Bestemmingsplan Nijmegen Lindenholt - 3 (Sint Agnetenweg)
Tekst van het document
bestemmingsplan Nijmegen Lindenholt - 3 (Sint Agnetenweg)
27
De bebouwing zou in de eerste plannen gerealiseerd worden buiten de externe veiligheidscontour van de gasleiding. Dit eerste plan is aan de buurt voorgelegd. Dit stuitte op veel weerstand wegens aantasting van de privacy. In overleg met de buurt is naar een voor hen betere oplossing gezocht. Die is gevonden in de huidige vormgeving en ligging van het complex waarbij direct zicht op de tuinen sterk verminderd is en de afstand tot het gebouw en de tuinen wordt vergroot Hiermee kwamen echter enkele van de appartementen (deels) in de externe veiligheidscontour te liggen. Het gaat hierbij om een geringe ligging binnen de contour zoals zichtbaar op onderstaande figuur (oranje stippellijn is de veiligheidscontour gasleiding).
De locatie wordt nu gebruikt voor de opslag van materialen van een aannemer. Hoewel dit geen overlast oplevert is dit binnen een woonomgeving niet het meest aangewezen gebruik. De solitaire ligging van het plangebied zorgt voor een rust die goed past bij de beoogde beschermde woonvorm; het biedt de mogelijk een oase van rust te creëren. Ruimtelijke veiligheidsmaatregelen Het complex gaat voor zorg ingezet worden, naar verwachting zijn dit dementerende ouderen. Gedurende de dagperiode en een deel van de avond verblijven deze bewoners niet in hun appartement. Dagelijks verblijf, activiteiten en de gezamenlijke maaltijden zullen plaatsvinden in de huiskamers die centraal in het complex komen en die niet in de veiligheidscontour liggen. Ook is gekeken naar de vluchtwegen. De hoofdontsluiting bevindt zich buiten de veiligheidscontour. Omdat het complex bereikbaar is via één ontsluitingsweg voor de hulpdiensten wordt een extra vluchtweg gerealiseerd. Er zal vanaf de zijde van het complex die is gericht op het kanaal een voetgangersbrug aangelegd worden zodat bewoners op twee manieren uit het gebouw geëvacueerd kunnen worden. Deze brug valt buiten het plangebied en is mogelijk in het bestemmingsplan Lindenholt. Maatregelen bij de risicobron Bijzondere omstandigheden ter plaatse maken dat hier sprake is van een extra kleine kans op een incident.
De leiding maakt op de kortste afstand tot het bouwvlak namelijk een hoek van 90 graden en buigt dus zowel in de oostelijke als noordelijke richting van het plangebied af. Dit is duidelijk te zien in onderstaande figuur.
28
bestemmingsplan Nijmegen Lindenholt - 3 (Sint Agnetenweg)
Figuur: ligging gasbuisleiding (rood), 100% lethaal contour (blauwe stippen) en invloedgebied (blauwe lijn) De kans op een incident op minder dan 80 meter van het plangebied is daardoor nog veel kleiner als dat de leiding parallel aan het plangebied zou liggen. Ook het feit dat de leiding dichtbij het plangebied onder het Maas-Waalkanaal doorgaat maakt dat de kans op leidingbreuk hier lager is dan in een andere situatie. Een dieper liggende leiding leidt immers tot een lagere kans op graafschade (tot aan het kanaal) en in het kanaal zelf zal niet snel worden gegraven. Het diepte profiel van de leiding bevestigt dit ook. Onderstaande figuur geeft weer dat ter hoogte van het plangebied geen of slechts een heel kleine PR 10-7 contour ontstaat. Dit terwijl die op andere delen van het traject wel ontstaat. Geconcludeerd kan dan ook worden dat de leiding zelf ter hoogte van het plangebied relatief gunstig is gelegen.
bestemmingsplan Nijmegen Lindenholt - 3 (Sint Agnetenweg)
29
1E-4 1E-5 1E-6 1E-7 1E-8 Figuur. PR risicocontouren rond de gasbuisleiding bij het plangebied Bij een breuk van de gasbuisleiding is er kans op een fakkelbrand. Gezien de druk en diameter van de leiding is deze echter zo hoog (ongeveer 100 meter) dat bescherming tegen de hitte van die fakkel door het nemen van overdrachtsmaatregelen niet realistisch zijn. Objectgerelateerde veiligheidsmaatregelen Bouwkundige maatregelen aan het gebouw kan de overlevingskansen in het gebouw doen toenemen. In dit plangebied is dit nadrukkelijk een overweging gezien het feit dat schuilen voor de doelgroep van verminderd zelfredzame personen vaak de enige optie is. In het nieuwe Besluit bouwwerken leefomgeving worden in artikel 4.91 t/m 4.95 enkele suggesties gedaan van bouwkundige aard die een betere bescherming bieden tegen brand. Het Handboekomgevingsveiligheid(RIVM;https://omgevingsveiligheid.rivm.nl/stappenplangelijkwaardigheid-brandvoorschriftengebied) geeft echter aan dat deze minder effectief zijn bij een fakkelbrand zoals bij gasbuisleidingen. Gezien deze niet aantoonbare meerwaarde, de hogere kosten en het specifiek lage risico (<PR*10-7) voor deze locatie worden geen aanvullende bouwvoorschriften voorgeschreven. Samenvattend kan er worden geconcludeerd dat het groepsrisico laag is en ook laag blijft (< dan 10% oriëntatiewaarde) na het realiseren van het plan.
Daarnaast maken bijzondere omstandigheden ter hoogte van het plangebied de leiding aantoonbaar minder risicovol omdat de leiding relatief dieper ligt en een 90-graden bocht maakt waardoor zowel in oostelijke als noordelijke richting de leiding van het plangebied afbuigt. Aanvullende maatregelen worden niet zinvol geacht. Cumulatie en domino-effecten Het berekende risico over het plangebied van de afzonderlijke risicobronnen is laag tot zeer laag. Als deze kleine risico's worden opgesteld resulteert dit in een tevens aanvaardbaar en nog
30
bestemmingsplan Nijmegen Lindenholt - 3 (Sint Agnetenweg)
steeds klein risico. Domino-effecten zijn ook zeer onwaarschijnlijk en hebben geen invloed op de risicoanalyse. Advies VRGZ Zelfredzaamheid De VRGZ wijst er in haar advies (zie bijlagen bij toelichting) op dat het te realiseren object een pand met verminderd zelfredzame personen betreft en derhalve volgens het beleid van de gemeente er een 'nee, tenzij'-principe geldt. In het voorgaande is bij de paragrafen Noodzaak, Alternatieven, Externe- en Bronmaatregelen verwoord en waarom, hoewel het hier verminderd zelfredzame personen betreft, het gelet op de bijzondere omstandigheden en het lage groepsrisico toch verantwoord wordt geacht het appartementencomplex voor een klein deel in de veiligheidscontour te realiseren. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid De VRGZ geeft in haar advies aan dat het plangebied langs een doodlopende weg op eigen terrein wordt ontsloten. “Dit is niet optimaal“. In de paragraaf “Ruimtelijke veiligheidsmaatregelen” is aangegeven welke optimalisaties worden aangebracht. Daarnaast vraagt de VRGZ aandacht voor keervoorziening en voldoende bluswater ter plaatse. Deze voorzieningen zullen worden aangelegd zoals verwoord in artikel 6.30 en 6.37 van het Bouwbesluit en de Handreiking Bluswater en Bereikbaarheid van Brandweer Nederland. Conclusie: Op grond van bovenstaande analyse zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10
Bodem
Het bestaande bestemmingsplan wordt herzien. Het bevoegd gezag moet bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaren over relevante feiten en af te wegen belangen (artikel 3.2 Awb). Het vaststellen of wijzigen van een bestemmingsplan kan gevolgen hebben voor de belangen van natuur en milieu, waaronder de bodem. Ook moet inzicht bestaan over de uitvoerbaarheid van het plan (artikel 3.1.6 Bro). Bodemverontreiniging kan hierop van invloed zijn. Daarom beoordelen wij de bodemkwaliteit in relatie tot het bestemmingsplan. Historisch gebruik van het plangebied Het betreft het kadastrale percelen Neerbosch, sectie K, nrs. 4252 en 4254. Het merendeel van de planuitbreiding is in het verleden in gebruik geweest als bedrijfsterrein van een bouwbedrijf en voor een klein deel als tuin bij de woning St. Agnetenweg 33. Uit historisch onderzoek blijkt dat deze terreindelen verder niet verdacht worden van bodemverontreiniging. Milieuhygiënische bodemkwaliteit Van kadastraal perceel nr. 4252 is door middel van een verkennend bodemonderzoek in 2017 de kwaliteit van de bodem voldoende vastgelegd. Het gehele kadastrale perceel 4254 is in het kader van de planontwikkeling in 2019 milieuhygiënisch onderzocht. Verhoogde gehalten ter plaatse van een voormalige brandplaats worden niet (meer) aangetroffen. De licht puinhoudende grond bevat zowel visueel als analytisch geen asbest.
Uit de bodemonderzoeken blijkt dat binnen de planuitbreiding geen spoedeisende gevallen van bodemverontreiniging aanwezig zijn en dat de bodemkwaliteit geen humane risico's oplevert. Wijziging bestemming De bodem van de locaties is voldoende onderzocht en de bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de gewenste bestemming.
bestemmingsplan Nijmegen Lindenholt - 3 (Sint Agnetenweg)
31
Overzicht bodemrapportages Kad. Perceel
Jaar onderz.
4254 2019 bodemonderzoek
Bureau
Adres aanduiding
Type onderzoek
NIPA
St. Agnetenweg 25
Verkennend
http://www.nijmegen.nl/vergunningpagina/Document/DownloadOne?documentNr=D200624 825&type=.pdf 4252 2017 bodemonderzoek
NIPA
St. Agnetenweg 33
Verkennend
http://www.nijmegen.nl/vergunningpagina/Document/DownloadOne?documentNr=D200624 840&type=.pdf
4.11
Water
De watertoets Voor de ruimtelijke aspecten heeft het Nationaal Waterplan de status van structuurvisie. Hierin zijn water en ruimtelijke ontwikkelingen geïntegreerd, conform de nieuwe Wet ruimtelijke ordening, de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Bouwbesluit 2012 en de Waterwet. Binnen het Besluit ruimtelijke ordening (21 april 2008) is de watertoets verankerd. Algemeen Het plan behelst de herinrichting van een perceel aan de St. Agnetenweg waar nu een aannemingsbedrijf gevestigd is tot woonzorgcomplex. Het plangebied ligt in de wijk Lindenholt en maakt deel uit van de waterhuishoudkundige inrichting van het gebied Lindenholt. Voor dit gebied zijn het Gemeentelijk Rioleringsplan Nijmegen 2017 tot en met 2023 en de nota 'Afkoppelen en infiltreren hemelwaterafvoer' (2013) relevant. Er vinden wijzigingen plaats als gevolg van de voorgenomen bestemming. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is beschreven in het waterbeheerprogramma 2016-2021 Koers houden, kansen benutten. Daarnaast beschikt het waterschap over een verordening, de Keur voor waterkeringen en wateren. Daarin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op waterkeringen en watergangen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in of nabij waterkeringen of watergangen kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden worden getoetst aan de beleidsregels.
Oppervlaktewater Het stedelijk watersysteem van Lindenholt bestaat uit vijvers en watergangen die via duikers met elkaar in verbinding staan. Het bergt water en het voert water af. Ook vormt het de drainage van de tussengelegen wijken. Regenwaterriolen voeren het afstromende hemelwater naar het oppervlaktewater af. De watergangen voeren het water naar landelijk gebied af. De stuw in een watergang nabij het Takenhofplein stuurt de afwatering. Het oppervlaktewater is in beheer en onderhoud bij Waterschap Rivierenland.
32
bestemmingsplan Nijmegen Lindenholt - 3 (Sint Agnetenweg)
Figuur 1 Legger water Waterschap Rivierenland Aan de oostelijke zijde van het plangebied ligt een A-watergang met nummer A097046 volgens de legger wateren van het Waterschap Rivierenland. De watergang heeft in de notitie Streefbeelden als uitwerking van het waterplan de typering “spelend” meegekregen. Dit is omgezet in “ontdekkend” om de benaming meer te laten aansluiten bij een door het waterschap gehanteerde indeling. In de Beheervisie Watersysteem Nijmegen (2013) zijn de verschillende streefbeelden meer gedetailleerd beschreven.
bestemmingsplan Nijmegen Lindenholt - 3 (Sint Agnetenweg)
33
Figuur 2 Typering volgens de notitie Streefbeelden De gemeente heeft het beheer en onderhoud van het oppervlaktewater overgedragen aan het Waterschap Rivierenland. Het waterschap beheert en onderhoudt de gehele watergang. Het regenwater wordt via het gescheiden stelsel van Lindenholt geloosd op het oppervlaktewater. Aan de lozing van water stelt het waterschap eisen. Als kwantitatief gezien sprake is van een toename van verhard oppervlak moet extra berging worden gerealiseerd. Het afwaterende verharde oppervlak in het plangebied neemt ten gevolge van het plan af. Dit betekent dat geen aanvullende waterberging gemaakt hoeft te worden.
34
bestemmingsplan Nijmegen Lindenholt - 3 (Sint Agnetenweg)
De westelijke oever van de watergang is eigendom van de gemeente en nu nog een groene oever met rietvegetatie. Deze oever zou in eigendom (inclusief beheer oever) kunnen worden overgedragen aan de ontwikkelaar. Dit is conform nieuw beleid waarin we anders omgaan met private oevers. De ontwikkeling van die oever is dan nog steeds gewoon vergunningplichtig bij het waterschap. Een eventuele overdracht van een oever aan derden dient nader besproken te worden met het waterschap vanwege mogelijke effecten op waterkwantiteit en waterkwaliteit. De watergang heeft in principe een waterpeil NAP + 6,50 m ten gevolge van de vaste stuw in de watergang ten zuiden van het plangebied. Alleen bij hevige regenval stijgt het peil hoger. Langs de watergang staan bomen. De bladval heeft een negatief effect op de waterkwaliteit. Het waterschap heeft de waterkwaliteit van dit deel van de watergang als slecht beoordeeld. Het verwijderen van bomen en beschoeiingen alsook het verflauwen van oevers kan een positief effect hebben op de waterkwaliteit. In het kader van dit plan zullen echter geen bomen gekapt worden met als doel de verbetering van die waterkwaliteit. Wel zullen een aantal bomen gekapt worden voor de inpassing van het plan in en de aansluiting van het plan op haar omgeving met zicht op het kanaal. Dit betreft een rij rode beuken van grote omvang.
Het bladafval dat deze beuken veroorzaken, verdwijnt hierdoor en dit zal dus bijdragen aan de waterkwaliteit. Ook de oude notenboom die nu in de nabijheid van de watergang staat, wordt verplaatst naar een plek ten westen van dit plan zodat eventueel bladafval niet langer in de watergang terecht komt. Het waterschap adviseert het onderhoud aan de houtopstand uit te voeren omdat veel takken over de watergang hangen. De tuin van het complex wordt aan de westzijde van het gebouw gerealiseerd. In de richting van de watergang wordt een vrij uitzicht op de moestuinen aan de overzijde van de watergang gecreëerd. De huidige houtopstand past daar niet bij. Deze wordt onderhouden zodanig dat het vrije uitzicht ontstaat. Eventuele aanplant zal bestaan uit laagblijvende planten struiken. Daarmee wordt voldaan aan de vraag van het waterschap om nadrukkelijk rekening te houden met dit aspect als bomen gekapt en terug geplant worden. De ontwikkelaar wil een voetgangersbrug over de watergang realiseren. Het bruggetje ligt buiten het plangebied omdat het binnen de huidige bestemming past. Als voldaan wordt aan de meldingsvoorwaarden kan het realiseren van het bruggetje met een melding afgedaan worden. Het waterschap onderhoudt de watergang varend. In de meldingsvoorwaarden staan eisen over de minimale doorvaarthoogte en breedte.
Als niet aan die voorwaarden voldaan wordt, is het bruggetje vergunningplichtig. Langs de watergang ligt aan weerszijden een beschermingszone van 4 meter gemeten vanaf de insteek van de watergang. De beschermingszone ligt binnen het plangebied. Werkzaamheden in deze zone zijn vergunning- en/of meldingplichtig omdat ze invloed hebben op de aanvoer en afvoer water, de waterberging of het onderhoud. Een onderhoudsstrook is een obstakelvrije strook die als beschermingszone in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Tussen watergang en terrein komt nabij de insteek een hek. Het hek staat daardoor in de beschermingszone is dus vergunningplichtig, evenals ander gebruik van die zone. Kanttekening bij voorgaande is dat de beschermingszone in de huidige situatie ook al gebruikt wordt alsook dat het waterschap het onderhoud varend uitvoert. Grondwater Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Het uitgangspunt bij stedelijke uitbreidingen is grondwaterneutraal bouwen. Dat wil zeggen dat de oorspronkelijke grondwaterstanden en stromen in de omgeving niet wijzigen.
Dit kan bereikt worden door: - een aan grondwater gerelateerde keuze van de locatie, bijvoorbeeld geen stedelijke uitbreidingen in gebieden met (kans op) hoge grondwaterstanden; - maatregelen tijdens bouwrijp maken en bouw, bijvoorbeeld ophogen, goede structuur van het oppervlaktewatersysteem, voorkomen verdichting bodemstructuur;
bestemmingsplan Nijmegen Lindenholt - 3 (Sint Agnetenweg)
35
- een waterbestendig bouwkundig ontwerp van woningen en gebouwen, bijvoorbeeld kruipruimteloos bouwen. Om grondwateroverlast in bestaand stedelijk gebied te beperken, zet de gemeente in eerste instantie in op bouwkundige maatregelen. Pas als die onvoldoende soelaas bieden, komen drainerende of onttrekkende oplossingen in beeld. Dit sluit ondergronds bouwen niet uit. Dat is mogelijk mits voldoende technische maatregelen worden getroffen zodat de bouw waterdicht is. In de Waterwet is naast de gemeentelijke zorgplicht voor regenwater ook een zorgplicht voor grondwater opgenomen. Gelet op de verantwoordelijkheden van particulieren strekt deze zorgplicht niet zover dat gemeenten ook gehouden zijn (ter voorkoming van grondwateroverlast) maatregelen te nemen op percelen die in particulier eigendom zijn. Eigenaren moeten zelf zorgen voor een goede staat van de bij hen in eigendom zijnde percelen en gebouwen. Zij moeten in dat kader zelf bouwkundige maatregelen treffen. Dit speelt vooral bij ondergronds bouwen. Voor indicatieve informatie over de grondwaterstanden wordt verwezen naar de milieuatlas van de gemeente Nijmegen die te vinden is via http://kaart.nijmegen.nl/milieu/. De grondwaterstand is van belang voor de eventuele bouw van een kelder of een verdiepte parkeervoorziening en het (tijdelijk) lozen van het bronneringswater.
Op de milieuatlas is ook informatie te vinden over (resultaten en onderzoek naar) de waterdoorlatendheid van de bodem. In een groot deel van het plangebied is de grondwaterstand vrij hoog en varieert deze tussen NAP + 6,50 m en NAP + 6,80 m. Dit komt omdat het Maas-Waalkanaal een constant hoog waterpeil heeft, namelijk NAP + 7,95 m. Vanuit het kanaal stroomt veel water als kwel naar het grondwater toe, wat enigszins wordt afgevangen omdat er een watergang tussen kanaal en plangebied ligt. Bij hoge waterstanden in het kanaal kunnen nabij het kanaal gelegen gebieden overlast ondervinden van kwel. De grondwaterstand kenmerkt het plangebied. De drooglegging van het gebied is hiervoor mede bepalend. Drooglegging is de maat waarop maaiveld, straatniveau of bouwpeil boven het peil van het oppervlaktewater ligt. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. In gebieden waar grondwateroverlast bekend is of gebieden met hoge grondwaterstanden adviseert het waterschap hier nader onderzoek naar te doen. Doorgaans geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,00 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,30 meter. Voor het plangebied dient de hoogteligging van het maaiveld tenminste NAP + 9,00 m te bedragen. Bij deze maaiveldhoogte zijn drooglegging voldoende en ontwateringsdiepte voldoende.
Riolering/ hemelwater De riooltechnische ontsluiting van het plangebied bevindt zich aan de St. Agnetenweg. De riolering is uitgevoerd als gescheiden stelsel. Vanuit het bouwbesluit 2012 geldt de verplichting om afvalwater en hemelwater op verantwoorde wijze te verwerken. Afvalwater moet verplicht op de openbare riolering aangesloten worden. Hemelwater moet op eigen terrein verwerkt worden. De gemeente Nijmegen hanteert bij de duurzame omgang met hemelwater de nota 'Afkoppelen en infiltreren hemelwaterafvoer'.
36
bestemmingsplan Nijmegen Lindenholt - 3 (Sint Agnetenweg)
Figuur 3 Overzicht riolering In plaats van rechtstreeks lozen op oppervlaktewater al dan niet via regenwaterriolering moet het afstromende hemelwater via een wadi en drainageleidingen naar de naastgelegen watergang afgevoerd worden. De wadi zorgt voor de zuivering van het afstromende hemelwater. Gezien de slechte waterkwaliteit van de watergang ernaast heeft een wadi de voorkeur boven een ondergrondse hemelwaterafvoer. Bij de infiltratie van hemelwater dient waar mogelijk conform het convenant 'Duurzaam bouwen in het KAN' (2000) gebruik te worden gemaakt van duurzame bouwmaterialen. Het niet toepassen van uitlogende materialen is een voorbeeld. Het convenant is in 2013 geactualiseerd als Het groene akkoord. Voor plannen waarbij hemelwater in de bodem geïnfiltreerd wordt, moet een waterhuishoudkundig plan bij de gemeente worden ingediend. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet een goedgekeurd waterhuishoudkundig plan gevoegd zijn. De nota 'Afkoppelen en infiltreren hemelwaterafvoer' geeft de inhoud van een dergelijk plan weer. Hiertoe is onderzoek naar bodemgesteldheid en grondwaterstanden nodig. Geen bijgevoegd goedgekeurd plan betekent een nietontvankelijke bouwaanvraag.
bestemmingsplan Nijmegen Lindenholt - 3 (Sint Agnetenweg)
37
Voor plannen met meer dan 500 m 2 verhard oppervlak en directe lozing op het oppervlaktewater moet een waterhuishoudkundig plan bij het waterschap worden ingediend. Omdat bij dit plan sprake is van directe lozing op het oppervlaktewater van het water dat overloopt vanuit een wadi bij hevige neerlag is dat het geval en moet een waterhuishoudkundig plan bij het waterschap ingediend worden. Het is niet uitgesloten dat een watervergunning vereist is. Bij het ontwerp van de wadi dient rekening gehouden te worden met het oppervlak van de erheen afwaterende verhardingen en met het oppervlak van de wadi zelf alsook met eventuele toekomstige verhardingen ten gevolge van de uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen. Het gebouw krijgt een plat dak en is mogelijk geschikt voor de toepassing van een groen dak. Groene daken hebben vele positieve effecten. Onder andere bergt het hemelwater. Doordat het groene dak water bergt, is de opgave op maaiveld waar de ruimte voor een wadi beperkt is mogelijk kleiner en kan de wadi dus mogelijk kleiner worden. Een groen kruidendak heeft hier de voorkeur boven een sedumdak omdat het meer water kan bergen, voor meer verkoeling zorgt, de luchtkwaliteit verbetert en het de biodiversiteit meer bevordert. Voor plannen met meer dan 500 m 2 extra verharding in stedelijk gebied is compenserende waterberging nodig.
Omdat bij dit plan sprake is van een afname van verhard oppervlak is geen compenserende waterberging nodig. Conclusies zijn dat het plan geen negatieve effecten heeft op rioleringsstelsel of (indirect) oppervlaktewatersysteem. Het afvalwater van de gebouwen in het plangebied moet worden aangesloten op de openbare riolering. Het is niet uitgesloten dat van bestaande aansluitingen gebruik gemaakt kan worden. Voor het maken van nieuwe aansluitingen op de riolering in de openbare ruimte vanaf de perceelgrens tot aan de riolering moet een aanvraag worden ingediend bij Kwaliteitsbeheer Riolering (zie www.nijmegen.nl > Diensten > Bouwen en wonen > Rioolaansluiting aanvragen). Op grond van de 'Verordening éénmalig rioolaansluitrecht' worden de kosten voor het maken van deze aansluiting op de aanvrager verhaald. Indien voor de afvoer van bestaande aansluitingen gebruik gemaakt kan worden, zijn geen kosten verschuldigd. Geadviseerd wordt echter de bestaande leidingen van de terreinriolering te inspecteren. Voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en hemelwater dienen op particulier terrein te liggen. In alle voorzieningen moet op particulier terrein een controleput geplaatst worden. Inpandige controleputten zijn toegestaan.
4.12
Flora en Fauna
Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming is 1 januari 2017 inwerking getreden Deze wet staat in het teken van de verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. Onder de Wet natuurbescherming geldt, dat onderzocht moet worden of (ruimtelijke) ingrepen effect hebben op beschermde gebieden, beschermde soorten en beschermde bosopstanden. Beschermde gebieden (Natura 2000 gebieden) Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden en vormt daarmee de basis voor het beleid van de EU voor behoud en herstel van biodiversiteit. Natura 2000 is niet enkel ter bescherming van gebieden maar draagt ook bij aan soortenbescherming. Het Natura 2000 netwerk omvat alle gebieden die zijn beschermd op grond van de Vogelrichtlijn van 1979 en de Habitatrichtlijn van 1992. In en om Nijmegen gaat het om de Natura 2000 gebieden 'Uiterwaarden Waal' en de 'Gelderse Poort'.
38
bestemmingsplan Nijmegen Lindenholt - 3 (Sint Agnetenweg)
Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die handelingen uitvoert met eventuele nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning Natuurbeschermingswet wordt aangevraagd. Deze vergunning moet bij de provincie aangevraagd worden. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van deze beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Voor de Natura 2000 gebieden geldt tevens de externe werking. Ontwikkelingen in de nabijheid van deze gebieden mogen geen significante gevolgen hebben voor de aanwezige natuurwaarden in deze gebieden. Houd ook rekening met de stikstofdepositie. In de paragraaf stikstof wordt hier in detail op in gegaan. Het plangebied heeft geen directe relatie met de beschermde natuurgebieden (Natura 2000) in de omgeving van Nijmegen, er is ook geen significante schade te verwachten. (zie quickscan flora en fauna). Beschermde soorten De soortenbescherming regelt de bescherming van dier- en plantensoorten.
De Wet natuurbescherming kent drie aparte beschermingsregimes: Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (Europees); Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (Europees); en Beschermingsregime andere soorten (Nationaal). Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. De wet hanteert daarbij het "nee, tenzij principe". Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden. Dit betekent dat voor nieuwe ontwikkelingen waar negatieve effecten niet zijn uit te sluiten, een oriënterend onderzoek moet worden uitgevoerd: een quick scan 'flora en fauna' en zo nodig een vervolgonderzoek. Alleen onder strikte voorwaarden zijn afwijkingen van de verbodsbepalingen mogelijk. Hiertoe moet een Wet natuurbescherming ontheffing voor soorten bij de Provincie aangevraagd worden. Daarnaast is in de wet een zogenaamde 'algemene zorgplicht' opgenomen. De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Bij uitvoering van activiteiten moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan gemaakt worden. Op 20 augustus 2019 heeft Tritium advies een quick scan beschermde soorten uitgevoerd op St.
Agnetenweg 25 (notitie met kenmerk 1906/079/AP-01). De conclusie uit de quick scan wordt hieronder puntsgewijs samengevat: - De omschreven werkwijzen met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen; - Grondgebonden zoogdieren (marterachtigen): er zijn geen exemplaren of voortplantingsen/of verblijfplaatsen van soorten aangetroffen die zijn beschermd volgens de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Als foerageergebied blijft het gebied geschikt; Om een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten, dienen de voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden overdag te worden uitgevoerd; Nader onderzoek naar vleermuizen is alleen noodzakelijk indien bij de voorgenomen kap van bomen langs de watergang aan de oostzijde van het plangebied onvoldoende rekening wordt gehouden met vliegroutes van vleermuizen. De beoordeling hiervan dient uitgevoerd te worden door een vleermuisdeskundige; - Nader onderzoek naar de alpensalamander is noodzakelijk; - Voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft. Een aanvullend onderzoek is noodzakelijk.
De conclusie van het vervolgonderzoek Vleermuizen en Alpenwatersalamander van 9 juli 2020 met kenmerk 1908/135/AP-01 wordt hieronder puntsgewijs samengevat:
bestemmingsplan Nijmegen Lindenholt - 3 (Sint Agnetenweg)
39
- binnen het onderzoeksgebied zijn nog geen essentieel foerageergebied en essentiële vliegroutes van vleermuizen aangetroffen; - binnen het onderzoeksgebied zijn geen vaste verblijfplaatsen van alpenwatersalamanders aangetroffen, waardoor geen verplichtingen bestaan vanuit de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soort; - de omschreven werkwijzen met betrekking tot de zorgplicht dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen; - de aanbevelingen uit de Quick-scan flora en fauna dienen nageleefd te worden. Provinciale Omgevingsvisie Gelderland In de Omgevingsvisie Gelderland staan de hoofdlijnen van het provinciale beleid over onderwerpen als ruimte, water, mobiliteit, economie, natuur en landbouw. In de omgevingsvisie zijn de waardevolle natuurgebieden opgenomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Gelders Natuurnetwerk In de Omgevingsverordening zijn de bijbehorende regels vastgelegd. Om de biodiversiteit nu en voor toekomstige generaties Gelderlanders veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Dit is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Dit Gelders Natuurnetwerk bestaat uit alle terreinen met een natuurbestemming binnen de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS).
Voor bestaande functies zijn er beperkte ontwikkelingsmogelijkheden, namelijk voor gevallen waarbij er geen reële alternatieven zijn voor verplaatsing van de functie naar een plek buiten het Gelders Natuurnetwerk. De provincie stelt bij een aantasting van de kernkwaliteiten steeds de voorwaarde dat er een compensatieplan gemaakt wordt waarbij de bestaande natuurwaarden worden versterkt. Groene ontwikkelingszone De Groene Ontwikkelingszone (GO) heeft een dubbele doelstelling. Er is ruimte voor verdere economische ontwikkeling in combinatie met een substantiële versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. De GO bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan bos of natuur die ruimtelijk vervlochten zijn met het Gelders Natuurnetwerk (GNN). De oude ecologische verbindingszones (evz's) maken deel uit van de GO, evenals weidevogelgebieden en ganzenfoerageergebieden. Het plangebied ligt niet in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) of de Groene Ontwikkelingszone (GO), de waardevolle natuurgebieden die in de Omgevingsvisie Gelderland opgenomen zijn. De Omgevingsvisie is wat dat betreft niet van toepassing. (zie quick-scan flora en fauna).
Gemeentelijk beleid Coalitieakkoord 2018- 2022, Nijmegen: samen vooruit Inwoners en toekomstige inwoners van Nijmegen stellen hogere eisen aan de kwaliteit van hun woon- en leefomgeving, mensen kiezen in toenemende mate hun woonplaats op grond van de kwaliteit van de leefomgeving en kijken van daaruit welke banen bereikbaar zijn. Een groene gemeente met goede voorzieningen en een aantrekkelijke stedelijke woon- en leefomgeving heeft de toekomst. De kwaliteit van de stedelijke omgeving is voor ons een prioriteit. Wij richten de woonstraten groen en duurzaam in. Parkjes en groenvoorzieningen blijven we aan de stad toevoegen. We hebben bij de inrichting hiervan oog voor het gebruik van het groen en voor de ecologische waarde. We willen een overheid zijn die inwoners en organisaties de ruimte biedt de eigen leefomgeving vorm te geven.
40
bestemmingsplan Nijmegen Lindenholt - 3 (Sint Agnetenweg)
Topindicator groen (2010) In 2010 heeft de raad voor groen de topindicator “binnen 300 meter van iedere woning 0,5 hectare aaneengesloten vlakgroen” vastgesteld. De topindicator refereert aan onderzoeken van Alterra waarin 300 meter als realistische loopafstand naar groen voor kinderen en ouderen wordt geadviseerd. De 0,5 hectare komt daarbij voort uit ervaringscijfers. Na nuancering en verfijning van de topindicator is in 2013 een overzicht gemaakt van gebieden waar de toevoeging van groen gewenst is. We passen de topindicator toe bij veel plannen en beleidsstukken. Bijvoorbeeld in de nota 'Samen gezond verder. Lokaal gezondheidsbeleid Nijmegen 2013-2016' wordt het belang van groen genoemd en is de topindicator onderdeel van het beleid. De indicator is nuttig om gebieden te identificeren waar een groentekort is. Het is zaak om nieuwe woongebieden dusdanig in te richten dat aan de topindicator groen wordt voldaan en dat er voldoende groen op loopafstand beschikbaar is. Het plangebied dient voldoende openbaar toegankelijk groen te bevatten met een diversiteit aan structuur en hoogtes (gras/struiklaag/boomlaag) wat zowel de biodiversiteit als de belevings- en gebruikswaarde bevorderd. Er wordt binnen dit bestemmingsplan voldaan aan de norm.
Groenplan De groene draad (2007) Het groenbeleid is vastgelegd in "De groene draad - kansen voor het Nijmeegse groen" en heeft als doelstelling:
inzicht te geven in het totaal van groene ontwikkelingen in en om de stad en hun onderlinge samenhang; een sturingsinstrument voor het bestuur te zijn voor groene ontwikkelingen in de stad; vanuit een groen toekomstperspectief een gids of leidraad te zijn voor toekomstige stedelijke ontwikkelingen; de groene ambities te benoemen voor de komende jaren die vertaald worden in een uitvoeringsprogramma. De hoofdgroenstructuur is de basis van het groen in Nijmegen en opgebouwd uit groene vlakken (parken en groengebieden) en de hoofdboomstructuur. De hoofdboomstructuur bestaat uit lijnen (bomen langs wegen en cultuurhistorische lijnen) en punten (bijzondere en monumentale bomen en boomgroepen). We streven er naar om de hoofdgroenstructuur in stand te houden en de ambities te verwezenlijken. In bestemmingsplannen gaat het dan om de bestemmingen Groen, Natuur en Bos. Daarnaast kennen ook andere plekken een groene bestemming bijvoorbeeld kleinere groenplekken op wijkniveau. Deze bestemmingsplan wijziging tast geen groene hoofdstructuur aan. Direct aan de perceelgrens begint de groene hoofdstructuur, echter vinden hier geen wijzigingen plaats. Handboek stadsbomen (2009) Het Handboek Stadsbomen is een uitwerking van het Groenplan “De Groene draad, kansen voor het Nijmeegse groen'.
Het Handboek Stadsbomen vormt het kader voor inrichtingsplannen en beheerplannen voor de openbare ruimte waar het bomen betreft. Het handboek is daarnaast te definiëren als toetsingskader voor ruimtelijke plannen en initiatieven en biedt inzicht in de beleidsuitgangspunten ten aanzien van bescherming, aanplant, beheer en kap van bomen. De hoofddoelstelling van het Handboek Stadsbomen is het waarborgen van de duurzame instandhouding van het Nijmeegs bomenbestand door middel van behoud èn ontwikkeling. Het Handboek Stadsbomen heeft betrekking op alle bomen binnen de gemeentegrenzen. Dat zijn dus niet alleen de park-, laan- en straatbomen, maar ook bomen in tuinen en op particuliere terreinen. Voor bosopstanden, bosplantsoen en bomen in natuurgebieden gelden andere beleidskaders en wet- en regelgeving. Hoofdboomstructuur In het Handboek Stadsbomen is de hoofdbomenstructuur opgenomen en is onderdeel van de hoofdgroenstructuur. De hoofdbomenstructuur leggen we niet vast in bestemmingsplannen maar wordt wel beschreven in de toelichting en speelt daarmee wel een rol in bestemmingsplannen.
bestemmingsplan Nijmegen Lindenholt - 3 (Sint Agnetenweg)
41
Deze bestemmingsplanwijziging tast geen groene hoofdbomenstructuur aan. De dichtstbijzijnde structuur ligt direct aan het Maas-Waalkanaal. Echter vinden hier geen wijzigingen plaats. Bomen binnen het plangebied Binnen het plangebied is een diversiteit aan bomen aanwezig. Door de nieuwbouw komt een groot deel van de bomen te vervallen. Aan de hand van een BEA (kenmerk KG/140318/FC) is bekeken of de rij beeldbepalende beuken behouden zou kunnen blijven. Dit blijkt echter niet het geval. Wel wordt de notenboom in het midden van het terrein verplant binnen het plangebied om zo alsnog volwassen groen te behouden. De ontwikkelaar heeft als opgave alle te kappen bomen te compenseren binnen het plangebied in de landschappelijke inpassing. Ecologie van de stad De bijzondere ligging van Nijmegen op een kruispunt van het rivierengebied, de hogere zandgronden en het stuwwallencomplex zorgt ervoor dat niet alleen rondom Nijmegen, maar ook binnen de stadsgrenzen een verscheidenheid aan leefmilieus voor planten en diersoorten aanwezig is. Grootschalige natuurgebieden om de stad, zoals de Gelderse Poort, de uiterwaarden van de Waal, De Ooypolder, het Hatertse Vennengebied, Heumensoord fungeren hierbij als brongebied voor natuurwaarden in de stad. We hebben de ecologische structuren, de ecologische hotspots en de ecologische waardevolle wijkspots in de wijk in Nijmegen in kaart gebracht.
Ecologische structuren laten de relaties zien tussen natuurwaarden in de stad en natuurwaarden om de stad. Soorten kunnen zich hierlangs verplaatsen en hebben zo een gevarieerd leefgebied tot hun beschikking. Ecologische hotspots zijn waardevolle gebieden die, in relatie met de gebieden om de stad, een functie vervullen voor algemene en zeldzame soorten. Hier stemmen we het beheer af op de natuurwaarden en wordt het gebruik van die gebieden voor recreatie meer gereguleerd en gestuurd wordt. Tevens waken we bij deze hotspots voor versnippering, aantasting en doorsnijding. De ecologische waardevolle wijkspots vervullen een rol op wijkniveau en maken het mogelijk om natuur dichtbij huis te beleven.
Groen en gezondheid Groen heeft niet alleen een ecologische waarde, het draagt bij aan de gezondheid van mensen, het zorgt voor een aantrekkelijke omgeving voor wonen, werken en recreëren. Groen bevordert de gezondheid, het nodigt uit om te bewegen en patiënten herstellen sneller in een groene omgeving. Voor kinderen is het belangrijk om juist al op jonge leeftijd in contact te komen met een groene leefomgeving. Bij de inrichting van de (school-)omgeving is dit nadrukkelijk een aspect om rekening mee te houden. Met Nijmegen: Groen, gezond en in beweging (vastgesteld door het College op 14 maart 2017 en ook opgenomen in de gezondheidsagenda) werkt de gemeente aan gezonde inwoners in een gezonde omgeving.
42
bestemmingsplan Nijmegen Lindenholt - 3 (Sint Agnetenweg)
Stad en Natuur: klimaatadaptatie en natuurinclusief bouwen Nijmegen is een van de groenste steden van Nederland. Niet alleen door de aanwezigheid van veel groen, maar ook vanwege de groene bestuurlijke ambities. Bij nieuwe ontwikkelingen zoals dit plangebied ontstaan kansen voor de natuur in de stad. Op 14 november 2018 heeft de gemeenteraad de motie Natuurinclusief bouwen aangenomen. Natuurinclusief bouwen is een verzamelterm voor tal van maatregelen en manieren om natuur te integreren bij de bouw van woningen, kantoren en andere gebouwen. Door natuurinclusieve maatregelen wordt de leefomgeving voor gebouwbewonende diersoorten verbeterd en de biodiversiteit bevorderd. Ook hebben de maatregelen effect als anti-mug en anti-stress en geven belevingswaarden. Daarnaast verhoogt het de geluidsisolatie, luchtzuivering, waterbergingscapaciteit en warmteregulering in het stedelijk gebied. Dit verhoogt uiteindelijk de leefkwaliteit van de stad en biedt verschillende soorten een plek in de stad. Onderdeel van natuurinclusief bouwen is ook de toepassing van kruidendaken op de platte daken van nieuwbouw. Bijvoorbeeld een groen dak heeft duidelijk meer waarde voor de biodiversiteit en de leefbaarheid. En tevens heeft het een functie voor de waterberging bij piekbuien, verbetert het de luchtkwaliteit en brengt het koelte in de stad en de woning.
Een bijkomend voordeel is dat groene daken een communicatiemiddel is om het bewustzijn van bewoners te vergroten voor de klimaatverandering. Nijmegen is aangesloten bij de landelijke campagne Operatie Steenbreek. Het doel van deze campagne is om bewoners te enthousiasmeren om hun tuin te vergroenen. De negatieve gevolgen van verstening zoals wateroverlast en ook droogte, hittestress en minder biodiversiteit worden daarbij onder de aandacht gebracht. Beter is nog dat bij de ontwikkeling van dit plangebied groene (binnen)tuinen, groene daken en gevelgroen mee wordt ontworpen zodat verstening van de tuinen vanaf het begin zoveel mogelijk wordt voorkomen. Door de klimaatsveranderingen ontstaan er steeds meer milieuproblemen in de stedelijke omgeving. Door overmatige regenval ontstaat wateroverlast; de temperatuurstijging veroorzaakt hitte eilanden in overmatig stenige omgevingen en door het fijnstof probleem krijgen steeds meer mensen gezondheidsklachten. Groen kan ingezet worden om deze milieuproblemen te verzachten. Hemelwater kan opgevangen worden in groengebieden en door het vergroenen van stenige pleinen zal de temperatuur iets afnemen en diverse planten nemen fijnstof op uit de lucht. Groen kan op deze wijze bijdragen aan een beter en gezonder leefklimaat.
Vanwege de onlosmakelijke relatie tussen groen/natuur en water zal een deel van de waterberging in de groene ruimte worden gezocht. We streven naar een goed evenwicht tussen beide functies zodat het resultaat een impuls oplevert voor natuurwaarden en natuurontwikkeling.
bestemmingsplan Nijmegen Lindenholt - 3 (Sint Agnetenweg)
43
4.13
Cultuurhistorie
Rijksbeleid Cultuurhistorie speelt een belangrijke rol bij de ruimtelijke inrichting van ons land. Het geeft identiteit en kwaliteit aan een gebied. Om deze redenen heeft het rijk de beleidslijn ingezet om cultuurhistorie onderdeel te laten zijn van het afwegingskader bij het opstellen van bestemmingsplannen. Deze beleidslijn is verwoord in de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg uit 2009 en heeft geleid tot wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) sinds 1 januari 2012. Met het gewijzigde Bro zijn gemeenten wettelijk verplicht cultuurhistorie deel uit te laten maken van het afwegingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het rijk vraagt hiermee aan gemeenten om bij het opstellen van bestemmingsplannen, projectafwijkingsbesluiten en beheersverordeningen gebouwen, objecten en structuren met cultuurhistorische waarde te inventariseren en daaraan conclusies te verbinden en in het bestemmingsplan te verankeren. De Erfgoedwet 2016 vormt de basis voor de monumentenzorg. Rijksmonumenten worden op basis van deze wet aangewezen, evenals rijksbeschermde stadsgezichten. Voor het wijzigen en slopen van rijksmonumenten is een 'Omgevingsvergunning voor de activiteit monumenten' nodig.
Gemeentelijk beleid Monumentenverordening De aanwijzing van gemeentelijke monumenten, bouwhistorie monumenten, identiteitsbepalende objecten en beschermde stadsbeelden met stadsbeeldobjecten geschiedt op basis van de monumentenverordening. Afhankelijk van de beschermingsvorm is voor wijziging, verbouw en sloop al dan niet een 'Omgevingsvergunning voor de activiteit monumenten' nodig. Aandachtslijst Cultureel Erfgoed De aandachtslijst betreft een inventarisatie van onbeschermd waardevol erfgoed en is bedoeld om ongewenste sloop van cultureel erfgoed te voorkomen en herbestemming te stimuleren. De lijst is globaal getoetst aan de selectiecriteria uit de Monumentenverordening. Er is nog geen uitgebreid onderzoek gedaan. Pas als er sprake is van een beschermingsprocedure zal dit onderzoek worden gedaan en worden de exacte cultuurhistorische waarden vastgesteld. Het college heeft de mogelijkheid om bij sloopplannen een beschermingsprocedure te starten. Op 18 maart 2015 is de Aandachtslijst Cultureel Erfgoed door de gemeenteraad van Nijmegen vastgesteld. Nota Cultureel Erfgoed Het gemeentelijk erfgoedbeleid is vastgelegd in de Nota Cultureel Erfgoed (vastgesteld 15-52013). Deze nota beschrijft op welke manier erfgoed kan bijdragen aan de ambitie van de gemeente Nijmegen om de identiteit van de stad te behouden en te versterken.
Hiervoor worden drie strategieën ingezet: duurzame ruimtelijke ontwikkeling, kennis & inspiratie en bescherming & instandhouding. De strategie duurzame ruimtelijke ontwikkeling heeft betrekking op een toekomstbestendige stad, waar erfgoed ingezet wordt om bij ruimtelijke ontwikkelingen de eigen identiteit te behouden of te versterken. De verplichtingen vanuit het Besluit ruimtelijke ordening en de daaruit voortvloeiende beleidsvrijheid die we als gemeente hebben, zetten we in om deze ambitie te kunnen realiseren. Erfgoed is namelijk een factor die mede kwaliteit geeft aan de ruimte en daarmee ruimtelijke ontwikkelingen kan verrijken. De cultuurhistorische elementen die onderdeel zijn van de identiteit van de stad kunnen we niet allemaal als beschermd monument of gezicht aanwijzen, maar zijn wel onderdeel van de manier waarop we onze stad beleven, inrichten en gebruiken. De cultuurhistorische beleidskaart is de basis voor de cultuurhistorische inbreng bij het opstellen van ruimtelijke plannen.
44
bestemmingsplan Nijmegen Lindenholt - 3 (Sint Agnetenweg)
Uitsnede uit de Cultuurhistorische Beleidskaart van de gemeente Nijmegen met in groen de locatie van het plangebied Het bestemmingsplangebied valt binnen gebiedstype 1 van de cultuurhistorische beleidskaart. Bij gebiedstype 1 gaat het om gebieden waarin cultuurhistorisch waardevolle elementen in mindere mate aanwezig zijn. De belangrijkste objecten en gebouwen zijn reeds aangewezen als monument of staan op de Aandachtslijst Cultureel Erfgoed. Bij ruimtelijke plannen wordt daarom alleen gestreefd naar behoud en herkenbaarheid van historische structuren. Voor dit gebiedstype wordt in het bestemmingsplan een regeling met betrekking tot bescherming van cultuurhistorische waarden opgenomen, indien sprake is van cultuurhistorisch waardevolle structuren. Huidig beeld Het bestemmingsplangebied betreft een driehoekig achterterrein dat is gelegen achter de historisch gegroeide lintbebouwing aan de St. Agnetenweg, tussen de Johannushof en de brede watergang plus groenstrook die deel uitmaakt van de aanleg van de woonwijk Lindenholt. Op het terrein staan nu loodsen uit de tweede helft van de twintigste eeuw, die behoren bij een aannemersbedrijf. Cultuurhistorische waarden in het plangebied In het bestemmingsplangebied bevinden zich geen beschermde monumenten of panden die op de Aandachtslijst Cultureel Erfgoed staan.
In of direct grenzend aan het bestemmingsplangebied bevinden zich de volgende historische structuren:
De St. Agnetenweg: dit is een historische weg die voor de aanleg van het Maas – Waalkanaal deel uitmaakte van de Dorpstraat. Dit is een historische weg die vanuit het dorp Neerbosch de stad uit voerde. De lintbebouwing aan de Dorpsstraat: een historisch gegroeid bebouwingslint dat ter hoogte van het plangebied bestaat uit vrijstaande huizen met veelal een laag en een kap. Er is sprake van een mengeling van woonhuizen en bedrijfsgebouwen. De kleinschalige bebouwing met open ruimten daartussen refereert aan de oorspronkelijk landelijke ligging van het gebied, buiten de stad.
Bestemmingsplanwijziging De bestemmingsplanwijziging is niet van invloed op het beloop van de historische St. Agnetenweg. Het huidige beeld van de lintbebouwing aan de St. Agnetenweg blijft ongewijzigd. Er zijn daarom vanuit cultuurhistorie geen bezwaren tegen deze bestemmingsplanherziening.
bestemmingsplan Nijmegen Lindenholt - 3 (Sint Agnetenweg)
45
4.14
Archeologie
Rijksbeleid Met de ondertekening van het Verdrag van Valletta (Malta) in 1992 is in Nederland de beleidsmatige zorg voor het archeologisch bodemarchief aanzienlijk toegenomen. In het verdrag staat: Archeologische waarden dienen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed te worden meegenomen en te worden ontzien bij de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke plannen. Mocht bescherming onvoldoende mogelijk zijn dan dient, volgens dit verdrag, de informatie te worden onttrokken aan de bodem via archeologisch onderzoek. Uitgangspunt hierbij is dat de initiatiefnemer van de verstoring van het bodemarchief de kosten van het onderzoek en de eventuele op te leggen maatregelen dient te dragen. Inmiddels zijn de uitgangspunten van het Verdrag in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de (voormalige) Monumentenwet 1988 via de Wijzigingswet Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMz, 1-9-2007). Met het in werking treden van de Erfgoedwet op 1-7-2016 is de Monumentenwet 1988 grotendeels vervallen. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de hoofdstukken II, paragrafen 2 en 3, IV, V, paragrafen 1 en 9, en VI van de Monumentenwet 1988, zoals die luidden voor inwerkingtreding van deze wet, nog van toepassing. Hoofdstuk V regelt de Archeologische Monumentenzorg.
Het Besluit ruimtelijke ordening Artikel 3.1.6, lid 5 regelt de omgang van het bestemmingsplan met de in een gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. Dit wordt straks onderdeel van de Omgevingswet. Dit komt er op neer dat tenzij dit reeds in een milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer is vastgelegd, er ten minste in het bestemmingsplan wordt aangegeven hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Gemeentelijke beleid Het archeologiebeleid van de gemeente Nijmegen is er, in overeenstemming met Malta en de Erfgoedwet, op gericht om het bodemarchief zoveel mogelijk te ontzien. Indien dat niet mogelijk is, wordt voorafgaande aan de bodemverstoring archeologisch onderzoek verricht. De wijze van onderzoek wordt bepaald op basis van de vast te stellen archeologische waarden en de aard en omvang van de bodemingrepen. De archeologische (in bredere zin: cultuurhistorische) kennis die hierbij wordt vergaard, levert informatie op die mede als inspiratiebron kan dienen voor het ontwerp van een gebouw of bij het inrichten van de openbare ruimte. Zo kan het 'verhaal van de plek' ook door toekomstige generaties nog worden gelezen.
De Structuurvisie voor Nijmegen uit 2013 legt nadrukkelijk een koppeling tussen archeologie en lokale identiteit, en als bron of inspirator voor toerisme, een economisch belangrijke factor in de economie van de gemeente Nijmegen. Het zal duidelijk zijn dat een betere bescherming van het bodemarchief en vooral ook het tijdig meewegen van de archeologische belangen vraagt om een zo goed mogelijk inzicht in de verwachte ligging, verspreiding en aard van het bodemarchief. Om deze reden heeft de gemeente Nijmegen een archeologische beleidskaart ontwikkeld (ABAK), waarop de belangrijkste archeologische vindplaatsen en zones en hun waardering zijn aangegeven. Deze kaart is onderdeel van de Nota Nieuw Beleid (2013) en in een bijgewerkte vorm van het facetbestemmingsplan archeologie (2014). De op de kaart aangeduide waarden vormen de basis voor nieuwe bestemmingsplannen, waar nodig aangevuld met nieuw onderzoek. Het streven van de gemeente Nijmegen is in eerste instantie gericht op behoud in situ. Planaanpassingen kunnen de kosten voor archeologisch onderzoek overbodig maken of sterk beperken. Initiatiefnemers wordt dan ook aangeraden in een vroeg stadium met de gemeente in overleg te gaan inzake de mogelijkheden om te kijken naar de best mogelijke opties.
Het kan daarbij gaan om adviezen voor de soort van archeologisch onderzoek die het beste gekozen kan worden of om de mogelijkheden van archeologie sparend bouwen te bekijken.
46
bestemmingsplan Nijmegen Lindenholt - 3 (Sint Agnetenweg)
Bestaande archeologische waarden in het plangebied Het plangebied St. Agnetenweg 25-33 lag voor deze bestemmingsplanwijziging grotendeels in een gebied met de dubbelbestemming waarde 2, en voor een kleiner deel in wetgevingszone waarde 1. Waarde 2 wordt aan een gebied toegekend vanwege de hoge verwachting op het aantreffen van de in de ondergrond aanwezige archeologische resten. Een waarde 1 is toegekend aan gebieden waar we of geen data hebben om een waarde te kunnen bepalen, of als er sprake is van een lage of middelhoge verwachting. Onderzoeken en aangepaste waarde dubbelbestemming in het plangebied Het was niet mogelijk om voorafgaand aan de bestemmingsplanwijziging onderzoek binnen het plangebied uit te voeren. We hebben bij het bepalen van de (nieuwe) waarde gekeken naar onderzoek in de nabijheid, met vergelijkbare omstandigheden, en een korte kaartstudie verricht. Het plangebied ligt iets ten zuiden van de St. Agnetenweg, die het voormalige klooster ten zuidwesten met de stad Nijmegen verbond. Langs de weg lag in de directe omgeving een cluster huizen, zoals de oudste kadasterkaart uit het begin van de 19 de eeuw laat zien.
Afb. Het plangebied St. Agnetenweg 25-33 links onderin (wit vlak met rode lijn) geplot op de oudste kadastrale kaart (bron: https://hisgis.nl/). Tevens zijn archeologische onderzoeken in de omgeving aangegeven: licht gele vlakken met blauwe rand. Voor de aanleg van het Maas-Waalkanaal was de St. Agnetenweg een belangrijke verbinding die via Neerbosch naar de stad Nijmegen liep. De weg ligt (deels) op een opduiking in het landschap en het rechte karakter wijst op ontginningen die hier hebben plaatsgevonden. Door de landschappelijke ligging kunnen er ook sporen en resten aanwezig zijn uit de perioden voor de middeleeuwen. Rond 1930 worden er ter hoogte van het plangebied nog enkele gebouwen tegen de St. Agnetenweg gebouwd,
bestemmingsplan Nijmegen Lindenholt - 3 (Sint Agnetenweg)
47
Afb. De situatie rond 1930. Het net aangelegde kanaal heeft de oude verbinding doorsneden. Langs de weg zijn enkele nieuwe gebouwen te zien. Aan de noordzijde van het Maas-Waalkanaal zijn in het recente verleden enkele ontwikkelingen geweest waarbij archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Het gaat daarbij om enkele terreinen aan of nabij de Dorpstraat. Het meest interessant is het door de gemeente zelf onderzochte terrein, op afb. 1 aangeduid als 'project Dne1'. Dit ligt wat van de doorgaande weg af, maar in de nabijheid van enkele gebouwen die aan de weg lagen. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat ter plekke sporen aanwezig waren uit de late bronstijd, de middeleeuwen en de nieuwe tijd. De waardering was dermate hoog, dat besloten is deze resten door middel van een opgraving veilig te stellen. In 2017 is wat oostelijker nog een onderzoek door de gemeente uitgevoerd, dat weliswaar kleinschaliger van opzet was, en waarbij voornamelijk sporen uit de 15de tot 17de eeuw werden aangetroffen. Van één spoor werd vermoed dat het of uit Romeinse tijd of uit de late bronstijd stamde. In 2014 is ter hoogte van de Dorpsstraat 284 een onderzoek door Archeodienst uitgevoerd. Ook hierbij werden – soms grote- sporen aangetroffen die voor zover bepaald kon worden, allen in de periode 16de tot en met 19de eeuw dateerden.
Er waren echter geen structuren te reconstrueren zodat de indruk bestond dat deze sporen wat verder van de huizen en gebouwen liggen. Belangrijk aan deze drie onderzoeken is dat de situatie sterk lijkt op de omgeving van het huidige plangebied aan de St. Agnetenweg 25-33. Daarnaast zien we dat de sporen ook verder van de weg af kunnen voorkomen, waarbij de ene keer deze wel behoudenswaardig zijn, de andere keer niet. Waar de relatie weg en archeologie uit de middeleeuwen en nieuwe tijd sterk is, geldt dit niet automatisch voor de relatie weg en sporen uit de late bronstijd. Hiervan kunnen we slechts zeggen dat de landschappelijke context belangrijk was. Binnen het plangebied aan de St. Agnetenweg zouden dus ook sporen uit die periode kunnen voorkomen. De algemene verwachting is dat dit sterker geldt voor archeologische resten uit de Romeinse tijd en later.
48
bestemmingsplan Nijmegen Lindenholt - 3 (Sint Agnetenweg)
Gebruikte literatuur:
J.A. den Braven, Archeologisch onderzoek aan de Dorpsstraat te Neerbosch-Oost, Nijmegen. Bewoningssporen uit de late bronstijd, middeleeuwen en nieuwe tijd, Archeologische Berichten Nijmegen – Briefrapport 128, Nijmegen 2012 W.S. van de Graaf en A.F. Loonen, Archeologisch onderzoek aan de Dorpsstraat te Nijmegen, Archeodienst Rapport 683, Zevenaar 2015 F.J. Heijting, Archeologisch onderzoek aan de Dorpsstraat te Neerbosch-Oost, Nijmegen. Een proefsleuvenonderzoek met doorstart naar een opgraving, Archeologische Berichten Nijmegen – Briefrapport 267, Nijmegen 2019
Samenvattend kan gesteld worden dat er vanuit het plangebied zelf geen onderzoeksdata bekend zijn. Daarom is gekeken naar een vergelijkbare situatie in de directe omgeving. Op basis daarvan bestaat er een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten daterend uit de Romeinse tijd en later, speciaal de (late) middeleeuwen en nieuwe tijd. Zoals de genoemde onderzoeken al aangeven kunnen ook uit oudere perioden zoals de late bronstijd sporen aanwezig zijn. Op basis van deze gegevens wordt aan het hele plangebied een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten toegekend. Dit vertaalt zich naar de dubbelbestemming waarde 2. Door deze toegekende waarde is een omgevingsvergunning nodig bij alle bodemverstorende werkzaamheden die dieper gaan dan 30 cm en die een groter oppervlak beslaan dan 100 m 2. Alle onderzoekskosten en die van eventueel volgende maatregelen komen conform het “verstoorder betaalt principe” uit de Erfgoedwet voor rekening van de initiatiefnemer. Bestemmingsplanregels Voor het hele bestemmingsplangebied gaat de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2 gelden. Benodigd onderzoek Indien een plan op basis van het bestemmingsplan vergunningplichtig is, kunnen voorwaarden ten aanzien van archeologie aan de vergunning worden verbonden.
Uitgangspunt hierbij is de verplichting van de initiatiefnemer om het bevoegd gezag te voorzien van gegevens die aantonen hoe het met de archeologische waarden in het plangebied is gesteld, zodat een besluit genomen kan worden hoe hiermee om te gaan bij de planrealisatie. De exacte eisen zullen daarom pas geformuleerd kunnen worden als de concrete, bodemverstorende ingrepen bekend zijn en er kan worden beoordeeld welke impact de voorgenomen ingrepen op die waarden hebben. Ten laatste bij de vergunningaanvraag zullen die als concrete plannen bekend moeten zijn. Belangrijk zijn de uitgangspunten van het gemeentelijk archeologiebeleid: streven naar behoud in situ en enkel daar waar nodig en noodzakelijk onderzoek ter behoud ex situ. Daar waar geopteerd wordt voor behoud in situ zijn parameters als behoud van de huidige waterhuishouding, grondsamenstelling en gronddruk van belang. Ook moet worden gelet op het weer ongedaan kunnen maken van de huidige ingrepen, dit zal t.z.t. geen extra schade mogen kunnen toebrengen. In samenspraak met het bevoegd gezag wordt, zodra het planvoornemen uitgewerkt is en de beleidsuitgangspunten indachtig, bepaald worden welke ingrepen wel of niet raadzaam zijn, en indien uitgevoerd, welke gevolgen daar vanwege de archeologie voor de initiatiefnemer aan verbonden zullen worden.
Deze maatregelen, en de archeologische onderzoeken die vooraf kunnen gaan aan een dergelijk besluit, worden bij voorkeur als maatwerk toegepast. Ze worden dus zoveel mogelijk per geval bekeken. Er zijn verschillende opties voor het te verrichten archeologisch onderzoek, die hieronder kort worden weergegeven.
bestemmingsplan Nijmegen Lindenholt - 3 (Sint Agnetenweg)
49
Uitgebreid archeologisch Archeologie (KNA)
onderzoekschema,
naar
de
Kwaliteitsnorm
Nederlandse
Het ruitje in het midden van de bovenstaande afbeelding staat voor het rapport dat moet aantonen hoe het met de archeologie binnen het plangebied is gesteld. De daarboven staande onderzoekstappen kunnen elkaar opvolgen, maar er kan ook gekozen worden om maar één bepaald soort onderzoek uit te voeren. In het algemeen geldt dat hoe lager men in de boom komt, hoe hoger de kosten worden, maar ook dat de data die gegenereerd worden steeds beter worden. Als een onderzoek onvoldoende duidelijkheid biedt kan het nodig zijn een vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Elk project is maatwerk, waarbij het aan te bevelen is nauw contact te houden met het bevoegde gezag: de gemeente Nijmegen. Op basis van het advies kan de gemeente maatregelen opleggen. Deze variëren van het vrijgeven van het terrein tot het nemen van langdurige fysieke beschermingsmaatregelen. Een andere vorm kan het behoud van de archeologische waarden zijn door middel van een opgraving. Dit wordt ook wel behoud ex situ genoemd. Meldingsplicht art. 5.10 en 5.11 Erfgoedwet Archeologische vondsten dan wel waarnemingen gedaan bij niet-archeologisch onderzoek moeten gemeld worden op basis van de artikelen 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Dit soort vondsten wordt aangeduid als toevalsvondst.