Bijlage 16 Archeologisch onderzoek Dorpsstraat (1)
Tekst van het document
Archeologische Berichten Nijmegen – Briefrapport 128
Archeologisch onderzoek aan de Dorpsstraat te Neerbosch-Oost, Nijmegen Bewoningssporen uit de late bronstijd, middeleeuwen en nieuwe tijd
J.A. den Braven
Gemeente Nijmegen, Bureau Archeologie en Monumenten 2012
1500 1250 900
nieuwste tijd nieuwe tijd
1800
laat middeleeuwen
na Chr.
vol
vroeg
0
70 19 250 500
laat midden vroeg laat
ijzertijd
270
Romeinse tijd
450
midden vroeg
800 laat bronstijd
1100
© 2012 Gemeente Nijmegen, Bureau Archeologie en Monumenten Archeologisch onderzoek aan de Dorpsstraat te Neerbosch-Oost, Nijmegen. Bewoningssporen uit de late bronstijd, middeleeuwen en nieuwe tijd
1800 vroeg
2000
J.A. den Braven
laat
2900
In opdracht van : gemeente Nijmegen Autorisatie : P.W. van den Broeke
4200
neolithicum (jonge steentijd)
Vormgeving : R.M.H.C. Mols Tekstredactie : P.W. van den Broeke
ISSN 2212-5337 4900
5300
noord
zuid
voor Chr.
paleolithicum (oude steentijd)
8800
De Gemeente Nijmegen aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. No part of this book may be reproduced in any form, by print, photoprint, microfilm or any other means, without the written permission from the publisher.
midden
vroeg
mesolithicum (midden-steentijd)
Niets van deze uitgave mag worden verveelvoudigd in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 jo, het besluit van 29 juni 1974, St.b. 351, zoals gewijzigd bij Besluit van 23 augustus 1985, St.b. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (Postbus 882, 1180 AW Amstelveen). Voor het overnemen van gedeelte(n) van deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) dient men zich tot de uitgever te wenden.
midden
Archeologisch onderzoek aan de Dorpsstraat te Neerbosch-Oost, Nijmegen Bewoningssporen uit de late bronstijd, middeleeuwen en nieuwe tijd
1 Inleiding 1.1 Kader en administratieve gegevens Aanleiding voor het archeologische onderzoek vormen de voorgenomen graafwerkzaamheden in het kader van de herinrichting van de wijk Neerbosch-Oost in de gemeente Nijmegen (fig. 1–2). Het terrein – gelegen ter plaatse van de voormalige middeleeuwse dorpskern van Neerbosch – kent volgens de archeologische beleidskaart een zeer hoge archeologische waarde (terrein Z-27 ; waarde 3). Om de archeologische vindplaats(en) nader te begrenzen en te waarderen is binnen het plangebied in oktober 2011 een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uitgevoerd. Bij het proefsleuvenonderzoek zijn behoudenswaardige archeologische resten aantroffen. Aangezien de vindplaats bij verdere planontwikkeling zou worden vernietigd, is in mei 2012 een opgraving verricht. Ressen Bemmel Slijk-Ewijk Oosterhout
Beuningen
Lent Weurt
Nijmegen
0
Figuur 1. De locatie van het onderzoeksgebied binnen Nederland en Nijmegen.
2 km
rm
Het archeologische onderzoek is verricht door Bureau Archeologie en Monumenten van de gemeente Nijmegen (BAMN). De wetenschappelijke leiding was in handen van Femke de Roode (senior KNA-archeoloog). Het veldteam bestond – in wisselende samenstelling – uit Arjan den Braven (KNA-archeoloog), Glenn Tak (seniorveldtechnicus), Renske de Boer (RTS-er / inhuur RAAP), Ian van Nieuwkoop (RTS-er), Remco Jalink (metaaldetectorspecialist), Bas Kokke (metaaldetectorspecialist) en Frans Peters (vrijwilliger AWN). De vaste punten van het meetsysteem zijn door middel van gps uitgezet door Tim van der Weyden. Twee houtmonsters zijn dendrochronologisch onderzocht door Marta Domínguez Delmás (Stichting RING – Nederlands Centrum voor Dendrochronologie). De coördinatie van de archeologische werkzaamheden was in handen van Kees Brok (opgravingsmanager) en Marius van Dam (assistentopgravingsmanager). Het machinale graafwerk is verricht door Koen Spanjaard en Mark Buddingh van de firma Basten uit Horssen.
3
184040
427704
plangebied
s–W aalk
ana
al
4
10
3 8
Maa
1
9 7
2
5
t raa
r
Do
100 m
184340
0
st ps
427305
Figuur 2. De locatie van de proefsleuven en opgravingsputten op het terrein. Schaal 1 : 2000. Administratieve gegevens Provincie : Gemeente : Plaats : Toponiem : Kaartblad : Hoekcoördinaten : 4
Projectverantwoordelijke : Bevoegd gezag :
Gelderland Nijmegen Nijmegen Dorpsstraat, Neerbosch-Oost 40C 184103 / 427510 ; 184103 / 427600 ; 184158 / 427600; 184158 / 427510 F. de Roode gemeente Nijmegen, M. Smit
jg / ab
Opdrachtgever : Onderzoeksmeldingsnummer : Onderzoeksnummer : Projectcode : Complex en codering : Periode(n) : Geomorfologische context : Hoogte maaiveld : Maximale diepte : Uitvoering van het veldwerk : Beheer en plaats vondsten en documentatie :
gemeente Nijmegen, E. van Petersen 48675 (IVO-P), 51771 (opgraving) 42638 (IVO-P), 42645 (opgraving) Dne1 nederzetting, onbepaald (NX) BRONSL, VMED–NTC niet gekarteerd (nabij niet-waaiervormige glooiingen (4H3)) gem. 9,00 m +NAP 140 cm 10-10-2011 t / m 16-5-2012 Archeologisch depot gemeente Nijmegen
1.2 Regionale archeologische en historische context
1 Nationaal Archief, Den Haag, OSPV Oorlog Situatieplans van Vestingen, nummer toegang 4.OSPV, inventarisnummer N27. 2 Zo is in een schepenprotocol uit 1410 sprake van „Die capelle in den Nederen Bossche”. 3 Gorissen 1956, 55 : „upten kirchof in gheen Nederbossche” (1411). 4 Gorissen 1956, 39 ; Thissen 2000, 80. 5 Gorissen 1956, 44 ; Van Berkel / Samplonius 2006, 308. 6 Thissen 2000, 45. 7 Thissen 2000, 81.
Het onderzoeksterrein bevindt zich ter plaatse van het voormalige dorp Neerbosch. Pas in de jaren ’60 van de 20e eeuw is dit dorp opgenomen in de stedelijke bebouwing van Nijmegen. Op de kaart van I.H. van Suchtelen en S.I. Hollandt uit 1752 is goed te zien dat de oorspronkelijke dorpskern niet veel meer omvat dan de oude parochiekerk en wat lintbebouwing aan beide zijden van de Dorpsstraat, die vóór de aanleg van het Maas-Waalkanaal in de jaren 1920–1927 doorliep in de huidige St. Agnetenweg (fig. 3).1 Aan de zuidzijde grenst het onderzoeksterrein aan het perceel met de kerk, die als rijksmonument een beschermde status geniet. De uit bakstenen opgetrokken gotische kerk was tot 1591 gewijd aan St. Antonius-abt. Deze kerk is gebouwd in de 14e eeuw. Alhoewel de kerk in 1456 ingrijpend is vernieuwd, dateren delen ervan nog uit de beginperiode. In de middeleeuwen behoorde de kerk tot het kerspel Nijmegen en had aanvankelijk de status van kapel.2 Evenals de kapellen van Hees, Hatert en Ubbergen bezat de kerk wel reeds in de 15e eeuw begrafenisrecht.3 De oorsprong van het dorp Neerbosch reikt terug tot 1300.
Op 20 november van dat jaar gaf graaf Reinoud I toestemming voor de ontginning van een aantal bossen in de buurt van Nijmegen, waaronder het Honicholt zoals het gebied rond Neerbosch toen nog werd aangeduid.4 Pas vanaf het laatste kwart van de 14e eeuw komen we in de geschreven bronnen ook het toponiem Neerbosch tegen, wat zoveel betekent als ‘lager gelegen bos’.5 De ontginning van Neerbosch behoorde tot het type ‘cope-ontginningen’ van laaggelegen gebied door een groep kolonisten die voor de cultivering van het land gezamenlijke maatregelen moesten nemen wat betreft de waterbeheersing. De uitgifte van de grond geschiedde door of namens de landsheer. In het geval van Neerbosch was dit de reeds eerder vermelde graaf Reinoud I van Gelre en Zutphen (1271–1326).6 De grond – oorspronkelijk koningsgoed dat in 1247 aan de graaf van Gelre was verpand – werd door zes personen verworven tegen een eenmalig te voldoen geldbedrag naast jaarlijks te betalen erfpacht en andere verplichtingen. Eigenlijk viel hieronder ook de tiend, maar die bleef in handen van het Keulse kapittel van St. Aposteln, dat tevens de patronaatsrechten in de parochie Nijmegen bezat. De oorkonde waarin de overeenkomst tussen landsheer en ‘copers’ staat vastgelegd, wordt ‘cope’-brief genoemd.
We weten betrekkelijk veel over de ontginning van Neerbosch dankzij een artikel van Thissen (2000), waarin hij uitvoerig de ‘cope’-brief uit 1300 toelicht in relatie tot het overige bronnenmateriaal. De grondbezitters zijn in Neerbosch eeuwenlang een erfpacht aan de landheer verschuldigd geweest, alhoewel het aantal kavels waarover feitelijk werd betaald gedurende de late middeleeuwen sterk afnam en uiteindelijk in 1675 tot nul werd gereduceerd.7 Bij aanvang van het archeologische onderzoek was onbekend of er vóór de late middeleeuwen al bewoning heeft plaatsgevonden in het onderzoeksgebied. Gedurende de vroege en volle middeleeuwen hoorde het terrein in ieder geval tot de uitgestrekte bossen van het Rijkswoud. Pas kort na 1300 werd dit bosgebied ontgonnen. De oorspronkelijke verkaveling behorende tot de ‘cope’-ontginning laat zich in grote lijnen nog herkennen op historisch kaartmateriaal, zoals de kadastrale kaart uit 1822 en de eerder aangehaalde kaart uit 1752 (fig. 3). Toch is nog veel onbekend over de exacte ligging van oude greppels en sloten en de eventuele fasering ervan. Bij aanvang van het archeologische onderzoek was dan ook de hoop dat hierover nieuwe gegevens verkregen
5
500 m
183615
184765
426739
0
428305
Figuur 3. Uitsnede van de kaart van I.H. van Suchtelen en S.I. Hollandt uit 1752 met daarop het onderzoeksgebied en opgravingsputten aangegeven. De kaart is georiënteerd op het zuiden ; schaal 1 : 10.000. nationaal archief, bewerking : ab zouden worden. Ook van de (post-)middeleeuwse ontwikkeling van het voormalige dorp Neerbosch, dat ongetwijfeld nog sporen in de bodem zal hebben nagelaten, is betrekkelijk weinig bekend. Enkele van de nu nog bestaande panden zijn de opvolgers van 17e-eeuwse buitenverblijven van de Nijmeegse elite. Vanuit lokaal-historisch perspectief is van belang dat de grootschalige middeleeuwse ontginning rond Neerbosch heeft geresulteerd in de vorming van een dorp, waarvan de relatie met de stad Nijmegen nog maar ten dele is onderzocht.
1.3 Doel- en vraagstelling van het onderzoek Het onderzoek had tot doel om het op de archeologische beleidskaart van Nijmegen aangegeven terrein van zeer hoge archeologische waarde (terrein Z-27) nader te onderzoeken op eventuele archeologische resten. De archeologische resten van vindplaats 1 die tijdens het inventariserend veldonderzoek (IVO-P) waren aangetoond, dienden door middel van een opgraving ex situ te worden behouden. In het Programma van Eisen8 zijn de onderzoeksvragen als volgt geformuleerd : 6
1. Wat is de aard, datering, kwaliteit en omvang van eventuele archeologische sporen en resten en tot welk complextype kunnen ze worden gerekend ?
8 Den Braven / De Roode 2012.
2. Is er sprake van stratigrafie, en zo ja wat is de aard en de datering van de diverse bodemlagen en wat is hun begrenzing in het verticale en horizontale vlak ? 3. Wat is de relatie tussen de aangetroffen resten, de vastgestelde stratigrafie, de bodemgesteldheid en het landschap (geomorfologie en reliëf ) ? 4. Is er een fossiele akker- of cultuurlaag aanwezig ? 5. Wat is de conservering of gaafheid van de verschillende materiaalcategorieën, inclusief botanisch en zoölogisch materiaal ? 6. Wat is de diepte (t.o.v. maaiveld) en de hoogteligging (t.o.v. nap) van de archeologische resten ? 7. Wat is de geologische context van de aangetroffen archeologische resten ?
1.4 Methodiek van het veldwerk Het veldonderzoek is verricht conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 3.2 en de werkinstructies van Bureau Archeologie en Monumenten van de gemeente Nijmegen. Alle veldlijsten (met sporen, vondsten, foto’s, etc.) zijn daarbij zoveel mogelijk al in het veld verwerkt in de QLC-ArcheoLINK-database onder de projectcode Dne1. Voorafgaand aan het onderzoek zijn door middel van gps op de onderzoekslocatie vijf vaste punten uitgezet. Deze punten dienden tevens als de vaste nap-punten. Bij aanvang van het onderzoek waren zes proefsleuven van 25 × 4 m voorzien, waarvan vier proefsleuven (put 1–3 en 5) die min of meer NO–ZW waren georiënteerd en twee proefsleuven (put 4 en 6) die hier haaks op stonden. De proefsleuf (put 6) op het perceel aan de Dorpsstraat is echter komen te vervallen vanwege behoudenswaardig groen op het desbetreffende perceel. Het proefsleuvenonderzoek is gefaseerd uitgevoerd. Put 2 tot en met 5 zijn onderzocht in de periode van 10 oktober tot en met 12 oktober 2011. Put 1 is in eerste instantie niet aangelegd in verband met op deze locatie eerder aangetoonde bodemverontreiniging.
Uiteindelijk is deze proefsleuf op 10 mei 2012 alsnog aangelegd, maar dan in ingekorte vorm, zodat de proefsleuf buiten een zone met ernstige verontreiniging is gebleven.9 Op de eerste dag van het proefsleuvenonderzoek vertoonde de RTS problemen. Daarom zijn vier proefsleuven (put 2–5) met de hand uitgezet. Bij één proefsleuf (put 5) moest daarbij een iets afwijkende oriëntatie worden aangehouden, vanwege bomen op het desbetreffende perceel (fig. 2). Bij de aanleg van de proefsleuven is eerst de bouwvoor verwijderd, waarvan de grond apart is gehouden van de overige grond. Hierna is laagsgewijs verdiept tot het eerste niveau waarop grondsporen zich in het vlak aftekenden, gemiddeld op 8,30 m +nap. De aanleg van de vlakken geschiedde onder begeleiding van een metaaldetectorspecialist (fig. 4). Bij de aanleg van de proefsleuven is het vondstmateriaal aan genummerde lagen of sporen toegeschreven, waarbij is aangegeven uit welk genummerd vak (4 × 5 m) de vondsten afkomstig waren. Na aanleg van de proefsleuven is het vlak gefotografeerd en zijn alle sporen, laagbegrenzingen en eventuele puntvondsten ingemeten met een RTS (fig. 5). 9 Over de gehele lengte van de proefsleuf is een lichte verontreiniging aangetroffen, bestaande uit een dikke laag steenkoolgruis.
Deze verontreinigde laag is conform eerdere afspraken met Astrid van Eekeren (gemeente Nijmegen) tijdens de graafwerkzaamheden op landbouwplastic in depot gezet en nadien op dezelfde plaats weer teruggebracht. 10 Put 7 en put 10 konden respectievelijk vanwege een rij bomen en een hekwerk niet over de geplande breedte van 10 m worden aangelegd. 11 Bij de uitwerking van het onderzoek is echter gebleken dat een aantal in het veld als natuurlijke of recente verstoringen aangemerkte sporen toch van antropogene, niet recente oorsprong zijn.
Tijdens het proefsleuvenonderzoek is een selectie van de sporen gecoupeerd en afgewerkt om zodoende aanvullende informatie te krijgen over de aard, datering en conservering van de sporen en bijbehorend vondstmateriaal. Van iedere put zijn in principe drie profielkolommen van ca. 1 m breed gefotografeerd en getekend (schaal 1 : 20). Gezien de vrij eenvoudige bodemopbouw is afgezien van een doorlopend putprofiel. Bij het proefsleuvenonderzoek werden in put 2 en 3 diverse paalsporen en een (naar later bleek) laat-middeleeuwse waterput (S2.1) aangetroffen. Ter plekke van de machinale coupe over laatstgenoemde waterput zijn nog twee extra deelvlakken (vlak 2 en 3) aangelegd. De zone tussen put 2 en 3 is als vindplaats 1 aangemerkt en in de periode van 10 mei tot en met 16 mei 2012 vlakdekkend opgegraven in vier min of meer NW–ZO georiënteerde opgravingsputten (fig. 6). Deze putten waren ca. 30 m lang en 8–10 m breed.10 De methodiek van het veldwerk was in grote lijnen identiek aan het proefsleuvenonderzoek, met als verschil dat buiten natuurlijke of recente verstoringen alle sporen (al dan niet machinaal) zijn gecoupeerd, gefotografeerd, getekend (schaal 1 : 20) en afgewerkt.11 Daarnaast zijn bij de aanleg van het vlak vondsten uit lagen in genummerde vakken van 5 × 5 m verzameld. Na afloop van archeologische werkzaamheden zijn de putten weer dichtgedraaid.
7
8
Figuur 4. Laagsgewijze aanleg van vlak 1 van put 1, waarbij het vlak met een metaaldetector wordt afgezocht.
ab
Figuur 5. Inmeten met de RTS van de laat-middeleeuwse waterput S2.1 / 9.55.
ab
Figuur 6. Aanleg van put 9 met op de achtergrond de laat-middeleeuwse kerk van Neerbosch. Een oude proefsleuf (put 2) tekent zich in het vlak af als een donkere baan. ab
2 Resultaten 2.1 Aardkundige aspecten
1 Berendsen 1998, 90–91. 2 Teunissen 1988, 2, met aanpassing aan de huidige geologische nomenclatuur. 3 De Mulder e.a. 2003. 4 Teunissen 1988, 3 ; Op de in 2010 verschenen Geologische overzichtskaart van Nederland loopt de Formatie van Drente echter iets verder door in noordwestelijke richting. 5 Berendsen 1998, 89.
Geologie en geomorfologie – bestaande kennis Het onderzoeksgebied bevindt zich in de stedelijke bebouwing van Nijmegen, waardoor gedetailleerde geologische en geomorfologische gegevens ontbreken. Het is gelegen in de overgangszone tussen het Nijmeegse stuwwallandschap en het rivierlandschap met oeverwallen en komgronden. De eigenlijke stuwwal – ten zuidoosten van Nijmegen – is gevormd tijdens de voorlaatste ijstijd (het Saalien, tot ca. 130.000 jaar geleden). Deze stuwwal bestaat uit door landijs gestuwde fluviatiele zand- en grindafzettingen. Het gaat hierbij vooral om gestuwde Rijnafzettingen met weinig Maasinvloed.1 De stuwwal is duidelijk zichtbaar als een NNO–ZZW lopende reliëfrijke heuvelreeks met plaatselijk een hoogte tot 95 m +nap (fig. 7).2 In het westen gaat deze stuwwal geleidelijk over in een hooggelegen glaciofluviale vlakte die wordt gerekend tot de Formatie van Drente. Het gaat hierbij specifiek om het Laagpakket van Schaarsbergen, dat wordt gekenmerkt door matig fijn tot uiterst grof zand met grind afkomstig uit Scandinavië (o.a. vuursteen en graniet).3 Dit grindhoudende zand is in de voorlaatste ijstijd nabij het landijs afgezet door glaciaal smeltwater. De exacte grens tussen de stuwwal en de glaciofluviale vlakte is lastig aan te geven, omdat de westflank van de stuwwal ook is bedekt met pakketten smeltwaterzand.
De grens ligt waarschijnlijk rond de 40 m +nap (maaiveldhoogte). De glaciofluviale vlakte loopt in westelijke richting verder af tot 20 à 15 m +nap.4 In de westelijk hiervan laaggelegen vlakte bevinden zich in de ondergrond sedimenten van de Rijn en Maas die zich evenwijdig aan het landijsfront hebben afgezet in enkele brede stroomdalen, waar ook het smeltwater werd afgevoerd. Deze grofzandige en grindrijke fluviatiele afzettingen worden gerekend tot de Formatie van Kreftenheye.5 Daarboven bevinden zich hellingafzettingen die zich in de laatste ijstijd (het Weichselien) hebben gevormd. Het onderzoeksterrein lijkt te zijn gelegen op deze hellingsedimenten
9
0
1 km
NAP-hoogte in meters 50 45 40 35 30 25 20 15 10 5
Figuur 7. Actueel Hoogte Bestand Nederland (www.ahn.nl) met globale weergave van het reliëf. De ster markeert de onderzoekslocatie. Schaal 1 : 50.000 ab
NIJMEGEN
0
10
Figuur 8. Uitsnede van de bodemkaart van Pons (1966). De ster markeert de onderzoekslocatie. Schaal 1 : 25.000.
500 m
ab
m +NAP 9,20 5000
9,10 9,00
5005
8,90 8,80
5010 5011 5012 5020
8,70
5000
8,60 8,50
5010
8,40 8,30 8,20
5015 5020
8,10
Figuur 9. Profielkolom 2 van put 1 (links) en profielkolom 1 van put 2 (rechts), gezien richting het noordwesten. Schaal 1 : 20. ab die in de nieuwe lithografische indeling met de Formatie van Boxtel worden aangeduid (voorheen Formatie van Twente).6 Op de huidige bodemkaart van Alterra staat de onderzoekslocatie vanwege bebouwing als niet gekarteerd aangegeven.7 Volgens de oudere bodemkaart van Pons (1966) bestaat de bodem uit vochthoudende gebroken grindzandgronden die met de code gY2 zijn aangeduid (fig. 8).
6 Berendsen 1998, 113 ; De Mulder e.a. 2003. 7 Archis2.Archis.nl.
Beschrijving en interpretatie profielkolommen Gedurende het onderzoek zijn verdeeld over de proefsleuven en opgravingsputten in totaal 23 profielkolommen van ca. 1 m breed gefotografeerd, getekend en beschreven. De bodemopbouw in put 1 wijkt af van die van de overige putten (fig. 9). Opvallend is dat het maaiveld in put 1 (ca. 9,15 m +nap) ruim 30 cm hoger ligt dan het maaiveld bij de overige putten. Dit is niet verwonderlijk, aangezien het perceel waar put 1 is aangelegd behoort tot het woonerf en daarom is opgehoogd. In put 1 bevindt zich over de gehele putlengte en –breedte direct onder de recente bouwvoor (laag 5000) een ca. 30 cm dikke laag van vrijwel uitsluitend steenkoolgruis (laag 5005). De scherpe overgang van deze laag met de boven- en ondergelegen lagen doet een recente datering vermoeden. Onder de steenkoollaag bevindt zich ca. 30 tot 50 cm dik pakket van donkerbruingrijs tot grijsbruin matig siltig zand, die bij kolom 2 van put 1 in drie lagen kon worden opgedeeld (laag 5010, 5011 en 5012). De bovenzijde van dit pakket bevindt zich rond 8,80 m +nap. Het is onduidelijk of het hier oude akker- of ophogingslagen betreft. De vondsten uit dit pakket dateren uit de 14e tot en met de 19e eeuw. De natuurlijke ondergrond bestaat uit geel, lichtgrijs gevlekt zand met veel ijzervlekken en enig grind (laag 5020).
Waarschijnlijk gaat het om hellingafzettingen die zich in de laatste ijstijd (het Weichselien) hebben gevormd en die met de Formatie van Boxtel worden aangeduid. Bij de overige putten bestaat de recente bouwvoor uit een 20 tot 40 cm dikke laag van donkergrijsbruin matig siltig zand met baksteenfragmenten en iets grind (laag 5000). Het vondstmateriaal uit deze laag dateert uit de 18e tot en met de 20e eeuw. Direct onder de recente bouwvoor bevindt zich een 30 tot 40 cm dikke laag van (donker) bruingrijs matig siltig zand (laag 5010). De bovenzijde van deze laag zit gemiddeld op 8,65 m +nap. Waarschijnlijk gaat het om een in oorsprong laat-middeleeuws akkerpakket, dat door eeuwenlang ploegen een homogeen karakter heeft gekregen. Het vondstmateriaal uit deze laag dateert uit de 14e tot en met de 19e eeuw en zal voor een deel via bemesting hier terecht zijn gekomen. Op de overgang tussen laag 5010 en de natuurlijke ondergrond is in de meeste putten een ca. 10 cm dikke laag opgemerkt van lichtgrijs zand met veel bioturbatie in de vorm van mollengangen (laag 5015). Op de overgang van laag 5010 naar laag 5015 zijn de sporen zichtbaar, zoals goed te zien is in figuur 18. De natuurlijke ondergrond bestaat evenals bij put 1 uit geel, lichtgrijs gevlekt zand met veel ijzervlekken en enig grind (laag 5020). Bij de dieper uitgraven coupes, zoals bij waterput S2.1 / 9.55 (fig.
18), is op een dieper niveau nog een laag van grijs, grof zand met veel grind aangetroffen (laag 5030). De bovenzijde van deze laag bevindt zich op ca. 7,75 m +nap. Door opkomend grondwater kon de onderzijde van
11
x y 184 42 17 75 4 70
x y 184 42 18 75 7 81
1.5 1.4 1.3 1.2 1.1 1.6
1.7
1.1
1.8
x y 184 42 17 75 9 65
x y 184 42 19 75 2 75
0
10 m
00
841
10 841 x 1 27536 y4
x 1 27612 y4
5.6 5.5
5.2 5.1
5.4
5.7
5.11 5.10
5.9
5.12 5.14 5.13
5.15
5.21
5.18
5.22
5.17 5.16
5.20
5.19
10 m
Figuur 10. Overzicht van sporen van put 1 en 5 (IVO-P). Schaal 1 : 250.
vroege–volle middeleeuwen 17 841 x 1 27533 y4
08 841 x 1 27510 y4
0
5.23
5.8
jg / ab
dit pakket niet worden vastgesteld. Waarschijnlijk gaat het om fluviatiele afzettingen die gerekend worden tot de Formatie van Kreftenheye.
2.2 Sporen en structuren Gedurende het archeologische onderzoek zijn buiten recente en natuurlijke verstoringen in totaal 203 sporen aangetroffen (fig. 10–11). Het gaat voornamelijk om paalsporen en (afval)kuilen (tabel 1). De sporen dateren uit de late bronstijd tot en met de nieuwe tijd. Voor een volledig overzicht van de sporen en hun datering wordt verwezen naar bijlage 2. spoortype n houtskoolmeiler 7 kuil 33 paalspoor 157 waterput 1 vlek 5 totaal 203
Tabel 1. Verdeling van de spoortypen. Een niet onaanzienlijk deel van de sporen kan aan structuren worden toegekend, voornamelijk spiekers en roedenbergen (tabel 2). De sporen en structuren worden in de onderstaande paragrafen waar mogelijk per periode besproken.
2.2.1 Prehistorie
12
Verspreid over put 7, 8 en 9 is tijdens de opgraving een cluster met paalsporen aangetroffen, waarvan in het veld het vermoeden bestond dat het een prehistorische gebouwplattegrond betrof (fig. 12). De paalsporen hebben een vulling van lichtgrijs zand met soms wat houtskool. In verticale doorsnede hebben deze paalsporen een ietwat komvormige onderzijde en zijn ze gemiddeld 12 cm diep. Uit twee tot dit cluster behorende sporen komt dateerbaar vondstmateriaal in de vorm van handgevormd aardewerk, waaronder een randfragment van een biconische pot met een versiering bestaande uit horizontale rijen met nagel- / vingertopindrukken. Waarschijnlijk dateert
onbekend natuurlijke verstoring/ vervallen recente verstoring
x y 184 42 12 75 5 95
late bronstijd–Romeinse tijd vroege–volle middeleeuwen
4.2
late middeleeuwen nieuwe tijd onbekend natuurlijke verstoring/vervallen recente verstoring
x y 184 42 11 75 0 65 4.1 3.6 3.3 3.9
3.4
3.7
9.39
8.3
3.8/8.1
3.2
9.40
8.4
8.27
7.39
7.4 8.9 8.7 7.3 ST2 8.11
7.2
7.5
8.12
7.11
8.60 ST10
7.10
8.32
7.20
7.22 7.15
8.58 7.24
7.16
8.26 8.36
10.19
9.1 9.2
9.3
9.4
9.6 ST12 9.11
9.8 9.10
8.50
8.55
8.52
9.28 ST3 9.30
7.25 7.26 8.56
7.19 7.27
7.18 7.33
7.34 7.32
8.54
8.51
7.35
9.48 9.50
8.52/53
8.48
9.54 9.51 10.5 2.3
2.9
8.57
2.8
2.13 2.14
2.7 2.15
7.30
7.31
ST4
2.1/9.55
9.35
9.57
10.11 ST5 10.8
10.6
10.10 10.9 10.4
2.2
2.4 2.5
9.34 7.37
ST1 9.47
9.33
7.28
7.29
10.14
9.27 8.31
10.16
10.15
9.15 ST13 9.16 ST7 9.17 ST6 9.19 9.18 9.23 9.22 9.24 ST11 9.25
8.47 8.53
10.18
10.17
9.42
8.61
7.23 7.14 ST15
8.31
8.33
7.21
ST8
ST9
7.8 7.77
8.19
8.17
8.8
8.13 8.15
8.10
7.9
7.12
10.20
8.5
8.6
7.17
10.22
9.41 10.21
ST14
7.13
10.23
8.2
7.1
7.38
10.27 10.25
3.5
3.1
10.24
10.26
9.56
9.58
10.3
7.36
10.1
9.59
x y 184 42 13 75 5 40
9.38
0
10 m
x y 184 42 15 75 5 55
Figuur 11. Overzicht van sporen en structuren van put 2 t / m 4 en 7 t / m 10 (IVO-P + DO). Schaal 1 : 250.
jg / ab
13
structuur 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15
omschrijving vijfpalige roedenberg vijf- / zespalige roedenberg vijfpalige roedenberg vijfpalige roedenberg vijfpalige roedenberg zespalige spieker vierpalige spieker driepalige spieker / roedenberg driepalige spieker / roedenberg driepalige spieker / roedenberg driepalige spieker / roedenberg driepalige spieker / roedenberg driepalige spieker / roedenberg palenrij (hekwerk) palenrij (hekwerk)
datering late middeleeuwen late middeleeuwen late middeleeuwen late middeleeuwen late middeleeuwen late bronstijd – Romeinse tijd late bronstijd – Romeinse tijd late bronstijd – Romeinse tijd late bronstijd – Romeinse tijd late bronstijd – Romeinse tijd late bronstijd – Romeinse tijd late bronstijd ? late bronstijd – Romeinse tijd nieuwe tijd ? nieuwe tijd
Tabel 2. Overzicht van de onderscheide structuren. deze pot uit de late bronstijd (fig. 21).8 Het overige handgevormde aardewerk uit de sporen laat zich niet nauwkeuriger dateren dan de periode late bronstijd – Romeinse tijd. Tijdens de uitwerking zijn acht mogelijke structuren herkend in deze paalsporen (fig. 11 en 13). Het lijkt te gaan om spiekers die gebruikt zijn voor de opslag van graan, hooi of andere producten. Op basis van het spaarzame vondstmateriaal is een datering in de late bronstijd voor deze bijgebouwen het meest aannemelijk, alhoewel een datering in de ijzertijd of mogelijk zelfs de Romeinse tijd niet uitgesloten mag worden.9 Zespalige spieker Onder de prehistorische sporen bevindt zich een O–W georiënteerde zespalige spieker (ST6) van ca. 2,80 m lang en 2,00 m breed (fig. 13a). Het gaat hier om een type spieker dat in de bronstijd tot en met de Romeinse tijd algemeen voorkomt.10 De noordwestelijke hoekpaal (S8.24) is ten opzichte van de overige paalsporen van deze spieker beduidend dieper uitgegraven. De reden hiervoor is onbekend. Vierpalige spieker Behalve een zespalige spieker is er tevens een vierpalige spieker (ST7) van ca. 2,00 bij 2,00 m gevonden (fig. 13b). Ook dit type spieker komt gedurende de late prehistorie en Romeinse tijd veel voor.
8 Determinatie P.W. van den Broeke. 9 Er zijn bij de opgraving echter géén vondsten gedaan die met zekerheid uit de ijzertijd of Romeinse tijd dateren.
14
Figuur 12. Overzicht van de gecoupeerde, overwegend prehistorische paalsporen in put 7 en 8 gezien richting het westen. in
10 Vgl. Arnoldussen 2008, 239 (fig. 5.39) en Waterbolk 2009, 89 en 91.
a
8.24
8.35
8.39
8.34
8.41
8.43
8.25
e
8.30
8.40
8.38 9.13
9.20
8.37
9.37
b
f 8.18
8.22
8.46
8.42
9.5
9.7
8.20
c
9.14
g 8.21 9.9
8.16
8.23
d
9.12
9.21
h
Dne1 - 13. prehistorische Figuur Overzicht structuren van de prehistorische zes-, vier- en driepalige structuren. ST6 (a), ST7 (b), ST8 (c), ST9 (d) tek. AB (03-12-2012) en ST10 (e), ST11 (f ), ST12 (g), ST13 (h). Vlakhoogte op 8,40 m +nap, Schaal 1 : 200 (vlak) en schaal 1 : 100 (coupe). schaal 1:200 (vlak) en schaal 1:100 (coupe) ab vlakhoogte 8,40 m +NAP
Driepalige spiekers / roedenbergen De interpretatie van een zestal driepalige structuren is minder zeker (fig. 13c–h). Het lijkt te gaan om gelijkzijdige, driehoekige spiekers of roedenbergen. In het laatste geval was het dak in hoogte instelbaar.11 De afstand tussen de palen varieert van ca. 2,00 m (ST8–9, ST12–13) tot 2,40 m (ST10–11). Bij Deventer-Colmschate12 en ZwolleIttersumerbroek13 zijn vergelijkbare driehoekige structuren onderscheiden die uit de late bronstijd of vroege ijzertijd zouden dateren. Inmiddels is bij deze interpretatie twijfel gerezen.14 Dat driehoekige structuren bestaan hebben, bewijzen echter de sporen van Romeinse of middeleeuwse driepalige roedenbergen die gevonden zijn in Peelo.15 Met een onderlinge afstand van ca. 3,00 tot 5,00 m zijn de driepalige roedenbergen van Peelo wel een stuk groter.
a) ST6, b) ST7, c) ST8, d) ST9, e) ST10, f ) ST11, g) ST12, h) ST13
2.2.2 Middeleeuwen Een aanzienlijk deel van de sporen en structuren dateert uit de middeleeuwen. Het gaat om minimaal zeven houtskoolrijke kuilen die als houtskoolmeilers zijn geïnterpreteerd, vijf roedenbergen, een waterput en een langwerpige (drenk)kuil (bijlage 2). De middeleeuwse sporen en structuren worden hieronder verder besproken.
11 Waterbolk 2009, 129. 12 Verlinde 1991b, 36 (fig. 5). 13 Verlinde 1991a, 35. 14 Arnoldussen 2008, 238. 15 Waterbolk 2009, 130 (afb. 94f–j).
Houtskoolmeilers Bij aanvang van het onderzoek werden geen middeleeuwse sporen verwacht die dateren van vóór de ontginning van Neerbosch kort na het jaar 1300. Aan een viertal houtskoolrijke kuilen (S5.1, S5.2, S5.10 en S5.22) die bij het proefsleuvenonderzoek aan het licht kwamen, werd aanvankelijk dan ook weinig aandacht geschonken (fig. 10). Het vermoeden was dat het recente haardkuilen van de scouting betrof, die tot vlak voor het proefsleuvenonderzoek op het desbetreffende perceel haar clubgebouw had staan. Toen bij de opgraving op het belendende perceel – dat in gebruik was als weiland – drie vergelijkbare houtskoolrijke kuilen (S7.16, S7.9, S9.2) werden aangetroffen, bleek een
15
Figuur 14. Coupe over een middeleeuwse houtskoolmeiler (S9.2) gezien richting het zuidab westen. vroeg- of vol-middeleeuwse datering echter meer voor de hand te liggen (fig. 11). In één van de kuilen (S9.2) werd namelijk een groot fragment Paffrath(achtig)-aardewerk aangetroffen.16 In het horizontale vlak hebben de kuilen een ronde tot ietwat ovale vorm, waarvan de waargenomen maximale lente varieert van 0,60 m (S5.22) tot 1,81 m (S5.10). De gemiddelde lengte bedraagt ca. 1,30 cm. Voor zover deze kuilen tijdens het onderzoek zijn gecoupeerd, blijken ze in verticale doorsnede vrij rechte wanden en een vlakke bodem te hebben (fig. 14). Met name aan de onderzijde van de sporen blijkt nog veel houtskool aanwezig. In twee gevallen werd de kuil begrensd door een laagje zand dat voor verhitting een rode kleur heeft gekregen. De houtskoolrijke kuilen vertonen qua vorm en afmetingen veel gelijkenis met de vroeg-middeleeuwse houtskoolmeilers die bij archeologisch onderzoek op de Looërenk in Zutphen zijn gevonden en moeten waarschijnlijk dan ook als zodanig worden geïnterpreteerd.17 Het gaat hierbij om kuilmeilers of Grubenmeilern, een type meiler dat vanaf de Romeinse tijd is gebruikt voor houtskoolproductie.
Pas vanaf de 16e eeuw zijn ook oppervlaktemeilers of Platzmeilern toegepast.18 Met name voor ijzerproductie waren grote hoeveelheden houtskool nodig, waarvoor grote bosarealen moesten worden gekapt. In Zutphen is de houtskool uit de meilerkuilen onderzocht. Daar is uitsluitend eik gebruikt. Dit wijst op selectief houtgebruik, aangezien ook berk en hazelaar in het bos hebben gegroeid. In het geval van Zutphen bleek het grote aantal meilerkuilen in combinatie met de relatief korte tijdsduur van de houtskoolproductie (9e–10e eeuw) te wijzen op een structurele en intensieve exploitatie van het boslandschap.19 Het is niet duidelijk of deze situatie zich ook in Neerbosch voordoet. Het is daarom wenselijk dat de houtskool uit de meilerkuilen alsnog op houtsoort wordt gedetermineerd en gedateerd door middel van 14C-datering.20
16
Roedenbergen Gedurende het onderzoek zijn er vijf (delen van) roedenbergen aangetroffen, die voor de opslag van hooi en landbouwgewassen zullen hebben gediend (fig. 15). Op basis van begeleidend vondstmateriaal (bijlage 2) en vergelijkbare vijfpalige roedenbergen die elders zijn gevonden,21 dateren ze uit de late middeleeuwen. Ze benadrukken het agrarische karakter dat Neerbosch na de grootschalige ontginningen kort na 1300 heeft gekregen. Tijdens het veldwerk zijn (delen van) de roedenbergen echter niet als zodanig herkend. Dit komt mede doordat, met uitzondering van ST1 (fig. 16), de paalsporen van de roedenbergen verspreid werden aangetroffen over meerdere opgravingsputten. Daarnaast zijn verscheidene paalsporen, waarvan nog houten paalstompen aanwezig
16 Een klein fragment van 18e- / 19eeeuws Nederrijns slibaardewerk uit de bovenvulling van dit spoor, moet als latere intrusie worden beschouwd. 17 Groenewoudt / Groothedde 2008, 277. 18 Groenewoudt / Groothedde 2008, 280 ; Lipsdorf 2001, 214. 19 Groenewoudt / Groothedde 2008, 281. 20 Dit onderzoek is nog niet uitgevoerd doordat aanvankelijk het idee bestond dat het recente kuilen betrof. 21 Vergelijkbare vijfpalige roedenbergen zijn onder meer bekend uit, Kerk-Avezaath (Botman / Kenemans 2001, 97), Peelo (Waterbolk 2009, 130 : afb. 130a–e), Nijmegen-Ressen (Den Braven / Van den Broeke 2012, 40: afb. 5.4a) en de Utrechtse Leidsche Rijn (Van der Kamp 2010, 120 : afb. 7–10, GEB31).
9.43
9.46/10.12
9.49
9.44
a
9.45
8.14
8.62
8.28 8.29
7.6
b
9.29
9.26
8.45
2.11/8.59/9.32
8.49
c
2.6
9.36
2.10
d
10.13
10.28
10.7
e
Figuur 15. Overzicht van vijf- tot zespalige middeleeuwse roedenbergen. ST1 (a), ST2 (b), ST3 (c), ST4 (d) en ST5 (e). Vlakhoogte op 8,40 m +nap, Schaal 1 : 200 (vlak) en schaal 1 : 100 (coupe). ab
17
Figuur 16. Foto van een vijfpalige middeleeuwse roedenberg (ST1) gezien richting het zuidwesten.
a
b
18
Figuur 17. Coupe over paalspoor S9.45 (a) en S9.44 (b), beide behorende tot een vijfpalige middeleeuwse roedenberg (ST1). ab
ab
textuur
m +NAP NO 9,00
ZW 5000
kleiig/siltig zand zand toevoegingen
5010 vlak 1 vlak 2
grind
2
5015
5020
5020
spoor/niet-recente ingraving
5030
8,00
5030
3
7,50 4
4
grondwaterniveau
S2.1/9.55
vlak 1
5015
1
vlak 3
recent gevormd/verstoord
8,50
7,00
S2.1/9.55
2
1
S2.1/9.55 vlak 2
2
1
vlak 3
S2.1/9.55 3
Figuur 18. Waterput S2.1 / 9.55. Schaal 1 : 50.
ab
waren, in het veld ten onrechte als recente verstoringen afgeschreven.22 Bij ST4 en ST5 ontbreken in beide gevallen twee paalsporen die recentelijk zijn vergraven of die zich net buiten het opgegraven areaal zullen bevinden. De middeleeuwse roedenbergen zijn in vorm en afmetingen uniform. De afstand tussen de palen bedraagt in alle gevallen ca. 3,00 m. Bij ST2 lijkt sprake van een herstelfase, waarbij de oude paal (S8.29) op een gegeven moment is vervangen door een nieuwe paal. Typerend is de langgerekte uitgraafkuil (S8.28 / S8.62). De vulling van de paalsporen bestaat uit donkergrijs matig siltig zand met in een enkel geval wat baksteenpuin in de nazakking. De langwerpige sporen hebben in verticale doorsnede veelal een typische revolvertasvorm (fig. 17). De paalsporen van de middeleeuwse roedenbergen zijn vergeleken met de prehistorische paalsporen diep uitgegraven. Gerekend vanaf vlak 1 hebben de paalsporen van de middeleeuwse roedenbergen een gemiddelde diepte van 0,46 m. De paalsporen van roedenberg ST1 zijn het diepst uitgegraven, namelijk gemiddeld 0,64 m. Aangezien de onderzijde van deze sporen onder het grondwaterniveau zaten, waren in drie gevallen nog houten paalstompen bewaard gebleven. Twee hiervan zijn voor dendrochronologisch onderzoek opgestuurd naar RING.
Het blijkt te gaan om eikenhout (Quercus) dat vanwege de geringe hoeveelheid jaarringen geen dendrochronologische datering heeft opgeleverd (par. 2.3.6). De roedenbergen zullen waarschijnlijk niet allemaal gelijktijdig hebben gefunctioneerd. Het is niet mogelijk om een onderlinge fasering aan te geven, aangezien ze elkaar niet oversnijden en het weinige vondstmateriaal (enkele laat-middeleeuwse baksteenfragmenten, een ijzeren spijker en natuursteen) slecht dateerbaar is (bijlage 2). 22 Deze verwarring is bij ST1, ST3 en ST5 begrijpelijk, aangezien de paalsporen van deze roedenbergen grenzen aan de paalsporen van een 20e-eeuws hekwerk (ST15).
Waterput S2.1 / 9.55 Een bij het proefsleuvenonderzoek aangetroffen waterput wijst op bewoning ter plaatse (fig. 18). Voor de bekisting zijn waarschijnlijk twee tonnen hergebruikt, waarvan het hout in de loop der tijd is vergaan. De maximale diameter van deze tonnen zal ca. 0,60 m hebben bedragen. De waterput is minimaal 0,92 m diep uitgegraven tot in de
19
Figuur 19. Coupe over mogelijke drenkkuil (S9.57) gezien richting het zuidzuidwesten.
ab
grindrijke laag 5030 ; de onderzijde van de waterput kon door het hoge grondwater niet worden bepaald. Het weinige vondstmateriaal is afkomstig uit bovenvulling (vulling 1) en omvat een klein fragment grijsbakkend aardewerk en een baksteenfragment ( ? x ? × 5,1 cm). Vermoedelijk dateert de waterput uit de 15e of de 16e eeuw.23 Waarschijnlijk is er sprake van twee fasen. De oudste fase omvat vulling 3 en 4. De insteek van de waterput (vulling 4) bestaat uit lichtgrijs zand en onderscheidt zich nauwelijks van laag 5030. De vulling van de onderste ton (vulling 3) bestaat uit donkerbruin tot donkergrijs matig siltig, ietwat humeus zand. Het geheel wordt afgedekt door grijs matig siltig zand (vulling 1). Het lijkt hierbij te gaan om de nazakking van de waterput. Vreemd genoeg is zowel in het vlak als in de verticale doorsnede goed te zien dat in vulling 1 een andere ton is uitgegraven, zij het veel minder diep. De vulling van de bovenste ton (vulling 2) bestaat uit geel, grijs gevlekt zand. Kuil S9.57 Een langwerpige kuil (S9.57) is geïnterpreteerd als een mogelijke drenkkuil, waar meerdere dieren naast elkaar kon drinken. Als de kuil inderdaad als drenkplaats is gebruikt, moet deze oorspronkelijk bekleed zijn geweest om het water vast te houden. De kuil is 4,27 m lang, 0,94 m breed en ten opzichte van het vlak maximaal 0,46 m diep.
Aan de noordwestelijke zijde is de kuil significant dieper uitgegraven dan aan de zuidoostelijke zijde. Aan de onderzijde zijn plaatselijk nog spitsporen zichtbaar, die suggereren dat de kuil op een gegeven moment opnieuw is uitgegraven (fig. 19). De onderste vulling van de kuil (vulling 2) bestaat uit geel, lichtbruingrijs gevlekt zand met grind, houtskool en ijzerconcreties. De bovenvulling (vulling 1) bestaat uit bruingrijs, matig siltig zand en bevat 11 aardewerkfragmenten, 2 baksteenfragmenten, een ijzeren spijker en 2 stuks natuursteen. Op basis van het aardewerk dateert de kuil uit de 15e of 16e eeuw (par. 2.3.1).
2.2.3 Nieuwe tijd Buiten recente verstoringen zijn er 29 sporen uit de nieuwe tijd gevonden, die met name uit de eerste helft van de 20e eeuw dateren. Een selectie wordt hieronder besproken.
20
Afvalkuil S3.9 Tijdens het proefsleuvenonderzoek werd een grote, ovale afvalkuil (S3.9) aangetroffen die aanvankelijk als recente verstoring was aangemerkt (fig. 20). De kuil is maximaal 2,18 m breed en naar schatting 4,50 m lang. De kuil is voor de helft machinaal afgewerkt,
23 Vgl. de 15e-eeuwse waterputten (S2.4 en S5.1) die bij onderzoek in Nijmegen-Ressen zijn aangetroffen (Den Braven / Van den Broeke 2012, 45–48).
Figuur 20. Een 20e-eeuwse afvalkuil (S3.9) gezien richting het noordwesten.
wk
waarbij veel vondstmateriaal aan het licht kwam. Een deel van het vondstmateriaal is secundair verbrand. Dit is niet verwonderlijk, aangezien het lange tijd op het platteland gebruikelijk was om afval te verbranden en daarna in een kuil te deponeren, zeker als de voormalige eigenaar aan een al dan niet besmettelijke ziekte was overleden. Onder het vondstmateriaal bevinden zich incomplete serviezen industrieel wit aardewerk en Europees porselein uit de periode ca. 1850–1930. Tot nu toe zijn er nog maar weinig vondstcomplexen van na het midden van de 19e eeuw archeologisch onderzocht en door middel van publicatie ontsloten.24 Meer archeologisch onderzoek naar deze betrekkelijk jongere periode is dan ook zeer gewenst. Het aardewerk en glas uit deze kuil zijn daarom beschreven volgens het Deventer-systeem, zodat het als vergelijkingsmateriaal kan dienen (par. 2.3.1–2, bijlage 1). Het hier gepresenteerde vondstcomplex biedt niet alleen een tastbaar beeld van de materiële cultuur die in het dorp Neerbosch kort voor het midden van de 20e eeuw circuleerde, maar biedt ook de mogelijkheid om vanuit archeologisch perspectief lange-termijn-veranderingen in bijvoorbeeld consumptiepatronen en afvaldepositie te bestuderen.
24 De publicaties van het aardewerk uit een waterkelder te Zwolle (Clevis / Smit 1990, 53–55), uit de gracht van een bouwhuis te Zwolle (Clevis 2007), een aantal beerputten uit Deventer en Nijmegen (Bartels 1999) en afvalkuilen in Nijmegen (Den Braven in druk) vormen een welkome uitzondering op deze regel. 25 http : // www.nijmegen.nl / imap / historischnijmegen.html.
Boomwortelkuilen Verspreid over het terrein zijn tien min of meer vierkante kuilen van ca. 1,5 × 1,5 m aangetroffen. De kuilen hebben alle een vlakke bodem en zijn ten opzichte van vlak 1 ca. 0,15 tot 0,25 m diep. Opvallend is het regelmatige patroon waarin de kuilen liggen, met een onderlinge afstand van gemiddeld 9,5 m (fig. 11). De vulling van deze kuilen bestaat uit donkergrijsbruin zand. Waarschijnlijk gaat het om subrecente plant- of rooikuilen van bomen. De bomen zijn geplant tussen 1900 en 1936, vermoedelijk kort na de aanleg van het Maas-Waalkanaal. Voordien blijkt het perceel op grond van cartografisch materiaal uit 1752 tot 1900 als bouw- / of grasland in gebruik te zijn geweest. Blijkens luchtfoto’s zijn de bomen tussen 1974 en 1996 gerooid.25 De boomwortelkuilen hebben vrijwel geen vondstmateriaal opgeleverd, alhoewel hierbij dient te worden opgemerkt dat hiernaar ook niet actief is gezocht tijdens het veldwerk. Enkel uit boomwortelkuil S9.35 komt een fragment middeleeuws steengoed uit Siegburg, dat hier als ‘opspit’ terecht zal zijn gekomen. Greppel Bij aanvang van het onderzoek was de verwachting dat er (post-)middeleeuwse sloten en greppels aangetroffen zouden worden. Uiteindelijk is alleen een PVC-buis (S999) aangetroffen die het verloop weergeeft van een recentelijk opgevulde greppel (fig. 11).
Deze greppel is NW–ZO georiënteerd en ligt vrijwel exact op een oude perceelsgrens die op kaartmateriaal vanaf 1752 staat aangegeven (fig. 3). We mogen aannemen dat de greppel, gezien de oversnijding met roedenberg ST5, na de 15e eeuw is gegraven.
21
Hekwerk Bij de opgraving zijn twee palenrijen aangetroffen die tot hekwerk zullen hebben gehoord (fig. 11). Van een WNW–OZO georiënteerde palenrij is de datering niet helemaal duidelijk, maar gezien het parallelle verloop met een recente perceelsgrens waarschijnlijk niet erg oud. De afstand tussen de palen bedraagt ruim 2 m; de paalsporen zijn gemiddeld 0,30 m diep. Een ZW–NO georiënteerd hekwerk (ST15) waarvan de ingegraven houten palen(kuilen) nog in het opgravingsvlak zichtbaar waren, dateert uit de 20e eeuw. De afstand tussen de palen is ca. 3,25 m ; de gemiddelde spoordiepte bedraagt 0,30 m. Het hek is goed te zien op luchtfoto’s uit 1996 en 2010, maar lijkt te ontbreken op luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog en eerder.
2.3 Vondsten Gedurende het onderzoek zijn 397 vondsten gedaan, met een totaalgewicht van ruim 65 kg (tabel 3). categorie aardewerk kleipijp glas bouwkeramiek munt overig metaal vuursteen overig natuursteen kunststof houtskool houtmonster totaal
n gewicht (g) 279 4859 5 13 28 2863 10 3769 9 2 50 15132 2 7 7 38857 1 1 3 6 3 – 397 65509
Tabel 3. Verdeling van de vondstcategorieën.
2.3.1 Aardewerk en aanverwante zaken Prehistorie – Romeinse tijd Aardewerk maakt een groot deel van het vondstmateriaal uit. Op basis van aantallen gaat het zelfs om de grootste vondstgroep. Ondanks de vermoedelijk grote hoeveelheid prehistorische sporen (par. 2.2.1) zijn er slechts drie fragmenten van handgevormd aardewerk gevonden. Uit de vulling van paalspoor S9.7 (ST12) komen twee handgevormde scherven. Het gaat om een randfragment van een kleine biconische pot met enige kwartsgruisverschraling en op de schouder drie horizontale rijen met vingertop- / nagelindrukken als versiering (fig. 21) en een wandfragment van een pot met potgruisverschraling. Deze fragmenten dateren uit respectievelijk de late bronstijd en de late bronstijd – Romeinse tijd.26 Uit paalspoor S9.22 komt een wandfragment van handgevormd aardewerk dat met weinig potgruis is gemagerd. Deze scherf dateert uit de periode late bronstijd – Romeinse tijd.27
22
Middeleeuwen en nieuwe tijd Het gros van het aardewerk dateert uit de middeleeuwen en nieuwe tijd.28 Het merendeel hiervan is afkomstig uit een 20e-eeuwse afvalkuil (S3.9), waarvan het aardewerk apart wordt besproken. De rest van het aardewerk is vooral uit lagen afkomstig en dan met name uit laag 5000 en laag 5010. Bij het determineren van het aardewerk zijn de scherven per context uitgelegd. Per bakselgroep is het aantal fragmenten (n) geteld, daarbij opgedeeld in rand-, wand-, bodem- en oor / tuitfragmenten. Passende scherven met een recente breuk zijn als één fragment geteld. Fragmenten kleiner dan 1 cm2 zijn verder niet gekwantificeerd. Voor een inschatting van het aantal aangetroffen potten is uitgegaan van het Maximum Aantal Exemplaren (MaxAE) waarbij alle niet-passende scherven bij twijfel tot verschillende exemplaren zijn gerekend.29 Het aardewerk is waar mogelijk beschreven volgens het in 1989 geïntroduceerde Deventer-systeem.30 Dit systeem is erop gericht om aardewerk en glas uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd op een gestandaardiseerde manier te beschrijven, zodat (gesloten) vondstcomplexen
Figuur 21. Randfragment van een handgevormde pot uit de late bronstijd. Schaal 1 : 2. rr
26 Determinatie P.W. van den Broeke. 27 Determinatie P.W. van den Broeke. 28 Daarnaast zijn er vijf fragmenten van kleipijpen uit de 18e of 19e eeuw gevonden. Het gaat om drie steel- en twee ketelfragmenten. 29 Met uitzondering van aardewerk uit de vroege en volle middeleeuwen is in principe al het aardewerk uit lagen na determinatie afgevoerd. 30 Clevis / Kottman 1989. De centrale database achter dit systeem wordt beheerd door de Stichting Promotie Archeologie (SPA).
n
MaxAE s2
MinAE (rand)
w ep
MinAE (bodem)
iw 0%
10%
20%
30%
40%
50%
60%
70%
80%
90%
100%
Figuur 22. De verhouding van de verschillende aardewerkcategorieën uit waterput S5.1 per methode van kwantificeren. met elkaar kunnen worden vergeleken. Inmiddels is er een groot aantal rapporten verschenen waarin het aardewerk volgens het Deventer-systeem is beschreven.31 Aan de hand van tellijsten worden de verschillende aanwezige voorwerpen opgesomd door middel van een specifieke codering die is opgebouwd uit ‘bakselcode - naam van het voorwerp - typenummer’. Een ondiep bord van industrieel wit aardewerk met lage standring en geknikte platte vlag wordt bijvoorbeeld volgens het Deventer-systeem aangeduid als iw-bor-6. Naast deze tellijsten kan per complex een selectie van de voorwerpen in een catalogus worden opgenomen, die ook volgens een vaste indeling is opgebouwd. Ook in dit rapport is een selectie van het aardewerk en glas uit afvalkuil S3.9 in een dergelijke catalogus opgenomen (bijlage 1). Onder het aardewerk uit deze kuil bevinden zich namelijk een aantal potvormen die nog niet in het Deventer-systeem waren opgenomen. Deze nieuwe typen zijn in tabel 6 vet gedrukt. bakselgroep code steengoed zonder glazuur / engobe s1 steengoed met glazuur / engobe s2 Paffrath-achtig bg grijsbakkend aardewerk g roodbakkend aardewerk r witbakkend aardewerk w industrieel wit iw zwartsteen s3 onbepaald nn totaal
n 1 15 106 1 9 2 1 1 1 137
MaxAE 1 11 1 1 9 2 1 1 1 28
Tabel 4. Overzicht van het aardewerk uit de middeleeuwen en nieuwe tijd buiten afvalkuil S3.9.
31 Zie voor overzicht van de belangrijkste rapporten : Ostkamp 2009, 383 (noot 5). Voor Nijmegen en omgeving zijn er inmiddels diverse rapporten (in voorbereiding) waarin het aardewerk volgens het Deventer-systeem wordt beschreven : Berends / Thijssen 2011 ; Den Braven / Van den Broeke 2012 ; Hendriks / Thijssen 2011 ; Thijssen / Berends in voorber.
Buiten het aardewerk uit S3.9 zijn er nog 137 andere aardewerkfragmenten aangetroffen (tabel 4). Uit de bovenvulling van houtskoolmeiler S9.2 komt een deel van een kogelpot van Paffrath-achtig aardewerk. De 106 fragmenten passen aan elkaar en vormen een groot bodem- of wandfragment. Uitgaande van een rond potlichaam zal de pot een buikdiameter van ca. 25 cm hebben gehad. Het Paffrath-achtige aardewerk dateert waarschijnlijk uit de 11e t / m 13e eeuw. Hierbuiten is geen aardewerk uit de volle middeleeuwen gevonden. Een aanzienlijk deel van het aardewerk dateert uit de 15e of vroege 16e eeuw, namelijk twee fragmenten steengoed uit Siegburg (s1- en s2-), vier fragmenten behorende tot een steengoed-kan uit Raeren (s2-kan-14 / 15), een bakselgroep steengoed met glazuur / engobe witbakkend aardewerk Europees porselein industrieel wit totaal
code s2 w ep iw
n 7 4 15 113 139
MaxAE 4 2 12 72 90
MinAE (rand) 1 1 8 44 54
Tabel 5. Overzicht van het aardewerk uit afvalkuil S3.9 (1918–1945).
MinAE (bodem) 2 – 6 20 28
23
wandfragment grijsbakkend aardewerk (g-), een bodemfragment van een pispot (rpis-) en drie wandfragmenten van spaarzaam geglazuurd aardewerk (r-). Het overige aardewerk dateert uit de 18e tot en met de 20e eeuw. Het merendeel van het aardewerk is afkomstig uit afvalkuil S3.9 (tabel 5 ; fig. 22), dat hieronder apart wordt besproken. Het vondstcomplex maakt een gesloten indruk, vooral doordat meerdere stukken tot hetzelfde servies kunnen worden gerekend. Het vormenspectrum wordt beheerst door onderzetschoteltjes en kopjes van thee- en / of koffieserviezen (tabel 6). Een kopje van industrieel wit aardewerk waarvan het beeldmerk is voorzien van het jaartal 1918 geeft een goede terminus post quem voor het complex (cat. 14). De einddatering van het vondstcomplex is lastiger te geven. Het jongste aardewerk bestaat uit twee stuks industrieel wit aardewerk uit de fabriek Société Céramique Maestricht die zijn voorzien van een beeldmerk dat een lange periode in gebruik is geweest, namelijk van 1900 tot 1957 (cat. 9).32 Mede op basis van het overige vondstmateriaal is de einddatering van het complex rond 1945 geplaatst. Het aardewerk uit de afvalkuil wordt kort per bakselgroep besproken ; de volledige tellijst is opgenomen in tabel 6. Een selectie hiervan is opgenomen in bijlage 1.
Steengoed met glazuur / engobe Een bodemfragment van een steengoed-kan (s2-kan-) uit de 17e of 18e eeuw hoort, gezien de vroege datering, waarschijnlijk niet tot het complex. De fragmenten van twee geperste jenever- of mineraalwaterflessen (s2-fle-4) dateren uit de periode 1879–1950. Beide exemplaren zijn aan de buitenzijde bruin van kleur en zijn vervaardigd in Duitsland. Bij één exemplaar bevindt zich onder het oor een rond blindstempel met een onleesbare letter of getal. Uit Langerwehe is een voorraad- / inmaakpot van steengoed afkomstig. Dergelijke potten zijn vooral gebruikt voor het inmaken van groenten, zoals witte kool (zuurkool). Witbakkend aardewerk Het witbakkende aardewerk bestaat uit een ongeglazuurde, antropomorfe deksel van vermoedelijk een tabakspot en een oorfragment van groen geglazuurd Fries(?) aardewerk. Europees porselein Het Europees porselein is waarschijnlijk uit Duitsland afkomstig. Het omvat een (melk) beker (cat. 1), twee onderzetschoteltjes (cat. 2), een botervloot, een theepot (cat. 3) en een zalfpotje (cat. 4). Een deel van het Europees porselein is versierd. Er komen zowel polychrome transferprints voor, als blauwe met de hand aangebrachte beschildering. Industrieel wit aardewerk Het gros van het aardewerk bestaat uit industrieel wit aardewerk.
De verdeling tussen de verschillende bakselgroepen lijkt daarbij niet sterk afhankelijk van de methode van kwantificeren (tabel 5 ; fig. 22). Enkele stukken industrieel wit aardewerk laten zich aan de hand van het beeldmerk op een jaar nauwkeurig dateren. Het gaat om eet- en thee- / koffieservies dat gemaakt is in 1893 (1 × iw-kop-2, 1 × iw-kop-7), 1899 (1 × iw-bor-8) en 1918 (1 × iw-kop-). Waarschijnlijk is het merendeel van het industrieel wit aardewerk kort voor 1900 aangeschaft en in de eerste decennia van de 20e eeuw type s2-fle-4 s2-kans2-potw-dekwep-bekep-borep-bor-10 ep-botep-the-3
24
n 5 1 1 3 1 1 2 1 2 4
MaxAE 2 1 1 1 1 1 2 1 2 1
type
n
MaxAE
ep-zal-4 epiw-boriw-bor-1 iw-bor-13 ? iw-bor-2 iw-bor-6 iw-bor-6 ? iw-bor-8 iw-kan-
1 4 7 3 1 4 20 2 13 1
1 4 7 3 1 4 5 1 2 1
type
n
MaxAE
iw-kopiw-kop-2 iw-kop-2 ? iw-kop-3 iw-kop-5 iw-kop-7 iw-voriw-
23 7 2 12 1 6 3 8
22 5 2 6 1 3 1 8
Tabel 6. Tellijst van het aardewerk uit afvalkuil S3.9. Nieuwe typen zijn vet gedrukt.
32 Polling 2006, 98 (beeldmerk 550).
aangevuld met vergelijkbaar serviesgoed. Hiervan lijkt in ieder geval sprake bij de vergelijkbare, ondiepe borden met golvende rand die in het Deventer-systeem zijn onder te verdelen in de typen iw-bor-6 en iw-bor-8, waarvan laatstgenoemde waarschijnlijk tot het oorspronkelijke eetservies hoort. Onder het industrieel wit aardewerk van het oorspronkelijke servies komen vrijwel uitsluitend producten voor uit de fabriek van Petrus Regout (De Sphinx) te Maastricht, terwijl de later aangeschafte stukken vooral afkomstig zijn van de concurrent, Société Céramique Maestricht.
2.3.2 Glas Al het glas dat gedurende het onderzoek is gevonden, is afkomstig uit afvalkuil S3.29. De 28 fragmenten behoren toe aan maximaal 19 exemplaren. De kuil zal tussen 1918 en 1945 zijn gegraven, waarna het afval – voornamelijk huisraad – hier is gedeponeerd (par. 2.3.1). Het glas is evenals het aardewerk beschreven volgens het Deventer-systeem. Een deel van het glas is daarbij opgenomen in de catalogus (bijlage 1). Het vormenspectrum van het glas wordt gedomineerd door flessen (tabel 7). Naast de gebruikelijke wijnflessen (cat. 18 en 19) bevindt zich hieronder een betrekkelijk zeldzame lichtblauwgroene (baby)zuigfles (cat. 20). Uit een glazen deksel van een Weck-pot (cat. 17) en een conservenfles met daarin resten van bladgroente (cat. 21) blijkt dat nieuwe conserveringstechnieken, die aan het begin van de 20e eeuw hun intrede deden, ook hun weg naar Neerbosch hebben gevonden. Naast huisraad bevinden zich onder het glas drie fragmenten kleurloos vensterglas. type gl-bot-1 gl-dek-15 gl-fle-89 gl-fle-192 gl-flegl-inkgl-pot-17 gl-
n 1 1 1 1 17 2 1 4
MaxAE 1 1 1 1 9 1 1 4
Tabel 7. Tellijst van het glas uit afvalkuil S3.9.
2.3.3 Bouwkeramiek Gedurende het onderzoek zijn er tien stuks bouwkeramiek verzameld. Het gaat om vijf baksteenfragmenten en vijf wandtegelfragmenten. De baksteenfragmenten zijn alle afkomstig uit sporen (tabel 8). Het is lastig om deze bakstenen te dateren, aangezien de lengte niet bekend is.33 De bakstenen uit S2.1, S9.44, S9.46 en S9.57 dateren waarschijnlijk uit de 15e of 16e eeuw. De machinaal gevormde baksteen uit afvalkuil S3.9 dateert uit de late 19e of eerste helft van de 20e eeuw. Deze datering geldt ook voor vier machinaal gevormde wandtegels uit dezelfde afvalkuil. Een gemarmerde wandtegel uit laag 5010 dateert uit de 18e of 19e eeuw. context S2.1 S3.9 S9.44 (ST1) S9.46 (ST1) S9.57
afmetingen (cm) ? x ? × 5,1 ? × 10,5 × 5,2 ? × 12,5 × 5,5 ? × 11,5 × 5,9 ? × ? × 6,2
datering 15–16 19d–20A 15–16 15–16 15–16
Tabel 8. Afmetingen van de baksteenfragmenten.
2.3.4 Natuursteen
33 Vgl. De Vries e.a. 2004, bijlage baksteenformaten in Nijmegen. 34 In het veld is grind niet verzameld.
Er zijn negen stuks steen verzameld (tabel 9), waarvan alleen de bewerkte stukken verder worden besproken.34 Uit de bovenvulling van paalspoor S2.7 komt een min of meer rechthoekig blok mergel van ca. 22 × 17 × 14 cm (fig. 23). Het stuk is aan alle zes zijden bekapt. Twee tegenover elkaar gelegen zijden vertonen restanten van een dookgat waarin een in lood
25
Figuur 23. Paalspoor S2.7 met in de bovenvulling een mergelblok, gezien richting het zuidwesten.
ab
gegoten ijzeren verankering heeft gezeten. Het gaat waarschijnlijk om hergebruikt bouwmateriaal uit de 16e eeuw. Uit afvalkuil S3.9 komt een rechthoekig blok donkergrijze kalksteen van 24,5× 23 × 20 cm. Aan de onderzijde bevat het kalksteen een groot dookgat. Het blok is aan vijf zijden bekapt, waarbij twee zijden fijne beitelsporen vertonen. Waarschijnlijk is het blok in de hoek van een gebouw verwerkt geweest. Op basis van de context ligt een laat 19e-eeuwse of vroeg 20e-eeuwse datering voor de hand. Uit S9.41 is een klein fragment grijze leisteen afkomstig. Gezien de aanwezigheid van een spijkergat gaat het waarschijnlijk om een daklei uit de late middeleeuwen of nieuwe tijd. context S2.7 S3.9 S8.28 S9.36 S9.41 S9.57 S9.57 S9.57 5000
steensoort mergel kalksteen onbepaald vuursteen leisteen siltsteen (Grauwacke) kwartsitische zandsteen zandsteen ? vuursteen
bewerkingssporen zes zijden bekapt, twee dookgaten vijf zijden bekapt + beitelsporen, een dookgat – – spijkergat ? – – – –
Tabel 9. Samenstelling van het natuursteen.
2.3.5 Metaal
26
Ondanks de systematische inzet van een metaaldetector is de hoeveelheid metaalvond sten betrekkelijk gering. Ze staan naar metaalsoort en functionele categorie opgesomd in tabel 10. De conservering van het metaal is matig tot slecht.35 De meeste metaalvondsten zijn afkomstig uit de recente bouwvoor (laag 5000 ; 22 stuks) en uit het eronder gelegen akkerpakket (laag 5010 ; 27 stuks). In bijlage 2 staan de metaalvondsten uit sporen vermeld. Onder de metaalvondsten overheersen knopen en loden (musket)kogels. De meeste vondsten dateren uit de 18e of 19e eeuw.
35 Mondelinge mededeling F. Reijnen.
munt
persoonlijk
speelgoed
kleding
eetgerei
spijker / nagel
metaalbewerking
wapen
munitie WO II
overig
onbekend
totaal
metaalsoort koperlegering tin lood zink nikkel aluminium ijzer totaal
7 – – – 2 – – 9
1 – – – – – 1 2
– 1 – – – – – 1
13 2 – – – – – 15
1 – – – – – – 1
– – – – – – 2 2
1 – – – – – – 1
– – 7 – – – – 7
1 – – – – – – 1
5 – 1 – – – 3 9
2 – 3 2 – 1 3 11
31 3 11 2 2 1 9 59
Tabel 10. Verdeling van aantallen metalen voorwerpen naar metaalsoort en functionele categorie. Munten De negen munten die gedurende het onderzoek zijn aangetroffen, dateren alle uit de nieuwe tijd (tabel 11). Bijzonder is een 17e-eeuwse duit met klop bestaande uit een wapenschild met dubbelkoppige adelaar, vermoedelijk het Rijkswapen van Nijmegen (fig. 24 :1). Dergelijke kloppen worden nauwelijks aangetroffen op kopergeld.36 spoor materiaal muntsoort 5000 koper duit
autoriteit –
5000 5000 5000 5010 5010 5010 0999 0999
– – 1600–1800 – – 1600–1800 – Utrecht 1918 Zeelandia Middelburg 1758 – – 1600–1800 – – 1600–1800 koningin Juliana Utrecht 1951 koningin Juliana Utrecht 1963
koper koper koper koper koper brons nikkel nikkel
duit duit / rekenpenning 1-cent duit duit / rekenpenning duit / rekenpenning 25-cent 10-cent
muntplaats datering – 16(..)
opmerkingen met klop wapenschild met dubbelkoppige adelaar (Rijkswapen Nijmegen) sterk versleten sterk versleten Sch. 981 PW. 4011 sterk versleten sterk versleten Sch. 1136 Sch. 1176
Tabel 11. Samenstelling van de munten. PW. = Purmer / Van der Wiel 1996 ; Sch. = Schulman 1975.
36 Mondelinge mededeling B. Kokke. 37 Een vergelijkbare, getorste gesp uit Amsterdam wordt in de tweede helft van de 15e eeuw gedateerd (Baart e.a. 1977, 169 : afb. 211). 38 Fallou 1915, 82. 39 Vgl. Daniël / Den Braven 2011, 111 (fig. 8.14 :20) en Hendriks 2011, 122 (fig. 12.3 :2).
Van het overige metaal worden enkel de in figuur 24 afgebeelde objecten verder kort besproken. Een bronzen (schoen)gesp is één van de weinige metaalvondsten die met zekerheid uit de late middeleeuwen dateert (fig. 24 : 2). Het gaat om een ronde, geribbelde gesp met angel.37 Er zijn zoals eerder gezegd veel knopen gevonden. De oudste knopen dateren uit de 17e eeuw, zoals de zeshoekige tinnen knoop die in figuur 24 : 3 staat afgebeeld. Een aantal 18e-eeuwse platte bronzen knopen behoren tot militaire uniformen (fig. 24 : 4–6). Twee van dergelijke knopen zijn voorzien het opschrift REPUBLIQUE FRANCAISE en een eikenbladkrans waarbinnen een lictorenbundel en een Frygische muts te zien is (fig. 24 : 5–6). Dit motief staat voor gebundelde kracht als bevrijding van slavernij. Het gaat om een type knoop dat van 4 oktober 1792 tot en met 1793 is gemaakt voor de uniformen van het Franse leger.38 Deze uniformen werden echter niet alleen gedragen door het Franse leger ten tijde van de Eerste Republiek (1792–1804), maar ook door het vrijwillige patriottische leger dat met hulp van de Fransen in 1795 de Nederlanden omvormden tot de Bataafse Republiek. In de regio Nijmegen worden dergelijke knopen geregeld gevonden bij archeologisch onderzoek.39 Een messing vingerhoed uit de 18e of 19e eeuw valt op door zijn geringe formaat (fig. 24 : 7).