CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 3. Advies over inleidend verzoek referendum d.d. 25 januari 2024

Besluitronde (raadsvergadering) 31 januari 2024, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Inleidend verzoek referendum bestemmingsplan Waalenergie (03/2024)14.148 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Vindplaatsen

<

verrijkte uitspraak

Uitspraak RECHTBANK ZUTPHEN Sector Bestuursrecht Meervoudige kamer

Reg.nr.: 10/265 WET Uitspraak in het geding tussen:

[eiser A] te Zutphen, eiser,

en

Rechtspraak.nl

de Raad van de gemeente Zutphen verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2009 heeft verweerder het verzoek van eiser tot het houden van een correctief raadplegend referendum over het besluit van verweerder van 18 mei 2009, nr. 2009-0074, afgewezen.

Bij besluit van 14 december 2009 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Namens eiser heeft mr. M.Ch. Kaaks, advocaat te Amsterdam, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is ter zitting van 29 maart 2011 gevoegd behandeld met het beroep met registratienummer 10/290. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. van Zwieten de Blom, D.L. van Dijk en H.M. van Vliet. Na sluiting van het onderzoek zijn de zaken weer gesplitst en wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

2. Overwegingen 2.1 Bij besluit van 12 december 2005 heeft verweerder de Referendumverordening voor de gemeente Zutphen 2005 (de verordening) vastgesteld.

Artikel 2 van de verordening bepaalt dat deze verordening regels stelt voor twee typen referenda: a. een raadgevend referendum op initiatief van de raad, zoals bedoeld in artikel 7, b. een correctief raadgevend referendum op initiatief van inwoners van Zutphen, als bedoeld in artikel 9.

Ingevolge artikel 5, aanhef en onder g, wordt een referendum niet gehouden over een voorstel aan of een besluit van de raad waarvan de raad van mening is dat er andere dan de onder a tot en met h, van dit artikel genoemde dringende redenen zijn om geen referendum te houden. In artikel 9 is bepaald dat de raad op verzoek van kiezers kan besluiten tot het houden van een correctief raadplegend referendum over een genomen besluit. In artikel 10, zesde lid, aanhef en onder a, is bepaald dat het college de ingediende formulieren, bedoeld in het vijfde lid, beoordeelt en indien het aantal ontvangen geldige formulieren minimaal tweemaal de kiesdrempel (dat is het aantal stemmen dat nodig zou zijn voor twee raadszetels) van de laatst gehouden verkiezingen voor de gemeenteraad bedraagt, zo spoedig mogelijk een voorstel doet aan de raad tot het houden van een referendum. Ingevolge artikel 11, eerste lid, neemt de raad, voor zover thans van belang, uiterlijk binnen vier weken na een voorstel van het college van burgemeester en wethouders, zoals bedoeld in artikel 10, zesde lid onder a, een beslissing of er wel of niet een referendum zal worden gehouden. Indien de raad afwijzend beslist op een voorstel zoals bedoeld in artikel 10, zesde lid onder a, doet hij dat ingevolge het tweede lid van artikel 11 voldoende gemotiveerd. 2.2 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij voormeld besluit van 18 mei 2009 heeft verweerder besloten: 1. akkoord te gaan met het voorstel Integrale Gebiedsontwikkeling IJsselsprong, als nadere uitwerking van de eerder door de raad vastgestelde IGSV en planologische kernbeslissing (PKB)-maatregelen, zoals gevraagd door de Staatssecretaris van Verkeer & Waterstaat in haar brief van 7 juli 2008 en dit voorstel aan haar toe te zenden; 2. opdracht te geven voor het opstellen van een samenwerkingsovereenkomst tussen alle bij dit initiatief betrokken partijen, waarin organisatie, financiering en te hanteren planfiguur worden vastgelegd; 3. deze samenwerkingsovereenkomst in het najaar ter vaststelling voor te leggen aan de raad.

Verweerder heeft het verzoek van eiser van 4 juni 2009 tot het houden van een correctief raadplegend referendum over dit besluit afgewezen, omdat het besluit volgens verweerder niet beoogt wijzigingen met principiële gevolgen voor de gemeente Zutphen aan te brengen in de eerder - vanaf omstreeks 2000 genomen raadsbesluiten over het project IJsselsprong. Ook is snelle besluitvorming voor de bij dit initiatief betrokken partijen (de regio Stedendriehoek, de gemeenten Brummen, Voorst en Zutphen, de provincie Gelderland en het waterschap Veluwe) van belang. Het beleid met betrekking tot de IJsselsprong is al eerder vastgelegd in structuurvisies die onderworpen zijn geweest aan inspraak en waarover de inwoners van Zutphen zienswijzen konden indienen. Het zou daarom volgens verweerder een te zwaar middel zijn om de bevolking van de gemeente Zutphen via een referendum over het besluit van 18 mei 2009 te raadplegen. Bovendien heeft verweerder al eerder, op 23 februari 2009, besloten om geen raadgevend referendum op initiatief van de raad te houden. Ter zitting is namens verweerder nog aangevoerd dat verweerder zich eerst bij het nemen van het besluit van 21 september 2009 heeft kunnen uitspreken over de wenselijkheid van een referendum, dat het kostenaspect ook een rol heeft gespeeld en dat het er uiteindelijk op neer komt dat de politiek het referendum niet wil.

Eiser heeft in beroep - samengevat - aangevoerd dat verweerder heeft miskend dat artikel 11 van de verordening meebrengt dat zwaarwegende argumenten dienen te worden aangevoerd ter rechtvaardiging van de achterstelling van de belangen van de om een correctief referendum verzoekende burgers. Van belang daarbij is dat verweerder (alsmede het college van burgemeester en wethouders) op voorhand had ingestemd met het verzoek en geen gebruik heeft gemaakt van artikel 5, aanhef onder g, van de verordening op grond waarvan het verzoek vanwege dringende redenen kan worden afgewezen. Naar de mening van eiser heeft verweerder gehandeld in strijd met (een redelijke uitleg van) de verordening. Verder hadden de door verweerder aangevoerde argumenten in de belangenafweging op voet van artikel 11 van de verordening achtergesteld moeten worden bij het belang van de burgers bij een correctief referendum. 2.3 De rechtbank stelt voorop dat verweerder een discretionaire bevoegdheid heeft tot het wel of niet houden van een correctief raadplegend referendum, waarbij het aan verweerder is een afweging te maken en waarbij een terughoudende rechterlijke toetsing past. 2.4 Vast staat dat ruimschoots voldoende steunbetuigingen aan het referendumverzoek zijn ontvangen en dat het referendumverzoek ook overigens aan de daaraan op grond van de verordening te stellen eisen voldoet.

Tevens staat vast dat verweerder geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om op grond van artikel 5, aanhef en onder g, te bepalen dat over het besluit van 18 mei 2009 geen referendum kon worden gehouden. De rechtbank deelt niet het standpunt van verweerder dat hij zich eerst op 21 september 2009 heeft kunnen uitspreken over een eventueel referendum en dus ook geen gebruik heeft kunnen maken van de in artikel 5, aanhef en onder g, van de verordening gegeven bevoegdheid. De rechtbank wijst op de mogelijkheden die verweerder heeft gehad, namelijk bij het nemen van het besluit van 18 mei 2009, bij het afwijzen van het door de Stadspartij gevraagde raadgevende referendum op 23 februari 2009 en naar aanleiding van het voorstel van het college van burgemeester en wethouders aan verweerder op 9 juni 2009. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is van dringende redenen als bedoeld in voormeld artikellid om geen referendum te houden. 2.5 Het besluit tot afwijzing van het referendum dient ingevolge het bepaalde in artikel 11, tweede lid, voldoende te zijn gemotiveerd. De toelichting bij dit artikellid spreekt zelfs van een speciale motiveringsplicht.

Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit met zich dat het besluit van verweerder om geen referendum te houden inzichtelijk dient te maken welke belangen tegen elkaar zijn afgewogen en op grond van welke zwaarwegende argumenten het verzoek tot het houden van een referendum is afgewezen. Verweerder heeft aangegeven dat een referendum in het onderhavige geval een te zwaar middel zou zijn aangezien het raadsbesluit van 18 mei 2009 voortborduurt op eerdere besluiten. Niet duidelijk is echter waarom de inwoners van Zutphen niet de gelegenheid wordt geboden zich via een referendum uit te spreken over de plannen rondom de IJsselsprong. Daarbij overweegt de rechtbank dat, indien uit het referendum naar voren zou komen dat het besluit van 18 mei 2009 niet of onvoldoende wordt gesteund, verweerder dit besluit weliswaar zal moeten heroverwegen met inachtneming van de uitslag van het referendum, maar in beginsel vrij is om, mede gelet op de eerder genomen besluiten, het besluit van 18 mei 2009 geheel of gedeeltelijk in stand te laten, mits voldoende wordt gemotiveerd hoe het nieuwe besluit zich verhoudt tot de uitslag van het referendum. En, zoals verweerder ter zitting heeft bevestigd, zal het besluit van 18 mei 2009 een breed gedragen besluit blijken te zijn als het referendum een voor verweerder gunstig resultaat zal laten zien.

Voor zover verweerder heeft betoogd dat snelle besluitvorming voor de bij het initiatief betrokken partijen van belang is, overweegt de rechtbank dat dit belang verder niet is onderbouwd en dat ook niet inzichtelijk is gemaakt op grond waarvan dit een zwaarwegend argument oplevert tegen het houden van een referendum. De rechtbank wijst tevens op het bepaalde in artikel 10, derde lid, aanhef en onder b, van de verordening, op grond waarvan opschorting van het betrokken raadsbesluit alleen mogelijk is indien het college van burgemeester en wethouders hiertoe bevoegd is. Het kostenaspect is naar het oordeel van de rechtbank inherent aan het houden van een referendum en kan, nu deze mogelijkheid aan de kiesgerechtigden van Zutphen is toegekend, dan ook niet zonder meer als weigeringsgrond worden opgevoerd. Zoals namens eiser naar voren is gebracht, bestonden bovendien meerdere gelegenheden waarbij het referendum gehouden had kunnen worden zonder veel extra kosten. Het eveneens naar voren gebrachte argument dat het moeilijk zou zijn vragen te formuleren, is naar het oordeel van de rechtbank evenmin een zodanig zwaarwegend argument dat de belangen van de voorstanders van een referendum daarvoor zouden moeten wijken. Verweerder kan zich immers bij het formuleren van de vragen laten bijstaan door anderen, onder wie de initiatiefnemers en de steunbetuigers van het referendum.

Het nog naar voren gebrachte argument dat, zo begrijpt de rechtbank, bij verweerder geen politieke bereidheid bestaat om een referendum te houden, kan evenmin doorslaggevend zijn en verhoudt zich naar het oordeel van de rechtbank niet met de aard van het correctief raadplegend referendum. Naar het oordeel van de rechtbank is ook hetgeen overigens door verweerder naar voren is gebracht, onvoldoende om te kunnen stellen dat verweerder zijn belangenafweging voldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank kan dan ook niet tot de conclusie komen dat verweerder in redelijkheid tot weigering van referendum is kunnen komen. 2.5 Uit het voorgaande vloeit voort dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Nu geen aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten en de rechtbank evenmin zelf in de zaak kan voorzien, zal verweerder worden opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Er is aanleiding voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van eiser. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden ter zake van rechtsbijstand 2 punten toegekend, waarbij een wegingsfactor 1 wordt gehanteerd. 3. Beslissing De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 150,00 aan eiser vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 874,00, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Tj. Gerbranda, voorzitter en mrs. E.H.T. Rademaker en A.L.M. Steinebach-de Wit, leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2011.

BIJLAGE 06 ECLI:NL:RBNHO:2017:11154 Instantie

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak

21-12-2017

Datum publicatie

03-01-2018

Zaaknummer

AWB- 17

Rechtsgebieden

Bestuursrecht

Bijzondere kenmerken

Voorlopige voorziening+bodemzaak

Inhoudsindicatie

Vovo + bodem inzake de vraag of over het kredietbesluit een referendum kan worden gehouden op grond van de Referendumverordening van de gemeente Zaandstad. De door de raad aangevoerde redenen zijn geen dringende redenen als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder k, van de Referendumverordening. Beroep gegrond.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

]

4409

verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/4409 en HAA 17/3976

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 december 2017 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker en

de raad van de gemeente Zaanstad, verweerder (gemachtigden: mr. M.E. Biezenaar, Y.A. van Baak en A. Jongbloed).

Procesverloop

Op 16 februari 2017 heeft de raad besloten dat over het raadsbesluit inzake de definitieve budgetaanvraag voor de investering en exploitatie van het Cultuurcluster geen referendum kan worden gehouden (het primaire

besluit) .

Op 16 februari 2017 heeft de raad eveneens ingestemd met het voorstel van het college van burgemeester en wethouders om voor het Cultuurcluster de bedragen waarvoor reeds dekking is gevonden beschikbaar te stellen en met het verhogen van het investeringsbudget met € 7.700.000,- (het kredietbesluit).

Verzoeker heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt.

Op 20 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft de raad het bezwaar van verzoeker tegen het kredietbesluit nietontvankelijk verklaard. Het bewaar tegen het primaire besluit heeft de raad ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een schriftelijke toelichting ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2017. Verzoeker is verschenen, vergezeld door [naam 1], [naam 2], [naam 3] en [naam 4] . De raad is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1 Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 1.2 Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat verzoeker zich ter zitting voldoende heeft kunnen verweren tegen wat in de schriftelijke toelichting namens de raad is aangevoerd. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep. 2. De voorzieningenrechter overweegt ambtshalve het volgende. Verzoeker heeft desgevraagd aangegeven dat hij het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening mede heeft ingediend namens de actiegroep "Kultuurklutser". Verzoeker heeft echter geen machtiging van deze actiegroep overgelegd waaruit blijkt dat hij daartoe bevoegd is. De voorzieningenrechter gaat er derhalve van uit dat verzoeker het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening uitsluitend op persoonlijke titel heeft ingediend. 3.

Op 19 januari 2017 heeft verzoeker schriftelijk laten weten dat hij een initiatief wil nemen tot een referendum over het voor de raadsvergadering van 16 februari 2017 geagendeerde raadsbesluit inzake de definitieve budgetaanvraag voor de investering en exploitatie van het Cultuurcluster. Over deze kennisgeving heeft de raad advies gevraagd aan twee deskundigen, te weten prof. mr. dr. [naam SJ , hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen en prof. mr. [naam 6], hoogleraar aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Zij

hebben op 3 februari 2017 een advies uitgebracht, waarin zij hebben geconcludeerd dat de Verordening op het referendum (de Referendumverordening) zich niet verzet tegen het houden van een referendum en dat de Referendumverordening de raad veel ruimte geeft om een eigen afweging te maken. 4. De raad heeft, met inachtneming van het op 16 februari 2017 aangenomen amendement "Besluit raad referendabel besluit definitieve budgetaanvraag Cultuurcluster", besloten dat met betrekking tot het kredietbesluit sprake is van dringende redenen om geen referendum te houden als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder k, van de Referendumverordening. Derhalve kan over het kredietbesluit volgens de raad geen referendum worden gehouden. Het kredietbesluit 5.1 Voor zover het beroep mede is gericht tegen de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar van verzoeker tegen het kredietbesluit overweegt de voorzieningenrechter als volgt. 5.2 Op grond van artikel 8: 1 van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. Op grond van artikel 7: 1 van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken.

Op grond van artikel 1:3 van de Awb wordt onder "besluit" verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. 5.3 De voorzieningenrechter is van oordeel dat de raad het bezwaar van verzoeker tegen het kredietbesluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het kredietbesluit geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het kredietbesluit ziet enkel op de interne huishouding van de gemeente en is daarom niet gericht op enig rechtsgevolg. Gelet op artikel 8:1 juncto artikel 7: 1 van de Awb is het niet mogelijk om hiertegen bezwaar te maken. Het referendumbesluit 6.1 Verzoeker betoogt dat de raad niet voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van dringende redenen om geen referendum te houden. Verzoeker heeft de argumenten van de raad dat met het Cultuurcluster moet worden doorgegaan, bestreden. Volgens verzoeker toont de raad zich door het nemen van het kredietbesluit en het afwijzen van het referendum als onbetrouwbare partner voor de bevolking van Zaanstad. 6.2 In de schriftelijke toelichting is namens de raad benadrukt dat het referendumbesluit is gebaseerd op artikel 3, aanhef en onder k, van de Referendumverordening en niet op enig ander onderdeel van dit artikel.

Uit het amendement blijkt dat de dringende redenen er volgens de raad in zijn gelegen dat het definitief niet doorgaan van het Cultuurcluster financiële risico's en tegenvallers voor de gemeente meebrengt. Het niet doorgaan kan daarbij worden opgevat als het in gebreke blijven bij een vaststellingsovereenkomst waar de gemeente bij is betrokken. Verschillende culturele instellingen willen graag onderdeel uitmaken van het Cultuurcluster en als het Cultuurcluster er niet komt, heeft dit voor deze instellingen gevolgen. Het Cultuurcluster is een project waarbij niet alleen de gemeente risicodrager is. De verwachting is dat als de gemeente afziet van het Cultuurcluster dit tot schadeclaims zal leiden. Er zijn vanaf 2013 verscheidene financiële besluiten door de raad over dit onderwerp genomen. Het kredietbesluit is daar het sluitstuk van. Zonder kredietbesluit komt de gemeente over als een onbetrouwbare partner. Met een mogelijk nee als uitkomst van een referendum komt de gemeente voor een haast onmogelijke opgave te staan om een nieuwe bestemming voor het gebied te realiseren. Ter zitting is namens de raad nog aangevoerd dat verzoeker reeds bij de eerdere besluitvorming omtrent het Cultuurcluster had moeten aangeven dat hij een initiatief wil nemen tot het houden van een referendum.

6.3 Op grond van artikel 2 van de Referendumverordening wordt een referendum gehouden onder de kiesgerechtigden van het hele grondgebied van de gemeente of een gedeelte daarvan. Op grond van artikel 3 van de Referendumverordening kan, voor zover van belang, een referendum niet worden gehouden over: g. besluiten die naar het oordeel van de raad hun grondslag vinden in een eerder genomen beslissing waarover een referendum is gehouden of kon worden gehouden; i. besluiten waarvan de inwerkingtreding of uitvoering niet kan worden uitgesteld vanwege de daarmee gemoeide spoedeisende gemeentelijke belangen; j. besluiten waarbij het belang van het referendum niet opweegt tegen de verantwoordelijkheid van de raad voor kwetsbare groepen en hun plaats in de samenleving; k. besluiten waarvan de raad van mening is dat er andere dan de onder i en j genoemde dringende redenen zijn om geen referendum te houden. Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Verordening kunnen kiesgerechtigden schriftelijk aangeven dat zij een initiatief willen nemen tot een referendum over een te nemen besluit van de raad.

Op grond van artikel 5, vijfde lid, van de Referendumverordening beslist de raad, indien een kennisgeving is gedaan volgens de hiervoor gestelde eisen, in dezelfde vergadering waarvoor het besluit van de raad is geagendeerd of over dit besluit, met inachtneming van het bepaalde in artikel 3, een referendum kan worden gehouden. De raad kan zijn beslissing voor ten hoogste 4 weken verdagen. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Referendumverordening kan, binnen zes weken na de dag waarop de raad heeft bekendgemaakt dat over een te nemen besluit een referendum kan worden gehouden, door kiesgerechtigden een verzoek tot het houden van een referendum worden ingediend. Op grond van artikel 6, zevende lid, van de Referendumverordening neemt de raad uiterlijk binnen 4 weken na de dag van ontvangst van het verzoek een besluit over het houden van een referendum. Op grond van artikel 16 van de Referendumverordening vindt in de eerstvolgende vergadering nadat het referendum is gehouden, besluitvorming door de raad plaats over het besluit dat aan het referendum is onderworpen. 6.4.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de raad bij de toepassing van artikel 3 van de Referendumverordening beoordelingsvrijheid heeft, zodat de voorzieningenrechter het bestreden besluit terughoudend dient te toetsen (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1402). 6.5. Verder is van belang dat de besluitvorming over het houden van een raadgevend referendum op grond van de Referendumverordening plaatsvindt in twee stappen. Bij de eerste stap beslist de raad naar aanleiding van een initiatief of over een besluit een referendum kan worden gehouden (artikel 5, vijfde lid van de Referendumverordening). Bij de beslissing dat over een besluit geen referendum kan worden gehouden is de raad gebonden aan de gronden van artikel 3 van de Referendumverordening. Als de raad heeft beslist dat over een besluit een referendum kan worden gehouden, volgt de tweede stap. Daarbij beslist de raad naar aanleiding van een ingediend verzoek of daadwerkelijk een referendum gehouden wordt. Bij deze beslissing zijn aan de raad, anders dan bij de beslissing in de eerste stap, door de Referendumverordening geen beperkingen gesteld. Nadat het referendum is gehouden, vindt besluitvorming door de raad plaats over het besluit dat aan het referendum is onderworpen.

Ook aan deze besluitvorming stelt de Referendumverordening geen inhoudelijke eisen. 6.6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat wat de raad ten grondslag heeft gelegd aan zijn beslissing dat geen referendum kan worden gehouden over het kredietbesluit, geen dringende redenen zijn als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder k, van de Referendumverordening. De redenen die de raad aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd zien immers op de gevolgen van het definitief niet doorgaan van het Cultuurcluster. Maar dat is in deze fase van de

besluitvorming over het houden van een referendum nog niet aan de orde. Omdat het referendum een democratisch instrument is, kan de eventuele uitkomst ("een mogelijk nee als uitkomst") geen dringende reden opleveren om een referendum niet te houden. Aangezien het om een raadgevend referendum gaat, kan het definitief niet doorgaan van het Cultuurcluster geen rechtstreeks gevolg zijn van het houden van het referendum. Het is namelijk de raad die, nadat het referendum is gehouden, beslist over de consequenties van de uitkomst van het referendum voor het kredietbesluit. Ook als een referendum zou worden gehouden, beslist uiteindelijk de raad over het al dan niet doorgaan van het Cultuurcluster. Zoals onder 6.5 is vermeld, is deze besluitvorming van de raad in de Referendumverordening niet genormeerd. 6. 7. Voor zover de raad heeft willen betogen dat het houden van een referendum onaanvaardbare vertraging oplevert voor het nemen van het kredietbesluit, is dit onvoldoende onderbouwd. In de inmiddels verstreken tijd sedert het nemen van het primaire besluit, had een referendum gehouden kunnen worden. Uit de overgelegde raadsinformatiebrief van 24 oktober 2017 blijkt niet op welke wijze het houden van een referendum aan de voorbereidingen van het project realisatie Cultuurcluster in de weg zou hebben gestaan.

Het standpunt van de raad dat verzoeker in een eerder stadium het initiatief voor het houden van een referendum had moeten nemen, kan de voorzieningenrechter niet volgen. De door de raad ingeschakelde deskundigen hebben immers geconcludeerd dat niet is gebleken dat het kredietbesluit zijn grondslag vindt in een eerder genomen beslissing waarover een referendum kon worden gehouden. De raad heeft niet onderbouwd waarom deze conclusie niet (meer) wordt gedeeld. 6.8. De slotsom is daarom dat de raad zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat er dringende redenen zijn om geen referendum te houden over het kredietbesluit. 7. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond is verklaard. De raad dient binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak. 8. Omdat uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak, bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. 9. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de voorzieningenrechter dat de raad aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht voor het beroep vergoedt. 10.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, omdat niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

-

verklaart het beroep gegrond;

-

vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond is verklaard;

-

draagt de raad op binnen weken na de dag van verzending van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het primaire besluit met inachtneming van deze uitspraak;

-

draagt de raad op het betaalde griffierecht van € 168,- aan verzoeker te

vergoeden; - wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Excel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 december 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzendfng daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

BIJLAGE 07 Jverheid nl Publicaties > Officiële publicaties

Kamerstuk Datum publicatie 29-09-1997 Organisatie Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 1997-1998 Dossier- en ondernummer 25621 nr. 3

25 621 Regels met betrekking tot de productie, het transport en de levering van elektriciteit (Elektriciteitswet 19..)

nr. 3

MEMORIE VAN TOELICHTING Algemeen 1. Inleiding Dit voorstel van wet strekt tot vervanging van de Elektriciteitswet 1989. Het voorstel beoogt individuele vragers en aanbieders op de elektriciteitsmarkt geleidelijk meer keuzevrijheid te geven binnen een raamwerk van regels die gericht zijn op het betrouwbaar, duurzaam en doelmatig functioneren van de elektriciteitsvoorziening.

Artikel 56 is een algemene informatiebepaling ten behoeve van de Minister van Economische Zaken, die in het bijzonder van deze bevoegdheid gebruik zal maken in het kader van het opstellen van het Energierapport en van overige bevoegdheden voor zover hij ze niet heeft gemandateerd aan de directeur van de dienst. Wat betreft de invoer en uitvoer van elektriciteit geeft artikel 27 een bijzondere bepaling. De sanctionering van achterhouden van informatie geschiedt, net als ten aanzien van de directeur van de dienst, overeenkomstig de Wet op de economische delicten (artikel 63). Artikel 57 Dit artikel strekt tot implementatie van de artikelen 9 en 13 van de richtlijn. De vertrouwelijke behandeling van commercieel gevoelige gegevens door de directeur van de Dienst uitvoering en toezicht Elektriciteitswet is neergelegd in artikel 7, derde lid, van dit wetsvoorstel alsmede in artikel 2:5 Awb. Artikel 58 Er is voorzien in een evaluatiebepaling, met het oog op de informatie van de Staten-Generaal over de doeltreffendheid en de effecten van het wetsvoorstel in de praktijk. Er is gekozen voor een termijn van vier jaar, in plaats van de meer gebruikelijke vijf jaar, om de evaluatie zoveel mogelijk te laten samenvallen met het uitbrengen van het eerste Energierapport.

Ingevolge het tweede lid zal in deze evaluatie uitdrukkelijk worden stilgestaan bij de vraag of, en zo ja, op welke termijn de taken van de dienst waarin het toepassen van een mededingingstoets besloten ligt, beëindigd kunnen worden, zodat met het algemene mededingingsrecht wordt volstaan. Artikel 59 Het College van Beroep voor het bedrijfsleven wordt aangewezen als bevoegde bestuursrechter in eerste en enige aanleg, uiteraard alleen voor zover het gaat om een op grond van de wet genomen besluit. Het college is ook de bevoegde rechter onder de Elektriciteitswet 1989, zodat met de continuering van deze aanwijzing als bevoegde rechter voor de toekomst gebruik gemaakt kan worden van opgebouwde expertise met betrekking tot de elektriciteitswetgeving. Het college is eveneens de bevoegde rechter op grond van de Mededingingswet, zodat uniformiteit in de rechterlijke toets op de toepassing van mededingingsbegrippen zoveel mogelijk is gewaarborgd. Alleen voor het besluit tot vaststelling van een tarieftoeslag als bedoeld in artikel 54, in verband met het niet voldoen aan de verplichting, bedoeld in artikel 53, is voorzien in beroep in twee instanties. Artikel 60 Artikel 60 heeft zijn oorsprong in artikel 39 van de Elektriciteitswet 1989.

Bovendien is het de pendant van artikel 17 van de Wet energiedistributie, waarin de verordeningsbevoegdheid van provinciale staten en gemeenteraad is uitgesloten met betrekking tot de distributie van elektriciteit, gas of warmte. Dit artikel voegt daaraan voor elektriciteit toe het opwekken, transporteren en leveren van elektriciteit. Wat betreft het leveren van elektriciteit moet dan gedacht worden aan leveren van elektriciteit aan anderen dan beschermde afnemers, aangezien die levering ingevolge het gewijzigde artikel 1 van de Wet energiedistributie wordt aangemerkt als distributie van elektriciteit (artikel 64, onder A). In dit wetsvoorstel zijn geen regels gesteld met betrekking tot de bouw en exploitatie van elektriciteitscentrales of van andere installaties voor de opwekking van elektriciteit. Het zou dan ongewenst zijn indien provinciale staten en gemeenteraden deze liberalisering gedeeltelijk ongedaan zouden maken door zelfstandig verordeningen vast te stellen. Met betrekking tot transport en levering van elektriciteit, aan beschermde afnemers zowel als aan vrije afnemers, bevat het wetsvoorstel een uitputtende regeling. Gelet hierop wordt de bevoegdheid tot het stellen van verordeningen van provinciale staten en gemeenteraden uitdrukkelijk uitgesloten, echter alleen voor zover het het stellen van regels in het belang van de energievoorziening betreft.

De bevoegdheid van de desbetreffende overheden om regels te stellen ten behoeve van andere belangen, zoals ruimtelijke ordening en milieu, worden hierdoor uiteraard niet geraakt. Artikel 61 Dit artikel is afkomstig uit artikel 13 van de Wet energiedistributie, waarin de bevoegdheid beperkt was tot de regelgeving met betrekking tot de voorwaarden die aan een distributiebedrijf worden gesteld. Omdat de bedoelde voorwaarden voor veiligheid en doelmatigheid betrekking kunnen hebben op het leveren van energie en het aansluiten van toestellen en installaties, bestaat de mogelijkheid dat zij door netbeheerders of

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=45aec2cc-32f1-4b77-9b02-502c48bac586