CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Facetbestemmingsplan Molenbiotoop toelichting en regels

Besluitronde (raadsvergadering) 3 juli 2024, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling Facetbestemmingsplan Molenbiotoop (34/2024)20.922 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Pagina 6 van 36

Molenbiotoop

•

constructie maakt de molen minder gevoelig voor ongedierte. Daarnaast worden gebreken tijdig geconstateerd, zodat gevolgschade uitblijft en heeft het luchten en ventileren van de molen een gunstige uitwerking op de levensduur van het overwegend houten binnenwerk. Dit zorgt ervoor dat de kosten van de moleneigenaar zo laag mogelijk blijven. Daarnaast treedt de molenaar op als ambassadeur voor zijn molen. Door het bouwwerk open te stellen voor publiek, creëert hij draagvlak onder omwonenden en stelt hij belangstellenden in staat om de molen te beleven. De functie van de molen kan niet op een betere manier inzichtelijk gemaakt worden dan door het werktuig te gebruiken waarvoor het is gebouwd. Ten slotte fungeert een molenaar als hoeder van de molenbiotoop. Hij of zij volgt de ontwikkelingen die spelen rondom de molen op de voet en is de aangewezen persoon om mensen erop te wijzen dat de molen eisen stelt aan zijn omgeving en afhankelijk is van een vrije windvang. De molenomgeving is direct van belang voor het functioneren van de molen, omdat het werktuig functioneert op windkracht en de wind aanstroom de wieken moet kunnen bereiken. Als de windvang slecht of turbulent is, kan de molen niet of niet op een veilige manier draaien. Dar zorgt ervoor dat de staat van onderhoud sneller achteruit zal gaan.

Water blijft in de metalen en holle roeden staan en de kans op verzakking aan de kant van het gevlucht neemt toe. Bij het draaien met een turbulente wind gaan de zeilen klapperen, waardoor ze, evenals het hekwerk zelf, sneller slijten. De onevenwichtige belasting op het gevlucht heeft nadelige gevolgen voor de levensduur. Ook het gangwerk zal sneller achteruitgaan als er continue met een wisselend toerental wordt gedraaid. Voorts gaat op dat wanneer de molen minder goed in het zicht ligt, deze op minder draagvlak onder de bevolking zal kunnen rekenen. De molen kan niet worden beleefd en voegt weinig toe aan het dorpsgezicht of het landschapsbeeld. Bovendien zal een vrijwillige molenaar minder snel bereid zijn om een molen te bedienen en te onderhouden, die amper in staat is om te draaien als gevolg van een slechte molenbiotoop. En op het moment dat er wel gedraaid wordt, komt de veiligheid in het geding. Ten slotte heeft een molenaar een vrij zichtveld nodig om het weer te kunnen inschatten. Hij moet tijdig maatregelen kunnen treffen bij naderend noodweer. Kortom, voor het duurzaam in stand houden van een molen, ook wanneer deze niet meer alle dagen beroepsmatig in bedrijf is, is een vrije windvang van cruciaal belang.

2.2 Algemene richtlijnen Om weerstand te kunnen bieden tegen de oprukkende bebouwing en beplantingen rondom molens, heeft Vereniging De Hollandsche Molen begin jaren tachtig onderzoek laten doen naar de invloed van obstakels in de directe omgeving op het functioneren van de molen (zie het rapport ‘De Inrichting van de omgeving van molens’ van de werkgroep molenbiotoop van Vereniging De Hollandsche Molen, augustus 1982). De uitkomsten hebben de basis gevormd voor de richtlijnen die vereniging in het vervolg heeft gehanteerd bij de beoordeling van concrete kwesties. Belangrijk om te vermelden is dat men indertijd heeft getracht om te komen tot een model dat enerzijds begrijpelijk is voor iedereen, en anderzijds toepasbaar is op alle molens in Nederland. Daarnaast heeft men de richtlijnen zodanig ontworpen, dat ze gemakkelijk opgenomen kunnen worden in bestemmingsplannen. Sindsdien is dit, al dan niet op aandringen van de vereniging, ook op grote schaal daadwerkelijk gebeurd.

Molenbiotoop

Pagina 7 van 36

Uitgegaan is van een functionerende molen. Gekeken is naar het vermogensverlies dat optreedt door windbelemmering. Het verband tussen vermogen en windsnelheid is niet lineair. Bij een afname van 5% van de windsnelheid door wind belemmerende obstakels, neemt het vermogen van de molen af met 14%. Bij een afname van 10% van de windsnelheid is het vermogen van de molen al afgenomen met 27% (zie bijlage 1 voor de grafiek van de relatie tussen het vermogen en de windsnelheid). Het genoemde onderzoek heeft uitgewezen dat een afname van 5% acceptabel is. Dat wil zeggen dat een molen dan nog zonder grote problemen in bedrijf kan zijn. Dit heeft Vereniging De Hollandsche Molen dan ook als uitgangspunt genomen bij het opstellen van het model en de bijbehorende formule. Deze biotoopformule is een eenvoudige manier om de maximaal aanvaardbare hoogte van obstakels rond een molen te berekenen, dusdanig dat de molen hier geen onoverkomelijke hinder van ondervindt. De formule wordt dus vooral toegepast om te kunnen bepalen of een obstakel op een bepaalde afstand van de molen al dan niet ‘te hoog’ is. Het model ziet er als volgt uit: De eerste 100 meter dient vrij te zijn van obstakels. Vanaf 100 meter geldt een oplopende lijn die met de volgende formule te bepalen is: H(x) = x/n + c*z Waarin: H(x) = maximaal toelaatbare hoogte van een obstakel op afstand x (in meters).

x = afstand van een obstakel tot de molen (in meters). n = een constante, afhankelijk van de ruwheid van de omgeving en de maximaal toelaatbare windreductie. Hiervoor worden de volgende waarden gebruikt: 140 voor open, 75 voor ruw en 50 voor gesloten gebied. c = een constante, afhankelijk van de maximaal toelaatbare windreductie, gewoonlijk met de waarde 0,2. z = askophoogte (helft van lengte gevlucht + eventueel de hoogte van belt, berg of stelling). In de gebruikte constante c is de maximaal toelaatbare windreductie van 5% verwerkt. De ruwheid van het terrein rondom de molen bepaalt in hoeverre de wind wordt afgeremd. Op enkele meters boven een ruw oppervlak, zoals beplanting of bebouwing, is de windsnelheid gehalveerd ten opzichte van een referentiehoogte van 60 meter. Boven water, de minst ruwe omgeving, is deze afname zo’n 20%. In de biotoopformule wordt de mogelijkheid gegeven om, afhankelijk van de ruwheid van de omgeving, een waarde voor de constante ‘n’ in te vullen. Hoe hoger de ruwheid van de omgeving, hoe lager de waarde die hiervoor dient te worden ingevuld. De drie ruwheidscategorieën luiden als volgt: • •

•

Open: Vlak land met alleen oppervlakkige begroeiing (gras) en soms geringe obstakels. Bijvoorbeeld startbanen, weiland zonder windsingels, braakliggend bouwland. Ruw: Bouwland met afwisselend hoge en lage gewassen. Grote obstakels (rijen bebladerde bomen, lage boomgaarden enzovoort) met onderlinge afstanden van omstreeks tien tot vijftienmaal hun hoogte. Wijngaarden, maïsvelden en dergelijke. Gesloten: Bodem regelmatig en volledig bedekt met vrij grote obstakels, met tussengelegen ruimten niet groter dan enkele malen de hoogte van de obstakels. Bijvoorbeeld bossen en lage bebouwing.

Pagina 8 van 36

Molenbiotoop

De berekening kan nog verder worden verfijnd door ter plekke de biotoop te bekijken en de ruwheid van het terrein in de verschillende richtingen rondom de molen te inventariseren. Zo zal bij een molen aan de rand van een dorp een bepaalde sector wellicht ‘open’ zijn, terwijl de dorpskant ‘ruw’ of ‘gesloten’ is. In dat geval dienen er dus meerdere berekeningen uitgevoerd te worden om de aanvaardbare obstakelhoogte te bepalen. Zoals gezegd gelden voor de eerste 100 meter rond de molen andere regels. Het is namelijk gebleken dat de verstoring van de wind direct achter een obstakel zeer groot is. De turbulenties zijn in dat geval nog niet uitgewerkt als de wind de molen bereikt. Bij grondzeilers dient daarom de eerste 100 meter geheel vrij te zijn van bebouwing of beplanting, terwijl de obstakels bij een belt-, berg- of stellingmolen hier in ieder geval niet boven de belt, berg of stelling mogen uitkomen. Vanaf 100 meter geldt als maximaal aanvaardbare hoogte een oplopende lijn die met de biotoopformule berekend wordt. Wanneer de omgeving van een molen voldoet aan deze eisen is er zondermeer sprake van een toelaatbare situatie. Alles wat boven de lijn uitkomt dient kritisch te worden bekeken.

Figuur 1: Afbeelding uit ‘De Inrichting van de Omgeving van Molens’ van de werkgroep Molenbiotoop van De Hollandsche Molen, waarin ter illustratie is weergegeven hoe de uitkomsten van de formule zich verhouden tot een stellingmolen.

2.3 Vertaling richtlijnen Met behulp van de molenbiotoopformule kunnen de toelaatbare hoogte rondom de Witte Molen te Nijmegen worden berekend, uitgaande van de norm die Vereniging De Hollandsche Molen hanteert. Tabel 1 geeft de uitkomsten per 50 meter vanaf de molen. Daarbij is uitgegaan van de ruwheidscategorie ‘ruw’ n-50, omdat de molen in het stedelijk gebied van de gemeente Nijmegen staat. Het bestemmingsplan ‘Nijmegen Oud West 2015’ beslaat het grootste gedeelte van de molenbiotoop. De molenbiotoop heeft een straal van circa 400 meter op de kaart Erfgoed van de Provinciale Verordening van de Provincie Gelderland. Dit advies zal zich toespitsen op de directe nabije omgeving van de Witte Molen en de molenbiotoopzone in het bijzonder. De askophoogte is 18,50 (vlucht = 25 m/ 2 + stelling 6 meter) en ten slotte C= 0,2 uitgaande van de maximaal toelaatbare windreductie van 5%.

Molenbiotoop

Pagina 9 van 36

Tabel 1: Maximaal toelaatbare hoogte bij een zekere afstand van de molen (n = 50).

Afstand tot de molen Maximaal toegestane hoogte in meters in meters t.o.v. maaiveld molen

Maximaal toegestane hoogte in meters +NAP

0-99 m

6

29,8

100

6

29,8

150

6,7

30,5

200

7,7

31,5

250

8,7

32,5

300 350

9,7 10,7

33,5 34,5

400

11,7

35,5

Pagina 10 van 36

Molenbiotoop

3. Wettelijk kader Om verbetering van de molenbiotoop van molen De Witte Molen te Nijmegen mogelijk te maken, worden gesprekken gevoerd met de molenaar en advies ingewonnen van De Hollandsche Molen aangaande de molenbiotoop.

3.1 Rijksoverheid In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) staat vermeld dat gemeenten de volgende instrumenten kunnen gebruiken voor de ruimtelijke ordening: structuurvisie, bestemmingsplan en beheersverordening. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), in aanvulling op de Wro, is onder meer vastgelegd dat gemeenten rekening moeten houden met cultuurhistorie bij het opstellen van bestemmingsplannen. Dit betekent dat een gemeente verplicht is om een gemotiveerde beschrijving op te nemen van de wijze waarop de gemeente rekening houdt met de aanwezige cultuurhistorie in de toelichting van het bestemmingsplan. Om de wijze waarop rekening gehouden wordt vast te leggen, dienen regels opgesteld te worden in het bestemmingsplan. Deze regels bevatten voorbeelden voor activiteiten die omgevingsvergunningplichtig zijn gesteld of die dienen ter bescherming van de cultuurhistorische waarden. Daarnaast is in de het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), in aanvulling op de Wro, opgenomen dat provincies kernkwaliteiten kunnen onderscheiden en uitwerken in de provinciale verordening. In de landelijke Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP)1 staat een mogelijkheid om de molenbiotoop te borgen in het bestemmingsplan. Dit wordt gevat in de gebiedsaanduiding, een gebied waarvoor specifieke regels gelden en/of een nadere afweging moet worden gemaakt.

‘Vrijwaringszone – molenbiotoop’. De website Erfgoed en Ruimte van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed bevat een matrix2 waarin verschillende mogelijkheden op een rij zijn gezet om erfgoedwaarden in het bestemmingsplan op te nemen. Onder ‘molenbiotoop’ staat expliciet de mogelijkheid ‘vrijwaringszone molenbiotoop’ onder gebiedsaanduiding en verder de mogelijkheid om bouw- en gebruiksregels toe te passen. Bij de matrix hoort ook een toelichting3, waarin het volgende staat ten aanzien van de molenbiotoop: Molenbiotoop Een molenbiotoop wordt opgenomen met de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone -molenbiotoop’. Aan de regeling wordt een beperking voor de bouwhoogte van omliggende bebouwing opgenomen. Des te verder de bebouwing van de molen is gelegen des te groter de bouwhoogte mag zijn

In de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (wabo) worden de vereisten voor de omgevingsvergunning geregeld. In deze wet is bijvoorbeeld opgenomen dat erfgoedbelangen 1

Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen. Versie 1.3.1. definitief. Datum 29 oktober 2013. https://erfgoedenruimte.nl/sites/default/files/attachments/Matrix%20versie%2021-10-13.pdf 3 https://erfgoedenruimte.nl/sites/default/files/attachments/Toelichting%20bij%20de%20matrix%20erfgoed%20waa rden%20borgen%20in%20het%20bestemmingsplan.pdf 2

Wettelijk kader

Pagina 11 van 36

ingebracht moeten worden in de voorbereiding van de aanvraag, dat er getoetst wordt of dit erfgoed voldoende is meegenomen in de aanvraag en een beoordeling hoe erfgoed in de vergunning is opgenomen. Sinds 2016 zijn in de Erfgoedwet regelingen over het beheer en behoud van erfgoed en collecties opgenomen. Hoewel daarmee enkele begrippen vervangen zijn in onder andere de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (wabo), hebben de wijzigingen van de Erfgoedwet geen gevolgen voor de uitvoeringspraktijk van ruimtelijke ordening. De wet regelt de mogelijkheid voor provincies en gemeente om een erfgoedverordening vast te stellen waarin het beheer en behoud van erfgoed gelegen binnen de desbetreffende provincie of gemeente is vast gelegd.

Figuur 2: Uitsnede kaart ruimtelijkeplannen.nl met hierop afgebeeld de cirkel molenbiotoop met een straal van 400 meter van ‘Omgevingsverordening Gelderland (december 2018) – 7:Regels Erfgoed’ overlappend over de bestemmingsplannen (v.l.n.r.) ‘Nijmegen West (2013-10-23), ‘Nijmegen Oud West 2015 (2016-03-30)’, ‘Nijmegen Midden 2015 (2016-11-02)’ en een klein stukje ‘Nijmegen Centrum – Stationsomgeving (2012-12-12)’.

Pagina 12 van 36

kader

Wettelijk

3.2 Provincie Gelderland De Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland bevat (instructie)regels voor bestemmingsplannen over onderwerpen die vanwege het bovenlokale of –regionale belang als provinciaal belang zijn aangemerkt. Artikel 4.1. van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) vormt de grondslag voor deze regels. Zo bevat de Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland een instructieregel voor de molenbiotoop, vermeld in de behorende kaart 7: regels Erfgoed. § 2.7.2 Instructieregels bestemmingsplan Molenbiotoop Artikel 2.64 (bescherming windvang molen) Een bestemmingsplan maakt voor gronden binnen een Molenbiotoop geen nieuwe bebouwing of beplanting mogelijk als daardoor de windvang van een molen wordt beperkt. Het eerste lid is niet van toepassing op de molens in het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem.

En in de toelichting bij de regels: § 2.7.2 Instructieregels bestemmingsplan Molenbiotoop Windmolens met een monumentenstatus zijn een onlosmakelijk onderdeel van de regionale identiteit. Daarom streeft Gelderland naar het behoud en bescherming van molenbiotopen. Artikel 2.64 (bescherming windvang molen) Om een monumentale molen met een vrije windvang te laten functioneren, geldt dat binnen een straal van 400 meter gerekend vanaf het middelpunt van de molen, hoogtebeperkingen moeten worden gesteld aan het oprichten van bebouwing en beplanting. Verder dient rekening te worden gehouden met de belevingswaarde en het historisch karakter van de omgeving van de molen. Door maatwerk/compensatie wordt de belevingswaarde en het functioneren van de molen door middel van windvang niet beperkt. Met name in een bebouwde omgeving kunnen ook andere belangen in het geding zijn waarbij zekere beperkingen ten aanzien van de windvang of de belevingswaarde niet altijd zijn uit te sluiten.

3.3 Gemeente Nijmegen In het bestemmingsplan ‘Nijmegen Oud West 2015’ (figuur 2) van de gemeente Nijmegen zijn geen regels opgenomen ten aanzien van het beheer van de molenbiotoop. Wel staat in de toelichting een paragraaf gewijd aan de molenbiotoop. Molenbiotoop De omgeving (biotoop) van een windmolen is vaak zeer gevoelig. Enerzijds gaat het daarbij om de zichtbaarheid van een molen, anderzijds is vrije ruimte van belang voor een goede windvang. Dit betekent dat bij de inrichting van de omgeving van een molen belemmeringen voor de zichtbaarheid en het maalvaardig functioneren voorkomen dienen te worden. Vooral bij nieuwbouw is het wenselijk om rekening te houden met de belevingswaarde en de eisen die een molen aan zijn omgeving stelt. Bestaande bebouwing in de omgeving van een molen moet gezien worden als een vaststaand gegeven. Begroeiing wordt in het kader van het bestemmingsplan verder buiten beschouwing gelaten.

Wettelijk kader

Pagina 13 van 36

In de Handleiding Molenbiotoop van Vereniging De Hollandsche Molen is een formule opgenomen waarmee de hoogte kan worden berekend die een obstakel mag hebben op een bepaalde afstand van een molen, zonder te veel windbelemmering te veroorzaken. Hierbij wordt uitgegaan van een maximale straal van 400 meter van de molenbiotopen. Formule: H = X/n + cz H = hoogte obstakel X = afstand obstakel tot molen n = 50 voor gesloten gebied c = constante = 0,2 z = askophoogte Rondom een molen dient een vrije ruimte van 100 meter aanwezig te zijn. Deze vrije ruimte is nodig om de door de obstakels veroorzaakte turbulentie enigszins teniet te doen. Buiten de 100-meter cirkel loopt een schuin omhooggaande lijn die aangeeft wat wel en wat niet meer toelaatbaar is als obstakelhoogte. In het plangebied staat De Witte Molen (ook wel Looimolen genoemd) aan de Looimolenweg 15. Deze stellingmolen uit 1760 is een beschermd rijksmonument en is nog steeds in bedrijf. De Witte Molen heeft een stellinghoogte van 6,0 meter, een gevlucht met een lengte van 25,6 meter en een maaiveldhoogte van circa 23,5 meter boven NAP. De askophoogte bedraagt 18,8 meter (stellinghoogte + helft van lengte gevlucht). De maximale bebouwingshoogte binnen een zone van 100 meter mag 5,8 meter bedragen, gerekend vanaf een hoogte van 23,5 meter boven NAP. De bebouwingshoogte mag elke 100 meter met 2 meter worden verhoogd.

Afstand tot molen 0-100 m 100 m 200 m 300 m 400m Maximaal toegestane hoogte 5,8 m 5,8 m 7,8 m 9,8 m 11,8 m Op de cultuurhistorische waardenkaart die in het kader van dit bestemmingsplan is opgesteld, is de molenbiotoop weergegeven door middel van een contour met een straal van 400 meter. Uitgangspunt is dat bij ruimtelijke ingrepen binnen deze contour rekening gehouden wordt met de belevingswaarde en windvang van de molen. De biotoopformule dient daarbij als een leidraad. Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwbouw mogelijk dat van invloed is op de molenbiotoop. Hoewel de Witte Molen niet zelf op gronden staat die zijn aangewezen in het bestemmingsplan ‘Nijmegen West’ (figuur 2) van de gemeente Nijmegen, overlapt de molenbiotoop door zijn straal van 400 meter wel deze gronden. Derhalve dienen de instructieregels van de Provinciale Verordening opgenomen te zijn in de regels. Dit is echter niet het geval. Wel staat in de toelichting een paragraaf gewijd aan cultuurhistorie, doch bevat deze paragraaf geen informatie over de molenbiotoop.

Pagina 14 van 36

kader

Wettelijk

Hetzelfde geldt in feite voor de gronden die zijn aangewezen in het bestemmingsplan ‘Nijmegen Midden 2015’, waarover de molenbiotoop door zijn straal van 400 meter overlap heeft met die gronden. Derhalve dienen de instructieregels van de Provinciale Verordening opgenomen te zijn in de regels. Dit is echter niet het geval. Wel staat in de toelichting een paragraaf gewijd aan cultuurhistorie, doch bevat deze paragraaf geen informatie over de molenbiotoop. Een klein deel van het bestemmingsplan ‘Nijmegen Centrum – Stationsomgeving’ valt binnen de gronden die de Provinciale Verordening aanwijst als molenbiotoop van de Witte Molen te Nijmegen. Ook hier zijn in de regels geen maatregelen genomen ten aanzien van het beheer van de molenbiotoop. In de toelichting is geen informatie over cultuurhistorie opgenomen, maar onder het kopje ‘Stedenbouwkundige uitgangspunten’ worden de historische kenmerken van die stedenbouw wel benoemd. In het kader van ‘goede ruimtelijke ordening’ zou een bepaling in de bestemmingsregels ten aanzien van de molenbiotoop van de Witte Molen te Nijmegen in alle genoemde bestemmingsplannen een juiste stap zijn, die inmiddels gangbaar is geworden voor veel provincies en gemeenten.

Op 3 februari 2020 zijn schriftelijke vragen gesteld over het niet op tijd regelen van de molenbiotoop in de regels van de bestemmingsplannen binnen de gronden van de molenbiotopen in Nijmegen door de VVD in de Provinciale Staten. Dit betrof de Witte Molen en Sint Anna molen. Op 3 maart heeft Gedeputeerde Staten gereageerd dat zij van mening zijn dat de gemeente de instructieregel over de molenbiotoop in acht moet nemen en het bestemmingsplan moet aanpassen conform de geldende omgevingsverordening.

Wettelijk kader

Pagina 15 van 36

4. De praktijk 4.1 Berekeningen Aan de hand van de Algemene Hoogtekaart Nederland is de omgeving van de Witte Molen te Nijmegen opgemeten. Op deze hoogtekaart is ook de bebouwing en de beplanting op te meten. Uiteraard kan er in de beplanting en het maaiveld soms kleine nuances zitten, maar globaal geeft deze hoogtekaart een goed beeld. In 2009 heeft de Provincie Gelderland een molenbiotoopinventarisatie op laten stellen voor alle molens op haar grondgebied. De Witte Molen behaalde een aanvaardbare score aan windhinder (figuur 3). Echter zijn deze gegevens inmiddels ruim 10 jaar oud en is in de omgeving, met name door begroeiing, de hinder van wind toegenomen.

Figuur 3: Uitsnede uit het rapport Molenbiotoopinventarisatie Witte Molen te Nijmegen (Laméris, 2009).

Pagina 16 van 36

De praktijk

Figuur 4: Links is een uitsnede uit de AHN 2, waarop de molenbiotoopinventarisatie uit 2009 is gebaseerd. De meetgegevens zijn verzameld tussen 2007 en 2012. Rechts is een uitsnede uit de AHN3, die meetgegevens gebruikt uit de periode 2014 en 2019. Met witte pijltjes is aangegeven waar begroeiing flink hoger is geworden.

4.2 Zichtlijnen De Witte Molen staat voor een redelijk deel vrij op de wind, maar toch nemen met name bomen, maar ook bebouwing, in de nabije omgeving het zicht op de molen weg vanuit verschillende invalshoeken. Om de molen beter zichtbaar te maken, zijn er een aantal zichtlijnen ingetekend.

Figuur 5: De vijf meest potentiële zichtlijnen.

Vanuit het Noorden wordt de zichtlijn vanaf de Floraweg voor een deel belemmerd door de hoge toppen van een groepje Eiken (Quercus sp.) op de helling aan de zuidelijke kant langs de Looimolenweg.

De praktijk

Pagina 17 van 36

Vanuit het noordoosten is de zichtlijn al redelijk open. Aan het einde van het pad, dat de straat Derde van Hezewijkstraat kruist, staan een hoge Eik en Esdoorn met daar achter bebouwing. Ten zuidoosten van het pad liggen volkstuintjes met enkele kleinere bomen. Vanuit het zuiden langs de Looimolenweg wordt het zicht op de molen voor een deel belemmerd door de bestaande bebouwing en een groene erfafscheiding bestaande uit een coniferen haag met laag blijvende bomen. Vanuit het zuidwesten, de belangrijkste windrichting in Nederland, is er wel enig zicht op de molen rondom de entree van het ‘Sfeerhuys’ aan de Graafseweg. Het zicht op de molen is gedeeltelijk belemmerd door een grote taxus in de voortuin langs de entree en hoge bomen in de tuinen van kadastrale percelen (NBH00-I-2300 en NBH00-I-2302), respectievelijk de terreinen van het restaurant ‘Sfeerhuys’ en mondzorgpraktijk ‘Dental Design & Styling’. Vanuit het westen, is vanuit het laantje zicht op de molen, maar is dit zicht voor een gedeelte belemmerd door een hoge taxus in het park.

4.3 Biotoopopname ter plaatse De kwaliteit van de omgeving is ter plaatse bekeken met een zogenaamde ‘molenbiotoopopname’. Aan de noordkant van de molen loopt de steilrand richting Floraweg. Deze straat oogt groen door laanbeplanting en voortuinen. De wijk erachter wordt gekenmerkt door een ‘tuinwijkstructuur’. Op de hellende zone tussen Floraweg, onderaan de steilrand, en de Graafseweg, bovenaan de steilrand, ligt het Florapark met daarin afwijkende bebouwing. Het betreft een parkachtige omgeving met een voormalig klooster ‘Villa Nova’ en de Witte Molen als kenmerken. Ten noordoosten van de molen, gelegen op de helling, ligt een kinderboerderij. Bovenaan de helling ligt een wandelpad voorzien van begroeiing. Als men vanaf de Floraweg de Looimolenweg oprijdt, de helling op, ligt bovenaan de helling een bolwerk. De Floraweg wordt geflankeerd door rijen aangeplante Platanen (Platanus sp.), die aangeduid is als “secundaire hoofdboomstructuur”. Aan de zuidwest kant, langs de Looimolenweg staat een groepje Eiken (Quercus sp.) en een Bruine Beuk (Fagus sylvatica 'Purpurea') voor een woning aan de Looimolenweg 19 (figuur 6). Aan de bovenzijde van de steilrand, pal ten zuidwesten van de molen, staat een parkachtig laantje met aan weerszijde Lindebomen (Tilia sp.). Deze bomen zijn geknot, waardoor hun hoogte ongeveer op stellinghoogte van de molen uitkomt.

Te midden van het grasveld in het park staat een taxus (taxus baccata), die te hoog is met circa 33,2 meter boven NAP, of 9,4 meter vanaf maaiveld. Verder naar zuidwesten toe, loopt het grasveld met laantje over in een steile helling met bos. Het hoogteverschil is ongeveer tien meter. Onderaan de helling ligt het Integraal Kind Centrum (IKC) “De Wieken”. Langs de helling en door het bos loopt een stap/ voetpad. De entree naar het bospark komt uit aan de Graafseweg. De kwaliteit van veel bomen is slecht tot matig. Veel bomen vertonen sporen van zwam, insecten of rot. Ook is op een aantal plaatsen de grond weg gespoeld, waardoor boomwortels blootliggen (figuur 8).

Pagina 18 van 36

De praktijk

Aan de zuidkant van de molenbiotoop, langs de Graafseweg liggen voortuinen van de tandartspraktijk en een aantal woningen. Hierin staan enkele hoge bomen, zoals Linden, Paardenkastanjes, Eiken, Berken en Ceders.

Figuur 6: Links een foto vanaf de stelling van de Witte Molen met zicht op de laanstructuur langs de Floraweg en het bolwerk aan de bovenzijde van de steilrand. Rechts de Looimolenweg met Eikenbomen die de windvang belemmeren en aan de noordwestzijde het bolwerk.

Figuur 7: Het laantje met knotbomen en de taxus in het park.

De praktijk

Pagina 19 van 36

Figuur 8: Linksboven: de trap richting het lager gelegen bospark en IKC. Rechtsboven, linksonder, rechtsonder: Vergroeiïng, insectenvraat en blootliggende wortels.

4.3.1

Knelpunten bebouwing

4.3.1.1 Ten noordwesten van de Floraweg en noordoosten van de Looimolenweg: Wolfskuil De Witte Molen staat bovenaan de steilrand. De wijk Wolskuil ten noordwesten van de Floraweg ligt aan de voet van deze steilrand. De nokken komen volgens de AHN3 uit op circa 22 meter boven NAP, terwijl de wijk op ongeveer 100 meter afstand van de molen ligt. Volgens de molenbiotoopnorm mag op deze afstand tot een hoogte van circa 29,8 meter boven NAP komen. Daarmee vormt de huidige wijk qua hoogte geen belemmering voor de Witte Molen. De panden rondom de Derde van Hezewijkstraat hebben gevarieerde nokhoogtes, waarvan deze maximaal circa 31,5 meter boven NAP zijn. Deze straat ligt eveneens op een afstand van circa 100 meter vanaf de molen. Concreet betekent het dat deze bebouwing circa 1,5 meter te hoog is. De woningen aan de Oude Azaleastraat zijn ongeveer 33,5 meter boven NAP op een afstand van 200 meter. Dat betekent concreet dat deze bebouwing ongeveer 2 meter te hoog is. De voormalige school aan de Derde van Hezewijkstraat 6, steekt als hoogteaccent uit boven de bebouwing met zo’n 38,5 meter boven NAP.

Pagina 20 van 36

De praktijk

4.3.1.2 Ten zuiden van de Graafseweg: Rozenbuurt De woningen ten zuiden van de Graafseweg behoren tot de Rozenbuurt. De opzet van deze woningen is iets anders dan in Wolfskuil. De nokhoogtes variëren tussen 32 en 34 meter boven NAP, dat ongeveer 2 meter boven de molenbiotoophoogte uitkomt. De panden aan de Looimolenweg, ten zuiden van de molen liggen binnen de honderd meter van de molen en zijn ongeveer 34 meter boven NAP. Dit is ruim 4 hoger dan de molenbiotoop voorschrijft. 4.3.1.3 Ten zuidwesten en westen van de molen: Villa Nova en Florapark De villa staat pal ten zuidwesten van de molen, binnen honderd meter en heeft een nokhoogte van circa 35,5 meter boven NAP. Daarmee is de villa circa 6 meter hoger dan de molenbiotoop voorschrijft. In de kuil gelegen staan het IKC “De Wieken” en een jaren zestig flat. Het IKC heeft een nokhoogte van circa 20,5 meter boven NAP, de flat komt op het hoogste punt uit op ongeveer 31,5 meter NAP, wat op een afstand van 200 meter conform de molenbiotoophoogte is. 4.3.2

Knelpunten en oplossingen bomen

Er zijn een aantal knelpunten benoemd, die in onderstaand overzicht beschreven worden. Alle beplantingen betreffen openbaar groen in eigendom van de gemeente, tenzij anders vermeld. 4.3.2.1 Taxus (openbaar) Omschrijving: Aan de zuidwestzijde staat een Taxus (figuur 9) op zeer korte afstand van de molen, slechts 57 meter gemeten uit het hart van de molen. Probleem: Deze middelhoge boom heeft een hoogte van circa 9,4 meter boven het maaiveld en steekt daarmee circa 3,4 meter boven de stelling van de Witte Molen uit. Hierdoor wordt de molen aanzienlijk gehinderd door turbulente wind. Bijzonderheid: De boom is niet aangemerkt als beeldbepalend. Wel is kap en hevige snoei vergunningplichtig. Oplossing: De boom is redelijk goed te snoeien. De boom zou getopt en in vorm gesnoeid kunnen worden, waarbij op het oude hout minimaal 3,4 meter wordt teruggenomen. Beheer: Na het terugnemen van het dikke hout, zal de taxus waarschijnlijk niet meer in hoogte uitlopen. Reguliere vormsnoei eens in de vier jaar om te voorkomen dat zijtakken een nieuwe top vormen.

Figuur 9: Taxus ontneemt het zicht op de molen, gezien vanuit het zuidwesten naar het noordoosten.

De praktijk

Pagina 21 van 36

4.3.2.2 Bruine Beuk (particulier eigendom) Omschrijving: Aan de noordzijde staat een Bruine Beuk (figuur 10) op zeer korte afstand van de molen, slechts 36 meter gemeten uit het hart van de molen. Probleem: Deze hoge boom heeft een hoogte van circa 16 meter boven het maaiveld en steekt, ondanks het hoogteverschil met het maaiveld van de molen, ruim tien meter boven de stelling van de Witte Molen uit. Hierdoor wordt de molen flink gehinderd door turbulente wind. Bijzonderheid: De boom is in het landelijk register Monumentale Bomen opgenomen onder # 1692567. Op de Groene Kaart van Nijmegen staat deze boom niet als monumentaal aangemerkt. De boom is beeldbepalend. Oplossing: De Beuk is redelijk in vorm te snoeien. De boom van dode takken ontdoen en met mate in vorm snoeien. Beheer: Elk jaar in juni opnieuw bekijken of dode takken en dicht bij elkaar groeiende takken verwijderd moeten worden.

Figuur 10: Hoge Beuk in particuliere tuin, gezien vanaf de stelling van de molen richting het noorden.

4.3.2.3 Rij Eiken (particulier eigendom) Omschrijving: Aan de noordzijde staat een rij Eiken (figuur 11) op korte afstand van de molen, slechts 45 meter gemeten uit het hart van de molen. Probleem: Deze hoge bomen hebben een hoogte van circa 16 meter boven het maaiveld en steken, ondanks het hoogteverschil met het maaiveld van de molen, ruim negen meter boven de stelling van de Witte Molen uit. Hierdoor wordt de molen gehinderd door turbulente wind. Oplossing: De rij bomen is niet beeldbepalend en redelijk goed te snoeien. De bomen zouden gekandelaberd kunnen worden, maar indien niet mogelijk is voor de langer termijn het vervangen bij einde levensduur door een lager blijvende boomsoort een duurzame oplossing. Beheer: Na het terugnemen van het dikke hout, zullen de Eiken waarschijnlijk weer in hoogte uitlopen. Reguliere vormsnoei eens in de vier jaar om te voorkomen dat de boom te hoog wordt.

Pagina 22 van 36

De praktijk

Figuur 11: Rij Eiken voor particuliere woning, langszij de Looimolenweg, gezien vanuit het noorden richting het zuiden.

4.3.2.4 Rij Platanen (openbaar) Omschrijving: Langs de flanken van de Floraweg staan grote Platanen (figuur 12) op korte afstand van de molen, slechts 45 meter gemeten uit het hart van de molen. Probleem: Deze hoge bomen hebben een hoogte van circa 12 tot 16 meter boven het maaiveld en steekt, ondanks het hoogteverschil met het maaiveld van de molen, ruim een meter boven de stelling van de Witte Molen uit. Hierdoor wordt de molen gehinderd in zijn windvang. Oplossing: De rij bomen is redelijk beeldbepalend en is goed te snoeien. De boom kan gekandelaberd worden, waardoor de hoogte er een beetje uitgehaald wordt. Voor de langer termijn is het vervangen bij einde levensduur door een lager blijvende boomsoort een duurzame oplossing. Beheer: Na het terugnemen van het dikke hout, zullen de Platanen waarschijnlijk weer in hoogte uitlopen. Na 5 tot 7 jaar opnieuw kandelaberen.

Figuur 12: Rij Platanen langs de flanken van de Floraweg, gezien richting noordwest (links) en noordoost (rechts).

De praktijk

Pagina 23 van 36

Figuur 13: Cultuurhistorische Waardenkaart van de gemeente Nijmegen met daarop afgebeeld de molenbiotoop van de Witte Molen, gelegen aan de Looimolenweg 17 te Nijmegen.

Pagina 24 van 36

De praktijk

5. Cultuurhistorische waarden 5.1 Molen De Witte Molen te Nijmegen staat in de wijk Wolfskuil, in het bestemmingsplan Nijmegen Oud West 2015 (vastgesteld 30-03-2016). 5.1.1

Situering

De Witte Molen staat bovenop een steilrand, een stuwwal langs de rivierendelta van de Maas en de Waal. Het glooiende landschap strekt zich in oostelijke richting en vindt zijn oorsprong in de opstuwing door het landijs tijdens de Riss-Saale-ijstijd, die ongeveer 250.000 jaar geleden begon. In de Romeinse en Frankische tijd was er bewoning in de omgeving. De omgeving van de molen en bijgebouwen zijn aangemerkt als cultuurhistorisch waardevolle ensembles. De Witte molen en de bijbehorende molenbiotoop zijn opgenomen in de Cultuurhistorische Waardenkaart (fig. 3). 5.1.2

Geschiedenis

In de 17de eeuw stond nabij de huidige locatie, de huidige Loooimolenweg 17, een standerdmolen. Deze is afgebrand en in 1760 is de molen herbouwd in de vorm van een beltmolen. In 1916 is de molen verhoogd en zijn de wieken voorzien van zelfzwichting. De staart van de molen, waarmee de kap en de wieken op de wind gedraaid kunnen worden, werd verlengd, zodat dit nog steeds vanaf de belt gedaan kon worden. De molen groeide steeds meer uit tot een maalbedrijf. In 1928 is de molen grotendeels gesloopt en verbouwd tot maalderij. In 1933 is de molen opnieuw gewijzigd en kreeg de molen een lage stelling, met behoud van de belt. Er werd een wiekverbetering toegepast, zogenaamde Dekker-wieken en een nieuw gaandewerk. In de jaren vijftig is de molen vermoedelijk gestopt met het op windkracht malen en is op gemotoriseerde kracht verder gegaan. Halverwege de jaren zeventig is de molen dermate in verval geraakt dat de molen in bezit kwam van de gemeente Nijmegen. Eind jaren zeventig volgde een ingrijpende restauratie, waarbij de molen definitief een stellingmolen werd en waarbij de wieken veranderd zijn naar het systeem Fäuel (Fokwieken) met zeil. In de beginjaren tachtig is de molen geteisterd door brand, maar is nadien hersteld en het middelpunt van een ambachtelijk maalbedrijf dat recht doet aan het op windkracht malen van graan. 5.1.3

Hoofdvorm

De Witte Molen is een ronde stenen stellingmolen met een gevlucht van 25,60 meter lengte. Het wieksysteem in zijn huidige staat bestaat uit het systeem Faüel (Fokwieken) met automatische remkleppen op beide roeden. De roedes zijn van het fabricaat Derckx, bouwjaar 1979/1983. De gietijzeren as is van het fabricaat Nijmeegsche IJzergieterij, bouwjar 1982, gestoken in 1983. De bediening van de molen gaat via een Vlaamse blokvang uit vier stukken, een vangbalk met haak, vangtrommel en pal. De kap is draaibaar door Engels kruiwerk en een kruilier. De inrichting van de molen bestaat uit twee koppel 16der kunststenen, die op windkracht aangedreven worden. Eén koppel 14der kunststenen wordt elektrisch aangedreven. Daarnaast zijn aanwezig een graanreiniger, silo’s, twee mengketels, zakkenklopper, sleepluiwerk en een elevator.

Cultuurhistorische waarden

Pagina 25 van 36

De molen dankt zijn naam aan het feit geheel gewit te zijn, maar wordt in de volksmond ook nog wel “Looimolen” genoemd. Deze naam verwijst naar de vroegere functie, die van runmolen. Runmolens vermaalden eikenschors om run te maken, dit bevatte looizuur en werd gebruikt bij het looien van leer. De molen is een van de weinige molens in Nederland die zo vaak van uiterlijk en innerlijk is veranderd. Uniek aan deze molen is de exploitatie als windgedreven maalbedrijf, waarbij de ondernemer tevens één van slechts twee molensteenproductiebedrijven in Nederland heeft.

5.2 Bebouwing De wijk Wolfskuil wordt gevormd door de Graafseweg, Wolfskuilseweg, Molenweg en Nieuwe Nonnendaalseweg. De bebouwing in de omgeving is afwijkend van de overige bebouwing, deze is gelegen in een parkachtige omgeving met het voormalige klooster Villa Nova en de Witte Molen als in het oog springende elementen. De meeste huizen zijn grondgebonden eengezinswoningen van twee lagen met kap, gebouwd uit rode en roodbruine baksteen en rode dakpannen. Gestapelde bebouwing komt voor aan de Varenstraat, Bosbesstraat, de Mirthestraat en de Wolfkuilseweg. De tuinwijkstructuur van Wolfskuil betekent dat de wijk groen oogt door de laanbeplanting en de voortuinen. Met behulp van het BAG register zijn de bouwjaren achterhaald van de bebouwing in deze buurten (figuur 14).

Figuur 14: Uitsnede uit de kaart van het BAG register, waarin de bouwjaren van omringende bebouwing is weergegeven. In rood is de Witte Molen te Nijmegen.

Pagina 26 van 36

Cultuurhistorische waarden

5.2.1

Vooroorlogs

Ten zuiden van de Graafseweg ligt de Rozenbuurt, die als blokverkaveling opgebouwd is in de jaren 1920. Het geheel heeft een stenig karakter door het ontbreken van voortuinen. Ten noorden van de Graafseweg ligt de Wolfskuil, die zich kenmerkt doordat de bebouwing in deze buurt ontstaat aan het einde van de 19de eeuw als lintbebouwing langs verbindende landwegen van en naar omliggende dorpen en buurtschappen. De bebouwing kenmerkt zich door vrijstaande agrarische bebouwing met boerderijen, arbeiderswoningen en kleine bedrijven. Het bebouwingspatroon is grillig, in samenhang met oorspronkelijke landschappelijke structuren. Vandaag de dag bestaat de bebouwing uit boerderijen, arbeiderswoningen, maar ook uit marginale bedrijvigheid, rijtjeswoningen, winkels of een school, landhuizen en historische of moderne luxe villa’s. Ten noordoosten van de Witte Molen aan de Derde van Hezewijkstraat staan op de zuidelijke kopse kant van de straat staan een aantal kleine opstallen (schuren/garage) die dateren uit 1896. Een rijtje woningen die uitkomen aan de Graafseweg (nr’s196-206) dateren eveneens uit 1896. Verder in de Derde van Hezewijkstraat, staat een rijtje woningen met schuren in de achtertuin (nr’s 7-21), deze zijn gebouwd in 1907. Aan de noordelijke kopse kant van de Derde van Hezewijkstraat, ligt het pand 23-25, gebouwd in 1917, dat momenteel als werkplaats voor meubelmakers dient.

Villa de Wolfskuil, gelegen in de nabijheid van de molen, aan de Graafseweg 232, vanuit zuidwestelijke richting gezien ten opzichte van de molen. Dit pand is gebouwd in 1913 en heeft op dit moment een gezondheidsfunctie. Het pand is een Rijksmonument vanwege de invloed van Engelse en Duitse landhuisarchitectuur, ontworpen door architect C. de Groot. Het pand is innerlijk en uiterlijk redelijk gaaf bewaard gebleven. Een in stijl aangebouwde kapel van 1935 wordt gezien als een cultuurhistorische meerwaarde. Onder invloed van de Woningwet uit 1901 werden relatief ruim opgezette, arbeiderswijken gebouwd. Met name in Nijmegen West zijn deze wijken planmatig en in de vorm van tuinstadwijk opgezet. Het betreft dan vaak rijtjeswoningen met voor- en achtertuinen en schuurtjes. De rijtjeswoningen ten noordoosten van het Florapark, onder andere aan de Oude Azaleastraat zijn gebouwd tussen 1901 en 1940. Nummer 19 aan de Looimolenweg dateert van 1921. De nummers 9 – 15 zijn gebouwd tussen 1925 en 1928. Vermoedelijk is aan de Derde van Hezewijkstraat 6 een school gebouwd in 1932 en met een uitbreiding in 1934. Ten noordwesten van de Floraweg zijn rijtjeswoningen overwegend gebouwd tussen 1938 en 1940. 5.2.2

Naoorlogse buurten

Na de oorlog was er ruimte voor stadsvernieuwing, waarbij onder andere woonerfcomplexen zijn aangelegd. Vanaf de jaren negentig zijn leeg gevallen bedrijfsterreintjes omgezet in bebouwing van hoogstedelijk karakter door als inbreidingslocaties herontwikkeld te worden. Kleinere buurten worden door de vernieuwingsplannen opgenomen in nieuwe ensembles. Zo zijn de overige panden in de omgeving gebouwd tussen 1950 en 1980 of tussen 1996 tot 2006. Ze vullen met name bestaande ruimtelijke structuren op en hebben het parkachtige ensemble van het Florapark behouden.

Cultuurhistorische waarden

Pagina 27 van 36

5.3 Bomen De Graafseweg, de Wolfkuilseweg en de Floraweg worden geflankeerd door rijen bomen. Deze zijn door de gemeente Nijmegen aangemerkt als onderdeel van de Hoofdbomenstructuur. Langs de Floraweg staan Platanen. Langs de Graafseweg staan gedeeltelijk Platanen in de openbare ruimte en een diversiteit aan bomen in particuliere tuinen. Tussen deze particuliere bomen staan ook enkele “Waardevolle” en “Monumentale bomen. Onder andere ter hoogte van Graafseweg 208 staan enkele Paardenkastanjes en Beuken die aangemerkt zijn als “waardevol”. Aan de overkant, opzij van de Graafsweg 167, staat een Valse Acacia (Robinia pseudoacacia), eveneens als “waardevol” vermeld (figuur 15). In het Florapark, rondom Graafseweg 232 staat twee Lindes (Tilia x europeana), waarvan een als “monumentaal” en een als “waardevol” vermeld is. Beide zijn aangeplant in 1950. Vlakbij staan nog twee Atlansceders (Cedrus atlantica), waarvan een als “monumentaal” en een als “waardevol” vermeld is. Een is aangeplant in 1930, de ander in 1950. Het pand aan de Looimolenweg 19, dat gebouwd is in 1921, heeft naast het pand een tuin, waarin een Bruine Beuk (Fagus sylvatica ‘Purpurea’) staat. Deze boom is ingeschreven in het Landelijk Register van Monumentale Bomen onder nummer: 1692567 (figuur 16). Vermoedelijk is het plantjaar tussen 1850 en 1860.

Hoewel de boom wel in het Landelijk Register vermeld staat, is deze niet opgenomen op de Groene Kaart van Nijmegen. Zowel Lindes, Bruine Beuk als Atlasceders zijn bomen die vaak aangeplant werden in parken of grote tuinen. Atlasceders komen niet van nature voor in Nederland. Hoewel de ‘gewone’ Beuk van nature veel voorkomt in Nederland, is de Bruine Beuk een gekweekte variëteit die veelal in parken en tuinen wordt aangeplant. Ook voor de Linde geldt, dat de oorspronkelijke ‘Winter’ en ‘Zomer’ Lindes van nature veel voorkomen in Nederland. Van deze wilde soorten is een kruising ontstaan, die weer verder als variëteit is gekweekt. Het is een veelzijdige boom, die vaak als laanboom op nabij boerderijen wordt aangeplant.

Pagina 28 van 36

Cultuurhistorische waarden

Figuur 15: Uitsnede uit de Groene Kaart. Ter hoogte van het rode kruisje staat de Witte Molen. De groene bomen zijn “waardevolle bomen”, de roze bomen zijn “monumentaal”. In groene lijnen zijn de hoofdbomenstructuren weergegeven en in rode vlakken de zones waarin een rooivergunningplicht geldt.

Figuur 16: Uitsnede kaart Landelijk Register voor Monumentale Bomen. In het midden is te zien de Witte Molen te Nijmegen. Met een klein groen boom-icoontje aangegeven is de Bruine Beuk die als Monumentale Boom is aangemerkt, maar niet op de Groene Kaart staat.

Cultuurhistorische waarden

Pagina 29 van 36

6. Conclusie 6.1 Bestemmingsplannen In de huidige Wet ruimtelijke ordening zijn taken en bevoegdheden van de diverse overheden op het gebied van ruimtelijke ordening omschreven. In aanvulling daarop zijn diverse besluiten opgesteld. Bijvoorbeeld het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, welke een aantal van de nationale ruimtelijke belangen uit de Nota Ruimte en voormalige planologische kernbeslissingen in geldende nationale regelgeving borgt. Hierin wordt onder andere de bescherming van UNESCOwerelderfgoederen vastgelegd, zoals Kinderdijk. In het Besluit omgevingsrecht (Bor) is vastgelegd wie bevoegd gezag is en wat de voorschriften zijn voor een omgevingsvergunning. In de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht (wabo) wordt de omgevingsvergunning zelf geregeld. In artikel 2.1.1.f wordt een verbod op het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een rijksmonument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. De bestuursrechter heeft echter in de uitspraak uit Utrecht in 20124 uitgesproken dat de werking van de Monumentenwet 1988, nu de Erfgoedwet, zich uitstrekt tot het pand als geheel.

Aanvullend heeft de bestuursrechter uit Elburg in 20145 uitgesproken dat bij onduidelijkheid gekeken dient te worden naar de redengevende omschrijving van het register van rijksmonumenten om te bepalen welke aspecten van het monument in het bijzonder beschermenswaardig zijn, indien deze aspecten verder strekken dan alleen het pand zelf. In de regel zijn de redengevende omschrijvingen van het register zeer summier, vaak bestaand uit slechts enkele woorden of een regel. Sinds 2000 bevatten nieuw aangewezen monumenten – indien zijnde molens – vaak wel een omschrijving of aanwijzing ten aanzien van de molenbiotoop. Dit zorgt in de juridische praktijk voor verschillen tussen molens en de waardering van dit specifieke monument. De bestuursrechter heeft verder uitgesproken dat de molenbiotoop niet juridisch beschermd is op grond van artikel 2.1.1.f, omdat in de memorie van toelichting blijkt dat deze verwijzing bedoeld is voor terreinen met hoge archeologische verwachting. Hoewel de Bro beschrijft dat het voor een gemeente volstaat om de cultuurhistorische waarden te beschrijven in de plantoelichting en niet verplicht is om deze in de planregels op te nemen, schrijft jurisprudentie over de molenbiotoop iets anders voor. In een uitspraak uit Nederweert in 20136 spreekt de bestuursrechter uit dat de plantoelichting niet juridisch bindend is, waar de planregels dit wel zijn.

Volgens de uitspraak dient de plantoelichting in zoverre slechts als uitleg van de planregeling. Daarnaast stelt de bestuursrechter dat de planologische regeling ten behoeve van de molenbiotoop voorrang heeft boven de regels die gelden ingevolge de bestemmingen of andere aanduidingen die tevens aan de gronden met de aanduiding “vrijwaringszone – molenbiotoop” zijn toegekend. Met andere woorden, zelfs als er een hogere maximumbouwhoogte dan de molenbiotoop is toegestaan, dient een omgevingsvergunning getoetst te worden aan de molenbiotoopregels en indien nodig kan hier gemotiveerd van afgeweken worden. In uitspraken uit Zuid-Beijerland in 2016 en uit Weert in 2019, spreekt de bestuursrechter uit dat de noodzakelijk- en mogelijkheid van op te richten nieuwe bebouwing om af te wijken voor gronden 4

ECLI:NL:RVS:2012:BY3086 ECLI:NL:RVS:2014:3778 6 ECLI:NL:RVS:2013:BZ7610 5

Pagina 30 van 36

Conclusie

binnen de molenbiotoop vastgestelde beperkende bouwregels zelfstandig beoordeelt dient te worden door bevoegd gezag bij de aanvraag van een omgevingsvergunning. Met andere woorden, in geval een molen valt in de gronden van bestemmingsplannen, dienen deze bestemmingsplannen voorzien te zijn van een vrijwaringszone molenbiotoop, waarvan de straal doorgaans 400 meter is, en een set regels waaraan bebouwing en beplanting beoordeeld worden bij de aanvraag van een omgevingsvergunning. Het is niet afdoende om deze regels enkel in de plantoelichting te hebben, noch om bij voorbaat in het bestemmingsplan van de regels af te wijken door een hogere bebouwing toe te staan. Binnen de molenbiotoop van de Witte Molen te Nijmegen liggen nu vier verschillende bestemmingsplannen: West, Oud West, Midden 2015 en Centrum-Stationsomgeving. Alleen het bestemmingsplan Oud West bevat regels ten aanzien van de molenbiotoop in de toelichting van het bestemmingsplan.

6.2 Bebouwing De omgeving van de Witte molen bestaat uit bebouwing uit meerdere tijdsperioden, maar bevat geen grote ontwikkelingslocaties. Het bestemmingsplan Oud West is niet gewijzigd ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan en is daarmee min of meer conserverend van aard. De regels van de vrijwaringszone molenbiotoop zullen geen direct effect hebben op de bestaande bebouwing, deze zijn namelijk van rechtswege vrijgesteld. Wel betekent het dat toekomstige bouwactiviteiten, zoals het plaatsen van dakkappelen, dakopbouwen, uitbreidingen, volledige nieuwbouw en de inrichting van tuinen en park met nieuwe bomen vergunningplichtig zijn of worden en daardoor getoetst kunnen worden aan de molenbiotooprichtlijn.

6.3 Bomen Het behoud van groen, biodiversiteit en omgevingskwaliteit is belangrijk voor het welzijn van mensen en dieren. De invloed op de windvang die voortvloeit uit de keuze voor boomsoorten die te hoog worden, is dan ook een veel voorkomend dilemma. Vaak zijn de bomen in een latere periode geplant, toen de molen bijvoorbeeld na de oorlog in verval raakte. Ook dat is hier gedeeltelijk gebeurd. Met de inzet van vrijwilligers en restauraties sinds de jaren 70 en 80 hebben de molens in Nederland weer een opleving gemaakt. Helaas is de omgeving daar vaak niet meer op afgestemd. Bomen die klein waren bij de aanplant, zijn nu grote volwassen bomen van gemiddeld 15 tot 20 meter hoogte. In enkele gevallen zelfs tot 35 – 40 meter hoogte. Het vraagt om nadenken hoe de (groene) omgeving zo is af te stemmen op de cultuurhistorische waarden in de omgeving. Vaak zijn deze groene elementen zelf ook aspecten van die cultuurhistorische waarden. In paragraaf 5.3.2. zijn verschillende knelpunten benoemd en een aantal mogelijke oplossingen. De Hollandsche Molen schrijft dan ook geen directe kap van bomen voor, maar vraagt aandacht voor bepaalde snoeivormen en –technieken die de boomhoogte kunnen reduceren en aandacht voor duurzamere opties.

Het vastleggen dat bestaande bomen bij einde levensduur vervangen worden door lager blijvende boomsoorten conform de molenbiotooprichtlijnen kan in een bestuurlijke toezegging. Dit soort convenanten is in verschillende steden toegepast, onder ander in Alkmaar, Leiden, Rotterdam-Overschie en kleinere dorpsgemeenten in de verschillende provincies.

Conclusie

Pagina 31 van 36

7. Advies 7.1 Bestemmingsplan De Hollandsche Molen adviseert de gemeente Nijmegen om een herziening voor vier bestemmingsplannen te ontwikkelen en bij de omzetting van bestemmingsplan naar omgevingsplan, in het kader van de Omgevingswet, rekening te houden met de vrijwaringszone molenbiotoop. Over enkele jaren zal de Omgevingswet ingevoerd worden. Dit nieuwe stelsel van wetten en regels veroorzaakt een verandering ten aanzien van de molenbiotoop. In artikel 2.28 van de Omgevingswet zijn verplichte instructieregels van het Rijk opgesteld ten aanzien van het omgevingsplan en projectbesluit. Het eerste sublid bevat het behoud van cultureel erfgoed en archeologie, het tweede sublid bevat het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed. In artikel 4.28 en 4.29 wordt beschreven dat de rijksregels activiteiten die cultureel erfgoed of werelderfgoed betrekken, opgesteld zijn met het oog op het behoud van cultureel erfgoed en dat deze regels er in ieder geval toe strekken dat beschadiging of vernieling van cultureel erfgoed wordt voorkomen, en dat het, voor zover het monumenten betreft, in stand wordt gehouden. In de AmvB Besluit Kwaliteit Leefomgeving wordt in artikel 5.130 deze rijksregel verder ingevuld. In dit artikel staan regels ten aanzien van het omgevingsplan.

De grootste verandering zit hem in sublid 2 onder ‘d’ 1, waarin de regel ter voorkomen van aantasting van ook geldt voor de omgeving van rijksmonumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd. In de toelichting staat expliciet beschreven dat deze verwijzing geldt voor de omgeving van monumenten, zoals de omgeving van een molen, omdat de omgeving van invloed is op de windvang en daarmee dus op de instandhouding van de molen.

7.2 Bebouwing De Hollandsche Molen adviseert de gemeente Nijmegen om – in de aanloop naar de herziening van de bestemmingsplannen - bij nieuwe aanvragen omgevingsvergunningen de bouwplannen toch al te toetsen aan de hand van de molenbiotooprichtlijnen uit de toelichting van het bestemmingsplan Oud West en de provinciale ruimtelijke verordening en indien afwijking nodig is, deze afwijking te motiveren met bijvoorbeeld een windvangonderzoek.

7.3 Bomen De Hollandsche Molen adviseert de gemeente Nijmegen om een convenant op te stellen waarin te hoge bomen binnen 400 meter vervangen worden bij einde levensduur door kleinere boomsoorten conform de molenbiotoophoogtes. Daarnaast adviseert De Hollandsche Molen om voor de eerste 100 meter vanuit de molen een apart regime te ontwikkelen, waarbij te hoge bomen rigoureuzer en frequenter te snoeien om zo de hoogte zoveel als mogelijk te reduceren, zonder de boom daadwerkelijk schade aan te doen. In geval van ziektes, plagen of schade aan bomen, zou de aanwezigheid van de molenbiotoop als extra argument in de afweging van een kapvergunning meegenomen dienen te worden.

Pagina 32 van 36

Advies

Verder adviseert De Hollandsche Molen om een bewonersbijeenkomst te organiseren voor omwonende met hoge bomen in de tuinen en daar uitleg te geven over de molenbiotoop en de invloed van de inrichting van particuliere tuinen. Desgewenst kan De Hollandsche Molen hier ondersteuning in geven.

Advies

Pagina 33 van 36

Bijlagen Bijlage 1 – Grafiek relatie vermogen en windsnelheid

Bijlage 2 – Bomenlijst laagblijvers

Bijlage 3 Zienswijzennota

vastgesteld bestemmingsplan Facetbestemmingsplan Molenbiotoop

73

Facetbestemmingsplan Molenbiotoop Zienswijzennota

Gemeente Nijmegen Bureau Ruimtelijke Planvorming Maart 2024

D230897620Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan

1

Inleiding Het ontwerp Facetbestemmingsplan Molenbiotoop heeft van donderdag 14 december 2023 tot en met woensdag 24 januari 2024 voor eenieder ter inzage gelegen. De tervisielegging is gepubliceerd op woensdag 13 december 2023. Er zijn twee zienswijzen binnengekomen. De zienswijzen zijn in deze zienswijzennota samengevat en voorzien van een beoordeling door het college van burgemeester en wethouders. Voor zover een onderdeel van de zienswijze niet specifiek aan bod zou komen, wil dat niet zeggen dat de zienswijze niet in de beoordeling betrokken is. De reactie op het betreffende onderdeel ligt dan besloten in de weerlegging van de overige onderdelen van de zienswijze. De ontvankelijke zienswijzen zijn dus volledig in de beoordeling betrokken. Ook is aangegeven of de zienswijzen al dan niet tot aanpassing van het bestemmingsplan hebben geleid.

2

3

Samenvatting en beoordeling zienswijzen 1. Zienswijze 1 De Witte Molen

Inhoud zienswijze en beoordeling Inleiding De molenaar geeft een korte inleiding om het belang van de molen in beeld te brengen: “Ik ben al vanaf 1980 molenaar op de Witte molen in Nijmegen en met gepaste trots kan ik zeggen dat dit één van de zeer weinige molens in Nederland is die zes dagen in de week volledig in gebruik is als productiemolen. Wij malen hier op jaarbasis ruim 200 ton biologische granen tot meel en daarnaast ontvangen wij jaarlijks honderden bezoekers en vele schoolklassen om ze kennis te laten maken met de molen en het molenaarsambacht. Dat is een situatie die in Nederland en zelfs Europa behoorlijk uniek is. Er zijn slechts een handvol vergelijkbare molens te vinden. En dat is, zeker met het oog op het feit dat de Unesco het ambacht van molenaar in 2017 heeft uitgeroepen tot immaterieel erfgoed, iets om te koesteren in Nijmegen.” Belemmering door bestaande bomen Het facetbestemmingsplan biedt een beschermende regeling van de molenbiotoop voor de toekomstige situatie. Appellant geeft aan dat de molenbiotoop ernstig gehinderd wordt door bestaande bomen. Windbelemmering zorgt voor een onevenredige belasting van het wiekenkruis, en daarmee voor meer slijtage en afname van de levensduur van essentiële onderdelen. Ook op de veiligheid heeft dit effect, want er kunnen haarscheurtjes ontstaan in de lassen van de roeden met mogelijke breuk tot gevolg.

Ook is goed zicht van de molenaar van belang om het weer en mogelijke gevaren te kunnen observeren. Aangezien het bestemmingsplan vermeldt dat er voorrang wordt gegeven aan de molens ten opzichte van de Hoofdbomenstructuur, pleit deze zienswijze voor aanpassing van het bestemmingsplan om regels op te nemen om de huidige situatie te verbeteren en hoge bomen aan te kunnen pakken. De bomen zullen nog in hoogte groeien en daarmee de situatie verslechteren. Reactie gemeente Het snoeien van bomen zal niet doelmatig zijn om bomen in hun hoogte te beperken, want snoei stimuleert juist de groei van bomen. Het kandelaberen van bomen, waarbij de kruin van een boom sterk wordt ingenomen, waarbij doorgaans de takken van de kroon met 50% tot 80% worden ingekort, is een zeer drastische ingreep die ernstige gevolgen kan hebben. Kandelaberen is een omstreden maatregel die de boom verminkt en verzwakt, maar in een aantal gevallen het (tijdelijk) behoud van de boom kan betekenen. In ‘Bijlage 1 Bestaande bomen en beoordeling maatregelen’ bij deze zienswijzennota zijn de bomen in beeld gebracht die een knelpunt vormen voor de molenbiotoop, gebaseerd op het rapport van belangenorganisatie De Hollandsche Molen. Hierop heeft gemeente Nijmegen een beoordeling gedaan of en welke maatregelen er mogelijk zijn. Het rapport van De Hollandsche Molen rapport wordt aan de toelichting als bijlage toegevoegd.

Vanwege het belang dat gemeente Nijmegen hecht aan groen en bomen, zie ook de Omgevingsvisie, is er voor gekozen om aan te sluiten bij de regeling van de provinciale verordening die zich enkel richt op een regeling voor de aanplant van bomen, en dus niet op het opnemen van een snoeiverplichting en/of kapverplichting.

4

Aanplant bomen aan Graafseweg In 2022 zijn er aan de Graafseweg nog 19 bomen aangeplant die een groeihoogte hebben die de normen uit de molenbiotoop overschrijden, ondanks het rapport van De Hollandsche Molen en de bepalingen in de Gelderse Molenverordening. Dit had voorkomen kunnen worden. Het betreft: 5 stuks Aesculus flava (Hoogte volwasfase 15-20m) 5 stuks Celtis australis (Hoogte volwasfase 15-20m 1 stuks Platanus x hispanica (Hoogte volwasfase 20-30m) 7 stuks Ulmus x hollandica ‘Belgica’ (Hoogte volwasfase 20-30m) 1 stuks Liquidambar styraciflua (Hoogte volwasfase 25-30m) De zienswijze pleit voor aanpassing van de planregels om de huidige situatie te verbeteren. Reactie gemeente Gemeente Nijmegen hecht een groot belang aan bomen en specifiek aan de Hoofdbomenstructuur. De aanplant bij de Graafseweg in 2022 heeft plaatsgevonden in het kader van de reconstructie van de Graafseweg. De Graafseweg is onderdeel van de Hoofdbomenstructuur. Het belang van het kunnen aanplanten van de Hoofdbomenstructuur en het tegengaan van hittestress heeft daarbij geprevaleerd ten opzichte van de bescherming van de molenbiotoop. Nu vindt hierop een heroverweging plaats. De molenbiotoop prevaleert voor de toekomst op de Hoofdbomenstructuur bij de aanplant van nieuwe bomen. In 2022 heeft deze afweging minder nadrukkelijk plaatsgevonden.

De bomen zijn nog niet van zodanige omvang dat ze om die reden op zichzelf als waardevol gezien worden. We gaan daarom deze in de zienswijze genoemde bomen verwijderen, en herplanten op andere locaties buiten de molenbiotoop. Er worden nieuwe bomen aan de Graafseweg teruggeplant. Deze bomen zullen in volwassenstaat voldoen aan de hoogtebeperkingen van de molenbiotoop. Onjuiste tekst over molenbiotoop In het bestemmingsplan is het volgende vermeld: “Sinds het vaststelling van de Omgevingsverordening Gelderland in december 2018 heeft de Provincie Gelderland een beschermingsregime voor molenbiotopen geïntroduceerd.” Appellant geeft aan dat dit onjuist is. Sinds 1988 is de bescherming al geregeld via de Gelderse Molenverordening. Door een betere bescherming van de molenbiotoop in het verleden zou de huidige situatie niet ontstaan zijn. Daarom dient een bepaling opgenomen te worden in het facetplan waarin ook voor de huidige begroeiing de maximale groeihoogte gekoppeld wordt aan de regels van de molenbiotoop. Reactie gemeente Het is inderdaad onvolledig om niet ook de Gelderse Molenverordening te benoemen. Dit wordt aangepast. Groenbeheerplan Als regels betreffende de bestaande begroeiing om gemotiveerde juridische redenen niet haalbaar zijn, is het opstellen van een groenbeheerplan essentieel om de molenbiotoop te verbeteren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=35f6c57a-29f8-44bd-876c-904dc84c148f