Bestemmingsplan Nijmegen Ressen - 1 (Woonzorgcomplex Hoeksehofstraat 9)
Tekst van het document
om de Stationsgebied, NYMA, Hof van Holland, Waalkade, Valkhofkwartier, Vlaams Kwartier, en Burchtstraat/Augustijnenstraat. Sterke campussen De komende jaren blijven we investeren in de clusters Health & high Tech om nieuwe banen te creëren. We willen ruimte bieden aan nieuwe bedrijven en meewerken aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Dit doen we mede door te investeren in uitstraling en kwaliteit en door de mogelijkheden voor intensivering en functiemenging op campussen te onderzoeken. De Novio Tech Campus, Campus Heyendaal en de binnenstad zijn sterke campussen in Nijmegen. We omarmen het kanaal We zien een samenballing van opgaven rondom het Maas-Waalkanaal. Hier zien we kansen voor intensivering en transformatie in de huidige woongebieden in Dukenburg, Lindenholt, Neerbosch-Oost, Hatert, groene gebieden en de werkgebieden Winkelsteeg en Oost-Kanaalhavens. Door de Kanaalzone tot ontwikkeling te brengen werken we o.a. aan een betere verbinding van Dukenburg en Lindenholt met de rest van de stad en geven we de bestaande wijken rondom het kanaal een impuls. De transformatieopgave vraagt om verdere verkenning en onderzoek.
In relatie tot de beoogde ontwikkeling in het plangebied is het volgende beleid uit deze Omgevingsvisie relevant “een compacte dynamische stad”. Door de realisatie van zorgwoningen wordt ingespeeld op een groeiende zorgbehoefte door de vergrijzing. Daarnaast is het concept vernieuwend waardoor ook de partner van de zorgbehoevende in het complex welkom is.
3.3.2
Conclusie
Als we de voorgenomen ontwikkeling toetsen aan de omgevingsvisie en de bijdrage van de ontwikkeling aan de doelen dan kunnen we het volgende concluderen: De voorgenomen ontwikkeling levert een significante bijdrage aan de 4 grote opgaven. Doordat er op het betreffende perceel zowel ruimte wordt geboden aan de groei van een bestaand bedrijf als aan het bieden van woonzorgvoorzieningen aan dementerenden worden bijdragen geleverd aan zowel de economisch veerkrachtige stad als aan een sociale en gezonder stad. Het eerste doordat er ruimte wordt geboden aan het uitbreiden van een bestaand bedrijf en daarmee een bijdrage aan economische veerkracht. Het laatste doordat er ruimte wordt
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Ressen - 1 (Woonzorgcomplex Hoeksehofstraat 9)
35
geboden aan een specifieke doelgroep die in een sociale samenhang gehuisvest gaat worden en zo een bijdrage levert aan welbevinden en gezondheid van de betreffende bewoners. Hierdoor ontstaat een aantrekkelijk woonmilieu voor een specifieke doelgroep. Zo wordt ook een bijdrage geleverd aan de aantrekkelijke stad. Verder is, in sociaal opzicht, ook sprake van een duurzame stad omdat een duurzame plek wordt geboden aan dementerenden (passend bij de levensfase van de doelgroep en daarmee sociaal duurzaam). Daarbij is ook sprake van een goede en groene inpassing en worden zonnepanelen en andere duurzame oplossingen meegenomen in de voorgenomen ontwikkeling. Ten aanzien van duurzaamheid, als algemeen begrip, is ook het feit dat de uitbreiding van het groothandelsbedrijf, vanuit de filosofie van de exploitant (Orgeional), ruimte biedt aan lokale en regionale toeleveranciers (zie eerder in de toelichting) en daarmee een bijdrage levert aan het verminderen van CO2 uitstoot een mooi voorbeeld van een duurzaam initiatief. Zo wordt op alle fronten voldaan aan hetgeen de gemeentelijke omgevingsvisie beoogt. Daarmee is de voorgenomen ontwikkeling passend binnen het gemeentelijke beleid.
36
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Ressen - 1 (Woonzorgcomplex Hoeksehofstraat 9)
Hoofdstuk 4 4.1
Sectorale aspecten
Vormvrije m.e.r. beoordeling
Bij ruimtelijke plannen en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu dient te worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. Het wettelijk kader voor de m.e.r. is hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en het daarbij behorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In het Besluit m.e.r. is geregeld voor welke plannen en besluiten die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken daadwerkelijk een m.e.r.-(beoordelings)procedure doorlopen moet worden dan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd. Bij het toetsen van plannen en besluiten aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: 1.
2.
3.
4.
De activiteit(en) die het plan of besluit mogelijk maakt, komt niet voor in of kan niet worden beschouwd als een activiteit zoals opgenomen in kolom 1 van onderdeel C (Clijst) of D (D-lijst) van de bijlage van het Besluit m.e.r. Er geldt geen m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-plicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit is het uitvoeren van een m.e.r. verplicht; a. M.e.r. is verplicht bij een plan als: het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor volgens de Wet milieubeheer een project-m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling verplicht is. of als de ontwikkelingen binnen het plan mogelijk tot significante gevolgen leiden voor Natura 2000-gebieden waardoor een Passende beoordeling nodig is. b. M.e.r. is verplicht bij een project: als de activiteit die mogelijk wordt gemaakt is opgenomen in kolom 1 van de Clijst. als de omvang van de activiteit de drempelwaarde van kolom 2 van de C-lijst overschrijdt. en er een besluit als genoemd in kolom 4 van de C-lijst nodig is.
Een formele m.e.r.-beoordelingsplicht: indien sprake is van een formele beoordelingsplicht, dan moet het bevoegd gezag (aan de hand van de criteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling) met een m.e.r.-beoordelingsbesluit beoordelen of de voorgenomen activiteit (door de initiatiefnemer bij bevoegd gezag gemeld in de vorm van een aanmeldnotitie) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben c.q. of belangrijke gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Indien belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen belangrijke nadelige milieugevolgen wel worden uitgesloten, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. Er is sprake van een formele m.e.r.-beoordelingsplicht als de voorgenomen activiteit: a. voorkomt/beschouwd kan worden als een activiteit in kolom 1 van de D-lijst, en b. groter is dan de drempelwaarde in kolom 2 van de D-lijst, en c. mogelijk gemaakt wordt door een besluit in kolom 4 van de D-lijst (indien de activiteit mogelijk wordt gemaakt door een plan in kolom 3, dan geldt een planm.e.r.-plicht).
Een 'vormvrije' m.e.r.-beoordelingsplicht: indien sprake is van een vormvrije m.e.r.beoordeling, dan moet het bevoegd gezag (aan de hand van de criteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling) met een m.e.r.-beoordelingsbesluit ook beoordelen of de voorgenomen activiteit (door de initiatiefnemer bij bevoegd gezag gemeld in de vorm van een aanmeldnotitie) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Ressen - 1 (Woonzorgcomplex Hoeksehofstraat 9)
37
hebben c.q. of belangrijke gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Indien belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, dan moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of kan direct worden gekozen voor een m.e.r. Als belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu wel kunnen worden uitgesloten, dan volstaat de vormvrije m.e.r.-beoordeling en is het een milieueffectrapportage niet nodig. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling als de voorgenomen activiteit: a. voorkomt/beschouwd kan worden als een activiteit in kolom 1 van de D-lijst, en b. kleiner is dan de drempelwaarde in kolom 2 van de D-lijst, en c. mogelijk gemaakt wordt door een besluit in kolom 4 van de D-lijst.
Onderzoek en conclusie In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn in dit hoofdstuk diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Uit de afweging is gebleken dat er geen negatieve milieueffecten zijn te verwachten, waardoor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling of MER niet aan de orde is.
4.2
Bedrijven en milieuzonering
Algemeen Bij het toepassen van milieuzonering is er voor gekozen om gebruik te maken van de algemeen aanvaarde richtlijn in dit kader; de in 2009 verschenen VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" (de VNG-brochure). Hierin wordt per bedrijfscategorie (hier wordt de SBI-code uit 2008 aangehouden) aangegeven welk type milieuaspect invloed op een hiervoor gevoelig object heeft. In de VNG brochure worden hiertoe minimale afstanden aangehouden voor geur, stof, geluid en gevaar. Vervolgens wordt aan de hand van de aan te houden bepalende minimale afstand (de zgn. "richtafstand"), gewogen hoe groot deze invloed is bij een "normaal" bedrijf in de betreffende bedrijfscategorie, uitgaande van de representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Het gaat bij de VNG-brochure om afstanden tussen milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies (zie blz. 25 van de VNG-brochure). Door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) wordt in diverse uitspraken (o.a. 201304417/1/R1, 201500977/1/R6 en 200608883/1) invulling gegeven aan wat milieugevoelige functies zijn. In een aantal uitspraken is de AbRvS (o.a. 201307970/1/R2) ingegaan op het gebruik van richtafstanden uit de VNGbrochure voor gevallen waar de brochure eigenlijk niet op ziet (zoals beoordeling onderlinge hinder tussen bedrijven, blz. 71 e.v.).
De Afdeling meent dat ook in die gevallen de richtafstanden uit de brochure een indicatie kunnen vormen voor het antwoord op de vraag of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De richtafstanden uit de VNG-brochure worden in dit bestemmingsplan ook als zodanig toegepast. Naast de afstandseisen uit de VNG-brochure moet uiteraard ook rekening worden gehouden met overige milieuhinder die aan de orde kan zijn bij bepaalde bedrijfscategorieën, waaraan speciaal overheidsbeleid en hierop gerichte jurisprudentie nadere invulling geven. Hierdoor wordt ook rekening gehouden met hinder die buiten de kaders van de VNG-brochure valt, zoals bijvoorbeeld de afstanden die dienen te worden aangehouden bij percelen waar gewasbeschermingsmiddelen gebruikt kunnen worden, of geluidhinder als gevolg van menselijk stemgeluid. Hoewel ook ten aanzien hiervan geen wettelijke normen bestaan, en dus gemeentelijke beleidsvrijheid bestaat ten aanzien van de wijze waarop met de zgn. "spuitzones" en "menselijk stemgeluid" wordt omgegaan, wordt deze vrijheid mede vorm gegeven door de vele jurisprudentie die hierover reeds is verschenen. Door de aanwezigheid van een aantal drukke wegen, verschillende bedrijven en het spoor
38
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Ressen - 1 (Woonzorgcomplex Hoeksehofstraat 9)
Arnhem-Nijmegen, maar ook door de mogelijke aanwezigheid van functies waar veel mensen kunnen verblijven, kan het gehele plangebied en de directe omgeving worden gekenschetst als "gemengd gebied". Op basis van de VNG-brochure en mogelijk van toepassing zijnde hogere regelgeving kan worden vastgesteld dat rondom de aanwezige en geprojecteerde bedrijven onderstaande afstanden aangehouden moeten worden. Bestaande bedrijven in en rond het plangebied: Melkveehouderij / Oregional (Hoeksehofstraat 9) Op basis van het geldende bestemmingsplan geldt voor het plangebied een agrarische bestemming. Voorheen was op deze locatie een melkveehouderij gevestigd waarvoor volgens zowel de VNG-brochure als de Wet geurhinder en veehouderij een afstand van 100 meter afstand naar gevoelige objecten gold. Binnen de inrichting vond ook nog opslag plaats van mest en gier in een gesloten bassin van 700 m2. Ook voor dit bassin diende conform het Activiteitenbesluit een afstand van 100 meter in acht te worden genomen. Het melkvee is verplaatst naar het bedrijf van de initiatiefnemer in Friesland waardoor geen sprake meer is van een melkveehouderij op deze locatie en verder voorziet het voorliggende bestemmingsplan ook in beëindiging van het agrarische bedrijf ter plaatse. Dit betekent, qua milieuzonering, dat de afstandsnorm van 100 meter niet meer geldt.
De omliggende gronden zijn in 1998 door de gemeente Nijmegen opgekocht om de ontwikkelingen ten zuiden van het plangebied mogelijk te maken. In overleg tussen gemeente en de eigenaar van het bedrijf is bepaald dat alleen nog lichte agrarische functies (maximaal milieucategorie 2) zullen worden toegestaan, zoals opslag ten behoeve van fruitteelt. Een groothandelsbedrijf kan ook worden aangemerkt als een milieucategorie 2 bedrijf. Gelet op de afstand tussen de bedrijfsactiviteiten van het groothandelsbedrijf voor groente en fruit en de zorgappartementen is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. De rapportage is als bijlage 2 opgenomen bij het bestemmingsplan (kenmerk 21-139). In het onderzoek is onderzocht welke geluidbelasting ontstaat op de nieuw te bouwen zorgvoorziening ten gevolge van het groothandelsbedrijf. In het akoestisch onderzoek is onderzocht of aan de eisen uit de VNG-brochure kan worden voldaan, zodat zowel een goed woon- en leefklimaat wordt gewaarborgd als voldoende akoestische ruimte resteert voor het groothandelsbedrijf. Daartoe worden de activiteiten van het bedrijf gemodelleerd en de geluidbelasting op de omgeving berekend en getoetst aan de richtwaarde van 45 dB(A) voor woongebieden. De activiteiten bij de inrichting omvatten de aan- en afvoer en het laden/lossen van producten. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT t.g.v.
alle activiteiten bij het bedrijf bedraagt in de immissiepunten 1 - 4 bij de nieuwe woningen hooguit 10 dB(A) overdag, 25 dB(A) in de avond en 11 dB(A) in de nacht. Daarmee worden de richtwaarden niet overschreden. De maximale geluidniveaus LAmax t.g.v. de transporten bedragen in de immissiepunten bij de woningen hooguit 40 dB(A) overdag, 54 dB(A) in de avond en 43 dB(A) in de nacht. Daarmee worden de richtwaarden niet overschreden. De richtwaarden voor de langtijdgemiddeld en maximale geluidniveaus worden bij de zorgappartementen niet overschreden; daarmee is een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd. Het bedrijf wordt niet beperkt aan haar bedrijfsvoering; aan de eisen uit het Activiteitenbesluit kan ruimschoots worden voldaan.
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Ressen - 1 (Woonzorgcomplex Hoeksehofstraat 9)
39
De 50-dB(A)-contour t.g.v. verkeer van en naar de inrichting ligt op minder dan 2 m van de wegas. De geluidbelasting op de woningen langs de weg – binnen de invloedssfeer van het bedrijf - ligt onder de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Fruitteeltbedrijf (Zwarteweg 3) De teelt van fruit valt onder SBI-code 1.24, de afstand die moet worden aangehouden naar bedrijfsgebouwen van bedrijven die onder deze SBI-code vallen, wordt in de VNG-brochure, naar gemengd gebied (categorie 2) aangegeven als 10 meter. Deze afstand wordt (ruim) gehaald naar de gronden waarop de nieuwe ontwikkelingen worden geprojecteerd. Er dient echter ook rekening te worden gehouden met spuitzones rondom fruitboomgaarden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft immers (onder meer in haar uitspraak van 23 september 2009, in zaak nr. 200900570/1/R2), dat zij een afstand van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk acht. De te ontwikkelingen functies moeten, blijkens de meest recente jurisprudentie dienaangaande worden gezien als "gevoelige objecten", immers bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen wordt geen onderscheid gemaakt tussen woningen en bedrijfsgebouwen, waar mensen langdurig verblijven en daarmee een grotere kans lopen op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen (o.a.
200709071/1 (Groningen) en 201402301/1/R3 (Houten)). De grens van het plangebied ligt op ruim 65 meter afstand van het fruitteeltperceel. Daarmee is voldoende rekening gehouden met de spuitzone. Bouwmarkt en tuincentrum Ten zuiden van het plangebied is een bouwmarkt planologisch mogelijk. Een bouwmarkt is ingedeeld in SBI-code 47.52.8, waarvoor een categorie 2 wordt aangehouden in de VNG-brochure. Voor een bouwmarkt geldt dus een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied naar een "gevoelig object". Ten aanzien van een rustige woonwijk zou een afstand van 30 meter (vanwege de in de VNG-brochure opgenomen richtafstand voor geluid) moeten worden aangehouden. Aan de richtafstand wordt ruimschoots voldaan. De bouwmarkt en tuincentrum vormen geen belemmering voor het beoogde initiatief. Tankstation Ten zuiden van het plangebied is een tankstation gevestigd. Tankstations zonder LPG zijn in de VNG-brochure benoemd onder SBI-code 473.3 en vallen in milieucategorie 2, op basis van het geluidsaspect. Datgene wat hierboven uiteen is gezet voor de bouwmarkt geldt onverkort ook voor het tankstation, waarbij een afstand van 10 meter dient te worden aangehouden. Hierbij is echter nog geen rekening gehouden met het feit dat vanaf de tijd van de opstelling van de laatste druk van de VNG-brochure en nu, het zgn. "onbemande tankstation" een flinke opmars heeft gemaakt.
Wanneer een dergelijk onbemand tankstation mogelijk wordt gemaakt, dient rekening te worden gehouden met het feit dat voor dergelijke tankstations vergunningplicht aan de orde is, wanneer geen minimale afstand van 20 meter wordt aangehouden tussen een afleverzuil waar aflevering zonder direct toezicht mogelijk is en diverse "gevoelige objecten", zoals woningen, maar ook restaurants, hotels, winkels en bedrijfsgebouwen (volledige lijst is na te zien in categorie 5.4, onder e. van onderdeel C van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht). Wanneer deze vergunningplicht aan de orde is dienen ook andere afstanden vanuit het tankstation te worden aangehouden. Ook het afleverpunt en de goot nabij de pomp moeten dan op ten minste 6 meter van een object van derden staan opgesteld. Maar ook de afstand tot de opstelplaats van de tankwagen voor bevoorrading is dan relevant. Planologisch is er zowel een onbemand als een bemand tankstation mogelijk. Aan de richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Het tankstation vormt geen belemmering voor het beoogde initiatief.
40
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Ressen - 1 (Woonzorgcomplex Hoeksehofstraat 9)
Restaurant Restaurants zijn te plaatsen onder SBI-code 56.1, waardoor ze in de VNG-brochure vallen onder milieucategorie 1. Dit betekent dat in een rustige woonwijk 10 meter moet worden aanhouden naar gevoelige objecten en er in gemengd gebied geen afstandseis geldt. Als zodanig hebben zij alleen invloed op de andere geplande inrichtingen doordat er sprake is van een "gevoelig object". Conclusie milieuzonering In dit bestemmingsplan is rekening gehouden met de aan te houden afstanden die voortvloeien uit de VNG-brochure. Indien noodzakelijk is hiervoor in het bestemmingsplan aanvullende regeling opgenomen. Gezondheid Gezondheid wordt bepaald door persoonlijke factoren en omgevingsfactoren. De omgevingsfactoren worden onder meer beïnvloed door de activiteiten in het bestemmingsplangebied en inpassing van het plangebied in de (woon)omgeving. In de hierboven beschreven ordeningssystematiek wordt het aspect gezondheid niet rechtstreeks genoemd. De huidige bestemmingsplansystematiek biedt geen instrumenten om voor dit aspect een integraal formeel bindend kader op te stellen. De door de VNG gehanteerde bedrijfscategorie-indeling is wel op de belangrijkste omgevingsfactoren (hinder door geluid, stof, luchtverontreiniging en bestrijdingsmiddelen en externe veiligheid) gericht en geeft daarmee een basis voor het verantwoorden van gezondheidsaspecten in het bestemmingsplan.
Concluderend kan worden gesteld dat binnen dit plan gezondheidsaspecten voldoende zijn afgewogen.
4.3
Geluid
Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) moet bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg. Het plangebied en daarmee de zorgwoningen liggen binnen de geluidzone van de Prins Mauritssingel (N325/A325). Er is daarom een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage is als bijlage 3 bij de toelichting opgenomen (kenmerk 21-138). De geluidbelasting op de ontwikkeling door wegverkeer op de N325/A325 bedraagt ten hoogste 52 dB na aftrek van 2 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee overschreden. Voor de geluidbelasting door wegverkeer op de N325/A325 zijn hogere waarden nodig. De geluidbelasting door alle wegen samen bedraagt 54 dB zonder aftrek. Het verlagen van de geluidbelasting op de zorgwoningen door het treffen van maatregelen aan de bron is niet mogelijk omdat de weg is voorzien van een stil wegdek. De zorgwoningen worden al door de tussenliggende bebouwing afgeschermd van de weg. Aanvullende afscherming van alle woonlagen stuit op landschappelijke bezwaren.
Voor de zorgwoningen kan door de gemeente Nijmegen een hogere waarde worden verleend van ten hoogste 52 dB voor wegverkeer op de N325/A325 conform tabel III.2, welke is opgenomen in het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. De ontwikkeling voldoet aan de criteria van de gemeente
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Ressen - 1 (Woonzorgcomplex Hoeksehofstraat 9)
41
Nijmegen voor verlenen van hogere waarden. Het ontwerpbesluit Hogere Waarden wordt tegelijkertijd met het ontwerpbestemmingsplan in procedure gebracht. Bij het bepalen van de benodigde geluidwering mag geen aftrek plaatsvinden ex. artikel 110-g Wgh. De maximale geluidbelasting op de gevels bedraagt 54 dB zonder aftrek. De benodigde geluidwering GA,k bedraagt dan 21 dB(A). Voor geluidbelaste gevels, met een geluidbelasting van meer dan 53 dB zonder aftrek, zijn aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig.
4.4
Luchtkwaliteit
Bij toetsing van een ruimtelijk plan op luchtkwaliteit moet conform regelgeving gelet worden op de volgende 2 aspecten: a. b.
het plan als veroorzaker van verkeer en daardoor bron van slechte luchtkwaliteit; het plan als te beschermen object tegen slechte luchtkwaliteit.
Ad a. In het onderhavige plan bestaat het voornemen om een groothandelsbedrijf uit te breiden en zorgcomplex met 57 zorgappartementen en dagbesteding te realiseren. De netto verkeersaantrekkende werking van deze wijziging veroorzaakt geen verslechtering van de luchtkwaliteit van 3% of meer. Daarmee valt de wijziging binnen de grenzen van het Besluit Niet In Betekende Mate Bijdragen en hoeft geen nader onderzoek plaats te vinden. Ad b. De woningen zijn gevoelige functies omdat er langdurig wordt verbleven. Ter hoogte van het plan zijn de concentraties stikstofdioxide en fijn stof niet hoger dan de grenswaarden (tot 25 µg/m3 stikstofdioxide).
4.5
Geur
Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de omgeving van het plangebied zijn geen agrarische bedrijven (of andere bedrijven) met een geuruitstraling gevestigd. In de omgeving van het plangebied zijn geen agrarische bedrijven (of andere bedrijven met een geuruitstraling) gevestigd. Het aspect 'geur' zorgt daarom ook niet voor belemmeringen in dit plan.
4.6
Externe veiligheid
De gemeente heeft de wettelijke plicht externe veiligheid mee te wegen in de besluitvorming over ruimtelijke ontwikkelingen. In deze afweging is het van belang de risico's te beschouwen die ontstaan door inrichtingen vallend onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Tevens word het plangebied beoordeeld op risicovolle transportroutes volgens het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en buisleiding risico's volgens het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Voor het plaatsgebonden risico (PR) zijn grenswaarden voor kwetsbare objecten aangegeven en richtwaarden voor beperkt kwetsbare objecten. Het groepsrisico (GR) dient verantwoord te worden. De volgende risicobronnen hebben invloed op het bestemmingsplan gebied.
42
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Ressen - 1 (Woonzorgcomplex Hoeksehofstraat 9)
Risicobronnen: het spoor Nijmegen-Arnhem; de Betuweroute; de routering vervoer gevaarlijke stoffen gemeente Nijmegen (N325, Prins Mauritssingel); hogedruk aardgastransportleiding A524 en A533; Container Uitwisselpunt Valburg (CUP).
Toetsing aan Plaatsgebonden risico (PR) Onder het Plaatsgebondenrisico (PR) wordt verstaan de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een gevarenbron bevindt, overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen van die bron. Voor het plaatsgebonden risico zijn grenswaarden (PR10-6) als toetsingswaarden aangegeven voor kwetsbare objecten en richtwaarden voor beperkt kwetsbare objecten. Daar waar gesproken wordt van een PR contour wordt de PR10-6 contour bedoeld. Het plangebied ligt niet binnen een PR10-6 contour. De verantwoording van het groepsrisico Het groepsrisico geeft de kans weer op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers binnen het invloedsgebied van de beschouwde risicobron. Het groepsrisico dient verantwoord te worden. Voor de verantwoording van het groepsrisico rond bedrijven geldt een ander afwegingskader dan de verantwoording van de risico's rond transportroutes. Bij de conclusie worden alle risico's integraal afgewogen ten opzichte van de planontwikkeling. CUP Valburg Het Container Uitwisselpunt Valburg (CUP) betreft een emplacement waarop treinen met gevaarlijke stoffen kunnen worden gerangeerd. Op de landelijke risicokaart is een invloedsgebied van het CUP aangegeven van 3000 meter vanaf een centraal punt van het rangeerterrein.
Indien echter vanaf het meest oostelijke deel van het emplacement de afstand tot het plangebied wordt gemeten dan is de afstand ongeveer 2100 meter. Een incident waarbij een gifwolk vanaf het emplacement het plangebied bereikt is zeer onwaarschijnlijk, maar echter niet geheel uit te sluiten. In de beleidsvisie van de gemeente Nijmegen (Beleidsvisie externe veiligheid Nijmegen, februari 2014) is een verantwoordingsniveau 3 afgesproken. Hier volstaat dan ook een verwijzing naar de standaard verantwoording die staat opgenomen in de beleidsvisie externe veiligheid (Beleidsvisie Nijmegen, februari 2014). Transportrisico's Het vervoer van gevaarlijke stoffen in de omgeving van het plangebied leidt tot risico's in het plangebied. Naast het plangebied worden gevaarlijke stoffen vervoerd over het spoor van Nijmegen naar Arnhem, de Betuweroute, de N325/Prins Mauritssingel en door twee hogedruk aardgastransportleidingen (A533 en A524). Het spoor Nijmegen-Arnhem Op ongeveer 250 m ten westen van het plangebied ligt de spoorlijn van Nijmegen naar Arnhem. Hierover worden gevaarlijke stoffen vervoerd van de categorieën A, B2 C3, D3 en D4 respectievelijk 700, 200, 1050, 50 en 50 wagons per jaar. In het Bevt is een aandachtgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord dient te worden (200 meter).
Buiten deze zone dient in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Het plangebied ligt buiten deze 200 meter zone.
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Ressen - 1 (Woonzorgcomplex Hoeksehofstraat 9)
43
Betuweroute De Betuweroute ligt op ongeveer 1300 meter van het plangebied. In het Bevt is een aandachtgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord dient te worden (200 meter). Buiten deze zone dient in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Het plangebied ligt buiten deze 200 meter zone. De ongevalsscenario's die het plangebied kunnen bereiken dragen niet bij aan een toename van het groepsrisico. In de beleidsvisie is hiervoor een standaardverantwoording opgesteld. Hier is ook ingegaan op de elementen zoals beschreven in artikel 7 van het Bevt. Routering vervoer gevaarlijke stoffen over N325 Het plangebied ligt langs de N325 (Prins Mauritssingel). Over de N325 worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over deze weg leidt tot relatief lage externe veiligheidsrisico's voor de omgeving (zie ook beleidsvisie). De weg wordt gebruikt ter bevoorrading van langs de weg gelegen risicovolle inrichtingen. Vervoerde stoffen zijn voornamelijk brandbare vloeistoffen (LF1/2) met een invloedsgebied van 30 meter en een beperkte hoeveelheid brandbaar gas (GF3) met een invloedsgebied van ongeveer 300 meter. Op basis van een telling van Rijkswaterstaat van 2007 kan worden ingeschat dat het vervoer van (zeer) brandbare vloeistoffen 1000 wagens in totaal is en van zeer brandbare gassen (GF3) 130 wagens.
Volgens de Handreiking Risicoanalyse Transport (HART, juni 2014) is er met de aangegeven transporthoeveelheden geen sprake van een PR 10-6 contour. Ook ligt volgens het HART het groepsrisico onder de 10% van de oriëntatiewaarde. Een volledige verantwoording volgens Bevt artikel 8, lid 2 is niet noodzakelijk. De ontwikkeling ligt buiten het invloedsgebied van een plasbrand (30 meter). De verwachte toename aan bevolking in het invloedsgebied van de weg is dusdanig gering dat dit plan nauwelijks invloed heeft op de hoogte van het groepsrisico. Ook is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden vele malen kleiner dan 1/1.000.000. Gezien het beperkt risico van de weg zijn aanvullende veiligheidsmaatregelen voor de risico's van de weg niet realistisch. Aardgastransportleiding Het plangebied ligt buiten de 100% lethaalcontour van de hogedruk aardgastransportleidingen A533 en A524. Het gehele plangebied valt buiten de 1% lethaal contour. Beide gasbuisleidingen liggen op ongeveer 600 meter van het plangebied en hebben een invloedgebied van 540 meter aan weerszijde van de leiding en een 100% lethaal gebied van 210 meter.
Dit laatste wil zeggen dat indien de leiding breekt er een fakkelbrand ontstaat waardoor iedereen op een afstand van 210 meter van de breuk komt te overlijden ten gevolge van de grote hittestraling van meer van 35 kW per m2. Deze grote gasbuisleidingen worden echter zeer goed beschermd tegen corrosie en andere risico's op leidingbreuk. De kans op zo'n leidingbreuk is dan ook zeer klein. Advies Brandweer Gelderland-Zuid Op 3 oktober 2022 adviseerde de Brandweer Gelderland-Zuid over de beoogde ontwikkeling (bijlage 10). De brandweer constateerde dat de huidige bluswatervoorziening onvoldoende is en niet voldoet aan het bouwbesluit. Op advies van de brandweer wordt er een extra bluswatervoorziening gerealiseerd in het noorden van het plangebied. Daarnaast is binnen het plangebied voor beide erven voorzien in een opstelplaats voor de brandweer.
44
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Ressen - 1 (Woonzorgcomplex Hoeksehofstraat 9)
Conclusie Er ligt geen plaatsgebonden risico (PR) contour over het plangebied. De risico's in het plangebied ten gevolge van het toevoegen van een woon/ zorgcomplex nemen niet toe. Het plangebied is gelegen buiten de 100 % letaalgrens van de aardgasleidingen. De toename van het groepsrisico is aanvaardbaar. Er wordt binnen het plangebied voorzien in een extra bluswatervoorziening op advies van de brandweer.
4.7
Bodem
In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald, dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening moet worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen moet worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. Voor de gevallen waarin de bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, bepaalt de Wet bodembescherming dat de grond zodanig moet worden gesaneerd, dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen moeten bij voorkeur op schone grond worden gerealiseerd. Beoordeling De aanleiding tot het bodemonderzoek wordt gevormd door de voorgenomen bestemmingsplanprocedure en ontwikkeling van de locatie. Doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie en nagaan of er mogelijke gebruiksbeperkingen bestaan in relatie tot het beoogde gebruik. De rapportage van de uitgevoerde onderzoeken zijn als bijlagen 4 en 4a (kenmerk K21004381 en K2220238) bij het bestemmingsplan opgenomen. Conclusies Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden:
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Ressen - 1 (Woonzorgcomplex Hoeksehofstraat 9)
45
de bodem bestaat afwisselend uit klei- of zandlagen; de bodem op de locatie is plaatselijk in de bovengrond zwak of matig baksteen- of betonhoudend of bestaat uit brokken baksteen.
Gedempte watergang de bodem ter plaatse van de gedempte watergang is matig baksteenhoudend (mengmonster W03) of zwak kooldeeltjes houdend (mengmonster W02); de bodem ter plaatse van de gedempte watergang bevat zintuiglijk geen afwijkingen (mengmonster W01); analytisch zijn in grondmengmonster W01 en W03 geen verhoogde gehalten boven de achtergrondwaarde aangetoond; in grondmengmonster W02 is analytisch een sterk verhoogd gehalte nikkel en licht verhoogde gehalten kobalt, koper, lood en zink aangetoond; na de uitsplitsing van W02 zijn geen verhoogde gehalten nikkel meer aangetroffen.
Druppelzones zowel visueel als analytisch is geen asbest aangetroffen ter plaatse van de druppelzones.
Vml. boomgaard tijdens de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk geen afwijkingen in de bodem waargenomen; analytisch zijn geen verhoogde gehalten organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’s) aangetoond boven de achtergrondwaarde ter plaatse van de voormalige boomgaard.
Overig terrein in het grondmengmonster MMBG04, bestaande uit de bodemlaag met bijmenging onder de asfaltverharding, is een matig verhoogd gehalte nikkel aangetoond en licht verhoogde gehalten kobalt, kwik, lood, PAK (10 VROM) en PCB. na uitsplitsing van het grondmengmonster MMBG04 is analytisch in boring 15-1 (0,150,65 m-mv) een sterk verhoogd gehalte nikkel aangetoond. In boring 39-1 (0,14-0,40 mmv) is analytisch een matig verhoogd gehalte nikkel aangetoond. In de overige boringen, behorende bij grondmengmonster MMBG04, zijn licht verhoogde gehalten of géén verhoogde gehalten aangetoond boven de achtergrondwaarde. analytisch is in het grondmengmonster MMOG09, bestaande uit kleilagen, een sterk verhoogd gehalte barium aangetoond en licht verhoogde gehalten kobalt en nikkel; na uitsplitsing van grondmengmonster MMOG09 zijn geen verhoogde gehalten barium meer aangetroffen; in de overige boven- en ondergrondmengmonster zijn (plaatselijk) licht verhoogde gehalten kobalt en nikkel aangetoond of zijn geen verhoogde gehalten boven de achtergrondwaarde aangetroffen; analytisch (indicatief mengmonster puingrond onder verharding)) is een (zeer) licht verhoogd gehalte asbest aangetroffen (3,49 mg/kg d.s.). De waarde overschrijdt de waarde voor nader onderzoek (50 mg/kg) niet.
Hier zijn aanvullend onderzoek dan wel sanerende maatregelen niet nodig; in het grondwater van peilbuis 01 en 02 zijn licht verhoogde gehalten barium en naftaleen aangetoond. In peilbuis 03 is een licht verhoogd gehalte barium aangetoond. In peilbuis 04 is een sterk verhoogd gehalte barium aangetoond en een licht verhoogd gehalte naftaleen; na herbemonstering is ook een sterk verhoogd gehalte barium aangetoond (2600 ug/l) boven de streefwaarde.
46
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Ressen - 1 (Woonzorgcomplex Hoeksehofstraat 9)
Het terrein is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit niet geschikt voor het voorgenomen gebruik. Aanbevelingen Op de locatie zijn ter plaatse van boring 15 (bodemlaag 15-65 m-mv) en boring 39 (bodemlaag 1440) analytisch sterke (boring 15) en matige (boring 39) verontreinigingen met nikkel aangetoond. Boring 15-1 bestaat uit een zandlaag, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, sterk kiezelhoudend, zwak baksteenhoudend en zwak betonhoudend. Boring 39-1 bestaat uit een zandlaag, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, sterk kiezelhoudend, zwak betonhoudend en brokken baksteen. Beide boringen zijn geplaatst onder de aanwezige asfalt verhardingslaag. Het advies van het onderzoeksbureau is om een nader onderzoek uit te voeren naar de omvang van de verontreiniging met nikkel. Aan de hand van het nader onderzoek kan bepaald worden of er sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging en of er sanerende maatregelen noodzakelijk zijn. Met betrekking tot de verontreiniging met barium in het grondwater ter plaatse van peilbuis 04 is formeel een nader onderzoek naar de omvang en herkomst van de grondwaterverontreiniging noodzakelijk. Er zijn echter geen bronnen bekend welke een verontreiniging met barium in het grondwater veroorzaakt kunnen hebben. Daarnaast komt in zandgronden vaker een verhoogd gehalte barium voor. Dit kan van nature aanwezig zijn.
Het is derhalve niet noodzakelijk om een nader onderzoek uit te voeren naar de verontreiniging met barium in het grondwater. Planning Voorgesteld wordt om het nader onderzoek uit te voeren nadat op de gehele locatie een onderzoek is uitgevoerd naar NGE. Als het nader onderzoek vooraf uitgevoerd wordt, zullen onnodige extra kosten gemaakt moeten worden voor het vrijgeven van de boorpunten. Gezien de verwachting is dat de verontreinigingen beperkte spots zijn en derhalve geen ernstig geval van bodemverontreiniging betreffen, wordt voorgeteld om nadat het nader onderzoek is uitgevoerd, hiervoor een plan van aanpak op te stellen en in te dienen bij de gemeente Nijmegen / Omgevingsdienst Regio Nijmegen. Nadat dit plan is goedgekeurd, kunnen de saneringswerkzaamheden gelijktijdig met de sloop van de locatie worden uitgevoerd. Kosten Gezien de verwachtte relatief beperkte spots, wordt op basis van ervaring ervan uitgegaan dat de saneringskosten niet meer bedragen van € 7.500,- per spot. De totale saneringskosten worden hiermee ingeschat op maximaal € 15.000,- excl. BTW. Na uitvoering van het bovengenoemde nader onderzoek kan een definitieve opgave gemaakt worden. Geadviseerd wordt in overleg met het bevoegd gezag (Omgevingsdienst Regio Nijmegen) de eventuele vervolgstappen te bepalen. De volledige rapportages 4 en 4a zijn als bijlagen opgenomen.
4.8
Water
Beleid Voor de ruimtelijke aspecten heeft het Nationaal Waterplan de status van structuurvisie. Hierin zijn water en ruimtelijke ontwikkelingen geïntegreerd conform de Wet ruimtelijke ordening, de
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Ressen - 1 (Woonzorgcomplex Hoeksehofstraat 9)
47
Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Bouwbesluit 2012 en de Waterwet. In het Besluit ruimtelijke ordening is de watertoets verankerd. Algemeen Het plangebied maakt deel uit van de bestaande waterhuishoudkundige inrichting van het gebied Ressen. Voor dit gebied zijn het Gemeentelijk Rioleringsplan Nijmegen 2017 tot en met 2023, het Waterhuishoudkundig Inrichtingsplan Waalsprong (2009) en de nota Afkoppelen en infiltreren hemelwaterafvoer (2013) relevant. Er vinden wel wijzingen plaats als gevolg van de voorgenomen bestemming. Voor dit plan is verder het Waterhuishoudkundig- en rioleringsplan relevant. Onderstaande kaart uit het Waterhuishoudkundig Inrichtingsplan Waalsprong toont de verschillende deelgebieden. Het plangebied ligt tussen de deelgebieden 2 en 9 aan de oostzijde van de Prins Mauritssingel.
48
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Ressen - 1 (Woonzorgcomplex Hoeksehofstraat 9)
Het beleid van het waterschap Rivierenland is beschreven in het waterbeheerprogramma 2022-2027. Daarnaast beschikt het waterschap over een verordening, de Keur voor waterkeringen en wateren. Daarin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op waterkeringen en watergangen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in of nabij waterkeringen of watergangen kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden worden getoetst aan de beleidsregels. Oppervlaktewater Langs het plangebied ligt een watergang. Voor de afvoer van het water uit het plangebied in noordelijke richting naar de Linge zorgt een A-watergang (de Visveldse Zeeg of Bovenzeeg). Deze ligt aan de oostzijde van het plangebied tussen het fietspad en de appelboomgaard en liep vroeger door tot in Lent. Met de aanleg van de plassen en de woonwijk Visveld en Laauwik is deze watergang onderbroken. Eveneens in noordelijke richting liggen aan weerszijden van de huidige weide twee C-watergangen, waarvan de westelijke zorgt voor de afvoer van het hemelwater dat afstroomt van het gedeelte van de Prins Mauritssingel ten noorden van het Keizer Augustusplein. Voor de realisatie van dit plan blijft de oppervlakte verharding nagenoeg gelijk. Onderstaande figuur toont een gedeelte van de legger wateren van het waterschap Rivierenland.
Het watersysteem in het plangebied blijft los staan van de singels en de plassen in het overige deel van de Waalsprong. De A-watergang langs het plangebied heeft een streefpeil van NAP +8,15m. Voor het plangebied geldt een afvoernorm van 1,5 l/s per hectare. Grondwater Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Uitgangspunt bij nieuwe stedelijke in- en uitbreidingen is dat grondwaterneutraal gebouwd wordt. Dat wil zeggen dat de oorspronkelijke grondwaterstanden en stromen in de omgeving niet wijzigen. Dit kan bereikt worden door: een grondwatergerelateerde locatiekeuze (bijvoorbeeld geen stedelijke uitbreidingen in gebieden met (kans op) hoge grondwaterstanden); maatregelen bij bouwrijp maken en tijdens de bouw (bijvoorbeeld ophogen, goede structuur
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Ressen - 1 (Woonzorgcomplex Hoeksehofstraat 9)
49
van het oppervlaktewatersysteem, voorkomen verdichting bodemstructuur); een waterbestendig bouwkundig ontwerp van woningen en gebouwen (bijvoorbeeld geen kruipruimtes). Om grondwateroverlast in bestaand stedelijk gebied te beperken zet de gemeente in eerste instantie in op bouwkundige maatregelen. Pas als dit onvoldoende soelaas biedt komen drainerende of onttrekkende oplossingen in beeld. Afvalwater Het plangebied is gelegen in de gemeente Nijmegen maar grenst aan de gemeente Lingewaard. In overleg met de gemeente Lingewaard kan er aangesloten worden op het riool van de gemeente Lingewaard. De kosten voor deze aansluiting zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Hemelwater Vanuit het Bouwbesluit 2012 geldt de verplichting om vuilwater en hemelwater op een verantwoorde manier te verwerken. Afvalwater moet verplicht op de openbare riolering aangesloten worden. Hemelwater moet op eigen terrein verwerkt worden. De gemeente Nijmegen hanteert bij het duurzaam omgaan met hemelwater de nota 'Afkoppelen en infiltreren hemelwater' (herziene versie 2013). Bij de infiltratie van hemelwater dient waar mogelijk conform het convenant Duurzaam bouwen in het KAN 2000, gebruik te worden gemaakt van duurzame bouwmaterialen. Waar nieuwe verharde oppervlakken worden gerealiseerd, kan het hemelwater niet langer in de bodem infiltreren. Daardoor treedt een versnelde afvoer van het hemelwater op.
De versnelde afvoer van hemelwater moet gecompenseerd worden. Dit gebeurt meestal door het graven van nieuwe wateren of het verbreden van bestaande wateren. Deze wateren moeten aan bepaalde voorwaarden voldoen. Het doel van de compensatiemaatregelen is het beperken van de afvoer van water vanuit het plangebied tot de maatgevende afvoer van het landelijk gebied. In het plangebied geldt een landelijke afvoer van 1,5 l/s per hectare. Voor plannen met meer dan 500 m2 verhard oppervlak en directe lozing op het oppervlaktewater moet een waterhuishoudkundig plan bij het waterschap worden ingediend. Aan de lozing van water stelt het waterschap eisen. Voor plannen met meer dan 500 m2 extra verharding in stedelijk gebied is compenserende waterberging nodig. Voor het hemelwater, dat afstroomt van de overige verhardingen, is een vorm van zuivering vereist. Deze zuivering moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het water in oppervlaktewater niet negatief beïnvloed wordt. In het plangebied wordt voormalige agrarische bebouwing en mestkelders gesloopt. Ook wordt er veel verharding verwijderd. Het plangebied is in de huidige situatie bijna volledig verhard, circa 10.500 m² (zie onderstaande afbeelding).
50
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Ressen - 1 (Woonzorgcomplex Hoeksehofstraat 9)
Gelet op de sloop en daarmee de vermindering van verharding zijn compenserende maatregelen niet noodzakelijk. Het verhard oppervlak blijft nagenoeg gelijk (toekomstige verharding en bebouwing blijft onder de 10.000 m²). Het hemelwater wordt geborgen in het plangebied middels een poel / wadi en wordt geïnfiltreerd in de bodem, zoals beschreven in het inrichtingsplan (bijlage 1).
4.9
Flora en Fauna
Om te bepalen of deze ontwikkeling negatieve effecten kan veroorzaken voor beschermde natuurwaarden is in 2014 en 2015 onderzoek uitgevoerd in het plangebied. Aangezien deze onderzoeken inmiddels verouderd zijn en per 1 januari 2017 de Wet Natuurbescherming in werking is getreden, is het plangebied opnieuw onderzocht . Beleid Soortenmanagementplan Nijmegen de Waalsprong (SMP-N) Het SMP-N is een eigen plan van de gemeente waarin zij aangeeft hoe in de ontwikkelgebieden van de Waalsprong wordt omgegaan met de daar voorkomende soorten i.c. de steenuil, ransuil, kerkuil, buizerd, roek, grote modderkruiper, rugstreeppad en poelkikker. Op basis van het SMP-N is een zogenoemde gebiedsontheffing soorten Wet natuurbescherming (Wnb) verkregen. Deze ontheffing is alleen mogelijk als in de eindsituatie een duidelijke 'plus' voor (beschermde) soorten wordt gecreëerd. Op 8 mei 2019 heeft Gedeputeerde Staten van Gelderland besloten om de gevraagde ontheffing te verlenen. Door uitvoering van het SMP-N wordt bewust een plus voor de natuur gecreëerd in de groenstructuur en in de gebouwen. Op die manier wordt ook de natuurbeleving van mensen in hun woonomgeving versterkt. Groenstructuur, landschappelijke zone
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Ressen - 1 (Woonzorgcomplex Hoeksehofstraat 9)
51
Zowel voor de ontwikkel- als de eindfase geeft het SMP-N de ambitie en de integrale aanpak om te komen tot een duurzame instandhouding van op dit moment in het gebied de Waalsprong voorkomende beschermde diersoorten. Daartoe wordt de landschappelijk zone rondom de meer stedelijke woningbouwlocaties van de Waalsprong zodanig ingericht en beheerd dat er kansen worden geboden voor de beschermde soorten en er voor biodiversiteit in algemene zin een plus wordt behaald. Wijzigingsbesluit kleine marterachtigen Omdat de kleine marterachtigen bunzing, hermelijn en wezel niet in een gunstige staat van instandhouding verkeren heeft de provincie Gelderland besloten om deze soorten niet meer te laten vallen onder een vrijstelling van de Omgevingsverordening. Deze soorten zijn vanaf 1 maart 2019 geregeld via een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). Vandaar dat een wijzigingsaanvraag is ingediend voor het opnemen van de kleine marterachtigen in het SMPN en de gebiedsontheffing via een wijzigingsbesluit. Op 28 oktober 2020 is dit besluit verkregen. Natuurinclusief bouwen Bij nieuwe ontwikkelingen ontstaan ook kansen voor natuur in de stad. Het bewust aanbrengen van schuil- en nestgelegenheden aan nieuwe gebouwen is een kans die veelal eenvoudig benut kan worden. Ook groene tuinen en groene daken dragen hieraan bij. Nijmegen is een van de groenste steden van Nederland.
Niet alleen door de aanwezigheid van veel groen, maar ook vanwege de groene bestuurlijke ambities. In de stad moet duurzaam met oppervlaktewater worden omgegaan en moet een prettig leefklimaat zijn. Groen in het algemeen is goed voor het welzijn van bewoners. Door natuurinclusieve maatregelen wordt de leefomgeving voor gebouwbewonende diersoorten verbeterd en de biodiversiteit bevorderd. Ook hebben de maatregelen effect als anti-mug en anti-stress en geven belevingswaarden. Toolbox natuurinclusief ontwikkelen en bouwen Om het natuurinclusief bouwen in de Waalsprong nader te specificeren, is de “Toolbox natuurinclusief ontwikkelen en bouwen, Leidraad voor de Waalsprong” opgesteld. Deze toolbox is op 4 februari 2020 vastgesteld door het college. De toolbox is een uitwerking van het SMP-N en moet worden ingezet bij iedereen die wil bouwen in de Waalsprong. Iedere bouwer is verplicht nestvoorzieningen voor de gewone dwergvleermuis, de gierzwaluw en de huismus te integreren in de bebouwing. Met de toolbox kan via een aantal stappen worden vastgesteld hoeveel nestvoorzieningen er binnen een specifiek bouwproject aangelegd moeten worden. De toolbox bevat ook groene maatregelen; alleen nestgelegenheid is onvoldoende als er geen voedselbronnen zijn voor de dieren. Deze Toolbox is door middel van een voorwaardelijke verplichting in de planregels, verplicht gesteld.
Beschermde soorten Het plangebied is op 24 mei 2022 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Het volledige rapport is als bijlage 5 opgenomen (kenmerk 4381). Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de bescherming van het NNN, omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk geen externe werking kent. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten,
52
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Ressen - 1 (Woonzorgcomplex Hoeksehofstraat 9)
kan een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied, niet op voorhand uitgesloten worden. Gezien de relatief grote afstand tot Natura 2000-gebieden en de beperkte uitstraling van de werkzaamheden en activiteiten, zijn negatieve effecten op Natura 2000gebieden op voorhand niet te verwachten. Zorgvuldigheidshalve is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor zowel de gebruiksfase als de realisatiefase om na te gaan of de ontwikkeling tot een toename van stikstofdepositie op gevoelige Natura 2000gebieden leidt. Deze berekeningen zijn als bijlagen 5a, 5b en 5c opgenomen. Uit de rekenresultaten van Aerius-calculator is gebleken dat als gevolg van onderhavig project zowel in de gebruiksfase als in de realisatiefase geen sprake is van stikstofdeposities op de omliggende Natura 2000- gebieden hoger dan 0,00 mol/ha/j. Stikstofemissie afkomstig van onderhavig project heeft geen significant negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende Natura 2000-gebieden. Het aspect stikstof in relatie tot Natura 2000 vormt geen belemmering voor de realisatie. Daarnaast is geen (natuur)vergunning op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk omdat geen sprake is van een depositie hoger dan 0,00 mol/ha/j.
Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust_of verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Het plangebied is geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Van de meeste in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Nesten van boomkruipers vallen onder ‘categorie 5 jaarrond beschermde nesten’. Er zijn echter geen ecologisch zwaarwegende redenen om te veronderstellen dat boomkruipers geen alternatieve nestlocatie kan vinden. Deze soort beschikt over voldoende flexibiliteit om zich elders in of rondom het plangebied te vestigen.
Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels; Geen beschermde zoogdieren en amfibieën doden.
4.10 Cultuurhistorie en archeologie Cultuurhistorie In het bestemmingsplangebied zijn de volgende cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig (zie ook onderstaande kaart): boerderij De Hoeksehof (Hoeksehofstraat 9) is een statige T-boerderij. De boerderij staat op de aandachtslijst. De Hoeksehofstraat vormt een historische structuur, maar deze weg valt net buiten het plangebied; het open gebied rondom de boerderij de Hoeksehof (Hoeksehofstraat 9) herinnert nog aan
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Ressen - 1 (Woonzorgcomplex Hoeksehofstraat 9)
53
het oorspronkelijke cultuurlandschap van dit gebied en biedt zicht op beschermd dorpsgezicht Ressen. Ten zuiden van het plangebied is nog de oude bebouwing aangegeven. Dit gebied heeft echter alleen archeologische waarden in de ondergrond.
Cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan Binnen het plangebied komen geen gebouwde rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten, stadsbeeldobjecten of identiteitsbepalende objecten voor. De boerderij aan de Hoeksehofstraat 9 staat op de aandachtslijst cultureel erfgoed en blijft behouden. Met de landschappelijke inpassing blijft het gebied rondom de boerderij aan de Hoeksehofstraat 9 open en is er een overgangszone tussen het nieuwe stedelijke gebied van de Waalsprong en het beschermd dorpsgezicht Ressen. Archeologie Beleid Archeologische uitgangsprincipes Archeologie is binnen de planologie een conserverende waarde. Immers, archeologie is een niet
54
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Ressen - 1 (Woonzorgcomplex Hoeksehofstraat 9)
aanvulbare waarde, wat wil zeggen wat eenmaal vernietigd is, nooit meer hersteld kan worden. Vandaar dat de omgang met archeologie zo op behoud is gericht. Behoud, bij voorkeur in situ, staat voorop, en dit principe zien we op elk niveau van archeologiebeleid terug. De wens om archeologie in situ te behouden heeft verschillende achtergronden. Ten eerste het uitgangspunt dat de natuurlijke conservering de beste is en ten tweede dat archeologie in zijn context begrepen moet worden. Een archeologische vondst, of het nu een voorwerp of een structuur is, is een drager van informatie, in relatie tot zijn omgeving. Het zal altijd iets kunnen zeggen over de lokale geschiedenis, vaak over de regionale geschiedenis en soms ook over de nationale geschiedenis of zelfs internationale geschiedenis. Archeologie zonder context heeft duidelijk aan waarde verloren. Een derde uitgangspunt is de aanname dat toekomstige generaties mogelijk betere vormen van archeologisch onderzoek zullen hebben. Typerend voor gravend archeologisch onderzoek is dat het onderzoek het onderzoeksobject vernietigt: je kunt het maar eenmaal onderzoeken. Dit verklaart de nadruk op het goed documenteren van wat er tijdens het onderzoek aangetroffen wordt, zowel in het veld als nadien bij de uitwerking. Vandaar de hoop dat door nieuwe technieken dit mogelijk zal veranderen.
Zouden we nu alles opgraven dan kan men later nooit meer onderzoek doen. Een vierde en niet onbelangrijk punt is de economische kant van archeologisch onderzoek. Dit kan erg duur zijn, waardoor bijvoorbeeld de economische haalbaarheid van een plan in het geding kan komen. Maatregelen om de bodem niet of maar beperkt te verstoren zijn dan ook economisch zinvol. Archeologie geeft inzicht in de (lokale) geschiedenis, en kan een belangrijke identiteitsdrager zijn. Het streven is om cultuurhistorische waarden, waaronder archeologie, mee te nemen bij inrichtingsplannen. Gebieden met een grote cultuurhistorische waarde hebben naast een grote leefbaarheid vaak ook een hogere economische waarde. Rijksbeleid Met de ondertekening van het Verdrag van Valletta (Malta) in 1992 is in Nederland de beleidsmatige zorg voor het archeologisch bodemarchief aanzienlijk toegenomen. In het verdrag staat: Archeologische waarden dienen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed te worden meegenomen en te worden ontzien bij de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke plannen. Mocht bescherming onvoldoende mogelijk zijn dan dient, volgens dit verdrag, de informatie te worden onttrokken aan de bodem via archeologisch onderzoek. Uitgangspunt hierbij is dat de initiatiefnemer van de verstoring van het bodemarchief de kosten van het onderzoek dient te dragen.
Inmiddels zijn de uitgangspunten van het Verdrag in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988 via de wijzigingswet Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMz, 1-9-2007). Provinciaal beleid De provincies hebben nog maar een beperkte rol als het om archeologie gaat. Door de Monumentenwet 1988 is de rol van het rijk en de provincies sterk afgenomen, ten gunste van de gemeenten. Deze zijn verantwoordelijk voor het opnemen van archeologie in bestemmingsplannen en voor het daarvan afgeleide vergunningenstelsel. De provincie Gelderland kent een groot belang toe aan goed archeologisch beleid op gemeentelijk niveau en heeft daarom de instelling van regioarcheologen gefaciliteerd, zodat vrijwel alle Gelderse gemeenten kunnen beschikken over gedegen archeologische ondersteuning bij het opstellen en uitvoeren van archeologisch beleid. Daarnaast heeft de provincie voor een drietal grotere regio's zogenaamde kennisagenda's laten opstellen, om zo de bestaande kennis en kennislacunes inzichtelijk te maken.
vastgesteld bestemmingsplan Nijmegen Ressen - 1 (Woonzorgcomplex Hoeksehofstraat 9)
55
De provincie heeft van het Rijk ook een rol gekregen bij het juridisch beschermen van erfgoederen met uitzonderlijke universele waarde. Dit is geregeld via het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Van belang voor het plangebied is daarbij de Romeinse Limes. De provincie Gelderland heeft de opdracht om de kernkwaliteiten en het begrenzen van deze zone nader uit te werken. Dit is verwerkt in de provinciale Omgevingsverordening Gelderland, waar de Limes aan bod komt (art. 2.7.6). De bedoeling is de Romeinse Limes voor te dragen voor de status van UNESCO Werelderfgoed. Een bestemmingsplan voor gronden die onderdeel uitmaken van de Romeinse Limes maakt geen activiteiten mogelijk die de kernkwaliteiten van de Limes aantasten. De toelichting van een bestemmingsplan bevat een beschrijving van de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden, het door de gemeente te voeren beleid en de onderbouwing hiervan. Een klein gedeelte in het noordoosten van het plangebied valt onder de Limes (zie onderstaand kaartje). Hier vinden echter geen ontwikkelingen plaats.
Gemeentelijk beleid Het archeologiebeleid van de gemeente Nijmegen is er, in overeenstemming met de Erfgoedwet, op gericht om het bodemarchief zoveel mogelijk te ontzien. Indien dat niet mogelijk is, wordt voorafgaande aan de bodemverstoring archeologisch onderzoek verricht. De wijze van onderzoek wordt bepaald op basis van de vast te stellen archeologische waarden en de aard en omvang van de bodemingrepen. De archeologische (in bredere zin: cultuurhistorische) kennis die hierbij wordt vergaard, levert informatie op die mede als inspiratiebron kan dienen voor het ontwerp van een gebouw of bij het inrichten van de openbare ruimte. Zo kan het 'verhaal van de plek' ook door toekomstige generaties nog worden gelezen. De Structuurvisie voor Nijmegen uit 2013 legt nadrukkelijk een koppeling tussen