CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2b bij Uitvoeringsprogramma Evaluatieonderzoek Inburgering 2024

Besluitronde (raadsvergadering) 29 januari 2025, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Beleidskader Asiel & Integratie en Uitvoeringsprogramma Asiel & Integratie (108/2024)23.912 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Een andere uitdaging die naar voren komt, is het veelvuldig gebruik van Engels, waardoor kansen om Nederlands te oefenen afnemen. Dit heeft impact op de mate waarin inburgeraars zich kunnen ontwikkelen in het Nederlands. Maar bovenal blijkt dat veel inburgeraars moeite hebben om door te dringen in bestaande Nederlandse sociale kringen. “Hoewel we onderdak krijgen, wordt ons niet getoond hoe we kunnen integreren in de gemeenschap. Om onze doelen te bereiken, moeten we ondergedompeld worden in de lokale samenleving. We kunnen onze integratiedoelen niet bereiken of toegang krijgen tot de nodige informatie als we geïsoleerd zijn van de gemeenschap.” (man, 48, Turkije, statushouder, Z-route)

Programma’s zoals Buddy to Buddy, taalcafés en zelfinitiatieven worden als effectief ervaren bij het bevorderen van taalverwerving en het opbouwen van een sociaal netwerk. De structurele ondersteuning via deze initiatieven biedt inburgeraars de mogelijkheid om regelmatig Nederlands te spreken en culturele uitwisseling te ervaren, wat hun zelfvertrouwen geeft. Door de verplichtingen in de inburgering blijft er weinig tot geen tijd en mentale ruimte over voor sociale activiteiten, die essentieel zijn voor volledige participatie in de samenleving en het 57

opbouwen van een sociaal netwerk. Dit is een tendens die we ook terugzien in bijvoorbeeld de ervaringen van inburgeraars in Enschede. Daarnaast geven inburgeraars aan dat er soms ook gewoon te weinig Nederlanders in de wijk wonen om nieuwe contacten met Nederlanders te leggen. “Ik denk niet dat ik de taal volledig kan leren door alleen een taalcursus. Ik geloof dat de Nederlandse samenleving ook verantwoordelijkheden heeft, zoals openstaan voor communicatie. Geen van mijn buren praat met me. Ze staan niet open voor communicatie. Normaal gesproken dacht ik dat Nederlanders heel vriendelijk en benaderbaar waren. Niemand heeft me zelfs nog voor een kop koffie uitgenodigd. Ze praten alleen met me als ik hun honden aai terwijl ze aan het wandelen zijn!" (vrouw, 42, Turkije, gezinsmigrant, B1-route)

Banden Familie en sociale steun zijn belangrijk, maar worden vaak beperkt door factoren zoals vertraagde gezinshereniging. In dit kader benadrukten meerdere inburgeraars het belang van gemeenschapsopbouwende middelen, om verbindingen en ondersteunende netwerken te bevorderen en zo banden aan te kunnen gaan met mensen met een gedeelde achtergrond. Specifiek voor gezinsmigranten geldt juist dat ze vooral veel contacten kunnen opdoen via hun partner of de familie van hun partner.

Aanbevelingen uit de expertpool ●

●

Versterk mogelijkheden die de opbouw van gemeenschappen stimuleren en de ontwikkeling van sociale netwerken bevorderen. Met name om veerkracht te bevorderen wanneer er sprake is van tegenslag door gezinshereniging of wachttijden. Stimuleer en faciliteer, al dan niet via sociale partners, de contacten tussen inburgeraars en mensen die al langer in Nijmegen wonen.

58

Tenslotte We vroegen inburgeraars wat zij zouden doen als ze in de schoenen van de gemeente stonden. Dit waren hun suggesties: 1. Breder inzicht ophalen bij het bepalen van de leerroute: De beslissing over de leerroute moet gebaseerd zijn op een breder perspectief dan enkel de leerbaarheidstoets en de gesprekken met de klantregisseur en de inburgeraar. 2. Meer financiële ondersteuning om activiteiten te ondernemen die integratie bevorderen: Huidige financiële middelen beperken inburgeraars in bijvoorbeeld het ondernemen van sociale en culturele activiteiten. De gemeente zou moeten overwegen om deze middelen uit te breiden, bijvoorbeeld om ook kinderen van inburgeraars een kortingskaart voor het OV aan te bieden. 3. Ondersteuning bij het opbouwen van sociale en professionele netwerken: Gemeenten zouden speciale begeleiding moeten bieden om inburgeraars te helpen met het opbouwen van sociale en professionele netwerken, wat hen helpt hun leven in Nijmegen op te bouwen. 4. Consistentie in beleid tussen gemeenten: Verschillen in inburgeringsbeleid tussen gemeenten zorgen voor ongelijkheid en frustratie onder inburgeraars. Wat een kennis in de ene gemeente kan, kan iemand in een andere gemeente niet. Er is behoefte aan uniformiteit en een meer gestroomlijnde aanpak. 5.

Evenwichtige verdeling van inburgeraars over wijken: Gemeenten zouden meer aandacht moeten besteden aan de verspreiding van inburgeraars over verschillende wijken om interactie met Nederlanders te bevorderen en segregatie tegen te gaan. 6. Snellere contacten en begeleiding: inburgeraars ervaren een gebrek aan begeleiding in de eerste maanden van hun verblijf, wat hun integratie vertraagt. Gemeenten zouden ervoor moeten zorgen dat ze sneller contact opnemen en begeleiding bieden.

59

60

Ervaringen van professionals Bij de uitvoering van de Wet Inburgering 2021 zijn verschillende organisaties betrokken. Met vragenlijstonderzoek en groepsgesprekken hebben we bij professionals inzichten opgehaald over het bereik van de doelen van inburgering, de samenwerking tussen betrokken organisaties en welke aandachtsgroepen zij zien. Bereik van de doelen van inburgering

Onderstaande figuur laat zien in hoeverre betrokken professionals vinden dat de kerndoelen van de activiteiten rond inburgering worden bereikt. Doorgaans vindt tweederde tot driekwart van de respondenten dat de doelen rond inburgering worden bereikt. Dit aandeel ligt aanmerkelijk lager als het gaat om de mate waarin inburgeraars erin slagen om mee te doen in de samenleving; 48% vindt dat dit doel wordt bereikt. Wanneer wordt gekeken naar wie vinden dat dit doel niet wordt bereikt, vallen de taalscholen en het WerkBedrijf op. Zij geven aan dat een deel van de groep – in eerste instantie - niet verder komt dan het leren van de taal op de taalschool. Naast school en andere afspraken is het moeilijk om tijd aan participatie/werk te besteden, in contact te komen met Nederlanders en mee te doen in de samenleving. Dat komt ook door cultuurverschillen en een taalbarrière. Dit terwijl participatie een doorslaggevende factor is volgens professionals om te integreren, daadwerkelijk mee te kunnen doen en de taal ook verder in de praktijk te leren.

Figuur 1 Mate waarin professionals vinden dat de doelen van inburgering worden bereikt

Aanvullend is gevraagd of er voor inburgeraars voldoende hulpverlening beschikbaar is, om hen te ondersteunen bij het behalen van bovenstaande doelen. Veel professionals geven aan dat ze dit niet weten. Van de resterende respondenten geven 9 aan dat dit onvoldoende is, 12 dat dit net voldoende is en 1 dat dit ruim voldoende is. Professionals zien verschillende belemmerende factoren bij de organisatie van hulpverlening. Het is voor statushouders en gezinsmigranten vaak 61

niet goed duidelijk waar ze terecht kunnen voor welke hulpverlening. Ook professionals zelf missen vaak het overzicht om goed door te kunnen verwijzen. Daarnaast is er sprake van wachtlijsten, taalbarrières of sluit hulp (cultureel) onvoldoende aan.

Samenwerking

Over de samenwerking rond inburgering is allereerst gevraagd hoe de samenwerking binnen de eigen organisatie verloopt. Daarover zijn alle organisaties overwegend positief; geen van de respondenten geeft aan dat hier (grote) problemen zijn. Twee derde van de respondenten vinden dat dit (zeer) goed gaat, een derde geeft aan dat dit soms goed gaat en soms minder. Aanvullend is gevraagd hoe de samenwerking met partners verloopt. Dan wordt wat meer kleuring zichtbaar; zie onderstaande figuur. Over 4 van de 13 partners wordt een of enkele keren negatief geoordeeld. Daarbij valt het WerkBedrijf op; van de 23 professionals die hiermee ervaring hebben, zijn 7 daarover negatief. Dit lijkt met name afkomstig van gemeentelijke klantregisseurs; 4 (van de 7) beoordeelt de samenwerking met het WerkBedrijf als negatief. De contacten en samenwerking rond de MAP verlopen over het algemeen goed volgens klantregisseurs, maar zij zijn minder tevreden over de dienstverlening voor kandidaten in de toeleiding naar werk. Dat verloopt traag en veel deelnemers worden teruggemeld of (moeten) stoppen bij de werkgever waar zij aan zijn gematcht. Bij de overige 3 organisaties met negatieve oordelen is het aantal respondenten dat negatief oordeel zowel in absolute als relatieve zin klein. Overigens wordt van vrijwel iedere partner veelvuldig gezegd dat de samenwerking soms beter verloopt dan anders.

Figuur 2 Oordeel over samenwerking met verschillende partners in de werkwijze rond inburgering

Verschil in begeleiding van asielmigranten en gezinsmigranten Professionals voor wie dit relevant is, wordt gevraagd of zij verschil merken in de begeleiding van asielmigranten en gezinsmigranten. Van de 18 die hierover konden oordelen, geven 13 (bijna

62

driekwart) aan dat dit het geval is. Hierbij vallen de professionals van Buddy2Buddy op; 2 respondenten hebben deze vraag beantwoord, beide merken zij verschil in de begeleiding van asielmigranten en gezinsmigranten. Daarnaast vallen de taalscholen op; 7 van de 8 respondenten merken verschil in de begeleiding van deze verschillende groepen migranten. De respondenten geven allereerst aan dat er doorgaans meer gemeentelijke begeleiding is voor asielmigranten, hoewel dit per gemeente verschilt. Daarnaast hebben gezinsmigranten vaak meer netwerk en doorgaans geen vluchtelingenachtergrond met bijbehorende problematiek. Een aandachtspunt dat voor gezinsmigranten wordt genoemd, is dat de lening van DUO mogelijk onvoldoende is om B1-taalniveau te behalen.

Verschil in begeleiding van inburgeraars oude en nieuwe stijl Professionals voor wie dit relevant is, wordt gevraagd of zij verschil merken in de toeleiding en begeleiding van migranten ‘oude stijl’ en ‘nieuwe stijl’. Ondanks de ambitie om inburgeraars die onder de oude wet zijn ingestroomd zoveel mogelijk mee te nemen in de werkwijze die geldt sinds 2021, geven 16 van de 20 professionals die hierover (kunnen) oordelen aan dat zij verschil merken. Daarbij vallen de taalscholen op. Alle 8 respondenten van de taalscholen geven aan dat het uitmaakt of een inburgeraar onder de oude of nieuwe wet valt. Als toelichting wordt genoemd dat de regelgeving verschilt, bijvoorbeeld over het te behalen taalniveau. Daarnaast geeft men aan dat de regierol onder de oude wet bij de inburgeraar lag dan onder de nieuwe wet. De ene respondent wijst op de voordelen daarvan – een actiever rol in de inburgering – de ander wijst erop dat dit ertoe leidt dat inburgeraars minder verplichting lijken te voelen. Zie onderstaand citaat ter illustratie. “Vanuit de school behandelen we iedereen gelijk als het gaat over de inhoud en begeleiding. Wat we wel merken is dat de oude wetters vanuit hun eigen vrije regierol echt een eigen keuze maken voor een school. Dat betekent dat ze zich ook makkelijker aanpassen en meebewegen binnen het geboden aanbod.

De nieuwe wetters leunen wat dat betreft heel erg op de begeleiding en de kaders van de gemeente. Hoewel we een integraal aanbod beogen en partners zijn van gemeente en andere betrokken partijen, zien de cursisten dat niet altijd zo. Waardoor verwachtingen soms verschillend worden overgebracht. Bovendien hebben nieuwe wetters een duidelijke contactpersoon binnen de gemeente en kan dat bij oude wetters anders zijn. Daarin bepaalt de oude wetter wat we wel of niet met de gemeente delen bijvoorbeeld.”

Kennisoverdracht richting gemeente

Aan professionals voor wie dat relevant is, wordt gevraagd in hoeverre het lukt om kennis over inburgering over te dragen aan de gemeente. Van de 16 professionals die dit is voorgelegd, hebben 9 hierover een oordeel. Zij oordelen vrij neutraal; 6 geven aan dat dit soms goed gaat, soms minder, 2 oordelen positief en 1 negatief.

Aansluiting begeleiding van opvanglocatie tot asielvergunning Over de tussen de begeleiding op de opvanglocatie en de begeleiding na het krijgen van een asielvergunning, hebben 4 organisaties een oordeel gegeven. Het COA beoordeelt dit ruim voldoende. Nidos en Yoin Lindenhout zijn gezamenlijk uitgevraagd. Van deze organisaties gaf

63

een professional een (magere) voldoende, de ander gaf geen oordeel. Ook Vluchtelingenwerk gaf aan deze vraag niet te kunnen beantwoorden.

64

Conclusies Dit hoofdstuk geeft een conclusie van de bevindingen aan de hand van de succesfactoren en knelpunten die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen. Algemeen

In het kwantitatieve onderzoek onder inburgeraars wordt het inburgeringsprogramma over het algemeen neutraal tot enigszins positief gewaardeerd. Ook is de evaluatie van het inburgeringsprogramma door asielstatushouders – voor wie de gemeente wettelijk een grotere rol inneemt in het inburgeringsproces dan voor gezinsmigranten – gemiddeld positiever. In het kwalitatieve onderzoek is veel gesproken over de wachttijden en onzekerheid die opvang, huisvesting en gezinshereniging met zich meebrengen. Dit valt buiten de verantwoordelijkheid van de Gemeente Nijmegen, maar heeft een groot effect op het verdere verloop van de inburgering en is daarmee een belangrijke contextfactor voor het succes. Verder ervaren inburgeraars soms onduidelijkheid over welke verantwoordelijkheid bij welke organisatie ligt. Dit zien we ook terug in de ervaringen van professionals. Vooral waar het gaat om zorg en hulpverlening.

Klantregisseur

Uit de onderzoeken blijkt dat klantregisseurs een belangrijke rol spelen in het ondersteunen van inburgeraars. De betrokkenheid van klantregisseurs helpt om vertrouwen op te bouwen en inburgeraars door complexe processen als de inburgering te loodsen. Uit het kwantitatieve onderzoek blijkt de nodige variatie in de beoordeling van de klantregisseur. Sommige inburgeraars zijn positief, maar anderen geven in de open vragen aan dat hun klantregisseur niet bereikbaar is, dat zij nauwelijks begeleid worden en niet weten waar zij heen kunnen met hun vragen. Deze inzichten worden aangevuld in het kwalitatieve onderzoek waar we zien dat de ervaringen in de relatie met de klantmanager wisselend kunnen zijn. Duidelijke informatievoorziening, proactieve en behulpzame houding van de klantregisseur, actief contact en onderling vertrouwen worden gewaardeerd als positieve elementen. Beperkte beschikbaarheid van klantregisseurs, weinig begeleiding en ontoereikende informatievoorziening worden als negatief gezien. Zowel uit het kwantitatieve als het kwalitatieve onderzoek blijkt het gebrek aan ondersteuning dat wordt ervaren vanuit gezinsmigranten. Ook professionals geven aan dat het aanbod voor gezinsmigranten – mede door hoe de wet is ingericht - achterblijft bij het aanbod voor asielmigranten.

Brede Intake & PIP

In het kwantitatieve onderzoek worden de Brede Intake en PIP over het algemeen vaak positief beoordeeld. Tegelijkertijd zijn vrouwen minder positief over de brede intake en de aansluiting van de inhoud bij hun informatiebehoeften dan mannen. In het kwalitatieve onderzoek kwam

65

naar voren dat veel mensen vooraf nog geen idee hadden van de Brede Intake en PIP en dat mensen zich niet altijd gehoord voelden in dit proces. Uit het kwantitatieve onderzoek bleek de opvolging gedurende het inburgeringstraject een punt uit de open vragen waar volgens inburgeraars nog ruimte is voor verbetering, evenals het beter inspelen op talenten en ambities. Dit kwam ook naar voren in de expertpool, waar werd gesproken over onvoldoende vervolgcontact en begeleiding en specifiek de wens voor een deel van de groep om taal tot een hoger niveau dan B1 te leren, mede vanwege het belang van een goede aansluiting op de arbeidsmarkt.

Werk

We zien dat de arbeidsparticipatie onder asielstatushouders relatief laag ligt. Er is wel een relatief hoge arbeidsparticipatie onder (vaak vrouwelijke) gezinsmigranten. Ook zien we dat de arbeidsomstandigheden van werkende inburgeraars vaak onzeker zijn, met veel tijdelijke en nulurencontracten, en dat hun huidige baan meestal niet aansluit bij eerdere opleiding en kwalificaties. Uit het kwalitatieve onderzoek bleek ook de duidelijke wens dat werk aansluit bij eerdere kwalificaties. Het is volgens inburgeraars dan van belang dat werk op z’n minst perspectief biedt en een taalcomponent heeft. Dat is in niet alle gevallen zo. Er is met name behoefte aan informatie over de arbeidsmarkt, een netwerk om werk te kunnen vinden en een bemiddelende rol van de gemeente of een andere organisatie om werkgevers warm te maken om een inburgeraar in dienst te nemen. Voor de mensen die werken blijkt uit het kwantitatieve onderzoek dat de werktevredenheid onder inburgeraars vrij goed is en over het algemeen is men gemiddeld tevreden tot tevreden met de inhoud van hun baan. Daarnaast wil het merendeel van de werkende inburgeraars doorgroeien in hun huidige carrière. Uit het kwalitatieve onderzoek bleek juist een genuanceerder beeld waarbij werkervaringsplekken of stageplekken soms juist niet goed aansluiten bij wat mensen willen.

Taal

Uit het kwantitatieve onderzoek blijkt een goede deelname aan de taallessen en deze lijken ook te helpen om de Nederlandse taalvaardigheid te verbeteren. Vooral de docenten worden positief gewaardeerd. Wat betreft de lessen zien we in de open vragen dat er uiteenlopende wensen zijn qua intensiteit van de lessen. Sommige inburgeraars gaven aan behoefte te hebben aan een hogere intensiteit van lessen om zo meer en sneller te kunnen leren. Anderen gaven juist aan dat de huidige druk van de lessen te hoog was en niet goed te combineren met andere verantwoordelijkheden zoals werk en/of zorg voor kinderen. In het kwalitatieve onderzoek kwam dit gemixte beeld ook naar voren, met name in de hoge taal ambitie van sommige inburgeraars, maar ook de wens van anderen om juist in een klas te zitten waar het tempo lager ligt. Uit de expertpool kwam wel duidelijk naar voren welke factoren een effect hebben op de kwaliteit van het taalaanbod. Allereerst het belang dat taalaanbod goed op elkaar aansluit en er niet te veel gaten tussen cursussen vallen. Daarnaast werd onder andere de kwaliteit van docenten, weinig betrokkenheid van docenten, ongeadresseerde emotionele problemen en de samenstelling van klassen genoemd als factoren die niet bijdragen aan vlotte taalverwerving. Specifiek voor gezinsmigranten speelt mee dat er behoefte is aan betaalbaar taalaanbod.

66

Tot slot is er behoefte aan meer mogelijkheden om te oefenen met conversatie in het Nederlands. Een relatief groot aantal inburgeraars noemde in de open vragen van het kwantitatieve onderzoek de behoefte aan meer contact met Nederlanders of een toegewezen plek waar zij de taal kunnen oefenen. Dit belang van het bezigen en leren van de taal kwam ook sterk naar voren in het kwalitatieve onderzoek. Een gebrek aan Nederlandse taalvaardigheid brengt onzekerheid met zich mee, terwijl een basis in het Nederlands bijdraagt aan zelfredzaamheid en sociale contacten. De wens voor meer taal in de praktijk kwam naar voren, onder andere de behoefte aan taalbuddies.

Sociale contacten en sociale initiatieven

Wat betreft sociale participatie, zijn inburgeraars neutraal tot tevreden met hun sociale leven en voelt het merendeel zich gemiddeld tot erg comfortabel in de omgang met de lokale bevolking in hun buurt. Uit de expertpool bleek met name een hele grote behoefte om in contact te zijn met Nederlanders, maar deze stap is vaak nog erg groot . Sociale initiatieven ondersteunen hierin, maar door alle verplichtingen van de inburgering blijkt er soms ook te weinig tijd voor, of wonen er simpelweg te weinig Nederlanders in de wijk. Verder is de deelname aan sociale initiatieven onder inburgeraars niet heel hoog, blijkt uit de kwantitatieve resultaten en ook de bekendheid van initiatieven biedt ruimte tot verbetering. Taalbarrières lijken de belangrijkste belemmering te vormen voor inburgeraars om aan sociale initiatieven deel te nemen. Ook uit het kwalitatieve onderzoek kwam naar voren dat sociale initiatieven niet altijd bekend zijn maar er wel behoefte aan is. Vooral gezinsmigranten misten een aanbod. Over het algemeen worden sociale partners goed beoordeeld in de expertpool. Ook professionals benoemen het ‘meedoen aan de samenleving’ als het doel dat zich het moeilijkst laat realiseren.

Tenslotte zien we in het kwantitatieve onderzoek onder inburgeraars een samenhang tussen de evaluaties van het inburgeringsprogramma door inburgeraars en uitkomsten op sociale participatie en mentale gezondheid. Dit impliceert dat goede ervaringen met de ondersteuning en begeleiding vanuit de gemeente positief bij kunnen dragen aan de mate waarin inburgeraars sociale steun ervaren, zich comfortabel voelen in de omgang met de lokale bevolking, een goede mentale gezondheid hebben en minder stress ervaren rondom hun inburgering. Niet iedereen voelt zich deel van de Nederlandse samenleving. Een aantal inburgeraars geven aan in de open vragen dat zij zich eenzaam of uitgesloten voelen. Uit de expertpool kwam onder andere naar voren dat het ervaren van een taalbarrière hier een factor in is.

Mentaal welzijn

Hun mentale gezondheid beoordelen inburgeraars over het algemeen als gemiddeld tot goed. Werkende inburgeraars lijken zich minder goed begrepen te voelen in hun behoeftes door de gemeente dan niet-werkende inburgeraars. In de expertpool kwam ook de link tussen mentaal welzijn en werk naar voren waarbij werk wat niet goed aansluit bij de behoefte, negatieve gevolgen kan hebben op mentaal welzijn. Uit de open vragen van het kwantitatieve onderzoek blijkt dat externe factoren, zoals werk of gezin, soms lastig te combineren zijn met het inburgeren. De extra druk vanuit de verschillende rollen kan zorgen voor een te hoge (mentale) belasting en stress. Ook dat zien we terug in de expertpool. Echter, als een niet te onderschatten factor kwam bij asielmigranten het effect van de lange wachttijden in azc’s en de asielprocedure naar voren als een negatieve factor op mentaal welzijn. 67

Aanbevelingen Dit hoofdstuk geeft concrete aanbevelingen hoe gemeente Nijmegen het inburgeringsprogramma zou kunnen verbeteren op basis van de bevindingen in dit onderzoek. ●

●

● ●

● ●

●

● ●

Focus op het bouwen van een vertrouwensband tussen inburgeraars en de gemeente (via de klantregisseur), vanaf een vroege fase. Dit start al met de juiste informatie en voorlichting over de Brede Intake en PIP. Geef mensen het gevoel dat ze worden gehoord en hun perspectief voor, tijdens en na de inburgering wordt meegenomen. Train, waar nodig, professionals bij de gemeente in culturele sensitiviteit. Beperk het aantal wisselingen tussen klantregisseurs tot een minimum en zorg voor backup wanneer een klantregisseur vertrekt of weinig van zich laat horen. Bijvoorbeeld door een algemeen aanspreekpunt te creëren waar inburgeraars terechtkunnen als zij vastlopen. Hier kunnen zij terecht voor informatie, maar ook aankaarten wanneer ze slecht in contact komen met hun klantregisseur. Zorg voor voldoende begeleiding en contactmomenten tijdens de inburgering. Organiseer dit, met oog op de capaciteit, op een slimme manier. Bijvoorbeeld via peer-to-peer contact, Whatsapp of met ondersteuning van sociale partners. Waar mogelijk, start in een eerdere fase met inburgeringsaanbod, waaronder sociale activiteiten, (informeel) taalaanbod en werk. Met name vroege start met taal voorkomt onzekerheid, isolatie en mentale stress wanneer taalniveau ontoereikend blijkt als je net in de gemeente Nijmegen komt wonen. Reduceer de wachttijden voor taallessen.

Biedt alternatieven aan wanneer er toch wachttijden ontstaan, bijvoorbeeld via informeel taalaanbod van taalbuddies of via taalcafé’s. Probeer zo veel als mogelijk taalaanbod op flexibele wijze in te richten waardoor er ruimte is om dit te combineren met informeel taalaanbod in de praktijk maar met name met de zorg voor gezin en werk. Daarnaast komt er een wisselende behoefte aan intensiteit van taalcursussen naar voren waar op ingespeeld kan worden. Bijvoorbeeld minder intensieve les voor werkenden wanneer ze dat aangeven. Creëer plekken, organiseer bijeenkomsten of rol een campagne uit waar het leren van de Nederlandse taal in een veilige en vertrouwde omgeving centraal staat, om te doorbreken dat taalbarrières om aan sociale bijeenkomsten deel te nemen, de behoefte om meer in contact te zijn met Nederlanders in de weg staat. Taal is onlosmakelijk verbonden met werk. Beantwoord behoeften en ambitie van inburgeraars om te werken in de richting die aansluit bij ambitie, een vooropleiding en kwalificatie, met de mogelijkheid om intensiever en tot een hoger niveau de taal te leren. Bied waar mogelijk via partners, ontsluiting van informatie en netwerk om werk te kunnen vinden.

68

69

Bijlage A Onderzoeksopzet kwantitatief onderzoek Opzet kwantitatief vragenlijst onderzoek Dataverzameling De gegevens voor het kwantitatieve gedeelte zijn verzameld middels een online vragenlijst. De vragenlijst was opgedeeld in blokken die gingen over: ervaringen met het inburgeringsprogramma en de lessen; de inburgeringsfactoren werk, sociale participatie en mentale gezondheid; en tot slot demografische gegevens. De vragenlijst is uitgezet via de database van gemeente Nijmegen. Inburgeraars zijn benaderd via twee wegen: via een e-mail met een anonieme link naar de vragenlijst en via een brief met een QR-code waarmee de vragenlijst kon worden gestart. Respondenten konden kiezen uit drie verschillende talen om de vragenlijst in te vullen: Engels, Nederlands en Arabisch. Na de eerste uitnodiging is er nogmaals een reminder gestuurd om respons te verhogen. Responsverdeling In totaal hebben 518 inburgeraars een uitnodiging gehad voor deelname aan het vragenlijstonderzoek. Hiervan hebben 237 inburgeraars de vragenlijst geopend en 178 zijn gestart met het invullen. 29 responsen zijn uitgesloten van de data-analyse, omdat de data te onvolledig was of omdat er sprake was van een dubbele respons. Nogmaals 29 respondenten hebben de vragenlijst niet helemaal afgemaakt, maar hun data hebben we wel kunnen gebruiken voor het gedeelte dat is ingevuld.

Het uiteindelijke aantal respondenten is daarom 149. Dit komt neer op een respons van 29%, wat een goede respons is voor een vragenlijstonderzoek (gemiddeld genomen wordt een respons tussen de 5% en 30% gezien als acceptabel tot goed). De helft van de respondenten (50%) heeft voor de Arabische taal gekozen voor het invullen van de vragenlijst, 26% voor Nederlands en 24% voor Engels. Daarnaast heeft 66% de vragenlijst ingevuld via een anonieme link per e-mail en heeft 34% de vragenlijst gestart via een QR-code. Beschrijving respondenten Onderstaande tabellen geven een overzicht van de kenmerken van de respondenten weer. Tabel A.1 geeft een uitsplitsing op basis van demografische gegevens en tijd in Nederland. Tabel A.2 geeft een uitsplitsing op basis van huidige inburgeringsstatus en deelname in lessen. De respondenten lijken over het algemeen een goede weergave te zijn van de populatie. Wel zien we dat vrouwen wat ondervertegenwoordigd zijn (in de populatie is de helft man en de helft vrouw; onder de respondenten is 30% vrouw, 47% man en 23% onbekend), terwijl gezinsmigranten juist wat oververtegenwoordigd zijn (64% van de populatie bestaat uit asielstatushouders en 36% uit gezinsmigranten; onder de respondenten is 50% asielstatushouders, 44% gezinsmigranten, 1% vrijwillige inburgeraar en 5% onbekend).

70

Tabel A.1 Kenmerken van de respondenten (demografische gegevens en tijd in Nederland) Totaal aantal respondenten

Kenmerk

Categorie

Gender

Vrouw

45

30

Man

70

47

Non-binair

0

0

Onbekend

34

23

18-19

4

3

20-29

33

22

30-39

27

18

40-49

21

14

50-59

9

6

Ouder dan 60

0

0

Onbekend

55

37

Syrië

46

31

Yemen

10

7

Turkije

7

5

Iran

4

3

Colombia

4

3

Irak

3

2

Palestina

3

2

Eritrea

2

1

Somalië

2

1

Filipijnen

2

1

Nigeria

2

1

Rusland

2

1

Jordanië

2

1

Ghana

2

1

Afghanistan

2

1

Koerdistan

2

1

Leeftijd

Land van herkomst

n

%

71

Tijd in Nederland

Servië

2

1

Anders1

13

9

Onbekend

39

26

0-6 maanden

2

3

7-12 maanden

9

13

1-2 jaar

26

39

2-3 jaar

28

42

Meer dan 3 jaar

11

16

Onbekend

24

36

1De groep ‘anders’ omvat de landen waar slechts 1 respondent vandaan komt, namelijk: Congo, USA, Egypte,

Bangladesh, Nicaragua, Armenië, Algerije, Verenigd Koninkrijk, Zimbabwe, Guatemala, China, Indonesië, en Albanië.

Tabel A.2 Kenmerken van de respondenten (huidige inburgeringsstatus en deelname in lessen) Totaal aantal respondenten

Kenmerk

Categorie

Type inburgeraar

Asielstatushouder

75

50

In Nederland op basis van familiehereniging

66

44

Vrijwillige deelname aan inburgering

1

1

Onbekend

7

5

B1-traject

75

50

Educatieve route

6

4

Z-route, zelfredzaamheidsroute

12

8

Nog niet besloten

7

5

Onbekend

49

33

Nog niet gestart

22

15

Bezig met brede intake

3

2

Wachten op lessen

13

9

Lessen volgen

83

56

Bezig met inburgeringsexamen

15

10

Inburgering afgerond

7

5

Onbekend

4

3

Inburgeringsroute

Inburgeringsfase

n

%

72

Deelname aan lessen

Nederlandse taallessen

95

64

Participatieverklaringstraject (PVT)

18

12

Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP)

14

9

Geen deelname/onbekend

50

34

Evaluatie vragenlijst De vragenlijst werd over het algemeen positief beoordeeld door respondenten (n = 112). De algemene ervaring werd beoordeeld met een 3,73 (schaal: zeer slecht-1 tot uitstekend-5). 67% van de respondenten had een goede tot uitstekende ervaring, tegenover 2% die een (zeer) slechte ervaring had. De duidelijkheid van de vragen in de vragenlijst werd beoordeeld met een 4,05 (schaal: zeer onduidelijk-1 tot zeer duidelijk-5). 70% vond de vragen enigszins of zeer duidelijk, tegenover 6% die de vragen enigszins of zeer onduidelijk vond. De lengte van de vragenlijst werd beoordeeld als ‘precies goed’ door het grote merendeel van de respondenten (92%). Kwantitatieve analyses We hebben de data op verschillende manieren geanalyseerd. Als eerste hebben we ons gericht op beschrijvende analyses. Afhankelijk van het type vraag rapporteren we gemiddelde scores, percentages van respondenten die een bepaalde antwoordoptie kozen, of beide. Voor de gemiddelden werden de scores meestal gegeven op een schaal van 1-5, en soms op een schaal van 1-10. In beide gevallen geldt: hoe hoger de score, hoe beter het item wordt gewaardeerd of herkend. We kijken ook naar de variabiliteit tussen respondenten. Dit doen met behulp van het bereik (het verschil tussen de laagste en hoogste waarde) en de standaarddeviatie (een maat voor de mate van spreiding van de datapunten rond het gemiddelde).

Hier geldt: hoe groter het bereik en hoe hoger de standaarddeviatie, hoe meer variabiliteit er is in de data. Ten tweede hebben we verschillen tussen groepen onderzocht door middel van t-testen en ANOVA's. We vergeleken subgroepen op basis van de variabelen: type inburgeraar, gender, leeftijd en arbeidsstatus. We hebben niet gekeken naar verschillen tussen subgroepen op basis van land van herkomst, omdat – afgezien van Syrië – het aantal inburgeraars per land van herkomst te klein was voor betrouwbare uitkomsten van analyses. Ten derde hebben we de samenhang tussen verschillende variabelen onderzocht met hulp van regressieanalyses. We onderzochten of variabelen met betrekking tot het inburgeringsprogramma (bijvoorbeeld: waar mensen zich in het inburgeringsprogramma bevinden, deelname aan bepaalde soorten inburgeringsdiensten of evaluaties van het programma door inburgeraars) in verband staan met uitkomsten op de inburgeringsfactoren: werk, sociale participatie en mentale gezondheid. Door de beperkte omvang van het aantal respondenten uit bepaalde groepen (bijvoorbeeld ‘vrouwen’ of ‘werkenden’), kunnen de aantallen te klein zijn om sterke conclusies te trekken op basis van meer gecompliceerde analyses.

Daarom moeten we voorzichtig zijn met het interpreteren van bepaalde resultaten en ons er ook van bewust zijn dat kleinere aantallen de kans op het vinden van significante verschillen in de eerste plaats ook verkleint. We spreken van een significant verschil of verband wanneer de p-waarde kleiner is dan .05. Dit betekent dat we met 95% zekerheid kunnen zeggen dat het effect dat we vinden onder de respondenten er echt is, in plaats van toevallig ontdekt, en generaliseerbaar is naar de populatie waarin we geïnteresseerd zijn.

73

Bijlage B expertpool deelnemers Tabel A.1 Kenmerken van de inburgeraars (demografische gegevens, tijd in Nederland en huidige inburgeringsstatus) Totaal aantal inburgeraars

Kenmerk

Categorie

Gender

Vrouw

9

Man

10

Non-binair

0

Onbekend

0

18-19

0

20-29

7

30-39

2

40-49

6

50-59

3

Ouder dan 60

0

Onbekend

1

Syrië

7

Yemen

2

Turkije

5

Guatemala

1

Palestina

1

Eritrea

1

Rusland

1

Leeftijd

Land van herkomst

19

74

Tijd in Nederland

Inburgeringsroute

Afghanistan

1

Onbekend

0

0-6 maanden

1

7-12 maanden

2

1-2 jaar

4

2-3 jaar

9

Meer dan 3 jaar

1

Onbekend

2

B1-route

8

Onderwijsroute

2

Z-route

9

Onbekend

0

Tabel A.2 Kenmerken van de door de inburgeraars geïnterviewde personen (demografische gegevens, tijd in Nederland en huidige inburgeringsstatus) Totaal aantal geïnterviewden

Kenmerk

Categorie

Gender

Vrouw

19

Man

16

Non-binair

0

Onbekend

9

18-19

1

20-29

11

30-39

2

40-49

10

Leeftijd

44

75

Land van herkomst

Tijd in Nederland

Inburgeringsroute

50-59

2

Ouder dan 60

0

Onbekend

18

Syrië

12

Turkije

2

Afghanistan

3

Eritrea

2

Yemen

3

Venezuela

1

Dominicaanse Republiek

1

Algerije

1

Irak

1

Onbekend

18

0-6 maanden

0

7-12 maanden

1

1-2 jaar

2

2-3 jaar

8

Meer dan 3 jaar

2

Onbekend

31

B1-route

5

76

Onderwijsroute

1

Z-route

3

Onbekend

35

77

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=0bba1318-cff6-4a73-a964-9a9e50dc31ef