Bijlage 13. Mer beoordeling Hoge Bongerd
Tekst van het document
Rapportage
beoordeling Lentse Warande; Hoge Bongerd (gem. Nijmegen) M.E.R.
Gemeente Nijmegen
POUDEROYEN TONNAER pouderoyentonnaer.nl
P UDEROYEN TONNAER
Rapportage M.E.R. beoordeling Lentse Warande; Hoge Bongerd (gem. Nijmegen) Gemeente Nijmegen
Rapportnummer:
POU240163.001.004.R1/ELO (a.u.b. bij correspondentie vermelden)
Naam opdrachtgever:
Gemeente Nijmegen mevrouw
Adres opdrachtgever:
Postbus 9105 6500 HG NIJMEGEN
Opsteller: 2e lezer: Status:
DEFINITIEF
Datum:
6 juni 2025
POUDEROYEN TONNAER Pouderoyen Tonnaer is een handelsnaam van Pouderoyen B.V. Wijchenseweg 102 6538SX Nijmegen T +31 (0)24 322 45 79 info@pouderoyentonnaer.nl pouderoyentonnaer.nl
Op onze dienstverlening zijn de DNR 2011 voorwaarden van toepassing die u vindt op pouderoyentonnaer.nl
POU240163.001.004.R1/ELO
Inhoud 1
Inleiding ................................................................................................................ 3 1.1 Wettelijk kader ....................................................................................................................... 3 1.2 Ontwikkeling Hoge Bongerd ................................................................................................... 4
2
Kenmerken van het plan ....................................................................................... 7 2.1 Doel van het plan .................................................................................................................... 7 2.2 Omvang van het plan.............................................................................................................. 7
3
Kenmerken van de locatie ................................................................................... 10
4
Milieueffecten .................................................................................................... 12 4.1 Luchtkwaliteit ....................................................................................................................... 12 4.2 Natuur................................................................................................................................... 15 4.3 Geluid ................................................................................................................................... 24 4.4 Trillingen ............................................................................................................................... 28 4.5 Omgevingsveiligheid ............................................................................................................. 29 4.6 Bodem .................................................................................................................................. 33 4.7 Water .................................................................................................................................... 34 4.8 Archeologie ...........................................................................................................................
36 4.9 Cultuurhistorie ...................................................................................................................... 37 4.10 Klimaat .................................................................................................................................. 38 4.11 Duurzaamheid ...................................................................................................................... 39
5
Samenvatting en conclusies ................................................................................ 41
Bronnen ..................................................................................................................... 44
2
Mer beoordeling Hoge Bongerd Pouderoyen B.V.
POUDEROYEN TONNAER
POU240163.001.004.R1/ELO
1 Inleiding De gemeente Nijmegen heeft het voornemen om aan de noordkant van de Spiegelwaal woningen te realiseren. Binnen de ontwikkeling is ook ruimte voor (andere) commerciële functies. De gemeente stelt voor de ontwikkeling Hoge Bongerd een onderbouwing voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) op. De voorliggende notitie bevat de informatie voor de plan-m.e.r.beoordeling bij de aanvraag. De ontwikkeling Hoge Bongerd betreft de realisatie van 250 woningen en maximaal 3.000 m2 BVO aan overige (commerciële) functies, waaronder detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen en lichte bedrijvigheid.
1.1
Wettelijk kader
In de Omgevingswet is vastgelegd dat voorafgaande aan een besluit of plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen, een milieueffectrapport opgesteld dient te worden. In een milieueffectrapport worden de effecten van en plan of project op het milieu beschreven. De milieueffectrapportage (MER) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. Op deze manier krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De milieueffectrapportage sluit aan bij de voorbereidingsprocedure van een plan of besluit. Afkortingen: m.e.r. = de procedure voor milieueffectrapportage MER = het milieueffectenonderzoek / het rapport Voor welke plannen en projecten en op welke wijze de milieueffecten moeten worden getoetst, staat in de wetgeving rond de milieueffectrapportage (MER), opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (implementatie van de EUrichtlijn mer en EUR richtlijn voor strategische milieubeoordeling). Niet voor alle plannen en besluiten hoeft een MER te worden opgesteld. De projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, staan in het Omgevingsbesluit bijlage V. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een m.e.r.-beoordeling (kolom 3), waarbij het bevoegd gezag een beslissing kan nemen of een m.e.r.
nodig is, en een verplicht m.e.r. (kolom 2). Om te bepalen in welke categorie een besluit of plan valt is er een lijst met projecten opgenomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit (kolom 1). Hierin zijn ook de drempelwaardes in opgenomen, die aangeven welke procedure er doorlopen moet worden (kolom 2 en 3). In de wetgeving wordt onderscheidt gemaakt tussen projecten en plannen. 1.1.1 Projecten Als een project voorkomt in de lijst met mer-(beoordelings)plichtige projecten (kolom 1) en voldoet aan de voorwaarden in kolom 2 (mer-plicht) dan moet een project-mer worden uitgevoerd. Wanneer
Mer beoordeling Hoge Bongerd Pouderoyen B.V.
3
POU240163.001.004.R1/ELO
niet wordt voldaan aan de voorwaarden in kolom 2, In kolom 3 van bijlage V van het Omgevingsbesluit kunnen nog voorwaarden worden gesteld voor de mer-beoordelingsplicht. Het besluit dient in kolom 4 van bijlage V van het Omgevingsbesluit te staan.
1.1.2 Plannen In artikel 16.36 van de Omgevingswet staat geregeld dat een plan-m.e.r.-plichtig is als: • het plan het kader vormt voor later te nemen besluiten voor projecten die worden genoemd in Bijlage V van het Omgevingsbesluit, maar die niet project-m.e.r.-plichtig zijn; • als voor het plan bij de voorbereiding een passende beoordeling moet worden gemaakt vanwege Natura2000-activiteiten. Hierop geldt een uitzondering: als sprake is van een klein gebied op lokaal niveau en de gemeente het bevoegd gezag is, kan een plan-m.e.r.-beoordeling gemaakt worden (dit is geregeld in artikel 16.36 lid 3 en 4 van de Omgevingswet). Op basis hiervan wordt beoordeeld of het omgevingsplan aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Europese jurisprudentie geeft een eerste inkleuring van het begrip 'klein gebied'. Het Hof concludeerde dat de grootte van het betrokken gebied, vergeleken met die van het grondgebied van de gemeente, klein moet zijn (Omgevingsbesluit, artikel 11.11). Als uit de plan-m.e.rbeoordeling volgt dat aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden moet alsnog een plan-MER opgesteld worden. Daarnaast geldt dat er ook een mer-beoordeling moet worden opgesteld als een plan of programma kaderstellend is voor projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, maar niet zijn opgenomen in bijlage V van het Omgevingbesluit.
1.2
Ontwikkeling Hoge Bongerd
In de BOPA wordt er geen specifieke uitwerking gegeven van het woningbouwproject, wel worden er in de BOPA kaders gesteld. Er is daarom sprake van een kaderstellend plan. In de ontwikkeling Hoge Bongerd worden nieuwe woonvoorzieningen mogelijk gemaakt en daardoor is het kaderstellend voor besluiten over stedelijk ontwikkelingsproject (J11 in bijlage V van het Omgevingsbesluit). Een stedelijk ontwikkelingsproject is een ruim begrip. Tot een stedelijk ontwikkelingsproject worden ook alle voorzieningen gerekend die moeten worden getroffen voor het project, zoals aanleg van infrastructuur. Voor het uitvoeren van de m.e.r.-beoordeling voor een stedelijk ontwikkelingsproject moet bekeken worden of er ten opzichte van de huidige functie van het plangebied (in dit geval agrarische percelen) per saldo aanzienlijke negatieve milieueffecten kunnen zijn. Het betreft een lokaal, gemeentelijk plan voor een klein plangebied in verhouding met het totale grondgebied van de gemeente Nijmegen (bevoegd gezag). De oppervlakte van het plan (circa 9 ha) is klein ten opzichte van het grondgebied van de gemeente (circa 5760 ha). Er wordt daarmee voldaan aan ‘klein gebied op lokaal niveau’ en dus wordt een plan-m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Deze notitie voorziet in alle informatie die nodig is voor het bevoegd gezag om te beslissen of een planMER noodzakelijk is.
4
Mer beoordeling Hoge Bongerd Pouderoyen B.V.
POUDEROYEN TONNAER
POU240163.001.004.R1/ELO
Procedure plan-m.e.r.-beoordeling De voorgenomen plan-mer-beoordeling kent 2 verplichte stappen. Stap 1: bevoegd gezag beoordeelt de effecten De gemeente beoordeelt de effecten van het omgevingsplan om te bepalen of een plan-m.e.r. moet worden doorlopen. Als het plan geen aanzienlijke effecten voor het milieu kan hebben, volgt geen plan-milieueffectrapportage. Voor deze beslissing raadpleegt de gemeente ook andere bestuursorganen en wettelijke adviseurs. Stap 2: Bevoegd gezag motiveert de keuze in plan of programma De gemeente motiveert in het omgevingsplan dat er geen plan-milieueffectrapportage nodig is (artikel 11.1, lid 1, Omgevingsbesluit). Let op: Er is geen bezwaar of beroep mogelijk tegen de m.e.r.-beoordelingsbeslissing dat een planMER niet nodig is (artikel 6:3 Awb). Er is wel inspraak mogelijk op het omgevingsplan, waar de plan-m.e.r.-beoordeling bij hoort. Tegen het omgevingsplan staat ook beroep open voor belanghebbenden Inhoud van de plan-m.e.r.-beoordeling De inhoud en diepgang van de plan-m.e.r.-beoordeling is afgestemd op de aard, omvang en gevoeligheid van het omgevingsplan. Bij de plan-m.e.r.-beoordeling moet rekening gehouden worden met de criteria van bijlage II bij de SMB-richtlijn (Europese richtlijn 2001/42/EG). De 2 hoofdcriteria in een plan-mer-beoordeling zijn: 1. de kenmerken van het plan of programma 2.
de kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beïnvloed Deze zijn aangevuld met de volgende subcriteria. 1. Kenmerken van het plan • de mate waarin het plan een kader is voor de ligging, aard, omvang en gebruiksvoorwaarden voor het project. En voor de toewijzing van hulpbronnen. • de mate waarin het plan andere plannen en programma's beïnvloedt, inclusief de plannen die deel zijn van een hiërarchisch geheel. • de relevantie van het plan voor de integratie van milieuoverwegingen, vooral met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling. • milieuproblemen die relevant zijn voor het plan. • de relevantie van het plan voor de toepassing van de milieuwetgeving van de gemeenschap. Bijvoorbeeld plannen in verband met afvalstoffenbeheer of waterbescherming. 2. Kenmerken van de effecten • de waarschijnlijkheid, duur, frequentie en omkeerbaarheid van de effecten • de cumulatieve aard van de effecten • de grensoverschrijdende aard van de effecten • de risico's voor de menselijke gezondheid of het milieu (bijvoorbeeld door ongevallen) • de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden • de waarde en kwetsbaarheid van het gebied dat kan worden beïnvloed, gelet op: o bijzondere natuurlijke kenmerken of cultureel erfgoed
Mer beoordeling Hoge Bongerd Pouderoyen B.V.
5
POU240163.001.004.R1/ELO
o o o
6
de overschrijding van de milieukwaliteitsnormen of van grenswaarden intensief grondgebruik de effecten op gebieden en landschappen die door een lidstaat, door de gemeenschap, dan wel in internationaal verband als beschermd gebied zijn erkend.
Mer beoordeling Hoge Bongerd Pouderoyen B.V.
P0UDEROYEN TONNAER
POU240163.001.004.R1/ELO
2 Kenmerken van het plan 2.1
Doel van het plan
Ter plaatse van het plangebied zal een ontwikkeling plaatsvinden van ongeveer 250 woningen en maximaal 3.000 m2 BVO aan overige (commerciële) functies, waaronder detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen en lichte bedrijvigheid. Om op het plangebied de ontwikkeling mogelijk te maken is een ruimtelijke procedure noodzakelijk. Volgens de planning zal de bouw starten in 2027 en kunnen de woningen en de overig functies in gebruik worden genomen in 2030.
2.2
Omvang van het plan
De ontwikkeling Hoge Bongerd betreft de realisatie van 250 woningen en maximaal 3.000 m2 BVO aan overige (commerciële) functies, waaronder detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen sport en wellness, lichte bedrijvigheid, kantoren en eventueel een kinderopvang. De woningen worden aangesloten op een warmtenet. Van de woningen worden er 125 appartementen gerealiseerd, waarvan 23 sociaal en 102 dure koop. De andere woningen zijn stadswoningen, rug-aanrugwoningen, rijwoningen of stadsvilla’s. Hiervan zijn er 17 sociaal en 108 dure koop. Het gebied heeft een oppervlakte van circa 7 hectare. Voor de ontwikkeling moet ook de infrastructuur binnen het projectgebied worden aangelegd. Het gaat hierbij onder andere over de wegen horend bij het woongebied. Verder wordt er ten noorden van het plangebied een fietspad gerealiseerd.
Figuur 1: Kaders van het project Hoge Bongerd
Mer beoordeling Hoge Bongerd Pouderoyen B.V.
7
POU240163.001.004.R1/ELO
Verkeer De realisatie van de woningen en de commerciële functies heeft een toename van het verkeer in het gebied tot gevolg. Voor de ontwikkeling Hoge Bongerd is een verkeersonderzoek uitgevoerd door Goudappel (Verkeersonderzoek Hoge Bongerd en Veur Lent, 017014.20240703.R1.03, Goudappel, 21 augustus 2024). In het verkeersonderzoek is de verspreiding van het verkeer op het verkeersnetwerk in beeld gebracht voor enkele punten rondom het gebied. De toename van verkeer door de ontwikkeling is op deze punten in beeld gebracht ten opzichte van de huidige verkeersintensiteit. Dit is gedaan voor verschillende varianten. Er wordt uitgegaan van variant 1A van het verkeersonderzoek, waarin het huidige verkeersnetwerk wordt gebruikt voor de afwikkeling van het verkeer van Hoge Bongerd. In het onderzoek van Goudappel is op basis van het beoogde programma binnen Hoge Bongerd en kencijfers van het CROW de verkeersgeneratie in de nieuwe situatie berekend. De verkeersgeneratie is de som van alle vertrekkende en aankomende gemotoriseerde verkeersbewegingen op een gemiddelde (werk)dag, als gevolg van de beoogde ontwikkelingen. Conform het gemeentelijke beleid is voor de woningbouw in Hoge Bongerd uitgegaan van de minimum CROW-kencijfers voor sterk stedelijk gebied en ligging in het centrumgebied.
De totale berekende verkeersgeneratie van de 250 woningen is (afgerond) 1.400 ritten op een gemiddelde werkdag, rekening houdend met de verschillende functietypen. Dit zijn circa 5,5 ritten per woning. De invulling van de 3.000 m2 aan (commerciële) voorzieningen is nog onbekend. Uitgangspunt is dat 50% van de voorzieningen een relatief hogere verkeersgeneratie heeft (zoals horeca) en 50% een lagere verkeersgeneratie (zoals sport en kleinschalige commerciële functies). Toepassing van CROW-kencijfers met onderscheid in deze twee soorten voorzieningen resulteert in een verkeersgeneratie van (afgerond) 500 ritten per etmaal. In totaal is de verwachte verkeersgeneratie 1.900 motorvoertuigen per etmaal. Deze verkeersgeneratie is relevant voor onder andere de milieuaspecten luchtkwaliteit, stikstofdepositie en geluid.
Figuur
2:
Verdeling
van
de
verkeersbewegingen voor variant 1a (Goudappel, 21 augustus 2024)
8
Mer beoordeling Hoge Bongerd Pouderoyen B.V.
POUDEROYEN TONNAER
POU240163.001.004.R1/ELO
Parkeerbehoefte Voor de nieuwbouw wordt een parkeerkoffer en parkeergarage gerealiseerd, zoals te zien in onderstaand figuur (parkeerkoffer). Deze parkeerkoffer kan eventueel ook uitgebreid worden en gebruikt worden voor al bestaande woningen. Dan komen er minder auto’s op de straat te staan waardoor de ontsluiting goed toegankelijk blijft.
Figuur 3: Parkeerkoffer nieuwbouw, eventueel uit te breiden voor bestaande woningen
Mer beoordeling Hoge Bongerd Pouderoyen B.V.
9
POU240163.001.004.R1/ELO
3 Kenmerken van de locatie De Hoge Bongerd ligt aan de noordkant van de Waal, tegenover het stadscentrum van Nijmegen. De Hoge Bongerd vult de agrarische percelen tussen het dorp Lent en de Waal. Aan de zuidkant van het gebied ligt de waaldijk. De noordzijde bestaat uit woningen en ten westen van het gebied loopt de spoorlijn van Nijmegen naar Arnhem. Ten oosten van het gebied ligt het dorp Lent en de provinciale weg de Prins Mauritssingel (N325).
Figuur 4: Ligging van het plangebied
Het plangebied bestaat uit agrarische percelen en grasvelden. Binnen het plangebied liggen geen AMK-terreinen of monumenten. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Rijntakken’ en ligt op ongeveer 45 meter. Andere Nederlandse Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand. De afstand tot het Gelders natuurnetwerk (GNN), de Gelderse Poort zuid, is ongeveer 104 meter. Het plangebied bestaat in de bestaande situatie uit agrarische percelen en grasvelden.
10
Mer beoordeling Hoge Bongerd Pouderoyen B.V.
P0UDEROYEN TONNAER
POU240163.001.004.R1/ELO
Figuur 5: Streetview t.p.v. het plangebied Hoge Bongerd, ter hoogte van de Parallelweg (bron: Google Streetview)
Figuur 6: Streetview t.p.v. het plangebied Hoge Bongerd, ter hoogte van de Parmasingel (bron: Google Streetview)
Figuur 7: Streetview t.p.v. het plangebied Hoge Bongerd, ter hoogte van de Parmasingel (bron: Google Streetview)
Figuur 8: Streetview t.p.v. het plangebied Hoge Bongerd, ter hoogte van de Parmasingel (bron: Google Streetview)
Mer beoordeling Hoge Bongerd Pouderoyen B.V.
11
POU240163.001.004.R1/ELO
4 Milieueffecten In dit hoofdstuk worden de kenmerken van de effecten beschreven en wordt per relevant milieuaspect ingegaan op de milieueffecten van het plan. Deze worden vergeleken met de bestaande milieusituatie. Op grond van de te verwachten verandering wordt beoordeeld of er per saldo aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden, waarvoor het opstellen van een MER noodzakelijk is.
4.1
Luchtkwaliteit
De luchtkwaliteit wordt bepaald door de aanwezigheid van luchtverontreinigende stoffen. Een slechte luchtkwaliteit kan een gezondheidsklachten tot gevolg hebben en schade aanrichten aan de natuur (zie ook stikstof hieronder). Stoffen die in Nederland vooral belangrijk zijn voor het bepalen van de luchtkwaliteit zijn fijnstof en stikstofdioxide. Daarnaast is geur een belangrijk onderdeel van de luchtkwaliteit. Het voornemen gaat gepaard met een toename van verkeersbewegingen, waarbij emissies van fijnstof en stikstofdioxide vrijkomen. Er moet daarom worden getoetst in welke mate het project bijdraagt aan luchtverontreiniging. Daarnaast moet het woon- en leefklimaat ter plaatse van te realiseren woningen en basisschool worden beoordeeld. In het besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is (paragraaf 5.1.4). Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect. In het Bkl staan aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof vermeld (paragraaf 5.1.4, artikel 5.51 in het Bkl). Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Wanneer de activiteiten binnen deze gebieden voor een verhoging van de concentratie veroorzaken, geldt een beoordelingsplicht.
Het kan ook voorkomen dat de activiteit zich niet in het aandachtsgebied bevindt, maar daar wel voor een verhoogde concentratie zorgt. De luchtkwaliteit hoeft alleen te worden beoordeeld door een toetsing aan de omgevingswaarde. De omgevingswaarde is bepaald voor de bescherming van de gezondheid van mensen. Toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit (stikstofdioxide en PM10) is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit wordt ook ‘niet in betekende mate’ (NIBM) genoemd. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Of een activiteit zorgt voor een concentratieverhoging van NIBM wordt bepaald met de NIBM-toets. Daarnaast zijn er een aantal categorieën bepaalt voor standaardgevallen waarbij NIBM kan worden aangenomen. Deze standaardgevallen betreffen onder andere kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Deze zijn terug te vinden in artikel 5.54 van het Bkl.
12
Mer beoordeling Hoge Bongerd Pouderoyen B.V.
PCUDEROYEN TDNNAER
POU240163.001.004.R1/ELO
Tabel 1: Toetsingskaders, normstellingen en advieswaarden fijn stof (PM10), zeer fijnstof (PM2 5) en stikstofdioxiden (NO2) PMjo
PM10
Jaargemiddelde concentratie
40 pg/m3
EU-grenswaarde / Wm
24-uurgemiddelde (mag maximaal 35 keer per jaar
50 pg/m3
EU-grenswaarde /Wm
worden overschreden) Vertaling EU-norm max 35 overschrijdingsdagen 24-
31,2 pg/m3
uurgemiddelde naar jaargemiddelde
PM10
Jaargemiddelde concentratie
15 pg/m3
PM10
24-uurgemiddelde (3 a 4 overschrijdingen per jaar)
45 pg/m3
WHO advieswaarde
PM2,5* PM2,s*
Jaargemiddelde concentratie
25 pg/m3
EU-grenswaarde / Wm
Jaargemiddelde concentratie
20 pg/m3
Indicatieve
WHO advieswaarde
EU-grenswaarde
pm2.5'
Jaargemiddelde concentratie
5 pg/m3
WHO advieswaarde
PM2.s’
24-uurgemiddelde (3 a 4 overschrijdingen per jaar)
15 pg/m3
WHO advieswaarde
no2
Jaargemiddelde
40 pg/m3
EU-grenswaarde / Wm
no2
Uurgemiddelde (mag maximaal 18 keer per jaar
200 pg/m3
EU-grenswaarde / Wm
no2
Jaargemiddelde
10 pg/m3
WHO-advieswaarde
worden overschreden) 24-uurgemiddelde (3 a 4 overschrijdingen per jaar) WHO-advieswaarde 25 pg/m3 no2 *Als de luchtkwaliteit aan de PM10 normen voldoet, dan geldt dit ook voor de PM2,5 normen. Uit onderzoek van RIVM blijkt dat bij een PMlO-concentratie lager dan 32,5 pg/m3 de kans op een overschrijding van de PM2,5 norm
kleiner dan 1% is.
Gezondheidskundige advieswaarden De wettelijke normen (EU-grenswaarde) voor o.a. fijn stof (PMio), zeer fijn stof (PM^s) en stikstofdioxiden (NOz) liggen hoger dan de gezondheidskundige WHO-advieswaarden, zie tabel 1. De Europese grenswaarden voor de luchtkwaliteit zijn bedoeld om de gezondheid van de bevolking te beschermen. De WHO-richtlijnen zijn bedoeld voor beleidsvorming en om beleidsopties voor luchtkwaliteitsbeheer te ondersteunen. De EU-grenswaarden is een compromis tussen wat vanuit gezondheidsperspectief wenselijk is, wat technisch mogelijk is en wat economisch en politiek haalbaar is. De gemeente Nijmegen is aangesloten bij het Schone Lucht Akkoord. Een van de afspraken is dat
partijen toewerken naar de WHO-advieswaarden uit 2005, in het jaar 2030. De advieswaarde in 2005 voor de jaargemiddelde concentratie PMio was 20 pg/m3, voor PMz,s 10 pg/m3en voor jaargemiddelde NO2 40 pg/m3. Voor fijnstof zijn in 2021 deze advieswaarden aangescherpt.
4.1.1
Effecten planvoornemen
Om te bepalen of de NOz- en PMio-emissie ten gevolge van een toename van verkeersbewegingen
aan te merken is als 'Niet In Betekenende Mate', kan de NIBM-tool van het Ministerie van l&M / InfoMil gebruikt worden. De rekentool wordt jaarlijks geactualiseerd en rekent met worstcase gegevens. Dit staat nader toegelicht in de Handleiding van de NIBM-tool van InfoMil. Met de rekentool wordt het effect van de toename van verkeersbewegingen ten gevolge van het plan inzichtelijk gemaakt.
Mer beoordeling Hoge Bongerd
Pouderoyen B.V.
POU240163.001.004.R1/ELO
De totale verkeersgeneratie is gebaseerd op basis van de uitgevoerde verkeersstudie, zie toelichting in paragraaf 2.2. Op basis hiervan blijkt dat er 1.900 extra verkeersbewegingen zullen zijn. Hierbij wordt uitgegaan van 4% zwaarverkeer (76), en 96% middelzwaar en lichtverkeer (1.824). Tabel 2: NIBM-tool Hoge Bongerd Worst-case berekening voor de bijdrage van het verkeer op de luchtkwaliteit 2030 Jaarvan planrealisatie Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) 1900 Aandeel vrachtverkeer 4.0% 1,19 Maximale bijdrage extra verkeer NO2 in pg/m3 0,21 PM10 in pg/m3 Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in pg/m3 1.2 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig
Uit de NIBM-tool volgt dat de bijdrage van het verkeer niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit bij een maximaal aantal verkeersbewegingen van 1.900 en een aandeel vrachtverkeer van 4%. Als bij de verdere planuitwerking blijkt dat de verkeersaantallen of het aandeel vrachtverkeer hoger zijn, moeten aanvullende luchtkwaliteitsberekeningen uitgevoerd worden. Gezien er ruim voldaan wordt aan de grenswaarde ter plaatse van het plangebied, worden er ten aanzien van luchtkwaliteit geen aanzienlijke milieueffecten verwacht ten aanzien van de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat en de uitvoerbaarheid van het plan.
4.1.2
Woon- en leefklimaat
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt tevens onderzocht wat de luchtkwaliteit is ter plaatste van de voorgenomen ontwikkeling en of er sprake is van een dreigende normoverschrijding. Het project voorziet in gevoelige objecten. Ter plaatse van de planlocatie moet daarom sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wat betreft luchtkwaliteit. De achtergrondconcentratie fijnstof (PM10) ter plaatse van het projectgebied is 14,5 µg/m³ (GCN, 2024). De achtergrondconcentratie (de concentratie op basis van bronnen in de wijde omgeving, inclusief de bijdrage uit het buitenland) ligt ruim zeer onder de grenswaarde van 40 µg/m³ als jaargemiddelde. De achtergrondconcentratie ligt ook zeer ruim onder de waarde van 31,2 µg/m³, de waarde waarboven het aantal overschrijdingsdagen maatgevend wordt. De achtergrondconcentratie voldoet ook aan de WHO-advieswaarde voor fijnstof PM10 van 15 µg/m³. De achtergrondconcentratie van stikstofdioxide in Nederland is over het algemeen relatief laag. Verhoogde concentraties worden alleen waargenomen rondom drukke wegen in stedelijk gebied. De NO2 concentratie ter plaatse van het projectgebied ligt tussen de 13,1 en 14,8 µg/m³ en ligt ruim onder de jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m³ (GCN, 2023). Dit ligt niet onder de gezondheidskundige advieswaarde van de WHO van 10 µg/m³.
14
Mer beoordeling Hoge Bongerd Pouderoyen B.V.
POUDEROYEN TONNAER
POU240163.001.004.R1/ELO
In de GGD-Richtlijn Luchtkwaliteit en Gezondheid (2018) wordt aanbevolen om nieuwe (kwetsbare) bestemmingen bij voorkeur niet binnen 300 meter van een snelweg of 50 meter van een drukke weg te bouwen. In het uitvoeringsprogramma 2020-2030 ‘Op weg naar een gezonde luchtkwaliteit’ van de gemeente Nijmegen zijn deze afstanden als uitgangspunt genomen (maatregel 21). Hierin wordt gesteld dat de gemeente langs wegen geen nieuwe voorzieningen voor groepen die extra gevoelig (waaronder woningen, scholen, kinderopvanglocaties, bejaardenhuizen) zijn voor luchtverontreiniging worden gebouwd. Daarbij wordt een afstand van 300 meter aangehouden voor snelwegen en 50 meter voor drukke wegen (>10.000 voertuigen/etmaal). Dichtstbijzijnde drukke weg ligt ten oosten van het plangebied (provinciale weg N325). Woningen worden op circa 175 meter van deze weg gerealiseerd (figuur 1). Snelwegen liggen op meer dan 300 meter afstand. In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen relevante geurbronnen aanwezig zoals veehouderijen, of geur emitterende bedrijven of functies (zoals een RWZI). Er is ter plekke sprake van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot de geurbelasting. Het project leidt niet tot knelpunten met betrekking tot de geurbelasting op voor geur gevoelige functies.
4.2
Natuur
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.
4.2.1 Natura 2000 De gebiedsbescherming in de voormalige Wet natuurbescherming en de huidige Omgevingswet implementeert onder andere de Europese Vogelrichtlijn en de Europese Habitatrichtlijn. Gebieden die worden beschermd in het kader van de Vogel- en/of Habitatrichtlijn vormen samen het Natura2000netwerk in Nederland. Voor ieder Natura2000-gebied is een aanwijzingsbesluit opgesteld, waarin omschreven staat voor welke kwalificerende natuurwaarden (habitats en/of soorten) het gebied is aangewezen en wat de instandhoudingsdoelstellingen zijn. Voor plannen die nadelige effecten kunnen hebben op een Natura2000-gebied, dienen de effecten op de kwalificerende natuurwaarden te worden onderzocht. Als uit een voortoets volgt dat het plan mogelijk negatieve effecten heeft voor Natura2000-gebieden dient een passende beoordeling te worden opgesteld. De bepalingen over de passende beoordeling zijn opgenomen in artikel 16.53c van de Omgevingswet. Een omgevingsplan moet, net als het huidige bestemmingsplan, passend worden beoordeeld als de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Deze passende beoordeling is bedoeld om te bepalen of de voorgestelde ontwikkelingen de instandhoudingsdoelstellingen beïnvloeden.
Ook in artikel 10.24 lid 1 van het huidige Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat een plan alleen wordt vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten.
Mer beoordeling Hoge Bongerd Pouderoyen B.V.
15
POU240163.001.004.R1/ELO
In het planspoor worden de effecten van het plan afgezet tegen de feitelijke, planologisch legale situatie ten tijde van c.q. voorafgaand aan de vaststelling van de BOPA. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Rijntakken’ en ligt op ongeveer 45 meter. Andere Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand. In de Quickscan Flora en Fauna wordt geconcludeerd dat op voorhand is uitgesloten dat de activiteit verslechterende of significante gevolgen heeft voor N2000 gebieden. (Quickscan soortenbescherming voor de Hoge Bongerd, Nijmegen. Toetsing in het kader van de Omgevingswet, rapportnummer 24316, Waardenburg Ecology, 18 september 2024). Dit gaat om storende effecten zoals lichthinder, geluidhinder, visuele verstoring, verontreiniging. Een mogelijke uitzonering hierop zijn de effecten van extra stikstofdepositie als gevolg van Hoge Bongerd.
Figuur 9: Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden
Stikstof effecten Er is door Pouderoyen Tonnaer een stikstofonderzoek uitgevoerd waarin de effecten van stikstofemissies ten gevolge van Hoge Bongerd zijn onderzocht (Stikstofonderzoek Hoge Bongerd, Pouderoyen Tonnaer, 3 maart 2025). In de notitie is op basis van de huidige plangegevens een inschatting gemaakt van de stikstofemissies ten gevolge van het voornemen. Hierin is onderscheid gemaakt tussen: 1. Aanlegfase: grondverzet, bouwrijp maken, bouw gebouwen, aanleg infrastructuur; 2. Nieuwe gebruiksfase: emissies ten aanzien van verkeersgeneratie door de nieuwe functie; (aansluiting op het warmtenet) De stikstofemissies zijn weergegeven in tabel 2. Voor de aanlegfase is de inschatting van de stikstofemissie op basis van kengetallen voor vergelijkbare woningbouwprojecten en handreikingen. Hierbij wordt rekening gehouden met het voorbereidende grondverzet, het bouwrijp maken van het
16
Mer beoordeling Hoge Bongerd Pouderoyen B.V.
PCUDEROYEN TDNNAER
POU240163.001.004.R1/ELO
terrein, de bouw van de woningen en gebouwen voor overige functies en de aanleg van de infrastructuur. De realisatie vindt plaats over meerdere jaren (woningen 2027-2029 en openbare ruimte 2027-2030). Deze fasering wordt meegenomen in de berekening. De kengetallen die voor de aanlegfase worden gebruikt houden rekening met grondverzet en het bouwrijp maken van de grond. Echter is de verwachting dat voor de ontwikkeling Hoge Bongerd relatief veel grondverzet moet plaatsvinden. De stikstofemissies die plaatsvinden tijdens dat grondverzet worden in de kengetallen mogelijk niet volledig meegenomen. Het grondverzet wordt daarom in de berekening apart/aanvullend beschouwd. Alle woningen en andere functies worden aangesloten op het warmtenet, dit betekent dat er in de gebruiksfase geen stikstofemissie plaatsvindt voor de verwarming van de woningen en gebouwen. Stikstofemissies in de gebruiksfase zijn alleen afkomstig van de verkeersgeneratie ten gevolge van de ontwikkeling (verkeersbewegingen en koude start). Tabel 3: Overzicht stikstofemissies Hoge Bongerd Onderdeel
Jaar
NOx (kg)
NH3 (kg)
Aanlegfase
2027
414,9
4,2
2028
441,5
14
2029
440,8
1,0
2030
97,4
0,3
2030
363,2
21,3
Gebruiksfase
Stikstofdeposities zijn uitgerekend met het rekenmodel AERIUS Calculator, versie 2024. Het project Hoge Bongerd heeft een toename van stikstofdepositie tot gevolg op Natura 2000 gebied Rijntakken. Dit geldt voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase, de hoogste toename is 0,09 mol N/ha/jaar. De relevante depositietoenames1 zijn weergegeven in tabel 4. Vervolgens is er in de notitie nader in gegaan op de vraag of de berekende deposities tijdens de realisatie- en gebruiksfase leiden tot significante negatieve effecten voor het Natura2000-gebied Rijntakken. Hierbij worden de locatie en de effecten van de toename in deposities nader beschouwd in het kader van de instandhoudingsdoelstellingen voor Rijntakken. Daarin wordt de Natuurdoelanalyse van Rijntakken (NDA) betrokken, het advies over de NDA van de Ecologische autoriteit en de urgentietabel van door stikstofdepositie aangetaste Natura 2000-habitattypen. In een Natuurdoelanalyse (NDA) is de huidige toestand van het Natura 2000-gebied in beeld gebracht en is er beoordeeld of er extra maatregelen nodig zijn om de natuur te behouden en wanneer nodig te verbeteren. Uit de Natuurdoelanalyse (NDA) voor de Rijntakken (mei 2023, provincie Gelderland) blijkt dat de stikstofbelasting geen groot knelpunt is voor de Rijntakken. Uit de NDA blijkt dat dat voor
1
toename > 0,005 mol N/ha/jaar op een (naderend) overbelast hexagoon met een oppervlakte aan habitattype groter dan het minimum oppervlak
Mer beoordeling Hoge Bongerd
Pouderoyen B.V.
POU240163.001.004.R1/ELO
alle habitattypen en leefgebieden waarop een depositietoename plaatsvindt door Hoge Bongerd, de uitgevoerde en geprogrammeerde maatregelen zorgen voor het tegengaan van verslechtering van habitattypen en leefgebieden én borgen dat het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen (voor zover het uitbreiding of verbetering betreft) binnen bereik is en blijft. De Ecologische Autoriteitheeft (EA) een advies uitgebracht over de NDA Rijntakken. De EA maakt
kanttekeningen bij de conclusies die worden getrokken in de NDA.. Een aantal conclusies vindt de EA niet voldoende onderbouwd. De EA is van oordeel dat bestaande plus aanvullende maatregelen zicht geven op het halen van de instandhoudingsdoelstellingen voor de stikstofgevoelige habitats en soorten. Voor de habitattypen en leefgebieden in tabel 4 geeft de EA aan dat met aanvullende
beheermaatregelen de instandhoudingsdoelstellingen haalbaar zijn. Wat betreft stikstof is er aangegeven dat de verlaging van de stikstofbelasting nodig is. Voor de stroomgraslanden is de stikstofbelasting uit de lucht niet te hoog, maar kan een verlaging wel degelijk gunstige effecten hebben. Daarnaast is de urgentietabel betrokken waarin de urgentie voor stikstofreductie is ingeschat (Herstelbaarheid van door stikstofdepositie aangetaste Natura 2000-habitattypen - Update Urgentietabel, Onderzoekscentrum B-WARE, 2023). De urgentie voor reductie van de stikstofdepositie (zeer hoog: 2025 of hoog: 2030) werd bepaald op basis van de combinatie van het oppervlak met overschrijding (%), de mate van overschrijding en de herstelbaarheid van een habitattype/leefgebied. De vastgestelde mate van urgentie voor de leefgebieden Lgll, Lg08 en LgO2 en habitattype H6510A en H6120 is in overeenstemming met prognoses en beoordeling in de NDA en het advies van de EA over het behalen van de doelen. Tabel 4: Ov<srzicht van toename in stikstofdepositie door Hoge Bongerd op relevante habitattypen en leefgebieden Code
Habitattypen/leefgebieden
Aantal overbelaste hexagonen
lgll
Kamgrasweide
&
weidevogelgrasland
Bloemrijk van
Totaal
oppervlakte
van
overbelast
met
habtiattype/leefgebie
toename > 0,005
d met toename > 0,005
mol N/ha/jr
mol N/ha/jr (ha)
71
17,6
Grootste
toename
(mol N/ja/jr)
0,09
het
rivieren- en zeekleigebied Lg02
Geïsoleerde meander en petgat
2
0,6
0,05
H6510A
Glanshaver-
23
4,3
0,06
en
vossenstaarthooilanden (glanshaver) Lg08
Nat, matig voedselrijk grasland
7
1,1
0,05
H6120
Stroomdalgraslanden
12
2,7
0,01
Een onderbouwing per habitattype/leefgebied is terug te vinden in het stikstofonderzoek. Geconcludeerd kan worden dat voor alle nader onderzochte gebieden, Lgll, LgO2, Lg08, H6510A en H6120, geldt dat de (kleine, beperkte) toename van stikstofdepositie ten gevolge van Hoge Bongerd niet resulteert in significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Het behalen van de deze doelen is en blijft binnen bereik. Stikstofdepositie is daarom geen knelpunt.
18
Mer beoordeling Hoge Bongerd
Pouderoyen B.V.
POUDEROYEN TONNAER
POU240163.001.004.R1/ELO
Er kan met zekerheid worden gesteld dat significante effecten van stikstofdepositie ten gevolge van de ontwikkeling op de instandhoudingsdoelen van de habitat- en vogelrichtlijnsoorten in Natura2000gebieden op voorhand met zekerheid zijn uit te sluiten. Een nadere beoordeling (een passende beoordeling) is niet nodig. Duitse Natura 2000 De stikstofdeposities op Duitse Natura 2000 gebieden zijn ook berekend. De hoogste projectbijdrage is 0,01 mol N/ha/jr op Vogelschutsgebiet ‘Unterer Niederhein’ en ‘Wyler Meer (Teilfläche des NSG Düffel), beide gelegen op 6 kilometer van het projectgebied. Op andere Duitse Natura 2000 gebieden vindt geen toename van depositie plaats ten gevolge van het voornemen hoger dan 0,01 mol/ha/jr. De toename van depositie ten gevolge van het planvoornemen ligt onder de Duitse stikstofnormen en vormt daarom geen belemmering voor het project.
4.2.2 Natuurnetwerk Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; • alle Natura 2000-gebieden. De provincie moet zorgdragen voor de totstandkoming en instandhouding van het Natuurnetwerk Nederland en wijzen de gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en omgevingsverordeningen. Het Gelders Natuurnetwerk (GNN) is het Gelders deel van het natuurnetwerk Nederland. De regels rondom de bescherming en ontwikkeling van het GNN staan in de Omgevingsverordening Gelderland. Een nieuwe activiteit wordt alleen toegelaten als uit onderzoek blijkt dat de activiteit geen nadelige gevolgen kan hebben voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het GNN. Hierbij moeten de verschillende natuurtypen, kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het GNN worden betrokken.
De afstand tot het Gelders natuurnetwerk (GNN), de Gelderse Poort zuid, is ongeveer 104 meter. Dichtbijgelegen natuurtypen zijn Rijke graslanden akkers, zoete plas, droge bossen en rivieren- en moeraslandschap. In de Quickscan Flora en Fauna wordt geconcludeerd dat op voorhand is geconcludeerd dat het op voorhand is uitgesloten dat de ontwikkeling van Hoge Bongerd nadelige gevolgen veroorzaakt voor het Gelders Natuurnetwerk of de Groen Ontwikkelzone. (Quickscan soortenbescherming voor de Hoge Bongerd, Nijmegen. Toetsing in het kader van de Omgevingswet, rapportnummer 24-316, Waardenburg Ecology, 18 september 2024). Daarnaast is in het stikstofonderzoek apart getoetst op het GNN. Een te hoge stikstofdepositie kan namelijk voor sommige natuurtypen nadelige gevolgen
Mer beoordeling Hoge Bongerd Pouderoyen B.V.
19
POU240163.001.004.R1/ELO
hebben. Uit het stikstofonderzoek blijkt dat op GNN de maximale toename in depositie 2,28 mol N/ha/jr is. Voor een deel van de nabijgelegen natuurtypen zijn stikstofdeposities uit de lucht geen knelpunt. Bijvoorbeeld de rijke graslanden en zoete plassen. De planten in de Rijke graslanden zijn merendeels algemenere soorten die weinig specifieke eisen aan de abiotische omgeving stellen. Met beheermaatregelen kunnen de kernkwaliteiten van het beheertype worden behouden. Stikstofdepositie is geen knelpunt. Knelpunten voor de zoete plassen zijn troebel water en een zeer hoog aanbod van voedingsstoffen. Het hoge aanbod van voedingsstoffen is afkomstig uit vermesting van landbouwgebieden, lozingspunten of bij het inlaten van gebiedsvreemd water. Omdat stikstofdepositie uit de lucht een (zeer) beperkte invloed heeft op de voedingstoffen in de zoete plassen, tast een beperkte stikstofdepositie kernkwaliteiten van het gebied niet aan. Voor andere type kan stikstofdepositie wel een knelpunt zijn (bijvoorbeeld droge bossen en rivierenen moeraslandschap). Bovendien vindt er ook stikstofdepositie plaats op natuurtypen verder gelegen. De kernkwaliteiten van de GNN gebieden richten zich onder andere op de kwaliteit van de bestaande natuur. Stikstofdepositie kan daar een effect op hebben. Echter is de prognose dat de stikstofdepositie met het huidige beleid tussen 2025 en 2030 zal dalen.
De verwachte gemiddelde stikstofdepositiedaling betreft 150 mol/ha/jaar tussen 2020 en 2030 (10 procent). De beperkte stikstofdepositie ten gevolge van Hoge Bongerd (maximaal 2,28 mol N/ha/jaar (op rijke graslanden)) is daarbij verwaarloosbaar en tast de kernkwaliteiten van de gebieden daarom niet aan. Er zijn geen nadelige gevolgen voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het GNN.
4.2.3 Flora en Fauna In de Omgevingswet is ook soortenbescherming geregeld (flora en fauna). Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit uit te voeren (art. 5.1 lid 2 onder g, Omgevingswet). Een flora- en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. In de wet zijn drie beschermingsregimes opgenomen: voor vogels conform de Europese Vogelrichtlijn, voor dier- en plantensoorten conform de Europese Habitatrichtlijn en voor overige te beschermen soorten. Het is kortgezegd verboden om beschermde diersoorten opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren. Hun voortplantings- en rustplaatsen mogen niet (opzettelijk) worden beschadigd of vernield. Verder is het verboden beschermde plantensoorten te vernielen. Daarnaast geldt een specifieke zorgplicht. Een handeling valt onder een specifieke zorgplicht als degene die de activiteit verricht weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die handeling nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.
Dit houdt onder andere in dat er gecontroleerd moet worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de buurt bepaalde soorten of habitats voorkomen en het verplicht is om na te gaan of nadelige gevolgen zijn uit te sluiten. Als nadelige gevolgen niet uit te sluiten zijn, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen.
20
Mer beoordeling Hoge Bongerd Pouderoyen B.V.
PCUDEROYEN TONNAER
POU240163.001.004.R1/ELO
In het plangebied is het Soortenmanagementplan Nijmegen - De Waalsprong (SMP-N; Martens & Krijt, 2019) van toepassing. Hierin zijn gebiedsgerichte maatregelen opgenomen voor diverse beschermde soorten (steenuil, kerkuil, ransuil, buizerd, roek, rugstreeppad, grote modderkruiper, poelkikker, bunzing, wezel en hermelijn), die de duurzame instandhouding waarborgen, waardoor een Omgevingsvergunning voor deze soorten niet nodig is. Bij de beoordeling van (mogelijke) nadelige gevolgen is ervan uitgegaan dat de maatregelen van dit SMP worden toegepast.
Waardenburg Ecology heeft een flora en fauna / soortenonderzoek verricht op de planlocatie (Quickscan soortenbescherming voor de Hoge Bongerd, Nijmegen. Toetsing in het kader van de Omgevingswet, rapportnummer 24-316, Waardenburg Ecology, 18 september 2024). Naast bronnenonderzoek heeft er op 30 augustus 2024 het veldbezoek plaatsgevonden. Daarbij is in
het plangebied en omgeving gezocht naar beschermde soorten en sporen (zoals nesten, holen uitwerpselen, braakballen, knaagsporen). Alle bomen in het plangebied zijn geïnspecteerd op holtes, kieren en gaten. Het plangebied is niet vlakdekkend onderzocht, maar steekproefsgewijs doorlopen waarbij de aandacht vooral lag op structuren met mogelijke ecologische waarden, waarbij wel alle opgaande structuren/bomen geïnspecteerd zijn. De aanwezigheid van de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in onderstaande tabellen. In de tabellen is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht vervolgonderzoek of ontheffings-/vergunningstrajecten. In de tabellen is ook weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 5: Omgevingswet onderdeel soortbescherming - Vergunningplichtige gevallen (schadelijke handelingen Bal 11.37, 11.46, 11.54) - maatregelen (rood: nader onderzoek en/of vergunning nodig, geel: maatregelen nodig, groen: geen schadelijke gevolgen). Soortgroep
i.h.k.v.
Effecten (zijn er
Aanvullend
Maatregelen om schadelijke
Vervolgstappen
schadelijke
onderzoek
gevolgen te voorkomen
omgevignsvergunning
Grote
Nader
Op basis van nader onderzoek
Op basis van het nader
leeuwenklauw
onderzoek
kan
onderzoek kan worden
gevolgen?)
Planten
worden
gesteld
welke
mitigerende/compenserende
vastgesteld
maatregelen nodig zijn
omgevingsvergunning
Op basis van nader onderzoek
Op basis van het nader
of
een
nodig is. Ongewerveld
Teunisbloempijlst
Nader
en
aart
onderzoek
kan
worden
gesteld
welke
mitigerende/compenserende maatregelen nodig zijn
onderzoek kan worden vastgesteld
of
een
omgevingsvergunning nodig is.
-
Vissen
Geen
-
-
Amfibieën
Rugstreeppad
Nee
Maatregelen toepassen
SMP-N geldt
Geen
-
-
-
Reptielen
Mer beoordeling Hoge Bongerd
Pouderoyen B.V.
uit
SMP-N
Geen vergunning nodig,
21
POU240163.001.004.R1/ELO
Grondgebond
Kleine
en zoogdieren
marterachtigen
uit
Maatregelen
Nee
SMP-N
Verbindingszone
Maatregelen
Nee
Geen vergunning nodig, SMP-N geldt
toepassen
treffen
om
bever, otter, en
lichtuitstraling
te
marterachtigen
voorkomen/beperken
en
groenstructuren aanbrengen
Vleermuizen
Vliegroute
Maatregelen
Nee
treffen
om
lichtuistraling
Geen vergunning nodig
te
voorkomen/beperken Broedvogels
Steenuil
Maatregelen
Nee
met jaarrond
uit
SMP-N
Geen vergunning nodig, SMP-N geldt
toepassen
beschermd nest
Algemene
Vernietiging
broedvogels
nesten
verstoring
van
Om schadelijke gevolgen te
Nee
of
voorkomen wordt het rooien
van
van
broedvogels moet
worden voorkomen
beplanting
en
(voorbereidende)
werkzaamheden
buiten
het
broedseizoen uitgevoerd (deze
(Bal.
Art. 11.37 lid ld)
loopt globaal van half maart tot
half augustus). Tabel 6: Omgevingswet onderdeel soortbescherming - Vergunningvrije gevallen (Bkl 8.741) - maatregelen (geel: maatregelen nod g, groen: geen schadelijke gevolge 1). Soortgroep
Effecten (zijn er schadelijke
Maatregelen
om
Maatregelen gericht op een
gevolgen?)
schadelijke
gevolgen
te
'plus' voor natuur
Voorkom aantasting
van
voorkomen Planten
Mogelijk
Ongewerveld
en:
verwijderen
groeiplaatsen RL-soorten
groeiplaatsen
Mogelijk vernietigen leefgebied
Werken buiten kwetsbare
kruidenrijk
grasland
(vervangend leefgebied)
blauwtje Vissen
Geen
-
Amfibieën
Mogelijke effecten op soorten
Werkzaamheden
die
zijn
aangewezen
als
-
in
één
richting uitvoeren. Werken
buiten kwetsbare periode
'vergunningsvrij geval'
-
Reptielen
Geen
Grondgebond
Mogelijke effecten op soorten
Werkzaamheden
en zoogdieren
die
richting uitvoeren. Werken
Trekvogels
Overige terreindelen inrichten
als
periode
bruin
•
zijn
aangewezen
als
in
één
'vergunningsvrij geval'
buiten kwetsbare periode
Geen
-
Mer beoordeling Hoge Bongerd
Pouderoyen B.V.
-
POUDEROYEN TONNAER
POU240163.001.004.R1/ELO
Op grond van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de uit te voeren activiteit mogelijk schadelijke gevolgen heeft voor de grote leeuwenklauw (artikel 11.54 Bal lid 1c) en de teunisbloempijlstaart (artikel 11.46 Bal lid 1d). Nader onderzoek is nodig om de functie van het plangebied voor beide soorten te bepalen. Mogelijk is voor deze twee soorten een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig. De Interim Ecoloog heeft een habitatbeoordeling van de teunisbloempijlstaart verricht (Habitatbeoordeling Teunisbloempijlstaart de Waalsprong, rapportkenmerk P24034/rap01/v2, De Interim Ecoloog B.V., 13 december 2024). Daarin is de geschiktheid van het habitattype voor de teunisbloempijlstaart binnen het plangebied van het SMP-N in kaart gebracht. Het plangebied van Hoge Bongerd hier onderdeel van. De zuidzijde van Hoge Bongerd is grotendeels matig geschikt. Een stuk langs de Singel viel op door veel wederik en teunisbloem. Dit is aangemerkt als zeer geschikt, de rest van de Singel is matig geschikt. Het vierkante grasland in het noorden van Hoge Bongerd dat wordt gebruikt als weide is beoordeeld als ongeschikt. Daarnaast heeft het plangebied mogelijk een functie voor rugstreeppad, kleine marterachtigen en steenuil, waardoor schadelijke gevolgen voor deze soorten niet uitgesloten zijn.
Deze soorten zijn opgenomen in het SMP-N en is een ontheffing verleend (Zaaknummer 2019-001733). De gemeente Nijmegen neemt maatregelen om een duurzame instandhouding van deze soorten te waarborgen. Een vergunning is daarom niet nodig. Wel moeten er conform de ontheffing maatregelen worden getroffen in/grenzend aan het plangebied. Ook dienen negatieve effecten op de verbindende functie voor grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en algemene broedvogels voorkomen te worden door het nemen van preventieve maatregelen. Als deze maatregelen worden getroffen, zijn schadelijke handelingen op deze soorten uitgesloten. In het kader van de specifieke zorgplicht moeten redelijkerwijs maatregelen genomen worden om de mogelijke gevolgen voor beschermde, kwetsbare of bedreigde soorten te beperken of ongedaan te maken. In het onderzoek zijn de maatregelen beschreven die in het kader van de specifieke zorgplicht genomen kunnen worden. Het is aan de initiatiefnemer om te bepalen welke maatregelen redelijkerwijs genomen (kunnen) worden.
4.2.4 Houtopstanden De omgevingswet beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen buiten de bebouwde kom (zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij Gedeputeerde Staten van de provincie. De bomen op de planlocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden zoals bedoeld in de wet. De houtopstanden liggen binnen de bebouwde kom, waardoor bij eventuele kap geen meldingsplicht en herplantplicht geldt.
Mer beoordeling Hoge Bongerd Pouderoyen B.V.
23
POU240163.001.004.R1/ELO
4.3
Geluid
In de nieuwe woningen (geluidsgevoelige gebouwen) moet er sprake zijn van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Het plangebied ligt niet binnen de geluidszone van een industriegebied, wel van de spoorlijn Nijmegen-Arnhem en van wegen. Het akoestische onderzoek van de gemeente Nijmegen heeft betrekking op wegverkeer, de spoorweg en geluid door overige activiteiten (Akoestisch onderzoek t.b.v. de Hoge Bongerd, kenmerk PRS2024097 versie 1.0, gemeente Nijmegen, 20 maart 2025). Hiermee is bepaald of er sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau ter plaatse van de woningen en er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het akoestisch onderzoek is de geluidbelasting berekend ten gevolge van het omliggende functies van het plangebied en getoetst aan de normstelling uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Ook is bepaald wat de gezamenlijke geluidbelasting ter hoogte van het plan is, zodat beoordeeld kan worden of extra geluidwerende maatregelen noodzakelijk zijn.
4.3.1 Wegverkeer Er is sprake van een overlap met de geluidaandachtsgebieden van de Prins Mauritssingel en de Parmasingel met het plangebied (Omgevingsregeling, artikel 17.5). In de BOPA zijn nog een bouwvlakken of minimale bouwhoogtes bekend, ook is nog niet vastgesteld waar de ontsluitingswegen zullen lopen. Daarom is de geluidbelasting berekend in een situatie zonder bebouwing, op basis van de maximale toelaatbare bouwhoogtes. Verkeer aantrekkende werking Hoge Bongerd De verkeersaantrekkende werking van dit plan leidt niet tot een significante toename van de geluidsbelasting op de omliggende wegen (Bkl 5.78af). Daar waar de geluidbelasting lager is dan de standaardwaarde zal een toename niet leiden tot een overschrijding van de standaardwaarde. Daar waar de standaardwaarde al wordt overschreden is er geen sprake van een significante bijdrage van dit plan (Bkl 5.78af). De standaardwaarde voor wegverkeerslawaai wordt binnen de Hoge Bongerd door gemeentelijke wegen overschreden, maar is lager dan de grenswaarde. De hoogste berekende geluidbelasting bedraagt 57,8 dB. De standaardwaarde wordt overschreden bij de toetspunten die dichtbij de huidige wegen liggen. Hierbij is de Parmasingel, welke doorloopt in de Oosterhoutsedijk, maatgevend. Er is een maatregelonderzoek uitgevoerd op basis van reële scenario’s binnen de kaders van het plan.
Maatregelen op de Parallelweg en de Prins Mauritssingel zijn niet doelmatig omdat de geluidbelasting hier niet maatgevend is in de totale geluidbelasting door wegverkeer. Voor de Parmasingel geldt dat vanuit stedenbouwkundig oogpunt Nijmegen geen overdrachtsmaatregelen wil toepassen bij erftoegangswegen. Bronmaatregelen in de vorm van stillere wegdekken voor de erftoegangswegen zijn toepasbaar mits technisch mogelijk en verkeerskundig wenselijk. Uit het maatregelenonderzoek blijkt dat er ondanks het toepassen van doelmatige geluidbeperkende maatregelen sprake is van overschrijding van de standaardwaarde. Gemeentelijke “Beleidsregels omgevingsvergunning voor overschrijden van de standaardwaarde geluid 2024” geven een kader hoe er dan toch sprake kan zijn van een aanvaardbare situatie. Geluidbelaste woningen dienen bijvoorbeeld te beschikken over een geluidluwe gevel, een
24
Mer beoordeling Hoge Bongerd Pouderoyen B.V.
POUDEROYEN TDNNAER
POU240163.001.004.R1/ELO
buitenruimte gelegen aan een geluidluwe gevel en bij een geluidbelasting hoger dan 58 dB een geluidluw gelegen slaapkamer. In de voorschriften zijn er regels opgenomen voor de overschrijding standaardwaarde wegverkeer. In deze gebieden moet worden voldaan aan de standaardwaarde voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai of aan de voorschriften. De aanvrager van de Omgevingsvergunning voor de realisatie of wijziging van het geluidgevoelige gebouw moet met een akoestische onderbouwing aantonen dat hieraan voldaan kan worden. Voorschriften wegverkeer en spoorweglawaai Deze bopa is uitsluitend uitvoerbaar voor het aspect geluid door (spoor)wegen als voldaan wordt aan de volgende voorschriften: Een opvolgende aanvraag omgevingsvergunning dient ter plaatse van de gebiedsaanwijzingen ‘Overschrijding standaardwaarde geluid wegverkeer’ en ‘Overschrijding standaardwaarde geluid railverkeer’ te voldoen aan het volgende: a. Bij de bouw van een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in art 3.21 Bkl dient voor spoorweglawaai en wegverkeerslawaai te worden voldaan aan de standaardwaarden uit art 5.78t Bkl, conform afdeling 3.5 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterrein Bkl. b.
In afwijking van het bepaalde onder voorschrift a is een geluidbelasting op één of meer gevelvlakken van een geluidgevoelig gebouw hoger dan de in voorschrift a genoemde standaardwaarden aanvaardbaar, mits er aan alle voorwaarden wordt voldaan: 1. Deze woningen bieden afscherming aan een gelijk of groter aantal woningen; 2. Deze woningen hebben op één of meer gevels een geluidbelasting lager dan de standaardwaarden; 3. Deze woningen hebben de beschikking over een buitenruimte waar op de aangrenzende gevel van de woning de geluidbelasting lager is dan de standaardwaarden; 4. Indien het toepassen van verdere geluidbeperkende maatregelen op de private buitenruimte leidt tot een buitenruimte van lagere kwaliteit op het gebied van bezonning en natuurlijke ventilatie, mag van het bepaalde in lid 3 worden afgeweken, mits: i. er een collectieve buitenruimte wordt geboden die voldoet aan de in voorschrift a opgenomen standaardwaarden; en ii. aan de private buitenruimte minimaal 6 dB aan geluidbeperkende maatregelen wordt toegepast. 5. De woningen met geluidbelastingen hoger dan 58 dB voor wegverkeerslawaai, 58 dB voor spoorweglawaai en/of 50 dB voor industrielawaai hebben de beschikking over een slaapkamer waar op het te openen geveldeel geen standaardwaarde wordt overschreden; en 6.
Voor alle geluidsgevoelige gebouwen met een geluidbelasting hoger dan de standaardwaarde, geldt vanuit het art. 4.103 Bbl en art. 3.2 Bkl de eis dat de geluidbelasting op een gevelvlak waar verblijfsruimtes mogelijk zijn er bij de berekende gezamenlijke geluidbelasting conform art. 3.26 Omgevingsregeling voldaan kan worden aan art. 4.103 Bbl. c. De aanvrager van de omgevingsvergunning voor de realisatie of wijziging van het geluidgevoelige gebouw toont het bepaalde in lid 1 en 2 aan met een akoestische onderbouwing. Daarbij is het volgende van belang: 1. Indien woningen of bouwkundige elementen buiten het initiatief een essentieel onderdeel vormen van deze onderbouwing, dan dient de initiatiefnemer aannemelijk te maken dat de bebouwing daadwerkelijk gerealiseerd wordt en in stand blijft. 2. Indien woningen of bouwkundige elementen uit het initiatief zelf onderdeel van deze onderbouwing vormen, dan worden die woningen of bouwkundige elementen als voorwaarde in de omgevingsvergunning opgenomen.
Mer beoordeling Hoge Bongerd Pouderoyen B.V.
25
POU240163.001.004.R1/ELO
4.3.2 Spoorweg Voor spoorweglawaai staat de grens van het geluidaandachtsgebied in het geluidregister. Er is een overlap met het plangebied. Deze geluidbelasting wordt bepaald door de spoorlijn Nijmegen-Arnhem, deze is onderdeel van het hoofdspoornet. Het is een drukke lijn met beperkt goederenvervoer. De lijn bevindt zich op een hoog dijklichaam. Er bevinden zich tussen kilometer 14.5 en 15.5 raildempers op betonnen dwarsliggers. Langs de spoorlijn staat een geluidscherm van ca. 1 meter hoog aan de westzijde. Aan de kant van het plangebied is geen geluidsscherm aanwezig. Voor spoorweglawaai is het GPP-model zoals verkregen vanuit Prorail in oktober 2024 gehanteerd (aangevuld met de raildempers). Uit de berekeningen blijkt dat de standaardwaarde voor spoorweglawaai binnen de Hoge Bongerd wordt overschreden. Omdat er een overschrijding is van de standaardwaarde is er een maatregelafweging uitgevoerd. Aan de westzijde van het spoor is er al een minischerm aanwezig. Het toevoegen van hetzelfde minischerm aan de zijde van de Hoge Bongerd, kan een reductie hebben van 5 dB (en hoger). De geluidmaatregel is doelmatig. Van deze maatregel kan worden afgeweken als de financiële doelmatigheid van de maatregel bepaald door de werkelijke kosten van aanleg en onderhoud van die maatregel, het maakt dat een andere maatregel dan het minischerm hetzelfde effect teweegbrengt.