Bijlagen bij de toelichting Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Nijmegen Bedrijventerrein De Grift en Rietgraaf e.o.
Tekst van het document
Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan
21
‘Bedrijventerrein’ een afwijking (van de gebruiksregels) opgenomen die het mogelijk maakt bedrijven (of bedrijfsactiviteiten) toe te laten die niet zijn genoemd in de Staat van Bedrijfsactiviteiten, maar naar aard en invloed op de omgeving wel passend wordt geacht binnen de toegestane milieucategorieën. Functieaanduiding Los van het voorgaande zijn de bedrijfsactiviteiten van Gacon abusievelijk niet correct bestemd in het ontwerpbestemmingsplan. De functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijventerrein – renovatie- en verduurzamingsbedrijf’ is abusievelijk opgenomen voor het perceel Groothandelsweg 3. Dit wordt gerepareerd door de situering aan te passen en deze functieaanduiding op te nemen voor het perceel Groothandelsweg 5, dat in eigendom is van Gacon Beheer. Ter plaatse van deze bestemming zijn de gronden mede bestemd voor een bedrijf gespecialiseerd in het realiseren van kunststofvloeren, metaalconservering en het uitvoeren van betonreparaties. Daarmee wordt recht gedaan aan de bestaande bedrijfsvoering van het bedrijf. Buitenterrein Het ontwerpbestemmingsplan staat toe het onbebouwde deel van het perceel te gebruiken voor buitenopslag, voor zover dit is gelegen binnen het bouwvlak. Daarmee wordt getracht verrommeling voor de voorgevel van het bedrijfsgebouw te voorkomen.
Deze regeling wordt op alle bedrijventerreinen in Nijmegen toegepast en is om deze reden ook in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen. Het bouwvlak op het perceel van reclamant is overgenomen uit de geldende beheersverordening. Op grond van deze beheersverordening wordt buitenopslag binnen een afstand van 5 meter tot de bestemming ‘Verkeer’ niet toegestaan. Het huidige bouwvlak is echter gelegen op 10 meter uit de bestemmingsgrens, waardoor onbedoeld de bestaande rechten zijn ingeperkt. Om deze reden wordt de regeling voor buitenopslag (voor het hele bedrijventerrein) aangepast. Buitenopslag wordt zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan, behoudens ter plaatse van de aanduiding ‘opslag uitgesloten.’ Deze aanduiding wordt opgenomen voor de gronden gelegen op minder dan 5 meter van de bestemming ‘Verkeer’. Daarmee wordt de regeling in overeenstemming gebracht met de bestaande rechten. Dit neemt niet weg dat een deel van de huidige buitenopslag van reclamant binnen de (nog op te nemen) aanduiding ‘opslag uitgesloten’ komt te vallen en dus in strijd is met het nieuwe bestemmingsplan. Dit gebruik is onder het huidige juridisch-planologisch regime echter ook al in strijd met de bestemming. De gemeente is zich ervan bewust dat hier sprake van een bestaande situatie die door de jaren heen is ontstaan, maar wenst dit gebruik niet te legaliseren.
Voor een nadere toelichting met betrekking tot buitenopslag wordt verwezen naar paragraaf 4.4.
Conclusie
Deze zienswijze heeft geleid tot de volgende aanpassingen van het bestemmingsplan: Verbeelding: de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijventerrein – renovatieen verduurzamingsbedrijf’ is abusievelijk opgenomen voor het perceel Groothandelsweg 3. Dit wordt gerepareerd door de situering aan te passen en deze functieaanduiding op te nemen voor het perceel Groothandelsweg 5. Verbeelding/regels: voor de wijzigingen met betrekking tot buitenopslag wordt verwezen naar paragraaf 4.4.
22
3.10 Reclamant 10 Inhoud zienswijze
Reclamant exploiteert een onderneming die zich bezighoudt met het inzamelen en verwerken van grove afvalstoffen. Hiertoe worden containers verhuurd en vindt op de locatie opslag, sortering en verdere verwerking plaats. Reclamant beschikt hiertoe over de benodigde omgevingsvergunning. Reclamant geeft aan dat op grond van het huidige, vigerende bestemmingsplanregime sprake is van zeer ruime toegestane bedrijfsactiviteiten tot categorie 4.1. Echter, in het ontwerpbestemmingsplan worden de toegestane functies afgeschaald tot categorie 3.1, waarbij de puinbreker tot het maximum conform omgevingsvergunning is toegestaan. Reclamant stelt dat het onduidelijk is op welke grond de toegelaten bedrijfsactiviteiten worden afgeschaald ten opzichte van hetgeen tot dusverre was toegestaan. Reclamant is van mening dat dit niet gedaan lijkt te zijn met het oog op de belangen van het bedrijventerrein, maar vanwege de (oprukkende) woningbouw in de omgeving. Reclamant wenst een lans te breken voor het behoud van de toegelaten categorie (tot 4.1), zodat toekomstige ontwikkelingen op het bedrijventerrein niet worden belemmerd.
Ook wordt aangegeven dat met een hogere categorie automatisch sprake is van een grotere bufferzone tussen de bedrijvigheid en woningen, waarmee wordt bevorderd dat toekomstige omwonenden geen hinder zullen ondervinden van de toegelaten bedrijfsactiviteiten, wat naar zeggen van reclamant ook in het belang van toekomstige woningbouwontwikkelingen is.
Beoordeling
De aanleiding voor het opstellen van dit bestemmingsplan is met name het vastleggen van de bestaande situatie op het bedrijventerrein, alsmede de wens om te komen tot een uniforme en actuele bestemmingsregeling. De geldende beheersverordening staat inderdaad bedrijvigheid in milieucategorie 4.1 toe. In veel gevallen is deze milieucategorie echter niet gerealiseerd, waardoor het bedrijventerrein onnodig veel milieugebruiksruimte heeft. Zodoende is in eerste instantie besloten de toegestane milieucategorieën in algemene zin terug te brengen tot milieucategorie 3.1. Voortschrijdend inzicht heeft ertoe geleid op het bedrijventerrein De Grift bedrijvigheid tot en met milieucategorie 3.2 toe te staan. Daarmee wordt meer recht gedaan aan het karakter van de bedrijven op het bestaande bedrijventerrein De Grift. Bovendien sluit dit beter aan bij de toegestane milieucategorieën op de beoogde uitbreiding van bedrijventerrein De Grift. Het bestemmingsplan wordt op dit punt aangepast. Daar waar wel een hogere categorie dan milieucategorie 3.2 noodzakelijk is, is/wordt dit via een specifieke functieaanduiding mogelijk gemaakt. Uit nader onderzoek volgt dat de vergunde bedrijfsactiviteiten van Heijting Milieu Service niet geheel binnen milieucategorie 3.2 passen.
Onderdeel van de bedrijfsactiviteiten is immers het overslaan of bewerken van afval, dat is aan te merken als een bedrijfsactiviteit in milieucategorie 4.2. Onder meer in de beschikking van 23 april 2018 voor het mogelijk maken van de puinbreker is uitgegaan van een categorie 4.2 bedrijf. Het voorgaande leidt tot aanpassing van het bestemmingsplan. Het bedrijfsperceel wordt voorzien van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijventerrein – milieustraat’. Binnen deze aanduiding zijn de gronden bestemd voor ‘het overslaan en bewerken van afval, alsmede het breken van puin met een mobiele puinbreker met een maximum capaciteit van 20.000 ton per jaar’. Lid 7.1 sub h wordt hier tekstueel op aangepast. De aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijventerrein – puinbreker’ komt op de verbeelding en in de regels te vervallen.
Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan
23
Conclusie
Deze zienswijze heeft geleid tot de volgende aanpassingen van het bestemmingsplan: Verbeelding: het perceel Groothandelsweg 16 wordt voorzien van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijventerrein – milieustraat’. De aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijventerrein – puinbreker’ komt te vervallen. Regels: in lid 7.1 wordt sub h als volgt gewijzigd: “ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijventerrein – milieustraat’ tevens voor het overslaan en bewerken van afval, alsmede het breken van puin met een mobiele puinbreker met een maximum capaciteit van 20.000 ton per jaar”.
24
3.11 Reclamant 11 Inhoud zienswijze
Reclamanten zijn eigenaar van een perceel direct grenzend aan het plangebied. Op 31 mei 2022 is er een pro forma zienswijze ingediend. De zienswijze is op 8 juni inhoudelijk aangevuld. Samenhang In de toelichting wordt melding gemaakt van de reden om het ontwerpbestemmingsplan tot het thans gekozen plangebied te beperken: de gemeente wil de ontwikkeling van de overige gronden voor nieuwe bedrijfskavels via een separaat bestemmingsplan mogelijk maken. Een volwaardig ruimtelijk motief voor het afzonderlijk in procedure brengen met betrekking tot bedrijventerrein De Grift wordt echter niet gegeven. Volgens reclamant is het op onderdelen (ruimtelijk) onwenselijk is om separate bestemmingsplannen in procedure te brengen. Ontsluiting De Gebiedsvisie De Grift geeft geen uitsluitsel maar uit afbeeldingen in de visie is wel af te leiden dat de hoofdontsluiting van de uitbreiding langs de westelijke perceelsgrens van reclamanten zal lopen. Het ontwerpbestemmingsplan dient afgestemd te worden op een nadrukkelijk gekozen en onderbouwde ontsluiting. Dat blijkt nu niet uit het ontwerpbestemmingsplan, nu met een groenzone tussen het bestaande bedrijventerrein en het perceel van reclamanten de mogelijkheid van het doortrekken van een ontsluiting onmogelijk wordt gemaakt. Ontsluiting van het perceel van reclamanten of de Grift Noord kan ook via de zuidelijk lopende Koopmansweg.
Het doortrekken van de Koopmansweg naar de gronden van reclamanten en aanpalende gronden ligt voor de hand omdat deze doortrekking eenvoudig kan worden gerealiseerd. Dit is ook van belang in verband met de exploitatie van de Grift Noord, alsmede om te komen tot een marktconforme en optimale verkaveling. Een invulling van de Grift Noord met distributiecentra zal niet leiden tot de grootste toename van verkeersbewegingen, maar tot en relatief beperkte toename, die (in ieder geval deels) middels de bestaande infrastructuur kan worden opgevangen. Dat is niet alleen in verband met de investeringen die moeten worden gepleegd een te overwegen optie, maar ook in verband met een efficiënte verkaveling is het wenselijk dat het plangebied de Grift Noord niet wordt voorzien van overbodige infrastructuur die leidt tot kleinere dan wel incourante dan wel slecht gevormde kavels. Van onderzoeken of studies die tot een andere conclusie leiden is niet gebleken, zodat het niet wenselijk is dit bestemmingsplan vast te stellen alvorens studies en onderzoeken zijn gedaan en daaruit voortvloeiende ruimtelijke keuzes zijn gemaakt.
Groenstrook De aanwezige groenstroken aan de oost- en zuidzijde van het perceel van reclamanten zijn onderdeel van het ontwerpbestemmingsplan, waardoor met name ontsluitings- maar ook afwaterings- en waterbergingsmogelijkheden en een goede aansluiting op het plangebied de Grift Noord beperkt worden. Waarom moet midden op het toekomstige bedrijventerrein De Grift tussen het noordelijk en zuidelijk deel een groenstrook bestaan? In de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan is over een visie op dit groen niets te vinden. Het is niet wenselijk het bestemmingsplan vast te stellen alvorens onderzoeken zijn gedaan en daaruit vloeiende ruimtelijke keuzes zijn gemaakt. Economische uitvoerbaarheid In paragraaf 9.1 van de toelichting wordt vermeld dat het bestemmingsplan een consoliderend karakter heeft en dat onderzoek naar de financieel economische uitvoerbaarheid daarom niet nodig is. Er zou ook geen exploitatieplan op grond van artikel 6.12 Wro behoeven te worden vastgesteld. Uit de hoofdstukken 6 en 8 van de toelichting
Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan
25
blijkt echter dat het bestemmingsplan wel degelijk ontwikkelingen mogelijk maakt. Een gedegen vergelijking tussen hetgeen de beheersverordening en hetgeen het ontwerpbestemmingsplan mogelijk maakt ontbreekt. Daar komt bij dat onduidelijk is te zijner tijd in het bestemmingsplan voor de grond van de Grift Noord voorzieningen zullen (moeten worden opgenomen, waarvan ook de huidige onderdelen van het bedrijventerrein, die nu in het bestemmingsplan zijn opgenomen, profiteren. Dat betekent dat een eventueel exploitatieplan voor de Grift Noord kan leiden tot onevenredig kostenverhaal, doordat met dat plan dan geen kosten meer kunnen worden vertaald voor zover de gronden in het ontwerpbestemmingsplan van de voorzieningen profiteren. m.e.r.-beoordeling Om dezelfde reden dient zich de vraag aan of een m.e.r.-beoordeling wel achterwege kan worden gelaten, zoals in paragraaf 5.8 van de toelichting wordt betoogd. Ook daarvoor moet worden vastgesteld of het bestemmingsplan daadwerkelijk geen (relevante) ontwikkelingen toestaat. Water In de plantoelichting (paragraaf 4.5) wordt aandacht gevraagd voor waterhuishoudkundige opgaven, maar dit heeft geen vertaling gevonden in de planregels.
Het is gebruikelijk dat ook in consoliderende bestemmingsplannen, waar immers herontwikkeling, uitbreiding en/of vervanging van bebouwing kan plaatsvinden, een norm in de planregels wordt opgenomen om te verzekeren dat in die gevallen voldoende waterberging wordt gerealiseerd. Gebeurt dat niet, dan worden de waterbergingsproblemen de facto afgewenteld op omliggende gronden, waaronder de grond van de Grift Noord. Verkeer Het onderdeel verkeer is een belangrijk aspect als het gaat om de (toekomstige) ontsluiting van de Grift Noord en om de consequenties van plannen rond knooppunt 38. De wijze van uitvoering van knooppunt 38 is mogelijk van grote invloed op de verkeersafwikkeling van de deelgebieden die nu in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Niet valt uit te sluiten dat in deze deelgebieden ingrepen moeten plaatsvinden om de uiteindelijk gewenste verkeerssituatie te creëren. In onderdeel 4.3 van de toelichting wordt ingegaan op de verkeersaspecten. Wat ontbreekt is de vaststelling of al dan niet in de verbeelding en regels voldoende ruimte is ingeruimd om de ontwikkelingen mogelijk te maken. Bouwhoogte De gronden grenzend aan het perceel van reclamanten worden voorzien van de bestemming Bedrijventerrein met een maximale bouwhoogte van 12 meter. Voor de ontwikkeling van de Grift Noord is het van belang dat grotere hoogten kunnen worden gerealiseerd.
Derhalve dient reeds in dit stadium duidelijkheid te komen of het stedenbouwkundig aanvaardbaar is dat bij toekomstige ontwikkelingen om het huidige plangebied sprake zal zijn van een hogere bebouwing dan 12 meter. Functieaanduidingen Het is immers in strijd met het gemeentelijke beleid om met dit bestemmingsplan belemmeringen op te werpen voor de verdere ontwikkeling van de Grift (Grift Noord). De vraag is of de specifieke functie-aanduidingen, zoals de aanduiding recyclingbedrijf machines en de puinbreker, zijn te verenigen met de gemeentelijke visie op de Grift en de toekomstige ontwikkelingen?
Beoordeling Samenhang De voorbereiding van dit bestemmingsplan is eerder gestart dan de voorbereiding van het bestemmingsplan voor de uitbreiding van bedrijventerrein De Grift. De ontwikkeling van het nieuwe bedrijventerrein was destijds nog onvoldoende uitgekristalliseerd. Inmiddels is ook het ontwerpbestemmingsplan voor de uitbreiding van bedrijventerrein De Grift in
26
procedure gebracht. Dit plan heeft echter een wezenlijk ander karakter. Het bevat grootschalige ontwikkelingen en heeft een verbrede reikwijdte (Chw-status). Dit in tegenstelling tot het voorliggende bestemmingsplan voor De Grift en Rietgraaf, dat hoofdzakelijk conserverend is en uitsluitend de bestaande situatie vastlegt. Door beide plannen samen te voegen, ontstaat het risico dat het bestaande bedrijventerrein onderdeel worden van een eventuele beroepszaak tegen de uitbreiding van bedrijventerrein De Grift. De gemeente vindt dat niet wenselijk en heeft er om die reden voor gekozen beide plannen separaat in procedure te brengen. Dit neemt niet weg dat het gebied als geheel wordt beschouwd. Beide bestemmingsplannen zijn dan ook in samenhang met elkaar vormgegeven en inhoudelijk op elkaar afgestemd. De ruimtelijke samenhang tussen beide gebieden komt niet in gevaar door de keuze voor twee bestemmingsplannen. Ontsluiting Uw zienswijze heeft deels betrekking op verkeerskundige en infrastructurele gronden, gelegen buiten de begrenzing van het plangebied van dit bestemmingsplan. Vanuit juridisch oogpunt kan uw zienswijze daarom niet inhoudelijk beoordeeld worden en wordt het bestemmingsplan op dit punt ook niet aangepast. Recentelijk heeft de gemeente Nijmegen het ontwerpbestemmingsplan ‘Chwbestemmingsplan Nijmegen Uitbreiding bedrijventerrein De Grift’ in procedure gebracht.
Dit bestemmingsplan ziet toe op de uitbreiding van bedrijventerrein De Grift, waaronder ook de aanpassingen aan de bestaande verkeersinfrastructuur (o.a. Griftdijk en Stationsstraat). Wij onderschrijven de samenhang tussen de ontsluiting van het bestaande en het nieuwe bedrijventerrein en hebben dit zorgvuldig op elkaar afgestemd. Voor de uitbreiding is onder meer een plan-MER opgesteld, waarin ook de samenhang met omgeving is beschouwd. Uit de plan-MER blijkt onder meer dat de toename van verkeer als gevolg van autonome ontwikkelingen groot is. De toename van verkeersbewegingen in het gebied als gevolg van de uitbreiding van bedrijventerrein De Grift is daardoor relatief. De verkeersafwikkeling van verkeer blijft op peil. Dat komt omdat er in het bestemmingsplan voor de uitbreiding van De Grift infrastructurele maatregelen voorzien zijn, die zorgen voor een voldoende afwikkeling van het verkeer. Eén van deze maatregelen betreft het aanpassen van het kruispunt van de Griftdijk met de Stationsstraat van een rotonde naar een kruising met verkeerslichten. Dit heeft ook een positief effect op de verkeersafwikkeling van het bestaande bedrijventerrein De Grift en de rest van de Waalsprong. Ook voor het perceel van reclamanten en de ontsluiting daarvan geldt dat dit niet is gelegen binnen het voorliggende plangebied.
In het ontwerpbestemmingsplan voor de uitbreiding van bedrijventerrein De Grift is het perceel van de reclamanten voorzien van een bedrijfsbestemming met een (voorlopig) bouwverbod. Dit bouwverbod wordt opgeheven wanneer er een exploitatieplan is vastgesteld of anterieure overeenkomst is gesloten. De ontsluiting van het perceel van de reclamanten is voorzien via een nieuw aan te leggen ontsluitingsweg in De Grift Noord, die het bedrijventerrein rechtstreeks ontsluit op de Griftdijk en A15. Ontsluiting van het perceel van reclamanten of De Grift Noord via de Koopmansweg is niet gewenst, omdat deze weg daar niet op berekend is en het verkeer een langere route naar de A15 moet afleggen. Vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid, geluid en luchtkwaliteit is dat niet wenselijk. Aanpassing van dit bestemmingsplan wordt niet nodig geacht, omdat het perceel van de reclamanten momenteel (nog) een agrarische bestemming heeft. De ontsluiting daarvan zou vanwege de beperkte verkeersgeneratie in principe wel kunnen plaatsvinden via de Koopmansweg. In het kader van het thans voorliggende bestemmingsplan nemen wij uw zienswijze voor kennisgeving aan. Indien gewenst kun u uw zienswijze inbrengen in het kader van het ontwerpbestemmingsplan ‘Chw-bestemmingsplan Nijmegen Uitbreiding bedrijventerrein De Grift’.
Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan
27
Groenstrook De aanwezige groenstroken direct ten oosten en zuiden van het perceel van de reclamanten is in de geldende beheersverordening – die de voorheen geldende bestemmingsplannen ‘Oosterhout – Bedrijfsterrein 1990’ en ‘Oosterhout – Bedrijfsterrein 1995’ bekrachtigd – zijn de groenstroken voorzien van de bestemming ‘Groen’. Met dit bestemmingsplan wordt deze bestemming voortgezet. Het aanwezige bestaande groen is bovendien van ecologisch van belang, aangezien deze groenstroken de enige van maat zijn op dit bedrijventerrein. Daarnaast liggen er binnen deze groenbestemming ook bestaande watergangen, die van belang zijn voor de afwatering van het bestaande bedrijventerrein. Om deze reden wordt de bestemming ‘Groen’ gehandhaafd. Er bestaat geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. Economische uitvoerbaarheid Een beheersverordening is erop gericht de bestaande situatie en rechten vast te leggen, maar staat geen nieuwe ontwikkelingen toe. De afgelopen jaren is voor een aantal bedrijven een separate planologische procedure doorlopen, omdat de beoogde wensen en concrete ontwikkelingen niet mogelijk waren op grond van de geldende beheersverordening. De verleende omgevingsvergunning worden nu vertaald naar het bestemmingsplan. Het betreffen in feite geen nieuwe ontwikkelingen.
Daarnaast zijn er in hoofdstuk 8 een aantal ‘strijdigheden’ geconstateerd, waarbij het huidige gebruik in strijd blijkt met de geldende beheersverordening. Daarbij is per situatie beoordeeld op welke wijze hiermee wordt omgegaan. In een aantal gevallen is sprake van een historische gegroeide situatie die met dit bestemmingsplan gelegaliseerd wordt middels persoonsgebonden overgangsrecht. De enige ‘echte’ ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt betreft de bestemmingswijziging aan de Stationsstraat 53. Het gaat hier slechts om een gebruikswijziging. Er worden geen nieuwe gebouwen of andere bouwwerken toegestaan. De toelichting zal op dit punt worden aangescherpt. Artikel 6.2.1 Bro bepaalt dat een exploitatieplan dient te worden opgesteld indien een bestemmingsplan de bouw van één of meer hoofdgebouwen mogelijk maakt, dan wel de uitbreiding van een gebouw met tenminste 1.000 m2 brutovloeroppervlak. Voor de Stationsstraat 53 wordt geen nieuwe bebouwing voorzien, het betreft slechts een beperkte gebruikswijziging van maximaal 500 m2 brutovloeroppervlak. Om deze reden is het opstellen van een exploitatieplan niet benodigd. Voor de ontwikkelingen die zijn beoogd in De Grift Noord is een afzonderlijk bestemmingsplan in procedure gebracht. In dat bestemmingsplan wordt ook de aanpassing van de bestaande infrastructuur van de Griftdijk en Stationsstraat meegenomen.
In het kader van de uitbreiding wordt een exploitatieplan opgesteld, waarmee het kostenverhaal verzekerd wordt. De bedrijven in het voorliggende plangebied profiteren inderdaad van de verbeterde bereikbaarheid. Omdat het voorliggende bestemmingsplan uitsluitend de bestaande situatie vastlegt, kunnen de kosten voor de aanpassing van de infrastructuur (buiten het plangebied) echter niet op de eigenaren in het plangebied verhaald worden. M.e.r.-beoordeling Voorliggend bestemmingsplan legt in hoofdzaak de bestaande situatie vast. Daarop geldt één uitzondering, namelijk het perceel Stationsstraat 53. Het gebruik van dit perceel wordt (deels) gewijzigd van agrarisch naar wonen en bedrijvigheid, voor zover dit passend wordt geacht in een gemengd woongebied. Het betreft slechts een beperkte gebruikswijziging van maximaal 500 m2 brutovloeroppervlak. Ondanks het feit dat dit slechts een beperkte gebruikswijziging betreft, is de conclusie in paragraaf 5.8 van de toelichting dat er geen vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft plaats te vinden, onjuist. De toelichting wordt op dit punt aangepast. Paragraaf 5.8 wordt als volgt gewijzigd, de conclusie blijft hetzelfde: 5.8 Milieueffectrapportage Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming
28
te betrekken. Om hier in de praktijk invulling aan te geven is het instrument milieueffectrapportage of te wel m.e.r. ontwikkeld. De m.e.r.-beoordeling is een instrument met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. Voorliggend bestemmingsplan legt in hoofdzaak de bestaande rechten c.q. situatie vast en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Het perceel Stationsstraat 53 vormt hierop een uitzondering. Ter plaatse worden de gebruiksmogelijkheden van het perceel gewijzigd van ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’ en bedrijvigheid in milieucategorie 3.2. De voorgenomen ontwikkeling is opgenomen in eerste kolom van de zogenaamde D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage. De beoogde gebruikswijziging kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject, maar blijft ruim onder de drempelwaarde. Dit neemt niet weg dat in dit geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Dit dient plaats te vinden aan de hand van drie criteria: 1. kenmerken van het project; 2. plaats van het project; 3. kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het project Met het plan wordt beoogd de bestaande situatie op de bedrijventerreinen De Grift en Rietgraaf vast te leggen in een actueel juridisch-planologisch kader. Er is slechts één ontwikkeling c.q. gebruikswijziging voorzien.
Op de locatie Stationsstraat 53 wordt een bestaand agrarisch (bij)gebouw bestemd ten behoeve van bedrijvigheid tot en met milieucategorie 3.2. De bestaande agrarische bedrijfswoning wordt bestemd als een reguliere burgerwoning. Plaats van het project Het plangebied omvat de bedrijventerreinen De Grift en Rietgraaf, alsmede enkele omliggende gronden. Het gebied maakt onderdeel uit van de Waalsprong en ligt in het meest noordelijke deel van Nijmegen. Het perceel waar de beoogde gebruikswijziging plaatsvindt is gelegen aan de Stationsstraat (nummer 35) en kadastraal bekend als gemeenten Nijmegen, sectie E, nummer 203. Kenmerken van het potentiële effect. Op het perceel bevindt zich momenteel één agrarische bedrijfswoning en één agrarisch (bij)gebouw. Beide hebben een agrarische bestemming. In de nieuwe situatie wordt een afwijkend gebruik toegestaan. Het perceel wordt bestemd als ‘Wonen’ en het bijgebouw (en een deel van de aangrenzende gronden) wordt mede bestemd voor bedrijvigheid in milieucategorie 1 tot en met 3.2. De oppervlakte die kan worden aangewend voor bedrijfsmatige activiteiten bedraagt maximaal 500 m2 brutovloeroppervlak. Het plan valt in de categorie D 11.2 “aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” van de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage.
De drempelwaarden voor een m.e.r. voor deze activiteit zijn: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De voorgenomen gebruikswijziging blijft ruim binnen deze drempelwaarden. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn verder in de toelichting van het bestemmingsplan diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Uit de afweging is gebleken dat er geen negatieve milieueffecten zijn te verwachten, waardoor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling of MER niet aan de orde is. Conclusie
Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan
29
Het potentiële effect door het voorgenomen bestemmingsplan kan niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een m.e.r. voor de aangevraagde activiteit noodzakelijk maakt. Water De gemeente herkent zich niet in de stelling van reclamant dat het gebruikelijk is in consoliderende bestemmingsplannen een waterbergingsnorm in de planregels op te nemen. Met het voorliggende bestemmingsplan worden inderdaad mogelijkheden geboden om bestaande bebouwing uit te breiden en/of te vervangen. In de bestaande situatie is bedrijventerrein De Grift echter vrijwel volledig verhard. Het water afkomstig van het bedrijventerrein wordt nu grotendeels afgewenteld op de watergangen ten noorden en oosten van het plangebied. Bij de uitbreiding van bedrijventerrein De Grift zal hier aandacht voor zijn. Het is niet reëel om een bergingsnorm gebaseerd op nieuwe inzichten los te laten op een bestaand bedrijventerrein. De zienswijze leidt derhalve niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. Verkeer Dit punt is reeds beantwoord onder het kopje ‘ontsluiting’. De aanpassingen van rondom afslag 38 zijn mogelijk binnen het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Wel is voor de aanpassing van de Griftdijk een bestemmingswijziging nodig. Deze bestemmingswijziging is meegenomen in het bestemmingsplan voor de uitbreiding van bedrijventerrein De Grift.
Bouwhoogte De bouwhoogte voor mogelijke bebouwing op het perceel van reclamanten valt buiten de reikwijdte van dit bestemmingsplan, omdat het perceel van reclamanten buiten het plangebied ligt. Functieaanduidingen Functieaanduidingen zijn een legitieme manier om specifieke activiteiten te regelen, mits dit tegemoet komt aan een goede ruimtelijke ordening. Met het voorliggende bestemmingsplan worden de bestaande activiteiten op het bedrijventerrein voorzien van een passende bestemming. Er worden geen nieuwe (hinderveroorzakende) activiteiten toegestaan. De geldende beheersverordening staat bovendien bedrijvigheid in milieucategorie 4.1 toe. In veel gevallen is deze milieucategorie niet gerealiseerd, waardoor het bedrijventerrein onnodig veel milieugebruiksruimte heeft. Zodoende is in eerste instantie besloten de toegestane milieucategorieën in algemene zin terug te brengen tot milieucategorie 3.1 en bedrijven die hier niet binnen passen specifiek aan te duiden. Voortschrijdend inzicht heeft ertoe geleid om op het bedrijventerrein De Grift bedrijvigheid tot en met milieucategorie 3.2 toe te staan. Daarmee wordt meer recht gedaan aan het karakter van de aanwezige bedrijven. Bovendien sluit dit beter aan bij de toegestane milieucategorieën op de beoogde uitbreiding van bedrijventerrein De Grift.
Conclusie
Deze zienswijze heeft wel geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan. Paragraaf 5.8 van de toelichting wordt gewijzigd conform het hiervoor genoemde voorstel.
30
3.12 Reclamant 12 Inhoud zienswijze
De percelen van de inrichting van reclamant liggen in het plangebied. Op dit moment zijn op grond van de geldende bestemmingsplannen de activiteiten van reclamant planologisch toegestaan. Dit volgt onder andere uit artikel 3.1 lid a en b van bestemmingsplan Buitengebied Bemmel 1978 – 5 en uit artikel 3.1 lid a van bestemmingsplan Buitengebied Bemmel 1978 – 10. Daarnaast beschikt reclamant per 9 februari 2021 ten aanzien van de activiteit ‘shredderen en zeven van houtachtig groenafval’ over een omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan. Reclamant dient ten aanzien van het nieuwe bestemmingsplan in relatie tot de huidige bedrijfsactiviteiten twee zienswijzen in: Zienswijze 1 In het nieuwe bestemmingsplan zijn aan artikel 4.1 lid b de woorden ‘(geen chemisch afval)’ toegevoegd. Echter, reclamant geeft aan te beschikken over een omgevingsvergunning (onderdeel milieu) voor de op- en overslag van o.a. KCA, wat maakt dat deze milieuvergunde activiteit mogelijk in strijd is met het nieuw vast te stellen bestemmingsplan. Derhalve wordt verzocht deze toevoeging te schrappen. Zienswijze 2 Zoals eerder aangegeven beschikt reclamant ten behoeve van de activiteiten met een houtshredder sinds 2021 over een omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan.
Reclamant geeft aan dat er onduidelijkheid bestaat over hoeverre met deze activiteit thans rekening is gehouden in het nieuwe bestemmingsplan.
Beoordeling Zienswijze 1 Aanvullend onderzoek naar de aangehaalde omgevingsvergunning heeft uitgewezen dat reclamant inderdaad een kleine hoeveelheid KCA mag opslaan c.q. accepteren. Zodoende wordt de omschrijving van lid 4.1 sub b als volgt aangepast: “ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - aannemer grondverzetbedrijf en milieustraat’ tevens voor een bedrijf gespecialiseerd als aannemer, grondverzetbedrijf en milieustraat;” De toevoeging “c.q. afvalstort (geen chemisch afval)” komt daarmee te vervallen. De aangepaste formulering sluit beter aan bij de bedrijfsactiviteiten van het bedrijf. Zienswijze 2 Voor de activiteiten die de reclamant beschrijft is op 9 februari 2021 een omgevingsvergunning afgegeven Daarmee is het gebruik van een houtshredder voor het shredderen en zeven van houtachtig groenafval (onder voorwaarden) toegestaan. Het bestemmingsplan zal op dit punt gewijzigd worden. Aan de noordzijde van het perceel wordt conform het rode vlak in onderstaande afbeelding de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – houtshredder’ toegevoegd.
Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan
31
Lid 4.1 van de regels wordt uitgebreid met een nieuw sub d “ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – houtshredder’ tevens voor de op- en overslag van groenafval en een houtshredder.”. De overige subleden worden doorgenummerd. Daarnaast wordt de regeling voor toegestaan gebruik (sublid 4.3.1) aangevuld. Deze komt als volgt te luiden: 4.3.1 Toegestaan gebruik Het een gebruik in overeenstemming met deze bestemming wordt in ieder geval verstaan: a. Het gebruik van gronden voor een inpandige puinbreker, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – puinbreker’; b. de capaciteit bedraagt niet meer dan 100.000 ton per jaar; b. Het gebruik van gronden voor het shredderen van houtachtig groenafval met een houtshredder en een zeef, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – houtshredder’
Conclusie
Deze zienswijze heeft geleid tot de volgende aanpassingen van het bestemmingsplan. Regels: lid 4.1 sub b wordt als volgt aangepast: “ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - aannemer grondverzetbedrijf en milieustraat’ tevens voor een bedrijf gespecialiseerd als aannemer, grondverzetbedrijf en milieustraat;” De toevoeging “c.q. afvalstort (geen chemisch afval)” komt daarmee te vervallen. Verbeelding: aan de noordzijde van het perceel wordt de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – houtshredder’ toegevoegd.
32
Regels: lid 4.1 wordt uitgebreid met een nieuw sub d “ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – houtshredder’ tevens voor de op- en overslag van groenafval en een houtshredder;”. De overige subleden worden doorgenummerd. Regels: sublid 4.3.1 wordt als volgt gewijzigd: 4.3.1 Toegestaan gebruik Het een gebruik in overeenstemming met deze bestemming wordt in ieder geval verstaan: a. Het gebruik van gronden voor een inpandige puinbreker, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – puinbreker’; b. de capaciteit bedraagt niet meer dan 100.000 ton per jaar; b. Het gebruik van gronden voor het shredderen van houtachtig groenafval met een houtshredder en een zeef, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – houtshredder’
Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan
33
3.13 Reclamant 13 Inhoud zienswijze
Reclamant is eigenaar en bewoner van de bestaande woning aan de Stationsstraat 53 te Nijmegen. Naast deze woning ligt een onbebouwd agrarisch perceel van ruim 2 ha, welke wordt verpacht aan een andere agrariër. Op 2 mei 2019 is een brief aan de gemeente gestuurd met het verzoek het bestemmingsplan ter plaatse van het erf rondom de woning te wijzigen. Reclamant geeft aan dat het ontwerp dat nu ter visie ligt ter plaatse van het bestaande erf tot tevredenheid stemt. Echter, toch is er reden geweest om een zienswijze in te dienen. De zienswijze heeft betrekking op het perceelsgedeelte van ruim 2 ha. Reclamant maakt bezwaar tegen navolgende bepalingen: Bepaling 3.3 onder a Deze bepaling heeft betrekking op de gewenste spuitvrije zone rondom gevoelige bestemmingen. Reclamant stelt dat in de huidige bepaling twee veronderstellingen worden gedaan. Ten eerste dat deze zone altijd 50 meter is en voorts dat alle functies behoudens agrarische bedrijvigheid gevoelig zijn. Reclamant is van mening dat beide veronderstellingen een te grote en onnodige beperking op de agrarische grond van de opdrachtgever leggen alsmede een onnodige beperking ten aanzien van de mogelijke herontwikkelingsmogelijkheden voor aangrenzende gronden.
Reclamant licht dit vervolgens nader toe: Veronderstelling 1: is het 50 meter of toch minder? Reclamant geeft aan dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt niet onredelijk wordt geacht. Echter, het is mogelijk om deze afstand te verkleinen indien daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. Volgens reclamant is het dus niet noodzakelijk om dit zo te verwoorden in de regels. Reclamant geeft aan dat onder omstandigheden een kortere afstand dan 50 meter te motiveren is en verwijst voor de planologische oplossing naar de wijze waarop de gemeente Lingewaard dit onder artikel 6.5.3 heeft geïmplementeerd in het bestemmingsplan Buitengebied. Veronderstelling 2: zijn alle andere functies dan agrarische bedrijvigheid gevoelig? Reclamant stelt dat zoals het nu is verwoord, het erop neerkomt dat alle functies, behoudens agrarische bedrijvigheid, gevoelig zijn. Dat is niet het geval, wat maakt dat deze bepaling een onnodige beperking geeft. Reclamant geeft aan dat het beter is om de gevoelige functies in het bestemmingsplan te definiëren.
Opnieuw verwijst reclamant naar het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Lingewaard, ditmaal naar de bepaling in artikel 6.4.1 onder h, met dien verstande dat deze bepaling moet worden afgestemd op de werkelijke gevoelige functies binnen dit bestemmingsplan. Bepaling 3.3 onder c Reclamant verzoekt om deze bepaling uit de regels te verwijderen, gezien deze bepaling volgens reclamant aan gangbaar agrarisch gebruik in de weg staat en het bestaande gebruik zelfs onder de overgangsbepalingen zou brengen. Reclamant geeft aan dat er geen concreet uitzicht op bestaat dat het bestaande gebruik gedurende de planperiode wordt beëindigd, dus dit kan derhalve niet de bedoeling zijn.
Beoordeling Bepaling 3.3 onder a De gemeente Nijmegen kan zich vinden in de voorgestelde afwijkingsmogelijkheid en het nader specificeren van de aanwezige functies. Het bestemmingsplan wordt op dit punt aangepast. Dit betekent dat:
34
Aan artikel 3 wordt een nieuw lid 3.4 “Afwijken van de gebruiksregels” toegevoegd ten behoeve van het afwijken van het bepaalde in lid 3.3 sub a. De tekst van lid 3.4 komt als volgt te luiden: “Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.3 sub a ten behoeve van het verkleinen van de in dat artikel opgenomen afstand van 50 m, mits het gebruik niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat of van het verblijfsklimaat van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies.” Lid 3.3 sub a redactioneel wordt gewijzigd waarbij de bestaande tekst wordt vervangen door de volgende tekst: “de uitoefening van vollegrondsfruit- en/of boomteelt, behoudens bestaand gebruik van de gronden ten behoeve van vollegrondsfruit en/of boomteelt, binnen een afstand van 50 m tot de bestemmingsgrens van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies, zijnde de bestemmingsvlakken met de bestemmingen ‘Bedrijf’, ‘Bedrijventerrein’ en ‘Wonen’.
Bepaling 3.3 onder c De gemeente Nijmegen vindt het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen allerminst wenselijk omdat dit niet ten goede komt aan de biodiversiteit. Het verbod dat in lid 3.3 onder c is echter anders bedoeld en dient ter bescherming van de grondwaterkwaliteit. Om die reden wordt de bepaling in overeenstemming gebracht met de overige bestemmingsplannen binnen de gemeente. Dit betekent dat Lid 3.3 sub c als volgt wordt gewijzigd: ‘het gebruik van gronden ten behoeve van opslag van meststoffen, bestrijdingsmiddelen en daarmee naar aard en effect op de waterkwaliteit te vergelijken stoffen, voor zover schadelijk voor de waterkwaliteit;’.
Conclusie
Deze zienswijze heeft geleid tot de volgende aanpassingen van het bestemmingsplan: Regels: aan artikel 3 wordt een nieuw lid 3.4 “Afwijken van de gebruiksregels” toegevoegd ten behoeve van het afwijken van het bepaalde in lid 3.3 sub a. De tekst van lid 3.4 komt als volgt te luiden: 4.3 Afwijken van de gebruiksregels Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.3 sub a ten behoeve van het verkleinen van de in dat artikel opgenomen afstand van 50 meter, mits het gebruik niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat of van het verblijfsklimaat van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies.
Regels: lid 3.3 sub a wordt redactioneel gewijzigd waarbij de bestaande tekst wordt vervangen door de volgende tekst: “de uitoefening van vollegrondsfruit- en/of boomteelt, behoudens bestaand gebruik van de gronden ten behoeve van vollegrondsfruit en/of boomteelt, binnen een afstand van 50 m tot de bestemmingsgrens van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies, zijnde de bestemmingsvlakken met de bestemmingen ‘Bedrijf’, ‘Bedrijventerrein’ en ‘Wonen’.” Regels: lid 3.3 sub c wordt als volgt gewijzigd: ‘het gebruik van gronden ten behoeve van opslag van meststoffen, bestrijdingsmiddelen en daarmee naar aard en effect op de waterkwaliteit te vergelijken stoffen, voor zover schadelijk voor de waterkwaliteit;’.
Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan
35
3.14 Reclamant 14 Inhoud zienswijze
Vierboom Trucks, een groothandel in onder meer vrachtauto’s, is sinds eind 2013 gevestigd aan de Koopmansweg 1a, gelegen op het bedrijventerrein De Grift. Het ontwerpbestemmingsplan geeft aan reclamant de aanduiding “specifieke vorm van bedrijventerrein – groothandel in vrachtwagens”. Het ontwerpbestemmingsplan koppelt vervolgens een uitsterfregeling aan deze aanduiding. Reclamant is het niet eens met de opgelegde uitsterfregeling en voert de volgende gronden aan. Legaal aangevangen gebruik In paragraaf 2.1.1 van de toelichting is opgenomen dat Vierboom Trucks een groothandel in vrachtwagens is met SBI-code 45192. Het bedrijf past volgens de toelichting niet binnen de geldende bestemming en is daarom specifiek bestemd door middel van eerder genoemde aanduiding. SBI-code 45192 omvat specifiek: Groothandel in zwaardere bedrijfsauto’s (geen import van nieuwe), zoals in vrachtauto’s, bestelauto’s, autobussen, rijdende winkelwagens; Algemene reparatie en onderhoud van bedrijfsauto’s, wat overigens niet plaatsvindt bij Vierboom Trucks. Het vigerende bestemmingsplan Oosterhout-Bedrijventerrein 1995 dateert van 1995. Ten tijde van het opstellen van de Staat van bedrijfsactiviteiten was er geen onderverdeling binnen categorieën. Alle bedrijven met categorie 3 (3.1 en 3.2) kenden dezelfde aanduiding.
De SBI-code 45192 is gekoppeld aan categorie 3.2 wat betekent dat Vierboom Trucks qua categorie past binnen de toegestane categorieën op grond van het bestemmingsplan uit 1995. Volgens artikel 4 van dit bestemmingsplan staat immers percelen met bestemming “B4” de categorieën 1, 2, 3 en zelfs 4 toe. Ook staat de Staat van bedrijfsactiviteiten veel te vergelijken bedrijven toe binnen categorie 3.1. De activiteiten van Vierboom Trucks zijn ook om die reden in overeenstemming met het bestemmingsplan uit 1995. Het ontwerpbestemmingsplan is onzorgvuldig tot stand gekomen. Vertrouwensbeginsel Dat sprake is van aangevangen legaal gebruik volgt uit mailcorrespondentie uit 2013 met de Omgevingsdienst Regio Arnhem (ODRA). In de mailwisseling geeft de ODRA aan dat de reclamant voldoet aan de doeleindenomschrijving van artikel 4 van het bestemmingsplan Oosterhout-Bedrijventerrein 1995. In de mailwisseling heeft de ODRA vervolgens gesteld dat de reclamant zou kunnen vallen onder SBI-code 72 (wegvervoer), specifiek 72.3 of 72.49. De ODRA geeft aan dat discussie mogelijk is, omdat de reclamant in principe maar onder één activiteit van de Staat van bedrijfsactiviteiten hoeft te vallen om toegestaan te zijn. De reclamant beroept zich daarom op het vertrouwensbeginsel. In eerste instantie is er sprake van een toezegging, of in ieder geval van een toerekenbare schijn van een toezegging.
In de mail komt duidelijk naar voren dat de reclamant onder het bestemmingsplan uit 1995 past. In de tweede plaats blijft de uitleg van het bestemmingsplan bestaan. Elk redelijk denkend burger zou geen omgevingsvergunning aanvragen als dit niet nodig was. Het feit dat in de mail wordt gezegd dat dit meer zekerheid zal geven, is buitengewoon bijzonder. Het volstaat dat de activiteit in het bestemmingsplan past. Indien wel sprake zou zijn van een illegaal aangevangen gebruik ligt de keuze voor een uitsterfregeling ook minder voor de hand. Voor illegaal gebruik is een uitsterfregeling gunstiger – want zaakgebonden – dan bijvoorbeeld persoonsgebonden overgangsrecht. Er kan bij illegaal aangevangen gebruik volgens de Afdeling – hoewel misschien niet in lijn met de wetgever – alleen gekozen worden voor een uitsterfregeling als het gaat om een
36
algemene uitsterfregeling. Een eenduidige regeling zorgt voor rechtszekerheid en handhaafbaarheid. In de aangehaalde uitspraak van de Afdeling overweegt de gemeenteraad dat persoonsgebonden overgangsrecht niet aan een rechtspersoon – zoals het bedrijf van de reclamant – gekoppeld kan worden. Hieruit blijkt dat rechters casuïstisch toetsen aan de regelgeving. Uitsterfregeling Reclamanten zijn het niet eens met de in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen uitsterfregeling, specifieke de functieaanduiding en de daaraan gekoppelde gebruiksregel (artikel 7.3.5). In hoofdstuk 8 (Retrospectieve toets) worden verschillende situaties voor verschillende adressen onderscheiden. Het bedrijf van de reclamant valt onder de situatie waarbij er een nieuwe bestemming wordt gegeven waarmee de strijdige situatie gelegaliseerd wordt. De gemeenteraad moet bij het opnemen van een uitsterfregeling motiveren waarom dit vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is. Ook zal moeten worden onderbouwd dat het gebruik – gezien de uiteindelijk gewenste planologische situatie – op de duur toch ongewenst is. Het bevoegd gezag heeft nagelaten te motiveren waarom de uitsterfregeling aanvaardbaar is. Waarom het bedrijf van de reclamant niet zou passen op het bedrijventerrein is niet uiteengezet. Dit duidt op willekeur van de gemeente Nijmegen, hetgeen verboden is.
Te meer nu voor vier van de tien bedrijven met een specifieke aanduiding een uitsterfregeling is opgenomen, zonder nadere concrete toelichting. De gemeente Nijmegen voert een algemene toetsing uit voor het ontwerpbestemmingsplan. Vrachtautobedrijven zijn niet gewenst op bedrijventerrein De Grift, omdat dit niet ‘passend’ is qua uitstraling. Het vooroordeel van louche bedrijven in dezelfde branche is allerminst van toepassing op het bedrijf van de reclamant. In de staat van bedrijfsactiviteiten staan veel vergelijkbare bedrijven die worden toegestaan binnen de bestemming Bedrijventerrein zoals verhuurbedrijven voor transportmiddelen (excl. personenauto’s). Nu het bedrijf van reclamant legaal is aangevangen moet zij ook op deze wijzen bestemd worden, zonder opname van een uitsterfregeling. Opmerkelijk is dat in toelichting in paragraaf 4.2 ook vermeld staat dat meerdere bedrijven, waaronder het bedrijf van de reclamant, hebben aangegeven plannen te hebben voor (her)ontwikkeling bij of op het bedrijfsperceel. Het opnemen van een uitsterfregeling wekt dan ook een verkeerde indruk. Reclamant kan niet begrijpen dat er geen ruimte is in de gemeente Nijmegen voor een lokaal hard groeiend bedrijf. Tijdens de informatieavond is aangegeven dat de provincie op de locatie voor uitbreiding van De Grift o.a.
logistieke bedrijven wil toestaan gelet op de provinciale uitgangspunten (vestigen XXL-logistieke bedrijven en werkgelegenheid). Het bedrijf van de reclamant sluit hier goed bij aan doordat het gericht is op de lokale markt en medewerkers in dienst heeft uit de zogenaamde kaartenbak van de gemeente Nijmegen en bijvoorbeeld 65-plussers. Hiermee creëert het bedrijf werkgelegenheid. Qua uitstraling is het bedrijf vergelijkbaar met logistieke bedrijven, maar heeft minder verkeersbewegingen. Het bedrijf maakt onderdeel uit van het logistieke proces, door vrachtwagens te leveren voor logistieke bedrijven. Al met al een geschikt bedrijf voor de uitbreidingslocatie van De Grift. Beleidskader De gemeente wijst in de toelichting op het relevante provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. Reclamanten zijn van oordeel dat de uitsterfregeling niet op dit beleid gestoeld kan worden. De wijze waarop het bedrijventerrein bijdraagt aan dit beleid wordt niet benoemd. Daarnaast wordt er in de toelichting aangegeven dat het Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen 2021-2024 (RPW) het kader is voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen terwijl er in paragraaf 3.3. wordt aangegeven dat er geen regionale afstemming nodig is.
Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan
37
Uit het RPW volgt niet dat bestaande bedrijven zoals het bedrijf van de reclamant moeten wijken voor XXL-logistiek en is niet af te leiden dat het bedrijf niet gesitueerd mag zijn in de omgeving van (toekomstig) XXL-logistiek. Het opnemen van een uitsterfregeling is daardoor niet conform het van toepassing zijnde beleidskader. De Gebiedsvisie De Grift 2020 geeft het ontwikkelperspectief aan voor bedrijventerrein De Grift. De focus ligt hierbij niet alleen op het uitbreidingsgebied maar ook op het bestaande bedrijventerrein. In tegenstelling tot deze visie ontbreekt een ontwikkelvisie voor het bedrijf van de reclamant. Het opnemen van een uitsterfregeling bij elk bedrijf, dat volgens de gemeente op basis van vooroordelen niet past binnen de wensen, is onredelijk en geenszins een goede ruimtelijke onderbouwing. Aangezien de huidige eigenaar nog zeker 25 jaar het bedrijf kan aanhouden is, zorgt dit toekomstperspectief ervoor dat de nuttige werking van de uitsterfregeling ontbreekt waardoor er geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het ontwerpbestemmingsplan is onvoldoende gemotiveerd, onzorgvuldig tot stand gekomen en daarmee in strijd met artikelen 3:2, 3:4 en 3:46 Awb. In de besluitvorming is sprake van een onevenwichtige belangenafweging.
Beoordeling Legaal aangevangen gebruik De aanleiding voor het opstellen van dit bestemmingsplan is met name het vastleggen van de bestaande situatie op het bedrijventerrein, alsmede de wens om te komen tot een uniforme en actuele bestemmingsregeling. Het bestemmingsplan uit 1995 staat inderdaad bedrijvigheid in milieucategorie 4.1 toe. In veel gevallen is deze milieucategorie echter niet gerealiseerd, waardoor het bedrijventerrein onnodig veel milieugebruiksruimte heeft. Zodoende is in het ontwerpbestemmingsplan besloten de toegestane milieucategorieën in algemene zin terug te brengen tot milieucategorie 3.1 en bestaande bedrijven die daar niet binnen passen te voorzien van een specifieke functieaanduiding, al dan niet gekoppeld aan een uitsterfregeling. Voortschrijdend inzicht heeft ertoe geleid op het bedrijventerrein De Grift bedrijvigheid tot en met milieucategorie 3.2 toe te staan. Daarmee wordt meer recht gedaan aan het karakter van de bedrijven op het bestaande bedrijventerrein De Grift. Bovendien sluit dit beter aan bij de toegestane milieucategorieën op de beoogde uitbreiding van bedrijventerrein De Grift. Het bestemmingsplan wordt op dit punt aangepast. Uit nader onderzoek volgt dat de bedrijfsactiviteiten van de reclamant - de handel in vrachtauto’s - passen binnen milieucategorie 3.2 en legaal zijn aangevangen (zie ook volgend punt).
Omdat de bedrijfsactiviteiten niet expliciet genoemd worden in de Staat van Bedrijfsactiviteiten, wordt de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijventerrein – groothandel in vrachtwagens’ gehandhaafd. Lid 7.1 sub g komt als volgt te luiden: “ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - groothandel in vrachtwagens' tevens voor het stallen en de handel in vrachtwagens;”. Het bestemmingsplan wordt op dit punt aangepast. Vertrouwensbeginsel De mail waarnaar de reclamant verwijst betreft een uitleg van het bestemmingsplan en geen besluit of toezegging. Dit is ook nadrukkelijk vermeld in de betreffende mailwisseling. De Staat van Bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in het bestemmingsplan Oosterhoutbedrijfsterrein 1995 laat ruimte voor interpretatie. Daarmee is er wellicht sprake van rechtsonzekerheid, maar geen schending van het vertrouwensbeginsel. Uit de mailwisseling volgt immers nadrukkelijk dat wanneer de reclamant zekerheid had gewenst, hij destijds een omgevingsvergunning had moeten aanvragen. Daarmee had de reclamant de rechtsonzekerheid kunnen wegnemen. De gemeente volgt de redenatie in de mail uit 2013 en bevindt zich momenteel op het standpunt dat de bedrijfsactiviteiten van
38
de reclamant bij aanvang van de activiteiten geschaard konden worden onder de SBI-code 72.49 ‘wegvervoer verwante bedrijven n.e.g.’ en dus legaal zijn aangevangen. De activiteiten van het bedrijf passen binnen milieucategorie 3.2 en worden passend geacht op bedrijventerrein De Grift. Om deze reden wordt het bedrijf positief bestemd en komt de uitsterfregeling te vervallen. Uitsterfregeling Uit nader onderzoek volgt dat de bedrijfsactiviteiten van de reclamant legaal zijn aangevangen en passend zijn binnen milieucategorie 3.2. Om deze reden komt de uitsterfregeling te vervallen. Concreet houdt dit in dat sublid 7.3.5 van de regels komt te vervallen. Het bestemmingsplan wordt op dit punt aangepast. Beleidstoetsing Het RPW heeft geen directe consequenties voor het voorliggende bestemmingsplan, maar agendeert wel een aantal opgaven voor bestaande bedrijventerreinen, waaronder duurzaamheid en de energietransitie. Hetzelfde geldt voor de gebiedsvisie De Grift uit 2020. Ten aanzien van het bestaande bedrijventerrein De Grift wordt ingezet op de volgende ambities: groei en bloei van het bestaande bedrijfsleven versterken van de bestaande functies het gesprek aangaan met ondernemers over hun wensen Er ligt met name een opgave om de uitstraling van het bestaande bedrijventerrein te verbeteren en de bedrijfsgebouwen te verduurzamen.
We willen bestaande bedrijven zo veel mogelijk faciliteren, maar (grootschalige) detailhandel op het bedrijventerrein vinden we niet passend. De verkeersstructuur van het bedrijventerrein is hier niet op berekend en op basis van het RPW bestaat de wens om grootschalige detailhandel zoveel mogelijk te concentreren in zogenaamde concentratiegebieden. De Grift en Rietgraaf zijn niet als zodanig aangewezen. Voor solitaire detailhandelsfuncties op bedrijventerreinen hanteert het RPW de lijn om het gebruik na bedrijfsbeëindiging te bevriezen. Dit betekent dat de bestaande vestiging en het bestaande gebruik wordt gehandhaafd, maar er geen vierkante meters detailhandel toegevoegd mogen worden. Bedrijfsopvolging is op grond van het RPW toegestaan, zolang de locatie in gebruik blijft voor dezelfde functie. Het gaat om voortgezet identiek gebruik (dezelfde soort perifere detailhandel). De gemeente Nijmegen wenst na bedrijfsbeëindiging van perifere detailhandelsvestigingen op bedrijventerrein De Grift en Rietgraaf, de betreffende functie expliciet onmogelijk te maken. Dit volgt ook nadrukkelijk uit de gebiedsvisie voor De Grift. Zoals hiervoor reeds vermeld is dit voor het bedrijf van de reclamant niet langer van toepassing. De uitsterfconstructie voor het bedrijf van de reclamant komt te vervallen.
Conclusie
Deze zienswijze heeft geleid tot de volgende aanpassingen van het bestemmingsplan: Regels: lid 7.1 sub g komt als volgt te luiden: “ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - groothandel in vrachtwagens' tevens voor het stallen en de handel in vrachtwagens;”. Regels: sublid 7.3.5 van de regels komt te vervallen.
Map = Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Nota, beleids- of projectplan
39
3.15 Reclamant 15 Inhoud zienswijze
Reclamant voert een aantal punten aan Bestemmingsplancategorie Reclamant merkt op dat voor alle percelen de enkelbestemming ‘ Bedrijventerrein’ geldt. De huidige en toekomstige activiteiten van reclamant zijn niet terug te vinden in de Staat van bedrijfsactiviteiten, waar deze bestemming zich tot beperkt. Derhalve stelt reclamant voor om voor zijn percelen een functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijventerrein productie, reparatie en verhuur van containers’ te geven. Om er zeker van te zijn dat alle activiteiten hieronder vallen kunnen in de definitie van deze functieaanduiding alle werkzaamheden van reclamant (verhuur, de reparatie en productie van containers, perscontainers en de opbouw van vrachtwagens (opbouw vaste persen, autolaadkranen, afzetsystem, zijladers en carrosseriebouw) op een inpandig productieoppervlakte groter dan 200 m2.) worden opgenomen. Daarmee is een verhoging van de milieucategorie niet noodzakelijk, maar worden de huidige en toekomstige activiteiten van reclamant wel positief bestemd. Stapelhoogte goederen Reclamant stelt dat in artikel 4.3.2 een maximale stapelhoogte opgenomen is van 5 meter voor het stapelen van goederen op onbebouwde grond. Voor reclamant is het noodzakelijk om op het buitenterrein containers te stapelen tot een maximale hoogte van 6,50 meter.
Derhalve verzoekt reclamant dit artikel zodanig te wijzigen dat het stapelen van containers tot 6,50 meter hoogte mogelijk maakt. Daarnaast merkt reclamant op dat is opgenomen dat het opslaan van goederen dient plaats te vinden binnen het bouwvlak. Het buitenterrein van reclamant wordt ook buiten het bouwvlak gebruikt voor de opslag van containers. Reclamant stelt daarom voor dit deel van het voorschrift te schrappen of – indien het college hiertoe niet bereid is - de hierboven voorgestelde functieaanduiding over alle percelen van de reclamant te leggen én een uitzondering op te nemen binnen die functieaanduiding op het verbod om goederen op te slaan buiten het bouwvlak. Voorts stelt reclamant dat in artikel 4.3.2 is opgenomen dat de opslag van goederen vanaf de openbare weg aan het zicht onttrokken moet zijn, wat volgens reclamant bij een stapelhoogte van 5 tot 6,5 meter niet tot nauwelijks te realiseren valt. Mocht reclamant dit willen oplossen door een ondoorzichtige erfafscheiding te plaatsen dan is het gebonden aan de maximale bouwhoogte van erfafscheidingen van 2,5 meter, wat onvoldoende hoog is. Reclamant stelt derhalve het volgende voor: De percelen aan de Koopmansweg 6 en 7 zijn gelegen aan een doodlopende openbare weg waardoor het voorkomen van visuele hinder niet relevant is.
Reclamant stelt voor om de percelen Koopmansweg 6 en 7 te vrijwaren van de eis dat de opslag van goederen aan het zicht moet worden onttrokken. Verder worden de percelen aan de Groothandelsweg 4 tot en met 8 op dit moment afgesloten voor onbevoegden door een doorzichtig hekwerk. Reclamant heeft hier bewust voor gekozen omwille van de sociale veiligheid gezien vanaf de openbare weg nu goed te zien is wat er gebeurt op het buitenterrein. Indien reclamant wordt gedwongen de opslag van goederen op het buitenterrein af te schermen van de openbare weg heeft dit gevolgen voor de veiligheid. Reclamant stelt derhalve voor om ook voor deze percelen middels de voorgestelde functieaanduiding reclamant te vrijwaren van de eis dat de opslag van goederen aan het zicht moet worden onttrokken vanaf de openbare weg.
40
Bouwvlak Groothandelsweg 8 Reclamant merkt op dat op de percelen van de Groothandelsweg het bouwvlak aan de voorzijde strak langs de bestaande bebouwing is getrokken. Echter, reclamant heeft plannen om aan de zijde van de weg een nieuw kantoorgebouw te plaatsen. Omwille van een soepele bedrijfsvoering en een handige indeling van het nieuwe kantoor is het wenselijk om het bouwvlak voor het perceel aan de Groothandelsweg 8 ongeveer twee meter naar het westen te leggen. Reclamant verzoekt derhalve het bouwvlak ter hoogte van Groothandelsweg 8 twee meter naar voren (naar het westen) te verplaatsen. Bouwvlak Koopmansweg 6 Reclamant stelt dat op het perceel van Koopmansweg 6 het bouwvlak aan de noordzijde niet toereikend is voor haar toekomstplannen. Reclamant wil in een hoek aan de noordzijde een overkapping kunnen realiseren. Dat is met dit bouwvlak niet mogelijk. Reclamant verzoekt het bouwvlak aan te passen zoals weergegeven op onderstaande afbeelding.
Beoordeling Bestemmingscategorie De activiteiten van het bedrijf betreffen de verhuur van transportmiddelen (SBI-code 7739, milieucategorie 3.1) en metaalbewerking (SBI-code 2562). Het betreft hier de productie en reparatie van containers met een werkplaats groter dan 200 m2. Derhalve is dit aan te merken als een categorie 3.2 activiteit. In het ontwerpbestemmingsplan worden in algemene zin bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 toegestaan. Voortschrijdend inzicht heeft ertoe geleid op het bedrijventerrein De Grift bedrijvigheid tot en met milieucategorie 3.2 toe te staan. Daarmee wordt meer recht gedaan aan het karakter van de bedrijven op het bestaande bedrijventerrein De Grift. Bovendien sluit dit beter aan bij de toegestane milieucategorieën op de beoogde uitbreiding van bedrijventerrein De Grift. Het bestemmingsplan wordt op dit punt aangepast. Omdat de huidige bedrijfsactiviteiten van de reclamant binnen milieucategorie 3.2 vallen, wordt het opnemen van een specifieke aanduiding conform het voorstel van de reclamant niet nodig geacht. Op dit punt leidt de zienswijze niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. Stapelhoogte Vooropgesteld wordt dat het bedrijf van de reclamant is voorzien van de bestemming ‘Bedrijventerrein’ en derhalve niet de regels in artikel 4 (Bedrijf), maar de regels in artikel 7 (Bedrijventerrein) van toepassing zijn.