CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

ETFAL motivering

Besluitronde (raadsvergadering) 17 december 2025, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 71-Bopa-20250408 (Holtakkerweg 10) (96/2025)16.230 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het aspect geluid door (spoor)wegen en/of industrieterreinen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van deze BOPA., inclusief trillingen.

28

7.2.1.4 Toetsing geluid door activiteiten Het besluitgebied ligt op een bedrijventerrein waar geen geluidsgevoelige functies ( wonen ) zijn toegestaan.

Bij het bepalen van het aspect geluid is gebruik gemaakt van de nieuwe VNG-handreiking “Activiteiten en milieuzonering” uit 2024.

De afstand die voor het vestigen van een overdekte sporthal in de handreiking is opgenomen bedraagt 30 meter tot een geluidsgevoelig object. Uit bovenstaand kaartje wordt duidelijk dat er ruim 175 meter afstand tussen de projectlocatie en de dichtstbijzijnde woning bestaat. Toetsing door de te ontplooien activiteiten is derhalve niet aan de orde.

Figuur: afstand tussen besluitgebied en dichtstbijzijnde wonin

7.2.1.5 Conclusie geluid door activiteiten Het aspect geluid door activiteiten vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van deze BOPA.

29

7.2.3 Luchtkwaliteit 7.2.3.1 Algemeen Voor luchtkwaliteit gelden doelen en omgevingswaarden. De doelen voor luchtkwaliteit zijn vastgelegd in het Schone Lucht Akkoord, waarbij gemeente Nijmegen streeft naar het permanent verbeteren van de luchtkwaliteit. Dit moet leiden tot een gezondheidswinst van minimaal 50% in 2030 ten opzichte van 2016. Hierdoor leven mensen langer, gezonder en met meer kwaliteit van leven. Initiatieven moeten een positieve bijdrage leveren aan de maatregelen die hieruit voortvloeien. Deze maatregelen zijn vastgelegd in het Uitvoeringsprogramma 20202030 (‘Op weg naar een gezonde luchtkwaliteit’). Naast het Schone Lucht Akkoord zijn in Afdeling 2.2. van het Bkl omgevingswaarden voor zwaveldioxide, stikstofoxiden, stikstofdioxiden, fijnstof, benzeen, lood, koolmonoxide en ozon opgenomen. In Nederland worden over het algemeen alleen mogelijke overschrijdingen voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) verwacht. Als een BOPA activiteiten toestaat die leiden tot een verhoging van die concentratie stikstofdioxide of fijnstof in de buitenlucht, dan moeten de omgevingswaarden uit afdeling 2.2. van het Bkl in acht worden genomen. Dit volgt uit paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. In 2024 worden door de EU nieuwe omgevingswaarden vastgesteld. Hierbij worden de waarden verder aangescherpt en komen er voor meerdere stoffen resultaatsverplichtingen.

De luchtkwaliteit hoeft in de meeste gevallen niet beoordeeld te worden. Er bestaat namelijk een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM). In een aantal situaties moet de luchtkwaliteit wel beoordeeld worden, bijvoorbeeld wanneer sprake is van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (als bedoeld in het Bal). Een BOPA voldoet aan de luchtkwaliteitsnormen indien: • aannemelijk is gemaakt dat het project niet leidt tot het overschrijden van een grenswaarde of niet leidt tot een toename van reeds bestaande overschrijding van een grenswaarde; • aannemelijk is gemaakt dat de luchtkwaliteit als gevolg van het project per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; of bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit, door een met het project samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (saldering); • aannemelijk is gemaakt dat het plan NIBM bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor een grenswaarde is opgenomen.

Gevoelige functies De belangrijkste bepalende factor voor de blootstelling aan luchtverontreiniging door druk verkeer is de afstand tussen bron en ontvanger. Voldoende afstand wordt het meest effectief bereikt door hiermee rekening te houden bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij “[…] in ieder geval rekening wordt gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid”. Gevoelige groepen worden extra beschermd tegen blootstelling aan luchtverontreiniging door geen nieuwe voorzieningen voor langdurig verblijf te realiseren dichtbij drukke wegen. Voor Nijmegen betekent dit dat: • er minimaal 300 meter afstand wordt gerealiseerd tussen een snelweg en een gevoelige functie; • er geen gevoelige functies worden gerealiseerd in de eerstelijns bebouwing binnen een straal van 25 meter van een drukke weg (>10.000 voertuigen/etmaal); • reconstructie van gemeentelijke wegen binnen 50 meter van een gevoelige functie alleen plaats mag vinden als dit de luchtkwaliteit positief beïnvloedt. Decentrale omgevingswaarden In Nijmegen zijn geen facultatieve omgevingswaarden voor luchtkwaliteit van toepassing.

7.2.3.2 Toetsing Het plan is kleinschalig van aard: in feite wordt er een functie toegevoegd met een beperkte verkeer aantrekkende werking. Gesteld kan worden dat het plan in niet betekende mate bijdraagt aande luchtvervuiling. 30

7.2.3.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van deze BOPA.

7.2.4 Geur 7.2.4.1 Algemeen Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening houden met geur door activiteiten in de omgeving van geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: • bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen • bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven) Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan de locaties vast waar waarden voor geur gelden. Sommige activiteiten kennen afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit. De gemeente Nijmegen heeft nog geen normen voor geurhinder in het omgevingsplan opgenomen.

Om te bepalen of sprake is van aanvaardbare geurhinder, hanteert de gemeente het Gelders geurbeleid als toetsingskader. In het Gelderse geurbeleid is de eerste stap het vaststellen hoe (on)aangenaam de geur is die vrijkomt bij het bedrijfsproces. Daar zijn normen voor ontwikkeld (hedonische schaal). De mate van (on)aangenaamheid van de geur, de zogenoemde hedonische waarde, wordt vastgesteld volgens de Nederlandse Voor Norm (NVN) 2818. Deze norm is door de NEN-normcommissie geur opnieuw herzien en vastgesteld in 2019.

7.2.4.2 Toetsing Het aspect geur is bij deze ontwikkeling niet van toepassing.

7.2.4.3 Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van deze BOPA.

7.2.5 Bodem 7.2.5.1 Algemeen Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving. Daaronder wordt ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem verstaan. Onder de Omgevingswet is het wettelijk instrumentarium voor de bodem gebaseerd op drie pijlers: 1. het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); 2. het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); 3. het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen).

31

Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, moet op grond van het Bkl (artikel 5.89i en 5.89j) worden aangetoond dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van het omgevingsplan of omgevingsvergunning. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook het aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Bal noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

7.2.5.2 Toetsing Dit project voorziet in het functioneel anders indelen van een bestaande bedrijfslocatie. Het bouwen op verdieping van de noordelijke overstek buiten het bouwvlak leidt ook niet tot het roeren van grond.

7.2.5.3 Conclusie Gezien het voorgaande is verzekerd dat de bodemkwaliteit binnen het besluitgebied voldoet aan de toelaatbare bodemkwaliteit.

7.2.6 Water 7.2.6.1 Algemeen Weging van de waterbelangen Uit de Omgevingswet en paragraaf 5.1.3 van het Bkl volgt, dat het bevoegd gezag bij het verlenen van een BOPA rekening dient te houden met de waterbelangen. Deze waterbelangen zijn belegd bij verschillende overheden. Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling de belangen van de andere overheden/waterbeheerders raakt, moet vroegtijdig afstemming plaatsvinden over manieren waarop de ruimtelijke ontwikkeling en de waterbelangen optimaal kunnen samengaan. Water en bodem sturend Volgens de Nijmeegse Klimaatadaptatiestrategie vormt het natuurlijk water en bodemsysteem het uitgangspunt bij stedelijke ontwikkelingen. We bouwen bij voorkeur niet op locaties waar dit vanuit waterhuishoudkundig oogpunt niet gewenst is, zoals in de droogdalen(langgerekte laagten) en gebieden met (kans op) hoge grondwaterstanden. Als we op basis van een integrale afweging toch voor de betreffende locatie kiezen, moet de bouw zodanig plaatsvinden, dat dit geen nadelige invloed heeft op de natuurlijke waterhuishouding. Beheer van watersystemen Uit de instructieregels van het Bkl volgt, dat de gemeenteraad rekening dient te houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De opvattingen van de waterbeheerder moeten daarbij worden betrokken. Dit betekent dat er sprake is van een motiveringsverplichting en een impliciete overlegverplichting.

Het doel is om op deze wijze bij ruimtelijke planprocessen vroegtijdig afstemming te laten plaatsvinden tussen de betrokken overheden, en gezamenlijk te zoeken naar manieren waarop ruimtelijke ontwikkelingen en waterbelangen optimaal kunnen samengaan.

Waterbeheerprogramma 2022-2027: Versterken. Verbinden. Vergroenen. 32

Het beleid van het waterschap Rivierenland is beschreven in het waterbeheerprogramma. Hierin stuurt het waterschap onder andere aan op het verbeteren van de waterkwaliteit en op ‘slim waterbeheer’. Hierbij geldt de volgende strategie: We moeten als eerste (grond)water zien vast te houden (infiltreren) en bergen voordat we het afvoeren. Daarnaast moeten we zuiniger omgaan met water. Hierbij volgen we de route van vroegtijdige waterbesparing naar beperking van watergebruik. We doen dit om minder afhankelijk te zijn van de aanvoer van water. Als de voorgaande stappen onvoldoende opleveren, moeten we als maatschappij leren accepteren dat er tijdelijk overlast of schade kan ontstaan. Bij het volgen van deze route gaan we ervan uit dat de ruimtelijke inrichting van gebieden is afgestemd op de beschikbaarheid van zoet water.

Waterschapsverordening De waterschapsverordening bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die het waterschap stelt binnen haar beheergebied. In deze verordening staan onder andere: • Regels om schade aan dijken en oevers te voorkomen; • Regels voor onderhoud van onder andere sloten en beken; • Regels om watertekort, wateroverlast en vervuiling te voorkomen. De waterschapsverordening is bovendien van toepassing wanneer er sprake is van een lozing, onttrekking van water, aan- of afvoer van water of werkzaamheden bij dijken en wateren. In deze situaties moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd, waarbij het waterschap bevoegd gezag is. Voorkomen wateroverlast In de Klimaatadaptatiestrategie Nijmegen ‘Samen voorbereid op het weer van de toekomst (2023)’ wordt voor de verwerking van het hemelwater aangesloten bij de landelijke Maatlat voor een Groene en Klimaatadaptieve Gebouwde Omgeving. Deze landelijke maatlat geeft aan dat er een range van 40 tot 70 millimeter water moet worden verwerkt op privaat terrein, of in daaraan gekoppelde extra voorzieningen binnen het besluitgebied, of binnen de watersysteemgrenzen. Hierbij hanteren we de volgende voorkeursvolgorde: 1. Besparen en benutten; het ontwerp van nieuwbouwwoningen dient te voorzien in waterbesparende maatregelen. 2. Vasthouden en infiltreren; bij voorkeur oppervlakkig. 3.

Bergen; alleen als het niet anders kan, kan het hemelwater worden afgevoerd. De gemeente Nijmegen wil voorkomen dat het hemelwater het bodem- en watersysteem vervuilt. Daarom moet afstromend hemelwater zo schoon mogelijk blijven. Dit betekent dat er geen uitlogende bouwmaterialen mogen worden gebruikt. Om wateroverlast te voorkomen, moeten gebouwen zo worden gebouwd, dat er geen schade optreedt bij een bui van 70 mm in een uur. Dit kan bijvoorbeeld door het vloerpeil 20 cm boven het hoogste deel van de weg aan te leggen.

7.2.6.2 Toetsing Ook in de nieuwe situatie is er sprake van een gescheiden rioolstelsel binnen het besluitgebied. Uiteraard worden er bij het realiseren van de modernisering van de huidige bedrijfshal geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt.

Het plan is in het kader van vooroverleg besproken met het Waterschap Rivierenland’. Dit overleg heeft tot de volgende inhoud van een mail van mevrouw Oosters-de Boer geleid: “De kavel aan de Holtakkerweg 10 Nijmegen is momenteel geheel verhard. De ontwikkeling die u telefonisch heeft toegelicht betreft het wijzigen van het bestaande bedrijfspand. De ontwikkeling leidt niet tot een toename van het verhard oppervlak van de kavel en daarmee ook niet tot versnelde afvoer van hemelwater.

33

Het plan is daarom waterhuishoudkundig niet relevant en er is geen verder overleg met het waterschap nodig” .

7.2.6.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling.

7.3

Klimaatadaptatie

7.3.1

Algemeen

Het klimaat verandert. Ook in Nijmegen ervaren we de laatste jaren steeds vaker wateroverlast, extreme hitte en droogte. Nijmegen wil deze problemen aanpakken door in 2035 klimaatbestendig te zijn. De klimaatadaptatiestrategie ‘Samen voorbereid op het weer van de toekomst” beschrijft de aanpak om dit doel te bereiken. In deze strategie staan per thema onze hoofddoelen: • Droogte: langdurige droogte leidt niet tot structurele schade aan bebouwing, fundering, wegen, groen, gronden oppervlaktewater en vitale en kwetsbare functies. • Hitte: een gezonde groene fysieke leefomgeving, met voldoende koelteplekken. Vitale en kwetsbare functies, groengebieden en ecologische verbindingen zijn bestand tegen hitte. • Wateroverlast: hevige neerslag leidt niet tot schade aan gebouwen, boven- en ondergrondse infrastructuur en voorzieningen. Kwetsbare en vitale functies blijven beschikbaar. • Gevolgbeperking overstroming: we zorgen voor gevolgbeperking van overstromingen bij overstroombare gebieden langs de Waal en buitendijkse gebieden. Daarnaast staan in deze strategie stadsbrede doelstellingen voor droogte, hitte en wateroverlast, waarmee we invulling geven aan wat we in Nijmegen verstaan onder klimaatadaptatie. In de klimaatadaptatiestrategie beschrijven we aan de hand van leidende principes en prestatie-indicatoren hoe we onze doelstellingen willen bereiken.

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkeling wordt hieraan getoetst. Verder zijn in de klimaatadaptatiestrategie een aantal prioritaire locaties benoemd. Op deze locaties zijn extra inspanningen nodig om de doelstellingen te bereiken. Op overige locaties worden de klimaatdoelstellingen bereikt door deze doelen te verbinden aan ruimtelijke ontwikkelingen.

7.3.4.2 Toetsing Het besluitgebied is geen prioritaire locatie t.a.v. klimaatadaptatie. Het betreft bestaand stedelijk gebied in een geheel verharde omgeving.

7.3.4.3 Conclusie Bij de planvorming is een rekening gehouden met klimaatadaptatie:

Klimaatadaptatie en beperking van hittestress bij een duurzaam bedrijfspand In het kader van klimaatadaptatie wordt bij dit bedrijfspand actief ingezet op het beperken van hittestress en het waarborgen van een comfortabel binnenklimaat, ook tijdens extreem warme

34

periodes. Daarbij is gekozen voor een combinatie van bouwkundige en installatietechnische maatregelen die zowel de energieprestatie als het thermisch comfort optimaliseren. Goede isolatie Het pand is voorzien van een hoogwaardige isolatieschil, met een uitstekende isolatiewaarde van gevels, dak, vloer en kozijnen. Deze thermische schil voorkomt ongewenste warmte-instraling in de zomer én warmteverlies in de winter, waardoor het binnenklimaat stabieler blijft en de energievraag aanzienlijk wordt gereduceerd. Reflecterende gevel- en dakmaterialen Door te kiezen voor lichte kleuren op de gevels en het dak wordt het zonlicht grotendeels gereflecteerd. Dit voorkomt opwarming van het gebouwoppervlak en vermindert daarmee de warmteopbouw in het pand. Deze relatief eenvoudige, passieve maatregel draagt in hoge mate bij aan het beperken van hittestress. Energielabel A+++ Het gebouw voldoet aan de hoogste energieprestatie-eisen en heeft een energielabel A+++. Dit onderstreept het duurzame karakter en de energie-efficiëntie van het pand, waarbij hernieuwbare technieken en slimme bouwkundige keuzes hand in hand gaan. Schaduw door overstekken Om directe zoninstraling op de gevels en ramen te beperken, zijn overstekken en luifels toegepast. Deze zorgen voor natuurlijke schaduw, vooral in de zomermaanden wanneer de zon hoog aan de hemel staat.

Hierdoor blijft de binnentemperatuur koeler zonder dat actieve koeling direct nodig is. Ventilatie met warmteterugwinning (WTW) en 100% bypass Het pand is uitgerust met een geavanceerd WTW-ventilatiesysteem dat in de winter efficiënt warmte uit afgevoerde lucht hergebruikt. Tijdens warmere dagen kan het systeem via de 100% bypass-modus verse, koelere buitenlucht direct aanvoeren zonder extra opwarming, wat het comfort verhoogt en oververhitting helpt voorkomen. Laagtemperatuurvloerverwarming met lucht-water warmtepomp De verwarming wordt verzorgd door een energiezuinige lucht-water warmtepomp in combinatie met vloerverwarming. Dit systeem zorgt voor een gelijkmatige warmteverdeling en is geschikt voor lage temperatuurverwarming, wat bijdraagt aan een efficiënte inzet van duurzame energie. Extra koeling via airconditioning Om in extreme weersomstandigheden extra comfort te garanderen, zijn er aanvullend airco-units geïnstalleerd. Deze worden selectief ingezet bij piektemperaturen, wanneer passieve maatregelen en basisinstallaties onvoldoende blijken. De combinatie van passieve en actieve koeling biedt maximale flexibiliteit en comfort voor gebruikers.

Conclusie: Met deze integrale aanpak – van slimme materiaalkeuze en bouwkundige zonwering tot duurzame installatietechniek – biedt het bedrijfspand een toekomstbestendige oplossing tegen hittestress en draagt het bij aan een comfortabele, gezonde en energiezuinige werkomgeving.

35

.

7.4

Duurzaamheidsaspecten

7.4.1 Algemeen Eén van de vier hoofdopgaven van de omgevingsvisie is het streven naar een duurzame stad. Nijmegen heeft de ambitie voorop te lopen op het gebied van duurzaamheid en toekomstbestendigheid. We gaan uit van duurzaam grondgebruik, waarbij ontwikkelingen waarde aan de stad toevoegen en een bijdrage leveren aan het oplossen van onze grote opgaven. Circulair bouwen, klimaatadaptatie, natuurinclusief bouwen en energieneutraal zijn hierbij centrale (samenhangende) thema's. De hoofdambities van Nijmegen voor duurzaamheid richten zich op de energietransitie (streven energieneutraal in 2045), stimulering van circulaire economie (streven circulaire regio in 2050) en klimaatadaptatie (streven volledig klimaatneutrale stad in 2050).

7.4.2 Energie 7.4.2.1 Algemeen Nijmegen heeft zich tot doel gesteld uiterlijk in 2045 energieneutraal en aardgasvrij te zijn. Energiebesparing is een eerste vereiste om de energievraag te minimaliseren. Het gaat daarbij om het minimaliseren van zowel de energievraag van gebouwen als die van bedrijfsprocessen. De energie die we dan nog gebruiken wekken we zoveel mogelijk duurzaam op. Uitgangspunt van de gemeente Nijmegen is dat bij nieuwbouw alle daken zoveel mogelijk vol komen te liggen met zonnepanelen. Alle (nieuwe) daken dienen dan ook geschikt te zijn voor zonnepanelen. We streven naar slimme, lokale energieoplossingen, bijvoorbeeld door lokale, duurzame energie tijdelijk op te slaan en vraag en aanbod onderling af te stemmen. Aardgasvrij Nieuwbouw in de bestaande stad en de Waalsprong is aardgasvrij. De Waalsprong valt binnen het concessiegebied van het warmtenet. Nieuwbouw in de Waalsprong moet hier verplicht worden aangesloten op het warmtenet. Daarnaast heeft Nijmegen de ambitie om de bestaande stad van het aardgas te halen en delen van de stad aan te sluiten op een nog aan te leggen warmtenet.

7.4.2.2 Toetsing Het te verbouwen gebouw zal worden voorzien van zonnepanelen, om daarmee deels in de energiebehoefte te kunnen voldoen.

7.4.2.3 Conclusie Bij de planvorming is wel rekening gehouden met de doelen uit de omgevingsvisie ten aanzien van energie.

7.4.3 Circulariteit 7.4.3.1 Algemeen De regio Arnhem-Nijmegen wil zich profileren als circulaire regio. Vanaf 2030 wil de regio minimaal 50% circulair bouwen om uiteindelijk in 2050 te komen tot een circulaire leefomgeving. We streven ernaar om zoveel mogelijk conceptueel, modulair en losmaakbaar (demontabel) te bouwen. Bij voorkeur wordt gebruik gemaakt van hernieuwbare organische bouwmaterialen (bijvoorbeeld hout, hennep, vlas, etc.). De Gemeentelijke 36

Praktijkrichtlijn (GPR methodiek) kan gebruikt worden als ontwerptool en beoordelingsmethodiek om de duurzaamheid van gebouwen in beeld te brengen. In de Grond-, weg- en waterbouw onderschrijft Nijmegen de uitgangspunten van het manifest duurzaam GWW; samen met onze ketenpartners willen we de verduurzaming in de sector structureel aanjagen. Uitgangspunt is om zo min mogelijk verharding toe te passen en waar verharding nodig is te kijken naar meer duurzame oplossingen, zoals klinkers of duurzaam asfalt.

7.4.3.2 Toetsing 7.4.3.3 Conclusie Bij de planvorming is rekening gehouden met circulariteit: af te voeren sloopmaterialen worden zo mogelijk afgevoerd voor hergebruik.

7.5

Natuur- en landschapsaspecten

7.5.1 Soortenbescherming 7.5.1.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: • er soorten aanwezig zijn; • welke soorten dat zijn. Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn.

Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling.

7.5.1.2 Toetsing De nieuwe verdieping wordt rechtstreeks gerealiseerd op het dak van de bestaande bedrijfshal. Van sloopwerkzaamheden derhalve geen sprake. Onderzoek in het kader van Flora en Fauna is derhalve niet noodzakelijk.

7.5.1.3 Conclusie Bij de planvorming is wel rekening gehouden met soortenbescherming.

37

7.5.2 Gebiedsbescherming 7.5.2.1 Algemeen De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; bescherming van Natura 2000-gebieden en bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura 2000 In de Wet natuurbescherming zijn de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied voor ontwikkelingen in Nijmegen is meestal Rijntakken. In het kader van een ETFAL (evenwichtige toedeling van functies aan locaties) wordt bij een afwijking van het omgevingsplan nagegaan of voldoende aannemelijk is dat geen sprake is van significante effecten op Natura 2000gebieden. Het college van GS (Gedeputeerde Staten) van de provincie is het bevoegd gezag voor de Natura 2000-gebieden en het blijft de verantwoordelijkheid van initiatiefnemer om indien nodig bij het college van GS een vergunning voor een Natura 2000-activiteit aan te vragen.

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincie. Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden. We verwijzen hiervoor naar paragraaf 3.3 van deze motivering. Houtopstanden buiten de bebouwingscontouren Bomen en bossen vallen onder houtopstanden en vervullen een belangrijke en unieke functie in de fysieke leefomgeving. Bescherming van houtopstanden is een onderdeel van de Omgevingswet. Door de lange ontwikkelingstijd van bossen is deze bescherming van groot belang. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers of andere houtachtige gewassen. Het (deels) vellen ervan zorgt ervoor dat die verdwijnen of beschadigd raken. Herbeplanten zorgt voor nieuwe houtopstand. Om bossen te beschermen en vanwege internationale regels geeft het Rijk regels voor het vellen van houtopstanden, herbeplanten, het verhandelen en bezit van hout(producten). Degene die zo’n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht. Ook kan een meldingsplicht gelden. Deze rijksregels gelden alleen voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (voormalig buiten de bebouwde kom).

Daarbij gelden op deze rijksregels een aantal uitzonderingen. Die uitzonderingen staan in het Bal (artikel 11.111).

7.5.2.2 Toetsing Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt in dit geval op circa 15.000 meter (Rijntakken). Voor andere aspecten dan stikstof geldt dat deze in ieder geval op voorhand uit te sluiten zijn, gelet op de afstand tot het Natura 2000-gebied. Het gaat om negatieve effecten die kunnen optreden ten gevolge van oppervlakteverlies, versnippering, verstoring, verdroging of verontreiniging. Dergelijke invloeden treden niet op over deze afstanden.

38

Voor het aspect stikstof geldt dat met de stikstofberekeningen voldoende aannemelijk is gemaakt dat er geen sprake is van significante effecten op Natura 2000-gebieden. Volgens de stikstofberekeningen (bijlage 4) is de toename van stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling niet groter dan 0,00 mol/ha/jr. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied (Rijntakken e.a.) voor zowel de gebruiksfase als aanlegfase zijn dan op voorhand uit te sluiten. De berekening heeft plaatsgevonden met de meest recente versie van AERIUS.

7.5.2.3 Conclusie Bij de planvorming is wel rekening gehouden met gebiedsbescherming.

7.5.3 (Hoofd)boomstructuur 7.5.3.1 Algemeen Bomenplan Nijmegen Het Bomenplan Nijmegen (2021) vormt het kader voor inrichtingsplannen en beheerplannen voor de openbare ruimte waar het bomen betreft. Het handboek is daarnaast te definiëren als toetsingskader voor ruimtelijke plannen en initiatieven en biedt inzicht in de beleidsuitgangspunten ten aanzien van bescherming, aanplant, beheer en kap van bomen.

De verschillende doelstellingen van dit bomenplan zijn: Gezonde bomen die we zo lang mogelijk behouden; Bomenkap zoveel mogelijk vermijden; Aanplant van bomen zoveel mogelijk stimuleren en Dat de belangrijkste bomen in de stad een groene beschermende verbindende structuur vormen. Het Bomenplan Nijmegen richt zich op alle bomen binnen de gemeentegrenzen. Dat zijn dus niet alleen de park-, laanen straatbomen, maar ook bomen in tuinen en op particuliere terreinen. Voor bosopstanden, bosplantsoen en bomen in natuurgebieden gelden andere beleidskaders en wet- en regelgeving. Hoofdboomstructuur We willen dat de belangrijkste bomen in de stad samen een groene beschermde verbindende structuur vormen die de stad dooradert. Uitgangspunt voor de hoofdboomstructuur zijn drie belangrijke waarden voor de stad, die het belang van instandhouding en uitbreiding of versterking rechtvaardigen. We richten ons op: 1. Beeldkwaliteit: lommerrijk groen en statige lanen 2. Ecologie: verbindingselementen en bevordering van biodiversiteit 3. Cultuurhistorie: historische (veld)wegen en monumentaal stadsgroen We combineren de hoofdboomstructuur met andere doelen zoals de gezonde stad, klimaatadaptatie en beleving. Netwerk in de wijken Het is echter niet voldoende om alleen in te zetten op de hoofdboomstructuur.

Ook een fijnmazig netwerk van bomen op wijkniveau is van groot belang: het vormt de routes om te bewegen, te wandelen en te fietsen in de wijk. Het maakt een buurt gezond, aantrekkelijk en leefbaar. Het voorkomt hitte-eilanden dichtbij huis en maakt de stad, juist in de wijken, klimaatadaptief. De hoofdboomstructuur vormt samen met het groen in de wijken, de totale groenstructuur van de stad Nijmegen. In de afbeelding is te zien dat het plangebied grenst aan een plek waar groene structuren aanwezig zijn. Deze dienen behouden te blijven.

7.5.3.2 Toetsing 39

Gelet op de ligging van het besluitgebied is bovengenoemde paragraaf niet van toepassing.

7.5.3.3 Conclusie Bij de planvorming is wel rekening gehouden met de gemeentelijke (hoofd)groenstructuur.

7.5.4 Biodiversiteit en hoofdgroenstructuur 7.5.4.1 Algemeen Biodiversiteitsagenda De biodiversiteit staat onder druk. Veel soorten lopen hard terug in aantallen en andere soorten sterven uit. Uit ervaring is gebleken dat door het toepassen van maatregelen zoals nieuwe natuur, natuurlijker bosbeheer en schonere, levende rivieren, de natuur zich weer (deels) kan herstellen. Om de bescherming en herstel van biodiversiteit te realiseren, is eind 2023 in Nijmegen de biodiversiteitsagenda vastgesteld. Groen draagt bij aan onze gezondheid en ons welzijn, het zorgt voor vermindering van hittestress en voor een betere luchtkwaliteit. Deze benaderingswijze vraagt om intelligent ruimtegebruik waarin ook functies gecombineerd worden. Natuur kan in een aantal gevallen prima samengaan met andere functies. Het beoogd effect van de biodiversiteitsagenda is dan ook om naast de compensatie en mitigatie verplichting, herstel en versterking van de biodiversiteit sterk te bevorderen. Doelstellingen en uitgangspunten Het overkoepelende doel van de Biodiversiteitsagenda is behoud, herstel en versterking van de biodiversiteit in Nijmegen door behoud en uitbreiding van areaal en kwaliteit van de biodiversiteit in Nijmegen.

We onderscheiden de volgende subdoelen: Subdoel 1: in de stedelijke Hoofdgroenstructuur (kerngebieden en ecologische verbindingen) worden in principe alleen ontwikkelingen toegestaan met een positief netto-effect op de biodiversiteit. Afwijken hiervan is mogelijk als er sprake is van groot maatschappelijk belang. Hiervoor is een goedgekeurd compensatieplan nodig. Subdoel 2: bij alle ruimtelijke ontwikkelingen, zowel binnen als buiten de Hoofdgroenstructuur, wordt behoud en uitbreiding van de biodiversiteit vanaf de fase van de visieontwikkeling meegenomen. Naast deze doelen zijn er meer algemene zaken om rekening mee te houden en willen we dat biodiversiteitsbehoud en -herstel gebaseerd is op de volgende uitgangspunten: • Ecosysteembenadering. We streven zoveel mogelijk naar een natuurlijk zelfredzaam systeem (ecologisch in balans) en passen het liefst natuurlijke oplossingen toe. • Bodem en water sturend. Binnen het nationale beleid worden water en bodem gezien als sturend voor de ruimtelijke ontwikkeling. • Behoud en herstel beschermde en niet beschermde soorten. Omdat het aantal soorten sterk afneemt en het aantal dieren en planten ook sterk vermindert richten we ons op het bereiken van een Basiskwaliteit Natuur. • Nieuwe leefgemeenschappen.

Daar waar de situatie erom vraagt willen we het inrichten van een natuurlijke leefomgeving voor hier van nature voorkomende soorten die beter zijn toegerust op de klimaatveranderingen stimuleren/bevorderen. • Bijdrage aan het klimaatadaptatieplan. We streven ernaar dat de biodiversiteit maatregelen aansluiten bij de klimaat-adaptieve maatregelen die getroffen worden. Denk aan een groen ingerichte wateropvangvoorziening (wadi). • Biodiversiteit publiek en privaat versterken. Bij ontwikkelingen streeft de gemeente naar een biodiverse/groene inrichting van de private ruimte. Hoofdgroenstructuur en groenblauw weefsel In de verbeelding van de Hoofdgroenstructuur is opgenomen waar de kerngebieden zijn (zoals natuurgebieden, beschermde bossen, parken en uiterwaarden) en hoe de ecologische verbindingen (zoals lanen en corridors) lopen. De hoofdgroenstructuur is ingebed in een stevig groenblauw weefsel in en op het gebouwde deel van de stad. Om en door de stad lopen de regionale groenblauwe verbindingszones, zoals de Groene Corridors langs de spoorlijnen en de verbindingen die opgenomen zijn in het Groenblauw Raamwerk van de Groene Metropool regio. 40

De Hoofdgroenstructuur en het groenblauwe weefsel versterken elkaar. Het groenblauwe weefsel zorgt voor kleine ecologische stapstenen die sommige soorten helpen om zich te verspreiden en geïsoleerde populaties te verbinden. In dit groenblauw weefsel streven we naar een Basiskwaliteit Natuur, terwijl we in de kerngebieden van de Hoofdgroenstructuur hogere biodiversiteitsdoelen hebben voor zeldzamere soorten of zelfs hele gebieden beschermen (Natura 2000 gebieden). Het groenblauwe weefsel ontstaat als resultaat van gezamenlijke acties van bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden. Van natuurinclusief bouwen en vergroenen van een bedrijventerrein tot extensiever maaien van een tuin, het aanleggen van een vijver of bloementuin en het ophangen van een nestkastje. Het versterken van het groenblauwe weefsel is in feite het natuurlijker maken van delen van de stad die niet als hoofdfunctie natuurbehoud hebben, maar waar wel mogelijkheden liggen om soorten de ruimte te geven (en daarmee tegelijkertijd de leefbaarheid van de mensen en dieren in de stad te vergroten). Daarnaast wil de gemeente burgers, bedrijven en organisaties betrekken bij, en stimuleren op eigen grond een bijdrage te leveren aan inrichting en beheer van onderdelen. Natuurinclusief bouwen In Nijmegen bouwen we natuurinclusief.

Dit betekent dat er bewust ruimte wordt gemaakt voor biodiversiteit op, aan of in een gebouw of de omgeving, zodat er meer verschillende planten- en diersoorten kunnen leven. Met de Toolbox ‘natuurinclusief bouwen Nijmegen’ creëert de gemeente standaard ruimte voor de natuur. Met deze toolbox wordt er niet alleen gekeken naar beschermde soorten, maar naar natuur in brede zin. Hiermee stimuleren we het behouden en versterken van biodiversiteit op plekken in de stad waar natuurbehoud niet vanzelfsprekend is. Op deze plekken liggen wel mogelijkheden om natuur meer ruimte te geven. De Toolbox geldt voor zowel nieuwbouw en op termijn ook bestaande bouw. Er wordt ingezet op: • Het aanbrengen van geschikte verblijfsplaatsen in of aan een gebouw voor gebouwbewonende soorten. • Het realiseren van groenmaatregelen om een geschikte leefomgeving voor doelsoorten te creëren (planten en dieren die een specifiek leefgebied vertegenwoordigen). • Het (zoveel mogelijk) behouden van bestaand groen en bestaande verblijfsplaatsen voor dieren. Houtopstanden binnen de bebouwingscontouren Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers of andere houtige gewassen. Het (deels) vellen ervan zorgt ervoor dat die verdwijnen of beschadigd raken. Herbeplanten zorgt voor nieuwe houtopstand. Binnen deze bebouwingscontour zijn de regels uit de Algemene Plaatselijke Verordening van toepassing.

7.5.4.2 Toetsing Bovenstaande paragraaf is voor deze ontwikkeling niet aan de orde, omdat we in dit kader spreken over een geheel verharde locatie.

7.5.4.3 Conclusie Bij de planvorming is sprake van het revitaliseren van een bestaand gebouw en zal de geheel verharde oppervlakte ook weer worden gebruikt. Om biodiversiteit te bevorderen zal nog worden nagegaan of er enkele bomen op het perceel kunnen worden geplant en of zullen er vleermuiskasten en een bijenhotel worden geplaatst. Initiatiefnemer treedt over het treffen van deze maatregelen graag met de gemeente Nijmegen in overleg.

41

7.6

Erfgoedaspecten

7.6.1 Archeologie en cultuurhistorie 7.6.1.1 Algemeen Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Uit Europees beleid volgt dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is het (zoveel mogelijk) behouden van archeologische resten in de bodem (in situ) en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Het cultureel erfgoed van Nijmegen bestaat uit gebieden, objecten, gebouwen, structuren en ensembles vanaf de vroege prehistorie tot het recente verleden. Het cultureel erfgoed maakt deel uit van onze identiteit en draagt bij aan de aantrekkelijkheid van de stad. Veel van het cultureel erfgoed is beschermd als monument. Onze ambities voor het cultureel erfgoed zijn opgenomen in de omgevingsvisie en in de Erfgoedstrategie 2020. De regels zijn opgenomen in de Erfgoedverordening Nijmegen 2021 en het Omgevingsplan gemeente Nijmegen (voorheen Facetbestemmingsplan Archeologie 2023).

In het Bkl (artikel 5.130) zijn instructieregels opgenomen die zich richten op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd en regels ter voorkomen van aantasting van beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast is het artikel gericht op het voorkomen van aantasting van de omgeving van monumenten. Omgeving van het monument Nieuw aan de Omgevingswet is de instructieregel voor cultureel erfgoed (bovengronds en ondergronds) ter bescherming van de omgeving van monumenten. Hierbij is het de bedoeling dat in het omgevingsplan regels worden gesteld om aantasting van de omgeving van monumenten te voorkomen. Het gaat bij dit onderdeel niet zozeer om het voorkomen van de aantasting van de omgeving op zich, maar om een aantasting van de omgeving van een monument die dat monument ontsiert of beschadigt. Omdat de omgeving van een monument verschillend kan zijn, gaan we werken met procesregels in het omgevingsplan. Dit betekent dat we bij afwijkingen van het omgevingsplan onderzoeken of de nieuwe ontwikkeling van invloed is op de omgeving van het monumenten. UNESCO-werelderfgoed Nijmegen is onderdeel van de Romeinse Limes. De Romeinse Limes is door UNESCO aangewezen als een gebied van uitzonderlijke universele waarde en heeft daarmee de status van UNESCO-werelderfgoed verworven.

De algemene rijksregels voor werelderfgoed staan in hoofdstuk 14 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Daarin worden regels gesteld aan de volgende activiteiten: • activiteiten die effect hebben op werelderfgoed; • activiteiten die direct of indirect gevolgen kunnen hebben voor werelderfgoed. Regels voor archeologie Om op een passende en effectieve wijze zorg te kunnen dragen voor het kostbare Nijmeegse bodemarchief wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen getoetst aan de regels voor archeologie in het omgevingsplan (waarin het voorheen geldende ‘Facetbestemmingsplan Archeologie 2023’ is opgenomen).

7.6.1.2 Toetsing Archeologie Het bouwplan ziet toe op het bouwen op de verdieping van een bestaand gebouw. Van roering van gronden is derhalve geen sprake. Cultuurhistorie Het besluitgebied bevat geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing.

42

7.6.1.3 Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling.

7.7

Veiligheidsaspecten

7.7.1 Omgevingsveiligheid 7.7.1.1 Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en risico’s door windturbines. Het risico wordt bepaald door de kans op een incident per jaar te vermenigvuldigen met het aantal slachtoffers dat kan vallen op een bepaalde locatie of in een gebied. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Naast deze risicobenadering is in de Omgevingswet een effectbenadering geïntroduceerd met het begrip ‘aandachtsgebieden’. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico voor (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen.

Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Het plaatsgebonden risico wordt op basis van de vastgestelde afstanden vastgelegd in een contour. Groepsrisico Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. (artikel 5.15 van het Bkl).

43

Afbeelding: aandachtsgebieden (bron: www.aandeslagmetdeomgevingswet.nl).

Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren (effectgebieden en geen risico-afstanden) zichtbaar op de kaart (Zie Atlas Leefomgeving op www.atlasleefomgeving.nl, Register externe veiligheid), zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken. De gemeente mag een brand- of explosie –aandachtsgebied (of delen ervan) aanwijzen als voorschriftengebied waardoor er extra bouwkundige eisen gaan gelden voor nieuwe gebouwen. Kwetsbare functies Bij de beoordeling van de hiervoor beschreven risico’s wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties.

Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage VI). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen; de meeste basisscholen, kinderdag- verblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Deze indeling is gemaakt op basis van de volgende afwegingen: • Hoeveel personen zijn in dat gebouw of op die locatie gelijktijdig aanwezig? • Wat is de aanwezigheidsduur van die personen? • In hoeverre zijn die personen in staat zichzelf in veiligheid te brengen bij een incident. Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Voor het overige geldt dat rekening dient te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren, aandachtsgebieden en het groepsrisico. Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het toedelen van functies aan locaties. Daarnaast moet het bevoegd gezag motiveren (artikel 5.14 Bkl) waarom van een brand- en/of explosie-aandachtsgebied een voorschriftengebied wordt gemaakt als in dit gebied nieuwe (beperkt-) kwetsbare gebouwen mogelijk worden gemaakt. Nijmegen heeft op [DATUM] een bouwsteen Omgevingsveiligheid vastgesteld. In deze bouwsteen wordt een kader geschetst hoe de gemeente wil omgaan met deze afweging. 44

7.7.1.2 Toetsing Om alle aspecten met betrekking tot de Omgevingsveiligheid goed in beeld te kunnen brengen is er een rapport opgesteld door Top Consultants. ( bijlage 5 ) Uit het rapport kan worden geconcludeerd dat er geen belemmeringen m.b.t. Omgevingsveiligheid voor het uitvoeren van de plannen. Wel worden er enkele aanbevelingen meegegeven: a. Het gebouw wordt voorzien van eenvoudige afschakelbare en afsluitbare luchtbehandelingsinstallaties; b. Er is aandacht voor interne bedrijfsnoodplan en de afstemming ervan op de mogelijke risico’s vanaf het spoor.

Het plan zal conform het bouwbesluit aan alle veiligheidseisen dienen te voldoen. Op basis van een opmerking vanuit het vooroverleg is door Smits Brandveiligheidsadvies een rapportage opgesteld die als bijlage 2 bij de ruimtelijke onderbouwing is gevoegd.

7.7.1.3 Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van deze BOPA. De aanbevelingen t.a.v. Omgevingsveiligheid worden uiteraard ter harte genomen, en kunnen als vergunningseis door de gemeente Nijmegen veilig worden gesteld.

7.7.2 Kabels en leidingen 7.7.2.1 Algemeen Er kunnen kabels en leidingen in of nabij het besluitgebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen, rioleringsleidingen of gasleidingen), beschermingszones en dergelijke. Kabels en leidingen zijn onderdeel van de fysieke leefomgeving, waarvoor gemeenten regels moeten stellen, gericht op het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten (artikel 2.1 Ow). Incidenten met kabels en leidingen kunnen zorgen voor ongemak, maar ook voor gevaar, (maatschappelijke) ontwrichting of (milieu)schade. Daarom is het van belang rekening te houden met kabels en leidingen.

7.7.2.2 Toetsing In het besluitgebied worden geen gronden geroerd: derhalve is bovenstaande paragraaf niet aan de orde.

7.7.2.3 Conclusie In het besluitgebied worden geen gronden geroerd: derhalve is bovenstaande paragraaf niet aan de orde.

7.7.3 Ontplofbare Oorlogsresten 7.7.3.1 Algemeen Het grondgebied van de gemeente Nijmegen is in de Tweede Wereldoorlog langdurig en intensief strijdtoneel geweest. Daarom is in grote delen van de gemeente nog steeds de kans aanwezig op het aantreffen van niet gesprongen explosieven (officiële term tegenwoordig: Ontplofbare Oorlogsresten). In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de afwegingen omtrent het stellen van regels aan activiteiten, is het wenselijk inzicht te verkrijgen in de mogelijke aanwezigheid van niet gesprongen explosieven in het besluitgebied waarop deze BOPA betrekking heeft.

7.7.3.2 Toetsing

45

Uit de informatie die is opgenomen in de Milieuatlas Nijmegen is het besluitgebied niet verdacht op de aanwezigheid van afgeworpen munitie, dumpmunitie en geschutsmunitie. Daar komt bij dat van het roeren van gronden geen sprake is: er wordt een verdieping geplaatst op een reeds bestaand gebouw. Mochten er onverhoopt toch gronden worden geroerd en zal het protocol “toevalsvondst van een explosief” worden gebruikt.

7.7.3.3 Conclusie Bij de planvorming is geen rekening gehouden met niet gesprongen explosieven.

7.7.4.1 Algemeen Wind kan hinder geven of zelfs gevaarlijk zijn. Windhinder treedt vooral op rond hoge gebouwen, waarbij sprake kan zijn verhoogde windsnelheden. Hierdoor kan het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam of zelfs gevaarlijk zijn. Windhinder is een aspect van de fysieke leefomgeving (artikel 2.1 Ow). Hierdoor is het een onderdeel van de taak van de gemeente voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Het Rijk heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen regels opgesteld. Er is dan ook geen formele, landelijke vastgestelde eis voor windhinder en windgevaar. Wel wordt voor de beoordeling vaak gebruik gemaakt van de NEN 8100. De NEN 8100 (norm voor windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving) geeft aan wanneer er aanleiding is om onderzoek te doen naar windhinder. Onderzoek naar windhinder is noodzakelijk bij een bouwhoogte van meer dan 30 meter.

7.7.4.2 Toetsing Bovengenoemde paragraaf is niet van toepassing.

7.7.4.3 Conclusie Het aspect windhinder vormt geen belemmering voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling.

7.8

Gezondheidsaspecten

7.8.1 Gezondheid 7.8.1.1 Algemeen De gezondheid van de mens wordt bepaald door verschillende factoren, waaronder erfelijkheid, leefstijl, toegang tot de gezondheidszorg en de sociale en fysieke leefomgeving. De gemeente Nijmegen is verantwoordelijk voor de volksgezondheid van haar inwoners. Het volksgezondheidsbeleid en de uitvoering daarvan ligt vast in de Gezondheidsagenda. Eén van de speerpunten van deze agenda is een gezonde fysieke leefomgeving. Dit speerpunt is opgenomen in de omgevingsvisie onder ‘Groene, gezonde stad’. De fysieke leefomgeving heeft op verschillende manieren invloed op de gezondheid van de inwoners. Denk bijvoorbeeld aan kwaliteit van woningen, luchtkwaliteit, aanwezigheid van groen en inrichting van de openbare ruimte. De Omgevingswet gaat over de inrichting en activiteiten in de fysieke leefomgeving. Eén van de maatschappelijke doelen van deze wet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Bij het verlenen van een BOPA willen we rekening houden met het belang van gezondheid van onze inwoners. Het gaat dan om bescherming en bevordering van de gezondheid en om het faciliteren van een gezondere leefstijl. 46

Bij het bieden van bescherming gaat het om bescherming tegen invloeden vanuit het milieu, zoals geluid en luchtverontreiniging, maar ook tegen ziekteverwekkers uit de veeteelt, elektromagnetische straling en de gevolgen van klimaatverandering. Dit krijgt in het omgevingsplan onder meer vorm door te voorzien in een scheiding tussen milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies (milieuzonering) en het stellen van regels voor activiteiten over aspecten als geur, geluid, luchtkwaliteit, trillingen, bodemkwaliteit en hittebestendigheid/verkoeling. Op deze aspecten is ingegaan in de voorgaande paragrafen van deze motivering. Bij het bevorderen van gezondheid en faciliteren van een gezondere leefstijl gaat het om een aantrekkelijke en veilige inrichting en om maatregelen die bijdragen aan een gezondere leefstijl. Het gaat dan om mogelijkheden tot bewegen, spelen, sporten en ontspanning en om de aanwezigheid van dagelijkse voorzieningen in de buurt. Maar ook om mogelijkheden van het maken van gezonde keuze als het gaat om voeding, ontmoeten, sociale veiligheid en verkeersveiligheid. Verder gaat het om gedragsbeïnvloedende maatregelen, zoals rookvrije openbare locaties. De fysieke omgeving kan op verschillende manieren positieve dan wel negatieve invloed hebben op de gezondheid van inwoners.

Daarom wordt de invloed van het initiatief op gezondheid van gebruikers en de directe omgeving (naast de verschillende onderdelen) ook in totaliteit bekeken en afgewogen. Een negatief effect op gezondheid vanuit één aspect wordt niet automatisch gecompenseerd door een positief effect op een ander aspect. Dit hangt van de situatie en de betrokken aspecten af.

7.8.1.2 Toetsing Met het toevoegen van een tennishal op de verdieping van het bestaande gebouw wordt een bijdrage geleverd aan het bevorderen van gezondheid en het faciliteren van een gezondere leefstijl.

7.8.1.3 Conclusie Bij de planvorming is wel rekening gehouden met gezondheid.

7.8.2 Toegankelijkheid 7.8.2.1 Algemeen De Omgevingswet gaat over de fysieke leefomgeving. Daaronder valt ook de toegankelijkheid van de openbare ruimte, gebouwen en (delen van) de stad en het ommeland. Eén van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is dan ook het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. Het Bkl geeft (in artikel 5.162) aan dat een BOPA voor een project dat voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, rekening wordt gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.

7.8.2.2 Toetsing Deze paragraaf is voor dit plan niet van toepassing.

7.8.2.3 Conclusie Bij de planvorming is geen rekening gehouden met toegankelijkheid.

7.9

M.e.r.-beoordeling

7.9.1. Algemeen De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische 47

milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan (inclusief BOPA) en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma’s waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is. Voor plannen en programma’s die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-m.e.r.-beoordeling is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets vindt plaats aan de hand van de criteria van bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.

7.9.2 Toetsing Het plan heeft geen negatieve milieugevolgen.

7.9.3 Conclusie Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.

48

8. Financiële haalbaarheid 8.1

Wijze van bekostiging

Overheden zijn bij medewerking aan een ontwikkeling verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de (bouw)activiteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in het omgevingsplan, een BOPA of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn: • aangewezen bouwactiviteiten • aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen Het overzicht van kostenverhaalplichtige activiteiten staat in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. De voorliggende ontwikkeling wordt gerealiseerd op initiatief van een ontwikkelaar. De gemeente en de initiatiefnemer sluiten een anterieure overeenkomst as, waarin de rechten en de plichten van zowel de ontwikkelaar als de gemeente zijn aangegeven, net las de definitieve regeling voor het kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het project verzekerd van kostendekking. De economische uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling is hiermee voldoende aangetoond.

9. Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Op basis van deze ruimtelijke onderbouwing kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies. Door middel van toepassing art. 3.4 van de Beheersverordening kunnen de smederij, de sleutelmakerij, de timmerwerkfabriek en aannemersbedrijf met een b.o minder van 1000 m2 worden toegelaten, omdat zij gelijk kunnen worden gesteld aan bedrijven die via de Staat van Bedrijfsactiviteiten wel op deze bedrijfslocatie mogen worden gehuisvest. Deze functies zijn dan ook evenwichtig toebedeeld Het toevoegen van een sportfunctie aan het besluitgebied is passend binnen eerder geformuleerde doelstellingen van het bedrijventerrein, waar ook Travium en de Klimhal een plek hebben gevonden. In de nabijheid van het besluitgebied liggen geen geluidsgevoelige functies, zodat mogelijk geluid van een padelhal niet tot overlast leidt. Duidelijk moet zijn dat de bedrijfsfunctie van het gebouw blijft gehandhaafd. Ook van ondersteunende horeca bij de padelbanen is geen sprake.: er is slechts voorzien in kleedruimten met een kleine pantry. Middels de te doorlopen BOPA wordt de voornoemde sportfunctie vergund. Ook wordt een lichte overschrijding van het bouwvlak in noordelijke richting mogelijk gemaakt.

49

50

10. Verwerking in het omgevingsplan 10.1 Algemeen Gemeenten hebben de verplichting om buitenplanse omgevingsplanactiviteiten binnen 5 jaar in het omgevingsplan. Als er veel BOPA's gelden naast het omgevingsplan, kan het namelijk onduidelijk zijn welke activiteiten op een locatie zijn toegestaan. Daarom bepaalt artikel 4.17 van de Omgevingswet dat gemeenten een voortdurende BOPA verwerken in het omgevingsplan. Dit gebeurt binnen 5 jaar na het onherroepelijk worden van de BOPA. Deze verplichting geldt vanaf 1 januari 2032.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=bae5686c-50a4-45f1-a1c6-b299ec146200