De weerbare stad -veiligheidsplan 2018-2022
Tekst van het document
3.2 De weerbare stad - veiligheidsplan 2018-2022 1 Raadsvoorstel De weerbare stad - veiligheidsplan 2018-2022
Raadsvoorstel
Openbaar
Onderwerp De weerbare stad - veiligheidsplan 2018-2022 Opsteller Programma Portefeuillehouder
Wim Engelen Veiligheid drs. H.M.F. Bruls
Behandeldatum Status Dossiernummer
9 oktober 2018 Openbaar
Samenvatting De weerbare stad – veiligheidsplan 2018-2022 is een inclusief concept voor veiligheidsbeleid voor de huidige bestuursperiode, dat in de kern draait om het organiseren van vertrouwen als belangrijke steunpilaar onder de maatschappelijke samenhang en cohesie in onze stad.
Voorstel De notitie: De weerbare stad - veiligheidsplan 2018-2022 vast te stellen. Aanleiding In elke bestuursperiode stellen we opnieuw de kaders van ons lokale integrale veiligheidsbeleid vast. Beoogde impact We beogen een veiligheidsaanpak die stevig verankerd is in het sociale domein, gebaseerd op de maatschappelijke kernwaarden: vrijheid, gelijkwaardigheid, solidariteit, zelfbeschikking, maar ook: billijkheid, redelijkheid, evenwichtigheid en kostenbewustzijn. Onze aanpak is daarmee een inclusief concept voor veiligheidsbeleid en gaat per definitie uit van de belangrijke rol van burgers en andere partners. Het organiseren van vertrouwen is hierbij een belangrijk doel. Argumenten In artikel 38b, eerste lid Politiewet 2012 is vastgelegd dat de gemeenteraad ten minste eenmaal in de vier jaar de doelen vaststelt die de gemeente op het terrein van de veiligheid nastreeft. Met de notitie: De weerbare stad - veiligheidsplan 2018-2022 willen we aan deze verplichting voldoen. Daarnaast vormt het richtsnoer voor ons integrale lokale veiligheidsbeleid en dient het als toetsingskader bij de jaarlijkse begrotings- en verantwoordingscyclus. Kanttekeningen Welbeschouwd rust de zorg voor lokale veiligheid op drie pijlers. De eerste: een actieve burger die verantwoordelijkheid wil nemen voor zijn eigen veiligheid en die van zijn omgeving.
De tweede: een lokaal bestuur dat regie neemt, kaders stelt en partijen bij elkaar brengt. De derde: informatie- en netwerksturing om preventief en effectief optreden mogelijk te maken. Daarbij is het belangrijk om te bedenken dat veiligheid onderdeel is van het bredere sociale domein, waar we als lokaal bestuur slechts één van de spelers zijn – zij het natuurlijk geen onbelangrijke. Maar de gedachte dat we alleen vanuit het stadhuis de lijnen uit kunnen zetten en opdrachten kunnen vergeven, is – in zoverre dit ooit al het geval zou zijn geweest – in de huidige samenleving in elk geval een achterhaalde opvatting. Daarvoor is de onderlinge afhankelijkheid en de verwevenheid tussen de maatschappelijke stakeholders te groot.
&W, Raad / sjab = Collegevoorstel Opgesteld door Wim Engelen, w.engelen@nijmegen.nl
Raadsvoorstel
Financiën De financiële kaders voor het Veiligheidsplan 2018-2022 zijn vastgelegd in de Stadsbegroting 2019. Vervolg De weerbare stad - veiligheidsplan 2018-2022 biedt een kader voor onze aanpak van lokale veiligheidsvraagstukken. De uitvoering monitoren we in onze jaarlijkse Veiligheidsbrief, waarin het College van B&W verantwoording aflegt over de uitvoering en de daarbij behaalde resultaten en tevens vooruitblikt op relevante ontwikkelingen. Bijlagen 1.
De notitie: De weerbare stad – veiligheidsplan 2018-2022.
1 De weerbare stad - veiligheidsplan 2018-2022
De weerbare stad Veiligheidsplan 2018-2022
© Afdeling Veiligheid - 2018
Voorwoord
De weerbare stad is een inclusief concept voor veiligheidsbeleid en gaat per definitie uit van de belangrijke rol die burgers en andere partners hebben om tot succes te komen.
1
DE WEERBARE STAD De grondslagen
De veiligheid van de burger raakt aan de kernwaarden van onze rechtsstaat. Zonder veiligheid is er immers geen plaats voor vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. Veiligheid is zo medebepalend voor de kwaliteit van ons maatschappelijke leven. Om die kwaliteit te waarborgen, moet de samenleving voldoende zijn toegerust om inbreuken op onze kernwaarden tegen te gaan. De weerbare stad. Dat omvat alle noties die met lokale veiligheid van doen hebben. Assertief, strijdvaardig en zelfbewust zijn begrippen die nauw met weerbaarheid verbonden zijn en die goed passen bij hoe wij lokale veiligheid willen benaderen. Zo willen we bereiken dat onze burgers vertrouwen hebben in de veiligheid van hun woon- en leefomgeving. Dat vertrouwen heeft overigens niets te maken met de opvatting dat de overheid de burger tegen alles zou moeten kunnen en willen beschermen. Los van het feit dat veiligheid nooit absoluut is, zou zo’n benadering ernstig indruisen tegen de kernwaarden van onze rechtsstaat. De functionaliteit en proportionaliteit van veiligheidsmaatregelen moeten immers altijd gewogen worden tegen het belang van vrijheid, zelfbeschikking en het kunnen nemen van eigen verantwoordelijkheid.
Daarom moet goed veiligheidsbeleid niet alleen de zorgplicht en het handelingsperspectief van de overheid als uitgangspunt nemen, maar daar ook de verantwoordelijkheid en de zelfredzaamheid van de burger tegenover willen stellen. De weerbare stad is dus afhankelijk van assertieve en zelfbewuste burgers die keuzes kunnen en durven maken. Die het daarbij aandurven om voor zichzelf ook kosten en baten af te wegen. De overheid respecteert die autonomie en treedt alleen op als die eigenstandigheid de vrijheid en zelfbeschikking van anderen dreigt aan te tasten. In dat spanningsveld zoeken we naar en bepalen we uiteindelijk de functionaliteit en proportionaliteit van onze veiligheidsaanpak. En zo investeren we tevens in het vertrouwen van onze burgers in die aanpak. In de weerbare stad is veiligheid geen op zichzelf staand gegeven, maar beoordelen we het altijd in samenhang met de waarden die onze samenleving schragen. Naast de reeds hierboven genoemde, kunnen we daar nog aan toevoegen: redelijkheid, billijkheid, evenwichtigheid en kostenbewustzijn. De pijlers
Welbeschouwd rust de zorg voor lokale veiligheid op drie pijlers. De eerste: een actieve burger die verantwoordelijkheid wil nemen voor zijn eigen veiligheid en die van zijn omgeving. De tweede: een lokaal bestuur dat regie neemt, kaders stelt en partijen bij elkaar brengt. De derde: informatie- en netwerksturing om preventief en effectief optreden mogelijk te maken. De Veiliger Wijkteams, ingericht voor de vroegsignalering en preventie van problemen op straat-, buurt- en wijkniveau, hebben in dat kader nadrukkelijk tot doel om de burger steviger te betrekken bij zijn eigen veiligheid en die van zijn omgeving. De inspanningen zijn er op gericht om vormen van burgerparticipatie op relevante veiligheidsthema’s te bevorderen. Later in deze nota komen we daar nog uitgebreid op terug. Regie nemen, kaders stellen partijen bij elkaar brengen doen we inmiddels op veel manieren. In de Veiliger Wijkteams richten we ons voor wat betreft de gebiedsgebonden veiligheidszorg samen met politie, gemeentelijk toezicht en andere relevante partners op gezamenlijk prioriteiten. In het Veiligheidshuis brengen we partners uit de zorg- en strafrechtketen samen voor een persoongerichte aanpak. Op het vlak van fysieke veiligheid zorgen we samen met de Veiligheidsregio
2
en de Omgevingsdienst voor een risicogeoriënteerde benadering. Bij dit alles nemen we actief regie, zowel op strategisch als op tactisch niveau. Nauw daarop aansluitend zijn onze activiteiten in de derde pijler. Niet alleen nemen we een trekkersrol in de doorontwikkeling van netwerken als de Veiliger Wijkteams, het Veiligheidshuis, maar ook de samenwerking bij de aanpak van ondermijningscriminaliteit; we verzorgen tevens de informatiesturing (Intelligence) die nodig is om deze netwerken effectief in te zetten bij veiligheidsvraagstukken in onze stad. De governance
In de weerbare stad is de governance van het veiligheidsdomein een belangrijke succesfactor. In de de afgelopen twee decennia heeft de gemeente zich langzamerhand ontwikkeld tot organisator, facilitator en verbinder van een complex netwerk, waarin met burgers en partners de uitdagingen op veiligheidsvraagstukken worden opgepakt. Dat betekent dat wat we beleid noemen hoofdzakelijk in het teken staat van het doorontwikkelen van de infrastructuur die deze netwerksamenwerking moet ondersteunen. Daarom zullen we daaraan in deze nota volop aandacht besteden. Daarbij is het belangrijk om te bedenken dat deze vorm van samenwerking een nogal hybride karakter heeft, wat de sturing op veiligheid complex maakt. Veiligheid is onderdeel van het bredere sociale domein, waar we als lokaal bestuur slechts één van de spelers zijn – zij het natuurlijk geen onbelangrijke. Maar de gedachte dat we alleen vanuit het stadhuis de lijnen uit kunnen zetten en opdrachten kunnen vergeven, is – in zoverre dit ooit al het geval zou zijn geweest – in de huidige samenleving in elk geval een achterhaalde opvatting. Daarvoor is de onderlinge afhankelijkheid en de verwevenheid tussen de maatschappelijke stakeholders te groot.
Dan is het nuttiger om de infrastructuur van de netwerksamenwerking zo in te richten dat daarmee flexibel kan worden ingespeeld op niet alleen de actuele ontwikkelingen in onze stad, maar ook de behoeften en de mogelijkheden van onze partners. Onze strategie is hier voornamelijk op gericht, omdat we zo onze ambities voor lokale veiligheid het beste kunnen waarborgen. Daarom hebben we in deze nota tevens aandacht voor de randvoorwaarden die hiermee samenhangen. Synopsis
Met onze opvatting van wat we de weerbare stad noemen, beogen we een veiligheidsaanpak die stevig verankerd is in het sociale domein, gebaseerd op de maatschappelijke kernwaarden: vrijheid, gelijkwaardigheid, solidariteit, zelfbeschikking, maar ook: billijkheid, redelijkheid, evenwichtigheid en kostenbewustzijn. De weerbare stad is daarmee een inclusief concept voor veiligheidsbeleid en gaat per definitie uit van de belangrijke rol die burgers en andere partners hebben om tot succes te komen. In de kern draait het daarbij om het organiseren van vertrouwen als belangrijke steunpilaar onder de maatschappelijke samenhang en cohesie in onze stad.
Nijmegen, 9 oktober 2018 College van Burgemeester en Wethouders
3
LEESWIJZER Deze nota bestaat uit drie delen met afsluitend een literatuuroverzicht. Deel I Hierin behandelen we de agenda voor ons veiligheidsbeleid in de huidige bestuursperiode. We starten met een beschrijving van de inhoudelijke kaders door kort de relatie met het veiligheidsplan 2016-2018 te schetsen, waarna we de randvoorwaarden, de hoofdthema’s en overige inhoudelijke onderwerpen behandelen. De hoofdthema’s zijn onze speerpunten voor het veiligheidsbeleid, de vraagstukken die belangrijk zijn voor het succes van een geïntegreerde veiligheidsaanpak en waarbij de komende jaren nog belangrijke ontwikkelopgaven aan de orde zijn. Bij de overige inhoudelijke onderwerpen gaat het om meer op zichzelf staande thema’s, veelal van oudsher onderdeel uitmakend van de core business van het programma Veiligheid. Vervolgens beschrijven we onze Veiligheidsagenda 2018-2022 aan de hand van een compact overzicht van ambities en acties op de drie taakvelden: openbare orde en veiligheid, sociale veiligheid en fysieke veiligheid. Deel II In dit gedeelte behandelen we de aspecten die van belang zijn in relatie tot de sturing op veiligheid (ook wel: governance). Thema’s die aan de orde komen zijn: de rol en positie van het programma Veiligheid, de uitdagingen in relatie tot de governance van het veiligheidsdomein, burgerparticipatie en de omgang met de risico-regelreflex.
Daarmee is dit onderdeel van onze nota meer beschouwend van aard. Deel III Hier geven we een overzicht van de begroting van het programma Veiligheid. Literatuur We bespreken kort de belangrijkste publicaties die de afgelopen jaren verschenen zijn in relatie tot lokale veiligheidsthema’s en die we ook gebruikt hebben voor de onderbouwing van dit veiligheidsplan.
4
Inhoudsopgave
5
Deel I
Agenda veiligheid 2018-2022 •
De relatie met het veiligheidsplan 2016-2018
•
De randvoorwaarden
8
De aansluiting met de burger Regionale samenwerking Informatiegestuurd werken
•
De hoofdthema’s Intelligence Veiliger Wijkteams Zorg en veiligheid Fysieke veiligheid Ondermijningscriminaliteit
•
De overige veiligheidsthema’s Jeugdoverlast en jeugdcriminaliteit Digitale criminaliteit Handhaving Opiumwet Prostitutie Voetbal Toezicht op de evenementen Toezicht op de horeca Rampenbestrijding en crisisbeheersing
•
De samenhang met het coalitieakkoord
•
Veiligheidsagenda 2018-2022 Openbare orde en veiligheid Sociale veiligheid Fysieke veiligheid
Deel II De governance van veiligheid •
24
Rol en positie van het programma Veiligheid Kerntaak Sturing en prioritering Bestuursondersteuning Regie op het (boven)stedelijk georganiseerde veiligheidsnetwerk
6
•
Uitdagingen in relatie tot de governance van het veiligheidsdomein Veiligheid in een netwerksamenleving Gemeentelijke regie op de cyclus bestuur-beleid-uitvoering Regionale samenwerking Cultuurverandering Competenties en vaardigheden van medewerkers
•
Burgerparticipatie en veiligheid Ambitie ‘Community policing’ en ‘reassurance strategy’ Burgerparticipatie en probleemidentificatie
•
Omgang met de risico-regelreflex Het fenomeen risico-regelreflex Oplossingsrichtingen
Deel III Financiën •
Wat het kost - financieel overzicht 2018-2022
•
Toelichting
Literatuur
33
36
7
I. Agenda veiligheid 2018-2022
De veiligheid van de burger raakt aan de kernwaarden van onze rechtsstaat. Zonder veiligheid is er immers geen plaats voor vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit.
8
De relatie met het Veiligheidsplan 2016-2018 In de vorige bestuursperiode is ingezet op 4 speerpunten. 1. Het versterken van onze informatiepositie, zodat tijdig en gericht optreden mogelijk is voordat een veiligheidsprobleem ontstaat of escaleert. Dit hebben we gerealiseerd met de inrichting van de Intelligencefunctie bij de afdeling Veiligheid. 2. Het versterken van de gemeentelijke regie bij veiligheidsvraagstukken die zich op straat-, buurten wijkniveau aandienen. Hiervoor zijn de Veiliger Wijkteams ingericht. 3. Het Veiligheidshuis als basis voor de uitvoering van onze ambities op het domein van sociale veiligheid. 4. Op het fysieke veiligheidsdomein zijn we de uitdaging aangegaan om meer te handelen vanuit het vertrouwen in de burger. Een beter risicobewustzijn en meer eigen verantwoordelijkheid, met als beoogd gevolg: een (pro)actief naleefgedrag. Belangrijke stappen zijn gezet, maar doorontwikkeling blijft belangrijk. Daar zullen we in onderstaande nog verder op ingaan. Daarom handhaven we deze speerpunten als hoofdthema’s voor de huidige bestuursperiode. Wel willen we bij onze ambities ten aanzien van het Veiligheidshuis gericht gaan inzetten op de vraagstukken die te maken hebben met een goede verbinding tussen zorg en veiligheid. Daarnaast is de aanpak van ondermijningscriminaliteit een nieuw belangrijk hoofdthema in de komende jaren.
De randvoorwaarden Alvorens we de inhoudelijke thema’s behandelen, willen we kort ingaan op de de randvoorwaarden voor een effectief lokaal veiligheidsbeleid. De aansluiting met de burger
Het belang om de burger sterker bij de sturing op veiligheid te betrekken vraagt om een ingrijpende cultuurverandering, zowel bij overheidsdiensten en instellingen met een publieke taak als bij de burger zelf. Dat geldt niet alleen het domein van sociale veiligheid (de bestrijding van overlast en veelvoorkomende criminaliteit), maar ook de fysieke veiligheid. Op lokaal vlak zijn sociaal en fysiek vaak sterk met elkaar verweven. Veel uitdagingen op het terrein van risicobeheersing in de fysieke ruimte vragen om actieve burgerbetrokkenheid op verschillende niveaus en met wisselende intensiteit; en het succes van deze vormen van participatie is weer sterk afhankelijk van lokaal sociaal beleid gericht op bewustwording, empowerment en weerbaarheid. Regionale samenwerking
De grote uitdaging blijft om de lokale invloed op het veiligheidsdomein te borgen in de veelheid van regionale bestuurlijke samenwerking. De nationale politie met haar grote territoriale eenheden (10 voor het hele land), de regionale brandweer (VRGZ), de Omgevingsdienst Regio Nijmegen (ODRN) en de bestuurlijke regionale samenwerking op de terreinen van zorg en welzijn. Zowel op het domein sociale veiligheid als op het domein fysieke veiligheid wordt daarmee het welslagen van lokaal veiligheidsbeleid in belangrijke mate bepaald door het succes van regionale samenwerking. Het succes bij de bestrijding van ernstige overlast en veelvoorkomende criminaliteit hangt voor een belangrijk deel af van de intensieve samenwerking tussen strafrecht en zorg die we in het Veiligheidshuis bovenlokaal organiseren. Fysieke veiligheid kan, evenals haar sociale tegenhanger, niet meer los worden gezien van de zich ontwikkelende participatiesamenleving. Die uitdaging kunnen we alleen tegemoet treden door een nauwe samenwerking tussen lokaal en bovenlokaal.
9
Informatiegestuurd werken
Willen we effectief sturen op veiligheidsrisico’s dan moeten we achtergronden, patronen en trends bij veiligheidsvraagstukken vroegtijdig herkennen en doorgronden. Dat betekent: informatiebronnen van gemeente en partners ontsluiten en verbinden. Op deze wijze organiseren we Intelligence: het analyseren en duiden van gegevensbestanden om fenomenen en achtergronden in beeld te kunnen brengen met als doel de strategische en tactische informatiepositie van de gemeente en zijn partners integraal te versterken.
De hoofdthema’s Intelligence Vanaf 2016 hebben we volop werk gemaakt van Intelligence (informatiegestuurd werken) op het veiligheidsdomein. Twee belangrijke producten in het kader van het informatiegestuurd werken zijn de dashboards veiligheid en de fenomeenanalyses. Door middel van de dashboards veiligheid kunnen we op een snelle en interactieve manier het veiligheidsbeeld van de gemeente Nijmegen in kaart brengen; vooral belangrijk voor de prioritering en sturing door de Veiliger Wijkteams. De fenomeenanalyses geven ons daarnaast de mogelijkheid om voor specifieke fenomenen verdiepende analyses en een aanpak op maat te ontwikkelen. De toegevoegde waarde van deze twee producten is dat er, door het koppelen van politiegegevens aan gegevens van de gemeente, een integraal beeld van de (on)veiligheidsproblematiek ontstaat. Tevens wordt de problematiek structureel in beeld gebracht, waardoor interventies in een vroeg stadium mogelijk worden. In de lokale gezagsdriehoek is voor de toepassing van beide producten een projectplan vastgesteld, onder andere ook om de zorgvuldigheid rondom de gegevensuitwisseling te waarborgen. De gegevens in de dashboards worden elke week automatisch opnieuw ingeladen, waardoor het veiligheidsbeeld zo actueel mogelijk blijft en de Veiliger Wijkteams snel kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen.
Met de verdiepende fenomeenanalyses zoomen we in op de incidenten en misdrijven die om een specifieke aanpak van de overheid vragen. Jaarlijks prioriteert de lokale gezagsdriehoek de thema’s voor de fenomeenanalyses. Intelligence is overigens geen doel op zich, maar een belangrijk middel bij de ondersteuning van gemeentelijke regie in de samenwerking ten behoeve van lokale veiligheid. Daarvoor is het belangrijk om gegevens bij elkaar te brengen, te analyseren en te duiden. In de netwerk- en informatiesamenleving die we geworden zijn, is er niet langer meer één partij – zoals vroeger de politie – die de informatiepositie op het veiligheidsdomein exclusief beheert. Veeleer is er sprake van een safety and security web, waarin veel partners en stakeholders over informatie beschikken die van belang is bij de aanpak van lokale veiligheidsvraagstukken. 1 Dan is het ook logisch dat er in de netwerkstructuur rondom lokale veiligheid één partij zorgdraagt voor samenhang in relatie tot relevante informatie; en dat is logischerwijze de regiehouder, de gemeente dus. De Intelligence levert hiervoor de informatieproducten, niet alleen kwantitatief (cijfers), maar ook kwalitatief (door middel van duiding), die ons ondersteunen bij kritische reflectie op keuzes en prioriteiten.
Onze ambitie hierbij is ook om de informatiebronnen langzamerhand uit te breiden, zodat we ook beter in staat zijn de maatschappelijke context in relatie tot veiligheidsproblematiek in beeld te krijgen. Daarnaast willen we onze informatiepositie ook uitbreiden naar het domein van fysieke veiligheid, onder andere met het oog op voorspellende waarden in relatie tot risico’s en de impact daarvan. 1
Zie: Auke J. van Dijk – De toekomst van lokale handhaving reframed – een uitgave van Stichting Maatschappij en Veiligheid, Den Haag, april 2017 – pp. 21.
10
Veiliger Wijkteams In april 2017 zijn we na een lange voorbereiding gestart met 8 Veiliger Wijkteams (nieuwe stijl) voor de hele stad. Hiermee hebben we een belangrijke stap gezet om de gemeentelijke regie bij veiligheidsvraagstukken die zich op straat-, buurt- en wijkniveau aandienen te versterken. De teams staan tevens in het teken van informatiegestuurd werken, omdat de dashboards veiligheid belangrijke instrumenten vormen om veiligheidsproblematiek te duiden en te prioriteren. Een belangrijk uitgangspunt voor het functioneren van het Veiliger Wijkteam is de notie dat veiligheid niet alleen een kwestie is van regels handhaven, maar dat de basis van een leefbare samenleving tevens ligt in vertrouwen, zorgzaamheid en verbondenheid. 2 Een veiligheidsstrategie dient ook een bijdrage te leveren aan deze positieve waarden wil ze op den duur houdbaar zijn. Straffen en sanctioneren lossen op zichzelf genomen weinig op, tenzij ze onderdeel uitmaken van een integrale benadering waarin positieve sociale waarden centraal staan en repressie als doel heeft om de daarbij horende normen te schragen. Anders wordt handhaving een doel op zichzelf. Dat zal niet tot duurzame resultaten leiden. Tegelijkertijd is het nodig om de bewonersbetrokkenheid bij gebiedsgebonden veiligheidscasuïstiek beter en gerichter te organiseren.
Daarmee schragen we de veiligheidsbeleving en het vertrouwen van bewoners in de zichtbaarheid en de daadkracht van de overheid. Dus gaan we de komende jaren (nog) meer een beroep gaan doen op de mogelijkheden van bewoners om zaken zelf aan te pakken, dan wel te veranderen, rekening houdend met de mate van sociale cohesie in de wijken en parallel daaraan het organisatievermogen van bewoners om zich actief en weerbaar op te stellen. In relatie daarmee bekijken we dan ook de rol die gemeente en partners kunnen nemen ter versterking van deze preventiestrategie en waar – in nauwe aansluiting daarop – de prioriteiten van politie en het gemeentelijk toezicht moeten liggen met het oog op handhaving als sluitstuk van die strategie. Los van het organiseren van zulke vormen van collectieve weerbaarheid houdt deze strategie ook in dat we oog hebben voor mogelijke (kleinschalige) interventies in de openbare ruimte die kunnen bijdragen aan een positieve veiligheidsbeleving. In dat kader wordt in de literatuur ook wel gesproken over situationele preventie. 3 Uitgangspunt daarbij is om de factoren die bijdragen aan het feit dat mensen zich op een bepaalde plek onveilig voelen weg te nemen of aan te passen. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het verlichtingsniveau, kleurstelling of andere sfeerbepalende elementen, naast fysieke aanpassingen.
Er hebben in de afgelopen jaren veel innovaties op dit terrein plaatsgevonden, waarmee elders inmiddels positieve ervaringen zijn opgedaan. Bij interventies hierop kunnen gemakkelijk bewoners of bezoekers betrokken worden, waardoor ook weer een verbinding mogelijk is met strategieën van collectieve weerbaarheid. Bij dit alles is het belangrijk om scherp in het oog te houden wat de prioriteiten dienen te zijn, gelet op het criminaliteitsbeeld en de veiligheidsbeleving op gebiedsniveau. Stadsbreed liggen de prioriteiten voor de Veiliger Wijkteams bij: overvallen, auto-inbraken, cybercrime en ondermijning. Daarnaast wordt per Veiliger Wijkteam periodiek afgestemd wat de specifieke thema’s voor het betreffende stadsdeel of voor een hiervan deel uitmakende wijk dienen te zijn, de zogeheten gebiedsgebonden prioriteiten. Die prioritering geschiedt op basis van onze Intelligenceproducten (met name de dashnoard veiligheid). Hiermee zorgen we ervoor dat het Veiliger Wijkteam ook kan opereren als een flexibel veiligheidsnetwerk dat probleemgeoriënteerd en laagdrempelig functioneert op basis van het uitgangspunt: doen wat nodig is. In de jaarlijkse Veiligheidsbrief rapporteren we over de prioritering en over de resultaten. 2
Zie: Positieve veiligheid – Naar een nieuwe Rotterdamse veiligheidsstrategie, een uitgave van de VU Amsterdam (2017), pp. 8. 3 Ibid, pp. 13-14.
11
Zorg en veiligheid De afgelopen jaren hebben we belangrijke stappen kunnen zetten in de verbinding tussen zorg en veiligheid, zowel in de persoonsgerichte aanpak (Veiligheidshuis) als bij de interventies op gebiedsniveau (Veiliger Wijkteams), waardoor nu een stevige basis ligt die we kunnen uitbouwen met het oog op maatschappelijke effectiviteit en kostenbesparingen. We verwachten hiermee de komende jaren gerichter te kunnen sturen op de inzet van professionals in de frontlinie. De ervaring van de afgelopen jaren leert dat het belangrijk is om het vraagstuk van de samenwerking tussen zorg en veiligheid vooral ook te benaderen vanuit de maatschappelijke opgaves waarvoor we staan. Op basis van dat uitgangspunt zijn er twee thema’s die we belangrijk vinden. De eerste: de aanpak van mensen met een ernstige psychische aandoening die de grip op hun leven (dreigen) te verliezen en zo het risico lopen schade voor zichzelf en anderen te berokkenen (in het dagelijkse taalgebruik: verwarde personen). De tweede: de aanpak van structurele onveiligheid (denk aan intergenerationeel geweld in de huiselijke sfeer en seksueel misbruik), nauw aansluitend op de regionale visie op huiselijk geweld en kindermishandeling.
4 De keuze voor deze thema’s hangt samen met het hoge maatschappelijk afbreukrisico dat ze kennen, terwijl we tot op heden in de netwerksamenwerking nog in onvoldoende mate de gewenste resultaten bereiken. Bovendien gaat vanaf 1 januari 2020 de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) een belangrijke rol spelen in de aanpak van ‘verwarde personen’, omdat vanaf die datum verplichte zorg ook buiten een GGZ-instelling kan worden opgelegd – een belangrijke stap vooruit. Tevens voorziet de nieuwe wet in een opdracht aan hulpverleners om aandacht te hebben voor de maatschappelijke participatie van mensen aan wie een verplicht zorgkader is opgelegd. De Wvggz gaat ons dus meer mogelijkheden bieden om de ondersteuning beter in te richten. In samenhang hiermee is een belangrijke veranderopgave op het snijvlak van zorg en veiligheid het organiseren van goed casemanagement met het oog op de effectiviteit van de persoons- en systeemgerichte aanpak die we in het Veiligheidshuis voor de Top-150 praktiseren. Met de Top-150, concentreren we onze aandacht op de zorg- en veiligheidscasuïstiek met de hoogste urgentie en de grootste maatschappelijke impact. Het stroomlijnen van (zorg)trajecten bij complexe casuïstiek is generiek de toegevoegde waarde vanuit het Veiligheidshuis, aldus de rendementsanalyse uit 2016.
5 Maar meer in het bijzonder vormt de inzet van casemanagement een belangrijke sleutel tot succes, doordat relevante partners zo vroeg mogelijk worden betrokken, zodat problemen niet onnodig escaleren; en door het tegengaan van stapeling van niet op elkaar afgestemde monodisciplinaire interventies. Daarom zijn we al in 2016, samen met de Regieteams voor de aanpak van multiprobleemhuishouden, gestart met een implementatietraject om de taken en de houdingsaspecten die vanuit onze visie rondom casemanagement van belang zijn ook in de dagelijkse praktijk te laten landen. Hierbij werken we intensief samen met onze maatschappelijke partners. De resultaten hiervan willen we de komende jaren borgen. Daarnaast is de snelheid waarmee gehandeld wordt in complexe casuïstiek van groot belang. Ergo is het nodig dat het Veiligheidshuis, naast facilitering van multidisciplinaire afstemming en casemanagement, ook doorzettingsmacht, c.q. versnellingsmacht kan organiseren als casuïstiek in de backoffices van partners vastloopt. Bijvoorbeeld omdat wachtlijsten niet omzeild kunnen worden. Zo blijven onze inspanningen komende jaren erop gericht om met alle afzonderlijke ketenpartners afspraken maken teneinde wachtlijsten terug te dringen.
4
Voor een veilig thuis - Visiedocument aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling Regio Rijk van Nijmegen & Rivierenland (2015). 5 Zie: Raadbrief Rendementsanalyse Veiligheidshuis, d.d. 19 april 2016 (registratienummer: 16.0003584).
12
Naast de Top-150 hebben we in het Veiligheidshuis nog aandacht voor een aantal specifieke doelgroepen. Zo organiseren we er, op dit moment nog in de vorm van een pilot, de nazorg voor exgedetineerden met het oog op het voorkomen van recidive. Daarbij staat wel altijd de vraag centraal hoeveel zorg maatschappelijk verantwoord en proportioneel is, mede gelet op het belang om andere complexe doelgroepen te kunnen bedienen; zorg is immers altijd een schaars product. Onze ambitie is om de komende jaren één loket te organiseren voor zowel de ex-gedetineerden als de professionals die bij de nazorg een rol hebben. Afgelopen jaar hebben we hierin eerste stappen gezet door met de pilot de coördinatie van de nazorg in het Veiligheidshuis te gaan organiseren, zodat we beter in staat zijn om op alle relevante leefgebieden met de betrokken partners stevige afspraken te maken. In april 2019 wordt de pilot geëvalueerd. Tot slot is ook de aanpak van extremisme een aandachtsgebied op het snijvlak van zorg en veiligheid. Dan gaat het om het monitoren en tegengaan van extremisme in brede zin. Het maatschappelijke debat in ons land ten aanzien van identitaire thema’s is virulent. Denk bijvoorbeeld aan het discours over secularisme versus religie, vooral de islam, dat de laatste jaren in alle scherpte gevoerd wordt.
Maar eveneens het groeiend zelfbewustzijn van minderheidsgroepen versus de ‘witte’ meerderheidscultuur, zoals die tot uitdrukking komt in discussies over thema’s die in de samenleving gevoelig kunnen liggen. Toon en strekking van het maatschappelijk debat zijn dan ook bij tijd en wijle geagiteerd. Op zichzelf genomen is het uiteraard geen enkel probleem dat deze discussie gevoerd worden – integendeel zelfs, vanuit democratisch oogpunt is dat alleen maar toe te juichen! Maar we moeten wel oog blijven houden voor het effect hiervan op individuen die gemakkelijk te beïnvloeden kunnen zijn door groeperingen die zo hun kans zien om de samenleving schade toe te brengen. Daarom blijven we hier de vinger aan de pols houden en grijpen we, waar nodig, in. Fysieke veiligheid Met het Plan van Aanpak Fysieke Veiligheid 2016-2018 zijn de kaders voor een betere verantwoordelijkheidsverdeling ten opzichte van burgers en ondernemers vastgelegd. 6 De risico-analyse die met dit plan werd geïntroduceerd is inmiddels in de hele Veiligheidsregio uitgerold en moet de komende jaren leidend gaan worden bij de gemeenschappelijke programmering van de VRGZ en de beide Omgevingsdiensten in Gelderland-Zuid. Daarmee hebben we een eerste grondslag gelegd voor een integrale programmering van Omgevingsdienst (ODRN) en regionale brandweer (VRGZ) in relatie tot fysieke veiligheid.
In de gezamenlijke programmering staan twee thema’s centraal: de constructieve veiligheid en de brandveiligheid van gebouwen en de milieuveiligheid. We zullen ons moeten realiseren dat de aanpak van fysieke veiligheid de komende jaren gelaagder gaat worden. Dat heeft enerzijds te maken met de toenemende rol van burgerbetrokkenheid bij risicobeheersing in de fysieke ruimte. En anderzijds staan er veel innovatieve ontwikkelingen aan te komen. Digitalisering, het gebruik van big data, datamining en neurodata maken preventieve interventies niet alleen gemakkelijker en slimmer, maar stellen ook andere eisen aan de gezamenlijke programmering van ODRN en VRGZ. Dat geldt ook voor de invloed van het internet en de kansen die dit biedt om in relatie tot risicobeheersing in de fysieke ruimte interactief de verbinding met de burger te leggen met het oog op bewustwording, empowerment en weerbaarheid. We zullen dus in de komende jaren de integrale beleidsplanning verder moeten uitbouwen vanuit de grondslag die er nu ligt, ook rekening houdend met nieuwe wettelijke kaders (denk aan de Omgevingswet), maar tevens met de invloed van de zich uitbreidende netwerksamenleving die om een andere verhouding vraagt tussen de overheid en de burgers. 6
Zie: raadsbesluit 1/2016.
13
Het realiseren van een adequaat veiligheidsniveau voor bedrijfs- en woonpanden op basis van alleen de standaardeisen uit de bouwregelgeving leidt vaak tot buitenproportionele oplossingen, zowel met het oog op de kosten als in relatie tot het gewenste eindresultaat. Ofschoon het bevoegd gezag mag afwijken van de standaardeisen wanneer er eenzelfde veiligheidsniveau gerealiseerd kan worden met andere maatregelen, blijkt dat in de praktijk niet eenvoudig. Vaak is de risico-regelreflex (de behoefte om elk risico te ondervangen met het streng toepassen van wettelijke normen) toch sterk bepalend, waardoor gelijkwaardige alternatieven die een meer proportionele oplossing zouden bieden om een risico tegen te gaan niet of moeilijk bespreekbaar worden. Dat staat dan weer op gespannen voet met de ruimte die we maatschappelijke partijen willen geven om zelf verantwoordelijkheid te nemen en hieraan op een zinvolle en praktische manier invulling te geven. De invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2021 gaat zorgen voor een verandering in de benadering van ruimtelijke vraagstukken, waaronder de veiligheid van de fysieke leefomgeving. Die verandering sluit aan bij ontwikkelingen die we hierboven al geschetst hebben.
Niet alleen worden regels eenvoudiger en moeten de onderscheiden dimensies van ruimtelijke vraagstukken meer in samenhang met elkaar worden beoordeeld, maar het nieuwe stelsel sluit ook beter aan bij de nieuwe vormen van sociale organisatie die samenhangen met de zich ontwikkelnde netwerksamenleving. Dat betekent dat veiligheidsvraagstukken in de fysieke leefomgeving ook steeds meer onderdeel worden van een geïntegreerde visie op de betekenis van de fysieke ruimte in relatie tot andere leefgebieden – bijvoorbeeld: gezondheid en duurzaamheid. En daarnaast gaat de rol van burgerbetrokkenheid hierin een belangrijke rol spelen. Dit betekent dat we de komende jaren zullen moeten gaan werken aan een strategische visie hoe vraagstukken van fysieke veiligheid in dit stelsel in te bedden, inclusief een heldere opdracht aan belangrijke partners als ODRN en VRGZ. Aangezien deze partners ook werken voor de andere gemeenten in onze regio, zullen we het gesprek hierover ook met die gemeenten vorm moeten gaan geven, willen we ervoor zorgen dat we ODRN en VRGZ niet onnodig overvragen. Hier ligt dus een grote opgave voor de lopende bestuursperiode – en wellicht zelfs ook nog wel voor daarna. Daarbij is het nodig ook breed in te zetten op een cultuurverandering in onze eigen organisatie, bij de ODRN en bij de VRGZ.
Professionals worden van controleur adviseur, waarbij ze er op moeten durven en kunnen vertrouwen dat zij niet vol in de wind komen te staan op het moment dat zich een incident voordoet. Managers moeten in staat zijn om in de meest ingewikkelde casuïstiek de proportionaliteit van het door hun medewerker gegeven advies te beoordelen en daarover met gevoel voor bestuurlijke context te adviseren. Het lokaal bestuur moet de verantwoordelijkheid daadwerkelijk bij de burger durven laten en dat vooral ook blijven uitleggen bij klachten en incidenten. De komende jaren gaan we hier volop op inzetten. Onze ambities op het terrein van fysieke veiligheid willen we in 2019 gaan vastleggen in een te actualiseren Plan van Aanpak Fysieke Veiligheid voor de huidige bestuursperiode. Ondermijningscriminaliteit
In onze laatste Veiligheidsbrief hebben we reeds gewezen op het maatschappelijke belang van de aanpak van ondermijningscriminaliteit. 7 Dit past ook in onze benadering van veiligheid, waarbij weerbaarheid het uitgangspunt vormt. In relatie tot de aanpak van ondermijningscriminaliteit vinden we hierin nadrukkelijk steun in de vakliteratuur. “Een weerbare samenleving verkleint het ontwrichtende effect van criminele activiteit en verkleint de ruimte voor criminele activiteiten. De samenleving werpt dan zelf barrières op tegen criminaliteit en het ondermijnende effect daarvan. Dat moet altijd gepaard gaan met ‘harde’ justitiële middelen, maar het kan wel degelijk een krachtige bijdrage aan de aanpak vormen,” aldus een studie van de Nederlandse School voor 7
Zie: Veiligheidsbrief 2018, d.d. 27 februari 2018 (registratienummer: 18.0001172) – pagina 6.
14
Openbaar Bestuur, uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 8 De aanpak van ondermijningscriminaliteit heeft tot doel om criminele netwerken en processen in Nijmegen te verstoren. Zo dragen we ertoe bij georganiseerde criminaliteit uit Nijmegen te weren en daarmee voorkomen we ook dat kwetsbare burgers of ingezetenen misbruikt worden voor bijvoorbeeld hennepteelt, arbeidsuitbuiting of zorgfraude. Het verstoren van ondermijningscriminaliteit begint met het opwerpen van effectieve hindernissen. De gemeente is in staat om veel van die barrières op te werpen. Bijvoorbeeld de toepassing van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) bij vergunningaanvragen, grond- en vastgoedtransacties en contracteringen. De Wet Bibob stelt ons immers in staat om kritisch vragen te stellen en eventueel ook onderzoek te doen naar de achtergronden van partijen die met ons zaken willen doen. Zo kunnen we witwasconstructies voorkomen, die anders een belangrijke schakel vormen in het ciminele proces. Daarmee wordt Nijmegen een minder aantrekkelijke vestigingsplaats voor criminele ondernemers. In de horeca en bij de bijzondere handhaving op bedrijventerreinen hebben we daar goede ervaringen mee opgedaan. Zo’n aanpak draagt bij aan een weerbare stad.
Een alert en proactief lokaal bestuur is dus een belangrijke succesfactor. Gelet op alle domeinen waarop de gemeente in de lokale samenleving actief is en vanwege de hoeveelheid producten en diensten die wij onze burgers in dat kader bieden, hebben we een sterke informatiepositie. Die wordt nog eens versterkt door de vele partners met wie wij dagelijks samenwerken. Daarnaast hebben we de mogelijkheid om via communicatie niet alleen in verbinding te zijn met de burger, maar daardoor ook invloed te kunnen uitoefenen. Door controles en dossieropbouw en vervolgens handhaving waar dat nodig is, versterken we de weerbaarheid van buurten, wijken, maar tevens maatschappelijke sectoren tegen criminogene invloeden. Zo kunnen signalen van bijvoorbeeld medewerkers burgerzaken die zich zorgen maken over uitzend- en bemiddelingsbureaus die arbeidsmigranten inschrijven – en we weten dat deze bedrijfstak kwetsbaar is voor ondermijningscriminaliteit - leiden tot het uitzoeken van de achtergronden van de betrokken ondernemers. Informatie van de sociale recherche of contractmanagers in het sociale domein kan ertoe leiden dat we bepaalde fenomenen verder gaan uitpluizen. Dit alles uiteraard wel gebaseerd op zorgvuldige afwegingen, waarbij de ernst van signalen door ons nauwgezet beoordeeld wordt. En ook op andere domeinen waarop we actief zijn, zijn veel relevante voorbeelden te geven.
De gedachte dat de aanpak van georganiseerde criminaliteit en het tegengaan van de zeer schadelijke gevolgen ervan voor onze samenleving alleen een zaak zijn van crimefighters bij politie en Openbaar Ministerie is dus allang achterhaald. Voorbeelden elders in het land, met name in de zuidelijke provincies, hebben in de afgelopen jaren indringend duidelijk gemaakt dat wegkijken geen optie is. Een lokaal bestuur dat actief bijdraagt aan het verstoren van criminele netwerken en processen draagt ook actief bij aan een leefbare en veilige, maar eveneens democratische en rechtsstatelijke samenleving. Daarbij is het belangrijk dat we niet alleen de blik naar buiten richten, maar ons er evenzeer van bewust zijn dat, juist vanwege de rol die de gemeente heeft in de lokale samenleving, het lokaal openbaar bestuur een interessante partner en doelwit is van criminelen. Ze hebben immers onze producten en diensten hard nodig voor hun criminele opzet. Daarom is het belangrijk dat we oog hebben en houden voor de weerbaarheid binnen onze eigen gemeentelijk organisatie. Behalve dat 8
Zie: Ondermijning ondermijnd – Hoe het Rijk meer ruimte kan maken voor een (boven)lokale aanpak van georganiseerde ondermijnende criminaliteit – een uitgave van de Nederlandse School voor het Openbaar Bestuur, december 2016 – pp. 11.
15
het cruciaal is, zoals hierboven reeds gememoreerd, dat we de achtergronden kennen van partijen waarmee we grote zakelijke belangen aangaan, is het eveneens van belang dat we oog houden voor kwetsbaarheden van zowel medewerkers als werkprocessen. Daarom zijn we begin 2018 gestart met pilots weerbaarheid bij onze organisatie-eenheden in de maatschappelijke frontlinie. Dit alles valt samen te vatten onder de noemer: waar dat maar mogelijk is, maken we boeven het leven zuur. Hoe belangrijk de rol van de gemeente hierbij ook is, dit kunnen we uiteraard niet alleen. De partners in de strafrechtketen (politie en Openbaar Ministerie), omdat de strafrechtelijke handhaving het sluitstuk is, maar ook de Belastingdienst en de Inspectie SZW van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn hierbij belangrijke partners, evenals uitkeringsinstanties en de Omgevingsdienst (ODRN). Om al deze partners ook gecommitteerd en betrokken te houden is het belangrijk om gezamenlijk prioriteiten in kaart te brengen. Elke partij kan hiervoor haar eigen informatiepositie inzetten, naast data-, gebieds- en systeemanalyses (onder andere door de gemeente via de Intelligencefunctie), op basis waarvan uiteindelijk gezamenlijk gewogen wordt. Het moge duidelijk zijn dat bij de integrale samenwerking die hiervoor nodig is het lokale bestuur een belangrijke en verbindende rol speelt.
De gemeente beschikt immers over relevante informatie en positie in de lokale context. Juist omdat we ook een zwaar beroep doen op het private domein van burgers, ondernemers en organisaties met een maatschappelijke opdracht, moeten we ook bereid zijn om publiek en privaat met elkaar te verbinden in relevante netwerken. En tot slot: vanwege de soms noodzakelijke schaalgrootte bij de aanpak van ondermijningscriminaliteit zullen ook vaker verbanden van verlengd lokaal bestuur een belangrijk platform voor de samenwerking moeten bieden, waarbij wel oog moet blijven voor de rol en verantwoordelijkheid van het lokale bestuur in de plaatselijke context. Willen we als lokaal bestuur een volwaardige rol pakken in de bestrijding van criminaliteit met een voor de samenleving ontwrichtend karakter, dan zullen we ook aandacht moeten hebben voor onze voorbeeldfunctie. Het lokale bestuur heeft een verantwoordelijkheid om normen en waarden te expliciteren en te handhaven, willen we generiek een bijdrage leveren aan maatschappelijke weerbaarheid.
De overige veiligheidsthema’s Jeugdoverlast en jeugdcriminaliteit
De laatste editie van onze Stads- en Wijkmonitor laat positieve ontwikkelingen zien in relatie tot problematisch jeugdgedrag. Met onder meer minder verwijzingen naar Bureau Halt, minder jongeren die met een delict voor de rechter komen en minder schooluitval. 9 Eveneens registreert de monitor een afname van jeugdoverlast. In 2013 waren er nog 7,0 geregistreerde gevallen van jeugdoverlast per 1000 inwoners; drie jaar later bleek dat gezakt tot 5,3. 10 De laatste jaren lijkt de overlast door jeugdigen, ondanks lichte schommelingen, zich redelijk te stabiliseren, zo blijkt uit de politiecijfers over 2015, 2016 en 2017. 11 Op zich is dat uiteraard goed nieuws. Maar hier zit wel een keerzijde aan. Jongeren die in de problemen komen, zitten sneller ‘in het rood’. Minder dan in het verleden het geval is, zijn we de laatste jaren in staat gebleken om vroegtijdig te signaleren en pro-actief te beïnvloeden. Dat betekent dat we de komende bestuursperiode voor de uitdaging staan om onze informatiepositie anders in te richten. Hierbij zal Intelligence een belangrijke rol gaan spelen, omdat 9
Stads- en Wijkmonitor 2018 - samenvatting aan de gemeenteraad aangeboden per brief van 27 februari 2018 (kenmerk: BA30/18.0001313), pp. 5. 10 Ibid., online versie, programma Veiligheid, onderdeel: overzicht. 11 Zie hiervoor: de Veiligheidsbrief 2018, d.d. 21 februari 2018 (kenmerk: VH10/18.0001172).
16
fenomeenanalyses nodig zullen zijn om voorspellende waarden te genereren ten aanzien van risicogroepen en risicolocaties. In dat kader zijn we in de tweede helft van 2018 al gestart met het zogeheten 7-stappenmodel voor het in beeld brengen van problematische jeugdgroepen en het werkproces dat daarop volgt. Daarnaast is een goede aansluiting van het preventief agogisch werk voor jongeren op de veiligheidsketen van groot belang. Jongerenwerkers, straatcoaches, medewerkers van sportservice, beheerders van jongerenaccomodaties en FC Social Work zullen hun professionele inspanningen onderling moeten afstemmen op basis van een gezamenlijke probleemanalyse op het niveau van wijken en eventueel ook specifieke jongerengroepen, met daaraan gekoppeld ook een heldere taakverdeling en een personele inzet die rekening houdt met de professionele competenties die passen bij de uitdagingen. 12 Meer dan in het verleden zien we in de laatste jaren dat jeugdgroepen, mede vanwege de invloed van social media, niet meer per se wijk- of locatiegebonden zijn. Het systeem is dynamischer en meer fluïde geworden, omdat jongeren met de digitale middelen die ze ter beschikking hebben gemakkelijker op verschillende locaties kunnen afspreken; vaak ook op korte termijn. Ook met deze ontwikkeling zullen we meer rekening moeten houden met onze opdracht aan het jongerenwerk. Digitale criminaliteit
In de periode februari tot en met juni 2017 is een fenomeenanalyse uitgevoerd naar slachtofferschap van cybercrime onder Nijmegenaren. 13 Daarbij is vastgesteld dat in de jaren 2012 tot en met 2016 in Nijmegen het aantal slachtoffers gedaald is. Een opvallende conclusie, gelet op het toenemend intensiever gebruik van ICT en internet. Eveneens opmerkelijk is de conclusie dat in onze stad jongeren in de leeftijd tussen 15 en 25 jaar en hoogopgeleiden het meest kwetsbaar blijken voor cybercrime. Mogelijke verklaringen voor de kwetsbaarheid van deze leeftijdsgroep zijn terug te voeren op het intensieve (onveilige) internetgebruik onder jongeren en de verweving tussen de offline en online wereld met betrekking tot cyberpesten. De kwetsbare positie van hoger opgeleiden is mogelijk te verklaren doordat de hoge mate van cybersecure gedrag – in de vorm van kennis en de toepassing daarvan – onder deze groep niet opweegt tegen het intensieve gebruik van internet en ICT. Belangrijk bij de aanpak van digitale criminaliteit is het versterken van de weerbaarheid van kwetsbare doelgroepen; en wel zoveel mogelijk via laagdrempelige publiek-private netwerken (maatschappelijke allianties) die het bereik onder de relevante doelgroepen kunnen borgen.
Er is op dit moment nog weinig kennis en ervaring hoe die netwerken in te richten en welke rollen en verantwoordelijkheden publiek respectievelijk privaat hierin zouden moeten nemen. Ook hebben we nog onvoldoende zicht op de kansrijkheid en bestendigheid van een dergelijke aanpak. Om die reden zetten we voorlopig in op pilotprojecten, waarmee we kunnen experimenteren met vormen van publiek-private samenwerking. Zo zijn we dit voorjaar met OM en politie in OostNederland gestart met een pilot rondom de aanpak van criminele inspanningen om door het wederrechtelijk verkrijgen van inlogcodes misbruik te maken van aankoopprocedures bij bonafide 12
Najaar 2017 zijn in dat kader in Hatert en Dukenburg 2 pilots jongerenopbouwwerk gestart. Programma’s Zorg & Welzijn, Wijken en Veiligheid zijn hiervan namens het College van B&W de opdrachtgevers. Zie hiervoor ook de raadsbrieven, d.d. 12 juni 2017 (kenmerk: MO10/17.0005389) en d.d. 3 oktober 2017 (kenmerk: MO10/17.0008795). De evaluatie van deze pilots zal ook met de Raad worden gedeeld. 13 Zie: Cybercrime in Nijmegen – De kwestbaren uitgelicht (juni 2017)– door: Sylvia Dickie in het kader van een afstudeeronderzoek voor de opleiding Sociologie aan de RU Nijmegen, in opdracht van de afdeling Veiligheid van de gemeente Nijmegen. In dit onderzoek stond het slachtofferschap van bewoners centraal en is niet ingegaan op cybercrime in relatie tot bedrijven en instellingen.
17
webwinkels. Het doel van deze pilot is om tot een maatschappelijke alliantie te komen die met succes hindernissen kan opwerpen in de verschillende stadia van het criminele proces. In dit zogeheten barrièremodel zijn de vraagstukken die samenhangen met de governance van de publiekprivate samenwerking onze belangrijkste uitdagingen. In de mate waarin we in staat zijn om deze uitdagingen succesvol te adresseren, zullen we er uiteindelijk ook in slagen om een kansrijke aanpak te ontwikkelen. Dat zullen we in de komende jaren dus stap voor stap moeten gaan ontdekken. In onze Veiligheidsbrief zullen we hiervan jaarlijks verslag doen. Handhaving Opiumwet
Ten aanzien van coffeeshopbeleid en de mogelijkheid van deelname aan een pilot voor gereguleerde wietteelt liggen de keuzes vast in het coalitieakkoord 2018-2022 Nijmegen: samen vooruit. 14 Het toezicht en de handhaving op coffeeshops blijft daarmee echter ongewijzigd. Aansluiting bij een landelijk experiment voor de regulering van de wietteelt is afhankelijk van de kaders die het Rijk hiervoor ontwikkelt. Sinds 1 januari 2017 past de burgemeester artikel 13b Opiumwet ook toe bij de sluiting van hennepkwekerijen. Eerder was dat niet mogelijk, maar veranderende rechtspraak (nieuwe jurisprudentie) gaf ons de gelegenheid om onze beleidsregels hierop aan te passen. Gelet ook op de risico’s met het oog op (brand)veiligheid van bouwwerken waarin hennepkwekerijen geëxploiteerd worden – met name in woonpanden en schuurtjes zijn die risico’s hoog voor betrokkenen en omwonenden – en vanwege het risico op misbruik van kwetsbare burgers voor criminele doelen, biedt de verruimde toepassing van artikel 13b Opiumwet een belangrijke basis om een substantiële bijdrage te leveren aan de leefbaarheid en de veiligheid in de stad. Daarnaast blijven we dit wetsartikel inzetten voor het sluiten van panden die gebruikt worden voor drugshandel.
Prostitutie Onze inspanningen bij de regulering van en het toezicht op de prostitutie hebben tot doel om het risico op mensenhandel tegen te gaan; een nevengeschikte doelstelling is het bevorderen van de arbeidsomstandigheden van sekswerkers met het oog op hun veiligheid en gezondheid. Dit is een belangrijke maatschappelijke opgave in een economische branche die kwestbaar is voor criminogene invloeden en waarin het risico groot is dat mensen er onvrijwillig bij betrokken raken. Nijmegen is één van de weinige gemeenten in ons land die nog een tippelzone heeft. Eerder dit jaar hebben we opdracht gegeven voor een evaluatie, omdat het aantal straatprostituees die toestemming hebben om op de zone hun diensten aan te bieden de afgelopen jaren gedaald is. Dat was aanleiding om na ruim 10 jaar het arrangement opnieuw kritisch onder de loep te laten nemen door een onafhankelijk onderzoeksbureau die per 1 mei 2018 gestart is met de evaluatie. De doelgroep en de partners met wie wij op de tippelzone samenwerken kunnen in het kader van de evaluatie hun inbreng leveren. Eind 2018 zal het evaluatierapport beschikbaar zijn voor bespreking met de Raad. Dan moet ook helder zijn of we de huidige aanpak voortzetten dan wel een nieuwe koers moeten inslaan. Toezicht en handhaving op de vergunde seksbedrijven is een belangrijk speerpunt met het oog op de hierboven geformuleerde doelen.
In 2016 is onze Algemene Plaatselijke Verordening (APV) reeds aangepast aan de verwachte invoering van de Wet regulering prostitutie (Wrp). Met het aantreden van het kabinet Rutte III is duidelijk geworden dat de invoering van de Wrp, die lang op zich heeft laten wachten, nu toch definitief doorgaat.
14
Nijmegen: samen vooruit – duurzaam, sociaal, veerkrachtig, aantrekkelijk (coalitieakkoord 2018-2022), pp. 25.
18
Ofschoon we met onze eigen gemeentelijke regelgeving al tijdig hebben geanticipeerd op de gevolgen voor de regulering van seksbedrijven, heeft de Wrp nog wel één belangrijke verandering in petto. Met het van kracht worden van die wet zijn niet alleen seksbedrijven vergunningplichtig, maar ook sekswerkers. Deze verruiming van de werkingssfeer van de regulering betekent ook een uitbreiding van de verantwoordelijkheden van de gemeente voor toezicht en handhaving. Over wat dit daadwerkelijk gaat betekenen, zullen in de huidige bestuursperiode dus keuzes nodig zijn. Tot slot willen we ook nog wijzen op het belang van de handhaving op de illegale prostitutie. Hierbij werken we nauw samen met de politie. Voetbal In Nijmegen hebben we met betaald voetbalorganisatie NEC een sportclub die voor Nijmegenaren veel betekent en mede daardoor een icoon is voor onze stad. Dat is niet anders nu in de laatste jaren de sportieve prestaties niet altijd aan de verwachtingen tegemoet zijn gekomen en de club ook niet langer op het hoogste niveau speelt. We vinden het belangrijk dat mensen veilig de wedstrijden van NEC kunnen bezoeken; en helaas is dat in het betaalde voetbal van vandaag niet altijd meer vanzelfsprekend. Daarom bereiden we ons met de clubleiding en de politie altijd goed voor op risicowedstrijden. Waar nodig zet de burgemeester zijn bevoegdheden in om de openbare orde te handhaven.
In het kader van de aanpak van hooliganism werken we met NEC samen aan een persoonsgerichte aanpak van de harde kern onder de clubsupporters. De inzet hierbij is om zowel ernstige ordeverstoringen rondom (risico)wedstrijden te voorkomen en tegelijkertijd een adequaat zorg- en ondersteuningsaanbod te regelen ten behoeve van positieve gedragsverandering onder de zwaarste categorie harde kern. Daarmee willen we ook criminalisering van de doelgroep tegengaan. Langzamerhand zijn we wel tot de overtuiging gekomen dat de verantwoordelijkheid voor deze aanpak toch echt bij NEC zelf ligt. Daarom hebben we eerder dit jaar reeds besloten om onze financiële steun aan dit project na het seizoen 2019-2020 te beëindigen. Het is dan aan de club om de financiering verder zelf te regelen. Uiteraard blijven we als netwerkpartner, daar waar mogelijk en nuttig, een faciliterende rol bieden. Toezicht op de evenementen De impact en bijbehorende risico’s van evenementen beoordelen we aan de hand van een risicoscan die gehanteerd wordt in de hele Veiligheidsregio Gelderland-Zuid. We delen een evenement op basis van de onderliggende vergunningaanvraag in één van de 3 categorieën risicocategorieën in – te weten: A (kleinschalig en weinig belastend), B (middelgroot en gemiddeld belastend) en C (zeer groot en zeer belastend).
Met name bij B- en C-evenementen werken we in de vergunning met maatwerkvoorschriften; voor A-evenementen gelden in vrijwel alle gevallen alleen algemene voorschriften. Afhankelijk van de risico’s beslissen we in het vergunningtraject of voor een Bevenement voorafgaand een schouw van het evenemententerrein en de inrichting daarvan nodig is. Bij C-evenementen wordt vooraf altijd geschouwd. Bij zo’n schouw zijn alle betrokken diensten (onder andere de regionale brandweer en de Omgevingsdienst, maar ook interne ambtelijke adviseurs) en de organisator betrokken. Dan wordt niet alleen gekeken of alles conform vergunning is ingericht, maar de schouw kan ook nog aandachtspunten opleveren voor de controles tijdens het evenement zelf. Kernbegrippen bij het toezicht op evenementen zijn: interdisciplinaire samenwerking en risicooriëntatie. Alle betrokken diensten trekken gezamenlijk op onder eenduidige regie en met een gedeelde visie op wat er nodig is om het evenement veilig te laten verlopen. In het vergunningtraject en tijdens het evenement zelf ligt de nadruk op samenwerking en dialoog met de organisator. Bij Cevenementen vinden er in het traject van vergunningverlening vaak nog veiligheidsoverleggen
19
plaats, waaraan de organisator ook actief deelneemt. Vindt er een schouw plaats van het evenemententerrein, dan is de organisator daar eveneens altijd bij. Daarnaast beperken we ons bij de vergunningverlening en tijdens de controles op de belangrijkste risico’s. Door de jaren heen is ons gebleken dat dit een adequate aanpak is. Niettemin zullen we die bij de actualisatie van het Plan van Aanpak FysiekeVeiligheid met de betrokken partners nog eens kritisch beschouwen in relatie tot het aspect risicosturing. Toezicht op de horeca Veiligheid en gezondheid zijn de belangrijkste maatschappelijke doelen in relatie tot de regulering van de horeca. De wetgeving stelt heldere eisen aan exploitanten van horeca-ondernemingen waar het gaat om hun levensgedrag, hun deskundigheid op het terrein van hygiëne en hun bedrijfsvoering. Daarnaast zijn de eisen voor de inrichting van de horeca-onderneming streng. Gelet op de publieksfunctie van de horeca en de daarmee samenhangende veiligheidsvraagstukken, naast de risico’s in relatie tot het gebruik van alcohol, is er voldoende reden om controle en handhaving stevig in te richten. Sinds 2014 doen we dat ook met een handhavingspool in regionaal verband. 15 Dat laat onverlet dat elke gemeente zijn eigen prioriteiten hanteert.
Gelet op het belang van veilige horeca-inrichtingen worden alle nieuwe horecaondernemingen (waaronder ook overnames van bestaande bedrijven) gecontroleerd op zowel de inrichtingseisen van de Drank- en Horecawet als op de eisen uit de bouwregelgeving en de Wet milieubeheer. Deze controles worden interdisciplinair uitgevoerd door de regionale brandweer en de Omgevingsdienst onder leiding van een gemeentelijke handhavingscoördinator. De Drank- en Horecavergunning wordt pas afgegeven als de inrichting voldoet aan de wettelijke eisen. Daarnaast worden steekproefsgewijs bestaande horeca-inrichtingen gecontroleerd, waarbij naast de inrichtingseisen en de bouwregelgeving ook gekeken wordt naar de naleving van de Drank- en Horecawet. De handhaving van de leeftijdsgrens voor het schenken van alcohol heeft daarbij hoge prioriteit. Klachten of signalen van bezoekers of omwonenden kunnen aanleiding zijn om een horecaonderneming in dergelijke controlerondes op te nemen. Daarbij volgen we ook de social media – vaak een rijke bron voor signalen. Door de jaren heen is ons gebleken dat dit een adequate aanpak is. Niettemin zullen we die, evenals de aanpak van het toezicht op evenementen, bij de actualisatie van het Plan van Aanpak FysiekeVeiligheid met de betrokken partners ook nog eens kritisch beschouwen in relatie tot het aspect risicosturing.
Generiek gezien is de naleving van de leeftijdsgrens een belangrijk aandachtspunt bij ons toezicht op de horeca. We willen hiermee een bijdrage leveren aan een gezonde ontwikkeling van de Nijmeegse jeugd. Daarom is in de afgelopen jaren het toezicht op de paracommercie een belangrijk speerpunt geworden, waarbij we overigens veel aandacht geven aan het eigen initiatief van bijvoorbeeld studentenverenigingen en sportkantines voor strategieën om problemen te voorkomen. Niettemin blijft handhaving met bijbehorende bestuurlijke maatregelen, zoals boetes, maar ook schorsing van de vergunning of zelfs sluiting van de inrichting, hier een belangrijk sluitstuk van ons toezicht. En ook bij grote evenementen heeft de handhaving van de leeftijdsgrenzen onze aandacht.
15
In de handhavingspool werken gemeenten Nijmegen, Berg en Dal, Beuningen, Druten en Heumen samen.
20
Rampenbestrijding en crisisbeheersing De rampenbestrijding vindt voor een groot deel regionaal plaats. Daarom werken wij samen met vijftien andere gemeenten in de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid (VRGZ). Onder de VRGZ vallen de regionale brandweer, de Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen (GHOR) en de Regionale Ambulancevoorziening (RAV). We willen zo goed mogelijk voorbereid zijn op de aanpak en bestrijding van crises en rampen. Daarmee proberen we de gevolgen van een incident, ramp of crisis zo veel mogelijk te beperken en zo snel mogelijk over te gaan tot de orde van de dag. Wij zijn met name verantwoordelijk voor onze bijdrage aan de gemeentelijke processen binnen de regionale rampenbestrijding.