Bijlage 10. Quickscan soortenbescherming voor de Hoge Bongerd
Tekst van het document
Quickscan soortenbescherming voor de Hoge Bongerd, Nijmegen Toetsing in het kader van de Omgevingswet
Quickscan soortenbescherming voor de Hoge Bongerd, Nijmegen Toetsing in het kader van de Omgevingswet
Status uitgave: definitief
Rapportnummer:
24-316
Projectnummer:
24-0683
Datum uitgave:
19 september 2024
Projectleider:
Tweede lezer: Opdrachtgever:
Gemeente Nijmegen Postbus 9105 6500 HG Nijmegen Nederland
Referentie opdrachtgever:
VPL 332709
Akkoord voor uitgave: Datum akkoord:
18 september 2024
Graag citeren als: 2024. Quickscan soortenbescherming de Hoge Bongerd, Nijmegen. Toetsing in het kader van de Omgevingswet. Rapport 24-316. Waardenburg Ecology, Culemborg.
Trefwoorden: Omgevingswet, de Hoge Bongerd, Nijmegen, soortenbescherming Waardenburg Ecology is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Waardenburg Ecology. Opdrachtgever hierboven aangegeven vrijwaart Waardenburg Ecology voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.
© Waardenburg Ecology / Gemeente Nijmegen Dit rapport is vervaardigd op verzoek van opdrachtgever en is zijn eigendom. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d m v. druk, fotokopie, digitale kopie of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven en Waardenburg Ecology, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Waardenburg Ecology is een handelsnaam van Bureau Waardenburg BV. Lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus. Het kwaliteitsmanagementsysteem is gecertificeerd door EIK Certificering overeenkomstig ISO 9001:2015. Waardenburg Ecology hanteert als algemene voorwaarden de DNR 2011, tenzij schriftelijk anders wordt overeengekomen.
Waardenburg Ecology Varkensmarkt 9, 4101 CK Culemborg, 0345 512710 info@waardenburg.eco. www.waardenburg.eco
WAARDEN BURG Ecology
Inhoud 1-- Inleiding
7
1.1
Aanleiding en doel
7
1.2
Reikwijdte van het onderzoek
8
1.3
Wettelijk kader
8
1.4
Methodiek onderzoek
10
1.5
Disclaimer
11
2-- Beschrijving plangebied en voorgenomen activiteit
12
2.1
Beschrijving plangebied
12
2.2
Voorgenomen activiteit
17
3-- Effecten op flora en fauna
19
3.1
Algemeen
19
3.2
Planten
19
3.3
Ongewervelden
20
3.4
Vissen
22
3.5
Amfibieën
22
3.6
Reptielen
23
3.7
Grondgebonden zoogdieren
24
3.8
Vleermuizen
25
3.9
Vogels
26
4-- Maatregelen en nader onderzoek
28
4.1
Functie plangebied
28
4.2
Nader onderzoek
29
4.3
Maatregelen in het kader van vergunningplichtige gevallen
29
4.4
Maatregelen in het kader van vergunningvrije gevallen
30
5— Conclusie en aanbevelingen
31
5.1
Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit
31
5.2
Nader onderzoek (indien relevant)
36
5.3
Maatregelen om te voldoen aan de specifieke zorgplicht
31
5.4
Natuurkansen (Optioneel)
37
6— Literatuur
32
Bijlage I
33
Toetsingskader beschermde soorten Omgevingswet
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD. NIJMEGEN
TOETSING IN HET KADER VAN DE
' tót '.TtST.TE f
B
Samenvatting Omgevingswet onderdeel soortbescherming (rood: nader onderzoek en/of vergunning nodig, geel: maatregelen nodig, groen: geen schadelijke gevolgen). Soortgroep
Effecten (zijn er schadelijke gevolgen/?)
Aanvullend onderzoek om vast te stellen of sprake is van een schadelijke handeling
Maatregelen om schadelijke gevolgen te voorkomen of te beperken (Bal art. 11.27 lid 1a en 1b)
Vervolgstappen i.h.k.v. omgevingsvergunning
Vergunningplichtige gevallen (schadelijke handelingen Bal 11.37, 11.46, 11.54) - maatregelen
Planten
Grote leeuwenklauw
Nader onderzoek
Op basis van nader onderzoek kan worden vastgesteld welke mitigerende/compenserende maatregelen nodig zijn.
Op basis van het nader onderzoek kan worden vastgesteld of een omgevingsvergunning nodig is.
Ongewervelden
Teunisbloempijlstaart
Nader onderzoek
Op basis van nader onderzoek kan worden vastgesteld welke mitigerende/compenserende maatregelen nodig zijn.
Op basis van het nader onderzoek kan worden vastgesteld of een omgevingsvergunning nodig is.
Vissen
Geen
-
-
-
Amfibieën
Rugstreeppad
Nee
Maatregelen uit SMP-N toepassen.
Geen vergunning nodig, SMP-N geldt
Reptielen
Geen
-
-
-
Grondgebonden zoogdieren
Kleine marterachtigen
Nee
Maatregelen uit SMP-N toepassen.
Geen vergunning nodig, SMP-N geldt.
Verbindingszone
Nee
Maatregelen treffen om lichtuitstraling te voorkomen/beperken en groenstructuren aanbrengen.
-
Nee
Maatregelen treffen om lichtuitstraling te voorkomen/beperken.
Geen vergunning nodig.
bever, otter en marterachtigen
Vleermuizen
Vliegroute
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD, NIJMEGEN
TOETSING IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
Broedvogels jaarrond met beschermd nest
Steenuil
Algemene broedvogels
Vernietiging van nesten of verstoring van broedvogels moet worden voorkomen (Bal art. 11.37 lid 1d).
Maatregelen uit SMP-N toepassen.
Nee
Soortgroep
Geen vergunning nodig, SMP-N geldt.
Om schadelijke gevolgen te voorkomen wordt het rooien van beplanting en (voorbereidende) werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd (deze loopt globaal van half maart tot half augustus).
Nee
Effecten
Nader onderzoek
Maatregelen om schadelijke gevolgen te beperken (Bal art. 11.27 lid 1a en 1b)
Maatregelen gericht op een 'plus* voor natuur
Vergunningvrije gevallen (Bk! 8.741) - maatregelen
Planten
- Mogelijk verwijderen groeiplaatsen RL-soorten.
-
- Voorkom aantasting van groeiplaatsen
-
Ongewervelden: - Bruin blauwtje
- Mogelijk vernietigen leefgebied
-
- Werken buiten kwetsbare periode.
Overige terreindelen inrichten als kruidenrijk grasland (vervangend leefgebied).
Vissen
Geen.
-
-
-
Amfibieën
- Mogelijk effecten op soorten die zijn aangewezen als ‘vergunningvrij geval'
-
- Werkzaamheden in één richting uitvoeren - Werken buiten kwetsbare periode
-
Reptielen
Geen.
-
-
-
Grondgebonden zoogdieren
-
-
- Werkzaamheden in één richting uitvoeren - Werken buiten kwetsbare periode.
-
-
-
-
Mogelijk effecten op soorten die zijn aangewezen als
‘vergunningvrij geval'. Trekvogels
Geen.
Omaevingswet onderdeel gebiedsbescherming en houtopstanden Beschermingsregime
Effect
Aanvullend onderzoek
Zorgplicht
Natura 2000
Mogelijke verslechterende of significant verstorende gevolgen zijn op voorhand uitgesloten, met mogelijke uitzondering van effecten van stikstof.
Aerius berekening om effecten van stikstof te bepalen.
Er zijn geen negatieve effecten (met uitzondering van stikstof), aanvullende maatregelen in het kader van de zorgplicht worden niet nodig geacht.
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD, NIJMEGEN
TOETSING IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
Natuurnetwerk Nederland, bijzondere natuurgebieden en landschappen
Het plangebied ligt buiten de NNN en op afstand van bijzondere natuurgebieden en landschappen. De regels ten aanzien van de NNN, bijzondere natuurgebieden en landschappen zijn niet van toepassing.
Bescherming van houtopstanden Ow
Bomen bevinden zich binnen de bebouwde kom. Ow-regels ten aanzien van houtopstanden gelden niet.
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD, NIJMEGEN
TOETSING IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
1 Inleiding 1.1
Aanleiding en doel De gemeente Nijmegen is voornemens om in het deelgebied de Hoge Bongerd in Nijmegen woningen te realiseren. Deze ingreep kan mogelijk gevolgen hebben voor van nature in het wild levende dieren en/of planten en is daarmee een ‘flora- en fauna-activiteit’ in de zin van de Omgevingswet (Ow). Waardenburg Ecology heeft in opdracht van de gemeente Nijmegen op basis van een oriënterend veldonderzoek (30 augustus 2024) en bronnenonderzoek de gevolgen van deze ingreep op beschermde soorten in het kader van de Omgevingswet (Ow) beoordeeld en getoetst aan de specifieke zorgplichtbepalingen van de Ow. Het doel van het onderzoek is te bepalen of voor de voorgenomen activiteit een omgevingsvergunning voor een floraen fauna-activiteit nodig is.
De Ow kent een specifieke zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten. Deze specifieke zorgplicht houdt kort gezegd in dat iedereen die een activiteit uitvoert, nadelige gevolgen voor planten en dieren zoveel mogelijk moet voorkomen of ongedaan moet maken. De specifieke zorgplicht houdt onder andere in dat voorafgaand aan de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn voor het voorkomen van kwetsbare of bedreigde soorten binnen de invloedssfeer van de activiteit.
Dit rapport doet ook verslag van de resultaten van dit onderzoek naar activiteiten die vallen onder de specifieke zorgplicht en geeft adviezen over eventueel te nemen vervolgstappen. Concreet geeft dit rapport antwoord op de volgende vragen: Zijn er aanwijzingen dat binnen de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit soorten voorkomen waarop de specifieke zorgplicht van toepassing is? (Bal art. 11.27, lid 2a) Zo ja, kunnen voor deze soorten planten of dieren nadelige gevolgen op voorhand worden uitgesloten voor nesten, foerageerplaatsen, voortplantingsplaatsen, rust¬ plaatsen en eieren? (Bal art. 11.27, lid 2b) Als deze gevolgen niet kunnen worden uitgesloten welke gevolgen kan de activiteit hebben voor de betreffende soorten? (Bal art. 11.27, lid 2c) Welke passende preventieve maatregelen kunnen worden getroffen om de nadelige gevolgen te voorkomen? (Bal art. 11.27, lid 2d) Indien nadelige gevolgen niet kunnen worden voorkomen, welke maatregelen zijn nodig om gevolgen te beperken of ongedaan te maken? (Bal art. 11.27, lid 1c, 2e, 2f) Is voor betreffende soorten een omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit nodig? (Bkl art. 8.74j (Vogelrichtlijn); art. 8.74k (Habitatrichtlijn); art. 8.74I (andere soorten)).
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD, NIJMEGEN
TOETSING IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
7
1.2
Reikwijdte van het onderzoek In dit rapport zijn de gevolgen van de voorgenomen activiteit op beschermde, bedreigde of kwetsbare soorten planten en dieren in het kader van de Omgevingswet (Ow) beoordeeld. Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt vlak bij het Natura 2000-gebied Rijntakken. Het is op voorhand uitgesloten dat de activiteit verslechterende of significant verstorende gevolgen1 heeft voor beschermde gebieden, met mogelijke uitzondering van de effecten van extra stikstofdepositie als gevolg van de uit te voeren activiteit. De invloedssfeer van de uit te voeren activiteit (storende factoren) reikt tot ca. 100 meter (exclusief stikstofdepositie). Het Natura 2000-gebied Rijntakken bevindt zich op ongeveer 50 meter ten zuidwesten van het plangebied en op iets meer dan 400m ten zuidoosten van het plangebied (Bron: Informatiekaart Natuur). Aan de westkant ligt tussen het plangebied en het Natura 2000gebied de spoorlijn Nijmegen-Arnhem, waardoor verstoring niet hoger zal zijn dan die van de spoorlijn zelf. Aan de oostkant ligt tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied de provinciale weg N325, waardoor ook aan deze zijde de verstoring door de activiteiten in het plangebied niet hoger zullen zijn dan die van de provinciale weg zelf.
Gezien de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteit en de afstand tot Natura 2000-gebieden, is het uitgesloten dat de uit te voeren activiteit aantasting van relevante soorten en begroeiingen in Natura 2000-gebieden veroorzaakt. We adviseren om een AERIUSberekening uit te voeren om vast te stellen of sprake is van additionele stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Is er sprake van een bijdrage aan de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden dan dient deze beoordeeld te worden in het kader van de Ow. Gelders Natuurnetwerk (GNN) en bijzondere natuurgebieden en landschappen Het plangebied ligt niet in het Gelders Natuurnetwerk of de Groene Ontwikkelzone, een bijzonder natuurgebied of een bijzonder landschap (bron: Informatiekaart Natuur). Gezien de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteit en de afstand tot deze natuurgebieden is het op voorhand uitgesloten dat de uit te voeren activiteit nadelige gevolgen voor deze gebieden veroorzaakt.
Houtopstanden Nadelige gevolgen voor Houtopstanden in de zin van de Ow zijn op voorhand uitgesloten. Er worden namelijk geen houtopstanden zoals bedoeld in het Bal art. 11.111 gekapt, aangezien de houtopstanden zich allen binnen de bebouwde kom van Nijmegen bevinden.
1.3
Wettelijk kader De toetsing is uitgevoerd in het kader van de Ow. Voor de teksten van de Ow verwijzen we naar: wetten.overheid.nl. In Bijlage I van dit rapport wordt nader ingegaan op het toetsingskader voor een flora- en fauna-activiteit.
1
Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), Artikel 11.6 (specifieke zorgplicht) lid 2b.
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD, NIJMEGEN
TOETSING IN HET KADER VAN DE '
r .! ;
. Of : K
8
Activiteiten die mogelijk gevolgen hebben voor in het wild levende dieren of planten zijn in de Ow gedefinieerd als flora- en fauna-activiteiten. De Ow stelt regels over flora- en faunaactiviteiten om soorten te beschermen. Dit betreft zowel (inter)nationaal beschermde soorten als niet beschermde soorten. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bij de Ow wordt onderscheid gemaakt in de volgende drie beschermingsregimes waarvoor onder voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden aangevraagd: § 11.2.2: omgevingsvergunning soorten Vogelrichtlijn. § 11.2.3: omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn. § 11.2.4: omgevingsvergunning andere soorten (Bijlage IX Bal). Voor elk beschermingsregime zijn de vergunningplichtige gevallen en de vergunningvrije gevallen bepaald. Provincies regelen in een omgevingsverordening of en voor welke floraen fauna-activiteiten geen vergunningplicht geldt (de vergunningvrije gevallen).
BESCHERMDE SOORTEN
Voor beschermde soorten zijn in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) schadelijke
handelingen benoemd en bestaan soortlijsten waarnaar verwezen wordt in het desbetreffende artikel.
- Europees beschermde diersoorten en plantensoorten Soortenlijst
Schadelijke handelingen en
soortenlijst beschreven in:
-
Vogelrichtlijn
art 11.37 Bal
- Habitatrichtlijn, Bijlage IV
art 11.46 Bal
- Andere beschermde dier- en plantensoorten Soortenlijst
Schadelijke handelingen en
soortenlijst beschreven in: -Bijlage IX
art 11.54 Bal
A. zoogdieren, amfibieën, reptielen,
art 11.54 Bal, 1e lid, onder a
vissen, dagvlinders, libellen en kevers
B. vaatplanten
art 11.54 Bal, 1e lid, onder c
-Vogels met jaarrond beschermde nesten
- Indicatieve lijst jaarrond beschermde vogelnesten RVO De specifieke zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten heeft een breder toepassingskader dan de drie hierboven genoemde beschermingsregimes. De specifieke zorgplicht is van toepassing op van nature in Nederland in het wild voorkomende (Bal art. 11.27, lid 2a): soorten van de Vogelrichtlijn (Bijlage I Vogelrichtlijn), geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten, die niet in Bijlage I van de Vogelrichtlijn zijn genoemd, soorten van de Habitatrichtlijn (Bijlage II, IV, V Habitatrichtlijn), soorten dieren of planten die zijn opgenomen op de Rode lijsten, en
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD, NIJMEGEN
TOETSING IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
9
nationaal beschermde soorten (Bijlage IX Bal). In deze rapportage worden soorten vermeld op Bijlage IV van de Habitatrichtlijn en nationaal beschermde soorten zoals opgenomen in Bijlage IX van het Bal kortweg aangeduid als ‘beschermde soorten’. De soorten van Bijlage II en V van de Habitatrichtlijn en van de Rode lijst die niet in de categorie ‘beschermde soorten’ vallen worden in dit rapport aangeduid als ‘overige bedreigde of kwetsbare soorten'.
In het plangebied is het Soortenmanagementplan Nijmegen - De Waalsprong (SMP-N; Martens & Krijt, 2019) van toepassing. Hierin zijn gebiedsgerichte maatregelen opgenomen voor diverse beschermde soorten (steenuil, kerkuil, ransuil, buizerd, roek, rugstreeppad, grote modderkruiper, poelkikker, bunzing, wezel en hermelijn), die de duurzame instandhouding waarborgen, waardoor een Omgevingsvergunning voor deze soorten niet nodig is. Bij de beoordeling van (mogelijke) nadelige gevolgen is ervan uitgegaan dat de maatregelen van dit SMP worden toegepast.
1.4
Methodiek onderzoek Voorliggende toetsing is opgesteld op basis van een eenmalig veldbezoek en de huidige ter beschikking staande kennis en inschattingen van deskundigen. Gevolgen voor beschermde, kwetsbare en bedreigde soorten zijn bepaald op basis van de (invloedssfeer van de) voorgenomen activiteit (aard, omvang en duur) en de functie van het plangebied en omgeving voor beschermde, kwetsbare en bedreigde soorten en beoordeeld in het kader van de Ow.
Bronnenonderzoek Op basis van gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) is op 29 augustus 2024 een actueel overzicht gemaakt van (beschermde en overige bedreigde of kwetsbare) soorten die in de regio voorkomen. Bij het raadplegen van de NDFF is uitgegaan van een zoekgebied met een straal van ca. drie km om het plangebied en gegevens tot vijf jaar oud. Daarnaast is, voor zover relevant, gebruikgemaakt van achtergronddocumentatie, zoals een in 2021 uitgevoerd quickscan in het plangebied (Hoefsloot, 2021). Veldbezoek Het veldbezoek heeft op 30 augustus 2024 plaatsgevonden (22 °C, 1 Bft, geen neerslag). Daarbij is in het plangebied en omgeving - met behulp van een verrekijker - gezocht naar beschermde soorten en sporen (zoals nesten, holen uitwerpselen, braakballen, knaagsporen). Alle bomen in het plangebied zijn geïnspecteerd op holtes, kieren en gaten. Het plangebied is niet vlakdekkend onderzocht, maar steekproefsgewijs doorlopen waarbij de aandacht vooral lag op structuren met mogelijke ecologische waarden, waarbij wel alle opgaande structuren/bomen geïnspecteerd zijn. Op basis van terreinkenmerken en expert judgement is beoordeeld of het terrein geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde en overige bedreigde of kwetsbare soorten.
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD, NIJMEGEN
TOETSING IN HET KADER VAN DE ' ’ ' .! ;
. .ïf : K
10
De in dit rapport gepresenteerde gegevens over beschermde soorten zijn houdbaar tot drie
jaar na afronding van het veldonderzoek. Indien de in dit rapport beschreven ingreep wijzigt dan wel wordt uitgevoerd na augustus 2027 kan een actualisatie van het onderzoek nodig zijn.
Veldonderzoek is altijd een momentopname. Waardenburg Ecology waarborgt dat het onderzoek is uitgevoerd door deskundige onderzoekers volgens de gangbare standaardmethoden. Waardenburg Ecology is niet aansprakelijk voor waarnemingen van soorten door derden en waarnemingen die na afronding van de studie bekend worden gemaakt. De onderzoeker die het onderzoek heeft uitgevoerd heeft is door opleiding, werkervaring en zelfstudie gekwalificeerd voor de door haar uitgevoerde werkzaamheden. Het project is uitgevoerd volgens het kwaliteitshandboek van Waardenburg Ecology. Het kwaliteitsmanagementsysteem is gecertificeerd door EIK Certificering overeenkomstig ISO 9001:2015.
1.5
Disclaimer De reikwijdte van de specifieke zorgplicht is op dit moment nog niet duidelijk. De formulering van de specifieke zorgplicht laat veel ruimte voor interpretatie die (nog) niet nader ingevuld is door provincies. Onze interpretatie van de reikwijdte van de specifieke zorgplicht (zie Bijlage I) is gebaseerd op expert judgement. Het is de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om af te wegen welke maatregelen in het kader van de specifieke zorgplicht redelijkenwijs genomen worden. De specifieke zorgplicht is niet vrijblijvend, deze is bestuurs- én strafrechtelijk handhaafbaar.
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD, NIJMEGEN
TOETSING IN HET KADER VAN DE ' < .! ;
. .ïf : K
2 Beschrijving plangebied en voorgenomen activiteit 2.1
Beschrijving plangebied Het plangebied bevindt zich in Nijmegen-noord, tussen de Waal, de N325 en de spoorlijn Arnhem-Nijmegen (Figuur 2.1). Het plangebied is groter dan het gebied waar daadwerkelijk werkzaamheden plaatsvinden (zie paragraaf 2.2). De noordkant van het plangebied bestaat uit het spoortalud waarlangs een fietspad loopt (Figuur 2.2). Op het spoortalud groeit voornamelijk braamstruweel en grote brandnetel. Het overige deel van het plangebied bestaat voornamelijk uit twee graslanden die wordt gescheiden door een grote watergang. Het noordelijke grasland is een voedselrijk grasland waar weinig diversiteit aan grassen en kruiden is. In dit grasland staan enkele solitaire bomen (schietwilg en perenboom) (Figuur 2.3). Aan de zuidrand staat een groepje wilgen. In het grasland zijn enkele zandheuvels met kruiden als fluitenkruid, reukloze kamille en akkerdistel (Figuur 2.4). Het zuidelijke grasland is meer kruidenrijk met voornamelijk fluitenkruid, boerenworm¬ kruid, akkerdistel, wilde cichorei en Canadese fijnstraal. Ook hier staan enkele solitaire bomen (robinia, schietwilg) (Figuur 2.5) en er zijn zandheuvels (Figuur 2.6). Een verharde weg scheidt het grasland in twee delen: een deel dat de dijk bekleedt en een deel dat onderaan de dijk ligt.
De watergang die de twee graslanden scheidt is ongeveer vier meter breed, ondiep en troebel en heeft oevers begroeid met riet en grote lisdodde (Figuur 2.7). Tussen de graslanden en de Waal ligt de kade die grotendeels verhard is en waarlangs een fietspad loopt (Figuur 2.8). Langs het fietspad staat een relatief jonge iepenlaan.
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD, NIJMEGEN
TOETSING IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
12
Figuur 2.1
Begrenzing plangebied aangegeven met rode lijn (Esri Nederland, Community Map Contributors).
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD, NIJMEGEN
TOETSING IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
13
Figuur 2.2
Spoorberm met braamstruweel en grote brandnetel en het fietspad.
Figuur 2.3
Noordelijk gelegen grasland met solitaire boom.
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD, NIJMEGEN
TOETSING IN HET KADER VAN DE ' < .! ;
. .ïf : K
Figuur 2.4
Zandheuvels begroeid met kruiden (kamille, distel, fluitenkruid).
Figuur 2.5
Zuidelijk gelegen kruidenrijk grasland met solitaire bomen.
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD, NIJMEGEN
TOETSING IN HET KADER VAN DE ' < .! ;
. .ïf : K
Figuur 2.6
Zandhopen in het zuidelijk gelegen kruidenrijk grasland.
Figuur 2. 7
Watergang die noordelijk en zuidelijk gelegen grasland van elkaar scheidt.
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD. NIJMEGEN TOETSING IN HET KADER VAN DE
'
'GE:
I
16
Figuur 2.8
2.2
Verharde kade met fietspad en iepenlaan.
Voorgenomen activiteit Informatie over de voorgenomen activiteit is aangeleverd door de gemeente Nijmegen. De gemeente Nijmegen is voornemens om in het plangebied woningbouw te realiseren (Figuur 2.9). Het betreffen zowel appartementencomplexen als rijtjeshuizen. Daarnaast worden ontsluitingswegen en verlichting aangebracht. Er vinden geen werkzaamheden aan bestaande gebouwen en watergangen plaats. De werkzaamheden vinden plaats in 2025 of 2026.
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD, NIJMEGEN
TOETSING IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
Figuur 2.9.
Verkavelingsplan, verlichtingsplan en woningbouwplan de Hoge Bongerd.
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD, NIJMEGEN
TOETSING IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
18
3 Effecten op flora en fauna 3.1
Algemeen In dit hoofdstuk wordt per soortgroep het volgende beoordeeld: Komen binnen de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit (mogelijk) beschermde en overige kwetsbare en bedreigde soorten voor (zie par. 1.3)? Kunnen voor deze soorten nadelige gevolgen op voorhand worden uitgesloten? Als deze gevolgen niet kunnen worden uitgesloten welke gevolgen kan de activiteit voor deze soorten hebben en is daarbij sprake van een zogenoemde schadelijke handeling? Zijn mogelijke gevolgen voor beschermde en overige kwetsbare en bedreigde soorten als gevolg van de voorgenomen activiteit met maatregelen te voorkomen? Is voor betreffende soorten een omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit nodig?
3.2
3.2.1
Planten
Functie van het plangebied voor beschermde soorten planten
In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van groot spiegelklokje, grote leeuwenklauw en wilde averuit (NDFF). Deze soorten zijn allemaal ten zuiden van de Waal waargenomen. Groot spiegelklokje groeit langs akkers en in bermen langs dijken, grote leeuwenklauw groeit langs onverharde wegen en akkers en wilde averuit groeit langs spoorwegen en nabij rivierduinen en dijken. Het zuidelijk grasland is mogelijk geschikt als groeiplaats voor grote leeuwenklauw. Het spoortalud is een geschikte groeiplaats voor groot spiegelklokje en wilde averuit. De soorten zijn hier niet aangetroffen, maar het plangebied is niet vlakdekkend onderzocht en bovendien vond het veldbezoek plaats buiten het bloeiseizoen van groot spiegelklokje en grote leeuwenklauw. Een groeiplaats van groot spiegelklokje en wilde averuit op het spoortalud en van grote leeuwenklauw in het zuidelijk grasveld kan op basis van het veldonderzoek niet volledig worden uitgesloten.
3.2.2
Functie van het plangebied voor overige bedreigde of kwetsbare soorten planten Op basis van de NDFF en een habitatgeschiktheidsbeoordeling is bepaald of er aanwijzingen zijn dat kwetsbare of bedreigde soorten planten binnen de invloedssfeer van de uit te voeren activiteit (kunnen) voorkomen. Uit het plangebied en de directe omgeving zijn waarnemingen bekend van de Rode lijstsoorten gegroefde veldsla, graskers, Oosterse morgenster en stijve wikke (NDFF). Gegroefde veldsla groeit langs het spoor en graskers langs de kade. Oosterse morgenster en stijve wikke zijn in het plangebied zelf
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD, NIJMEGEN
TOETSING IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
19
waargenomen. Tijdens het veldbezoek zijn deze soorten niet waargenomen, maar aangezien het plangebied niet vlakdekkend onderzocht is, kunnen groeiplaatsen van deze soorten niet worden uitgesloten. Tabel 3.1
3.2.3
Kwetsbare of bedreigde soorten planten die mogelijk voorkomen binnen de invloedssfeer van de voorgenomen activiteit met status op de Rode lijst en/of Habitatrichtlijn II of V soorten.
Soort(groep)
Status
Voorkomen
Gegroefde veldsla
Kwetsbaar
Mogelijk aanwezig
Graskers
Gevoelig
Mogelijk aanwezig
Oosterse morgenster
Kwetsbaar
Mogelijk aanwezig
Stijve wikke
Kwetsbaar
Mogelijk aanwezig
Bepaling van effecten en beoordeling in het kader van de Ow
Beschermde soorten Op het spoortalud bevinden zich mogelijk groeiplaatsen van groot spiegelklokje en wilde averuit. Met de ingreep vinden geen werkzaamheden aan het spoortalud zelf plaats, waardoor negatieve effecten op deze soorten zijn uitgesloten. Het zuidelijk grasveld biedt mogelijk groeiplaatsen van grote leeuwenklauw. Met de ingreep worden deze groeiplaatsen mogelijk vernietigd wat een overtreding is van de Ow (Artikel 11.54 Bal lid 1c). Nader onderzoek is nodig om groeiplaatsen van grote leeuwenklauw in kaart te brengen (zie paragraaf 4.2). Overige bedreigde of kwetsbare soorten (Bijlage II, V en Rode lijst) Grond- en graafwerkzaamheden leiden mogelijk tot het vernietigen van groeiplaatsen van gegroefde veldsla, graskers, Oosterse morgenster en stijve wikke, soorten van de Rode lijst. Schadelijke gevolgen voor deze soorten zijn niet te voorkomen maar kunnen met maatregelen redelijkerwijs worden beperkt (zie Hoofdstuk 4).
3.3
Ongewervelden
3.3.1
Functie van het plangebied voor beschermde soorten ongewervelden
In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van grote vos, grote weerschijnvlinder, teunisbloempijlstaart en rivierrombout (NDFF). Grote vos en grote weerschijnvlinder komen voor ten zuiden van de Waal. Waardplanten voor grote vos zijn vooral iep, maar ook zoete kers en sommige wilgensoorten. De iepen langs het fietspad zijn nog te klein van omvang om als functie voor grote vos te dienen. Bovendien is het geen geschikt leefgebied omdat bosachtige omgeving ontbreekt. Voor grote weerschijnvlinder zijn waardplanten vooral boswilg en soms grauwe wilg. In het plangebied zijn alleen schietwilgen aanwezig, waardoor een functie van het plangebied voor deze soort is uitgesloten. Teunisbloempijlstaart is verspreid over Nijmegen Noord waargenomen. De
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD, NIJMEGEN
TOETSING IN HET KADER VAN DE ' < .! ;
. .ïf ! K
20
soort komt voor in open landschappen in vochtige bossen en warme open plaatsen. Waardplanten zijn harig wilgenroosje, grote kattenstaart, teunisbloem en basterdwederik. Waardplanten zijn tijdens het veldbezoek niet waargenomen, maar het veldbezoek vond plaats aan het eind van het bloeiseizoen. Aangezien de waardplanten vrij algemene soorten zijn en het habitat geschikt is voor teunisbloempijlstaart, kan een functie van het plangebied voor teunisbloempijlstaart niet worden uitgesloten. Rivierrombout komt voor nabij de Waal op plaatsen waar zand of slib wordt afgezet. Eitjes worden afgezet in het water van de Waal, en uitsluiplocaties bevinden zich op zandstrandjes. Aangezien deze in het plangebied niet aanwezig zijn en in het plangebied alleen maar verhard kade aanwezig is, is een functie voor rivierrombout uitgesloten.
3.3.2
Functie van het plangebied voor overige bedreigde of kwetsbare soorten ongewervelden
In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van de Rode lijstsoort bruin blauwtje (NDFF). Bruin blauwtje leeft op droge, zandige, open, kruidenrijke en schrale graslanden en kalkgraslanden. In het plangebied is leefgebied van bruin blauwtje aanwezig (met name het zuidelijke grasland). Tabel 3.2
3.3.3
Kwetsbare of bedreigde soorten ongewervelden die mogelijk voorkomen binnen de invloedssfeer van de voorgenomen activiteit met status op de Rode lijst en/of Habitatrichtlijn II of V soorten.
Soort(groep)
Status
Voorkomen
Bruin blauwtje
Gevoelig
Mogelijk aanwezig
Bepaling van effecten en beoordeling in het kader van de Ow
Beschermde soorten Grond- en graafwerkzaamheden leiden mogelijk tot het vernietigen van habitat (leefgebied en waardplanten) van teunisbloempijlstaart, een soort van het ‘Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn’. Dit is een schadelijke handeling onder de Ow, waarvoor een vergunning nodig is (artikel 11.46, eerste lid, Bal). Om de functie van het plangebied voor teunisbloempijlstaart en de noodzaak van een vergunning te bepalen is nader onderzoek nodig (zie Hoofdstuk 4). Overige bedreigde of kwetsbare soorten (Bijlage II, V en Rode lijst) Grond- en graafwerkzaamheden leiden mogelijk tot het vernietigen van habitat van bruin blauwtje, een soort van de Rode lijst. Schadelijke gevolgen voor bruin blauwtje zijn niet te voorkomen maar kunnen met maatregelen redelijkerwijs worden beperkt (zie Hoofdstuk 4).
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD, NIJMEGEN
TOETSING IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
21
3.4
Vissen
3.4.1
Functie van het plangebied voor beschermde soorten vissen De enige beschermde vissoort die in de omgeving voorkomt is de grote modderkruiper. De watergang in het plangebied is suboptimaal, omdat deze redelijk diep is en hier zijn ook geen waarnemingen van grote modderkruiper bekend. Het is echter niet uitgesloten dat de watergang een functie heeft als verbinding of suboptimaal leefgebied voor grote modderkruiper. Op grond van verspreidingsgegevens (NDFF) en het veldonderzoek wordt geconcludeerd dat het plangebied géén betekenis heeft voor overige beschermde soorten vissen.
3.4.2
Functie van het plangebied voor overige bedreigde of kwetsbare soorten vissen Op grond van verspreidingsgegevens (NDFF) en het veldonderzoek wordt geconcludeerd dat het plangebied géén betekenis heeft voor overige bedreigde of kwetsbare soorten vissen. In de omgeving zijn geen waarnemingen bekend van deze soorten en bovendien blijft de enige watergang in het plangebied bij de ingreep ongemoeid.
3.4.3
Bepaling van effecten en beoordeling in het kader van de Ow
Beschermde soorten De watergang heeft mogelijk een functie als verbinding of suboptimaal leefgebied van grote modderkruiper. Aan de watergang vinden geen werkzaamheden plaats waardoor effecten op beschermde soorten vissen als gevolg van de voorgenomen activiteit zijn uitgesloten. Daarmee zijn ook schadelijke handelingen in het kader van de Ow ten aanzien van beschermde soorten vissen uitgesloten. Overige bedreigde of kwetsbare soorten (Bijlage II, V en Rode lijst) Op basis van beschikbare informatie is beoordeeld dat er geen sprake is van schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde en/of bedreigde soorten vissen. Er zijn geen maatregelen nodig en nader onderzoek naar beschermde en/of bedreigde soorten vissen is niet nodig.
3.5
Amfibieën Alle inheemse soorten amfibieën zijn beschermd. Er is geen categorie ‘overige bedreigde of kwetsbare soorten’.
3.5.1
Functie van het plangebied voor beschermde soorten amfibieën
In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van de niet vergunningvrije rugstreeppad (NDFF). kamsalamander soorten en Alpenwatersalamander, Alpenwatersalamander is waargenomen ten zuiden van de Waal en is niet kieskeurig wat betreft voortplantingswater (zolang het maar niet snelstromend en visvrij is). Doordat de
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD, NIJMEGEN
TOETSING IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
22
watergang in het plangebied in verbinding staat met de Lentse Plas is deze niet visvrij, waardoor een functie van de watergang als voortplantingswater voor Alpensalamander is uitgesloten. Kamsalamander is verspreid waargenomen zowel ten noorden als ten zuiden van de Waal. Het voortplantingsbiotoop bestaat voornamelijk uit matig voedselrijke tot voedselrijke, stilstaande wateren met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie. Door het ontbreken van een goed ontwikkelde onderwatervegetatie en de aanwezigheid van vis is de watergang in het plangebied niet geschikt als voortplantingswater voor kamsalamander. Omdat voortplantingswater van Alpenwatersalamander en kamsalamander binnen en in de directe het plangebied ontbreekt is het plangebied ook niet geschikt als landhabitat. Rugstreeppad komt voor in Nijmegen Noord en plant zich voort in tijdelijke ondiepe wateren. Het braakliggend terrein is geschikt als leefgebied voor rugstreeppad en indien hier na regenval tijdelijke plassen ontstaan heeft het plangebied ook een functie als voortplantingswater voor deze soort.
Het plangebied vormt (geschikt) leefgebied voor algemeen voorkomende soorten amfibieën van het ‘Beschermingsregime andere soorten’, zoals veldmuis of egel, De watergang in het plangebied biedt geschikt voortplantingswater voor deze soorten, die weinig eisen stellen aan hun voortplantingswater.
3.5.2
Bepaling van effecten en beoordeling in het kader van de Ow
Het plangebied is mogelijk leefgebied van rugstreeppad. Als dit het geval is wordt met de ingreep leefgebied (voortplantingshabitat en landhabitat) vernietigd, wat een schadelijke handeling is onder de Ow (artikel 11.46, eerste lid, Bal). De rugstreeppad is opgenomen in het SMP-N (Martens & Krijt, 2019). Voor deze soort worden mitigerende en gebieds¬ gerichte maatregelen genomen, waardoor een vergunning niet nodig is (zie Hoofdstuk 4). Grond- en graafwerkzaamheden kunnen algemeen voorkomende amfibieën van het ‘Beschermingsregime andere soorten’ treffen. Voor deze soorten betreft het een vergunningvrij geval en is dus géén omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit nodig. Het betreft algemeen voorkomende soorten (lokaal, regionaal en landelijk) en het aantal dieren dat potentieel gemoeid is met de (lokale) ingreep is beperkt. De gunstige staat van instandhouding van deze soorten is daarom niet in het geding. Wél zijn maatregelen nodig in het kader van de specifieke zorgplicht (zie Hoofdstuk 4).
3.6
Reptielen Alle inheemse soorten reptielen zijn beschermd. Er is geen categorie ‘overige bedreigde of kwetsbare soorten’.
3.6.1
Functie van het plangebied voor beschermde soorten reptielen Op grond van verspreidingsgegevens (NDFF) en het veldonderzoek wordt geconcludeerd dat het plangebied géén betekenis heeft voor (beschermde soorten) reptielen. In de omgeving zijn geen waarnemingen bekend van beschermde soorten reptielen en bovendien ontbreken in het plangebied ei-afzetplekken en voldoende schuilplekken.
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD, NIJMEGEN
TOETSING IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
23
3.6.2
Bepaling van effecten en beoordeling in het kader van de Ow Aangezien het voorkomen van beschermde soorten reptielen in het plangebied kan worden uitgesloten, kunnen (negatieve) effecten op deze soortgroep als gevolg van de voorgenomen activiteit eveneens worden uitgesloten.
3.7
Grondgebonden zoogdieren Vrijwel alle soorten grondgebonden zoogdieren zijn beschermd. Uitzonderingen zijn mol, huismuis, bruine- en zwarte rat. Laatstgenoemde staat wel op de Rode lijst van Nederlandse zoogdieren (categorie bedreigd), maar komt slechts op een beperkt aantal plaatsen voor, het gebied van onderhavige studie behoort daar niet toe. We behandelen daarom hier alleen de beschermde soorten zoogdieren.
3.7.1
Functie van het plangebied voor beschermde soorten zoogdieren
In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van de niet vergunningvrije soorten bever, boommarter, bunzing, eekhoorn, hermelijn, otter, steenmarter en wezel (NDFF). Alleen van bever is een waarneming uit het plangebied zelf. In het plangebied is geen leefgebied van bever en otter aanwezig. De watergang is niet geschikt, omdat hier geen dekking aanwezig is en geen tot weinig voedselbomen voor bever langs de oevers staan. Er zijn ook geen sporen (burchten, wissels, holen) van deze soorten in het plangebied aangetroffen. Het plangebied heeft mogelijk wel een verbindende functie. Voor boommarter is het plangebied niet geschikt omdat de bomen in het plangebied geen geschikte holtes bevatten. Ook voor steenmarter is het plangebied niet geschikt als vaste rust- of verblijfplaats, omdat rommelhoekjes ontbreken en weinig dekking in het gebied is. Voor steenmarter heeft het plangebied mogelijk wel een essentiële verbindende functie. Voor eekhoorn is het plangebied ongeschikt omdat geschikte nest- en voedselbomen ontbreken. Ook ontbreken holtes in bomen waar eekhoorn een nest in zou kunnen hebben. Het plangebied is mogelijk wel leefgebied van kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn).
Alhoewel er weinig dekking in het plangebied aanwezig is en er nauwelijks muizenholletjes zijn waargenomen, is het niet uitgesloten dat zich in het plangebied een verblijfplaats van een van deze soorten bevindt. Ook heeft het plangebied voor hen mogelijk een verbindende functie. Daarnaast is het plangebied leefgebied voor algemeen voorkomende soorten zoogdieren van het ‘Beschermingsregime andere soorten’. In het plangebied zijn geen sporen waargenomen van de Rode lijst soorten konijn en haas. Zowel holen als uitwerpselen zijn niet waargenomen. Het plangebied wordt hoogstens incidenteel door deze soorten bezocht.
3.7.2
Bepaling van effecten en beoordeling in het kader van de Ow
Met de ingreep wordt mogelijk leefgebied van kleine marterachtigen (inclusief mogelijk een verblijfplaats) vernietigd wat een schadelijke handeling is onder de Ow (artikel 11.54, lid 1b, Bal). Kleine marterachtigen zijn opgenomen in hetSMP-N (Martens & Krijt, 2019). Voor
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD, NIJMEGEN
TOETSING IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
24
deze soorten worden mitigerende en gebiedsgerichte maatregelen genomen, waardoor een vergunning niet nodig is (zie Hoofdstuk 4). Daarnaast heeft het plangebied een verbindende functie voor bever, otter en marterachtigen. Voor deze soorten worden maatregelen geadviseerd (zie paragraaf 4.3). Grond- en graafwerkzaamheden kunnen algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren van het Beschermingsregime andere soorten treffen. Voor deze soorten betreft het een vergunningvrij geval en is dus géén omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit nodig. Het betreft algemeen voorkomende soorten (lokaal, regionaal en landelijk) en het aantal dieren dat potentieel gemoeid is met de (lokale) ingreep is beperkt. De gunstige staat van instandhouding van deze soorten is daarom niet in het geding. Wel zijn maatregelen nodig in het kader van de specifieke zorgplicht (zie Hoofdstuk 4).
3.8
Vleermuizen Alle soorten vleermuizen zijn beschermd. Er is geen categorie ‘overige bedreigde of kwetsbare soorten’.
3.8.1
Functie van het plangebied voor beschermde soorten vleermuizen
In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF). De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied is uitgesloten. In het plangebied staan namelijk geen gebouwen of bomen met holtes die potentie hebben als verblijfplaats voor vleermuizen. Het plangebied maakt mogelijk deel uit van het foerageergebied van vleermuizen, met name het zuidelijke grasland en de watergang zijn geschikt hiervoor. Omdat het een relatief kleine oppervlakte betreft tegenover een veel ruimer en geschikter foerageergebied dat in de omgeving ligt (uiterwaarden van de Waal en het eiland) betreft het geen essentieel foerageergebied. De watergang is eveneens geschikt als essentiële vliegroute voor vleermuizen. Dit geldt ook voor de spoorberm en de kade met de iepenlaan.
3.8.2
Bepaling van effecten en beoordeling in het kader van de Ow
De watergang, spoorberm en kade met iepenlaan zijn mogelijk essentiële vliegroutes voor vleermuizen. Deze structuren blijven bij de ingreep behouden. Wel wordt in het plangebied extra verlichting aangebracht. Bij het aanbrengen van deze verlichting dient rekening te worden gehouden met de aanwezige potentiële vliegroutes, zodat verblijfplaatsen in de omgeving kunnen blijven functioneren (zie Hoofdstuk 4).
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD, NIJMEGEN
TOETSING IN HET KADER VAN DE ' < .! ;
. .ïf : K
25
3.9
Vogels Alle soorten vogels zijn beschermd. Er is geen categorie ‘overige bedreigde of kwetsbare soorten’.
3.9.1
Functie van het plangebied voor beschermde soorten vogels Vogels met jaarrond beschermde nestplaats In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil en wespendief, allen vogels met een jaarrond beschermde nestplaats1. In het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig, waardoor nesten van gebouwbewonende vogels (zoals huismus en gierzwaluw) zijn uitgesloten. In de bomen in het plangebied zijn geen nesten van vogels met een jaarrond beschermd nest vastgesteld. In het verleden is in een boom in een tuin nabij het plangebied een steenuilnest vastgesteld. Het plangebied maakt deel uit van het foerageergebied van deze soort. Het plangebied maakt mogelijk ook onderdeel uit van het foerageergebied van overige soorten. Voor deze soorten geldt dat het een relatief klein gebied betreft t.o.v. de gemiddelde territoriumgrootte van deze soorten. Bovendien blijft er voldoende ruimte voor groen in het gebied met name rondom de watergang en aan de oostkant.
Daarnaast zijn ook waarnemingen bekend van soorten waarvan het nest jaarrond is beschermd als alternatieve nestlocaties ontbreken zoals patrijs, boerenzwaluw, ijsvogel en zwarte kraai. Van deze soorten zijn geen nestlocaties in het plangebied waargenomen. Voor patrijs zijn geschikte broedlocaties alleen nabij het spoortalud aanwezig, omdat hier voldoende begroeiing aanwezig is. Hier vinden geen werkzaamheden plaats. Voor boerenzwaluw zijn geen geschikte nestlocaties in het gebied aanwezig, omdat boerderijen en bebouwing ontbreken. Voor zwarte kraai en ijsvogel blijven na de ingreep voldoende alternatieve nestlocaties beschikbaar (in de bomen en in de oevers van de watergang), waardoor eventuele toekomstige nesten niet jaarrond beschermd zijn. Vogels waarvan de nestplaats niet jaarrond beschermd is Het plangebied vormt geschikt broedbiotoop van algemeen voorkomende vogels waarvan de nestplaats niet jaarrond beschermd is, zoals houtduif, heggenmus, meerkoet en wilde eend, vogels.
3.9.2
Bepaling van effecten en beoordeling in het kader van de Ow
Vogels met jaarrond beschermde nestplaats Met de ingreep wordt mogelijk essentieel foerageergebied van steenuil vernietigd, waardoor de nestplaats in de omgeving zijn functie kan verliezen. Dit is een schadelijke handeling onder de Ow (artikel 11.37 Bal, lid 1b). Steenuil is opgenomen in het SMP-N
1 Voor een aantal vogelsoorten geldt dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken. Deze soorten zijn op Rijksniveau en provinciaal niveau vastgesteld.
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD, NIJMEGEN
TOETSING IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
26
(Martens & Krijt, 2019). Voor deze soort worden mitigerende en gebiedsgerichte maatregelen genomen, waardoor een vergunning niet nodig is (zie Hoofstuk 4). Patrijs broedt mogelijk nabij het spoortalud. Hier vinden geen werkzaamheden plaats, waardoor negatieve effecten op deze soort zijn uitgesloten.
Vogels waarvan de nestplaats niet jaarrond beschermd is Grond- en graafwerkzaamheden in het broedseizoen kunnen ertoe leiden dat nesten van vogelsoorten die in gebruik zijn beschadigd raken of verlaten worden door de oudervogels als gevolg van verstoring. Hiervoor is geen vergunning mogelijk. Het vernietigen en verstoren van in gebruik zijnde nesten moet worden voorkomen (zie Hoofdstuk 4).
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD, NIJMEGEN
TOETSING IN HET KADER VAN DE ' < .! ;
. .ïf ! K
27
4 Maatregelen en nader onderzoek 4.1
Functie plangebied Bij het uitvoeren van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met beschermde, bedreigde en kwetsbare soorten. In dit hoofdstuk is op basis van Hoofdstuk 3 het volgende beoordeeld: Voor welke soorten heeft het plangebied een functie en kunnen nadelige gevolgen van de voorgenomen activiteit niet op voorhand worden uitgesloten? Voor welke soorten zijn er aanwijzingen dat ze binnen de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit voorkomen en is nader onderzoek nodig om schadelijke gevolgen en mogelijke maatregelen vast te stellen?
Zie Tabel 4.1 voor een overzicht. Tabel 4.1
Soorten binnen de invloedssfeer van de voorgenomen activiteit waarop de specifieke zorgplicht van toepassing is. Status: HR-Habitatrichtlijn, VRVogelrichtlijn, AS-andere soorten, OS-overige bedreigde of kwetsbare soorten (Bijlagell, V en RL). Status
Voorkomen
Grote leeuwenklauw
AS-Andere soorten
Mogelijk aanwezig: nader onderzoek nodig
Gegroefde veldsla
RL: Kwetsbaar
Mogelijk aanwezig: maatregelen geadviseerd
Graskers
RL: Gevoelig
Mogelijk aanwezig: maatregelen geadviseerd
Oosterse morgenster
RL: Kwetsbaar
Mogelijk aanwezig: maatregelen geadviseerd
Stijve wikke
RL: Kwetsbaar
Mogelijk aanwezig: maatregelen geadviseerd
Teunisbloempijlstaart
HR-Habitatrichtlijn
Mogelijk aanwezig: nader onderzoek nodig
Bruin blauwtje
RL: Gevoelig
Mogelijk aanwezig: maatregelen geadviseerd
Rugstreeppad
HR-Habitatrichtlijn
Mogelijk aanwezig: maatregelen uit SMP-N
Algemene amfibieën
AS-Andere Soorten
Mogelijk aanwezig: maatregelen geadviseerd
Kleine marterachtigen
AS-Andere soorten
Mogelijk aanwezig: maatregelen uit SMP-N
Algemene zoogdieren
AS-Andere soorten
Mogelijk aanwezig: maatregelen geadviseerd
Soort(groep)
Planten
Ongewervelden
Amfibieën
Grondgebonden
zoogdieren
Bever, otter,
Zowel HR-
Verbindingszone aanwezig: maatregelen
marterachtigen
Habitatrichtlijn als
geadviseerd
AS-Andere soorten
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD, NIJMEGEN
TOETSING IN HET KADER VAN DE ' :
.! ;
. .ïf ! K
Vleermuizen
HR-Habitatrichtlijn
Mogelijk aanwezig: maatregelen geadviseerd
Steenuil
VR-Vogelrichtlijn
Mogelijk aanwezig: matregelen uit SMP-N
Algemene broedvogels
VR-Vogelrichtlijn
Mogelijk aanwezig, preventieve maatregelen van toepassing
4.2
Nader onderzoek Voor de volgende soorten is nader onderzoek nodig om vast te kunnen stellen of ze in het plangebied voorkomen (Tabel 4.1). Uit het onderzoek moet blijken welke functies het plangebied heeft, of de uit te voeren activiteit schadelijke gevolgen heeft en een omgevingsvergunning nodig is en zo ja welke maatregelen noodzakelijk zijn om schadelijke gevolgen te voorkomen of te beperken. Grote leeuwenklauw Groeiplaatsen van grote leeuwenklauw dienen in kaart worden gebracht door een eenmalig veldbezoek in het bloeiseizoen (mei-augustus). Teunisbloempijlstaart
Voor teunisbloempijlstaart is nog geen protocol om de soort te onderzoeken. Geadviseerd wordt om onderzoek te doen naar de aanwezigheid van zowel waardplanten, imago’s als rupsen. Onderzoek naar waardplanten kan plaatsvinden tussen juni en augustus/ september. De aanwezigheid van rupsen kan het best onderzocht worden tussen eind juni en eind juli. Het onderzoek naar imago’s kan het beste plaatsvinden ’s nachts in de maanden mei en juni.
4.3
Maatregelen in het kader van vergunningplichtige gevallen De volgende preventieve maatregelen zijn noodzakelijk om schadelijke gevolgen voorkomen: Voor de rugstreeppad dienen de maatregelen uit het SMP-N te worden uitgevoerd (Marlens & Krijt, 2019). Samengevat dienen de werkzaamheden buiten de kwetsbare periode te worden uitgevoerd, o dat wil zeggen in augustus t/m begin oktober, worden werkzaamheden gefaseerd uitgevoerd, o worden dieren weggevangen en verplaatst en o wordt voldoende leefgebied gerealiseerd en in stand gehouden in Nijmegen o Noord om een duurzame instandhouding van de soort te waarborgen. Voor kleine marterachtigen dienen de maatregelen uit het SMP-N te worden nageleefd (Marlens & Krijt, 2019). Voor kleine marterachtigen realiseert de gemeente in Nijmegen Noord voldoende leefgebied, zoals omschreven in het SMP-N. De werkzaamheden dienen buiten de kwetsbare periode van kleine marterachtigen plaats te vinden, dat wil zeggen tussen september en februari.
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD, NIJMEGEN
TOETSING IN HET KADER VAN DE ' :
.! ;
. .ïf : K
29
Lichtuitstraling naar de watergang, het spoortalud en de kade (iepenlaan) dient voorkomen te worden, zodat de functie als verbinding voor grondgebonden zoogdieren en vleermuizen in stand blijft. Als op deze locaties toch lichtbronnen voorzien zijn, dienen deze de andere kant op te schijnen of afgeschermd te worden. Daarnaast kan rondom deze structuren gebruik worden gemaakt van vleermuisvriendelijke verlichting. Daarnaast wordt geadviseerd groenstructuren aan te brengen langs de watergang en het spoortalud. Voor steenuil dienen de maatregelen uit het SMP-N te worden uitgevoerd (Martens & Krijt, 2019). Werkzaamheden waarbij het leefgebied wordt beïnvloed worden zo veel mogelijk uitgevoerd buiten de kwetsbare periode van voortplanting (februari-juli). Daarnaast zorgt de gemeente voor voldoende leefgebied, zoals omschreven in het SMP-N. Om schadelijke gevolgen voor broedvogels te voorkomen worden kap-, snoei- en andere werkzaamheden die in gebruik zijnde nesten aantasten of wezenlijk kunnen verstoren buiten het broedseizoen uitgevoerd. Voor het broedseizoen geldt geen wettelijke standaardperiode. De lengte en de aanvang van het broedseizoen verschillen per soort. Globaal moet voor het broedseizoen rekening gehouden worden met de periode half maart tot half augustus. Voor grote leeuwenklauw en teunisbloempijlstaart wordt n.a.v.
het nader onderzoek bepaald of maatregelen noodzakelijk zijn.
4.4
Maatregelen in het kader van vergunningvrije gevallen In het kader van de specifieke zorgplicht moeten, voor zover dat redelijkerwijs kan worden gevergd, maatregelen genomen worden om de mogelijke gevolgen van de voorgenomen activiteit voor kwetsbare en bedreigde soorten te voorkomen of ongedaan te maken. In deze paragraaf worden maatregelen beschreven die in het kader van de specifieke zorgplicht genomen kunnen worden. Het is aan de initiatiefnemer om te bepalen welke maatregelen redelijkerwijs genomen worden. Vegetaties met bijzondere planten in kaart brengen. Groeiplaatsen van gegroefde veldsla, graskers, Oosterse morgenster en stijve wikke worden bij de werkzaamheden zoveel mogelijk ontzien. Het plangebied ongeschikt maken buiten de kwetsbare periode van bruin blauwtje. De kwetsbare periode is mei-september. Daarnaast in kaart brengen waar leefgebied aanwezig is en deze locaties zoveel mogelijk behouden. Werkzaamheden in één richting uitvoeren zodat aanwezige dieren de gelegenheid hebben te vluchten. Geadviseerd wordt het terrein waar geen woningen zijn voorzien, te behouden als kruidenrijk grasland. Dit zorgt voor behoud van leefgebied en broed-/ foerageerbiotoop van bruin blauwtje en vogels, waaronder patrijs. Werkzaamheden starten buiten de kwetsbare voortplantingsperiode van zoogdieren en amfibieën. Dat wil zeggen de werkzaamheden starten tussen september en februari.
Dit is tevens buiten het broedseizoen van vogels.
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD, NIJMEGEN
TOETSING IN HET KADER VAN DE ' < .! ;
. .ïf : K
30
5 Conclusie en aanbevelingen 5.1
Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit Op grond van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de uit te voeren activiteit mogelijk schadelijke gevolgen heeft voor de grote leeuwenklauw (artikel 11.54 Bal lid 1c) en de teunisbloempijlstaart (artikel 11.46 Bal lid 1d). Nader onderzoek is nodig om de functie van het plangebied voor beide soorten te bepalen. Mogelijk is voor deze twee soorten een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig.
Daarnaast heeft het plangebied mogelijk een functie voor rugstreeppad, kleine marterachtigen en steenuil, waardoor schadelijke gevolgen voor deze soorten niet uitgesloten zijn. Deze soorten zijn opgenomen in het SMP-N. De gemeente Nijmegen neemt maatregelen om een duurzame instandhouding van deze soorten te waarborgen. Een vergunning is niet nodig. Daarnaast dienen negatieve effecten op de verbindende functie voor grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en algemene broedvogels voorkomen te worden door het nemen van preventieve maatregelen (zie Hoofdstuk 4). Als deze maatregelen worden getroffen, zijn schadelijke handelingen op deze soorten uitgesloten.
5.2
Maatregelen om te voldoen aan de specifieke zorgplicht In het kader van de specifieke zorgplicht moeten redelijkerwijs maatregelen genomen worden om de mogelijke gevolgen voor beschermde, kwetsbare of bedreigde soorten te beperken of ongedaan te maken. In Hoofdstuk 4 zijn de maatregelen beschreven die in het kader van de specifieke zorgplicht genomen kunnen worden. Het is aan de initiatiefnemer om te bepalen welke maatregelen redelijkerwijs genomen (kunnen) worden.
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD, NIJMEGEN
TOETSING IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
31
6 Literatuur . 2021. Quickscan Wet natuurbescherming te kappen bomen Hoge Bongerd, Nijmegen. Notitie met kenmerk 21-0677/21.07056/GerHo. Waardenburg Ecology, Culemborg. Informatiekaart Natuur. https://atlas.bij12.nl/WebViewer/index.html?viewer=ikn_pub. Geraadpleegd op 29 augustus 2024.
2019. Soortenmanagementplan Nijmegen - De Waalsprong. Kenmerk D190080965. 4 februari 2019. Gemeente Nijmegen.
NDFF. www.ndff.nl. Geraadpleegd op 29 augustus 2024.
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD, NIJMEGEN
TOETSING IN HET KADER VAN DE '
.'. .! ;
. .ïf : E
32
Bijlage I
Toetsingskader beschermde soorten Omgevingswet
In deze Bijlage worden de relevante onderdelen van de Ow ten aanzien van soortenbescherming samengevat. De teksten zijn grotendeels ontleend aan de ‘Handreiking Toelichting natuurbescherming onder de Omgevingswet’ van het Netwerk Groene Bureaus. Voor de teksten van de Ow verwijzen we naar: wetten.overheid.nl In Bijlage I van dit rapport wordt nader ingegaan op het toetsingskader voor een flora- en fauna-activiteit Flora- en fauna-activiteit Een ‘flora- en fauna-activiteit’ in de Ow is een: ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Er is al sprake van een ‘flora- en faunaactiviteit’ als het een mogelijk gevolg heeft voor één in het wild levend dier of plant, ongeacht of deze soort beschermd is volgens de Ow. Als er sprake is van een flora- en fauna-activiteit, dient onder andere rekening te worden gehouden met de regels in art. 11.27 Bal (specifieke zorgplicht) en de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal (vergunningplicht bij schadelijke handelingen, regels vergunningvrije gevallen). Hoewel de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal alleen betrekking hebben op de bij wet beschermde soorten, gelden art. 11.27 en 11.28 (voorkomen onnodig lijden van dieren) ook met betrekking tot de niet-beschermde soorten.
Specifieke zorgplicht In het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen voor onder meer alle ‘flora- en faunaactiviteiten’ die vrijwel alle ruimtelijke activiteiten betreft (art. 11.27 Bal). Deze specifieke zorgplicht komt in de plaats van de algemene zorgplicht die in de Wnb stond. Iedereen die een flora- en fauna-activiteit uitvoert, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, indien dat niet mogelijk is beperken of ongedaan maken (art. 11.27, 1e lid Bal). In het tweede lid staat de nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht. De specifieke zorgplicht houdt in ieder geval in dat voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van beschermde soorten en soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn. Deze soorten betreffen in Nederland van nature voorkomende: Vogelrichtlijn-soorten zoals genoemd in Bijlage I Vrl en niet in die Bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, 2e lid Vrl.voorkomen Habitatrichtlijn-soorten als opgenomen in Bijlage II, IV en V HrL Dieren of planten die zijn opgenomen op de Rode lijsten. Nationaal beschermde soorten (Bijlage IX Bal). Ook de voor bovengenoemde soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats vallen onder de specifieke zorgplicht.
De kern van de zorgplichtbepaling voor flora- en fauna-activiteiten is dat als er sprake is van nadelige gevolgen op in het wild voorkomende soorten, deze, indien redelijkerwijs kan
QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VOOR DE HOGE BONGERD, NIJMEGEN
TOETSING IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET
33
worden gevergd, moeten worden voorkomen, beperkt of ongedaan worden gemaakt. Ook in art. 11.27, tweede lid wordt verwezen naar passende preventieve maatregelen of passende herstelmaatregelen. Tijdens en na het verrichten van de activiteit moet worden nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben (dus: monitoring).
In art. 11.27, tweede lid onder b Bal wordt aangegeven dat er moet worden ‘vastgesteld’ of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten. Daarnaast zijn de overige voorwaarden in het tweede lid onder c t/m f zodanig concreet dat in deze bewoording kan worden gelezen dat er aantoonbaar aan deze voorwaarden moet worden voldaan, zeker ook met in het achterhoofd dat de specifieke zorgplichten in de Ow zowel bestuurlijk als strafrechtelijk kunnen worden gehandhaafd. Om aantoonbaar aan de voorwaarden van de specifieke zorgplicht te hebben voldaan, is het noodzakelijk dat de toetsing aan de zorgplichtbepalingen in een quickscan of nader onderzoek wordt vastgelegd. Interpretatie specifieke zorgplicht Het Bal geeft aan waaruit de specifieke zorgplicht in ieder geval bestaat. De reikwijdte van de specifieke zorgplicht is op dit moment nog niet duidelijk. De formulering van de specifieke zorgplicht laat veel ruimte voor interpretatie die (nog) niet nader ingevuld is door provincies. De interpretatie van de reikwijdte van de specifieke zorgplicht van Waardenburq Ecoloqy is gebaseerd op expert judgement en het voorstel van Hunink (20231).
Rode lijst soorten(groepen) Wij richten ons in de natuurtoets, naast beschermde soorten, in principe op ‘dieren en planten' van de Rode lijsten (zoals letterlijk benoemd in de Ow), dus niet op niet-dierlijke of niet-planten zijnde soorten organismen, zoals paddenstoelen en korstmossen. Daarbij worden de volgende statussen van de Rode lijst meegenomen: gevoelig, kwetsbaar, bedreigd en ernstig bedreigd. Uitgangspunt is daarbij dat de specifieke zorgplicht een focus vergt op de mogelijke nadelige gevolgen op de staat van instandhouding van soorten en niet zozeer op nadelige gevolgen voor ieder exemplaar afzonderlijk. Onderzoeksinspanning Iemand die een flora- en fauna-activiteit wil verrichten op een plek, moet controleren of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de buurt kwetsbare of bedreigde soorten voorkomen. Onduidelijk is welke onderzoeksinspanning verricht moet worden. Waardenburg Ecology vult deze onderzoeksverplichting in door het raadplegen van de NDFF en een habitatgeschiktheids-beoordeling.