Bijlage 24 Archeologisch bureau oz en verkennend booroz
Tekst van het document
ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN VERKENNEND BOORONDERZOEK ZWANENVELD PERCELEN 4101, 4301 EN 4303 TE NIJMEGEN GEMEENTE NIJMEGEN
Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Zwanenveld percelen 4101, 4301 en 4303 te Nijmegen in de gemeente Nijmegen Opdrachtgever
Ten Brinke Vastgoedontwikkelaars Havenstraat 128 7005 AG Doetinchem
Project
NIJ.TBV.ARC
Rapportnummer
12106168
Status
Eindrapportage
Datum
3 december 2012
Vestiging
Doetinchem
Auteur
Ir. E.M. ten Broeke (Prospector)
Paraaf
Autorisatie
Drs. A.H. Schutte (Senior KNA-Archeoloog)
Paraaf
© Econsultancy bv, Doetinchem Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy bv aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)
Econsultancy Archeologisch Rapport
Administratieve gegevens plangebied Projectcode en nummer
12106168 NIJ.TBV.ARC
Toponiem
Zwanenveld percelen 4101, 4301 en 4303
Opdrachtgever
Ten Brinke Vastgoedontwikkelaars
Gemeente
Nijmegen
Plaats
Nijmegen
Provincie
Gelderland
Kadastrale gegevens
Gemeente Neerbosch, sectie K, nummers 2064 en 432
Omvang plangebied
Circa 3,5 ha.
Kaartblad
40 C (1:25.000)
Coördinaten centrum plangebied
X: 183.836 / Y: 426.275
Bevoegde overheid
Gemeente Nijmegen Bureau Archeologie & Monumenten Mevrouw M. Smit, senior beleidsadviseur archeologie Postbus 9105 6500 HG Nijmegen Tel. 024-3299729 Email: m.smit@nijmegen.nl
ARCHIS2
Bureauonderzoek 54.236 N.v.t. 44.307
Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.) Vondstmeldingsnummer Onderzoeksnummer
Booronderzoek 54.237 N.v.t. 44.308
Archeoregio NOaA
Utrechts-Gelders zandgebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy, Doetinchem / Provinciaal Archeologisch Depot Gelderland
Uitvoerders
Econsultancy, Ir. E.M. ten Broeke
Kwaliteitszorg Econsultancy beschikt over een eigen opgravingsvergunning, afgegeven door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). De opgravingsvergunning geeft opdrachtgevers de zekerheid dat het uitvoerend bureau werkt conform de eisen die de RCE stelt op het gebied van competenties en integriteit van medewerkers en het toepassen van vigerende normen en onderzoeksprotocollen. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn.
Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
Econsultancy Archeologisch Rapport
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Ten Brinke Vastgoedontwikkelaars een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied Zwanenveld, percelen 4101, 4301 en 4303, te Nijmegen in de gemeente Nijmegen (zie figuren 1 en 2). In het plangebied zal de nieuwbouw van circa 160 woningen worden gerealiseerd. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen wat de verwachtingswaarde is voor de aanwezigheid van archeologische waarden binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Daarom is het binnen het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg uit 2007 (WAMZ), voortvloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992, verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren (zie bijlage 3). Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de herontwikkeling van het plangebied, alsmede een bestemmingsplanwijziging. Doel van het bureauonderzoek is het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden, om daarmee een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied op te stellen.
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen, en is erop gericht om inzicht te krijgen in de geologische en bodemkundige opbouw binnen het plangebied. Tevens is het bedoeld om kansrijke zones te selecteren voor vervolgonderzoek en kansarme zones ervan uit te sluiten. Ook wordt gelet op het voorkomen van (diepe) verstoringen van het bodemprofiel. Indien de ondergrond tot grote diepte verstoord is, zullen eventueel aanwezige archeologische resten mogelijk verdwenen zijn. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek en/of planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting In het plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum. De kans op het voorkomen van resten uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m IJzertijd wordt middelhoog geacht en vanaf de Romeinse tijd hoog geacht. Archeologische resten worden direct aan of onder het maaiveld verwacht. Specifiek voor de periode Romeinse tijd kunnen restanten van wegen worden verwacht.
Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat de bodemopbouw bestaat uit een 30 cm dikke laag cunet-/stabilizatiezand, gevolgd door een geroerde/verstoorde laag en vervolgens de directe overgang naar de C-horizont. De in de geroerde/verstoorde laag antropogene resten zijn van recente datum. Het oorspronkelijk moedermateriaal betreft rivierzand (Formatie van Kreftenheye). De binnen het gehele plangebied uitgevoerde bodemingrepen hebben het oorspronkelijke bodemprofiel volledig verstoord. Resterende kenmerken van het oorspronkelijke bodemprofiel zijn in geen van de boringen waargenomen. Conclusie Op basis van de waargenomen bodemverstoringen kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer aanwezig zullen zijn of alleen nog maar in een verstoorde context zullen voorkomen. Er zijn dus geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen.
12106168 NIJ.TBV.ARC
De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, wordt door het booronderzoek niet bevestigd voor zowel de verwachte bodemopbouw als voor de archeologie. Selectieadvies Op grond van het ontbreken van een intact bodemprofiel en het ontbreken van archeologisch relevante indicatoren adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Dit selectieadvies is voorgelegd aan het bevoegd gezag in kwestie, Burgemeester en Wethouders van de gemeente Nijmegen, en door middel van een selectiebesluit als zodanig bekrachtigd (beoordeling door mevrouw M. Smit, senior beleidsadviseur archeologie gemeente Nijmegen, d.d. 3 december). Met bovenstaand selectieadvies wordt ingestemd. Wel dient te allen tijde bij het afgeven van een omgevingsvergunning de wettelijke meldingsplicht (ex artikel 53 Monumentenwet 1988) kenbaar te worden gemaakt om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij Onze minister. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort.
Het verdient aanbeveling ook de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente Nijmegen (mevrouw M. Smit, senior beleidsadviseur archeologie gemeente Nijmegen) hiervan per direct in kennis te stellen.
12106168 NIJ.TBV.ARC
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
DOELSTELLING EN ONDERZOEKSVRAGEN ......................................................................... 1
3
BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 2 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9
4
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 14 4.1 4.2 4.3
5
Methoden .......................................................................................................................... 2 Afbakening van het plangebied ........................................................................................ 3 Huidige situatie ................................................................................................................. 3 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 4 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 4 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 6 Archeologische waarden .................................................................................................. 9 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 12 Beantwoording onderzoeksvragen bureauonderzoek .................................................... 13
Methoden ........................................................................................................................ 14 Resultaten ....................................................................................................................... 15 Beantwoording onderzoeksvragen veldonderzoek ........................................................ 17
CONCLUSIE EN SELECTIEADVIES ....................................................................................... 18 5.1 5.2
Conclusie ........................................................................................................................ 18 Selectieadvies................................................................................................................. 18
LITERATUUR ...................................................................................................................................... 20 BRONNEN .......................................................................................................................................... 21
12106168 NIJ.TBV.ARC
LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel VI. Tabel V. Tabel VI. Tabel VII. Tabel VIII.
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Grondwatergegevens plangebied Overzicht onderzoeksmeldingen Overzicht ARCHIS-waarnemingen Gespecificeerde archeologische verwachting Hoofdlijn bodemopbouw
LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12. Figuur 13. Figuur 14.
Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1822 (Minuutplan) Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1822 (Minuutplan) Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1894 (Bonneblad) Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1931 (Bonneblad) Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1966 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1977 Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart van Nederland Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart van Nederland Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart gemeente Nijmegen Boorpuntenkaart
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Inrichtingsplan Overzichtsfoto’s plangebied en enkele opgeboorde profielen Boorprofielen
12106168 NIJ.TBV.ARC
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van Ten Brinke Vastgoedontwikkelaars een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied Zwanenveld, percelen 4101, 4301 en 4303, te Nijmegen in de gemeente Nijmegen (zie figuren 1 en 2). In het plangebied zal de nieuwbouw van circa 160 woningen worden gerealiseerd. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen wat de verwachtingswaarde is voor de aanwezigheid van archeologische waarden binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Daarom is het binnen het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg uit 2007 (WAMZ), voortvloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992, verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren (zie bijlage 3). Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de herontwikkeling van het plangebied, alsmede een bestemmingsplanwijziging. Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 3) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 4). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen nodig zijn en zo ja, in welke vorm (hoofdstuk 5).
2
DOELSTELLING EN ONDERZOEKSVRAGEN
Het onderzoek heeft tot doel inzicht te krijgen in de archeologische waarden van het plangebied. Het bureauonderzoek heeft tot doel om een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel van het plangebied op te stellen. Het verwachtingsmodel is gebaseerd op bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden in en om het plangebied. Voor het bureauonderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld:
Wat is er bekend over bodemverstorende ingrepen binnen het plangebied uit het verleden? Is er bijvoorbeeld informatie bekend over vroegere ontgrondingen, bodemsaneringen, egalisaties, diepploegen of landinrichting? Ligt het plangebied binnen een landschappelijke eenheid, die vanuit archeologisch oogpunt een specifieke aandachtslocatie kan betreffen (zoals een relatief hoge oeverwal, nabij een rivierdal)? Wat is de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied?
Het inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen, en is er op gericht om inzicht te krijgen in de geologische en bodemkundige opbouw binnen het plangebied. Tevens is het bedoeld om kansrijke zones te selecteren voor vervolgonderzoek en kansarme zones ervan uit te sluiten. Ook wordt gelet op het voorkomen van (diepe) verstoringen van het bodemprofiel. Indien de ondergrond tot grote diepte verstoord is, zullen eventueel aanwezige archeologische resten mogelijk verdwenen zijn. Het veldonderzoek dient antwoord te geven op de volgende vragen:
Wat is de bodemopbouw binnen het plangebied? Is het bodemprofiel binnen het plangebied intact of (geheel of gedeeltelijk) verstoord en indien verstoord, tot welke diepte gaat deze verstoring? Wat zijn de gevolgen van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied.
12106168 NIJ.TBV.ARC
Pagina 1 van 21
Het bureauonderzoek is uitgevoerd op 22 en 23 oktober 2012 door ir. E.M. ten Broeke (prospector). Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd op 30 oktober 2012 door ir. E.M. ten Broeke (prospector). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (senior KNA-archeoloog/kwaliteitscontroleur).
3 3.1
BUREAUONDERZOEK Methoden
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 3.2, maart 2010), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en 1 LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:
afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:
1
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); de Wateratlas van de provincie Gelderland; literatuur en historisch kaartmateriaal; de Kennisinfrastructuur Cultuurhistorie (KICH); bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Nijmegen; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging.
Beschikbaar via www.sikb.nl
12106168 NIJ.TBV.ARC
Pagina 2 van 21
3.2
Afbakening van het plangebied
Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 1 km rondom het plangebied. Het plangebied heeft oppervlakte van circa 3,5 hectare en ligt aan het Zwanenveld, percelen 4101, 4301 en 4303, en ligt circa 4,5 km ten zuidwesten van de kern van Nijmegen, in het stadsdeel Dukenburg in de gemeente Nijmegen. Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich van west naar oost op een hoogte tussen 8,5 en 9 m +NAP. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Neerbosch, sectie K, nummers 2064 en 432. 3.3
Huidige situatie
Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Het plangebied was tot voor kort nog bebouwd met een middelbare school en verder ingericht als schoolterrein. De bovengrondse delen zijn reeds gesloopt. De ondergrondse delen (funderingen) zijn nog niet verwijderd. De onverharde delen zijn heden braakliggend (zie figuur 3). Het bodemgebruik van de omliggende percelen is als volgt:
aan de noordzijde bevindt zich het spoortracé Nijmegen-Wijchen; aan de oostzijde bevindt zich het Waas-Waalkanaal; aan de zuid- en westzijde bevinden zich woonpercelen, behorend tot de woonwijk Zwanenveld.
Bodematlas provincie Gelderland Met de Bodematlas wil de provincie Gelderland inzicht geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit binnen de provincie in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat de Bodematlas zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Het raadplegen van de Bodematlas heeft voor het plangebied geen aanvullende gegevens opgele2 verd. Huidig milieuonderzoek Gelijktijdig met het archeologisch bureauonderzoek is er voor het plangebied door Econsultancy een milieuhygiënisch bodemonderzoek uitgevoerd (rapportnummer: 12106167, NIJ.TBV.NEN). De resultaten van het milieuhygiënisch bodemonderzoek waren ten tijde van de oplevering van onderhavige rapportage nog niet bekend.
2
http://ags.prvgld.nl/gld.atlas/(S(bl1yuq45rfubgd55u0stir45))/Default.aspx?applicatie=bodematlas
12106168 NIJ.TBV.ARC
Pagina 3 van 21
Eerder uitgevoerd milieuonderzoek In 2005 is door Econsultancy een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor het plangebied (Econsultancy rapport 05102470 NIJ.M22.NEN). Destijds is de bodemopbouw beschreven als bestaande uit voornamelijk uit zwak siltig, zwak tot sterk grindig, matig fijn tot zeer grof zand. De bovengrond is tevens beschreven als zwak tot matig humeus. De bovengrond was plaatselijk zwak tot matig puin- en kolengruishoudend. Destijds zijn binnen het plangebied lichte verontreinigingen met koper, lood, zink en PAK aangetoond in de grond. Het grondwater was licht verontreinigd met kwik, arseen, chroom en zink. De onderzoeksresultaten kwamen toen grotendeels overeen met de resultaten van het eerder uitgevoerde bodemonderzoek in 2003. De aanduiding dat de bovengrond plaatselijk zwak tot matig puin- en kolengruishoudend was, kan een indicatie zijn voor recente bodemverstorende ingrepen. 3.4
Toekomstige situatie
Het toekomstige gebruik van het plangebied kan bepalend zijn voor het vervolgtraject (behoud in-situ of behoud ex-situ van archeologische waarden). De manier waarop het plangebied wordt ingericht kan tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden (deels of geheel) onverstoord (kunnen) blijven. Ook kan besloten worden de inrichting zo aan te passen dat archeologische waarden alsnog onverstoord kunnen blijven liggen. In het plangebied zal de nieuwbouw van circa 160 woningen worden gerealiseerd (zie bijlage 4). Ter plaatse van de toekomstige bebouwing zal, bij de aanleg van een standaard fundering, de bodem tot een diepte van minimaal circa 1 m -mv worden afgegraven (bouwput). 3.5
Beschrijving van het historische gebruik
In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft e door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20 eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. Historisch kaartmateriaal e
De situatie van het plangebied vanaf het begin van de 19 eeuw is op verschillende historische kaarten als volgt: Geraadpleegd historisch kaartmateriaal3
Tabel I. Bron
3
Periode
Kaartblad
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Kadastrale kaart (Minuutplan)
1822
Gemeente Neerbosch, Sectie C, blad 01
1:2.500
Centraal-westelijke deel bebouwd, twee boerenerven, en doorsneden door de ``Nieuwe Straat`` van noordwest naar zuidoost. Overige delen onbebouwd/in agrarisch gebruik
Agrarisch gebied met verspreid boerenerven
Militaire topografische kaart (Bonneblad)
1894
554
1:50.000
Geen noemenswaardige veranderingen
Direct ten noorden spoortracé NijmegenWijchen aangelegd (in gebruik genomen in 1881)
www.watwaswaar.nl
12106168 NIJ.TBV.ARC
Pagina 4 van 21
Vervolg geraadpleegd historisch kaartmateriaal4
Tabel I. Bron
Periode
Kaartblad
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Militaire topografische kaart (Bonneblad)
1931
554
1:50.000
Geen noemenswaardige veranderingen
Maas-Waalkanaal aanwezig (in gebruik genomen in 1927)
Topografische kaart
1966
40 C
1:25.000
Enige uitbreiding bebouwing binnen (boeren)erven.
Weinig veranderingen, enige herverkaveling van agrarische percelen
Topografische kaart
1977
27 G D
1:25.000
(Boeren)erven niet meer aanwezig, bebouwing gesloopt en plaatsgemaakt voor recent gesloopte middelbare school. Resterende deel plangebied ingericht als schoolterrein.
Ontwikkeling van woonwijk Zwanenveld.
e
Op basis van het beschikbare historische kaartmateriaal uit het begin van de 19 eeuw was het centraal-westelijke deel van het plangebied bebouwd, waarschijnlijk bestaande uit twee boerenerven (zie figuur 4). Deze erven stonden aan de ``Nieuwe Straat`` die het plangebied van noordwest naar zuidoost doorsneed. Het overige deel van het plangebied was in agrarisch gebruik (akkerland). De omgeving van het plangebied betrof agrarisch gebied met verspreid staande boerenerven. e
Het gebruik van het plangebied veranderde niet noemenswaardig in de loop van de 19 en de tweede e helft van de 20 eeuw. In 1881 is het spoortracé Nijmegen-Wijchen in gebruik genomen, direct ten noorden van het plangebied (zie figuur 5). Het Maas-Waalkanaal is in 1927 in gebruik genomen (zie figuur 6). Enige uitbreiding van bebouwing langs de ``Nieuwe Straat`` vond plaats in de jaren ´60 van e e de 20 eeuw (zie figuur 7). In de jaren ’70 van de 20 eeuw hebben de boerenerven plaatsgemaakt voor de bouw van een middelbare school. Het plangebied is daarbij compleet heringericht. De bouw van deze school is gekoppeld aan de ontwikkeling van de woonwijk Zwanenveld (zie figuur 8). Het schoolcomplex bood onderdak aan de voormalige Streekschool en de Klokkenberg (LBO/MAVO). Na de hervormingen in het onderwijs en invoering van het studiehuis bood het gehele pand onderdak aan het Regionaal Opleidingen Centrum (ROC) Nijmegen. 5
KICH Het KennisInfrastructuur CultuurHistorie (KICH) heeft alle bekende archeologische en bouwkundige monumenten en historisch-geografische informatie samengebracht in een digitale kaart. Via deze kaart zijn cultuurhistorische waarden per gebied te bekijken. Het raadplegen van KICH heeft voor het plangebied geen aanvullende informatie opgeleverd met betrekking tot archeologie anders dan in § 3.7 verder wordt behandeld. Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Nijmegen is het archief van de Bouw- en Woningtoezicht geraadpleegd. Het schoolcomplex is grotendeels gebouwd in 1975. In 1979 heeft een uitbreiding plaatsgevonden. De school is ingericht ten behoeve van onderwijs in bouw-, metaal-, installatie- en motorvoertuigentechniek, horeca, brood/banket en transport/logistiek. Later is de school in gebruik genomen door Streekschool Nijmegen (R.O.C.). In de huidige situatie zijn de bebouwingen gesloopt. De funderingen en de vloerdelen van de gesloopte bebouwingen zijn nog aanwezig, waarvan enkele voorbeelden worden weergegeven in bijlage 5. De foto’s laten zien dat de bebouwing niet onderkelderd is geweest. De funderingen lopen door tot een diepte van circa 1 m -mv. Ter verwachten is dat destijds, ten behoeve van de aanleg van deze bebouwing en diverse nutsvoorzieningen, de bodem plaatselijk minimaal tot deze dieptes is afgegraven.
Van de bebouwing uit de tijd voordat het schoolcomplex werd aangelegd zijn geen gegevens bekend. 4 5
www.watwaswaar.nl www.kich.nl
12106168 NIJ.TBV.ARC
Pagina 5 van 21
3.6
Aardwetenschappelijke gegevens
Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon van de mens. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel II.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Type gegevens
Geologie
6
Gegevensomschrijving Vlechtende rivierterrasafzettingen van de Formatie van Kreftenheye op glaciofluviale afzettingen (sandr) van de Formatie van Drente, Laagpakket van Schaarsbergen.
Geomorfologie7 Bodemkunde
8
Bebouwd (B), maar waarschijnlijk liggend binnen een terrasvlakte (2M17). Gooreerdgronden, bestaande uit grof zand (pZn30).
9
Geologie De ondergrond van het gebied rondom Nijmegen maakt deel uit van een groot preglaciaal bekken, welke gevormd en deels opgevuld is door voorlopers van de Rijn en de Maas. Tijdens het Pleistoceen werden in dit bekken veelal grove, grindhoudende zanden afgezet, onder koude klimaatcondities. Ruwweg 200.000 jaar geleden lag een groot gedeelte van Nederland onder een vanuit Scandinavië naar het zuiden opgeschoven ijskap. De rand van het ijs bestond uit een aantal gletsjertongen. Aan weerszijden van deze ijsmassa's werden stuwwallen opgeduwd. Zo liep er een grote W-vormige stuwwal van Arnhem via Nijmegen over Groesbeek naar Kleef tot Montferland. De rivieren Rijn en Maas, die een stromingsrichting hadden van zuid naar noord, werden door deze ijskap gedwongen hun weg langs de zuidzijde van het ijs westwaarts naar de zee te zoeken. Daarbij werden enkele brede pradolina’s of oerstroomdalen gevormd. Het grootste oerstroomdal lag ongeveer ter plaatse van het huidige gebied van de Rijn-Maas delta. In dit dal werden overwegend grove, grindhoudende zanden afgezet, welke behoren tot de Formatie van Kreftenheye. Het smeltwater van het landijs stroomde aan de buitenzijde van de stuwwallen af richting het stroomdal van de Rijn en de Maas. Hierbij ontstonden aan de voet van de stuwwallen uitgestrekte puinwaaiers van glaciofluviatiele afzettingen, de zogenaamde Sandrs.
Gedurende de laatste ijstijd, het Weichselien (ca. 120.000 - 10.000 jaar geleden), bereikte het landijs Nederland niet. Toentertijd heerste er in Nederland wel een continentaal periglaciaal klimaat. Dit houdt in dat de omstandigheden erg koud en droog waren. Het landschap in Nederland bestond uit een poolwoestijn, waarin vrijwel geen vegetatie aanwezig was. Ten zuidwesten van Nijmegen lag het stroomgebied van de Maas, waar met name grove, grindhoudende zanden werden afgezet in een vlechtend riviersysteem. Door het vlechtende karakter konden vanuit de vaak geheel of gedeeltelijk droogliggende, brede en ondiepe rivierbeddingen verstuivingen optreden, waardoor rivierduinen zijn gevormd van eolisch materiaal behorend tot de Formatie van Boxtel. Vanwege de overheersende windrichting uit het (zuid)westen bevinden deze zich vooral aan de noordoostzijde van voormalige rivierbeddingen. De rivierduinen zijn ontstaan tijdens de laatste koude fase van het Weichselien, het Jonge Dryas.
6
De Mulder et al., 2003 Alterra, 2003 Stichting voor Bodemkartering, 1974 9 De Mulder et al., 2003 / Berendsen, 2005 / Berendsen, 2008 7 8
12106168 NIJ.TBV.ARC
Pagina 6 van 21
Over een groot deel van Nederland, buiten de invloedsfeer van de voorlopers van de Rijn, werden tijdens het Weichselien niveo-eolische, fluvio-eolische en droog-eolische zanden afgezet. Grootschalige afzetting van niveo-eolische en fluvio-eolische zanden (voorheen aangeduid als de Oude Dekzanden) vond met name plaats tijdens het Laat-Pleniglaciaal. Deze zanden worden gerekend tot de Formatie van Boxtel en betreffen vaak matig gesorteerde zanden, welke onder zeer koude omstandigheden door water en wind als een vlakke deken over het landschap zijn afgezet. Kenmerkend is dan ook dat deze zanden veelal horizontaal gelaagd zijn en dat er lemige banden in voorkomen. Deze afzettingen worden vaak aangezien voor verspoelde dekzanden. De term verspoeld dekzand is enigszins misleidend. Het gaat namelijk niet om eolische zanden die later zijn verspoeld, maar eerder om fluviatiele zanden die later deels zijn opgestoven. De droog-eolische zanden, de dekzanden (voorheen Jonge Dekzanden), zijn afgezet tijdens het LaatGlaciaal en behoren tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden. De zanden zij veelal afgezet in de vorm van langgerekte, vaak ZW-NO georiënteerde ruggen. Gelaagdheid is hierin meestal niet aanwezig, er komen geen leemlagen in voor en het betreft vaak goed gesorteerde zanden.
Vanaf het begin van het Holoceen (laatste 10.000 jaar) kregen de Rijn en de Maas een meanderend patroon, waarbij binnen het stroomgebied voornamelijk klei en zand werd afgezet, behorende tot de Formatie van Echteld. 10
Zandbanenkaart Volgens de Zandbanenkaart (zanddiepte) van de provincie Gelderland ligt het plangebied binnen een gebied dat verstoord is door bebouwing, zandwinning of vergravingen (code 32, zie figuur 9). 11
DINO Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. 12
In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd. Hieruit blijkt dat de ondergrond tot minimaal 3 m -mv bestaat uit grof, grindrijk zand en betreft rivierzand van de Formatie van Kreftenheye. Geomorfologie De Geomorfologische kaart geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de Geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied niet gekarteerd vanwege de ligging binnen de bebouwde kom (zie figuur 9). Op basis van de landschapseenheden in de omgeving van het plangebied buiten de bebouwde kom en de bestudering van boringen uit het Dinoloket wijst erop dat rivierterrasafzettingen aan het oppervlak liggen. Daarom wordt verwacht dat het plangebied binnen een terrasvlakte ligt (2M17).
10 11 12
Wateratlas provincie Gelderland www.dinoloket.nl DINO boornummers B40C2873, B40C0845 en B40C0846
12106168 NIJ.TBV.ARC
Pagina 7 van 21
13
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Het AHN laat zien dat het plangebied relatief laag op de overgang van de ten oosten gelegen daluitspoelingswaaier naar de lager gelegen riviervlakte ligt (zie figuur 10). Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als een gooreerdgrond, bestaande uit grof zand (pZn30, zie figuur 11). Gooreerdgronden zijn hydrozandeerdgronden die geen roestverschijnselen in het bovenste deel van het bodemprofiel hebben (eerste 30 cm vanaf maaiveld). Ze hebben een donkere bovengrond dunner dan 50 cm, waaronder soms een zeer zwakke, diep doorgaande humuspodzol-B-horizont ligt en soms een sterk gebleekt, vrijwel ijzerloze ondergrond. De donkere bovengrond is vanwege de lage/vochtige ligging met periodiek hoge grondwaterstanden ontstaan (hoge productie en geremde afbraak van organische stof). Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG).
Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel III geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een ' of een '' weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Tabel III.
Grondwatertrappenindeling14
Grondwatertrap
I
II'
III'
IV
V'
VI
VII"
GHG (cm -mv)
-
-
<40
>40
<40
40-80
>80
GLG (cm -mv)
<50
50-80
80-120
80-120
>120
>120
>120
') ")
Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een ' of een '' achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld
15
Wateratlas provincie Gelderland Door grootschalige ingrepen in het geohydrologisch systeem wijken de huidige grondwatertrappen in veel gebieden af van de grondwatertrappen die in het verleden voor kwamen. Om dit aan te geven is tevens een inschatting gemaakt van historische grondwatertrappen, welke een indicatie vormen voor de grondwatertrappen zoals die in het jaar 1950 voor kwamen. Deze historische grondwatertrappen zijn gekarteerd op schaal 1:100.000.
13 14 15
www.ahn.nl Locher & Bakker, 1990 Wateratlas provincie Gelderland
12106168 NIJ.TBV.ARC
Pagina 8 van 21
Voor het plangebied zijn de volgende gegevens bekend: Tabel IV.
Grondwatergegevens plangebied GHG
GLG
GVG
Grondwatertrap
Historische grondwatertrap
100
190
125
VII
II
GHG: gemiddeld hoogste grondwaterstand in cm -mv GLG: gemiddeld laagste grondwaterstand in cm -mv GVG: gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand in cm -mv
Een historische grondwatertrap van II betekend dat de locatie vroeger te maken zal hebben gehad met periodiek hoge grondwaterstanden en daardoor natte/drassige condities. 3.7
Archeologische waarden
Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden staan afgebeeld op figuur 12, een kaart met daarop, binnen een straal van circa 1 km rondom het plangebied, de indicatieve archeologische waarde en de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen. Archeologische beleidsadvieskaart Gemeente Nijmegen Sinds 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg van kracht (WAMZ). Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De Archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden.
De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Nijmegen ligt het plangebied binnen een gebied met 'Waarde - Archeologie 2' (zie figuur 13). Deze gebieden, aangegeven met een lichtbruine kleur, onderscheiden zich vanwege een hoge tot zeer hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten. Ten zuiden van de Waal met name de vermoedelijke tracés van verschillende Romeinse wegen. Binnen deze gebieden dient bij planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening, bij bodemingrepen dieper dan 30 cm -mv, vroegtijdig een inventariserend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.
12106168 NIJ.TBV.ARC
Pagina 9 van 21
AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische terreinen in Nederland, welke ook wel worden aangeduid als monumenten. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn de terreinen ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Binnen zowel het plangebied als het onderzoeksgebied liggen géén AMK-terreinen (zie figuur 12). In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal 4 archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om een bureauonderzoek, een proefsleuvenonderzoek, een archeologische begeleiding en een onderzoek waarvan het type en de uitkomsten onbekend zijn in ARCHIS (zie tabel V en figuur 12). Tabel V.
Overzicht onderzoeksmeldingen
Onderzoeksmeldingsnr.
Situering t.o.v. plangebied
Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek
17.262
600 meter ten noordwesten
Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Uitvoerder: Bureau Archeologie Gemeente Nijmegen Datum: 09-05-2006 Onderzoeksnummer: 17.077 Resultaat: De resultaten worden niet vermeld in ARCHIS. Wel wordt vermeld dat het terrein vrijgegeven is voor de voorgenomen ontwikkeling; er is geen reden tot behoud.
421
950 meter ten zuidoosten
Type onderzoek: Onbekend Uitvoerder: Onbekend Datum: 11-08-1986 Resultaat: Onbekend
42.428
1.000 meter ten zuidoosten
Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten Datum: 09-08-2010 Onderzoeksnummer: 33.104 Resultaat: In het hele plangebied kunnen direct aan of onder het maaiveld archeologische resten worden verwacht vanaf het Laat-Paleolithicum en in het bijzonder uit de Romeinse tijd. De verwachte resten uit de Romeinse tijd zullen met name verband houden met de aangetroffen archeologische resten van een nederzetting en grafveld ten zuiden van het plangebied. In het noordelijke deel van het plangebied bevindt zich bebouwing. Deze bebouwing zal naar alle waarschijnlijkheid het archeologische vondstniveau en mogelijk de diepere sporen verstoord hebben. In het zuidelijke deel kan de bodem ook verstoord zijn door de in het verleden aanwezige boomgaard. Geadviseerd is om een inventariserend veldonderzoek uit te laten voeren door middel van een verkennend booronderzoek.
38.846
1.000 meter ten noordoosten
Type onderzoek: archeologische begeleiding Uitvoerder: Bureau Archeologie Gemeente Nijmegen Datum: 08-01-2010 Onderzoeksnummer: 31.055 Resultaat: Begeleiding van 4 werkputten. In put 1 aan de Weurtseweg is een grindpakket van mogelijk een Romeinse weg aangetroffen. In put 2 aan de Energieweg zijn een waterput en greppeltjes aangetroffen. In put 3 aan de Neerbosscheweg zijn kuilen, greppel en een deel van een landweer aangetroffen. In put 4 aan de Graafseweg is een crematiegraf en kuilen uit de Bronstijd aangetroffen.
12106168 NIJ.TBV.ARC
Pagina 10 van 21
Waarnemingen binnen het onderzoeksgebied In ARCHIS staan alle bekende archeologische waarnemingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen waarnemingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan 5 waarnemingen geregistreerd (zie tabel VI en figuur 12). Tabel VI.
Overzicht ARCHIS-waarnemingen
Waarnemingsnr.
Situering t.o.v. plangebied
Aard van de melding
405.352
650 meter ten noordwesten
Nieuwe tijd: gedraaid aardewerk en greppels/sloten Complextype: akker/tuin In werkputten 2 en 4 geen sporen gevonden. In werkputten 1 en 3 zijn twee greppels gedocumenteerd, die beide vanaf het maaiveld tot circa 75 cm diep ingegraven zijn. Er is een fragment van roodbakkend aardewerk. De resten zijn aangetroffen tijdens de uitvoering van een proefsleuvonderzoek (zie onderzoeksmeldingsnr. 17.262)
47.770
750 meter ten oosten
Mesolithicum - Nieuwe tijd: kuilen en greppels/sloten
47.647
800 meter ten oosten
Nieuwe tijd: greppels/sloten, grondsporen en kuilen
47.769
850 meter ten zuidoosten
Neolithicum - Nieuwe tijd: objecten
4.367
700 meter ten noorden (administratief)
Romeinse tijd: geverfd aardewerk, ruwwandige (kook)potten en terra nigra
Door particulieren zijn tijdens niet-archeologische graafwerkzaamheden toch enkele relevante archeologische resten aangetroffen daterend vanaf het Mesolithicum. Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied In ARCHIS staan vondstmeldingen geregistreerd. Nadat deze zijn gecontroleerd worden het waarnemingen. Tot die tijd staan ze als vondstmeldingen geregistreerd. Binnen zowel het plangebied als het onderzoeksgebied zijn géén vondstmeldingen geregistreerd (zie figuur 13). NUMIS NUMIS, oftewel het NUMismatisch InformatieSysteem, is een database waarin beschrijvingen zijn te vinden van in Nederland gevonden munten, penningen en andere numismatische voorwerpen. In NUMIS zijn alle bij het Geldmuseum bekende schatvondsten beschreven. Van de losse vondsten is 16 vooral materiaal van vóór het jaar 1600 na Christus opgenomen. Het raadplegen van NUMIS heeft voor het plangebied géén aanvullende informatie opgeleverd met betrekking tot archeologie.
16
www.geldmuseum.nl/museum/content/zoeken-numis
12106168 NIJ.TBV.ARC
Pagina 11 van 21
3.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel VII.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten resten en/of sporen
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum en Mesolithicum
Middelhoog, maar mogelijk door de vele bodemingrepen verwijderd of in verstoorde context
Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen.
In de top van de rivierterrasafzettingen (top van (oorspronkelijke) gooreerdgronden)
Neolithicum
Middelhoog, maar mogelijk door de vele bodemingrepen verwijderd of in verstoorde context
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen.
In de top van de rivierterrasafzettingen (top van (oorspronkelijke) gooreerdgronden)
Bronstijd en IJzertijd
Middelhoog, maar mogelijk door de vele bodemingrepen verwijderd of in verstoorde context
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.
In de top van de rivierterrasafzettingen (top van (oorspronkelijke) gooreerdgronden)
Romeinse tijd
Hoog, maar mogelijk door de vele bodemingrepen verwijderd of in verstoorde context
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen. Specifiek voor deze periode ook tracés van Romeinse wegen
In de top van de rivierterrasafzettingen (top van (oorspronkelijke) gooreerdgronden)
Middeleeuwen
Hoog, maar mogelijk door de vele bodemingrepen verwijderd of in verstoorde context
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.
In de top van de rivierterrasafzettingen (top van (oorspronkelijke) gooreerdgronden)
Nieuwe tijd
Hoog, maar mogelijk door de vele bodemingrepen verwijderd of in verstoorde context
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.
In de top van de rivierterrasafzettingen (top van (oorspronkelijke) gooreerdgronden)
Het plangebied ligt binnen het rivierterrassen landschap van de Rijn. Direct ten westen vindt er een overgang plaats naar de naar het oosten toe omhoog lopende sandr. Deze sandr bevindt aan de westzijde van het stuwwallengebied van Nijmegen. In principe zal het plangebied geschikt zijn geweest als (tijdelijke) verblijfslocaties en/of voor specialistische activiteiten voor Jagers-Verzamelaars (Laat-Paleolithicum en Mesolithicum). Ook vanaf het Neolithicum zal het plangebied een geschikte bewoningslocatie zijn geweest. De meest geschikte locaties zullen de randen van de stuwwallen hebben gevormd, direct langs het rivierengebied van de Rijn die toen al tussen Nijmegen en Arnhem naar het westen stroomde. De Maas lag verder ten zuidwesten van het plangebied. Op basis van de archeologische beleidskaart van de gemeente Nijmegen bevindt het plangebied zich in een zone waar vermoedelijke tracés van verschillende Romeinse wegen hebben gelegen. Langs deze wegen heeft mogelijk bewoning plaatsgevonden, ook in latere tijden als deze wegen nog voor langere tijd in gebruik zijn geweest. Op basis van het geraadpleegde historisch kaartmateriaal was het centraale westelijke deel van het plangebied reeds in het begin van de 19 eeuw bebouwd (boerenerven) en werd doorsneden door een weg. In de directe omgeving van het plangebied zijn tot op heden weinig waarnemingen gedaan van archeologische resten.
12106168 NIJ.TBV.ARC
Pagina 12 van 21
Op basis van bovenstaande uitgangspunten kunnen er in het plangebied archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum. De kans op het voorkomen van resten uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m IJzertijd wordt middelhoog geacht en vanaf de Romeinse tijd hoog geacht (zie tabel VII). Archeologische resten worden verwacht direct aan of onder het maaiveld verwacht. De vondstenlaag wordt verwacht in de eerste 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) worden binnen 50 cm beneden het maaiveld verwacht. Deze archeologische resten bestaan hoofdzakelijk uit aardewerk- en/of vuursteenstrooiïngen. Door de huidige diepe grondwaterstand en daardoor relatief droge en zure bodemomstandigheden, zullen organische resten en bot slecht zijn geconserveerd. Specifiek voor de periode Romeinse tijd kunnen restanten van wegen worden verwacht. Bodemverstoring Als gevolg van bodemingrepen kunnen vindplaatsen geheel of gedeeltelijk verstoord zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin vondsten in situ bewaard zijn gebleven in de bodem en/of grondsporen intact zijn. e
Het centraal-westelijke deel van het plangebied was reeds in het begin van de 19 eeuw bebouwd, waarschijnlijk bestaande uit twee boerenerven. Bouwtekeningen van deze oude bebouwing zijn niet bekend. De bouw van het schoolcomplex, waarvan de ondergrondse delen nog aanwezig zijn zal binnen het voorheen bebouwde oppervlak bodemverstoringen/vergravingen hebben veroorzaakt door de aanleg van funderingen en diverse nutsvoorzieningen. Tevens zijn diverse verhardingen aangelegd (klinkers en asfalt). Te verwachten is dat in het verleden eventueel aanwezige archeologische resten of sporen zijn ver-/weggegraven binnen in ieder geval de voorheen bebouwde delen van het plangebied. 3.9
Beantwoording onderzoeksvragen bureauonderzoek
Voor het bureauonderzoek is een drietal onderzoeksvragen opgesteld. Hieronder worden deze vragen beantwoord voor zover het bureauonderzoek de daarvoor benodigde gegevens hebben opgeleverd.
Wat is er bekend over bodemverstorende ingrepen binnen het plangebied uit het verleden? Is er bijvoorbeeld informatie bekend over vroegere ontgrondingen, bodemsaneringen, egalisaties, diepploegen of landinrichting? e Het centraal-westelijke deel van het plangebied was reeds in het begin van de 19 eeuw bebouwd, waarschijnlijk bestaande uit twee boerenerven. Bouwtekeningen van deze oude bebouwing zijn niet bekend. De bouw van het schoolcomplex, waarvan de ondergrondse delen nog aanwezig zijn zal binnen het voorheen bebouwde oppervlak bodemverstoringen/vergravingen hebben veroorzaakt door de aanleg van funderingen en diverse nutsvoorzieningen. Tevens zijn diverse verhardingen aangelegd (klinkers en asfalt). Te verwachten is dat in het verleden eventueel aanwezige archeologische resten of sporen zijn ver-/weggegraven binnen in ieder geval de voorheen bebouwde delen van het plangebied.
12106168 NIJ.TBV.ARC
Pagina 13 van 21
Ligt het plangebied binnen een landschappelijke eenheid, welke vanuit archeologisch oogpunt een specifieke aandachtslocatie kan betreffen (zoals een relatief hoge dekzandkop of rug, nabij een veengebied, een beekdal)? Het plangebied ligt binnen het rivierterrassen landschap van de Rijn. Direct ten westen vindt e overgang plaats naar de naar het oosten toe omhoog lopende sandr. Deze sandr bevindt aan de westzijde van het stuwwallengebied van Nijmegen. In principe zal het plangebied geschikt zijn geweest als (tijdelijke) verblijfslocaties en/of voor specialistische activiteiten voor JagersVerzamelaars (Laat-Paleolithicum en Mesolithicum). Ook vanaf het Neolithicum zal het plangebied een geschikte bewoningslocatie zijn geweest. De meest geschikte locaties zullen de randen van de stuwwallen hebben gevormd, direct langs het rivierengebied van de Rijn die toen al tussen Nijmegen en Arnhem naar het westen stroomde. De Maas lag verder ten zuidwesten van het plangebied. Op basis van de archeologische beleidskaart van de gemeente Nijmegen bevindt het plangebied zich in een zone waar vermoedelijke tracés van verschillende Romeinse wegen hebben gelegen. Langs deze wegen heeft mogelijk bewoning plaatsgevonden, ook in latere tijden als deze wegen nog voor langere tijd in gebruik zijn geweest.
Op basis van het geraadpleegde historisch kaartmateriaal was het centraal-westelijke deel van e het plangebied reeds in het begin van de 19 eeuw bebouwd (boerenerven) en werd doorsneden door een weg. In de directe omgeving van het plangebied zijn tot op heden weinig waarnemingen gedaan van archeologische resten.
Wat is de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied? In het plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum. De kans op het voorkomen van resten uit de perioden LaatPaleolithicum t/m IJzertijd wordt middelhoog geacht en vanaf de Romeinse tijd hoog geacht. Archeologische resten worden direct aan of onder het maaiveld verwacht. Specifiek voor de periode Romeinse tijd kunnen restanten van wegen worden verwacht.
4
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
4.1
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, conform de eisen van de KNA, versie 3.2, specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 25 oktober 2012 door ir. E.M. ten Broeke (prospector) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. In totaal zijn er 22 boringen gezet (zie figuur 14). Er is geboord tot een diepte van maximaal 180 cm -mv met een Edelmanboor met een diameter van 10 cm. Er is in 8 raaien geboord met een afstand van 40 m tussen de raaien en een afstand van 50 m tussen de boringen. De raaien zijn verspringend ten opzichte van elkaar gezet, waardoor een systeem bestaande uit gelijkbenige driehoeken ontstaat. De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode be17 schreven. De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). In bijlage 5 worden overzichtsfoto’s van het plangebied en foto’s van het opgeboorde profiel ter plaatse van de boringen 2, 4, 8, 12, 18 en 20 weergegeven.
17
Bosch, 2005
12106168 NIJ.TBV.ARC
Pagina 14 van 21
Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, niet of deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrande leem en bot. 4.2
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 6 weergegeven. De hoofdlijn van de opbouw van de bodem kan als volgt worden weergegeven: Tabel VIII.
Hoofdlijn bodemopbouw
Diepte (cm -mv)
Samenstelling
Interpretatie
Vanaf maaiveld tot 30
Donkergeel tot geelbruin gekleurd, zwak grindig, zwak siltig, matig grof zand
Cunet-/stabilisatiezand
Tussen 30 en minimaal 60 en maximaal 140, gemiddeld tot 80
Zwartgrijs tot donkerbruingrijs gekleurd, matig humeus, zwak tot matig grindig, zwak siltig, matig grof tot zeer grof zand met antropogene bijmenging van resten puin, baksteen en plaatselijk kolengruis, plastic, glas en piepschuim
Geroerde/verstoorde laag
Vanaf gemiddeld 80
Lichtbruin tot lichtgrijs gekleurd, zwak tot matig grindig, zwak siltig, matig grof tot zeer grof zand
C-horizont, rivierzand (vlechtende rivierterrasafzettingen, Formatie van Kreftenheye).
De boringen laten binnen het plangebied een vrij uniforme maar wel een verstoorde bodemopbouw zien. Bij diverse boringen bestaat de bovenste 30 cm uit donkergeel tot geelbruin gekleurd, zwak grindig, zwak siltig, matig grof zand en betreft cunet-/stabilisatiezand. Hieronder of direct al vanaf het maaiveld bevindt zich een laag dat in het algemeen bestaat uit zwartgrijs tot donkerbruingrijs gekleurd, matig humeus, zwak tot matig grindig, zwak siltig, matig grof tot zeer grof zand. Diverse boringen bevatten antropogene bijmenging van resten puin, baksteen en plaatselijk kolengruis, plastic, glas en piepschuim. De verstoringsdiepte bevindt op gemiddeld 80 cm -mv, maar loop bij een aantal boringen dieper door tot maximaal 140 cm -mv, vooral in het oostelijke deel van het plangebied (boringen 18, 19, 21 en 22). Met een scherpe overgang vindt de overgang plaats naar de C-horizont, in de vorm van lichtbruin tot lichtgrijs gekleurd, zwak tot matig grindig, zwak siltig, matig grof tot zeer grof zand. Het betreft rivierzand (vlechtende rivierterrasafzettingen, Formatie van Kreftenheye). Kenmerken van het oorspronkelijke verwachte bodemprofiel (gooreerdgrond) zijn niet aangetroffen. Waarschijnlijk heeft de aanleg e van de school in de jaren ’70 van de 20 eeuw gezorgd voor vrij diepe bodemingrepen, waardoor binnen het gehele plangebied de bodem als verstoord kan worden beschouwd.
Archeologie (geen archeologische vindplaats aangetroffen) Ten eerste dient vermeld te worden dat het booronderzoek is uitgevoerd in de verkennende fase, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen.
12106168 NIJ.TBV.ARC
Pagina 15 van 21
Alleen in de in het veld geïnterpreteerde verstoorde/geroerde laag is antropogeen (“bodemvreemd”) materiaal aangetroffen. Het materiaal uit de boringen 2, 4, 10, 12, 14, 15, 17 en 19 is ter determinatie voorgelegd aan de heer P. Wemerman (materiaalspecialist) en wordt op onderstaande foto’s afgee e beeld. De verwachte (sub)recente ouderdom (19 /20 eeuw, NTC) is bevestigd. De puin-, baksteenen glasresten zullen zijn vermengd met de bodem tijdens de uitvoering van de diverse bodemingrepen. Op het maaiveld van het plangebied waren ook veel puin-, baksteen- en glasresten te vinden, ten gevolge van de sloop van de school (zie ook overzichtsfoto’s in bijlage 5).
e
Boring 2: glasfragment, recent, 20 eeuw
Boring 3: fragmenten industrieel aardewerk, e recent, 20 eeuw
Boring 10: fragmenten baksteen, (sub)recent, e e 19 /20 eeuw
Boring 12: fragmenten baksteen, (sub)recent, e e 19 /20 eeuw
12106168 NIJ.TBV.ARC
Pagina 16 van 21
Boring 14: fragment puin en baksteen, e e (sub)recent, 19 /20 eeuw
Boring 15: fragment baksteen, puin en glas, e e (sub)recent, 19 /20 eeuw
Boring 17: fragmenten puin en baksteen, e e (sub)recent, 19 /20 eeuw
Boring 19: fragmenten baksteen en glas, e e (sub)recent, 19 /20 eeuw
4.3
Beantwoording onderzoeksvragen veldonderzoek
Voor het veldonderzoek is een aantal onderzoeksvragen opgesteld. Hieronder worden deze vragen beantwoord voor zover het veldonderzoek de daarvoor benodigde gegevens heeft opgeleverd;
Wat is de bodemopbouw binnen het plangebied? De bodemopbouw binnen het plangebied is vrij uniform opgebouwd maar wel in zijn geheel verstoord. Bij diverse boringen is vanaf het maaiveld cunet-/stabilisatiezand aangetroffen, vooral nabij de terreindelen waar de ondergrondse delen van de gesloopte school nog aanwezig zijn. Tot minimaal 60 en maximaal 140 cm -mv, gemiddeld tot 80 cm -mv, is sprake van een geroerde laag met vaak een bijmening van resten puin, baksteen en plaatselijk kolengruis, plastic, glas en piepschuim. De grens met de overgang naar de C-horizont is scherp en bestaat uit rivierafzettingen (vlechtende rivierterrasafzettingen, Formatie van Kreftenheye). De oorspronkelijke bodemopbouw is volledig vergraven/verstoord. De gedetermineerde resten uit de geroerde/verstoorde laag zijn alleen van zeer recente ouderdom. Archeologisch relevante indicatoren zijn niet aangetroffen.