Chw-bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)_vastgesteld_6_Toelichting
Tekst van het document
vastgesteld bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
61
(Staatsblad 2018, nr 292). De inwerkingtreding volgt gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. In de planregels is al aangesloten op deze nieuwe regelgeving over externe veiligheid in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Onderzoek Dit bestemmingsplan maakt met de herontwikkeling van het ENGIE-terrein een aantal nieuwe risicobronnen mogelijk, naast een aantal bestaande. De relevante risicobronnen zijn in beeld gebracht met de Signaleringskaart 2021 en er is bepaald of een risicobron een invloedsgebied heeft over het plangebied. Risicobronnen worden getoetst aan de risicomaten plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR): Plaatsgebonden risico: de kans per jaar dat een persoon, die onafgebroken en onbeschermd op een plaats verblijft buiten de inrichting, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval met een buisleiding, transportroute of binnen een inrichting, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico: de kans per jaar dat een groep van ten minste tien personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied is het gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Dit gebied is over het algemeen bepaald door voor het grootst mogelijke ongeval te berekenen op welke afstand nog 1% van de blootgestelde personen overlijdt (zogenaamde 1% letaliteitsgrens. Als een invloedsgebied over het plangebied valt is de risicobron relevant.
Het plan maakt ook (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk, zoals de energiecampus en logistieke (watergebonden en waterverbonden) bedrijven. In het kader van het MER en dit bestemmingsplan is een risicobeoordeling gedaan en zijn daarbij alle risicobronnen beschouwd. In dit onderzoek zijn ook de externe-veiligheidsrisico's van de bestaande hogedruk aardgasleiding (N-576-67) als gevolg van de herontwikkeling beoordeeld. Het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) van deze risicobronnen zijn als volgt beoordeeld: 1.
Waal. Als binnenvaartroute valt de Waal onder het Bevt. Op basis van de Regeling Basisnet vindt over dit traject vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het vervoer van toxische gassen (GT3) bepaalt het invloedsgebied van de binnenvaartroute over de Waal. Het invloedsgebied bedraagt 1.070 meter. De Waal heeft geen PR. De toename van het aantal personen in het invloedsgebied is naar verwachting niet terug te zien in de toename van het GR, omdat de dichtheden nabij de risicobron relatief laag zijn.
2.
Maas-Waalkanaal. Ook het Maas-Waalkanaal valt als binnenvaartroute onder het Bevt. Op basis van de Regeling Basisnet vindt over dit traject vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het vervoer van toxische gassen (GT3) bepaalt het invloedsgebied van de binnenvaartroute Maas-Waalkanaal. Het invloedsgebied bedraagt 1.070 meter. Het Maas-Waalkanaal heeft geen PR. De toename van het aantal personen in het invloedsgebied is naar verwachting niet terug te zien in de toename van het GR, omdat de dichtheden nabij de risicobron relatief laag zijn.
3.
Spoortraject Nijmegen. Het spoortraject Nijmegen ligt op 1.300 meter ten oosten van het plangebied. Op basis van de Regeling Basisnet vindt hierover vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor valt onder het Bevt. Het invloedsgebied van het doorgaande spoor wordt bepaald door het vervoer van toxische
62
vastgesteld bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
gassen en bedraagt meer dan 4.000 meter en ligt over het plangebied. De plaatsgebonden 10-6 risicocontour valt niet over het plangebied.
4.
Verlengde Energieweg. De Verlengde Energieweg ligt op 260 meter ten oosten van het plangebied. Het transport van gevaarlijke stoffen over deze route valt onder de werkingssfeer van het Bevt. De weg heeft geen PR. Omdat deze weg niet is aangemerkt als basisnetroute is er vanuit gegaan dat het transport van GF3 (brandbare gassen) het invloedsgebied bepaalt. Hiermee heeft de weg een invloedsgebied van 355 meter en valt dit over het plangebied. Voor de gemeente is het niet acceptabel dat de oriëntatiewaarde van het groepsrisico wordt overschreden als het gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Transport via het water is een veiliger alternatief.
5.
Windturbines. De twee windturbines in het plangebied zijn geen directe risicobron in het kader van externe veiligheid maar kunnen wel risicoverhogend werken voor aanwezige risicobronnen. Windturbines vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Volgens dit besluit moet bepaald worden wat de ligging is van de PR (10-5 en 10-6, repectievelijk 66 meter en 158 meter) en moet geïnventariseerd worden of (beperkt) kwetsbare objecten binnen deze contouren gesitueerd zijn. Tevens moet binnen de werpafstand (maximale invloedsgebied) van de windturbines berekend/bepaald worden wat de invloed is op het groepsrisico van aanwezige installaties dan wel aanwezige infrastructuur zoals buisleidingen. De maximale werpafstand bedraagt 145 meter bij nominaal toerental en 395 meter bij overtoeren. De gashulpcentrale valt deels binnen de werpafstanden van de oostelijke windturbine. Hierdoor neemt de faalfrequentie beperkt toe, wat invloed heeft op de hoogte van het GR van de gashulpcentrale.
6.
Energiecentrale. De lay-out van deze centrale is nog niet duidelijk. Daarom is het nog niet duidelijk of deze risicobron onder het Bevi valt of in de toekomst onder Bijlage 7 van het BKL. In de beoordeling van het effect op externe veiligheid is worst case uitgegaan van een PR van 150 meter en een invloedsgebied voor het groepsrisico/aandachtsgebieden onder de Omgevingswet. De wens is om binnen de PR ruimte te creëren voor in ieder geval beperkt kwetsbare objecten. Dit is in principe toegestaan maar er dient wel te worden voldaan aan de richtwaarde. Het toevoegen van kwetsbare objecten is niet toegestaan.
7.
Waterstof- of LNG-tankstation. Een waterstoftankstation wordt onder de Omgevingswet beschouwd als een milieubelastende activiteit waarbij externe veiligheid dient te worden beoordeeld. Een waterstoftankstation kent een PR van 35 meter en een aandachtsgebied van 55 meter. Voor een LNG-tankstation zijn deze afstanden kleiner (maximaal 20 meter). Dit komt voort uit artikel 3.286 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De wens is om binnen de plaatsgebonden riscocontour ruimte te creëren voor in ieder geval beperkt kwetsbare objecten. Dit is in principe toegestaan er dient wel te worden voldaan aan de richtwaarde. Het toevoegen van kwetsbare objecten is niet toegestaan. Als gevolg van het waterstof- / LNG-tankstation (afhankelijk van de locatie mogelijk deels binnen de werpafstand van een windturbine) is een stijging te verwachten van het GR.
8.
Diverse duurzame, aan energie gerelateerde activiteiten op het deel van het plangebied bestemd voor Industrie en Logistiek (Noord-, West-en Zuidzijde). De exacte invulling is nog niet bekend. Duurzaamheid gaat niet noodzakelijk samen met verlaging van de risico’s voor de omgeving. Nieuwe energiedragers als waterstof kunnen leiden tot risico’s voor de omgeving. Hetzelfde geldt voor een koelvloeistof als ammoniak. Afhankelijk van de
vastgesteld bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
63
activiteit zijn PR's in de ordegrootte van 30 tot 50 meter niet uit te sluiten. Hetzelfde geldt voor mogelijke invloedsgebieden waarbinnen het GR moet worden bepaald. In het MER en in dit bestemmingsplan is aangenomen dat deze activiteiten als Bevi-inrichtingen moeten worden beschouwd en in de Omgevingswet onder Bijlage 7 van het BKL vallen.
Overweging Dit bestemmingsplan met verbrede reikwijdte biedt flexibiliteit voor een duurzame en innovatieve ontwikkeling van het ENGIE-terrein. Die ontwikkeling kan echter wel leiden tot de vestiging van nieuwe risicobronnen. Ook kan deze ontwikkeling leiden tot de aanwezigheid van (een groter aantal) personen binnen de invloedssfeer van (zowel bestaande als nieuwe) risicobronnen. Daarom bevat dit plan een juridische waarborg voor een aanvaardbare externe veiligheidssituatie. In de regels is bepaald dat wanneer een activiteit valt binnen het toepassingsgebied als bedoeld in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving dit enkel via een afwijkingsomgevingsvergunning is toegestaan waarbij moet worden aangetoond: dat, met behulp van een Quantative Risk Analysis (QRA), als gevolg van de activiteit het groepsrisico de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden; dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6/jr als gevolg van de activiteit niet de inrichtingsgrens overschrijdt, tenzij deze overschrijding ligt in de bestemmingen Groen, Water en/of Verkeer in dit plan of in aangrenzende bestemmingsplannen; indien deze nieuwe activiteit leidt tot een Explosie-aandachtsgebied (EAG) of Brandaandachtsgebied (BAG) over een object van hoge infrastructurele waarde de beheerder daarvan om advies is gevraagd.
Wijziging ten opzichte van PlanMER In het PlanMER is aanbevolen om een veiligheidscontour om het gehele gebied te leggen. Een veiligheidscontour is een oplossing om een combinatie van risicovolle activiteiten en (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk te maken binnen dat gebied èn om naar de omgeving duidelijk te maken dat risicovolle activiteiten binnen het gebied niet onbeperkt mogelijk zijn. In overleg met ENGIE, de Omgevingsdienst en de gemeente Nijmegen is echter duidelijk geworden dat ENGIE als eigenaar en beheerder van het gebied, in het kader van de WABO het gebied onder één vergunning zal onderbrengen waardoor sprake is van één inrichting. Hiermee wordt in het kader van externe veiligheid hetzelfde bereikt als bij de toepassing van een veiligheidscontour. Met toevoeging van de bovengenoemde regels wordt gewaarborgd dat er geen effecten ten aanzien van externe veiligheid optreden. Conclusie Gelet op de hiervoor vermelde juridische waarborg is het plan uit het oogpunt van externe veiligheid motiveerbaar en uitvoerbaar.
5.9.4
Waterveiligheid
Het is onzeker hoe het toekomstige klimaat er precies uit ziet. Op basis van de wereldwijde temperatuurstijging heeft het KNMI vierklimaatscenario's ontwikkeld voor Nederland. In de G-scenario's (Gematigd) is er sprake van 1°C mondiale temperatuurstijging in 2050 en in de W-scenario's (Warm) is er sprake van 2°C stijging in 2050 ten opzichte van 1981-2010. In de G-en de W-scenario's is er daarnaast ook sprake van verandering van luchtstromingspatronen waardoor bijvoorbeeld de zomers droger worden.
64
vastgesteld bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
Samen geven de scenario's de hoekpunten weer waarbinnen klimaatverandering waarschijnlijk zal plaatsvinden (www.knmi.nl/klimaatscenario's). Het plangebied is buitendijks gelegen langs de Waal en het Maas-Waal kanaal. Het gebied is integraal opgehoogd waardoor er alleen sprake is van een kleine kans op overstromingen. (1 x per 1000 jaar met een maximale overstromingsdiepte van ca 50 cm, bron: klimaateffectatlas.nl).
Figuur screenshot klimaateffectatlas overstromingsdiepte plangebied bij Hoog klimaatscenario 2050. Vanwege de buitendijkse ligging van het plangebied is de overstromingskans groter dan de binnendijks gelegen naburige wijken. Een hoogwatergolf in de Waal is echter meestal een aantal dagen van tevoren te voorspellen waardoor maatregelen kunnen worden genomen om de mogelijke effecten op de opslag van gevaarlijke stoffen te minimaliseren. Om te voorkomen dat grootschalige opslag van gevaarlijke stoffen in combinatie met een hoge overstromingskans leidt tot extra risico's voor de omgeving (dat geldt voor aqua toxische effecten als voor humane risico's) is een onderzoeksplicht ingesteld. Hierbij geldt de regel dat er bij de introductie van nieuwe complexe risico's waarbij sprake is van een vergunningplicht er middels een onderzoek aangetoond dient te worden dat er geen significante effecten zijn op de leefomgeving waarbij rekening wordt gehouden met alle al aanwezige risico's zoals overstromingsrisico's. Ook wordt bij de realisatie van nieuwe gebouwen en infrastructuur aangeraden toekomstbestendig te bouwen en rekening te houden met mogelijke toekomstige ontwikkelingen ten aanzien van het klimaat.
vastgesteld bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
65
5.9.5
Infrastructurele veiligheid
Volgens het Bevi, artikel 1 worden objecten met een hoge infrastructurele waarde zoals energiecentrales en infrastructuur beschouwd als beperkt kwetsbaar object voor zover deze objecten bescherming verdienen op grond van de ongevalsscenario's die zich in de nabijheid van deze objecten kunnen voordoen. Op grond van het Bevi artikel 6 geldt er een richtwaarde voor de beperkt kwetsbare objecten binnen een PR 10-6 contour van een risicobron. Gezien het feit dat binnen dit bestemmingsplan risicobronnen op korte afstand van deze objecten zijn toegelaten is een extra regel ter bescherming van deze objecten toegevoegd zodat afhankelijk van de aard van het object en de aard en omvang van de risicobron bepaald kan worden of schade kan optreden aan de betreffende infrastructuur. Nieuwe risicobronnen in de nabijheid van objecten met een hoge infrastructurele waarde waarbij een explosie-aandachtsgebied (EAG) of een brandaandachtsgebied (BAG) kan ontstaan zijn dan ook alleen toegelaten indien de infrastructurele waarde niet significant wordt aangetast. Bij overlap van een EAG en of BAG en een object van hoge infrastructurele waarde dient een risicoanalyse aan te tonen welke risico's er zijn op het falen van de infrastructuur en dient de beheerder van die infrastructuur om advies te worden gevraagd.
Omgekeerd kunnen hoogspanningslijnen in of net buiten het plangebied als ontstekingsbron gelden van vrijkomende gassen. Hiervoor zijn echter geen aanvullende regels in dit plan noodzakelijk omdat de risico's hiervan worden meegenomen in het milieuspoor. Cumulatie en domino Bij het verantwoorden van de risico's in het plangebied wordt eerst gekeken naar alle individuele risicobronnen en de invloed daarvan op de omgeving. Naast deze effecten en risico's kunnen er ook eventueel domino, of cumulatie-effecten of -risico's zijn. Bij een domino-effect is sprake indien er bijvoorbeeld door een explosie bij een bedrijf of tankauto een opslag van gevaarlijke stoffen bezwijkt en er daardoor dus meer risico ontstaat als in de situatie dat de risico's niet geclusterd zouden voorkomen. Van cumulatie is sprake indien er meerdere invloedsgebieden van risicobronnen elkaar overlappen en daardoor objecten/gebouwen meer risico ondervinden dan ze zouden ondervinden indien er slechts blootstelling zou zijn aan één van de risicobronnen. In het plangebied zijn domino-effecten mogelijk. In een uitzonderlijk scenario zou er bijvoorbeeld een windmolen kunnen omvallen of een wiek kunnen afbreken en op een opslag van gevaarlijke stoffen kunnen vallen. De kans hierop is zeer klein, maar wordt bij de clustering van veel risicobronnen steeds groter.
Bij de vergunningverlening van de bestaande risicobronnen is al rekening gehouden met mogelijke effecten op omliggende risico's zoals het transport van gevaarlijke stoffen over de Waal. Bij de introductie van nieuwe, nu nog niet bekende risico's, dient deze afweging ook plaats te vinden. Hiervoor is een extra regel opgenomen waardoor bij een vergunning voor de introductie van nieuwe complexe risico's deze kans op domino-effecten en dus effecten op de fysieke leefomgeving wordt meegenomen. Ook geldt de regel dat de kans op het falen van de risicobronnen niet significant mag toenemen. Van cumulatie is sprake indien een object binnen meerdere invloedsgebieden ligt van verschillende risicobronnen waardoor zich meerdere effecten kunnen voordoen op dat (beperkt-) kwetsbare object. Met de bestaande risico's binnen het plangebied is er niet of nauwelijks sprake van cumulatie. Bij de introductie van nieuwe complexe risico's met een vergunningplicht kunnen de cumulatieve risico's toenemen. Het is echter zeer onwaarschijnlijk dat er ongewenste cumulatieve effecten gaan optreden binnen dit plangebied of daarbuiten, gezien de omvang van het terrein en de waarborgen die in dit plan zijn opgenomen.
66
vastgesteld bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
5.10 Bodemkwaliteit Wettelijk kader Voor een herziening van het bestemmingsplan voor een ruimtelijke ontwikkeling moet in het kader van de Wet bodembescherming worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet, bijvoorbeeld bij graafwerkzaamheden. Het beleid op het gebied van bodemkwaliteit is vastgelegd in de beleidsnota De Gelderse Wegwijzer door Bodemland (2012) dat door gemeente Nijmegen, gemeente Arnhem en provincie Gelderland gezamenlijk is opgesteld. De beleidsnota sluit aan op het landelijk beleid en richtlijnen voor bodemonderzoek. De gemeente Nijmegen is in dit geval het bevoegd gezag. Ondanks dat het plangebied buitendijks ligt, hoort het gebied niet bij het oppervlaktewaterlichaam, maar wordt het beschouwd als droge oevergebied, waardoor Nijmegen zowel voor Wbb als Bbk bevoegd gezag is. Normaal gesproken is Rijkswaterstaat bevoegd gezag voor oppervlaktewaterlichamen. Onderzoek In het kader van het MER en dit bestemmingsplan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op basis van openbaar beschikbare bronnen.
Er is een kwalitatieve inschatting gemaakt van de bodemkwaliteit van het plangebied. Het gaat om verkenning vooruitlopend op een mogelijk vooronderzoek naar bodemverontreiniging bij de herontwikkeling van het ENGIE-terrein. Bodemopbouw Nijmegen ligt op de spoelzandwaaier van de stuwwal van Nijmegen-Kleve die gevormd is gedurende het Midden-Saalien, de voorlaatste ijstijd. Deze stuwwal is een hoger gelegen deel in het landschap en daardoor zeer geschikt voor bewoning. Het plangebied ligt op de overgangszone van de spoelzandwaaier naar de rivierterrassen van de Waal. In deze zone zijn grindige afzettingen van de stuwwal, zandige dekzandafzettingen en oeverafzettingen van de terrasvlakte van de Waal te verwachten. Het plangebied ligt ook op welvingen in de uiterwaard en/of rivieroeverwalafzettingen. Deze afzettingen zijn afgezet door de Waal gedurende het Holoceen en bevatten zand en klei. Zowel de rivieroeverwal als de welvingen in de uiterwaard zijn hoger gelegen delen in het landschap waardoor deze geschikt waren voor bewoning. Het plangebied is op de beschikbare bodemkaarten van Alterra en WUR Wageningen en gemeente Nijmegen aangewezen als bebouwd gebied. Het kent een gestapeld landschap met fluviatiele afzettingen van de Waal, waarin zowel oeverwal-, kom- en geulafzettingen aanwezig kunnen zijn.
Met name de hogere gelegen oeverwallen zijn archeologisch interessant, aangezien deze delen hoger en dus drogere plekken in het landschap vormden. Op basis van de bodemkaart ligt het plangebied op een bebouwde zone. Echter, door middel van extrapolatie van de omliggende eenheden zijn kalkhoudende vaaggronden te verwachten(ooivaaggronden, poldervaaggronden en/of vlakvaaggronden). Vaaggronden zijn jonge bodems, waarbij zich slechts een dunne A-horizont (circa 40 cm dikte) heeft gevormd. Doordat deze bodems zich vormen in gebieden met hoge grondwaterstanden vindt er oxidatie plaats in de A en C horizont en bevatten deze roestplekken. Hiermee moet in de toekomst rekening worden gehouden in relatie tot de infiltratiecapaciteit of bijvoorbeeld de realisatie van oppervlaktewatersystemen
vastgesteld bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
67
Hoogteligging Vanaf juli 1933 wordt aangevangen met de eerste energiecentrale die in het noordelijke deel van het plangebied Waal Energie is aangelegd. Voor de aanleg van de energiecentrale is het dit noordelijke deel van het plangebied Waal Energie opgehoogd tot +14 m+NAP. De aanvulhoogte varieerde van +5 m+NAP (het oude maaiveld) tot +14 m+NAP. Het huidige maaiveld van het plangebied Waal Energie ligt ongeveer tussen +10 m+NAP en +14 m+NAP en de dijk rondom het plangebied Waal Energie is gelegen op +16 m+NAP. Het plangebied Waal Energie ligt duidelijk opgehoogd ten opzichte van de gronden in de omgeving. In volgende is de hoogteligging van het plangebied Waal Energie en de omgeving weergegeven.
figuur 5.7: hoogteligging ENGIE-terrein
Bodemverontreiniging In het plangebied Waal Energie hebben in het verleden verdachte activiteiten plaatsgevonden welke mogelijk tot een bodemverontreiniging hebben geleid. Pas op basis van bodemonderzoek kan dan worden aangetoond of werkelijk sprake is van bodemverontreiniging. Er is in het plangebied Waal Energie een aantal bodemonderzoeken uitgevoerd. Voor een aantal verontreinigingen is de ernst en spoedeisendheid vastgesteld (locatiecodes in Milieu Atlas gemeente Nijmegen). Detailgegevens over deze onderzoeken zijn in de milieuatlas van de gemeente Nijmegen terug te vinden. Op basis van de bekende milieu hygiënische bodemgegevens kan gesteld worden dat op een gedeelte van het plangebied Waal Energie rekening gehouden dient te worden met de aanwezigheid van verontreinigde grond en verontreinigd grondwater. Afhankelijk van de werkzaamheden zullen maatregelen getroffen moeten worden om risico's voor het geplande toekomstige gebruik uit te sluiten en verspreiding van verontreinigingen te voorkomen.
68
vastgesteld bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
Als er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, kan het zijn dat een deel van de bodem moet worden gesaneerd voordat de activiteit of bouw kan worden gerealiseerd. Welke saneringsmaatregelen voor deze vervuilingen nodig zijn, is afhankelijk van de beoogde ontwikkeling in het plangebied Waal Energie. Hierbij is de functie belangrijk die de grond en het grondwater in de toekomst hebben. Figuur 10.3 toont de onderzochte en verontreinigde gebieden in het plangebied Waal Energie.
figuur 5.8: onderzochte (links) en verontreinigde (rechts) gebieden (bron: Milieuatlas gemeente Nijmegen)
Bekende bodemverstoring Binnen het plangebied Waal Energie hebben voor en na WOII verschillende grondroeringen plaatsgevonden. Voor WOII lag het maaiveld van het plangebied Waal Energie op circa +9,5 m+NAP. Het noordelijke deel van het plangebied Waal Energie is tot circa 1931 afgegraven geweest, waarschijnlijk ten behoeve van grindwinning. De diepte van deze verstoring is niet bekend. Tijdens WOII is het plangebied Waal Energie opgehoogd met 1 tot 2 meter en zijn de afgravingen in het noordelijke deel gedempt. Het maaiveld gedurende WOII lag op +10,5 m+NAP. Na WOII is het plangebied Waal Energie opgehoogd met een pakket variërend in dikte tussen de 0,4 en 5 meter. Op de locaties waar er gebouwd is en waar de kolenbunkers hebben gestaan, zijn weer ingrijpende graaf- en heiwerkzaamheden verricht. De diepten van de verstoringen die gerelateerd zijn aan de funderingen van de gebouwen, variëren binnen het plangebied Waal Energie tussen circa +11,0 m+NAP en +8,00 m+NAP. Het merendeel van de gebouwen is ook onderheid met een zeer intensief heipalenplan. Infrastructuur in de vorm van kabels en leidingen is enkel in het ophoogpakket aangelegd. Ligging van laatstgenoemde moet voorafgaand aan de beoogde ontwikkelingen in het plangebied Waal Energie in kaart worden gebracht, om te bepalen of hergebruik of verlegging eventueel noodzakelijk is.
Conclusie De activiteiten in het plangebied tot het stilleggen van de kolencentrale hebben aantoonbare bodemverontreinigingen veroorzaakt. Met de herontwikkeling zal sprake zijn van realisatie van bedrijven op (mogelijk) verontreinigde grond, als gevolg van activiteiten in het verleden. Bij de daadwerkelijke inrichting van het terrein en het realiseren van nieuwe bedrijven zal, afhankelijk van de diepte van de grondroering, een nader onderzoek noodzakelijk zijn naar de mogelijke verspreiding van bodemverontreinigingen binnen de terreingrenzen en mogelijke mitigerende
vastgesteld bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
69
maatregelen.
5.11 Water Wettelijk kader In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. Het watertoetsproces voor dit plan is nog gaande. Op basis van contacten met het waterschap tot nu toe is het plan uitvoerbaar. In deze waterparagraaf is aangegeven welke wateraspecten voor dit plan een rol spelen en hoe hiermee wordt omgegaan. Ligging buitendijks Het plangebied ligt buitendijks aan de Waal. Omdat het plangebied een ruim opgehoogd industrieterrein is, zijn er geen beperkingen in het kader van de Beleidslijn Grote Rivieren. Conform artikel 6.16 en bijlage IV Waterbesluit (zie figuur 5.9) is paragraaf 6.6 Waterbesluit niet van toepassing op het plangebied. Deze paragraaf ziet op het gebruik van rijkswaterstaatswerken. Wel is toestemming nodig voor de blijvende afwatering op dit oppervlaktewater. Als gevolg van klimaatveranderingen bestaat de kans dat op termijn waterstanden hoger dan NAP +14 meter op gaan treden.
Voor de gehele ontwikkeling is het van belang, gezien de levensduur van infrastructuur en gebouwen, hier rekening mee te houden evenals met de trends van waterstanden als gevolg van klimaatveranderingen.
70
vastgesteld bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
figuur 5.9: uitsnede blad 51 bijlage IV Waterbesluit
Primaire waterkering Het plangebied wordt globaal begrensd door een waterkering in beheer van Waterschap Rivierenland. Delen van het plangebied langs deze waterkering vallen onder primaire beschermingszones. De buitenbeschermingszone is het gebied waar aan bepaalde activiteiten die potentieel grote gevaren voor de waterkering hebben aan voorwaarden worden verbonden. De waterkering dient zoveel mogelijk vrij te zijn van bouwwerken, omdat niet waterkerende objecten of werkzaamheden nabij een waterkering in beginsel het waterkerend vermogen en beheer van de kering in gevaar kunnen brengen. In de beschermingszone zijn enkele activiteiten, die verstrekkende invloed kunnen hebben op de draagkracht van de waterkering, verboden. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten in het plangebied in de beschermingszone van de waterkering, heeft naar verwachting geen effect op de waterhuishoudkundige, waterstaatkundige en wegenbelangen van het gebied. Activiteiten in de dijk, beschermingszone en buitenbeschermingszone zijn vaak vergunningplichtig, afhankelijk van aard en omvang. Hiervoor is altijd afstemming met het waterschap nodig.
figuur 5.10: buitendijkse ligging plangebied (bron: legger Waterschap Rivierenland)
Waterkwaliteit Voor de waterkwaliteit is het van belang dat de bestaande en toekomstige bebouwing en andere objecten op het terrein (bijvoorbeeld zonnepanelen) geen uitlogende materialen bevatten. Er moet ook zorg voor gedragen worden dat er geen milieuvervuilende materialen en stoffen in het oppervlaktewater terecht komen. Grondwater De gemiddelde grondwaterstand bevindt zich op circa +7,5 m NAP. Dit is ruim 6 m-mv en is vooral een gevolg van de integrale ophoging van het buitendijkse terrein. De verwachting, op basis van ervaringen bij andere projecten op dit terrein, is dat de grondwaterstand in het
vastgesteld bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
71
pakket ophoogzand sterk wordt bepaald door de waterstand van de Waal en dus een aanzienlijke dynamiek kent, waar bij de ontwikkeling van het terrein rekening mee dient te worden gehouden. Grondwaterbeschermingsgebied Het plangebied is niet in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied gelegen. Ook in het kader van de Aanvullende Strategische Voorraden en oeverwinning zijn geen beperkingen voor het plangebied. Afvalwater Afvalwater dat na herontwikkeling in het plangebied wordt geproduceerd moet naar de gemeentelijke riolering worden afgevoerd. In de huidige situatie is het industrieterrein aangesloten op een Verbeterd Gescheiden Stelsel (VGS) dat afvalwater inclusief een deel van het hemelwater via het gemeentelijke rioolstelsel en vervolgens via het transportstelsel van het waterschap afvoert naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie Nijmegen in Weurt. Dit rioolstelsel is afgestemd op de milieucategorieën van het industrieterrein (die slechts in beperkte mate wijzigen) en daarmee de potentiële vervuilingsgraad van het hemelwater, conform de beleidsnota Samen door één Buis. Bij het opstellen van een waterhuishoudkundig plan voor concrete activiteiten, zijn de uitgangspunten van deze beleidsnota van toepassing en is overleg met het waterschap benodigd.
Hemelwater Hemelwater mag niet op deze riolering worden afgevoerd. Dit moet worden afgekoppeld en vervolgens worden gebruikt, geïnfiltreerd of (via een bodempassage) naar het oppervlaktewater afgevoerd. Het type terrein en verharding moet worden meegenomen in de afweging om al dan niet rechtstreeks richting het oppervlaktewater te laten stromen of bijvoorbeeld gebruik te maken van een zuiverende voorziening als een bodempassage. De ambitie van de gemeente Nijmegen in haar klimaatbeleid voor de inrichting van gebieden is dat het gebied in staat moet zijn om een piekbui van 70 mm/m2 op te vangen zonder dat dit tot schade aan gebouwen of infrastructuur leidt. Gemeente Nijmegen hanteert de volgende vuistregels voor de waterhuishouding: regenwaterafvoer gaat niet op het vuilwaterriool (gescheiden systeem) regenwateropvang en infiltratie worden in principe op eigen terrein opgelost, tenzij er via de terreinbeheerder een collectieve voorziening geregeld is; infiltratievoorzieningen dimensioneert de gemeente Nijmegen op een piekbui van 70 mm/uur; afstroming richting oppervlaktewater vindt niet rechtstreeks plaats, maar altijd via een bodempassage: een duurzaam gescheiden stelsel.
Voor plannen waarbij hemelwater in de bodem geïnfiltreerd wordt, moet een waterhuishoudkundig plan bij de gemeente worden ingediend. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet een goedgekeurd waterhuishoudkundig plan gevoegd zijn.
Conclusie Voor de herontwikkeling van het ENGIE-terrein leidt de buitendijkse ligging van het plangebied
72
vastgesteld bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
naar verwachting niet tot beperkingen vanuit water. Wel is belangrijk dat als gevolg van klimaatverandering het terrein in de toekomst mogelijk ook onder kan lopen bij extreem hoge waterstanden (meer dan NAP +14 meter). Voor de realisatie van ondergrondse infrastructuur gelden mogelijk wel beperkingen in het kader van de beschermingscontouren van de primaire waterkering. Daarvoor loopt een proces van afstemming met het waterschap. Er vindt zoveel mogelijk infiltratie plaats, maar de resterende afwatering zal blijvend plaatsvinden op het oppervlaktewater, waardoor afstemming met Rijkswaterstaat nodig is.
5.12 Ecologie - flora en fauna
Wettelijk kader Uitvoering van dit bestemmingsplan kan leiden tot overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (Wnb) die onder andere de bescherming regelt van plant- en diersoorten en Natura 2000-gebieden. Overtreding van deze verbodsbepalingen vereist mogelijk een ontheffing en/of vergunning. Omdat het plan mogelijk leidt tot negatieve effecten op beschermde plant- en diersoorten en/of op Natura 2000-gebieden, is onderzocht of in het plangebied beschermde plant- en diersoorten voorkomen en zo ja, of het functionele leefgebied van deze soorten wordt aangetast en of daarmee de duurzame instandhouding van de soort in het geding komt. Zo nodig worden mitigerende of compenserende maatregelen voorgesteld. Er is aan de hand van bureauonderzoek voor het MER en dit bestemmingsplan in beeld gebracht welke beschermde soorten in het plangebied kunnen voorkomen. Daarbij is gebruik gemaakt van 1) de onderzoeken en inventarisaties die zijn gedaan in verband met de sloop en andere werkzaamheden vanwege het uit productie nemen van de kolencentrale en ten behoeve van de ontheffing Flora- en Faunawet (nu: Wet natuurbescherming) daarvoor en 2) de meest recente verspreidingsgegevens (NDFF). Het plangebied ligt op enkele honderden meters afstand van het Natura 2000-gebied Rijntakken.
Daarom is ook onderzocht of het plan de natuurlijke kenmerken van dit gebied aantast en of met maatregelen de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied en daarmee de uitvoerbaarheid van het plan kan worden geborgd. Bij significant negatieve effecten moet een passende beoordeling uitgevoerd worden. Paragraaf 5.13 gaat nader in op de negatieve effecten op het Natura 2000-gebied Rijntakken en de passende beoordeling van die effecten. Vleermuizen In 2015 is in het plangebied (een paarverblijfplaats van) de gewone dwergvleermuis aangetroffen in een open stootvoeg. Voor het verstoren van vaste voortplantings- of vaste rustof verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, als gevolg van de sloop en andere werkzaamheden vanwege het uit productie nemen van de kolencentrale, is in mei 2016 een ontheffing verkregen van de verbodsbepaling van de Flora-en faunawet (kenmerk FF/75C/2015/0619.toek.td). Daarbij zijn de volgende maatregelen genomen: in het voorjaar van 2016 zijn vier houtbetonnen kasten geplaatst in de bomenrij ten westen van het gebouw, zes maanden voorafgaand aan het eerste paarseizoen waarin de gebouwen van de Centrale Gelderland niet meer beschikbaar zouden zijn; voorafgaand aan de paarperiode zijn op 27 september 2016 alle potentieel geschikte openingen in alle mogelijk geschikte panden onder handen genomen.
Bij een nacontrole in oktober 2016 werden geen vleermuizen meer aangetroffen.
vastgesteld bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
73
Hoewel tijdens het vleermuisonderzoek in 2015 het plangebied ook foerageergebied bleek van een aantal gewone dwergvleermuizen, is het als zodanig niet van essentieel belang, omdat in de directe omgeving ruim voldoende andere, vergelijkbare luwte-zones zijn om te foerageren en om langs te vliegen. Na sloop van de gebouwen kunnen verschillende soorten vleermuizen nog verblijfplaatsen hebben in de bomen langs het plangebied en de daarin aanwezige vleermuiskasten. De bomenrij langs de westzijde en overige bomen in het plangebied blijven behouden waardoor geen verblijfplaatsen verloren gaan. Ook blijft daarmee de potentiële (niet essentiële) vliegroute en het potentieel foerageergebied behouden. Wel kunnen de aanwezige verblijfplaatsen en de voorbijvliegende vleermuizen worden verstoord door verlichting en zware trillingen. Om dit te voorkomen worden de volgende aanvullende mitigerende maatregelen voorgesteld: geen onnodige bouwverlichting op werk- en opstelplaatsen gedurende de nacht; de aanleg- en kapwerkzaamheden bij daglicht van zonsopkomst tot zonsondergang of bij nachtelijke werkzaamheden aangepaste verlichting gericht op de bouwplaats en niet op het omringende landschap (gebouwen); of werken buiten de actieve periode van vleermuizen van november t/m februari.
Algemene broedvogels / broedvogels met jaarrond beschermd nest In de aanloop naar de sloop en andere werkzaamheden vanwege het uit productie nemen van de kolencentrale bleek veldbezoek en verspreidingsgegevens van de NDFF dat in en om het plangebied waarnemingen bekend zijn van verschillende soorten broedvogels. Voornamelijk de bomenrij langs de westzijde van het plangebied werd als geschikt broedgebied voor broedvogels gezien. Na sloop van de bebouwing is deze bomenrij langs de westzijde van het plangebied en ook overige vegetatie geschikt als broedgebied voor algemeen voorkomende broedvogels als houtduif, merel, heggenmus, fitis en tjiftjaf. In 2015 bleek een jaarrond beschermde broedlocatie van slechtvalk aanwezig binnen het plangebied. Het ging om een nestkast aan de schoorsteen van de kolencentrale. Door het verwijderen van de schoorsteen zou ook de nestkast verdwijnen. Voor het verstoren van de slechtvalk is in mei 2016 een ontheffing verkregen van de verbodsbepaling van de Flora- en faunawet (kenmerk FF/75C/2015/0619.toek.td). Onder deze ontheffing zijn de volgende maatregelen getroffen: de nestkast is in de nazomer van 2016 verwijderd; een alternatieve kast is voorafgaand aan de werkzaamheden en buiten het broedseizoen geplaatst op de top van een elektriciteitsmast op enige honderden meters van de centrale, op een locatie aan de overzijde van de Waal.
Na sloop van de bebouwing is het niet op voorhand uitgesloten dat boombroedende vogels met jaarrond beschermd nest broeden in en of langs het plangebied. Zo worden onder andere buizerd en sperwer veel overvliegend en jagend waargenomen (NDFF, 2021). Deze soorten kunnen broeden in de op de randen van het terrein aanwezige oudere bomen. De bomenrij langs de westzijde en overige bomen in het plangebied blijven behouden, waardoor geen nesten vernietigd worden. Als werkzaamheden worden uitgevoerd in het broedseizoen kunnen vogels in het plangebied en de directe omgeving worden verstoord. Als soorten het nest verlaten, geldt dit als het opzettelijk vernietigen of beschadigen van nesten en eieren van vogels. Om dit te voorkomen worden de volgende mitigerende maatregelen voorgesteld om buiten het broedseizoen te werken, of om buiten de verstoringsafstand van de broedgevallen te werken. Aanvullend geldt voor broedvogels zonder jaarrond beschermd nest
74
vastgesteld bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
voorafgaand aan het broedseizoen kan de broedbiotoop voor vogels ongeschikt worden gemaakt (bijvoorbeeld struiken en bomen rooien) en gehouden (gedurende het broedseizoen) en/of; de werkzaamheden kunnen voorafgaand aan het broedseizoen laten beginnen en in een, voor zover mogelijk, constante intensiteit laten doorgaan gedurende het broedseizoen. Daarmee wordt de verstoringsafstand 'automatisch' bepaald: vogels zullen uit eigen beweging een nestplaats kiezen buiten hun specifieke verstoringsafstand.
Grondgebonden zoogdieren Bij de nacontrole in oktober 2016 in het kader van de ontheffing voor de sloop van de kolencentrale zijn uitwerpselen gezien van een steenmarter. Er is toen vastgesteld dat een steenmarter de voormalige machineruimte gebruikt als verblijfplaats. In 2017 werd de Wet natuurbescherming van kracht en kreeg de steenmarter een beschermde status. In april van dat jaar is daarom een verzoek ingediend om de ontheffing (kenmerk 5190016633034) te wijzigen. Het verzoek werd niet gehonoreerd, omdat al maatregelen voor steenmarter waren getroffen en overtreding al voorkomen werd: eind 2016 zijn twee alternatieve voortplantings- of rustplaatsen voor de steenmarter gerealiseerd aan de rand van het plangebied en de sloop zou worden uitgesteld tot 2017. Vervolgens is met ontheffing (kenmerk FF/75C/2015/0619.toek.td) gesloopt.
Aangenomen wordt dat de steenmarter nog op of om het ENGIE-terrein aanwezig is. Er zijn waarnemingen van de steenmarter bekend binnen het plangebied uit 2020 (NDFF,2020). Naast de functie van verblijfplaats kan de steenmarter in het plangebied gebruik maken van groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen als foerageergebied. Bij de herontwikkeling vinden geen werkzaamheden plaats in de randzone met de alternatieve verblijfplaatsen; deze verblijfplaatsen blijven dan ook behouden. Wel kunnen met de inzet van zwaar materieel en verlichting en de daarmee gepaard gaande effecten (trillingen, geluids- en lichtproductie) verblijfplaatsen van steenmarter in de directe omgeving van het plangebied worden verstoord. Als de verstoring van langere duur is, kan dit leiden tot het (tijdelijk) verlaten van verblijfplaatsen. Daarmee is in principe sprake van het aantasten van een verblijfplaats. Dit is een overtreding van art 3.10, lid 1b van de Wet natuurbescherming. Om dit te voorkomen mag nabij deze alternatieve verblijfplaatsen alleen buiten de kwetsbare voortplantingsperiode worden gewerkt. Deze kwetsbare voortplantingsperiode loopt van 15 maart tot september. Omdat in en om het plangebied de steenmarter voorkomt, is het plangebied geschikt voor andere kleine grondgebonden zoogdieren zoals de bosmuis, aardmuis, bosspitsmuis en marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn).
Voor deze soorten geldt dat gedurende de werkzaamheden hun vaste rust- en verblijfplaatsen kunnen worden vernietigd. Voor deze soorten geldt echter de vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen. Wel geldt te allen tijde de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wet natuurbescherming). Vissen Op basis van verspreidingsgegevens kan het voorkomen van beschermde vissoorten redelijkerwijs worden uitgesloten. Wel vormen de aan het projectgebied grenzende wateren geschikt leefgebied voor algemeen voorkomende vissoorten zoals baars, blankvoorn, bot, brasem en Europese aal. Voor deze soorten geldt wel te allen tijde de algemene zorgplicht (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming). Na herontwikkeling van het ENGIE-terrein zal water als koelwater worden opgepompt en
vastgesteld bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
75
geloosd in de Waal. Het aanzuigen van water en een groot verschil tussen de lozingstemperatuur en de temperatuur van het ontvangen oppervlaktewaterlichaam kan negatieve effecten hebben op algemene vissoorten (en macrofauna). Voor deze soorten geldt te allen tijde de algemene zorgplicht (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming). Amfibieën Uit de verspreidingsgegevens bleken ook waarnemingen van alpenwatersalamander en kamsalamander. Het water aangrenzend aan het plangebied is als voortplantingswater voor amfibieën ongeschikt vanwege de steile oevers, stroming, afwezigheid van beschutting in de vorm van waterplanten en aanwezigheid van vissen. In de rest van het plangebied komt geen open water voor waarin amfibieën zich kunnen voortplanten. Na de sloop kunnen in het kale plangebied plassen of poelen ontstaan waar amfibieën zich in kunnen voortplanten. Het is daarom ook niet uitgesloten dat meer algemeen voorkomende beschermde soorten incidenteel het plangebied zullen gebruiken als landhabitat en overwinteren in bijvoorbeeld muizen- en mollengangen. Het kan gaan om soorten als gewone pad, bastaardkikker, kleine watersalamander en bruine kikker. Deze algemeen voorkomende soorten zijn beschermd onder het 'beschermingsregime andere soorten' en de provincie Gelderland is voornemens voor deze soorten vrijstelling te verlenen.
Voor deze soorten geldt wel te allen tijde de algemene zorgplicht (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming). Zorgplicht Gedurende de werkzaamheden wordt zoveel mogelijk één richting op gewerkt, zodat kleine (zoog)dieren van de werkzaamheden vandaan kunnen vluchten. Houd hierbij rekening met vluchtwegen (werk dus niet richting een doodlopende hoek) en zorg dat de dieren voldoende vrije ruimte hebben. Voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden kan een ecoloog het plangebied nalopen en eventueel aanwezige (niet-beschermde) amfibieën en grondgebonden zoogdieren oppakken of verjagen naar omringend geschikt terrein. De aannemer maakt enkel gebruik van de ruimte die noodzakelijk is voor het uitvoeren van de werkzaamheden, en ontziet daarbij plaatsen met begroeiing en/of beplanting zoveel mogelijk. Zo wordt onnodige verstoring van dieren en planten voorkomen. Wanneer de werkzaamheden gedurende langere tijd stilliggen, dient het terrein vóór herstart van de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een erkend ecoloog. Ter hoogte van het innamepunt voor het koelwater dient te worden voorkomen dat waterfauna (mossels, vissen, waaronder zaadjes) worden aan- en opgezogen. Dit kan door het toepassen van filters alsook een lage innamesnelheid. Eveneens dient de warmtevracht van het koelwater beperkt te worden.
Conclusie / vervolg Door het nemen van de mitigerende maatregelen worden negatieve effecten en een overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming voorkomen. Flora en fauna zijn in beginsel geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Wel moet in de vervolgfase, voorafgaand aan de uitvoering van de herontwikkeling, nader onderzoek plaatsvinden om te bepalen of nog bestaande bebouwing daadwerkelijk ongeschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen of steenmarter. Als dit niet het geval is, is onderzoek noodzakelijk om te bepalen of deze in gebruik zijn en, in geval van vleermuizen, om hoeveel verblijfplaatsen het gaat en voor welke soorten. Ook is gericht onderzoek nodig naar soorten met jaarrond beschermde nesten (in de nog bestaande bebouwing) en, als bomen op het terrein toch moeten worden gekapt, of in die bomen boomholten zijn die geschikt zijn voor vleermuizen en overige beschermde zoogdieren.
76
vastgesteld bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
In het Stedenbouwkundig verhaal voor de herontwikkeling van het ENGIE-terrein is (versterking van) de biodiversiteit één van de doelstellingen. Dit door versterken van de ecologische verbindingszone tussen stad en het groene buitengebied en door een klimaatbestendige inrichting van het gebied (figuur 5.11).
figuur 5.11: ENGIE-terrein: 'verruiging' ter versterking van de ecologische verbindingszone tussen stad en landschap (bron: KuiperCompagnons)
5.13 Ecologie - passende beoordeling Natura 2000-gebied Rijntakken Het plangebied grenst aan het Natura 2000-gebied Rijntakken, het deelgebied Uiterwaarden Waal (zie figuur 5.12). De overige Natura 2000-gebieden zoals de Veluwe en De Bruuk liggen op meer dan 13 kilometer afstand. Significante effecten op deze (andere) Natura 2000-gebieden zijn daarom uitgesloten.
vastgesteld bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
77
figuur 5.12: vogelrichtlijngebied (blauw) en habitatrichtlijngebied (groen) Natura 2000- gebied Rijntakken Het deelgebied Uiterwaarden Waal omvat het winterbed van de Waal en daarmee alle uiterwaardgebieden aan de noord- en de zuidoever van de Waal van Nijmegen tot aan Zaltbommel. De rivier vormt een dynamisch systeem, een samenspel tussen natuurlijke processen en menselijk ingrijpen. De Waal moet in perioden met hoge rivierafvoer twee derde van de Rijnafvoer voor haar rekening nemen en is daarmee de grootste vrij-afstromende Rijntak. Het is ook de meest dynamische riviertak van het Rijnsysteem. In perioden met hoog water vindt erosie en sedimentatie plaats en 'vormt' de rivier het landschap. Het rivierenlandschap bestaat uit een breed, voornamelijk laaggelegen, hoogdynamisch winterbed. De reliëfrijke uiterwaarden bestaan voornamelijk uit graslanden, afgewisseld met enkele akkers, bosjes, bomenrijen, moerasgebiedjes en geïsoleerde oude riviertakken (strangen en geulen). Veel uiterwaarden zijn vergraven voor zand en/of kleiwinning, waardoor grote plassen zijn ontstaan. Deze uiterwaarden bevatten soortenrijke glanshaverhooilanden, stroomdalgraslanden en open water, waar deels verlanding plaatsvindt. Habitattypen Nabij het plangebied liggen geen habitattypen binnen de Rijntakken. Dichtstbijzijnde belangrijke gebied voor habitattypen is de Ooijpolder ten oosten van Nijmegen.
Dit gebied van de Rijntakken is ook aangewezen als Habitatrichtlijngebied Habitatrichtlijnsoorten Merendeel van de habitatrichtlijnsoorten van de Rijntakken betreffen vissen die voorkomen in de hoofdstroom van de rivier en de bijbehorende nevengeulen. De bittervoorn, grote en kleine modderkruiper zijn vissoorten die niet in de hoogdynamische rivier voorkomen, maar meer in de afgesloten en laagdynamische binnendijkse wateren. Dit geldt ook voor de kamsalamander. Er zijn geen aanwijzingen dat het plangebied van belang is voor de meervleermuis (NDFF-data en
78
vastgesteld bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
Norren van E. 2019). De bever is daarnaast wel eens waargenomen in de haven (NDFF-data), maar het gebied is niet geschikt om als vast leefgebied te fungeren vanwege de strakke harde oevers en het ontbreken van groen, wilgen en beschutting. Formeel zijn de habitatrichtlijnsoorten beschermd binnen het Habitatrichtlijn-gedeelte van het Natura 2000-gebied dat op grotere afstand van het plangebied is gelegen. Broedvogels Het plangebied zelf is door het industriële karakter niet van belang voor broedvogels van de Rijntakken. Ter hoogte van het nabij gelegen Grindgat, ten westen van het plangebied, zijn echter wel bijna alle broedvogelsoorten (foeragerend) aangetroffen. Soorten die hier niet voorkomen omdat (riet)moerassen ontbreken zijn de roerdomp, woudaap, porseleinhoen en grote karekiet (op basis van NDFF-data en leefgebiedkaarten van Provincie Gelderland). Niet-broedvogels Voor bijna alle niet-broedvogels die gebonden zijn aan open water (Grindgat ten westen van het plangebied) en graslanden (met name noordzijde Waal) komt geschikt leefgebied in de omgeving van het plangebied voor. De goudplevier komt tijdens de trek nog nauwelijks in het binnenland voor en is dan ook slechts heel incidenteel nabij het Grindgat waargenomen (op basis van NDFF-data en leefgebiedkaarten van Provincie Gelderland).
Voortoets De gevolgen van de herontwikkeling van het ENGIE-terrein voor de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Rijntakken zijn bepaald aan de hand van verstoring door geluid en licht, door stikstofdepositie en door lozing van koelwater. Geluid Figuur 5.13 toont het effect van de herontwikkeling van het ENGIE-terrein op verstoring door geluid. In de figuur is met stippellijnen de geluidcontour weergegeven in de autonome situatie, met de windturbines, het zonnepark en alleen bedrijvigheid van BCTN. De doorgetrokken lijnen geven de geluidcontour weer als gevolg van de herontwikkeling van het ENGIE-terrein. De geluidcontour schuift naar buiten op: er is sprake van enige toename van geluidverstoring. Voor het bepalen van de effecten van geluid op broedvogels zijn de 42 dB(A) (vogels van gesloten landschap) en de 47 dB(A)-contour (vogels van open landschap) berekend (zie figuur 5.13). Ook ter hoogte van het Grindgat waar een groot deel van de broedvogels (foeragerend) voorkomen is sprake van een geluidtoename. Omdat vogels gevoelig zijn voor geluidverstoring is op voorhand een significant negatief effect niet uitgesloten.
vastgesteld bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
79
figuur 5.13: geluidcontouren Verlichting Door verlichting van het ENGIE-terrein kan het na herontwikkeling minder donker zijn. Maar ook in de autonome situatie zal sprake zijn van verlichting vanuit de windturbines en BCTN. Een deel van het terrein is waarschijnlijk ook ’s nachts in bedrijf en is daarom ’s avonds en ’s nachts gedeeltelijk verlicht. De toename van verlichting zal daarom beperkt zijn ten opzichte van de heersende achtergrondverlichting. Daarnaast ligt de nieuwe energiecentrale op ruim 450 m van het Natura 2000-gebied en ligt het Grindgat, waar de meeste vogels voorkomen, verscholen achter de dijk. Dit ligt buiten de effectafstand van 300 m die voor vogels en verlichting wordt aangehouden. Een significant negatief effect wordt daarom op voorhand uitgesloten, voor zowel broedvogels als niet-broedvogels. Stikstofdepositie Omdat voor de effecten van stikstofdepositie gebruik gemaakt mag worden van interne saldering met de vergunde ruimte van de kolencentrale is hier een vergelijking gemaakt met de situatie in 2015. De referentiesituatie van de activiteit is dan ook de geldende Wnb-vergunning van de kolencentrale - die in beginsel opnieuw zou kunnen starten, op basis van deze vergunning en het geldende bestemmingsplan - en de Wnb-vergunning van BCTN.
Er is voor het MER een AERIUS-berekening uitgevoerd naar de veranderingen in stikstofdepositie tussen de vergunde situatie in 2015 en de situatie met een energiecentrale in 2032. Uit de verschilberekeningen blijkt dat op vrijwel alle Natura 2000-gebieden er sprake is van een afname van de stikstofdepositie ten opzichte van de vergunde situatie. Hierbij is rekening gehouden met de, recent door het kabinet vastgestelde, rekenafstand van 25 km rondom emissiebronnen. Belangrijk om hierbij op te merken is dat er sprake is van een aanzienlijke afname in de stikstofdepositie in deze verschilberekening. De afname in stikstof emissie in de beoogde situatie is circa 85% NOx ten opzichte van de vergunde situatie. In deze
80
vastgesteld bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
en eerdere berekeningen, waarbij de beperking in de rekenafstand niet is gehanteerd, blijkt dat in de beoogde situatie alleen op korte afstand van het terrein (tot maximaal 1 km) er sprake is van enige toename van stikstofdepositie. Op grotere afstanden is er alleen sprake van een afname. De beperking in de rekenafstand is voor dit plan daarom minder relevant. Alleen binnen het Natura 2000-gebied Rijntakken is op twee nabijgelegen habitattypen (Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland, Lg11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivierengebied) sprake van meer stikstofdepositie. Op overige habitattypen binnen het Natura 2000-gebied Rijntakken is sprake van een afname van stikstofdepositie. Dit betekent dat volgens de AERIUS-berekeningen voor het MER, ondanks interne saldering met de kolencentrale, de nieuwe activiteiten lokaal voor een toename zorgen van stikstofdepositie op dit Natura 2000-gebied. Alleen leefgebied 02 geïsoleerde meander en petgat en het habitattype H3150 meren met krabbenscheer en fonteinkruid zijn stikstofgevoelige leefgebieden voor de habitatrichtlijnsoorten in de Rijntakken. Het betreft het leefgebied voor de bittervoorn en kamsalamander. Ter hoogte van de hexagonen waar een depositietoename wordt berekend ligt geen stikstofgevoelig leefgebied voor deze habitatrichtlijnsoorten.
Een negatief effect als gevolg van stikstofdepositie kan daarmee voor habitatrichtlijnsoorten op voorhand uitgesloten worden. Uit de passende beoordeling blijkt dat er sprake is van een depositietoename op leefgebied 08 (nat, matig voedselrijk grasland) en leefgebied 11 (Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren-en zeekleigebied) aan de overzijde van de Waal. Het gaat om slechts enkele hexagonen en er is geen sprake van een naderende overschrijding van de kritische depositiewaarde van dat leefgebied. Beide leefgebieden zijn in potentie leefgebied voor de kwartelkoning. De permanente depositietoename op Lg08 als gevolg van de herontwikkeling van het terrein betreft ook (in potentie) het leefgebied van de watersnip. Door deze permanente toename kan op voorhand een significant negatief effect niet uitgesloten worden. Voor wat betreft geluidverstoring is voor niet-broedvogels met name de 50 dB(A)-contour relevant. Variant A resulteert in een opschuiving van de 50 dB(A)-contour en daarmee tot een toename van het areaal geluidverstoord gebied. Omdat vogels gevoelig zijn voor geluidverstoring is op voorhand een significant negatief effect niet uitgesloten. Koelwater Het koelwater dat geloosd gaat worden ligt benedenstrooms van de habitattypen van de Gelderse Poort (habitatrichtlijngedeelte). Daarmee is een negatieve invloed op voorhand uitgesloten.
Uit de eerder verleende Wvo-vergunning van de kolencentrale blijkt dat benedenstrooms na 700 m de temperatuurverhoging slecht 0,9 oC ten opzichte van de achtergrondwaarde van het rivierwater bedraagt. Deze koelwaterpluim zal voor de gasgestookte centrale vergelijkbaar zijn. Significant negatieve effecten als gevolg van het koelwater op de habitattypen zijn daarom uitgesloten. Ook voor de habitatrichtlijnsoorten kan een significant negatief effect als gevolg van koelwater uitgesloten worden Passende beoordeling Omdat conform het MER significant negatieve effecten voor zowel broedvogels als niet-broedvogels in het Natura 2000-gebied Rijntakken niet uitgesloten kunnen worden, is een passende beoordeling noodzakelijk. De passende beoordeling is opgenomen Bijlage 15. Voor de beoordeling van de effecten van een bestemmingsplan op het Natura 2000-gebied Rijntakken moet een vergelijking worden gemaakt tussen 1) het feitelijke, planologisch legale gebruik in het plangebied op het moment van vaststellen van het nieuwe plan en 2) het toekomstige maximaal mogelijk gemaakte planologische gebruik in datzelfde gebied.
vastgesteld bestemmingsplan Chw-bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie)
81
Geluid De geluidcontour schuift met name op ter hoogte van het open water van het Grindgat en de overzijde van de Waal (Oosterhoutse Waarden). Door het ontbreken van rietmoeras en natte hooilanden komen broedvogels als roerdomp, woudaap, porseleinhoen, kwartelkoning, blauwborst, grote karekiet en watersnip hier niet voor (NDFF-data). Broedvogels die foerageren op open water, zoals de aalscholver, dodaars, zwarte stern, ijsvogel en oeverzwaluw komen wel foeragerend voor. Broedgevallen van deze soorten worden niet gemeld, hoewel het niet uitgesloten is dat dodaars langs de oevers broeden. Voor de andere broedvogelsoorten is het gebied alleen geschikt als foerageergebied, niet als broedgebied, vanwege het ontbreken van steile oevers (ijsvogel en oeverzwaluw) en nestvlotjes (zwarte stern). Ook blijkt uit telgegevens dat de aangetroffen aantallen niet-broedvogels in de telgebieden laag zijn in vergelijking met het doelaantal van het Natura 2000-gebied Rijntakken. Daarmee is de omgeving van het plangebied, zeker de zone waar extra geluidverstoring optreedt, ook niet van bijzondere betekenis voor het behalen van de doelaantallen niet-broedvogels. Omdat broedlocaties niet aanwezig zijn, is geluidverstoring van broedgebied niet aan de orde. Aalscholver, dodaars, zwarte stern, ijsvogel en oeverzwaluw foerageren op het open water.
Broedvogels en niet-broedvogels zijn met name gevoelig voor optische verstoring door mensen (recreatie), want dat is onvoorspelbaar. Geluid afkomstig van het nieuwe industrieterrein is een redelijk continue geluid dat voorspelbaar is en niet zichtbaar. Daardoor treedt er eerder gewenning op. Daarnaast gaat om een relatief klein deel van het Natura 2000-gebied, ten opzichte van het gehele Natura 2000-gebied (23.047 ha). Dit zal niet leiden tot een afname van de draagkracht van het gebied voor de betreffende broedvogels waardoor de doelaantallen in het Natura 2000-gebied niet meer gehaald kunnen worden. De trend van aalscholver, dodaars, zwarte stern, ijsvogel en oeverzwaluw is de laatste 12 jaar stabiel in de Rijntakken. Het instandhoudingsdoel voor deze soorten is behoud van oppervlakte en kwaliteit van leefgebied, ten behoeve van de doelaantallen. Dat komt door het voornemen niet in gevaar. Een significant negatief effect als gevolg van geluidverstoring op de broedvogels en niet-broedvogels van het Natura 2000-gebied Rijntakken is daarmee uitgesloten. Stikstofdepositie Het leefgebied 08 (nat, matig voedselrijke graslanden) en leefgebied 11 (Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren-en zeekleigebied) aan de overzijde van de Waal zijn in potentie leefgebied voor de kwartelkoning (broedvogel) en watersnip (niet-broedvogel).
Uit de NDFF-data blijkt dat de gebieden aan de overzijde van de Waal nu geen leefgebied vormen van de kwartelkoning en de watersnip. Heel incidenteel wordt een enkele foeragerende watersnip aangetroffen langs de oevers van het Grindgat aan de Weurtse kant van de Waal. Uit de watervogeltellingen van Sovon komt deze soort verder niet naar voren. De kwartelkoning en de watersnip nestelen meestal in natte hooilanden of rietlanden en dat is niet aanwezig op deze plek. Het gebied is dan ook niet van wezenlijk belang voor beide soorten. De (kleine) depositietoename (zoals berekend in het MER) als gevolg van de herontwikkeling van het ENGIE-terrein ligt niet binnen leefgebied van broedvogels en niet-broedvogels van het Natura 2000-gebied Rijntakken en veroorzaakt daarmee geen negatief effect op het leefgebied van de kwartelkoning en de watersnip. Een significant negatief effect is dan ook uitgesloten. Conclusie De toename van geluidverstoring en van stikstofdepositie als gevolg van de herontwikkeling van het ENGIE-terrein leidt niet tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Rijntakken. De geluidverstoring is beperkt en voorspelbaar waardoor gewenning bij vogels zal optreden. Daarnaast is het gebied