CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 18 Archeologisch onderzoek Dorpsstraat (3)

Besluitronde (raadsvergadering) 14 juli 2021, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Nijmegen Lindenholt -3 (Sint Agnetenweg) (69/2021) (HAMERSTUK)18.562 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Archeologische Berichten Nijmegen – Briefrapport 267

Archeologisch onderzoek aan de Dorpsstraat te Neerbosch-Oost gemeente Nijmegen Een proefsleuvenonderzoek met doorstart naar een opgraving

projectcode: Dne5 zaakidentificatienr.: 4553094100

Femke Heijting met bijdragen van: Jelle van Hemert Mark Komen Aleike van de Venne

Gemeente Nijmegen, Bureau Leefomgevingskwaliteit, Archeologie 2019

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

Colofon © 2019 Gemeente Nijmegen, Bureau Leefomgevingskwaliteit | Archeologie

Archeologisch onderzoek aan de Dorpsstraat te Neerbosch-Oost, Nijmegen. Een proefsleuvenonderzoek met doorstart naar een opgraving

Auteur(s):

F.J. Heijting, met bijdragen van M.C.M. Komen, J. van Hemert & A.C. van de Venne,

Projectleider:

F.J. Heijting

In opdracht van:

gemeente Nijmegen

Autorisatie Bevoegde Overheid: Datum: 21-01-2019

M.J. Nicasie

Autorisatie Senior KNA-archeoloog: H. van Enckevort Datum: 14-11-2018 ISSN 2212-5337

Niets van deze uitgave mag worden verveelvoudigd in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 jo, het besluit van 29 juni 1974, St.b. 351, zoals gewijzigd bij Besluit van 23 augustus 1985, St.b. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (Postbus 882, 1180 AW Amstelveen). Voor het overnemen van gedeelte(n) van deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) dient men zich tot de uitgever te wenden. De Gemeente Nijmegen aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. No part of this book may be reproduced in any form, by print, photoprint, microfilm or any other means, without the written permission from the publisher.

2 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

Samenvatting In opdracht van de gemeente Nijmegen heeft Bureau Leefomgevingskwaliteit, Archeologie van de gemeente Nijmegen (BLAN) in juli 2017 een proefsleuvenonderzoek (Inventariserend Veldonderzoek; IVOP), met een doorstart naar een opgraving (Definitief Onderzoek; DO) uitgevoerd in het plangebied aan de Dorpsstraat te Nijmegen (Neerbosch-Oost. Het plangebied zal door de gemeente te koop worden aangeboden als bouwkavel, zodat een koper er een woning kan realiseren. Bij de realisatie van de woning en de daarbij behorende graafwerkzaamheden zal de bodem tot een vooralsnog onbekende diepte worden verstoord. Hierdoor zullen eventueel aanwezige archeologische resten verloren gaan. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Nijmegen ligt het plangebied binnen een terrein met een zeer hoge archeologische waarde. Het ligt namelijk binnen de middeleeuwse dorpskern van Neerbosch. Daarnaast zijn in 2011-2012 bij een archeologisch onderzoek (met projectcode Dne1) op een terrein 100 m ten noorden van het plangebied archeologische resten uit de prehistorie en (late)middeleeuwen aangetroffen. De verwachting was dat binnen het plangebied resten van bewoning uit de late bronstijd, middeleeuwen en nieuwe tijd aangetroffen zouden worden.

Omdat het plangebied nabij een van oorsprong middeleeuwse kerk ligt, is tevens de verwachting geformuleerd dat een deel van het kerkhof aangesneden zou kunnen worden. Doel van de opgraving was allereerst het documenteren, registreren en veiligstellen van de archeologische resten die zich in de ondergrond van het onderzoeksgebied bevinden, om daarmee informatie te behouden die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Tevens had het onderzoek als doel een advies te formuleren over welken maatregelen dienen te worden getroffen in het plangebied in het kader van de archeologische monumentenzorg. Het archeologisch onderzoek is oorspronkelijk ingestoken als een IVO-P met mogelijke doorstart naar een DO. Op verzoek van de opdrachtgever is het archeologisch onderzoeksgebied beperkt tot het bouwvlak van de te realiseren woning. De bouwput diende, zonder tussentijdse waardering, volledig onderzocht te worden. Direct starten met het volledig opgraven van het onderzoeksgebied, in dit geval de bouwput, is echter niet gebruikelijk bij een IVO-P. Omdat dit wel gebeurd is bij onderhavig onderzoek, moet het onderzoek beschouwd worden als een definitief onderzoek van het onderzoeksgebied. Op basis van de onderzoeksresultaten is vervolgens een waardering uitgesproken voor het volledige plangebied.

In het onderzoeksgebied, met een oppervlakte van 89,75 m2, is een vlak aangelegd in de C-horizont, op een diepte van ca. 1,20 m -mv (8,20 m +NAP). Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de bodem sterk verstoord is bij de bouw en sloop van een school. De school stond vanaf het begin van de 20e eeuw tot eind jaren ’70 ten noorden van het onderzoeksgebied en had een schoolplein ter hoogte van het onderzoeksgebied. Ten tijde van de school waren er minimaal drie bakstenen putten op of onder het plein: als eerste een kleine rechthoekige bakstenen zinkput. Ten tweede een grotere, ronde bakstenen put met koepel, die weliswaar water opgevangen heeft, maar waarschijnlijk als septic tank heeft gediend. De derde put is een ronde waterput, gezien de ijzeren putemmer die in de put gevonden is. Uit de vullingen van de drie putten zijn vondsten geborgen die met de school geassocieerd worden: griffels, een kraal van abacus en een porseleinen verfbakje. Ook zijn enkele pijpenstelen gevonden. Verder is een grote hoeveelheid pitten verzameld: van kersen, pruimen, druiven en een perzik. Een aantal vondsten dateert zeker niet uit de beginjaren van de school, maar eerder uit de laatste decennia van het bestaan van de school. Tussen deze vondsten bevinden zich een bierviltje en fragmenten van kunststoffen knopen en kinderspeelgoed.

Bij de sloop van de school is een deel van het puinmateriaal in de de drie putten terecht gekomen: delen van schoorsteenbuizen, plavuizen, beton, dakpannen en wandtegels. Enkele sporen zijn ouder dan de nieuwe tijd. Zo zijn er vier (paal)kuilen en een tonput met ijzeren hoepels gedocumenteerd uit de eerste eeuwen van de dorpsgeschiedenis van Neerbosch. De (paal)kuilen en de tonput dateren uit de 15e of 16e eeuw, mogelijk 17e eeuw, en worden geassocieerd met de vindplaats 100 m ten noorden van het onderzoeksgebied. Ook enkele vondsten, waaronder aardewerkscherven en een bronzen knoop, dateren uit deze periode. Hoewel de (paal)kuilen niet direct te herleiden zijn tot een structuur, is het vermoeden dat ze deel uitmaakten van een roedenberg of spieker. Er is één spoor, een paalkuil, die mogelijk nog ouder is, vermoedelijk uit de late bronstijd of Romeinse tijd. Op basis van de onderzoeksresultaten zijn drie vindplaatsen onderscheiden: ten eerste de vindplaats met het prehistorische of Romeinse spoor, ten tweede de nederzetting uit de late middeleeuwen/begin nieuwe tijd en ten derde het schoolgebouw met omliggend terrein uit de nieuwe tijd. De eerste twee vindplaatsen uit de prehistorie en middeleeuwen/nieuwe tijd worden als behoudenswaardig beschouwd. De derde

3 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

vindplaats (20e-eeuwse school) is niet behoudenswaardig. Het advies is derhalve om bij toekomstige bodemingrepen in en rond het plangebied de behoudenswaardige vindplaatsen in acht te nemen door bij bodemingrepen die dieper reiken dan 8,70 m +NAP (0,50 m -mv) fysieke beschermingsmaatregelen te nemen voor het archeologisch bodemarchief, zodat de vindplaatsen niet verloren gaan. Indien dat niet mogelijk of wenselijk is, wordt geadviseerd een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. Aangezien de archeologische waarde van het onderzoeksgebied al vastgesteld is, is een waarderend onderzoek niet per se vereist. Het verdient wel aanbeveling om voorafgaand aan een eventueel vervolgonderzoek eerst vast te stellen hoe diep de bodem verstoord is op de locatie waar de school gestaan heeft. Mogelijk is de bodem bij de bouw en sloop van de school zo diep verstoord dat alle archeologische waarden verloren zijn gegaan. Een eventueel vervolgonderzoek zal een definitief karakter hebben, met als doel het documenteren, registreren en veiligstellen van de archeologische resten die zich in de ondergrond van het onderzoeksgebied bevinden, om daarmee informatie te behouden die van belang is voor kennisvorming over het verleden van Neerbosch.

4 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

Inhoudsopgave Samenvatting ................................................................................................................................................... 3 Inhoudsopgave ................................................................................................................................................ 5 1 Inleiding .................................................................................................................................................... 6 Administratieve gegevens ............................................................................................................................ 8 2 Vooronderzoek ......................................................................................................................................... 9 2.1 Landschappelijke en bodemkundige context .................................................................................. 9 2.2 Archeologische en historische context .......................................................................................... 10 2.3 Verwachting op basis van het vooronderzoek .............................................................................. 13 3 Doel van het onderzoek .........................................................................................................................

14 3.1 Doelstelling ................................................................................................................................... 14 3.2 Onderzoeksvragen........................................................................................................................ 14 4 Werkwijze archeologisch onderzoek ...................................................................................................... 16 5 Resultaten archeologisch onderzoek ..................................................................................................... 18 5.1 Landschappelijke en bodemkundige context ................................................................................ 18 5.2 Sporen .......................................................................................................................................... 19 5.3 Vondsten ....................................................................................................................................... 24 5.3.1 Aardewerk ................................................................................................................................. 25 5.3.2 Bouwkeramiek ..........................................................................................................................

25 5.3.3 Natuursteen .............................................................................................................................. 27 5.3.4 Metaal ....................................................................................................................................... 28 5.3.5 Organisch materiaal: pitten ....................................................................................................... 30 5.3.6 Keramische objecten ................................................................................................................ 31 5.3.7 Overige materiaalcategorieën: glas, kunststof, leer en papier .................................................. 31 6 Conclusie ................................................................................................................................................ 34 6.1 Synthese en conclusies ................................................................................................................ 34 6.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen.................................................................................... 35 6.3 Waardering van vindplaatsen .......................................................................................................

39 6.4 Selectieadvies ............................................................................................................................... 41 6.5 Voorbehoud .................................................................................................................................. 41 Literatuurlijst .................................................................................................................................................. 42 Lijst van afbeeldingen .................................................................................................................................... 44 Lijst van afgebeelde voorwerpen ................................................................................................................... 44 Lijst van tabellen ............................................................................................................................................ 45 Illustratieverantwoording ................................................................................................................................ 45 Lijst van bijlagen ............................................................................................................................................ 45 Bijlage 1: het plan- en onderzoeksgebied op de kadastrale kaart .............................................................

46 Bijlage 2: onderzoeks- en plangebied Dne5 en onderzoeksgebied Dne1 ................................................. 47 Bijlage 3: alle-sporenkaart met spooraard ................................................................................................. 48 Bijlage 4: alle-sporenkaart met fasering sporen......................................................................................... 49

5 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

1

Inleiding

In opdracht van de gemeente Nijmegen heeft Bureau Leefomgevingskwaliteit, Archeologie van de gemeente Nijmegen (BLAN) in juli 2017 een proefsleuvenonderzoek (Inventariserend Veldonderzoek; IVOP), met een doorstart naar een opgraving (Definitief Onderzoek; DO) uitgevoerd in het plangebied aan de Dorpsstraat te Nijmegen (Neerbosch-Oost, Figuur 1.1 en Bijlage 1). Het plangebied zal door de gemeente te koop worden aangeboden als bouwkavel, zodat een koper er een woning kan realiseren. Bij de realisatie van de woning en de daarbij behorende graafwerkzaamheden zal de bodem tot een vooralsnog onbekende diepte worden verstoord. Hierdoor zullen eventueel aanwezige archeologische resten verloren gaan.

Figuur 1.1. Situering van het onderzoeksgebied op de topografische kaart. Zie ook Bijlage 1 en 2.

RM

Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Nijmegen ligt het plangebied binnen een terrein met een zeer hoge archeologische waarde (terrein Z-27, Neerbosch-Oost). Van dergelijke terreinen is bekend dat er waardevolle archeologische resten aanwezig zijn. Het plangebied ligt binnen de middeleeuwse dorpskern van Neerbosch. Bij werkzaamheden op dergelijke terreinen is het uitgangspunt voor de archeologische waarden behoud in situ via planaanpassing of eventueel inpassing van archeologische waarden. Naast de status op de archeologische beleidskaart waren de onderzoeksresultaten van een archeologisch onderzoek in de nabijheid van het plangebied een extra aanleiding om het plangebied een hoge archeologische waarde toe te kennen (Bijlage 2).1 Bij dit onderzoek, op het terrein 100 m ten noorden van het plangebied, zijn in 2011 en 2012 paalsporen uit de prehistorie aangetroffen en ook middeleeuwse houtskoolmeilers en resten van 14e- en 15e-eeuwse roedebergen.2 Oorspronkelijk zou het plangebied ook deel uitmaken van dit onderzoek. Echter, vanwege de aanwezigheid van behoudenswaardig groen is toen besloten om binnen onderhavig plangebied niets te ontgraven. De proefsleuf die toen binnen het perceel gepland was, is derhalve niet aangelegd. Binnen het plangebied is dus nog niet eerder archeologisch onderzoek uitgevoerd.

De opdrachtgever heeft verzocht om bij onderhavig onderzoek het archeologisch onderzoeksgebied te beperken tot het bouwvlak van de te realiseren woning (8 bij 11 m, 88 m2, Bijlage 1 ); later is vanwege het aantreffen van een waterput het opgravingsareaal nog met 1,75 m uitgebreid. Normaliter wordt na een IVO-P, waarbij een deel van het plangebied onderzocht wordt, een waardering opgesteld voor het onderzoeks- of plangebied. Daarna wordt al dan niet besloten om (een deel van) het onderzoeks- of plangebied te onderzoeken middels een definitief onderzoek. De bouwput diende, zonder tussentijdse waardering, volledig onderzocht te worden. Direct starten met het volledig opgraven van het onderzoeksgebied, in dit geval de bouwput, is niet gebruikelijk bij een IVO-P. Omdat dit wel gebeurd is bij onderhavig onderzoek, moet het onderzoek beschouwd worden als een definitief onderzoek van het onderzoeksgebied. Op basis van de onderzoeksresultaten is een waardering uitgesproken voor het volledige plangebied. 1 2

Den Braven 2012. Projectcode Dne1, Archis-zaakindentificatienummers: 2343543100 en 2367422100.

6 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

Het veldwerk vond plaats op 13 en 14 juli 2017. Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd door BLAN. De wetenschappelijke leiding van het archeologisch onderzoek was in handen van Femke Heijting (senior KNA-archeoloog; projectleider en tevens veldwerkleider). Ondersteuning in het veld werd geleverd door Majanka Brons (veldmedewerker en digitaal tekenaar) en Heroen Damen (veldmedewerker en metaaldetectie). Het grondverzet is uitgevoerd door de firma Basten uit Horssen. Na het veldwerk is een evaluatie- en selectierapport opgesteld met een voorstel voor de uitwerking van het onderzoek en selectieadvies voor de vondsten en monsters.3 Het bevoegd gezag is in november 2017 akkoord gegaan met het geformuleerde uitwerkingsvoorstel en voorlopige selectieadvies.4 In april 2018 is, in het kader van de certificering van archeologische bedrijven, het evaluatierapport geaudit. De geconstateerde niet-kritieke afwijkingen en aandachtspunten zijn verwerkt in een tweede versie van het evaluatierapport.5 Deze is in juni 2018 geaccordeerd door het bevoegd gezag.6 Bij de uitwerking van het onderzoek zijn de vondsten gedetermineerd door diverse personen. Het aardewerk en de keramische objecten zijn gedetermineerd door Aleike van de Venne (Kerament). De bouwkeramiek en het natuursteen is door Mark Komen (KNA-specialist materialen, BLAN) gedetermineerd.

De metaalvondsten zijn schoongemaakt en ௅ indien noodzakelijk ௅ geconserveerd door Floris Reijnen (BLAN). Vervolgens is het metaal gedetermineerd door Jelle van Hemert (KNA-specialist materialen, BLAN). De determinatie van de munt is tot stand gekomen met behulp van de inhoudelijke expertise van Bas Kokke (BLAN). Onderhavig rapport bespreekt de eindresultaten van het archeologisch onderzoek. Na een korte beschrijving van de archeologische verwachting en de doelstelling, wordt ingegaan op de gevolgde methodiek. Vervolgens worden de onderzoeksresultaten besproken. De conclusie is terug te vinden in het laatste hoofdstuk, waar ook de onderzoeksvragen worden beantwoord. In dit hoofdstuk is tevens een selectieadvies voor eventueel vervolgonderzoek geformuleerd. Nadat de definitieve versie van onderhavig standaardrapport goedgekeurd is door het bevoegd gezag, zal het worden geüpload in Archis3. Vervolgens zullen zowel de vondsten en monsters als de analoge en digitale documentatie aangeleverd worden bij het Depot voor Bodemvondsten van de gemeente Nijmegen (DBGN). Tot slot wordt de digitale documentatie tevens aangeleverd bij het e-depot.

3

Heijting 2017. A. van de Water, deskundige bevoegd gezag archeologie, gemeente Nijmegen, d.d. 21-11-2017. 5 Heijting 2018. 6 I. Haas, deskundige bevoegd gezag archeologie, gemeente Nijmegen, d.d. 25-06-2018. 4

7 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

Administratieve gegevens zaakidentificatienummer projectcode intern

4553094100 Dne5

projectnaam provincie gemeente plaats toponiem kaartbladnummer kadastrale gegevens

Dorpsstraat Neerbosch-Oost Gelderland Nijmegen Nijmegen Dorpsstraat Neerbosch-Oost 40C NBH00 H 5266 G0 (x) 184221 – (y) 427510 (N) (x) 184228 – (y) 427501 (O) (x) 184222 – (y) 427496 (Z) (x) 184215 – (y) 427505 (W) 9,4 m +NAP n.v.t. n.v.t.

x-y coördinaten NAP-hoogte CMA/AMK-status Archis3-zaakidentificatienummer(s)

status Archeologische Beleidskaart, gemeente Nijmegen oppervlakte plangebied oppervlakte onderzoeksgebied

waarde 3 (terrein van zeer hoge archeologische waarde), terrein Z-27, Neerbosch-Oost

875 m2 89,75 m2

geomorfologische context

fluvioperiglaciale afzettingen (formatie van Kreftenheye)

grondwaterkundige gegevens huidig grondgebruik

GWT onbekend (bebouwd gebied) braakliggend terrein

opdrachtgever

Gemeente Nijmegen, Afdeling OB20 ontwikkelingsbedrijf, contactpersoon: dhr. M. Boom

bevoegde overheid archeologisch deskundige namens bevoegde overheid uitvoerder

Gemeente Nijmegen Dhr. M. Nicasie

Bureau Leefomgevingskwaliteit, Archeologie, gemeente Nijmegen Inventariserend Veldonderzoek, proefsleuven (IVO-P), met mogelijke plaats binnen archeologisch proces doorstart naar een Definitief Onderzoek (DO) periode uitvoering veldwerk 13-07-2017 en 14-07-2017 beheer en plaats Depot voor Bodemvondsten van de gemeente Nijmegen (DBGN) projectdocumentatie URL E-depot (DANS-Easy) http://dx.doi.org/10.17026/dans-xur-jnaf (persistent identifier / DOI)

8 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

2

Vooronderzoek

De tekst uit dit hoofdstuk is grotendeels ontleend aan het Programma van Eisen7 en/of het rapport van het eerder uitgevoerd onderzoek aan de Dorpsstraat.8

2.1

Landschappelijke en bodemkundige context

Het plangebied is ca. 875 m2 groot en ligt aan de Dorpsstraat in de Nijmeegse wijk Neerbosch-Oost. Het kadastrale perceel met nummer 5266 ligt tussen de percelen 1348 en 4182 (Bijlage 1). Ten tijde van het veldwerk was het perceel braakliggend terrein (Figuur 2.1). De hoogte van het maaiveld ligt rond de 9,4 m +NAP.

Figuur 2.1. Het plangebied bij aanvang van het archeologisch onderzoek. Foto genomen richting het noordwesten. FH

Het plangebied ligt in de overgangszone tussen het Nijmeegse stuwwallandschap en het rivierlandschap met oeverwallen en komgronden.9 Ten westen van het onderzoeksgebied bevindt zich een noordnoordoost/zuid-zuidwest georiënteerde stuwwal, een reliëfrijke heuvelreeks met plaatselijk een hoogte tot 96 m +NAP (Figuur 2.2). In de voorlaatste ijstijd zijn ten oosten van de stuwwal, door glaciaal smeltwater, glaciofluviatiele afzettingen afgezet. Het betreft matig fijn tot uiterst grof zand met grind, afkomstig uit Scandinavië (Formatie van Drenthe, Laagpakket van Schaarsbergen). De exacte grens tussen de stuwwal en glaciofluviale vlakte is moeilijk aan te geven, omdat de westflank van de stuwwal ook bedekt is met pakketten smeltwaterzand. De grens ligt waarschijnlijk rond 40 m +NAP. Richting het westen loopt de glaciofluviatiele vlakte verder af tot 20 à 15 m +NAP. Nog verder westwaarts bevinden zich in de ondergrond van de laaggelegen vlakte sedimenten van de Rijn en Maas die zich evenwijdig aan het landijsfront hebben afgezet in enkele brede stroomdalen, waar ook het smeltwater werd afgevoerd. Deze 7

Van Hemert 2017. Projectcode Dne1. Den Braven 2012. 9 Den Braven 2012, 9. 8

9 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

grofzandige en grindrijke afzettingen worden gerekend tot de Formatie van Kreftenheye. Daarop bevinden zich mogelijk de hellingafzettingen die in de laatste ijstijd (het Weichselien, 115.000-10.000 jaar geleden) zijn afgezet. Het onderzoeksgebied ligt ter hoogte van deze hellingsedimenten die in de nieuwe lithografische indeling als de Formatie van Boxtel worden aangeduid (voorheen Formatie van Twente). De bodem betreft een kalkloze zandgrond (PZn30). In 2012 is een archeologisch onderzoek uitgevoerd ten noordwesten van het onderzoeksgebied (projectcode Dne1, Bijlage 2).10 De bodemprofielen van dat onderzoek tonen op het gele zand een 30 tot 50 cm dik pakket van donker bruingrijs tot grijsbruin matig siltig zand, waar op een locatie drie lagen in te onderscheiden waren. Het is toen niet vastgesteld of het pakket bestaat uit akkerlagen of ophogingslagen.

Figuur 2.2. Situering van het plangebied op de het Actueel Hoogtebestand Nederland. www.ahn.nl

2.2

Archeologische en historische context

Binnen het onderzoeksgebied is nog niet eerder archeologisch onderzoek uitgevoerd. Wel is in 2011-2012 op het terrein 100 m ten noordwesten van het onderzoeksgebied een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd, gevolgd door een definitief onderzoek (opgraving).11 Het huidige te onderzoeken perceel zou oorspronkelijk ook deel uitmaken van dit project, met de projectcode Dne1. Echter, vanwege de aanwezigheid van behoudenswaardig groen is toen besloten om het perceel niet te ontgraven.12 De proefsleuf die binnen het perceel gepland was, is derhalve niet aangelegd. In de andere, wel aangelegde proefsleuven en werkputten zijn onder andere paalsporen uit de late bronstijd (1100-800 voor Chr.) aangetroffen. Het gebied was dus reeds in de prehistorie bewoond. Er zijn echter geen aanwijzingen voor bewoning in de periode tussen de bronstijd en vroege middeleeuwen (Romeinse tijd). Tot de volle middeleeuwen was het terrein bebost gebied en was het oorspronkelijk koningsgoed dat in 1247 aan de Graaf Reinoud I van Gelre en Zutphen was verpand.13 Op 20 november 1247 gaf de graaf toestemming voor de ontginning van een aantal bossen in de omgeving van Nijmegen, waaronder het gebied rond Neerbosch, dat toen nog werd aangeduid als Honicholt.14 Het toponiem Neerbosch (lager 10

Den Braven 2012, 11. Thissen 2000, 45; Den Braven 2012. Den Braven 2012, 7. 13 Thissen 2000, 6. 14 Gorissen 1956, 39; Thissen 2000, 80. 11 12

10 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

gelegen bos) wordt vanaf het laatste kwart van de 14e eeuw gebruikt in de geschreven bronnen.15 Over de ontginning van Neerbosch is betrekkelijk veel bekend, dankzij een artikel van Thissen uit 2000 waarin hij uitvoerig de ‘cope’-brief uit 1300 toelicht.16 De ontginning van Neerbosch behoorde tot het type copeontginningen van laaggelegen gebied door een groep kolonisten, waarbij de grond door zes personen werd verworven tegen een eenmalig te voldoen geldbedrag. In ruil voor de cultivering van het land, dienden de ‘çopers’ een jaarlijkse erfpacht te betalen en hadden ze andere verplichtingen, onder andere het nemen van gezamenlijke maatregelen voor de waterbeheersing. De oorkonde waarin de overeenkomst tussen landsheer en ‘copers’ staat vastgelegd wordt ‘cope’-brief genoemd. De grondbezitters zijn in Neerbosch eeuwenlang een erfpacht aan de landsheer verschuldigd geweest, hoewel het aantal kavels waarover feitelijk werd betaald gedurende de late middeleeuwen sterk afnam en uiteindelijk in 1675 teniet werd gedaan.17 De oorspronkelijke verkaveling, behorende tot de cope-ontginning, laat zich in grote lijnen nog herkennen op historisch kaartmateriaal.18 De grootschalige ontginning rond Neerbosch heeft geresulteerd in de vorming van een dorp waar de huizen zich in de late middeleeuwen en nieuwe tijd concentreerden langs Dorpsstraat.

Bij het onderzoek in 2011-2012 zijn archeologische resten uit deze periode aangetroffen, onder andere van middeleeuwse houtskoolmeilers en resten van 14e of 15e-eeuwse roedenbergen.19 De van oorsprong middeleeuwse kerk staat nog steeds in de Dorpsstraat. De kerk is in 1456 vernieuwd, maar delen ervan dateren nog uit de 14e eeuw.20 Rond de kerk lag vanaf de 15e eeuw, mogelijk al eerder, een kerkhof. De exacte grootte en begrenzing van het kerkhof is onbekend.

Figuur 2.3. Het onderzoeksgebied op de topografische kaart getekend door F.A. Toonen (1880-1890). RAN KPE-1

In het Programma van Eisen wordt de historie van het onderzoeksgebied in de periode tussen 1700-1945 niet besproken.21 Bij het opstellen van onderhavig rapport is daarom een klein bureau-onderzoek uitgevoerd naar de historie van het terrein.22 Daaruit bleek dat het terrein waarschijnlijk altijd onbebouwd is gebleven. De topografische kaart uit de jaren 1880-1890 toont de kerk aan de Dorpsstraat, enkele huizen en diverse percelen die in gebruik zijn als akker of boomgaard (Figuur 2.3). Ook wordt het landgoed ‘Witte Poort’ 15

Gorissen 1956, 44; Van Berkel/Samplonus 2006, 308. Thissen 2000. Thissen 2000, 81. 18 Den Braven 2012, 5. 19 Den Braven 2012, 12-22. 20 Den Braven 2012, 5. 21 Van Hemert 2017. 22 Grote dank aan dhr. M. Degen voor het meedenken over en aanleveren van de informatie over de historie van het plangebied. 16 17

11 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

weergegeven. In het begin van de 20e eeuw is het onderzoeksgebied ingericht als schoolplein voor de school die toen ten noordwesten van het onderzoeksgebied is gebouwd. Het exacte bouwjaar van de school is onbekend, maar waarschijnlijk is de school in of rond 1906 gebouwd. Deze aanname is gebaseerd op het volgende bericht in de Maasbode van 14 juni 1905.23 NIJMEGEN, 10 Juni. In de hedenmiddag gehouden raadsvergadering werd besloten tot den bouw eener nieuwe openbare school te Neerbosch; ten behoeve hiervan een strook gronds van 600 centiaren, in eigendom behoorende aan de Ned. Herv. Gemeente, aan te koopen voor f 0,75 per centiare, en in verband met die uitgaven de begrooting voor 1905 aan te vullen met f 13.700. Na eenige discussie werd op voorstel van dr. Banning besloten aan de teekening des school toe te voegen een plan voor een eetlokaal.

Figuur 2.4. De gekraakte Prof. Calonschool in 1979. RAN F7567

Deze van origine openbare school (School Nr. 6) werd per 1 februari 1922 een R.K. bijzondere jongensschool, de Heilig Hartschool.24 In hetzelfde jaar is de school verbouwd en uitgebreid en in 1957 is de school voor de tweede keer uitgebreid.25 In de jaren ’70 van de 20e eeuw heeft de school een koers- en naamswijziging ondergaan en stond deze bekend als de Prof. Calonschool.26 Deze school is eind jaren ’70 gesloten, getuige een foto uit 1979 waarop te zien is dat het gebouw gekraakt is (Figuur 2.4).27 Op basis van luchtfoto’s uit augustus 1979 en oktober 1980 is te concluderen dat het pand in de tussenliggende

23

Zie ook De Maasbode van 14-06-1905. Met dank aan dhr. R. Essers voor het aanleveren van de informatie over de school aan de Dorpsstraat. 24 Regionaal Archief Nijmegen, Woningkaarten 1920-1946, geraadpleegd op 26-10-2018. 25 Regionaal Archief Nijmegen, Stukken betreffende de lagere school, Dorpsstraat 106 in Neerbosch, geraadpleegd op 26-102018; Regionaal Archief Nijmegen, Stukken betreffende de uitbreiding van de R.K. Parochiale Jongensschool, geraadpleegd op 26-10-2018. 26 Zie ook de personeelsadvertentie uit de Volkskrant van 03-01-1973. 27 Fotocollectie Regionaal Archief Nijmegen, de (voormalige) Professor Calonschool (de voormalige Heilig Hartschool) (jongensschool) gekraakt, geraadpleegd op 26-10-2018.

12 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

periode gesloopt is (Figuur 2.5).28 Vermoedelijk heeft het terrein daarna, tot het begin van het archeologisch onderzoek, braak gelegen. Het dorp Neerbosch is geen zelfstandig dorp meer, maar maakt deel uit van de gemeente Nijmegen. Het begin van het einde van het dorp brak aan met de aanleg van het Maas-Waalkanaal in 1920-1927.29 Het aanvankelijk 60 m, later 90 m, brede kanaal doorsneed het dorp en het oostelijke gedeelte van het dorp (waar het onderzoeksgebied in ligt) werd rond 1965 deel van de woonwijk Neerbosch-Oost. Het westelijke deel werd opgenomen in het stadsdeel Lindenholt.

1

2

Figuur 2.5. Het onderzoeksgebied (blauw omcirkeld) met en zonder de school op luchtfoto’s uit 1979 (foto genomen richting het noordoosten) en 1980 (foto genomen richting het westen). RAN F20598 en F20616.

2.3

Verwachting op basis van het vooronderzoek

Op basis van het PvE, waarin de historie van het onderzoeksgebied in de periode 1700-1945 niet besproken is was de verwachting dat resten van bewoning (nederzetting) uit de late bronstijd, middeleeuwen en nieuwe tijd aangetroffen zouden worden.30 Ook is de verwachting geformuleerd dat een deel van het kerkhof van de van oorsprong middeleeuwse kerk binnen het onderzoeksgebied zou kunnen liggen.

28

Fotocollectie Regionaal Archief Nijmegen, luchtfoto van het haven- en industrieterrein, geraadpleegd op 26-10-2018; en Fotocollectie Regionaal Archief Nijmegen, luchtfoto Neerbosch-Oost 1980-1982, geraadpleegd op 26-10-2018. Regionaal Archief Nijmegen - Bevolkingsregisters 1850-1890, Berichten, Mededelingen, Neerbosch, geraadpleegd op 26-102018. 30 Van Hemert 2017, 8. 29

13 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

3

Doel van het onderzoek

3.1

Doelstelling

Het archeologisch onderzoek is ingestoken als een IVO-P met mogelijke doorstart naar een opgraving. Normaliter wordt na een IVO-P, waarbij een deel van het plangebied onderzocht wordt, een waardering opgesteld voor het onderzoeks- of plangebied. Daarna wordt al dan niet besloten om (een deel van) het onderzoeks- of plangebied te onderzoeken middels een definitief onderzoek. Op verzoek van de opdrachtgever is de bouwput (het onderzoeksgebied) zonder tussentijdse waardering volledig onderzocht. te worden. Direct starten met het volledig opgraven van het onderzoeksgebied is niet gebruikelijk bij een IVO-P. Omdat dit wel gebeurd is bij onderhavig onderzoek, moet het onderzoek eigenlijk beschouwd worden als een definitief onderzoek van het onderzoeksgebied waarna op basis van de onderzoeksresultaten is een waardering uitgesproken voor het volledige plangebied. Het doel van het archeologisch onderzoek was daarmee tweeledig: Ten eerste was het doel van de opgraving binnen het onderzoeksgebied het documenteren, registreren en veiligstellen van de archeologische resten die zich in de ondergrond van het onderzoeksgebied bevinden, om daarmee informatie te behouden die van belang is voor kennisvorming over het verleden. -

3.2

Ten tweede had het onderzoek als doel het toetsen van de gespecifieerde archeologische verwachting voor het plangebied, zoals geformuleerd in het Programma van Eisen, en indien nodig, het aanvullen of wijzigen daarvan. Dit vindt plaats door het vaststellen van de aanwezigheid van archeologische sporen en vondsten en, wanneer die aanwezig zijn, het bepalen van hun inhoudelijke en fysieke kwaliteit (aard, ouderdom, omvang, gaafheid, conservering, specificatie VS06). Tevens heeft het onderzoek als doel een advies te formuleren over welke maatregelen dienen te worden getroffen in het plangebied in het kader van de gemeentelijke archeologische monumentenzorg (specificatie VS07).

Onderzoeksvragen

Om de doelstelling van het onderzoek te verwezenlijken zijn in het Programma van Eisen de volgende onderzoeksvragen gesteld:31 Algemeen 1. Waaruit bestaan de archeologische resten (sporen, structuren, vondsten)? 2. Wat is de aard, datering en omvang van de archeologische resten (te onderscheiden in sporen en vondstmateriaal) en tot welk complextype en culturele eenheden kunnen ze worden gerekend? 3. Hoe gaaf zijn de archeologische sporen? 4. Wat is de aard en de datering van de archeologisch relevante bodemlagen en wat is hun begrenzing in het verticale en horizontale vlak? 5. Wat is de exacte locatie van de archeologische resten? 6. Zijn met het definitieve onderzoek ook de begrenzingen van de vindplaatsen vastgesteld? 7. Wat is de diepte (t.o.v. maaiveld) en de hoogteligging (t.o.v. NAP) van de archeologische resten? 8. Zijn er fossiele/begraven bodems aanwezig? 9. Wat is de relatie tussen de aangetroffen resten, de vastgestelde stratigrafie, de bodemgesteldheid en het landschap (geomorfologie en reliëf)? 10. Wat is de conservering van de verschillende materiaalcategorieën, inclusief archeobotanisch en archeozoölogisch materiaal? 11. Bevat de vindplaats voor onderzoek geschikte paleo-ecologische en/of botanische resten? 12. Is er een relatie tussen de landschappelijke ligging (geomorfologie, reliëf en bodem) en de conservering van de archeologische resten? 13.

Is er sprake van rituele deposities binnen of buiten de vindplaats (bouwoffers, verlatingsdeposities, deposities in natte context e.d.)? 14. Wat is de relatie tussen de aangetroffen archeologische resten en het reeds uitgevoerde archeologisch onderzoek binnen het onderzoeksgebied en in de directe omgeving daarvan? 15. Wat is de historische context van de archeologische resten? 31

Van Hemert 2017, 9-11.

14 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

Nederzettingssporen 16. Wat is de precieze aard en datering van de nederzettingssporen, tot welke zone van een nederzetting behoren zij (kern, randzone of buitengebied)? 17. Indien het een nederzettingsterrein betreft: hoe is het nederzettingsterrein ingericht? Kunnen er huisplattegronden of andersoortige gebouwstructuren worden onderscheiden? Zo ja, kunnen er uitspraken worden gedaan over de functie van de gebouwen? 18. Hoe kunnen de eventuele gebouwstructuren typologisch en chronologisch worden geplaatst? 19. Zijn er erven te onderscheiden en zo ja, zijn deze begrensd? Zo ja, zijn er aanwijzingen voor gelijktijdigheid van de erven? 20. Wat is de ruimtelijke en economische indeling van de huisplattegronden? 21. Wat was de economische bestaansbasis van de bewoners van de nederzettingen en elk erf? Zijn er in dit kader aanwijzingen voor economische specialisatie tussen verschillende huizen en/of erven? Graven 22. Zijn er ter plaatse van het onderzoeksgebied graven aanwezig? Zo ja: 23. Is er sprake van graven of clusters van graven? 24. Wat is er bekend van de aard, ouderdom, status, gaafheid, etc. van de graven? 25. Wat is de relatie van de graven tot elkaar? 26. Wat is de precieze datering van de graven (zo mogelijk op basis van chronometrische dateringsmethoden)? 27. Wat voor graftypen kunnen worden onderscheiden? 28.

Waaruit bestaat de constructie van het graf (grafkuil, grafkist, grafkamer, etc.)? 29. Zijn er bijzettingen in het graf? 30. Wat is de interne structuur van het grafveld, wat betreft verspreiding (en eventuele oversnijding), diepte en in het geval van inhumatiegraven oriëntatie van de graven? 31. Zijn er grafgiften in de graven aanwezig en kunnen daar conclusies aan verbonden worden met betrekking tot leeftijd, geslacht etc.? 32. Liggen er geslachts- of leeftijdsspecifieke kenmerken ten grondslag aan het begrafenisritueel? 33. Zijn de graven vergelijkbaar met reeds eerder in Nijmegen-Noord onderzochte grafvelden? Tweede Wereldoorlog 34. Zijn er ter plaatse van de vindplaats resten uit de Tweede Wereldoorlog aanwezig? Zo ja, wat is de aard, datering, afkomst/productieplaats, kwaliteit en omvang van deze resten? 35. Kunnen resten uit de Tweede Wereldoorlog worden toegeschreven aan één deelnemend land en/of specifieke gevechtseenheid? 36. Kunnen resten uit de Tweede Wereldoorlog worden toegeschreven aan historisch bekende gevechtshandelingen? 37. Kunnen resten uit de Tweede Wereldoorlog worden toegeschreven aan (de bouw, gebruik en sloop van) grotere structuren zoals schuttersputjes, kazematten, bunkers, loopgraven en stellingen? 38.

Indien grotere structuren uit de Tweede Wereldoorlog worden aangetroffen: wanneer, door wie en met welk doel zijn deze structuren gebouwd, (her)gebruikt en vernietigd/gesloopt? 39. Is er een fasering aan te brengen in de bouw van deze grotere structuren? Zo ja, is deze fasering te koppelen aan een (historische) gebeurtenis? 40. Levert het archeologisch onderzoek naar Tweede Wereldoorlogresten aanvullende informatie op met betrekking tot hetgeen bekend is uit historische bronnen? Zo ja, welke aanvullende informatie is dat dan? 41. Welke aanbevelingen zijn er te geven voor toekomstig archeologisch onderzoek naar resten uit de Tweede Wereldoorlog?

15 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

4

Werkwijze archeologisch onderzoek

Het bouwvlak voor de te realiseren woning mat 8 bij 11 m (88 m2). Dit diende conform het PvE volledig te worden onderzocht.32 Er is gestart met de aanleg van een archeologisch vlak in de top van de C-horizont, op ca. 1,20 m -mv (8,20 m +NAP). Dit was tevens het enige archeologische vlak. Toen aan zuidoostzijde van de werkput een bakstenen waterput werd aangetroffen, die zich deels buiten de werkput bevond, is in overleg met het bevoegd gezag,33 en de opdrachtgever besloten om de werkput uit te breiden zodat de waterput in het vlak gedocumenteerd kon worden en vervolgens op een veilige wijze gecoupeerd en afgewerkt kon worden. De uitbreiding van de werkput besloeg 1,75 m2. Zodoende is er in totaal 89,75 m2 onderzocht. De locatie van de aangelegde werkput staat weergeven in Bijlage 2. Binnen het onderzoeksgebied lag een betonnen septic tank. Deze is, na overleg met de opdrachtgever, verwijderd, zodat gecontroleerd kon worden of onder deze put nog diep reikende archeologische sporen aanwezig waren (Figuur 4.1). Dit was echter niet het geval, waarna de locatie van de septic tank als een bodemverstoring gedocumenteerd is (Bijlage 3).

Figuur 4.1. De betonnen septic tank wordt verwijderd. Foto genomen richting het oosten. FH

Het vlak is aangelegd met een graafmachine met gladde bak en een scherp mes. Het vlak is in segmenten van maximaal 4 bij 5 m gefotografeerd. Alle sporen in het vlak en profiel zijn beschreven en gefotografeerd. Alle sporen zijn gecoupeerd, gedocumenteerd en afgewerkt. Ook het muurwerk van de drie putten is gedocumenteerd (beschreven op bouwspoorformulieren) en het baksteen en mortel is bemonsterd voordat deze putten werden gecoupeerd en afgewerkt. De vondsten zijn verzameld per spoor(-vulling) of stratigrafische laag in vakken van maximaal 4 bij 5 m. Van de inhoud van de drie putten zijn diverse monsters genomen ten behoeve van een eventueel onderzoek van macrobotanische resten. Bij de aanleg van het vlak en bij het afzoeken van het

32

Van Hemert 2017. Afwijking is vastgelegd in een Wijzigingsblad, getekend door A. van de Water (deskundige bevoegd gezag archeologie, gemeente Nijmegen), d.d. 13-07-2017.

33

16 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

opgravingsvlak, de profielen en de stort is een metaaldetector ingezet. Conform PvE heeft geen deselectie van de vondsten in het veld plaatsgevonden Ook alle metaalvondsten zijn geborgen en gedocumenteerd. Om inzicht te krijgen in de bodemopbouw en de stratigrafie van de archeologische sporen en lagen is in de noordwestelijke putwand is een profielkolom gedocumenteerd. Toen bleek dat er diverse sporen in de wand van de werkput gedocumenteerd konden worden, is aanvullend een 3,3 m breed profiel gedocumenteerd. In totaal is ruim 4 m profiel vastgelegd. De lagen in de profielen en vlak zijn voorzien van spoornummers. De lagen zijn in principe genummerd vanaf spoornummer 5000, om zo een onderscheid te kunnen maken met de antropogene sporen, die vanaf spoor 1 genummerd zijn. Bij het beschrijven van de lagen en sporen is gelet op textuur (grondsoort), bodemopbouw, oxidatie-en reductievlekken van ijzer, de aanwezigheid van mangaan en van archeologische indicatoren, waaronder aardewerk en houtskool. De tekeningen van de profielen en coupes zijn analoog vervaardigd. De vlaktekening is digitaal vervaardigd. Hierbij is gebruik gemaakt van een GPS. Alle meetgegevens zoals hoogtematen, werkputgrenzen, verstoringen, meetpennen etc., zijn op deze manier gedocumenteerd. De veldadministratie is in het veld verwerkt in de QLC ArcheoLINK-database.

Het onderzoek is, op de genoemde uitbreiding van de werkput na, uitgevoerd conform het Programma van Eisen (PvE),34 en al het veldwerk is verricht volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.0.35

34 35

Van Hemert 2017. SIKB 2016.

17 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

5

Resultaten archeologisch onderzoek

5.1

Landschappelijke en bodemkundige context

De bodem in het onderzoeksgebied is sterk verstoord bij de bouw en sloop van de school die tot in de jaren ’70 aan de Dorpsstraat heeft gestaan. Hierdoor was het niet eenvoudig om in de werkput een locatie te vinden waar een volledig intact bodemprofiel gedocumenteerd kon worden. Toch is het gelukt om aan de noordwestzijde van de werkput een ruim 3 m breed intact profiel vast te leggen (Figuur 5.1). Aan weerzijden van het profiel zijn verstoringen zichtbaar (S999). De verstoringen reikten tot net boven of tot in het archeologisch vlak, waardoor niet uitgesloten is dat ondiep reikende archeologische sporen verloren gegaan zijn.

Figuur 5.1. Profiel aan noordzijde van de werkput.

FH

Het maaiveld ligt ter plaatse van het profiel op 9,40 m +NAP. Het bovenste deel van het profiel bestaat uit een sterk doorwortelde recente bouwvoor van donker bruingrijs siltig zand (laag 5000). De bouwvoor is 50 tot 60 cm dik en bevat onder andere insluitsels van grind en baksteenpuin. Waarschijnlijk is deze bouwvoor ontstaan bij de sloop van de school in 1979/1980. De metaalvondsten uit deze laag dateren uit de 19e en 20e eeuw. Uitzondering vormt een knoop die uit de periode 1700-1825 kan dateren (paragraaf5.3.4). Onder de bouwvoor zijn twee pakketten te onderscheiden, laag 5010 en laag 5020. Beide zijn 20 tot 40 cm dik. Laag 5020 betreft bruin grijs siltig zand met baksteenpuin en grind. Er is slechts een gering aantal vondsten uit laag 5020 geborgen: een fragment roodbakkend aardewerk (1300-1600), een fragment leisteen en een knoop uit 1600-1650. De datering van laag 5020 zou daarmee in de 17e eeuw kunnen liggen. De bovenste laag, laag 5010, is iets donkerder van kleur en bevat tevens baksteenpuin en iets grind. Er zijn geen vondsten uit laag 5010 geborgen. Op basis van de stratigrafische positie tussen de lagen 5000 en 5020 wordt laag 5010 tussen 1600 en 1900 gedateerd. De vondsten en de insluitsels duiden er op dat de lagen 5010 en 5020 geroerd zijn door de mens. Het is echter niet geheel duidelijk of de lagen ophogingslagen dan wel akkerlagen zijn.

Waarschijnlijk betreft het een akkerpakket met een oorsprong in de late middeleeuwen en wat vervolgens eeuwenlang beploegd is. De overgang tussen laag 5020 en onderliggende natuurlijke laag (C-horizont, laag 5050) is niet abrupt, maar gaat geleidelijk via een zogenaamde bioturbatielaag of mollenlaag (laag 5040). De C-horizont bestaat uit grindhoudend bruingeel zand met ijzervlekken (laag 5050, vulling 1) en lichtgrijze leemhoudende vlekken (laag 5050, vulling 2). Enkele van de leemhoudende vlekken zijn bij de aanleg van het vlak aangezien voor een antropogeen spoor, maar bleken na couperen een natuurlijke oorsprong te hebben (paragraaf 5.2). Het

18 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

natuurlijke sediment van de C-horizont is waarschijnlijk een fluvioperiglaciale afzetting uit de laatste ijstijd (het Weichselien) en kan tot de formatie van Kreftenheye gerekend worden. Bij het couperen van de diepreikende sporen is het grondwater is waargenomen op een diepte van ca. 7,40 m +NAP, ca. 0,8 m onder het aangelegde vlak (Figuur 5.9 en Figuur 5.10).

Figuur 5.2. Overzicht van de aangelegde werkput. Foto genomen richting het noordwesten. In het midden is de vierkante bakstenen septic tank S1.7. HD

5.2

Sporen

Het vlak is voor ruim een derde deel verstoord bij recente bodemingrepen, zoals het plaatsen van een septic tank en het verwijderen van zowel de funderingen van de school als de bestrating op het schoolplein (Bijlage 3 en Figuur 5.2). Ondiepe archeologische sporen kunnen hierdoor verloren gegaan zijn. Desondanks zijn er dertien grondsporen gedocumenteerd in vlak 1, op ca. 1,20 m -mv (8,20 m +NAP, Tabel 5.1). aard spoor

prehistorie

tonput (paal)kuil put totaal

௅ 1 ௅ 1

late nieuwe middeleeuwen tijd 1 ௅ 4 ௅ ௅ 3 5 3

totaal 1 5 3 9

Tabel 5.1. Overzicht van aard en aantallen antropogene sporen.

De recente verstoringen zijn gedocumenteerd onder het spoornummer S999. Na het couperen van de dertien sporen bleek dat een viertal sporen natuurlijk waren. Spoor 10 is het restant van een boomval. De sporen S1.2, S1.3 en S1.4 zijn lichtgrijze verkleuringen (Figuur 5.3). Door het vergelijken van de coupes van deze sporen met de lagen in het profiel kon geconcludeerd worden dat deze drie sporen tot de lichtgrijze natuurlijke vlekken in de C-horizont gerekend moeten worden (laag 5050, vulling 2, Figuur 5.1). Zodoende komt het totale aantal antropogene sporen uit op negen. Deze sporen dateren uit de prehistorie, late middeleeuwen en nieuwe tijd (Bijlage 4). Om de sporen beter te kunnen dateren en in een bredere

19 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

context te plaatsen zijn ze vergeleken met de sporen die in 2011 en 2012 zijn aangetroffen op het naburige project Dne1.36

Figuur 5.3. Coupe door S1.3.FH

Figuur 5.4. Coupe door S.1.12.HD

Prehistorisch spoor Spoor 12 zou het restant van een komvormige paalkuil kunnen vertegenwoordigen (Figuur 5.4). Het spoor is niet dieper dan 26 cm en heeft een vulling van lichtgrijs siltig zand, met bovenin een donkergrijze verkleuring. Er is geen houtskool waargenomen. Gezien het ontbreken van vondsten kan het spoor niet goed gedateerd worden, noch kan uitgesloten worden dat het een natuurlijk fenomeen betreft. Het is mogelijk dat het spoor uit de prehistorie dateert (late bronstijd-Romeinse tijd), net als een aantal paalsporen in het project Dne1.37 Laat-middeleeuwse sporen Vijf sporen zijn gedateerd als zijnde laat-middeleeuws/begin nieuwe tijd: een tonput en vier kuilen of paalkuilen. Van de tonput, S1.6, was slechts een klein restant bewaard gebleven. De diameter van het spoor in het vlak was 60 cm, in de coupe was het restant van het spoor slechts enkele centimeters diep (Figuur 5.5). Bij de vlakaanleg is een houtrestant waargenomen, dat niet geborgen kon worden. De interpretatie van het spoor als zijnde een tonput is gebaseerd op de vondst van ijzeren duigen (paragraaf 5.3.4). Uit het spoor is tevens een fragment roodbakkend aardewerk geborgen dat uit de periode 1400-1700 dateert. Op het project Dne1, ca. 93 m ten noorden van onderhavig onderzoeksgebied, is in 2011 tevens een 15e of 16eeeuwse waterput aangetroffen.

In deze waterput is op het diepste niveau een ton aangetroffen, die als bekisting diende en net als S1.6, een diameter had van maximaal 60 cm.

Figuur 5.5. Coupe door restant kuil voor tonput S1.6.

FH

Een viertal sporen betreft kuilen of paalkuilen (Figuur 5.6). De functie van de sporen is onbekend, hoewel vermoed wordt dat in de kuilen palen hebben gestaan. De komvormige sporen S1.1 en S1.5 hebben een 36 37

Den Braven 2012. Den Braven 2012, 12-15.

20 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

diameter van 60-70 cm en een overeenkomende donkergrijze vulling. De sporen S1.11 en S1.13 hebben een meer vlakke onderkant en ook een donkergrijze vulling,. In de coupe is onder S1.13 een gevlekte laag waargenomen. Deze lijkt door bioturbatie ontstaan te zijn. De bakstenen septic tank S1.8 doorsnijdt (paal)kuil S1.13.

Figuur 5.6. Coupes door (paal)kuilen S1.1, S1,5, S1.11 en S1.13.

FH/HD

De (paal)kuilen tekenen zich scherp af in het vlak en coupe, waardoor ze in het veld in eerste instantie als nieuwetijds gedateerd zijn. De sporen kunnen echter niet gerelateerd worden aan fenomenen op historische kaarten en foto’s. Een vergelijking van deze sporen met de sporen op het project Dne1 leert dat toen veel sporen met een scherpe contour in het veld ten onrechte weggeschreven zijn als recente verstoringen en toch middeleeuws bleken te zijn.38 Aangezien de vullingen van de (paal)kuilen van onderhavig project overeenkomen met de vullingen op Dne1, (paal)kuil S1.13 doorsneden wordt door een jongere bakstenen septic tank uit de nieuwe tijd en de (paal)kuilen niet geassocieerd kunnen worden met fenomenen op historische kaarten of foto’s, is het vermoeden dat deze sporen uit de late middeleeuwen of begin nieuwe tijd dateren (15e-16e eeuw, mogelijk 17e eeuw). De afstand tussen de (paal)kuilen bedraagt ca. 5 m en mogelijk hebben ze deel uitgemaakt van een structuur (spieker of een drie- dan wel vijfpalige roedenberg). Door de geringe opgravingsoppervlakte en vele jongere verstoringen, waardoor sporen verloren kunnen zijn gegaan, is het echter niet goed mogelijk om de sporen te herleiden tot een structuur. Ter vergelijking: op het project Dne1 was de afstand tussen de palen van laat-middeleeuwse roedenbergen ca.

3 m, maar in bijvoorbeeld Peelo zijn sporen van Romeinse of middeleeuwse driepalige roedenbergen aangetroffen met een onderlinge afstand van ca. 3 tot 5 m.39 Sporen uit de nieuwe tijd Drie bakstenen structuren dateren uit de nieuwe tijd en worden geassocieerd met de school die in de 20e eeuw aan de Dorpsstraat gestaan heeft. S1.7 is een rechthoekige bakstenen zinkput van ca. 0,7 bij 0,6 m (Figuur 5.2). De bovenkant van de zinkput bevond zich op 9,05 m +NAP, wat direct onder het huidige maaiveld is.

38 39

Den Braven 2012, 18-19. Waterbolk 2009, 130.

21 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

Het resterend deel van de zinkput was ca. 0,5 m hoog. De zinkput is waarschijnlijk aangelegd om het hemelwater van het schoolplein op te vangen. De bakstenen meten ca. 20,5 bij 10 bij 5,5 cm (waalformaat, gangbaar na 1850) en zijn gevoegd met een lichtbeige kalkzandmortel. Er is getracht de zinkput te herleiden op historische foto’s, maar er is geen foto gevonden waarop de put te herkennen is. De tweede bakstenen structuur, S1.8, is een ronde bakstenen septic tank, oorspronkelijk van een koepel voorzien en gefundeerd op een houten stelplaat (Figuur 5.8). Bij de documentatie is eerst van een helft de buitenzijde vrijgelegd, waarna de septic tank is gecoupeerd en afgewerkt (Figuur 5.7).

Figuur 5.7. Het vrij leggen van de buitenzijde van de bakstenen septic tank S1.8. De rand van de houten stelplaat is zichtbaar net boven het grondwater. FH

Het resterend deel van de septic tank was ca. 1,15 m hoog, de diameter aan de buitenzijde is 1,60 m en aan binnenzijde ca. 1 m. De stelplaat aan onderzijde bevindt zich op 7,41 m +NAP. Deze stelplaat beStaat uit een dubbele ring van naaldhouten planken (23 cm breed en 2 tot 3 cm dik), met een diameter van 1,56 m. De planken zijn vastgezet met draadnagels. De stelplaat is gebruikt om voor het metselwerk een vlakke en stabiele basis te hebben. De bakstenen, met een formaat van 22,5 bij 11 bij 4,5 cm zijn op de stelplaat gestapeld. Hierbij is geen gebruik gemaakt van mortel, integendeel, tussen de bakstenen zijn ruimtes open gelaten om het natte deel van de inhoud gemakkelijk in de bodem te kunnen laten infiltreren (Figuur 5.7). Een deel van de wand van de septic tank is weggebroken om een pvc-buis te kunnen plaatsen. Deze pvcbuis was verbonden met de betonnen septic tank die tijdens het archeologisch onderzoek verwijderd is. De constructie van gestapelde bakstenen en de pvc-verbinding bevestigt dat onderhavige bakstenen septic tank de voorganger van de betonnen septic tank is. Oorspronkelijk had de septic tank een bakstenen koepel. Van deze koepel restte alleen nog de aanzet en er is in de bovenste vullingen een aantal afgeschuinde bakstenen aangetroffen, die oorspronkelijk deel uitmaakten van de koepel.

Bij de bouw van de koepel is, in tegenstelling tot bij de wand van de septic tank, wel gebruik gemaakt van een witte lichtgrijze zandige kalkmortel. Het grootste deel van de septic tank is gevuld met baksteenpuin en zand (Figuur 5.9). De onderste vulling betreft een dunne laag natuurlijk sediment (grijsbruin siltig zand). Direct daarboven bevindt zich een 6 tot 8 cm dikke laag, zwart van kleur, grindhoudend en humeus. Deze laag is bemonsterd en bleek veel pitten te bevatten (paragraaf 5.3.5). De overige vondsten uit de septic tank betreffen enerzijds kleine objecten als griffels, knikkers, pijpfragmenten en anderzijds bouwpuin: fragmenten van schoorsteenbuizen en gresbuizen, plavuizen en dakpannen.

22 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

Figuur 5.8. De houten stelplaat van septic tank S1.8 voor en na (rechter foto) de lichting. FH

Gezien de openingen tussen de bakstenen in de wanden van de septic tank is het niet waarschijnlijk dat de put heeft gediend als beerput. De gedachte is dat de bakstenen septic tank diende voor de opvang van het hemelwater van het schoolplein en het dak van de school vanaf het begin van de 20e eeuw. Een deel van het kleine vondstmateriaal is ௅ al dan niet per ongeluk ௅ in de septic tank terecht gekomen. Deze lijkt in recentere tijd secundair gebruikt te zijn als overloop voor de naastgelegen aangelegde betonnen septic tank, gezien de verbinding met een pvc-buis. Vervolgens is bij de afbraak van de school een deel van het bouwpuin in de septic tank terecht gekomen.40

Figuur 5.9. Coupe door de septic tank S1.8. Foto genomen richting het noorden.

FH

Vier meter ten zuiden van S1.8 is een bakstenen waterput aangetroffen, S1.9 (Figuur 5.10). Deze verschilt qua constructie op een aantal punten van S1.8. Zo is bij de bouw geen stelplaat gebruikt en zijn geen of nauwelijks complete bakstenen gebruikt. In plaats daarvan is de waterput grotendeels opgebouwd uit gehalveerde bakstenen, zonder grote ruimte tussen de stenen. De waterput is gebouwd zonder het gebruik van mortel. De onderkant van S1.9 bevindt zich op 7,68 m +NAP. Op deze diepte kwam overigens het grondwater omhoog. Het restant van de waterput was 0,6 m hoog en het spoor had een diameter van 1,4 40

Buurtbewoners meldden tijdens het veldwerk dat in het verleden binnen het opgravingsterrein reeds putten verwijderd zijn. Daarnaast is bekend dat de woningen in dit deel van de Dorpsstraat vanaf 1965 aangesloten werden op het riool (http://geldrop:8090/kaartviewer/index.php?@Atlaz).

23 Standaardrapport IVO-P met doorstart naar DO, Dne5, Dorpsstraat Neerbosch-Oost

Bureau Leefomgevingskwaliteit - Archeologie Gemeente Nijmegen

m. Dat het een waterput betreft wordt onderstreept door de vondsten uit de vulling van de waterput: het restant van een ijzeren putemmer met touw en een ijzeren voorwerp dat mogelijk een haak is die bij de emmer hoorde. Ook in deze waterput is een deel van het puin van de school terecht gekomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=7461eff8-e818-456b-9f64-9c355aabf956