CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 3. Advies over inleidend verzoek referendum d.d. 25 januari 2024

Besluitronde (raadsvergadering) 31 januari 2024, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Inleidend verzoek referendum bestemmingsplan Waalenergie (03/2024)14.148 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Aan de voorzitter van de gemeenteraad dhr. H. Bruls Aan de leden van de gemeenteraad

Postadres Gemeente Nijmegen BM50 Postbus 9105 6500 HG Nijmegen Bezoekadres Korte Nieuwstraat 6 6511 PP Nijmegen T 14 024 nijmegen.nl

Datum Betreft

25 januari 2024 advies over inleidend verzoek referendum over het raadsvoorstel gewijzigde vaststelling CHW-bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens – 7 (Waal Energie)

Contactpersonen griffie@nijmegen.nl T 024 – 329 91 39

Geachte voorzitter en leden van de raad, Inleiding Op 22 december 2023 is een inleidend referendumverzoek ingediend door drie indieners namens Tegengas Nijmegen. De gemeente heeft vastgesteld dat dit een initiatief van kiesgerechtigden van de gemeente Nijmegen is in de zin van artikel 2, eerste lid van de Referendumverordening. Het inleidend verzoek heeft betrekking op het ontwerpraadsbesluit ‘gewijzigde vaststelling CHW-bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens – 7 (Waal Energie)’, dat u op 31 januari 2024 bespreekt. De referendumcommissie heeft zich over dit inleidend referendumverzoek gebogen. De vraagstelling die de kern vormt voor het inleidend verzoek is als volgt: Bent u voor of tegen het bestemmingsplan Waal Energie, waarin onder meer een grootschalige elektriciteitscentrale is toegestaan, die tot 1 januari 2045 mag worden gestookt op aardgas met CO2uitstoot? Op grond van artikel 4 van de Referendumverordening adviseert de referendumcommissie de gemeenteraad over: 1. de vraag of sprake is van een uitgezonderd besluit als bedoeld in artikel 2, tweede lid; 2. de vraagstelling van een referendum inclusief de antwoordmogelijkheden en stemprocedure, 3. de datum van het te houden referendum; 4. de vraag of er sprake is van zwaarwegende argumenten als bedoeld in artikel 8, derde lid.

Brieven en huisstijldocumenten / sjab = Brief

Advies referendumcommissie gemeente Nijmegen

Pagina 1 van 8

Gezien het feit dat het nu gaat om een inleidend verzoek, richt de referendumcommissie zich in deze brief alleen op het eerste punt, de vraag of sprake is van een uitgezonderd besluit als bedoeld in artikel 2, tweede lid. Artikel 5, tweede lid van de Referendumverordening vereist dat het inleidend verzoek, uiterlijk zeven dagen voor de raadsvergadering waarin het ontwerpraadsbesluit wordt besproken, schriftelijk wordt ingediend bij de voorzitter van de raad. De referendumcommissie heeft begrepen dat dit het geval is geweest en om die reden brengt de commissie nu dit advies aan u uit. Daarbij wil de referendumcommissie markeren dat het positief is dat inwoners zich hiervoor inzetten, nu de referendumverordening in 2020 is geactualiseerd met o.a. als doel om het steunen van een referendum laagdrempeliger te maken. De commissie formuleert hieronder de samenvatting van haar advies. Vervolgens wordt dit nader uitgewerkt en onderbouwd. Samenvatting van het advies over het inleidend verzoek In artikel 2, lid 2 onder a t/m j van de Referendumverordening worden de onderwerpen opgesomd waarover geen referendum kan worden gehouden.

Wat betreft de uitzonderingsgronden die van toepassing zouden kunnen zijn op het ontwerpraadsbesluit ‘gewijzigde vaststelling CHW-bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens – 7 (Waal Energie) 128/2023’ adviseert de referendumcommissie als volgt: de referendumcommissie ziet in de uitzonderingsgronden geen beletselen om in te stemmen met het inleidend referendumverzoek. 1. Toetsing inleidend verzoek Als een inleidend verzoek voor een referendum wordt ingediend zijn er twee vragen die moeten worden beantwoord. Is het verzoek ontvankelijk? Ofwel: zijn er voldoende ondersteuningsverklaringen ingediend? Voorts, is het verzoek toelaatbaar? Ofwel, kan er over het ontwerpraadsbesluit een referendum worden gehouden of is één of meerdere van de uitsluitingsgronden van toepassing? 2. Ontvankelijkheid In artikel 5 van de Referendumverordening worden eisen gesteld aan de ontvankelijkheid van het inleidend verzoek. De referendumcommissie heeft begrepen dat aan die ontvankelijkheidseisen is voldaan, zodat aangenomen wordt dat die geen beletsel vormen voor de rechtmatigheid van het inleidend verzoek. 3.

Toetsing van de vraag of sprake is van een uitgezonderd besluit als bedoeld in artikel 2, tweede lid Referendumverordening; Artikel 2, tweede lid van de Referendumverordening luidt als volgt: Onderwerp van een referendum is een ontwerpraadsbesluit, met uitzondering van besluiten: a) van de raad als orgaan voor bezwaar en beroep; b) over individuele kwesties, zoals benoemingen, ontslagen, schorsingen, kwijtscheldingen en schenkingen; c) over de hoogte van geldelijke voorzieningen voor ambtsdragers, gewezen ambtsdragers en hun nabestaanden; d) over de vaststelling, wijziging of intrekking van de arbeidsvoorwaardenregeling en daaruit voortvloeiende besluiten met betrekking tot de griffier en de medewerkers van de griffie; e) over het voor kennisgeving aannemen van notities en rapporten; f) in het kader van deze verordening;

Advies Referendumcommissie gemeente Nijmegen

Pagina 2 van 8

g) over de vaststelling van de gemeentelijke begroting en de rekening; h) over de vaststelling van gemeentelijke tarieven en belastingen; i) ter uitvoering van een besluit van een hoger bestuursorgaan of de wetgever waaromtrent de raad geen beleidsvrijheid heeft; j) die naar het oordeel van de raad hun grondslag vinden in een eerder genomen besluit waarover een referendum is gehouden of kon worden gehouden; k) waarvan de raad van mening is dat dringende redenen aanleiding zijn om geen referendum te houden. Het onderwerp van het beoogd referendum is conform artikel 2, tweede lid van de Referendumverordening een ontwerpraadsbesluit. In deze gaat het om het ontwerpraadsbesluit Gewijzigde vaststelling CHWbestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens - 7 (Waal Energie) 128/2023. Dit staat onder punt 9.4. op de besluitvormende agenda van de gemeenteraad van 31 januari 2024 (zie bijgaande weblink voor het raadsvoorstel en de onderliggende stukken). De referendumcommissie is op basis van bestudering van het ontwerpraadsbesluit gebleken dat het ontwerpraadsvoorstel niet valt onder de uitsluitingsgronden zoals genoemd in artikel 2, tweede lid onder sub a tot en met h. Daarmee ziet de referendumcommissie in deze uitsluitingsgronden geen belemmering voor een referendum.

Wat betreft de uitsluitingsgronden genoemd onder artikel 2, tweede lid onder sub i tot en met k meent de referendumcommissie dat een uitgebreidere beschouwing of duiding op zijn plaats is, alvorens zij daarover concluderend adviseert. De beoordeling van de uitsluitingsgrond dat het ontwerpraadsbesluit strekt ter uitvoering van een besluit van een hoger bestuursorgaan of de wetgever waaromtrent de raad geen beleidsvrijheid heeft (artikel 2, tweede lid, onder sub i van de Referendumverordening) In de kern gaat het om de vraag of op basis van aanwijzing in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: de BARRO), thans artikelen 5.156 e.v. van het Besluit kwaliteit leefomgeving (verder Bkl), de Elektriciteitswet artikelen 9b lid 4 en 83 en artikel 62 van de Gaswet sprake is van uitvoering van een besluit van een hoger bestuursorgaan of de wetgever, waarbij de gemeenteraad geen beleidsvrijheid heeft. Met het raadsvoorstel wordt gesteld dat met het bestemmingsplan er feitelijk invulling wordt gegeven aan een zogeheten gebonden bevoegdheid, waardoor de speelruimte voor de gemeenteraad Nijmegen afwezig is.

Met het voorbehoud dat de referendumcommissie in de korte tijd die haar ter beschikking stond, alsmede gelet op de onderlinge samenhang binnen de toepasselijke wetgeving, met in het bijzonder de reikwijdte van de Elektriciteits- en Gaswet, niet in staat is geweest tot een uitputtende analyse, geeft de commissie hierover de volgende overwegingen mee. Overwegingen Uitgaande van het hiervoor geschetste juridisch kader en in het bijzonder de brief van het ministerie van EZK van 11 april 2023 inzake het verwerken van rijksdoelstellingen in het Programma Energiehoofdstructuur (hierna: PEH) in planologische procedures Engieterrein Nijmegen (bijlage 01) en de brief van het ministerie van EZK van 14 december 2023 inzake het buiten toepassing laten van de rijkscoördinatieregeling voor de wijziging van het bestemmingsplan Kanaalhavens 7 Nijmegen (bijlage 02), en tot slot het ministerieel besluit van 14 december 2023 inzake het buiten toepassing laten van de rijkscoördinatieregeling wijziging bestemmingsplan Kanaalhavens 7, Nijmegen (projectnaam Waal Energie) (publicatie Staatscourant 20 december 2023) (bijlage 03), constateert de referendumcommissie het volgende:

Advies Referendumcommissie gemeente Nijmegen

Pagina 3 van 8

De publieke belangen die het ministerie op het oog heeft, alsmede de doelstelling die het ministerie nastreeft, en tot slot de bevoegdheden die het ministerie daarvoor aanwendt, dan wel kan aanwenden, zijn volstrekt helder. Onweersproken is dat dit op gespannen voet kan komen met de autonome verordenende bevoegdheden van een gemeenteraad, indien en voor zover dit afbreuk doet aan de belangen die het ministerie tracht te waarborgen. Ofwel een lokale overheid kan problemen veroorzaken als zij de energievoorziening aan regels bindt waar de centrale overheid ook bevoegdheden heeft. De referendumcommissie constateert voorts dat het Rijk - los van zijn eigen regierol - oog heeft voor de autonome positie van de gemeente Nijmegen. Temeer omdat de gemeente Nijmegen beter in staat is belangen te behartigen op lokaal niveau en wellicht beter in staat is draagvlak te verkrijgen onder haar inwoners dan wel in staat zal zijn besluiten met een lokale impact te verdedigen. Meer expliciet merkt het Rijk daarover het volgende op: “ (…) dat deze situatie zich bij dit project voordoet, omdat het om een mede door de gemeente Nijmegen gewenste nieuwe inrichting van het plangebied gaat en de gemeente Nijmegen het bestuursorgaan is dat het dichtst bij haar inwoners staat.” (Bijlage 02).

Hieruit vloeide voort dat de Minister voor Klimaat en Energie, (hierna: K&E) en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (hierna: BZK) in dezelfde brief van 14 december 2024 (Bijlage 02) afzien van hun wettelijke bevoegdheid om op basis van de rijkscoördinatieregeling en de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) zelf een inpassingsplan vast te stellen en de gemeente Nijmegen en de provincie Gelderland een bepaalde ruimte bieden dit zelf ter hand te nemen. Zij oordeelden dat gezien “de aard van de wijziging, alsmede de voor de wijziging van het bestemmingsplan benodigde besluiten, redelijkerwijze niet valt te verwachten dat toepassing van de rijkscoördinatieregeling, als bedoeld in artikel 3.35 van de Wet ruimtelijke ordening, de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden”. De referendumcommissie neemt daarbij in ogenschouw de motie die de gemeenteraad op 2 november 2022 heeft aangenomen (agendapunt 7.1 Raadsvoorstel stadsbegroting 2023-2026) gericht op de energiecentrale evenals het amendement dat de gemeenteraad op 27 november 2019 heeft aangenomen (agendapunt 10 Raadsvoorstel Vaststellen Gebiedsvisie Waal Energie). De referendumcommissie meent dat in het voorgaande de kern zit van het vraagstuk van bewegingsruimte van de gemeenteraad.

Juridisch gezien heeft het Rijk bevoegdheden om zelf de regie ter hand te nemen, voorshands of middels een interventie achteraf. Het Rijk kán gebruik maken van zijn bevoegdheden. Strikt genomen kan de speelruimte die de gemeente zich in het ontwerpraadsbesluit toe-eigent, op het vlak van niet-toegestane fossiele brandstoffen, al gezien worden als een belemmering die het gebruik van de installaties voor grootschalige elektriciteitsopwekking beperken. Dit is evenwel voor het Rijk géén reden geweest om zelf over te gaan tot de coördinatie en vaststelling van een inpassingsplan. Het bevestigt het beeld dat er met het Rijk een gesprek kan worden gevoerd over de mogelijke restrictieve interpretatie en karakter van de geschetste wet- en regelgeving. Daarbij zal het Rijk klaarblijkelijk in ogenschouw nemen of een eigenstandige invulling van dit gebied zal leiden tot een “betekenende mate van versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden”. Omgekeerd geredeneerd, de gemeente neemt een risico als zij bepaalde grenzen opzoekt, maar er is ook gebleken dat er ruimte is voor een ‘zekere beperking’. De referendumcommissie neemt daarbij het amendement dat is aangenomen op 27 november 2019 bij de gebiedsvisie als voorbeeld van hoe de raad eerder gebruik heeft gemaakt van zijn bewegingsruimte.

In dat verband vindt de referendumcommissie ook de memorie van toelichting van 29-09-1997 Tweede Kamer der Staten-Generaal 25621 nr. 3 over de Regels met betrekking tot de productie, het transport en de levering van elektriciteit (Elektriciteitswet) van belang. Voor zover relevant wordt daarbij onder de toelichting bij artikel 60 het volgende gemeld:

Advies Referendumcommissie gemeente Nijmegen

Pagina 4 van 8

“In dit wetsvoorstel zijn geen regels gesteld met betrekking tot de bouw en exploitatie van elektriciteitscentrales of van andere installaties voor de opwekking van elektriciteit. Het zou dan ongewenst zijn indien provinciale staten en gemeenteraden deze liberalisering gedeeltelijk ongedaan zouden maken door zelfstandig verordeningen vast te stellen. Met betrekking tot transport en levering van elektriciteit, aan beschermde afnemers zowel als aan vrije afnemers, bevat het wetsvoorstel een uitputtende regeling. Gelet hierop wordt de bevoegdheid tot het stellen van verordeningen van provinciale staten en gemeenteraden uitdrukkelijk uitgesloten, echter alleen voor zover het het stellen van regels in het belang van de energievoorziening betreft. De bevoegdheid van de desbetreffende overheden om regels te stellen ten behoeve van andere belangen, zoals ruimtelijke ordening en milieu, worden hierdoor uiteraard niet geraakt.” Volgens de referendumcommissie weerspiegelt dit de eigenstandige bevoegdheden van zowel provincie als de gemeenteraden op het vlak van de ruimtelijke ordening. In aansluiting op het voorgaande zijn er twee scenario’s, namelijk het scenario dat het ontwerpraadsbesluit ongewijzigd blijft en het scenario dat het ontwerpraadsbesluit geamendeerd wordt en het mogelijke definitieve referendumverzoek ‘van kleur verschiet’ en zich daarop richt.

De referendumcommissie treedt niet in eventuele wijzigingen van het ontwerpraadsbesluit, zij het dat ook voor het inleidend verzoek een theoretische vooruitblik de gemeenteraad kan helpen in de opinie- en oordeelsvorming. Vandaar de volgende kanttekeningen. Bij voorbaat staat niet vast dat het Rijk gebruik zal maken van de bevoegdheden die hem toekomen. De bestudering van de relevante documenten, brieven en besluiten van het Rijk, alsmede de gedane uitlatingen tijdens openbare besprekingen over dit ontwerpraadsbesluit, leiden bij de referendumcommissie op dit moment niet tot de conclusie dat het Rijk middels een op rechtsgevolg beoogd besluit gebruik zal maken van zijn bevoegdheid om te interveniëren middels een eigenstandige inpassingplan of anderszins via een ‘bijsturing’ met behulp van een aanwijzing op zowel een niet-vaststelling van het ontwerpraadsbesluit zoals dat thans voorligt, dan wel een geamendeerd raadsbesluit. Conclusie Op basis van de beoordeling van de uitsluitingsgrond dat het ontwerpraadsbesluit strekt ter uitvoering van een besluit van een hoger bestuursorgaan of de wetgever waaromtrent de raad geen beleidsvrijheid heeft (artikel 2, tweede lid, onder sub i van de Referendumverordening) is het advies van de referendumcommissie aan de gemeenteraad dat op dit punt geen belemmering bestaat om het referendum toe te staan.

Daarbij is van belang dat het Rijk weliswaar beschikt over bevoegdheden om zelf een inpassingsplan op te stellen of een aanwijzing te geven aan een gemeente, maar dat het niet bij voorbaat vaststaat dat dit ook het geval zal zijn. De beoordeling van de uitsluitingsgrond dat het ontwerpraadsbesluit een grondslag vindt in een eerder genomen besluit waarover een referendum is gehouden of kon worden gehouden (artikel 2, tweede lid, onder sub j van de Referendumverordening) ENGIE, gemeente Nijmegen en de provincie Gelderland hebben een gebiedsvisie opgesteld voor het plangebied, in het verlengde van het plan ‘De Groene Delta’ uit 2014 en als uitwerking van de aanwijzing als bijzondere werklocatie in het RPW 2021-2024: Gebiedsvisie Waal Energie. De gebiedsvisie met amendement is in de raadsvergadering van 27 november 2019 vastgesteld. De ontwikkeling tot Energie Hub Waal-Energie is bekrachtigd in de Omgevingsvisie Nijmegen Stad in Beweging, door de raad vastgesteld op 28 oktober 2020. De vraag dient zich aan of de nu voor het referendum voorliggende gewijzigde vaststelling van het CHW-bestemmingsplan Nijmegen Kanaalhavens – 7 (Waal Energie) zijn grondslag vindt in de uitwerking van deze gebiedsvisies.

Advies Referendumcommissie gemeente Nijmegen

Pagina 5 van 8

De referendumcommissie is de opvatting toegedaan dat er weliswaar sprake is gebleken van een onlosmakelijk verband, maar dat daar nog niet automatisch de gevolgtrekking uit voortvloeit dat daarmee de voornoemde uitsluitingsgrond van toepassing is. De referendumcommissie geeft daarbij het volgende in overweging mee: 

Een gebieds- of omgevingsvisie en een bestemmingsplan houden weliswaar verband met elkaar; de schaal van abstractie en mate van concreetheid verschillen echter wezenlijk. Zo zal bij een bestemmingsplan vanwege de verdergaande mate van concreetheid veel meer detailonderzoek, zoals bijvoorbeeld een Milieu-effectrapportage vereist zijn. Met die wetenschap en de mogelijke gevolgen van die onderzoeken kan de daadwerkelijke gebiedsinvulling in concreto afwijken van de grofmazigere benadering van een gebieds- of omgevingsvisie. Daarbij komt dat de toenmalige besluitvorming van de gebieds- en omgevingsvisie met name ging over de vraag of biomassa wel of niet toegestaan zou worden (met nuanceringen hierop). Daarbij dient zich de vraag aan of de Nijmeegse burgers weet konden hebben van de bestuurlijke discussies zoals die zich hebben afgespeeld tussen het Rijk, provincie en gemeente en de uiteindelijke interpretatie en invulling van de BARRO zoals die thans is uitgewerkt in het ontwerpraadsbesluit. Het is niet ondenkbaar dat Nijmeegse burgers ten tijde van de toenmalige besluiten nog het beeld hadden dat er met een bestemmingsplan sprake zou zijn van een concrete invulling van de gebiedsen omgevingsvisie, waarmee zij zich een finaal oordeel konden vormen over een mogelijk referendum.

Naar het inzicht van de referendumcommissie kan niet a priori gesteld worden dat alle wijzigingen die hun beslag kregen in het ontwerpraadsbesluit direct en voldoende concreet kenbaar waren in de voorliggende besluiten. Ook de gemeenteraad zelf had immers een extra informatiesessie nodig over die wijzigingen, gevolgen en consequenties, voordat een meningsvormend debat kon plaatsvinden. De referendumcommissie meent dat als dit voor raadsleden al het geval is, dit voor de gemiddelde Nijmeegse burger eens temeer het geval zal zijn. Verder heeft het college ook na het openbaren van het ontwerpraadsvoorstel kennelijk aanleiding gezien, naast de al gegeven uitleg en informatie in het ontwerpraadsbesluit zelf, om via een zogeheten ‘informatietegel’ extra duiding te geven aan het raadsvoorstel. Tot slot blijkt uit de gebiedsvisie dat ENGIE, provincie en gemeente destijds het voornemen hadden het bestemmingsplan rond de zomer van 2020 voor te leggen aan de raad. Intussen is er dus sprake van een aanzienlijk tijdsverloop, samengaand bovendien met een verder verhevigd maatschappelijk debat over de inzet van fossiele brandstoffen bij de energieopwekking.

Het eventuele inroepen van het argument ‘verstrijken van de tijd’ – “Nijmeegse burgers, u heeft eerder uw kans gehad” – staat naar de opvatting van de referendumcommissie daarom op gespannen voet met uitsluiten van het referendum op basis van deze grond. De referendumcommissie acht het niet wenselijk om een algemene uitspraak te doen over de vraag wanneer een voorliggend besluit nu wel of niet door louter tijdsverloop minder bruikbaar is als argument. Zij volstaat ermee om in dit specifieke geval te signaleren dat het eventuele inroepen van tijdsverloop wel mogelijk is maar haar op het eerste gezicht niet correct zou lijken, om redenen als hiervoor genoemd.

Conclusie Op basis van de beoordeling van de uitsluitingsgrond dat het ontwerpraadsbesluit een grondslag vindt in een eerder genomen besluit waarover een referendum is gehouden of kon worden gehouden (artikel 2, tweede lid, onder sub j van de Referendumverordening) is het advies van de referendumcommissie aan de gemeenteraad dat op dit punt geen belemmering bestaat om het referendum toe te staan.

Advies Referendumcommissie gemeente Nijmegen

Pagina 6 van 8

De beoordeling van de uitsluitingsgrond dat sprake is van dringende redenen om geen referendum te houden (artikel 2, tweede lid, onder sub k van de Referendumverordening) De referendumcommissie vindt dat de vraag of er dringende redenen zijn om af te zien van een raadgevend referendum, bij uitstek een vraag is die door de gemeenteraad beantwoord moet worden. Daarbij valt niet te ontkomen aan een politieke duiding en weging. De referendumcommissie merkt op dat uit de bestuursrechtspraak blijkt dat aan de raad een redelijk hoge mate van discretionaire vrijheid toekomt inzake het aanwezig achten van dringende redenen om af te zien van een referendum. Verder merkt de commissie op dat deze dringende redenen goed gemotiveerd dienen te worden. Een onvoldoende motivering kan leiden tot een vernietiging van het raadsbesluit om geen referendum toe te staan. Als voorbeelden voegt de commissie twee gerechtelijke uitspraken toe: uitspraak 1 en uitspraak 2. 4. De toezichthoudende rol van de referendumcommissie Deze is geregeld in artikel 4, eerste lid onder sub e, lid 2: Toezicht te houden op: 1. de uitvoering van deze verordening, en 2. het objectieve of neutrale karakter van de door de gemeente te verstrekken voorlichting over het referendum; Doorgaans bereidt het college van B&W de raadsvoorstellen voor. Zo ook bij het onderhavige bestemmingsplan.

In bijzondere gevallen gaat het openbaren van een raadsvoorstel door het college van B&W gepaard met een persbericht. Daarna ligt het voorstel voor ter besluitvorming door de raad en maakt dit onderdeel uit van de openbare politieke besluitvorming. Tijdens de gespreksrondes voorafgaande aan daadwerkelijke besluitvormende raadsvergadering en tijdens uw besluitvormende vergaderingen kan extra duiding worden gegeven namens het college van burgemeester en wethouders. De referendumcommissie geeft u in overweging mee dat het debat dat gaat over een eventueel referendum gebaat is bij een zekere rust en evenwichtigheid in de voorbereiding daarvan. De referendumcommissie heeft opgemerkt dat het college eigenstandige communicatie heeft gevoerd nadat het raadsvoorstel al is voorgelegd aan de gemeenteraad. Namens het college is verder aangegeven dat het hier vooralsnog bij blijft, maar ook niet geheel kan worden uitgesloten dat het nogmaals geschiedt. Zonder de mogelijkheid uit te sluiten om over het ontwerpraadsbesluit te communiceren, geeft de referendumcommissie het college van B&W toch het advies hier welbewust en afgewogen en zo nodig terughoudend mee om te gaan. Iedere communicatie omtrent dit thema op dit tijdstip kan de schijn oproepen van beïnvloeding van het proces rondom het referendum.

Alhoewel de referendumcommissie beseft dat er altijd goede redenen kunnen worden gegeven voor dergelijke communicatie, hoopt de commissie op uw voortdurende aandacht hiervoor. Met vriendelijke groet,

prof. dr. W. van Genugten Voorzitter referendumcommissie

Advies Referendumcommissie gemeente Nijmegen

Pagina 7 van 8

Bijlagen 1. Brief van het ministerie van EZK van 11 april 2023 inzake het verwerken van rijksdoelstellingen in het PEH in planologische procedures Engieterrein Nijmegen. 2. Brief van het ministerie van EZK van 14 december 2023 inzake het buiten toepassing laten rijkscoördinatieregeling voor wijziging bestemmingsplan Kanaalhavens 7 Nijmegen. 3. Ministerieel besluit van 14 december 2023 inzake het Buiten toepassing laten rijkscoördinatieregeling wijziging bestemmingsplan Kanaalhavens 7, Nijmegen (projectnaam Waal Energie) (publicatie Staatscourant 20 december 2023). 4. ECLI:NL:RBARN:2006:AV7763 - Rechtbank Arnhem, 29-03-2006 / AWB 05/2614 https://linkeddata.overheid.nl/front/portal/document-viewer?ext-id=ECLI:NL:RBARN:2006:AV7763 5. ECLI:NL:RBZUT:2011:BQ8971 Rechtbank Zutphen https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBZUT:2011:BQ8971&showbutton=true&keyword=refer endum&idx=2 6. ECLI:NL:RBNHO:2017:11154 Rechtbank Noord-Holland https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBNHO:2017:11154 7. Memorie van toelichting, 29-09-1997, Tweede Kamer der Staten-Generaal 25621 nr. 3 over de Regels met betrekking tot de productie, het transport en de levering van elektriciteit (Elektriciteitswet) https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25621-3.html#IDAP1DFB

Advies Referendumcommissie gemeente Nijmegen

Pagina 8 van 8

BIJLAGE 01

Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

> Retouradres Postbus 20401 2500 EK Den Haag

Gemeente Nijmegen Postbus 9105 6500 HG Nijmegen

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Strategie Energiesysteem Bezoekadres Bezuidenhoutseweg 73 2594 AC Den Haag Postadres Postbus 2040 I 2500 EK Den Haag Overheidsidentificatienr 0000000 1003214369000 T 070 379 8911 (algemeen) F 070 378 6100 (algemeen) www.rijksoverheid. nl/ezk

Datum Betreft

11 april 2023 Verwerken Rijksdoelstellingen PEH in planologische procedure Engieterrein Nijmegen

Geachte heer Dank voor uw brief met betrekking tot de herontwikkeling van het "Engie-terrein" en het verwerken van Rijksdoelstellingen daarbinnen. In deze brief geef ik antwoord op de door u gestelde vragen.

Behandeld door

Ons kenmerk DGKE-DSE / 26454504 Uw kenmerk 230138609 Bijlage(n)

Programma Energiehoofdstructuur Dit jaar werken wij toe naar het Programma Energiehoofdstructuur. Dit is een programma onder de Omgevingswet dat zich richt op de ruimtelijke planning voor de nationale onderdelen van de energievoorziening richting 2050. In de onderliggende analyses is (aan de hand van diverse scenario's) onder meer bekeken hoe het Rijk wil om gaan met de bestaande ruimtelijke aanwijzingen voor de elektriciteitsvoorziening in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Meer specifiek gaat dit ook om ruimtelijke aanwijzingen voor vestigingsplaatsen voor installaties voor grootschalige elektriciteitsopwekking van ten minste 500 MW, ofwel energiecentrales, waaronder het terrein van de voormalige kolencentrale van Engie in het industrieterrein TPN-west in Nijmegen. Uit de analyses in het kader van het Programma Energiehoofdstructuur blijkt dat een duurzaam energiesysteem ook een vergelijkbare of mogelijk zelfs grotere ruimteclaim voor duurzaam grootschalig regelbaar vermogen vraagt. Dit grootschalige regelbare vermogen dient op te schakelen bij tekorten aan elektriciteitsproductie uit bronnen als wind en zon. Dit is noodzakelijk om onze nationale, maar ook regionale leveringszekerheid te garanderen. En ook noodzakelijk om onze klimaatdoelen te behalen, doordat het elektrificatie helpt mogelijk maken.

Daarbij is voor een robuust energiesysteem een bepaalde mate van spreiding van productiecapaciteit over Nederland gewenst. Wanneer alle elekriciteit vanuit een plek komt, vergroot dit de kwetsbaarheid voor verstoringen. De ruimte in Nederland is zeer schaars. Het vinden van nieuwe locaties voor grootschalig regelbaar vermogen is zeer complex. Daarbij kennen bestaande vestigingsplaatsen onder meer goede aansluitingen op het elektriciteits- en gasnetwerk; infrastructuur die opnieuw benut kan worden.

Pagina 1 van 4

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Strategie Energiesysteem

Om die redenen vindt het Rijk het van groot belang dat de ruimte op het Engieterrein en op andere vestigingsplaatsen, zoveel mogelijk blijvend beschikbaar blijft voor installaties voor grootschalig regelbaar vermogen.

Ons kenmerk DGKE-DOSE / 26454504

CO;-emissies Uw gemeente streeft ernaar om in 2045 energieneutraal te zijn. Vanuit die ambitie vraagt u of het Barro inderdaad vereist dat Nijmegen ter plaatse van het Eng ie-terrein een aardgasgestookte centrale accommodeert, of dat het mogelijk is om het gebruik van fossiele brandstoffen op deze locatie uit te sluiten. U vraagt het Rijk om een handreiking hoe in het bestemmingsplan de begrenzing van tijd van het gebruik van deze brandstoffen vastgelegd dient te worden om het gebruik van de toekomstige CO-neutrale energiedragers vast te leggen. Met betrekking tot de aangewezen vestigingsplaatsen voor installaties voor grootschalige elektriciteitsopwekking van ten minste 500 MW, doet het Barro geen uitspraken over de energiedrager of het gebruik van brandstoffen voor grootschalige elektriciteitsproductie ter plaatse. Het Barro vereist dus niet dat de gemeente Nijmegen specifiek een aardgasgestookte centrale accommodeert. De Wet ruimtelijke ordening biedt geen grondslag voor het stellen van een voorschrift over het brandstofgebruik. Wel draagt het Barro de gemeente op om in het bestemmingsplan grootschalige elektriciteitsopwekking toe te staan. Dit impliceert dat het bestemmingsplan (verbrede reikwijdte) geen regels mag bevatten die het functioneren van de elektriciteitsproductie-installaties kunnen belemmeren of beperken.

Ook anderszins heeft de gemeente geen mogelijkheden om met voorschriften in het bestemmingsplan het gebruik van brandstoffen door een grootschalige elektriciteitscentrale te begrenzen. Dit zou in strijd zijn met artikel 83 Elektriciteitswet 1998 (dit artikel blijft ook van kracht na inwerkingtreding Omgevingswet), op grond waarvan de gemeenteraad niet bevoegd is het opwekken van elektriciteit in het belang van de energievoorziening aan regels te binden. Op weg naar een klimaatneutraal energiesysteem richting 2050, zal het elektriciteitssysteem al eerder klimaatneutraal zijn, uiterlijk in 2040. Dit onder andere door de inzet van hernieuwbare bronnen als wind en zon, maar ook door gascentrales op basis van CO>-neutrale waterstof of bijvoorbeeld groen gas en CO-afvang. Via verschillende instrumenten wordt de uitstoot van CO; omlaag gebracht en uiteindelijk tot nul gereduceerd. Voor grootschalige energiecentrales geldt het Europese emissiehandelssysteem ETS. Vanuit het reductietempo uit de huidige Europese plannen (uit Fit for 55) voor aanscherping van het ETS zullen de emissies in de elektriciteitssector in de gehele EU al in 2040 per saldo op nul uitkomen.' Vanaf 2040 worden er, na deze laatste wijzigingen vanuit Fit for 55, géén emissierechten meer uitgegeven onder ETS.

Installaties die onder het ETS vallen, dienen over een emissievergunning te beschikken van de Nederlandse Emissieautoriteit en zijn verplicht om hun emissies te monitoren door middel van een monitoringsplan en voor alle emissies emissierechten in te leveren. Daarnaast Zie bijvoorbeeld de Kamerbrief Contouren Nationaal Plan Energiesysteem dd. 10 juni 2022 met kenmerk 32813-1053 Pagina 2 van 4

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Strategie Energiesysteem

voorziet het Klimaatfonds in middelen om bijvoorbeeld de ombouw van centrales te stimuleren.

ons kenmerk DGKE-DSE/ 26454504

In algemene zin, zien wij deze ontwikkeling in het licht van de energietransitie waarbij het binnen dit plan gaat om (onder meer) een ontwikkelperspectief van een waterstofcentrale, die in de eerste jaren (als onderdeel van de transitiefase) elektriciteit op basis van aardgas produceert tot op het moment dat waterstof daarvoor een reëel alternatief wordt; het ETS zal daar zoals gezegd ook op aansturen, uiterlijk in 2040, als er geen emissierechten meer worden uitgegeven. Verder is het belangrijk te vermelden dat een moderne energiecentrale vele malen efficiënter zal zijn dan bestaande kolen- en of gascentrales. Op dit moment zal een dergelijke centrale dus ook CO}-besparen doordat het elektriciteitsproductie uit Inefficiënte kolen- of gascentrales kan vervangen. Ook later zal een dergelijke centrale efficiënter waterstof kunnen benutten dan de minder moderne centrales. Stikstofuitstoot

U wijst op de benodigde vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet vanuit de provincie voor deze ontwikkeling en de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. U vraagt om een toelichting op de verhouding tussen de aanwijzing uit het Barro voor het vestigen van een energiecentrale en de stikstofu its toot. De energietransitie gaat naast CO;-reductie, gepaard met een flinke emissiereductie van stikstof(oxides). Het is echter niet zo dat de uitstoot volledig naar nul gaat. Ook bij de bouw van duurzame energieprojecten en bijvoorbeeld de verbranding van waterstof komen stikstofoxides vrij (tenzij deze weer worden afgevangen). De stikstofproblematiek raakt zodoende ook de energietransitie, en speelt een rol bij nagenoeg alle projecten in de leefomgeving. Voor zover wij begrijpen gaat dit om om een project op dezelfde locatie, door dezelfde initiatiefnemer. En de nieuwe activiteit heeft een aanzienlijk lagere depositie ten opzichte van de reeds toegestande activiteit (via de bestaande vergunning van de voormalige kolencentrale). In dat opzicht zien wij geen belemmering voor interne saldering voor deze ontwikkeling, en daarmee ook geen aanleiding om aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan te twijfelen. Echter als bevoegd gezag op grond van de Wet Natuurbescherming zal de provincie dit uiteindelijk moeten beoordelen.

Ten slotte heeft u verzocht of EZK op 27 februari in een bijeenkomst met de raden van Beuningen en Nijmegen een toelichting kon geven op het Rijksstandpunt t.a.v. de energietransitie en de status van het Barro. In deze brief is het standpunt van het ministerie van EZK toegelicht. Zoals eerder mondeling toegelicht, is het niet passend voor het ministerie om hier aan deel te nemen. Ik hoop u hiermee voldoende antwoord te hebben gegeven op uw vragen.

Pagina 3 van 4

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Strategie Energiesysteem

Ons kenmerk GKE-DSE / 26454504

De Minister voor Klimaat en Energie, namens deze:

Maxine Tillij Directeur Strategie Energiesysteem

Pagina 4 van 4

BIJLAGE 02 j

111111111111111111!11111111111111111111111111111111111111111

D231214728

Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

> Retouradres Postbus 20401 2500 EK Den Haag

Directoraat-generaal Klimaat en Energie

Gemeente Nijmegen

Directie Realisatie Energietransitre

Postbus 9105 6500 HG Nijmegen

Bezoekadres Hanzelaan 310 8017 JK Zwolle

Postadres Postbus 20401 2500 EK Den Haag

Overheidsidentificatienr 00000001003214369000 T 070 379 8911 (algemeen) F 070 378 6100 (algemeen) www.rijksoverheid,nl/ezk

Datum Betreft

14 december 2023 Buiten toepassing laten rijkscoördinatieregeling voor wijziging bestemmingsplan Kanaalhavens 7 Nijmegen

Behandeld door

Ons kenmerk DGKE-DRE / 41634420

Geachte mevrouw

,

Uw kenmerk

Bijlage(n)

In vervolg op uw brief van 4 oktober 2023 (met uw kenmerk D230974135) zend ik u hierbij een afschrift van het besluit de rijkscoördinatieregeling buiten toepassing te laten op de wijziging van het bestemmingsplan voor Kanaalhavens 7 te Nijmegen.

1

De Minister voor Klimaat en Energie namens deze:

Dorothé Albers MT-lid Directie Realisatie Energietransitie

Intern gebruik

Pagina 1 van 1

Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

> Retouradres Postbus 20401 2500 EK Den Haag

ENGIE Energie Nederland N.V. Hollandiaweg 11 6541 BL te Nijmegen

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Realisatie Energietransitie Bezoekadres Hanzelaan 310 8017 K Zwolle Postadres Postbus 20401 2500 EK Den Haag Overheidsldentifîcatienr 0000000 1003214369000 T 070 379 8911 (algemeen) F 070 378 6100 (algemeen) www.rijksoverheid.nl/ezk

Datum Betreft

14 december 2023 Buiten toepassing laten rijkscoördinatieregeling voor wijziging bestemmingsplan Kanaalhavens 7 Nijmegen

Behandeld door

Ons kenmerk DGKE-DRE / 41458965 Uw kenmerk

Besluit

Bijlage(n)

DE MINISTER VOOR KLIMAAT EN ENERGIE, overwegende: dat ENGIE Energie Nederland N.V. (hierna: ENGIE) het voornemen heeft om op het terrein van Centrale Gelderland in de gemeente Nijmegen naast nieuwe vormen van grootschalige energieopwekking ook andere duurzame activiteiten ruimtelijk mogelijk te maken (projectnaam Waal Energie), wat een bestemmingsplanwijziging vergt van de locatie met Barro-status; dat dit initiatief op grond van artikel 9, lid 1 onder b Elektriciteitswet 1998, onder de rijkscordinatieregeling valt, als bedoeld in artikel 3.35 van de Wet ruimtelijke ordening; dat de rijkscoördinatieregeling, voor zover hier van belang, gelet op artikel 3.35, eerste lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening met zich brengt dat voor het hiervoor bedoelde project een inpassingsplan kan worden vastgesteld door de Minister voor Klimaat en Energie, (hierna: K&E)1 en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (hierna: BZK), en dat de voorbereiding en bekendmaking van het inpassingsplan door de Minister voor K&E worden gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking met andere voor de uitvoering van het project benodigde besluiten; dat de Minister voor K&E, in afwijking van het voorgaande, op grond van artikel 9b, vierde lid, van de Elektriciteitswet 1998 kan bepalen dat voor een

t artikelen 3.35, eerste lid, onder c van de Wet ruimtelijke ordening en 9b, vierde lid, van de Elektriciteitswet 1998 staat de munster van Economische Zaken en Klimaat als bevoegd gezag genoemd. Deze bevoegdheid is overgegaan op de minister voor K&E.

Pagina 1 van 3

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Realisatle Energietransltie

bepaald project geen inpassingsplan wordt voorbereid en de voorbereiding en bekendmaking van andere besluiten niet door hem worden gecoördineerd; dat deze bevoegdheid kan worden toegepast indien, in aanmerking genomen de aard van de wijziging, alsmede de voor de wijziging van het bestemmingsplan benodigde besluiten, redelijkerwijze niet valt te verwachten dat toepassing van de rijkscoördinatieregeling, als bedoeld in artikel 3.35 van de Wet ruimtelijke ordening, de besluitvorming In betekenende mate zal versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden; dat deze situatie zich bij dit project voordoet, omdat het om een mede door de gemeente Nijmegen gewenste nieuwe inrichting van het plangebied gaat en de gemeente Nijmegen het bestuursorgaan is dat het dichtst bij haar inwoners staat; dat er ook geen bijzondere belemmeringen zijn die in de weg staan aan een voorspoedig verloop van de benodigde procedures, zonder dat de rijkscoördinatieregeling wordt toegepast; dat, gelet op het voorgaande, ENGIE bij indiening van het meldingsformulier op 5 oktober 2023 formeel heeft verzocht de rijkscoördinatieregeling buiten toepassing te laten; dat de bij het project betrokken bestuursorganen - de provincie Gelderland en de gemeente Nijmegen - zijn gehoord over het voornemen de rijkscoördinatieregeling buiten toepassing te laten; dat de provincie Gelderland bij brief van

19 september 2023 heeft aangegeven te kunnen instemmen met het voornemen; dat de gemeente Nijmegen bij brief van 4 oktober 2023 heeft aangegeven te kunnen instemmen met het voornemen en bereid te zijn de bevoegdheid over te nemen van het Rijk.

DGKE-RE / 41458965

Gelet op: Artikel 9b, lid 4, onder a Elektriciteitswet 1998; Besluit: Artikel 1 Geen van de procedures, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening is van toepassing op de besluitvorming inzake het wijzigen van het bestemmingsplan voor het project Waal Energie, Kanaalhavens 7 in de gemeente Nijmegen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking de dag na die waarop het bekend Is gemaakt. Dit besluit wordt bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant.

Pagina 2 van 3

Directoraat-generaal Klimaat en Energle Directie Realisatie Energletransitie

DGKE-DRE / 41458965

De Minister voor Klimaat en Energie, namens deze:

T,W.G.M.M. Albers MT-lid directie Realisatie Energietransitie Tegen dit besluit staat geen bezwaar of beroep open (artikel 7.1 in samenhang met artikel 8.5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 1 van hoofdstuk 1 van bijlage 2 bij deze zelfde wet).

Pagina 3 van 3

iSTAATSCOURANT •

·g@

Nr. 35283 20 december 2023

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.

Buiten toepassing laten rijkscoördinatieregeling wijziging bestemmingsplan Kanaalhavens 7, Nijmegen (projectnaam Waal Energie) Datum 14 december 2023 Nummer DGKE-DRE/41458965 DE MINISTER VOOR KLIMAAT EN ENERGIE, overwegende: dat ENGIE Energie Nederland N.V. (hierna: ENGIE) het voornemen heeft om op het terrein van Centrale Gelderland in de gemeente Nijmegen naast nieuwe vormen van grootschalige energieopwekking ook andere duurzame activiteiten ruimtelijk mogelijk te maken (projectnaam Waal Energie), wat een bestemmingsplanwijziging vergt van de locatie met Barro-status; dat dit initiatief op grond van artikel 9, lid 1 onder b Elektriciteitswet 1998, onder de rijkscoördinatieregeling valt, als bedoeld in artikel 3.35 van de Wet ruimtelijke ordening; dat de rijkscoördinatieregeling, voor zover hier van belang, gelet op artikel 3.35, eerste lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening met zich brengt dat voor het hiervoor bedoelde project een inpassingsplan kan worden vastgesteld door de Minister voor Klimaat en Energie, (hierna: K&E)1 en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (hierna: BZK), en dat de voorbereiding en bekendmaking van het inpassingsplan door de Minister voor K&E worden gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking met andere voor de uitvoering van het project benodigde besluiten; dat de Minister voor K&E, in afwijking van het voorgaande,

op grond van artikel 9b, vierde lid, van de Elektriciteitswet 1998 kan bepalen dat voor een bepaald project geen inpassingsplan wordt voorbereid en de voorbereiding en bekendmaking van andere besluiten niet door hem worden gecoördineerd; dat deze bevoegdheid kan worden toegepast indien, in aanmerking genomen de aard van de wijziging, alsmede de voor de wijziging van het bestemmingsplan benodigde besluiten, redelijkerwijze niet valt te verwachten dat toepassing van de rijkscoördinatieregeling, als bedoeld in artikel 3.35 van de Wet ruimtelijke ordening, de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden; dat deze situatie zich bij dit project voordoet, omdat het om een mede door de gemeente Nijmegen gewenste nieuwe inrichting van het plangebied gaat en de gemeente Nijmegen het bestuursorgaan is dat het dichtst bij haar inwoners staat; dat er ook geen bijzondere belemmeringen zijn die in de weg staan aan een voorspoedig verloop van de benodigde procedures, zonder dat de rijkscoördinatieregeling wordt toegepast; dat, gelet op het voorgaande, ENGIE bij indiening van het meldingsformulier op 5 oktober 2023 formeel heeft verzocht de rijkscoördinatieregeling buiten toepassing te laten; dat de bij het project betrokken bestuursorganen - de provincie Gelderland en de gemeente Nijmegen zijn gehoord over het voornemen de

rijkscoördinatieregeling buiten toepassing te laten; dat de provincie Gelderland bij brief van 19 september 2023 heeft aangegeven te kunnen instemmen met het voornemen; dat de gemeente Nijmegen bij brief van 4 oktober 2023 heeft aangegeven te kunnen instemmen met het voornemen en bereid te zijn de bevoegdheid over te nemen van het Rijk. Gelet op: Artikel 9b, lid 4, onder a Elektriciteitswet 1998; Besluit:

Artikel 1 Geen van de procedures, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening is van toepassing op de besluitvorming inzake het wijzigen van het bestemmingsplan voor het project Waal Energie, Kanaalhavens 7 in de gemeente Nijmegen.

'

In artikelen 3.35, eerste lid, onder c van de Wet ruimtelijke ordening en 9b, vierde lid, van de Elektriciteitswet 1998 staat de Minister van Economische Zaken en Klimaat als bevoegd gezag genoemd. Deze bevoegdheid is overgegaan op de Minister voor K&E.

Staatscourant 2023 nr. 35283

20 december 2023

Artikel 2 Dit besluit treedt in werking de dag na die waarop het bekend is gemaakt. Dit besluit wordt bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant.

De Minister voor Klimaat en Energie, namens deze: T.W.G.M.M. Albers MT-lid directie Realisatie Energietransitie Tegen dit besluit staat geen bezwaar of beroep open (artikel 7.1 in samenhang met artikel 8.5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 1 van hoofdstuk 1 van bijlage 2 bij deze zelfde wet).

2

Staatscourant 2023 nr. 35283

20 december 2023

I BIJLAGE 04 I ail Ga direct naarTnhoudofMenu

Hoofdnavigatie • Zoeken • Brongegevens • Help

Document met links Onderwerp:

ECLI:NL:RBARN:2006:AV7763 Rechtbank Arnhem, 29-03-2006 / AWB 05/2614

Jurisprudentie

Subtype

Uitspraak

Instantie

Rechtbank Arnhem

Bron

Raad voor de Rechtspraak

Vindplaats

Rechtspraak.nl

Datum

29-03-2006 Toon meer>

Relaties_%]0_%0_DocumenL_me links_ Oorspronkelijk_document Permanente link Objectinformatie

0 Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak Inhoudsindicatie

Beroep tegen de weigering om een referendum te houden over de sluiting van de gemeentewinkel in Bemmel en Gendt. Verweerder heeft een ruime beoordelingsmarge bij het besluiten omtrent het al dan niet houden van een referendum zoals hier is gevraagd. Geen kennelijk onredelijke afweging door gemeentebestuur. Beroep ongegrond verklaard.

Tekst RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht Registratienummer: AWB 05/2614 Uitspraak ingevolge arike[_8.77 yan_de_Algemene wet bestuursrecht (Ab) in het geding tussen: [X], [Y] en [Z], handelende onder de naam Actiegroep ONaangeNAAM wonende te [woonplaats], en de Raad van de gemeente Lingewaard, verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder van 19 mei 2005. 2. Procesverloop Bij brieven van 2 november 2004 hebben eisers verweerder alsmede het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaard (hierna: het college) verzocht om een referendum te houden over het besluit de gemeentewinkels in Bemmel en Gendt te sluiten. Bij besluit van 23 december 2004 heeft verweerder besloten over de centralisatie van de gemeentewinkel geen referendum te houden. Bij het in rubriek I aangeduide besluit heeft verweerder het daartegen door eisers ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd. Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 1 november 2005. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer H.L. Ten Broeke.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen om het verslag van de vergadering van de raad van 19 mei 2005, waarin het bezwaar van eisers is behandeld, aan de rechtbank te doen toekomen. Nadat verweerder de gevraagde nadere gegevens aan de rechtbank heeft overgelegd, hebben eisers deze gegevens bij brief van 7 december 2005 schriftelijk van commentaar voorzien. Vervolgens hebben partijen de rechtbank desgevraagd toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:64 van de Awb voor het achterwege laten van een nadere zitting, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten. 3. Overwegingen Op 19 september 2002 heeft de raad van de voormalige gemeente Bemmel, rechtsvoorganger van de gemeente Lingewaard, de Referendumverordening Bemmel 2002 (hierna: de Verordening) vastgesteld. In

Hoofdstuk 2 van deze Verordening zijn nadere regels gegeven over het raadgevend correctief referendum als bedoeld in de Tijdelijke Referendumwet (Trw). De Trw is met ingang van l januari 2005 vervallen. In Hoofdstuk 3 van de Verordening zijn regels gegeven over 'andere referenda'. Ingevolge artikel 9, eerste lid, (Hoofdstuk 3) van de Verordening kan de raad, het college, of de burgemeester een besluit nemen tot het houden van een referendum. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan een verzoek aan de raad, het college of de burgemeester om te besluiten tot het houden van een referendum onder meer worden gedaan door kiesgerechtigden middels een inleidend verzoek. Op grond van artikel 10 kan een referendum niet worden gehouden over besluiten die op grond van de Trw referendabel zijn of van referendabiliteit uitgesloten zijn. In artikel 11 van de Verordening is bepaald dat de procedure aangaande het houden van een referendum, zoals neergelegd in de Trw van toepassing wordt verklaard op artikel 9, tenzij in deze verordening hiervoor expliciet afgeweken wordt. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken als volgt.

Het verzoek van eisers van 2 november 2004 strekt tot het houden van een referendum op basis van artikel 9 van de Verordening onder de kiesgerechtigden in de dorpskernen Bemmel, Doornenburg, Gendt, Haalderen en Ressen over het besluit van verweerder om de zogenoemde gemeentewinkels in Bemmel en Gendt te sluiten. Uit het verzoekschrift blijkt dat eisers een referendum gehouden willen zien vanwege het dringend belang van continuering van de gemeentelijke dienstverlening in de dorpskernen. Meer dan 400 kiesgerechtigden hebben een vergelijkbaar verzoek ingediend. Verweerder heeft bij primair besluit van 23 december 2004 besloten om geen referendum te houden. In het aan dat besluit ten grondslag liggende raadsvoorstel staat onder meer vermeld, dat verweerder bij de vaststelling van de voorjaarsnota voor 2004 impliciet heeft besloten tot centralisering van de gemeentewinkel op de locatie Huissen. In deze voorjaarsnota was onder meer een bezuiniging opgenomen op het aantal formatieplaatsen bij de afdeling gemeentewinkel. Volgens het raadsvoorstel is verweerder op 28 april 2004 in een besloten raadsvergadering geïnformeerd over de ambtelijke organisatie, waarbij onder meer de (on)mogelijkheden van een bezuiniging op de organisatiekosten zijn besproken. In dat kader zijn blijkens het raadsvoorstel ook mogelijke voordelen van centralisatie van de gemeentewinkel besproken.

Het vaststellen van de voorjaarsnota is volgens het raadsvoorstel geen onderwerp waarover op grond van de Trw een referendum kan worden gehouden. Verweerder heeft volgens het raadsvoorstel bij het vaststellen van de voorjaarsnota ook geen aanleiding gezien om daarover op grond van artikel 9 van de Verordening een referendum te houden. Voorts is er in het voorstel op gewezen dat op 8 november 2004 door verweerder een motie tot het instandhouden van de gemeentewinkels is verworpen en dat er binnenkort een voorstel zal worden gedaan over de mogelijkheid een servicevoorziening in Bemmel en Gendt te realiseren. Tegen dit besluit hebben onder meer eisers bij brief van 6 januari 2005 bezwaar gemaakt. Over de bezwaren is op 6 april 2005 een advies uitgebracht door de gemeentelijke commissie van advies voor de bezwaarschriften (hierna de commissie). De commissie heeft geadviseerd de bezwaren gegrond te verklaren en de verzoeken alsnog overeenkomstig de in de Try neergelegde procedure als inleidende verzoeken in de zin van die wet in behandeling te nemen. Het betoog van de commissie komt er op neer dat verweerder slechts het houden van een referendum kan weigeren ingeval het aantal inleidende verzoeken of later in de procedure - het aantal ondersteuningsverklaringen niet voldoet aan de daarvoor in de Try opgenomen getalscriteria.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder in afwijking van het advies van de commissie het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en het besluit van 23 december 2004 gehandhaafd. Aan dat besluit ligt een raadsvoorstel ten grondslag waarin is gesteld dat de verzoeken van onder meer eisers niet kunnen worden aangemerkt als een inleidend verzoek in de zin van de Trw, omdat er geen besluit tot het houden van een referendum aan vooraf is gegaan. Verweerder heeft zich daarbij verder op het standpunt gesteld dat hij een discretionaire bevoegdheid heeft om te besluiten tot het wel of niet houden van een referendum.

Eisers hebben het bestreden besluit gemotiveerd aangevochten. Op hun stellingen zal hierna, waar nodig, nader worden ingegaan. De rechtbank overweegt als volgt. Vooropgesteld moet worden dat het vervallen van de Trw met ingang van 1 januari 2005 onverlet laat dat Hoofdstuk 3 (artikel 9 en verder) van de Verordening zijn gelding heeft behouden. Nu vast staat dat het verzoek van eisers is gebaseerd op artikel 9 van de Verordening en niet op de inmiddels vervallen Trw, was verweerder ten tijde van belang bevoegd om op grond van artikel 9 te besluiten over het wel of niet houden van het door eisers gevraagde referendum. Eisers hebben tegen het bestreden besluit allereerst aangevoerd dat dit besluit is genomen in strijd met de Verordening. Hun stelling komt er samengevat op neer dat voor een referendum als hier in geding de in de Trw neergelegde procedure van toepassing is zoals die wet tot 1 januari 2005 gold. Dit betekent volgens eisers dat wanneer voldaan wordt aan het op grond van de Trw vereiste aantal geldige inleidende verzoeken, hieraan gevolg moet worden gegeven en de fase van het definitieve referendumverzoek moet worden opengesteld. De rechtbank volgt eisers hierin niet.

Daartoe wordt overwogen dat artikel 9, eerste lid, van de Verordening, gelet op de redactie daarvan, de daarin genoemde bestuursorganen een discretionaire bevoegdheid geeft om te besluiten tot het al dan niet houden van een referendum. Artikel 11 van de Verordening, waarin de procedure tot het houden van een referendum uit de Trw van toepassing wordt verklaard op artikel 9, heeft niet als consequentie dat verweerder slechts het houden van een referendum kan weigeren, indien niet is voldaan aan de in de Trw genoemde (getals)criteria. Met de redactie van artikel 9 wordt immers expliciet afgeweken van het in de Trw neergelegde regime. Artikel 11 moet derhalve aldus worden begrepen dat na een besluit tot het houden van een referendum de daarvoor in de Trw beschreven procedure wordt gevolgd. De door eisers in het beroepschrift aangehaalde passages uit het raadsvoorstel tot vaststelling van de Verordening leiden de rechtbank niet tot een ander oordeel. De tekst van artikel 9 en verder van de Verordening is immers voldoende duidelijk. Bovendien is de rechtbank niet gebleken dat de door eisers aangehaalde passages uit het raadsvoorstel (mede) op Hoofdstuk 3 van de Verordening betrekking hebben.

Derhalve komt verweerder - anders dan bij de onderwerpen die in de Trw waren geregeld - op grond van artikel 9 van de Verordening een ruime beoordelingsmarge toe bij het besluiten omtrent het al dan niet houden van referendum op grond van dit artikel. De rechtbank dient bij de toetsing van dergelijke besluiten dan ook de nodige terughoudendheid te betrachten. Hoewel verweerder in het bestreden besluit de eis lijkt te hebben gesteld dat een verzoek tot het houden van referendum in de zin van artikel 9 slechts kan worden gedaan indien het verzoek betrekking heeft op een besluit dat 'referendabel is verklaard', stelt de rechtbank vast dat verweerder desondanks inhoudelijk op de verzoeken van eisers heeft besloten. Uit de aan het primaire en het bestreden besluit ten grondslag liggende raadsvoorstellen, de notulen van de raadsvergadering van 19 mei 2005 en het bij het bestreden besluit behorende begeleidend schrijven van 8 juni 2005 blijkt dat verweerder wenst vast te houden aan de centralisatie van de gemeentewinkels. Dit standpunt is, zo blijkt uit de stukken, enerzijds ingegeven door kostenbesparende motieven, anderzijds wordt verwacht dat de dienstverlening aan de inwoners niet in gevaar komt en door een verruiming van de openingstijden in de gemeentewinkel te Huissen wordt verbeterd.

Om die reden heeft verweerder geen noodzaak gezien om een referendum te houden en heeft hij afwijzend beslist op de daartoe strekkende verzoeken. De rechtbank acht deze door verweerder gemaakte afweging niet kennelijk onredelijk. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen, dat in de Verordening geen inhoudelijke criteria zijn gegeven waaraan een verzoek tot het houden van een referendum moet worden getoetst en verweerder ook niet anderszins heeft aangegeven hoe deze bevoegdheid zal worden gehanteerd. Aan eisers kan worden toegegeven dat het bestreden besluit niet op voldoende kenbare wijze inzicht geeft in de motivering van dit besluit. Uit de overige hiervoor aangehaalde stukken blijkt naar het oordeel van de rechtbank echter genoegzaam welke aspecten verweerder bij de door hem gemaakte afweging heeft betrokken. Het is de rechtbank niet gebleken dat eisers, doordat de motivering waarom geen referendum

wordt gehouden in het bestreden besluit ontbreekt, in hun belangen zijn geschaad. Zoals hiervoor al is overwogen is op grond van de overige stukken duidelijk waarom verweerder geen referendum wenste te houden, zodat dit ook voor eisers duidelijk moet zijn geweest en eisers zich hierover uit hebben kunnen laten. Dit leidt er toe dat sprake is van een formeel motiveringsgebrek. Met toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt het bestreden besluit ondanks de schending van artikel 712,eerste lid, van de Awb in stand gelaten. Eisers betogen overigens tevergeefs dat verweerder zonder toereikende motivering van het advies van de commissie is afgeweken. In het aan het besluit ten grondslag liggende raadsvoorstel blijkt duidelijk op grond waarvan verweerder de door de commissie gegeven interpretatie van de Verordening niet deelt. Van strijd met artikel 7: 13, zevende lid, van de Awb is hier dan ook geen sprake. Eisers hebben tenslotte gemotiveerd betoogd, dat sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel. Zij hebben daarbij een aantal beleidsdocumenten aangehaald waaruit zij concluderen dat de gemeente hoog inzet op openheid naar de burgers en de participatie van burgers bij het gemeentelijke beleid. Het besluit staat naar de opvatting van eisers haaks op deze door de gemeente gehanteerde beleidsmatige uitgangspunten.

De rechtbank is op grond van hetgeen door eisers in dit verband is aangevoerd, niet tot het oordeel gekomen dat zulks dient te leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Uit de door het gemeentebestuur volgens eisers uitgesproken intenties blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder op grond daarvan gehouden was om in dit geval een referendum te houden. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eisers tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient daarom ongegrond te worden verklaard. De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8;75van de Awb. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing. 4. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in tegenwoordigheid van mr. G.W.B. Heijmans, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2006. De griffier, De rechter, Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6: 13 van de Awb binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

<,

Verzonden op:

Ondersteuning • Services • Feedback

Over deze site • Proclaimer • Brongegevens

Data van de overheid

BIJLAGE 05 ECU: NL: RBZUT: 2011: BQ8971 Instantie

Rechtbank Zutphen

Datum uitspraak

22-06-2011

Datum publicatie

22-06-2011

Zaaknummer

10/265 WET

Rechtsgebieden

Bestuursrecht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg - meervoudig

Inhoudsindicatie

De gemeenteraad van de gemeente Zutphen heeft besloten om geen referendum te houden over- kort gezegd - de IJsselsprong. De rechtbank is van oordeel dat de gemeenteraad de weigering om een referendum te houden onvoldoende heeft gemotiveerd. Daarbij is het volgende van belang. Er is geen sprake van dringende redenen om geen referendum te houden. Voor de gemeenteraad geldt dan op grond van de gemeentelijke verordening een speciale motiveringsplicht. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het bestreden besluit niet aan die motiveringsplicht, omdat de gemeenteraad niet duidelijk heeft gemaakt welke zwaarwegende redenen bestaan tegen het houden van een referendum. Het argument van de gemeenteraad dat het referendum een te zwaar en te duur middel zou zijn en de besluitvorming te veel zou vertragen, volstaat in dit geval niet, evenmin als het argument dat het moeilijk is om vragen te formuleren. Het ontbreken van politieke bereidheid om een referendum te houden, verhoudt zich voorts niet met de aard van het correctief referendum. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit van de gemeenteraad en draagt de gemeenteraad op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. IJsselsprong; correctief referendum; beroep gegrond; vernietiging besluit gemeenteraad

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=45aec2cc-32f1-4b77-9b02-502c48bac586