CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 18 Archeologisch onderzoek Dorpsstraat (3)

Besluitronde (raadsvergadering) 14 juli 2021, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Nijmegen Lindenholt -3 (Sint Agnetenweg) (69/2021) (HAMERSTUK)18.562 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Figuur 5.10. Buitenzijde van en coupe door put S1.9.

5.3

FH

Vondsten

Tijdens het onderzoek zijn in totaal 39 vondstnummers uitgegeven. De vondsten worden in de administratie van BLAN geadministreerd middels een letter- en cijfercode, opgebouwd uit achtereenvolgens de projectcode (Dne5), het vondstnummer, de materiaalcategorie en tot slot het subnummer van de vondst binnen de materiaalcategorie. Een dergelijke code kan er als volgt eruit zien: Dne5.00022SXX1. Voor de leesbaarheid is ervoor gekozen om in onderhavig rapport bij het bespreken van de vondsten alleen het vondstnummer te vermelden. Het gezamenlijke aantal vondsten bedraagt ca. 552 (Tabel 5.1). De meeste vondsten zijn uit de septic tank S1.8 en waterput S1.9 afkomstig. Een drietal vondsten komt verder uit de tonput S1.6. Uit de verstoringen (S999), de bouwvoor en laag 5020 zijn 15 vondsten verzameld. Hierbij moet wel de kanttekening geplaatst worden dat bij dit totaal ook de 257 pitten uit septic tank S1.8 en de 133 minuscule glasfragmenten uit de sporen S1.8 en S1.9 zijn meegeteld. Het merendeel van de vondsten dateert uit de nieuwe tijd. Uitzondering vormen enkele middeleeuwse scherven en het ijzer uit de tonput S1.6, dat mogelijk laatmiddeleeuws is. Bijna alle vondsten zijn, hoewel meestal gefragmenteerd, goed geconserveerd. Een deel van de metaalvondsten is gecorrodeerd en daarmee minder goed geconserveerd en een papieren bierviltje is slecht geconserveerd.

Daarnaast zijn enkele monsters genomen uit de organische vulling van de septic tank en de waterput. In de evaluatiefase van het onderzoek zijn de monsters gezeefd over een 2 mm zeef. Het bleek dat het 20 litermonster uit S1.9 geen relevant organisch materiaal bevatte. Het monster is vervolgens gedeselecteerd voor verdere uitwerking. Uit het 20-liter monster van S1.8 zijn pitten en kastanjes verzameld. Dit monster wordt besproken in paragraaf 5.3.5. Tabel 5.2 geeft een indruk van de verdeling van de aantallen vondsten over de verschillende materiaalcategorieën. categorie aantal aardewerk 17 bouwkeramiek 41 natuursteen 26 metaal 41 pitten en kastanjes 457 keramische objecten 8 glas 154 kunststof 7 leer 1 papier 1 totaal 753 Tabel 5.2. Overzicht van aantal vondsten per materiaalcategorie.

24 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

5.3.1

Aardewerk

Aleike van de Venne Tijdens het onderzoek is een kleine hoeveelheid van 17 scherven uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd gevonden (Tabel 5.3). De scherven zijn goed geconserveerd, maar niet verlijmbaar tot een archeologisch complete pot. Het aardewerk is geanalyseerd met als voornaamste doel het dateren van de lagen en sporen. Hiertoe is het aardewerk per vondstnummer gedetermineerd naar bakselsoort en waar mogelijk naar vormgroep en type. De resultaten hiervan zijn opgenomen in de database. Vijf fragmenten aardewerk dateren uit de late middeleeuwen, waaronder een fragment steengoed uit Siegburg en vier scherven roodbakkend aardewerk met spaarzaam loodglazuur. Deze fragmenten bevinden zich als opspit tussen de rest van het aardewerk in de sporen en in laag 5030. Ook een fragment van een 16e-eeuwse steengoed kan uit Frechen met een applique in de vorm van een acanthusblad is als opspit aanwezig in septic tank S1.8. In tonput S1.6 is slechts één fragment roodbakkend aardewerk gevonden, namelijk een oorfragment van een grape of pot. Vermoedelijk dateert deze tussen de 15e en 17e eeuw, gezien het spaarzaam loodglazuur, maar een jongere datering is niet uitgesloten. Het aardewerk uit de septic tank S1.8, waaronder roodbakkend aardewerk en industrieel wit aardewerk, is jonger en dateert uit de 19e en het begin van de 20e eeuw.

Er zijn fragmenten roodbakkend aardewerk van een bloempot, een voorraadpot, een papkom/-kop met inwendig slib en een kachelpan. In waterput S1.9 is alleen een fragment industrieel steengoed gevonden, zogenaamd ‘brown stoneware’, dat dateert uit de 18e of 19e eeuw.

steengoed zonder oppervlaktebehandeling

DSbakselcode s1

steengoed met oppervlaktebehandeling

baksel

N MAE

gewicht (g)

1

1

15

s2

1

1

16

roodbakkend aardewerk

r

9

9

188

industrieel steengoed

s3

1

1

4

industrieel wit aardewerk

iw

4

2

2

indetermineerbaar

indet.

1

1

2

17

15

227

totaal

Tabel 5.3. Overzicht van het aardewerk uit de middeleeuwen en nieuwe tijd.

5.3.2

Bouwkeramiek

Mark Komen Er zijn 40 stuks bouwmateriaal (9,7 kg) verzameld, waaronder fragmenten van bakstenen, keramieken buizen, dakpannen, pleisterwerk, plavuizen, stoeptegels en wandtegels (Tabel 5.4). Het bouwmateriaal is afkomstig uit de vullingen van de septic tank S1.8 en waterput S1.9. en dateert uit het begin van de 20e eeuw, maar mogelijk ook uit de tweede helft van de 19e eeuw Bakstenen Uit de vullingen van de septic tank en de waterput zijn zes (incomplete) bakstenen verzameld. De bakstenen hebben een rode of bruine kleur. Drie bakstenen zijn misbaksels. Dat zijn bakstenen die onder invloed van een (te) hoge baktemperatuur zijn misvormd. Door de misvorming kunnen de bakstenen niet gedateerd worden op basis van de formaten. De gelukte bakstenen hebben een lengte van 220 mm, een breedte van 100 mm en/of een dikte van 50 mm. Dit formaat is een standaardformaat voor waalstenen die na ca. 1850 machinaal zijn vervaardigd. Buizen Er zijn zestien fragmenten van keramieken buizen geborgen, waaronder dertien fragmenten van schoorsteenbuizen uit de septic tankt S1.8. Gezien de overeenkomsten in het uiterlijk gaat het waarschijnlijk om delen van eenzelfde schoorsteenbuis. De fragmenten hebben een rood baksel, dat aan de binnenzijde voorzien is van een laag loodglazuur. Het glazuur is aangebracht om de rook beter naar buiten te geleiden.

Op twee fragmenten is op het loodglazuur een laag roet afgezet. Twee andere fragmenten bevatten aan de buitenzijde witte mortel, wat aangebracht moet zijn toen de pijp vastgezet werd in de schoorsteen.

25 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

Uit de septic tank zijn twee fragmenten van rioleringsbuizen (gresbuizen vervaardigd uit steengoed) geborgen. Een derde fragment is geborgen uit de waterput. Het gebruik van gresbuizen uit steengoed ligt in de tweede helft van de negentiende eeuw.41 De fragmenten zijn zowel aan de binnen- als buitenzijde voorzien van glazuur. Op de breuk van één van de fragmenten is een witte aanslag zichtbaar (vnr. 19). voorwerp

fragmenten exemplaren

gewicht (kg)

baksteen

6

6

4,09

buis (riolering)

3

3

0,04

buis (schoorsteen)

16

1

0,45

dakpan (Oud Holle)

1

1

0,16

pleisterwerk

4

4

0,69

plavuis

2

2

2,15

stoeptegel

1

1

1,11

wandtegel

10

4

1,05

totaal

41

22

9,74

Tabel 5.4. Bouwmaterialen afgezet tegen relatieve of absolute aantallen en gewicht.

Dakpan Er is een fragment van een golfpan geborgen uit de vulling van de septic tank S1.8. Het betreft een deel van de rand, ter hoogte van de goot, van een grijsbakkende Oud Holle dakpan. Dakpannen van dit type zijn zeer veel gebruikt in het verleden. Dit type pan is ontwikkeld rond 1600 en kent explosieve groei in het gebruik in de late 17e eeuw en tijdens de 18e eeuw.42 Halverwege de 19e eeuw volgt een verbetering van het ontwerp, waarbij de dakpannen naadloos op elkaar aansluiten.43 Het gevonden fragment is vermoedelijk machinaal gevormd middels een strengpers en dateert van na het midden van de 19e eeuw. Beton met pleisterwerk Er zijn vier stukken beton uit de vullingen van de waterput geborgen waarop een laag witte pleister is aangebracht (vnr. 35). Het betonmengsel bestaat uit Portlandcement waarin grof grind is verwerkt.44 De samenstelling van het beton lijkt te wijzen op een datering vanaf eind 19e eeuw. De laag pleisterwerk is beschadigd en bevat veel haarscheurtjes. Op de pleister is een klein beetje groene verf aangebracht, waarvan lichte tinten resten. Plavuizen en stoeptegel Er zijn fragmenten van twee plavuizen en een stoeptegel geborgen. De plavuizen zijn afkomstig uit de septic tank en de stoeptegel uit de waterput. De ene plavuis betreft de afgebroken hoek van een grijskleurige ongeglazuurde vloertegel. Het oorspronkelijke formaat van de tegel is onbekend.

Alleen de dikte kan nog worden vastgesteld. Deze bedraagt 35 mm, wat een gangbaar formaat is voor plavuizen. In de hoek is een spijkergat te zien. In het gat zal oorspronkelijk een spijker, deze was verbonden aan een houten plankje. De omtrek van de plank werd gebruikt om de vorm uit te snijden. Plank en spijker werden vervolgens verwijderd, waarna het spijkergat achterbleef in de afgebakken tegel. De bovenzijde van de plavuis is afgesleten, vermoedelijk het gevolg van gebruik. De andere plavuis, met een rood baksel, is nagenoeg compleet, waardoor het formaat kan worden vastgesteld: 200 x 200 x 30 mm. Volgens Oswald worden plavuizen van dergelijke omvang geproduceerd vanaf eind 16e, begin 17e eeuw.45 Aan de bovenzijde is de tegel voorzien van een laag loodglazuur. In de hoek heeft de glazuur een spijkergat opgevuld. De onderzijde van de plavuis bevat witte kalkmortel. De stoeptegel, met een dikte van 45 mm, heeft aan de zijkant een laag mortel. Dergelijke tegels zijn in de 20e eeuw geproduceerd. Wandtegels 41

Website Rhein-Erft Tourismus e.V, geraadpleegd op 07-03-2018. De Vries 1994, 90. Mombers 2010, 14-16. 44 Stenvert/Van Tussenbroek 2007, 100. 45 Oswald 2008, 14-17. 42 43

26 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

Uit de vulling van de waterput zijn tien fragmenten van wandtegels geborgen. Alle exemplaren zijn uiterlijk gelijk en bevatten resten mortel. Het betreft machinaal geperste tegels die vermoedelijk in eenzelfde wand gebruikt zijn. Het baksel is wit en vergelijkbaar met porselein (klinkend hard gebakken). De tegels zijn aan voorzijde voorzien van een gelijkmatig verdeelde laag wit glazuur (‘witjes’) en hebben geen afbeelding. De oude breukvlakken kleuren lichtgeel. Aan de achterzijde is een patroon (hechtmotief) zichtbaar met horizontale lijnen en op de hoeken cirkels. Dergelijke patronen ontstaan door het persen van tegels. Het patroon aan de achterzijde van de wandtegels is te vergelijken met de motieven geproduceerd door de Société Céramique Maastricht, in de jaren tussen 1900 en 1920 (Société Céramique 2 en Société Céramique 3).46

5.3.3

Natuursteen

Mark Komen Het natuursteen dat tijdens het veldonderzoek is geborgen betreft 26 stuks leisteen, waaronder 17 fragmenten van griffels en negen stukken daklei. voorwerp

N

gewicht (g)

daklei

9

162

griffellei

17

38

totaal

26

200

Tabel 5.5. Daklei en griffellei afgezet tegen aantal en gewicht.

Griffels De zeventien gebroken griffels komen allemaal uit de vulling van de bakstenen septic tank (Figuur 5.11). De oudste bekende voorbeelden van griffels dateren uit de laatste kwart van de 16e eeuw.47 Gaandeweg de 19e eeuw en begin 20e eeuw is de griffel steeds meer vervangen door potlood en kroontjespen. De griffels zijn vervaardigd uit donkerblauw leisteen, een zacht, gemakkelijk bewerkbaar, gesteente. Om de griffels te vervaardigen, werden leistenen eerst relatief grof op maat verzaagd. Deze grove vorm werd vervolgens in doorsnede rond geslepen, waarbij een klein deel van de stift als rechte lijn onaangeroerd bleef. Op dit deel van de stift is te zien dat de stift bewerkt is. Hier zijn fijne gelijkmatig schuine krasjes aangebracht om de stift van een schrijfpunt te voorzien.

Figuur 5.11. Gebroken griffels uit de septic tank. RM

Op twee fragmenten na met een dikte van 4 resp. 7 mm, hebben de griffels een dikte van 5 mm (Tabel 5.6). Veertien griffels zijn aangepunt. Drie van de aangepunte stiften zijn afgestompt, vermoedelijk door veelvuldig gebruik als schrijfstift. Omdat de zeventien griffels een standaardisatie in bewerking hebben, zijn ze vermoedelijk machinaal bewerkt. Gezien de leeftijd van de school ligt de datering van de griffels in de eerste helft van de 20e eeuw.

46 47

Pluis 2008, 55. Zie bijvoorbeeld Van Gangelen 1993, 571-572; Baart e.a.1977, 381.

27 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

4

gewicht (g) 1

5

30

15

7

7

1

totaal

38

17

dikte griffellei (mm)

N 1

Tabel 5.6. Dikte en gewicht van de griffelfragmenten.

Dakleien Er zijn negen fragmenten leisteen geborgen (Tabel 5.7). Bij de analyse is vastgesteld dat het geen schrijfleien zijn, maar dakleien. Op een fragment uit laag S1.5030 na, komen alle dakleien uit de vulling van de bakstenen septic tank. De dikte van de leien bedraagt gemiddeld 5 mm (Tabel 5.6). Vrijwel alle dakleien zijn donker blauwgrijs van kleur en hebben de vorm van schubben. De uitzondering is een exemplaar dat zilvergrijs gekleurd is en kleine zwarte nopjes heeft (vnr. 13). De nopjes zijn ontstaan door mineralen als chloriet en grafiet.48 Deze leisoort wordt gewonnen in de Duitse Eifel en het Rijngebied en de naam is gebaseerd op het uiterlijk: nopjeslei, of in het Duits Knotentonschiefer.49 Meestal werden dakleien met nagels gefixeerd op het dak. In de verzamelde fragmenten zijn echter geen nagelgaten aanwezig. Wel bevindt zich op een exemplaar mortel Het gebruik van mortel is ook een van de gangbare methodes om leien op het dak te fixeren. Zowel de schubvorm van de dakleien als de toepassing van mortel doet denken aan een toepassing tijdens de late middeleeuwen, maar gezien de context zijn de leien vermoedelijk veel recenter toegepast, tijdens de nieuwe tijd.50 dikte daklei (mm) N

gewicht (g)

4 1

5

5 7

151

6 1

6

totaal 9

162

Tabel 5.7. Dikte daklei afgezet tegen aantal en gewicht.

5.3.4

Metaal

Jelle van Hemert Er zijn 41 metalen objecten gevonden, waaronder één munt (Figuur 5.12.6). Het betreft vondsten van ijzer, brons, lood, zink of aluminium (Tabel 5.8). Van enkele vondsten was de legering niet vast te stellen. De meeste metalen voorwerpen zijn afkomstig uit de waterput, de bakstenen septic tank en tonput. De overige vondsten zijn aangetroffen in laag 5030, de bouwvoor (laag 5000) en recente verstoringen (S999). De 19 ijzeren voorwerpen konden door de hevige corrosie slecht geanalyseerd worden, maar bij het merendeel van dit materiaal bestaat geen twijfel dat het uit de late 19e of 20e eeuw dateert. Ook de non-ferro metaalvondsten waren in een matige tot slechte staat. Dertien vondsten waren zo gefragmenteerd dat de functie niet meer te achterhalen was. Het betreft onder andere metalen plaatjes (van ijzer, brons, zink of een legering), een ijzeren staafje en een ijzeren strip en een fragment van een draad. Het aantal metaalvondsten dat goed gedetermineerd en gedateerd kon worden is daardoor beperkt tot 28 objecten.

48

Hamel 1973, 43. Janse 1986, 30-32 en 62-65. 50 Janse 1986; Boeder & Tolboom 2010. 49

28 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

Figuur 5.12. Een selectie van de metaalvondsten. Schaal 1:1.

RM

Metaal uit S1.9 De meeste metaalvondsten zijn aangetroffen in de waterput S1.9 (20 stuks). Daarvan zijn er acht niet nader te determineren. De overige vondsten betreffen het restant van de putemmer, vijf ijzeren spijkers, één kogelhuls, één bronzen ring, twee niet nader te definiëren hulsvormige objecten, één knoop en één haak. Het restant van de ijzeren putemmer komt uit de waterput. Aan het hengsel zat nog een vastgeknoopt stuk van een touw. De daarbij gevonden ijzeren haak zou mogelijk ook een S-vormig kettingelement kunnen zijn, maar door de fragmentatie en corrosie is dit niet met zekerheid vast te stellen. Het is goed mogelijk dat deze haak of ketting aan de emmer verbonden is geweest. Een kogelhuls behoort tot klein kaliber munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Er is geen code of jaartal meer leesbaar op de onderzijde. De bronzen ring zou mogelijk een gordijnring kunnen zijn. De knoop is een meerdelige knoop versierd met een anker en heeft een ijzeren achterplaat en draadoog (Figuur 5.12.2). Deze knopen werden gedragen in de late 19e eeuw en de eerste helft van de 20e eeuw. metaalsoort brons ijzer lood zink onbekende legering / aluminium totaal

aantal 15 19 1 2 4 41

Tabel 5.8. Overzicht van het aantal metalen voorwerpen naar metaalsoort.

Metaal uit S1.8 De drie metaalvondsten uit de septic tank S1.8 zijn twee ijzeren spijkers en een fragment van een loden plaat. De spijkers wijzen op een datering in de 19e of 20e eeuw. Metaal uit S1.6 Verder zijn nog drie fragmenten van ijzeren hoepels van tonput S1.6 verzameld. De gecorrodeerde beslagplaten kunnen niet goed gedateerd worden. Het is niet uit te sluiten dat ze uit de middeleeuwen dateren.

29 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

Metaal uit laag 5030 Er is één metaalvondst gedaan in laag 5030. Het betreft een bronzen knoop uit de eerste helft van de 17e eeuw (Figuur 5.12.1). De voorzijde van de knoop is versierd met een mannenportret en op de keerzijde bevindt zich een meegegoten draadoog. Een identieke knoop is bekend uit Amsterdam.51 Metaal uit laag 5000 en S999 De vijftien vondsten uit de bouwvoor (laag 5000) en verstoringen (S999) dateren uit de late 19e eeuw of 20e eeuw. Daarvan waren er vijf niet determineerbaar, waaronder een bronzen plaatje met ijzeren nagel met bolle kop (Figuur 5.12.5). De gedetermineerde vondsten betreffen twee tubes, twee fragmenten bronsbeslag, een bronzen beugel, een knoop, een fragment van een lepel, een kogel, een bronzen penning en een bronzen munt. Het beslag heeft deel uitgemaakt van een stopcontact. De dubbel-ovale beugel is mogelijk een corsetonderdeel. De knoop is plat en heeft een staafoog (Figuur 5.12.4). Het zou mogelijk nog uit de late 18e eeuw kunnen dateren. Het lepelfragment betreft een versierde lepelsteel van een onbekende legering (Figuur 5.12.3). De kogel dateert uit de Tweede Wereldoorlog. De enige munt is een cent van Willem III uit 1870 (Figuur 5.12.6). De penning heeft twee identieke zijde met daarop de letters ‘RD’ met rechte lijnen en stippen. Het dateert uit de tweede helft van de 20e eeuw.

5.3.5

Organisch materiaal: pitten

Uit de septic tank S1.8 zijn twee emmers van elk 10 liter bemonsterd uit vulling 4. Het sediment is gezeefd over een 2 mm zeef en de monsters bevatten een flinke hoeveelheid goed geconserveerde pitten: 208 kersenpitten, 54 pruimenpitten, 191 druivenpitten en 1 perzikpit (Figuur 5.13). Aangezien niet de volledige vulling gezeefd is, zal het werkelijke aantal pitten veel hoger liggen. Ook zijn drie, deels vergane, wilde kastanjes gevonden. De pitten en kastanjes zijn niet gedateerd, maar gezien de context, een schoolplein uit de 20e eeuw, zullen ze in die periode in de septic tank terecht gekomen zijn.

Figuur 5.13. Selectie van de pitten uit S1.8.

51

RM

Baart e.a. 1977, 186-187; nr. 259.

30 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

5.3.6

Keramische objecten

Femke Heijting & Aleike van de Venne Pijpenstelen Vier fragmenten van pijpenstelen uit de septic tank S1.8 en waterput S1.9 kunnen niet nader gedateerd worden dan zijnde 18e of 19e eeuws. Knikkers Er zijn twee aardewerken knikkers uit de septic tank S1.8 geborgen. Beide knikkers zijn ongeglazuurd. De grootste witgekleurde knikker heeft een diameter van 1,7 cm en de kleinste grijswitte knikker meet 1,2 cm. De datering ligt, gezien de context, waarschijnlijk in de eerste helft van de 20e eeuw. Kraal Verder is een aardewerken kraal gevonden in waterput S1.9. Het breedste deel heeft een diameter van 1,1 cm. De kraal heeft mogelijk deel uitgemaakt van een telraam of abacus. Datering ligt vermoedelijk in begin 20e eeuw. Verfbakje In waterput S1.9 is tevens een porseleinen schaaltje gevonden. Deze is gebruikt als mengbakje voor waterverf en dateert uit de tweede helft van de 19e eeuw of het begin van de 20e eeuw (Figuur 5.14).52

Figuur 5.14. Verfbakje en daarnaast een verfdoos met eenzelfde soort mengbakjes. RM

5.3.7

Overige materiaalcategorieën: glas, kunststof, leer en papier

Glas Uit zowel de septic tank als de waterput zijn glasvondsten geborgen. A. Een deel van deze vondsten betreft 133 minuscule fragmenten glas. Deze fragmenten zijn in de evaluatiefase gedeselecteerd voor verdere uitwerking.53 Het gedetermineerde glas dateert uit de 20e eeuw (1930-1970). Tussen deze vondsten bevindt zich een scherf vensterglas van ca. 27 cm2 uit S1.8. De glasvondsten uit S1.9 betreffen 5 fragmenten vensterglas, 1 fragment van een witte glazen fles en 14 glazen knikkers (eentellers). Drie knikkers zijn gebroken, de overige elf zijn nog compleet (Figuur 5.15).

52

http://members.ziggo.nl/jcdhollander/kistjes, foto van ackermann waterverfkistje met schuifdeksel 1, geraadpleegd op 26-102018. 53 Uit S1.8 57 fragmenten (23 g,uit S1.9 76 fragmenten (19 g).

31 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

Figuur 5.15. Glazen knikkers uit de waterput S1.9.

RM

Kunststof De vondsten van kunststof komen zowel uit zowel de septic tank als de waterput. Uit de septic tank S1.8 is een bakelieten knoop geborgen. De zwarte knoop heeft 4 ogen en een diameter van 20 mm en de datering zal rond 1950 liggen. Uit de waterput S1.9 zijn zes kunststoffen voorwerpen afkomstig (Figuur 5.16). Onder andere twee knopen, een witte twee-ogige knoop met een diameter van 12 mm en een vierogige zwarte knoop met een diameter van 30 mm. Een andere vondst uit S1.9 betreft een fragment van wit geperst kunststof, Het geperste kunststof toont een tafereel waarop een meisje zichtbaar is, zittend in een keuken, met op haar schoot een schaal waaruit twee duiven eten. Ook op de vloer staat een schaal met daarbij twee duiven. Een vijfde duif komt aangevlogen. Op de achtergrond is een stenen fornuis met een zware ovendeur zichtbaar. Waar dit voorwerp voor gediend heeft is onbekend. Vermoedelijk was het deel van kinderspeelgoed. Een klein fragment kunststof is niet nader te determineren. Een tweede reepje kunststof zou het restant van een horlogebandje kunnen zijn. Ook is een gehalveerd schijfje (diameter 38 mm) van doorzichtig kunststof geborgen, met twee minuscule gaatjes. Dit zou een afdekplaatje van een kinderhorloge kunnen zijn.

1

2

3

4

5 6 Figuur 5.16. Vondsten van kunststof uit de waterput S1.9.

RM

Leer Uit S1.8 is een fragment matig geconserveerd leer geborgen. Het is waarschijnlijk het restant van een leren schoen, maar te klein (25 cm2) om het nader te kunnen definiëren.

32 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

Papier Uit S1.9 is een fragment van een bierviltje van Heineken geborgen. Het bierviltje is bijna vergaan en donker gekleurd door bodemprocessen. Op basis van de vaag leesbare letters en letterstijl is aan de hand van een parallel de datering van het bierviltje rond 1938-1940 te plaatsen (Figuur 5.17).54

Figuur 5.17. Restant bierviltje uit S1.9, met daarnaast het voorbeeld hoe deze eruit gezien heeft.

RM

54

https://www.worthpoint.com/worthopedia, foto van vintage beer coaster-Heineken/ New York World Fair 1939, geraadpleegd op 26-10-2018.

33 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

6

Conclusie

6.1

Synthese en conclusies

Tijdens het archeologisch onderzoek in de Dorpsstraat te Neerbosch-Oost (gemeente Nijmegen) is niet het volledige plangebied opgegraven, maar alleen de locatie waar een bouwput gepland is. Dit onderzoeksgebied op het terrein van een voormalig schoolplein heeft een oppervlakte van 89,75 m2. Op basis van de onderzoeksresultaten is vastgesteld dat de bodem binnen het onderzoeksgebied sterk is verstoord bij de bouw en sloop van de aanpalende school. Deze heeft tussen ca. 1906 en 1979/1980 ten noorden van het onderzoeksgebied gestaan. Ondanks de vele verstoringen kon vastgesteld worden dat de natuurlijke ondergrond bestaat uit (waarschijnlijk) fluvioperiglaciale afzettingen uit het Weichselien, bruingeel grindhoudend zand met ijzervlekken en lichtgrijze leemhoudende vlekken. Daar waar het profiel niet verstoord was, is waargenomen dat er twee akkerpakketten zijn. Het oudste pakket zou uit de 17e eeuw kunnen dateren, het jongere pakket is gedateerd tussen 1600 en 1900. Het bovenste deel van het bodemprofiel betreft een cultuurlaag die waarschijnlijk opgebracht en geroerd is tijdens of kort na de sloop van de school.

Ten tijde van de school waren er minimaal drie bakstenen putten op of onder het plein in gebruik: een kleine rechthoekige zinkput, een grotere ronde septic tank met koepel, die in een later stadium als overloop diende voor een later daarnaast geplaatste betonnen septic tank, en een ronde waterput, waaruit een ijzeren putemmer geborgen is. Uit de vullingen van de drie putten zijn vondsten geborgen die een inkijkje bieden in het schoolleven in de 20e eeuw: de kinderen leerden schrijven met griffels op leien, rekenen met een abacus (getuige de kraal die gevonden is) en schilderen met waterverf. Er is fruit gegeten: kersen, pruimen, druiven en een perzik. De vondst van enkele pijpenstelen doet vermoeden dat de schoolmeester of een andere dorpsbewoner een pijp rookte. Op het schoolplein zal geknikkerd zijn, waarbij ௅ helaas ௅ enkele knikkers in de de waterput terecht zijn gekomen. Een aantal vondsten dateert zeker niet uit de beginjaren van de school, maar eerder uit de latere jaren van het bestaan van de school, waaronder een vooroorlogs bierviltje en de kunststoffen voorwerpen (knopen en fragmenten van kinderspeelgoed). Bij de sloop van de school is een deel van het slooppuinl in de drie putten terecht gekomen: fragmenten van een schoorsteenbuis, plavuizen, beton, een dakpan en wandtegels.

De wijk Neerbosch-Oost maakte oorspronkelijk deel uit van het dorp Neerbosch, dat is ontstaan in de 14e eeuw. Bij onderhavig onderzoek zijn vier (paal)kuilen en een tonput met ijzeren hoepels gedocumenteerd uit de eerste eeuwen van de dorpsgeschiedenis. Ze worden geassocieerd met een vindplaats 100 m ten noorden van het onderzoeksgebied en die in 2011-2012 is onderzocht. Op deze vindplaats zijn onder andere sporen uit de late middeleeuwen-begin nieuwe tijd aangetroffen. De (paal)kuilen en de tonput dateren uit de 15e of 16e eeuw, mogelijk 17e eeuw. Ook enkele vondsten, waaronder aardewerkscherven en een bronzen knoop, dateren uit deze periode. Hoewel de (paal)kuilen niet direct te herleiden zijn tot een structuur, is het vermoeden dat ze deel uitmaakten van een roedenberg of spieker. Een enkel spoor, een paalkuil, is mogelijk nog ouder dan de middeleeuwse geschiedenis van Neerbosch. Hoewel dit spoor niet gedateerd kon worden en ook niet zeker is of het wel een antropogeen spoor betreft, is het vermoeden dat de paalkuil uit de prehistorie kan dateren (late bronstijd-Romeinse tijd).

Op basis van het PvE, waarin de historie van het onderzoeksgebied in de periode 1700-1945 niet besproken is was de verwachting dat resten van bewoning (nederzetting) uit de late bronstijd, middeleeuwen en nieuwe tijd aangetroffen zouden worden.55 Ook is de verwachting geformuleerd dat een deel van het kerkhof van de van oorsprong middeleeuwse kerk binnen het onderzoeksgebied zou kunnen liggen. Op basis van de onderzoeksresultaten zijn drie vindplaatsen onderscheiden: ten eerste de vindplaats met het prehistorische spoor, ten tweede de nederzetting uit de late middeleeuwen/begin nieuwe tijd en ten derde het schoolgebouw met omliggend terrein uit de nieuwe tijd. Dit komt overeen met de, voorafgaand aan het veldwerk, geformuleerde verwachting dat binnen het plangebied resten van bewoning uit de late bronstijd, middeleeuwen en nieuwe tijd aangetroffen zouden worden. Er werd echter ook verwacht dat binnen het plangebied een deel van een kerkhof zou kunnen liggen. Deze is niet aangetroffen. De twee vindplaatsen uit de prehistorie en middeleeuwen/nieuwe tijd worden als behoudenswaardig beschouwd. De derde vindplaats (20e-eeuwse school) is niet behoudenswaardig. Het advies is derhalve om bij toekomstige bodemingrepen in en rond het plangebied de behoudenswaardige vindplaatsen in acht te 55

Van Hemert 2017, 8.

34 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

nemen door bij bodemingrepen die dieper reiken dan 8,70 m +NAP (0,50 m -mv) een archeologisch onderzoek uit te voeren.

6.2

Beantwoording van de onderzoeksvragen

Om de doelstelling van het onderzoek te verwezenlijken zijn in het Programma van Eisen 41 onderzoeksvragen geformuleerd.56 Algemeen 1. Waaruit bestaan de archeologische resten (sporen, structuren, vondsten)? Tijdens het archeologisch onderzoek in de Dorpsstraat zijn sporen en vondsten aangetroffen uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Een enkel paalspoor is mogelijk ouder (prehistorisch). De middeleeuwse sporen betreffen de restanten van een tonput en enkele (paal)kuilen. Het is niet met stelligheid vast te stellen tot welk type structuur de (paal)kuilen behoorden. Mogelijk maakten de (paal)kuilen deel uit van een roedenberg. De sporen uit de nieuwe tijd (drie bakstenen putten) worden geassocieerd met de school die in de 20e eeuw aan de Dorpsstraat gestaan heeft. Het vondstcomplex omvat fragmenten aardewerk uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd. De ijzeren hoepelfragmenten uit de tonput zijn mogelijk ook laat-middeleeuws. De overige vondsten dateren uit de nieuwe tijd. Een bronzen knoop kan uit de eerste helft van de 17e eeuw dateren. De meeste metaalvondsten zijn jonger. Tussen deze vondsten bevinden zich het restant van een putemmer, ijzeren spijkers en een kogelhuls. Ook zijn er enkele kleine keramische objecten gevonden: pijpenstelen, knikkers, een kraal en een verfbakje. Verder zijn er fragmenten bouwkeramiek en bewerkt natuursteen (dakleien en griffels) geborgen.

Andere vondsten betreffen fragmenten van vensterglas en knikkers van glas en aardewerk. Tot slot zijn enkele voorwerpen van kunststof gevonden, waaronder drie knopen en fragmenten van kinderspeelgoed, een reepje leer en een papieren bierviltje. 2.

Wat is de aard, datering en omvang van de archeologische resten (te onderscheiden in sporen en vondstmateriaal) en tot welk complextype en culturele eenheden kunnen ze worden gerekend? De aard en datering van de archeologische resten worden besproken in het antwoord op vraag 1. Wat de complextypen betreft: De (mogelijk) prehistorische paalkuil kan niet aan een complextype worden gerelateerd, het behoorde waarschijnlijk tot een nederzetting. De middeleeuwse sporen en vondsten worden geassocieerd met een nederzetting, de oorsprong van het dorp Neerbosch dat ontstaan is na de ontginning in de 13e/14e eeuw. Tot slot horen de sporen en vondsten uit de nieuwe tijd bij de school die in de 20e eeuw in het dorp Neerbosch, na 1965 de Nijmeegse wijk Neerbosch-Oost, stond.

3.

Hoe gaaf zijn de archeologische sporen? Een aanzienlijk deel van het archeologisch vlak is verstoord door recente bodemingrepen die waarschijnlijk samenhangen met de bouw en sloop van de school in 1969-1970. In het onverstoorde deel van het vlak zijn de sporen goed geconserveerd. Echter, er moet rekening gehouden worden met de mogelijkheid dat door beakkering in de middeleeuwen en nieuwe zowel ondiepe sporen als het bovenste deel van de diepreikende sporen opgenomen zijn in de akkerlaag en daardoor verdwenen zijn.

4.

Wat is de aard en de datering van de archeologisch relevante bodemlagen en wat is hun begrenzing in het verticale en horizontale vlak? Direct onder het maaiveld (9,40 m +NAP) is een bouwvoor van 50 tot 60 cm dik onderscheiden. Deze zal in de 20e eeuw ontstaan zijn tijdens of na de sloop van de school. Onder de bouwvoor bevinden zich twee oudere lagen, laag 5010 en laag 5020, elk 20 tot 40 cm dik. De lagen vormen samen een pakket dat vermoedelijk een akkerpakket is met een oorsprong in de late middeleeuwen en wat gedurende eeuwen beploegd is. Laag 5010 heeft een datering tussen de 17e en 20e eeuw en laag 5020 zou mogelijk 17e-eeuws kunnen zijn. De lagen strekken zich uit tot buiten het onderzoeksgebied en zijn derhalve niet begrensd in het horizontale vlak.

5.

Wat is de exacte locatie van de archeologische resten? Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar de alle-sporenkaart (Bijlage 3).

56

Van Hemert 2017, 9-11.

35 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

6.

Zijn met het definitieve onderzoek ook de begrenzingen van de vindplaatsen vastgesteld? Om deze vraag te kunnen beantwoorden, moet eerst bepaald worden welke vindplaatsen in het onderzoeksgebied aanwezig zijn. Er zijn drie vindplaatsen onderscheiden; Vindplaats 1: Een mogelijke prehistorische nederzetting. Dit is echter gebaseerd op een enkel spoor, wat niet gedateerd kon worden. De paalkuil kan evengoed na de prehistorie gegraven zijn of een natuurlijk fenomeen zijn. Indien het spoor deel uitmaakt van een prehistorische vindplaats moet de begrenzing buiten het onderzoeksgebied liggen. Mogelijk moeten de prehistorische sporen van het onderzoek Dne1 tot dezelfde vindplaats gerekend worden. Vindplaats 2: Een nederzetting uit de late middeleeuwen en/of begin nieuwe tijd (14001700). Ook voor deze vindplaats geldt dat de begrenzing buiten het onderzoeksgebied ligt en dat het onderzoeksterrein van het project Dne1 mogelijk tot dezelfde vindplaats gerekend kan worden. Vindplaats 3: Een schoolgebouw met omliggend terrein uit de Nieuwe tijd (20e eeuw). De begrenzing van het schoolterrein en daarmee ook de begrenzing van de vindplaats, is vastgesteld bij het bureauonderzoek dat tijdens het opstellen van onderhavig eindrapport is uitgevoerd.

7.

Wat is de diepte (t.o.v. maaiveld) en de hoogteligging (t.o.v. NAP) van de archeologische resten? Het archeologisch leesbaar vlak is aangelegd op ca. 8,20 m +NAP (1,20 m -mv).

8.

Zijn er fossiele/begraven bodems aanwezig? Nee.

9.

Wat is de relatie tussen de aangetroffen resten, de vastgestelde stratigrafie, de bodemgesteldheid en het landschap (geomorfologie en reliëf)? Het onderzoeksgebied ligt binnen een spoelzandvlakte. De zandige en lemige afzettingen boven grondwaterniveau bieden geen ideale omstandigheden voor de conservering van archeologische resten, met name voor organisch materiaal en ijzer. Dit is terug te zien in het vondstcomplex met onder andere zwaar gecorrodeerde metaalvondsten. Het grondwater is waargenomen op een diepte van ca. 7,40 m +NAP, ca. 0,6 m onder het aangelegde vlak. Dankzij de zuurstofarme omstandigheden onder grondwaterniveau kon bij de vlakaanleg een klein restant van een (waarschijnlijk) laat-middeleeuwse tonput waargenomen worden. Organische vondsten van jongere datum, zoals de houten stelplaat van de bakstenen septic tank S1.8 en de pitten uit de vulling van deze hebben minder lang te lijden gehad van de slechte conserveringsomstandigheden en zijn daarom nog goed bewaard gebleven. In de stratigrafische opbouw van de lagen in het profiel zijn twee akkerlagen waargenomen. Door de beakkering en ook door de bouw en sloop van de school, zal het bovenste deel van de diep reikende sporen verloren gegaan zijn en zal een deel van de ondiepere sporen volledig verdwenen zijn.

10. Wat is de conservering van de verschillende materiaalcategorieën, inclusief archeobotanisch en archeozoölogisch materiaal? De meeste materiaalcategorieën zijn goed geconserveerd. Dat geldt voor de fragmenten aardewerk, bouwkeramiek, natuursteen, kunststof, glas (zowel fragmenten als complete voorwerpen), keramische objecten. Minder goed (matig) geconserveerd zijn het leerfragment, het papieren bierviltje en de vondsten van metaal. De meeste ijzeren objecten zijn sterk gecorrodeerd, waardoor ze niet of met moeite geanalyseerd konden worden. Ook de niet-ijzeren metaalvondsten verkeren in een matige tot slechte staat. Er is geen archeozoölogisch materiaal geborgen. De archeobotanische vondsten betreffen de pitten en kastanjes uit de septic tank S1.8. De pitten zijn goed geconserveerd en de drie kastanjes zijn half vergaan. 11. Bevat de vindplaats voor onderzoek geschikte paleo-ecologische en/of botanische resten? Uit de septic tank S1.8 zijn botanische resten geborgen (pitten). Deze zijn gedetermineerd. Er is geen onderzoek verricht naar de aanwezigheid en de staat van paleo-ecologische resten. 12. Is er een relatie tussen de landschappelijke ligging (geomorfologie, reliëf en bodem) en de conservering van de archeologische resten? Zie het antwoord op vraag 9.

36 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

13. Is er sprake van rituele deposities binnen of buiten de vindplaats (bouwoffers, verlatingsdeposities, deposities in natte context e.d.)? Nee. 14. Wat is de relatie tussen de aangetroffen archeologische resten en het reeds uitgevoerde archeologisch onderzoek binnen het onderzoeksgebied en in de directe omgeving daarvan? Binnen het onderzoeksgebied was nog niet eerder archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek heeft wel een relatie met het onderzoek met projectcode Dne1 dat in 2011-2012 is uitgevoerd op het terrein 100 m ten noordwesten van het onderzoeksgebied. De (mogelijk) prehistorische en middeleeuwse sporen van onderhavig onderzoek behoren wellicht tot dezelfde vindplaatsen die op Dne1 zijn aangetroffen. 15. Wat is de historische context van de archeologische resten? De middeleeuwse sporen en vondsten kunnen in een historische context geplaatst worden, namelijk de geschiedenis rond de ontginning van Neerbosch, wat aanving aan het einde van de 13e eeuw, begin 14e eeuw. Ook de sporen uit de nieuwe tijd hebben een historische context. Deze sporen worden geassocieerd met de school die vanaf ca. 1906 tot 1979/1980 direct ten noordwesten van het onderzoeksgebied stond. Nederzettingssporen 16.

Wat is de precieze aard en datering van de nederzettingssporen, tot welke zone van een nederzetting behoren zij (kern, randzone of buitengebied)? Op basis van een enkele (mogelijk) prehistorische paalkuil kan niet vastgesteld worden tot welk type nederzetting het spoor behoorde. Op basis van de onderzoeksresultaten van het project Dne1 kan geopperd worden dat het spoor tot een erf behoorde (boerderij en/of akker met spiekers) De middeleeuwse tonput en (paal)kuilen behoren tot een erf of nederzetting. De sporen uit de nieuwe tijd worden geassocieerd met een school die in de 20e eeuw in het voormalige dorp Neerbosch/de wijk Neerbosch-Oost stond. 17. Indien het een nederzettingsterrein betreft: hoe is het nederzettingsterrein ingericht? Kunnen er huisplattegronden of andersoortige gebouwstructuren worden onderscheiden? Zo ja, kunnen er uitspraken worden gedaan over de functie van de gebouwen? Het ontgraven deel van het plangebied is te klein om uitspraken te kunnen doen over de inrichting van een nederzettingsterrein uit de prehistorie of middeleeuwen. Er zijn middeleeuwse (paal)kuilen aangetroffen die niet direct aan een structuur gerelateerd kunnen worden, maar mogelijk tot een roedenberg behoorden. In de 20e eeuw was het onderzoeksgebied in gebruik als schoolplein en stond de school ten noordwesten van het plein. 18.

Hoe kunnen de eventuele gebouwstructuren typologisch en chronologisch worden geplaatst? Er kan niet met stelligheid geconcludeerd worden dat bij onderhavig onderzoek gebouwstructuren zijn aangetroffen. Als de (paal)kuilen tot een gebouw behoorden, zal dat waarschijnlijk een drie- of vijfpalige roedenberg geweest zijn. 19. Zijn er erven te onderscheiden en zo ja, zijn deze begrensd? Zo ja, zijn er aanwijzingen voor gelijktijdigheid van de erven? Er is geen erf onderscheiden. 20. Wat is de ruimtelijke en economische indeling van de huisplattegronden? Er zijn geen huisplattegronden herkend. Deze onderzoeksvraag is niet van toepassing. 21. Wat was de economische bestaansbasis van de bewoners van de nederzettingen en elk erf? Zijn er in dit kader aanwijzingen voor economische specialisatie tussen verschillende huizen en/of erven? Deze onderzoeksvraag is niet van toepassing. Graven 22. Zijn er ter plaatse van het onderzoeksgebied graven aanwezig? Zo ja: Er zijn geen graven aangetroffen. De onderzoeksvragen 23 t/m 33 zijn daarom niet van toepassing en zullen niet beantwoord worden. 23. Is er sprake van graven of clusters van graven? 24. Wat is er bekend van de aard, ouderdom, status, gaafheid, etc. van de graven? 25. Wat is de relatie van de graven tot elkaar? 37 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

26. Wat is de precieze datering van de graven (zo mogelijk op basis van chronometrische dateringsmethoden)? 27. Wat voor graftypen kunnen worden onderscheiden? 28. Waaruit bestaat de constructie van het graf (grafkuil, grafkist, grafkamer, etc.)? 29. Zijn er bijzettingen in het graf? 30. Wat is de interne structuur van het grafveld, wat betreft verspreiding (en eventuele oversnijding), diepte en in het geval van inhumatiegraven oriëntatie van de graven? 31. Zijn er grafgiften in de graven aanwezig en kunnen daar conclusies aan verbonden worden met betrekking tot leeftijd, geslacht etc.? 32. Liggen er geslachts- of leeftijdsspecifieke kenmerken ten grondslag aan het begrafenisritueel? 33. Zijn de graven vergelijkbaar met reeds eerder in Nijmegen-Noord onderzochte grafvelden? Tweede Wereldoorlog 34. Zijn er ter plaatse van de vindplaats resten uit de Tweede Wereldoorlog aanwezig? Zo ja, wat is de aard, datering, afkomst/productieplaats, kwaliteit en omvang van deze resten? Er zijn geen sporen uit de Tweede Wereldoorlog aangetroffen. Wel zijn er twee vondsten uit de oorlogsjaren: een goed geconserveerde kogel en een kogelhuls. De afkomst of productieplaats van deze vondsten is onbekend. 35. Kunnen resten uit de Tweede Wereldoorlog worden toegeschreven aan één deelnemend land en/of specifieke gevechtseenheid? Nee. 36.

Kunnen resten uit de Tweede Wereldoorlog worden toegeschreven aan historisch bekende gevechtshandelingen? Nee. 37. Kunnen resten uit de Tweede Wereldoorlog worden toegeschreven aan (de bouw, gebruik en sloop van) grotere structuren zoals schuttersputjes, kazematten, bunkers, loopgraven en stellingen? Nee. 38. Indien grotere structuren uit de Tweede Wereldoorlog worden aangetroffen: wanneer, door wie en met welk doel zijn deze structuren gebouwd, (her)gebruikt en vernietigd/gesloopt? Niet van toepassing. Er zijn geen grotere structuren uit de Tweede Wereldoorlog aangetroffen. 39. Is er een fasering aan te brengen in de bouw van deze grotere structuren? Zo ja, is deze fasering te koppelen aan een (historische) gebeurtenis? Niet van toepassing. 40. Levert het archeologisch onderzoek naar Tweede Wereldoorlogresten aanvullende informatie op met betrekking tot hetgeen bekend is uit historische bronnen? Zo ja, welke aanvullende informatie is dat dan? Nee. 41. Welke aanbevelingen zijn er te geven voor toekomstig archeologisch onderzoek naar resten uit de Tweede Wereldoorlog? Omdat nagenoeg geen resten uit de Tweede Wereldoorlog zijn aangetroffen, zijn onderhavige onderzoeksresultaten niet geschikt om op basis daarvan een aanbeveling te formuleren voor toekomstig archeologisch onderzoek.

38 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

6.3

Waardering van vindplaatsen

Ten behoeve van de zorg voor het collectieve archeologisch erfgoed in de bodem en het streven naar het behoud en duurzaam beheer van waardevolle archeologische locaties, wordt in deze paragraaf aandacht besteed aan de waardering van de aangetroffen vindplaatsen in het plangebied. Daartoe zijn de vindplaatsen conform de KNA 4.0 op hun behoudenswaardigheid getoetst.57 Deze toetsing vindt plaats op basis van belevingswaarde, fysieke kwaliteit en inhoudelijke kwaliteit. Normaliter wordt na een inventariserend veldonderzoek de behoudenswaardigheid van een vindplaats bepaald. Bij onderhavig onderzoek is echter in het Plan van Aanpak vastgelegd dat, zonder het bepalen van de behoudenswaardgheid, direct doorgestart kan worden naar een opgraving (Definitief Onderzoek). Daarom is binnen het onderzoeksgebied de vindplaatsvolledig opgegraven. De waardering van de vindplaats heeft plaatsgevonden na de opgraving, door in het evaluatierapport is een (voorlopige) waardering op te nemen. Dit om de besluitvorming inzake het eventuele noodzakelijke vervolgonderzoek te kunnen bespoedigen. Ten tijde van het opstellen van het evaluatierapport werd gedacht dat binnen het plangebied sprake was van één vindplaats uit de nieuwe tijd.58 Deze vindplaats is gewaardeerd als ‘niet behoudenswaardig’.

Op basis van deze waardering en het gegeven dat het onderzoeksgebied reeds volledig was opgegraven, is vervolgens geadviseerd het onderzoeksgebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling. Op 3 juli 2018 heeft het bevoegd gezag archeologie van de gemeente Nijmegen dit advies overgenomen.59 Na de definitieve uitwerking van de sporen en vondsten, moet geconcludeerd worden dat binnen het onderzoeksgebied niet één vindplaats, maar drie vindplaatsen aanwezig zijn. Deze vindplaatsen zullen in onderhavige paragraaf opnieuw gewaardeerd worden. Omdat het onderzoeksgebied al opgegraven is, heeft de herwaardering geen gevolgen voor de ontwikkelingsprocedure binnen het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied maakt echter deel uit van een groter plangebied. De herwaardering kan van dienst zijn bij het formuleren van een advies over te nemen maatregelen bij het eventuele ontwikkelingsprocedures bin en rond het plangebied. Bij het waarderen van een vindplaats wordt gekeken naar de volgende criteria: belevingswaarde, fysieke kwaliteit en inhoudelijke kwaliteit. De belevingswaarde bestaat uit de elementen ‘schoonheid’ en ‘herinneringswaarde’ en is alleen van toepassing als de vindplaats bovengronds zichtbaar is. De conservering en gaafheid bepalen samen de score voor de fysieke kwaliteit: drie punten voor hoge, twee punten voor middelhoge en één punt voor lage kwaliteit.

Zeldzaamheids-, informatie- en ensemblewaarde en de representativiteit bepalen samen de inhoudelijke kwaliteit, wat wordt uitgedrukt door middel van hetzelfde puntensysteem. Een vindplaats wordt op basis van fysieke kwaliteit in principe als behoudenswaardig aangemerkt indien de criteria gaafheid en conservering samen bovengemiddeld (vijf of zes punten) scoren. Bij een middelmatige tot lage score (vier punten of minder), wordt naar de inhoudelijke kwaliteitscriteria gekeken om te bepalen of een vindplaats toch behoudenswaardig is. Indien te verwachten is dat op één van de inhoudelijke criteria ‘hoog’ wordt gescoord, wordt de vindplaats ook in principe behoudenswaardig geacht. Vindplaats 1: (mogelijk) prehistorisch spoor. De belevingswaarde is niet van toepassing op de prehistorische vindplaats, zodat de vindplaats op basis van dit aspect niet als behoudenswaardig kan worden aangemerkt. De fysieke kwaliteit wordt beoordeeld als ‘laag’ (Tabel 6.1): van het (mogelijke) prehistorische spoor was slechts een klein restant bewaard gebleven en vondsten uit deze periode ontbreken. Op het criterium ‘inhoudelijke kwaliteit’ scoort de vindplaats echter hoog. Daarbij moet gezegd worden dat bij deze beoordeling er van uit wordt gegaan dat het spoor en de vindplaats deel uitmaken van een grotere behoudenswaardige prehistorische vindplaats, waarvan een deel onderzocht is bij het project Dne1.

Conclusie: de vindplaats is behoudenswaardig. waarden

criteria

beleving

schoonheid herinneringswaarde

hoog

scores midden

laag 1 1

totaal score 2

57

SIKB 2016, KNA 4.0, specificatie VS06 en Bijlage IV Waarderen van vindplaatsen. Heijting 2018, 15-16. 59 M.J. Nicasie, deskundige namens bevoegd gezag archeologie, gemeente Nijmegen, d.d. 03-07-2018. 58

39 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

fysieke kwaliteit

inhoudelijke kwaliteit

gaafheid conservering zeldzaamheid informatiewaarde ensemblewaarde representativiteit

1 1 3 3 3 3

2

12 ja

behoudenswaardig Tabel 6.1. Scoretabel waardestelling vindplaats 1.

Vindplaats 2: nederzetting uit de late middeleeuwen/begin nieuwe tijd (1400-1700). Ook voor deze, bovengronds niet-zichtbare, vindplaats geldt dat de belevingswaarde niet van toepassing is (Tabel 6.2). In het onverstoorde deel van het onderzoeksgebied zijn de laat-middeleeuwse sporen goed geconserveerd, wel zullen ondiepe sporen en het bovenste deel van diepreikende sporen opgenomen zijn in de jongere akkerlagen. Net als voor de prehistorische vindplaats geldt voor deze vindplaats dat de sporen, samen met de sporen van het project Dne1, deel kunnen uitmaken van een grotere vindplaats. Een vindplaats die samenhangt met de vroegste ontginning van Neerbosch. Deze vindplaats heeft een hoge inhoudelijke kwaliteit, waardoor de vindplaats als behoudenswaardig beschouwd moet worden. Conclusie: de vindplaats is behoudenswaardig. waarden beleving fysieke kwaliteit

inhoudelijke kwaliteit

criteria schoonheid herinneringswaarde gaafheid conservering zeldzaamheid informatiewaarde ensemblewaarde representativiteit

hoog

scores midden

laag 1 1

totaal score 2

2 3 3 3 3 3

5

12 ja

behoudenswaardig Tabel 6.2. Scoretabel waardestelling vindplaats 2.

Vindplaats 3: Schoolgebouw met omliggend terrein uit de nieuwe tijd (20e eeuw). De school is gesloopt en bovengronds is niets meer zichtbaar wat herinnert aan het gebouw dat direct ten noorden van het onderzoeksgebied gestaan heeft. Daardoor is de belevingswaarde niet van toepassing op de vindplaats en kan de vindplaats op basis van dit aspect niet als behoudenswaardig worden aangemerkt (Tabel 6.3).De ondergrondse sporen waren nagenoeg intact en goed geconserveerd, waardoor de vindplaats op basis van de fysieke kwaliteit hoog scoort. Echter, er moet afgevraagd worden wat de inhoudelijke archeologische kwaliteit is van resten van een schoolgebouw en -terrein die tot eind jaren ’70 nog in gebruik waren. Zeldzaam, informatief, of uniek is een schoolgebouw uit deze periode niet. Daarom scoort de vindplaats laag op basis van de inhoudelijke kwaliteit en wordt geconcludeerd dat deze nietbehoudenswaardig is. Conclusie: de vindplaats is niet behoudenswaardig. waarden beleving fysieke kwaliteit

inhoudelijke kwaliteit

criteria schoonheid herinneringswaarde gaafheid conservering zeldzaamheid informatiewaarde ensemblewaarde representativiteit

hoog

scores midden

laag 1 1

3 3

totaal score 2 6

1 1 1 1

behoudenswaardig

4 nee

Tabel 6.3. Scoretabel waardestelling vindplaats 3.

40 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

6.4

Selectieadvies

Op basis van de waardestelling van de prehistorische en met name de laat-middeleeuwse vindplaats adviseert BLAN om in de directe omgeving van het onderzoeksgebied geen diepreikende bodemingrepen toe te passen. Het archeologisch leesbaar vlak ligt in het onderzoeksgebied rond 1,20 m -mv (8,20 m +NAP). Dit is iets dieper dan in het nabijgelegen onderzoeksgebied Dne1 (8,40 m +NAP). De verklaring hiervoor kan gezocht worden in de natuurlijke geaccideerdheid van het terrein, maar er moet ook gesteld worden dat, door de vele bodemverstoringen, het vlak in het onderzoeksgebied pas relatief diep leesbaar was en daarom vrij diep is aangelegd. Bij het selectieadvies wordt daarom veiligheidshalve uitgegaan van het gegeven dat in de directe omgeving van het onderzoeksgebied het archeologisch leesbaar vlak rond 8,40 m +NAP moet liggen. Hieruit volgt het advies om, uitgaande van een archeologisch vlak op 8,40 m +NAP en rekening houdend met een buffer van 0,3 m, bij toekomstige bodemingrepen in het plangebied die dieper reiken dan 8,70 m +NAP (0,50 m -mv) fysieke beschermingsmaatregelen te nemen voor het archeologisch bodemarchief, zodat de vindplaatsen niet verloren gaan. Indien dat niet mogelijk of wenselijk is, wordt geadviseerd een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren.

Aangezien de archeologische waarde van het onderzoeksgebied reeds vastgesteld is, is een waarderend onderzoek niet per se vereist. Het verdient wel aanbeveling om voorafgaand aan een eventueel vervolgonderzoek eerst vast te stellen hoe diep de bodem verstoord is op de locatie waar de school gestaan heeft. Mogelijk is de bodem bij de bouw en sloop van de school zo diep verstoord dat alle archeologische waarden verloren zijn gegaan. Een eventueel vervolgonderzoek zal een definitief karakter hebben, met als doel het documenteren, registreren en veiligstellen van de archeologische resten die zich in de ondergrond van het onderzoeksgebied bevinden, om daarmee informatie te behouden die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Met betrekking tot onderhavig advies kan contact opgenomen worden met het Bevoegd Gezag Archeologie van de gemeente Nijmegen.

6.5

Voorbehoud

Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het archeologische onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bodemingrepen in het onderzoeksgebied te verkleinen. Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kunnen de onderzoeksresultaten geen zekerheid garanderen omtrent de aan- of afwezigheid van archeologische waarden binnen het plangebied. Indien bij graafwerkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen dienen deze conform de Erfgoedwet (2017), artikel 5.10 en 5.11, gemeld te worden.

41 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

Literatuurlijst Baart, J. e.a., 1977: Opgravingen in Amsterdam. 20 jaar stadskernonderzoek, Haarlem. Berkel, G. van & K. Samplonius, 2006: Nederlandse plaatsnamen; herkomst en historie, Utrecht (eerder verschenen als Prisma Nederlandse plaatsnamen). Boeder, K. & H.J. Tolboom, 2010: Leien in Rijndekking, Amersfoort (RCE, brochure techniek 50). Braven, J.A. den, 2012: Archeologisch onderzoek aan de Dorpsstraat te Neerbosch-Oost, Nijmegen. Bewoningssporen uit de late bronstijd, middeleeuwen en nieuwe tijd, Nijmegen (Archeologische Berichten Nijmegen – Briefrapport 128). Gangelen, H. van, 1993: Overige gebruiksvoorwerpen, in: J.J. Lenting, H. van Gangelen & H. van Westing, Schans op de grens. Bourtanger bodemvondsten 1580-1850, Sellingen, 561-574. Gorissen, F., 1956: Stede-atlas van Nijmegen, Brugge. Hamel, G.H.W., 1973: Metamorfose, GEA 6/2, 37-45. Heijting, F.J., 2017: Evaluatierapport Inventariserend Veldonderzoek, proefsleuven (IVO-P) met mogelijke doorstart naar een Definitief Onderzoek, opgraven (DO). Dorpsstraat – Neerbosch-oost. Gemeente Nijmegen, Nijmegen. Heijting, F.J., 2018: Evaluatierapport Inventariserend Veldonderzoek, proefsleuven (IVO-P) met mogelijke doorstart naar een Definitief Onderzoek, opgraven (DO). Dorpsstraat – Neerbosch-oost. Gemeente Nijmegen, Nijmegen. Hemert, J. van, 2017: Programma van Eisen Dorpsstraat – Neerbosch-oost, Nijmegen.

Janse, H., 1986: Leien op monumenten, Zeist/Baarn. Mombers, H.F.J.H., 2010: Dakpannengids, Akersloot (2e herziene druk). Oswald, R., 2008: ‘De estrik’, Monumenten 29, 14-17. Pluis, J., 2008: Nederlandse tegels 1900-2000, Leiden. SIKB, 2016: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.0, Gouda. Stenvert, R. & G. van Tussenbroek (red.), 2007: Inleiding in de bouwhistorie. Opmeten en onderzoeken van oude gebouwen, Utrecht. Thissen, B., 2000: De zevenhonderdjarige ‘cope’ op koningsgoed: de ontginning van Lindenholt-Neerbosch, Jaarboek Numaga 47, 42-87. Vries, D.J. de, 1994: Bouwen in de Late Middeleeuwen. Stedelijke architectuur in het voormalige Over- en Nedersticht, Utrecht. Waterbolk, H.T., 2009: Getimmerd verleden. Sporen van voor- en vroeghistorische houtbouw op de zanden kleigronden tussen Eems en IJssel, Groningen (Groningen Archeaeological Studies 10).

42 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

Geraadpleegde bronnen en/of internetsites Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN), Rijkswaterstraat; geraadpleegd via: http://www.ahn.nl, oktober 2018. De Volkskrant van 03-01-1973 (personeelsadvertentie), geraadpleegd via: https://www.delpher.nl/nl/kranten/view?coll=ddd&identifier=ABCDDD:010849699:mpeg21:a0132, oktober 2018. Fotocollectie Regionaal Archief Nijmegen, geraadpleegd via: https://studiezaal.nijmegen.nl/detail.php?id=239093, oktober 2018. Fotocollectie Regionaal Archief Nijmegen, geraadpleegd via: https://studiezaal.nijmegen.nl/detail.php?nav_id=17-1&index=51&imgid=14084487&id=328684, oktober 2018. Fotocollectie Regionaal Archief Nijmegen, geraadpleegd via: https://studiezaal.nijmegen.nl/detail.php?nav_id=18-1&index=56&imgid=14084343&id=328566, oktober 2018. Gemeente Nijmegen, kaartviewer Rioolbeheer, geraadpleegd via: http://geldrop:8090/kaartviewer/index.php?@Atlaz), oktober 2018. Maasbode van 14-06-1905, geraadpleegd via: https://www.delpher.nl/nl/kranten/view?coll=ddd&identifier=MMKB04:000190272:mpeg21:a0050, oktober 2018. Regionaal Archief Nijmegen, mededelingen over de bevolkingsregisters 1850-1890, geraadpleegd via: https://velehanden.nl/berichten/mededelingen/bekijk/project/nijmegen_bvr/id/24829, oktober 2018.

Stukken betreffende de lagere school, Dorpsstraat 106 in Neerbosch, geraadpleegd via: https://studiezaal.nijmegen.nl/ran/_detail.aspx?xmldescid=2131004263, oktober 2018. Stukken betreffende de uitbreiding van de R.K. Parochiale Jongensschool, geraadpleegd via: https://studiezaal.nijmegen.nl/ran/_detail.aspx?xmldescid=2133582896,oktober 2018. Topografische kaart gemeente Nijmegen (uit 1890), geraadpleegd via: http://opendata.nijmegen.nl/kaartviewer/index.php?Historie. Topografische ondergrond van Nijmegen (BRT/BAG): geraadpleegd via: Atlaz (http://geldrop:8090/kaartviewer//index.php?@Atlaz), oktober 2018. Website Jaap den Hollander, geraadpleegd via: http://members.ziggo.nl/jcdhollander/kistjes, oktober 2018. Website Rhein-Erft Tourismus e.V., geraadpleegd via: http://www.rhein-erft-tourismus.de/de/poi-details/poi/11672/steinzeug-abwassersysteme-gmbh/index.html, STEINZEUG Abwassersysteme GmbH, maart 2018. Website WorthPoint, geraadpleegd via: https://www.worthpoint.com/worthopedia/vintage-beer-coasterheineken-new-york-world-fair, oktober 2018. Woningkaarten Nijmegen 1920-1946, geraadpleegd via: https://studiezaal.nijmegen.nl/detail.php?id=2166468621, oktober 2018.

43 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

Lijst van afbeeldingen Figuur 1.1. Situering van het onderzoeksgebied op de topografische kaart. Zie ook Bijlage 1 en 2. RM ....... 6 Figuur 2.1. Het plangebied bij aanvang van het archeologisch onderzoek. Foto genomen richting het noordwesten. FH ................................................................................................................................... 9 Figuur 2.2. Situering van het plangebied op de het Actueel Hoogtebestand Nederland. www.ahn.nl .......... 10 Figuur 2.3. Het onderzoeksgebied op de topografische kaart getekend door F.A. Toonen (1880-1890). RAN KPE-1 ................................................................................................................................................. 11 Figuur 2.4. De gekraakte Prof. Calonschool in 1979. RAN F7567 .................................................................. 12 Figuur 2.5. Het onderzoeksgebied (blauw omcirkeld) met en zonder de school op luchtfoto’s uit 1979 (foto genomen richting het noordoosten) en 1980 (foto genomen richting het westen). RAN F20598 en F20616. ............................................................................................................................................... 13 Figuur 4.1. De betonnen septic tank wordt verwijderd. Foto genomen richting het oosten. FH .................. 16 Figuur 5.1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=7461eff8-e818-456b-9f64-9c355aabf956