslogistiek actief zal zijn) in Nijmegen niet meer worden betreden met brom- en snorfietsen met een bouwjaar van 2010 of ouder en vanaf 2028 mogen vervuilende brom- en snorfietsen de gehele bebouwde kom niet meer in (Gemeente Nijmegen, n.d.). De voornaamste reden voor deze maatregel is ter verbetering van de luchtkwaliteit. Bij de berekening van het maatregeleffect is gebruik gemaakt van de methodiek die gehanteerd is in CE Delft (2023a) bij het berekenen van de impact van een ZE-zone voor

25

230407 - CO2-effecten klimaatbeleid Nijmegen –Juli 2024

tweewielers. Op basis van het CEREM-model is eerst berekend wat de totale CO 2-eq.uitstoot is van tweewielers voor 2030 en 2045. Vervolgens is met behulp van data van Emissieregistratie berekend welk aandeel van de emissies van tweewielers binnen de bebouwde kom toegewezen kan worden aan motoren en aan bromfietsen (Emissieregistratie, lopend). Daarna is aan de hand van emissiekentallen uit STREAM personenvervoer berekend wat de impact is van volledig ZE-vervoer van tweewielers op de totale emissies van tweewielers zoals uit het basispad naar voren is gekomen (CE Delft, 2023b). Tabel 18 toont het geschatte effect van de maatregel ZE-zone brom- en snorfietsen op de CO2-eq.-emissies van mobiliteit. Tabel 18 – CO2-eq.-reductie milieuzone brommers en snorfietsen Omschrijving

Waarde

Status

Vastgesteld

CO2-eq.-reductie 2030

2,80 kton

CO2-eq.-reductie 2045

2.64 kton

CO2-eq.-reductie 2050

2.59 kton

Verduurzaming gemeentelijk wagenpark De gemeente Nijmegen is voornemens om per 2030 een energieneutraal wagenpark te hanteren. Momenteel omvat het wagenpark voertuigen die diesel, benzine, LPG en CNG verbruiken, waarvan CNG momenteel het grootste aandeel betreft. Tabel 19 toont de CO2eq.-reductie van het elektrificeren van het gehele gemeentelijke wagenpark. Hierbij is tevens rekening gehouden met de emissies vanuit elektriciteit ten behoeve van het elektrificeren van het gemeentelijke wagenpark. De emissiekentallen die zijn gehanteerd komen voort uit CE Delft (2023b). Vergeleken met de overige maatregelen is het effect van deze maatregel relatief klein, wat kan worden verklaard door de beperkte omvang van het gemeentelijk wagenpark. In 2045 is het effect lager ingeschat, namelijk op 0,021, omdat er wordt verwacht dat de verduurzaming van het gemeentelijk wagenpark ook zonder aanvullend beleid richting 2050 vanzelf zal richting 0 zal gaan. Tabel 19 – CO2-eq.-reductie verduurzaming gemeentelijk wagenpark Omschrijving

Waarde

Status

Vastgesteld

CO2-eq.-reductie 2030

0,083 kton

CO2-eq.-reductie 2045

0,021 kton

CO2-eq.-reductie 2050

0 kton

Uitbreiding betaald parkeren De gemeente Nijmegen is voornemens om op de relatief lange termijn (over ongeveer 10 jaar, voor deze doorrekening aangehouden dat het per 2030 ingaat) de omvang van het betaald parkeren te verhogen. Momenteel valt ongeveer 20 tot 25% onder betaald parkeren en dit zal op de langere termijn stijgen naar circa 50%. Het CO2-eq.-effect van deze maatregel is berekend met behulp van het CEREM model, waarbij is berekend wat het effect van uitbreiding van betaald parkeren op autogebruik is meegenomen, inclusief de uitwijkeffecten naar andere modaliteiten en de bijbehorende emissies. Tabel 20 toont het effect van de maatregel voor de jaren 2030, 2045 en 2050. Het grote verschil tussen de

26

230407 - CO2-effecten klimaatbeleid Nijmegen –Juli 2024

effecten in 2030, 2045 en 2050 kan worden verklaard door autonome veranderingen in de emissies per modaliteit. De maatregel heeft voornamelijk impact op de emissies van personenauto’s, maar de personenauto’s zullen richting 2050 voor een aanzienlijk aandeel verduurzaamd worden en gebruik maken van een elektriciteitsmix die steeds minder emissies zal veroorzaken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=96f3c1ed-ff0c-4d17-bc71-dd2834887fbc