Beleidsregels parkeren 2025 met wijzigingen
Tekst van het document
Bij een gemeenschappelijke fietsenberging is een goed beheer van belang. De aanvrager moet aantonen dat: •
privaatrechtelijk is vastgelegd dat ieder appartement het aantal plekken krijgt toegewezen conform bovenstaande tabel,
45/51
•
er afspraken over gebruik en beheer in het huishoudelijke reglement worden opgenomen.
Artikel 9. Toepassingskader Parkeernormen Fiets (niet-woonprogramma)
BELEIDSREGEL 9: De fietsparkeereis voor niet-woonfuncties wordt bepaald door de parkeervraag van de oude functie af te trekken van de parkeervraag van de nieuwe functie (salderen).
BELEIDSREGEL 10: Bij een bouwontwikkeling of functieverandering hoeft dus alleen te worden voorzien in de extra parkeerbehoefte. Het staat een initiatiefnemer altijd vrij om méér fietsparkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren dan de parkeereis.
BELEIDSREGEL 11: Bij het bepalen van de fietsparkeereis van meerdere niet-woonfuncties wordt gebruik gemaakt van de aanwezigheidspercentages zoals opgenomen in tabel 1. Bij dubbelgebruik kan de
fietsparkeereis naar beneden worden bijgesteld, mits de initiatiefnemer dit onderbouwt met een fietsparkeerbalans.
BELEIDSREGEL 12: Parkeervoorzieningen voor fietsen bij niet-woonfuncties komen altijd op eigen terrein, al dan niet inpandig, tenzij wordt voldaan aan tenminste één van de afwijkingscriteria / vrijstellingen zoals beschreven in artikel 10.
Bepalen van de fietsparkeereis De fietsparkeernorm wordt gebruikt om het aantal te realiseren fietsparkeerplaatsen te berekenen bij nieuwe ontwikkelingen, de fietsparkeereis. Hiervoor wordt de omvang van de functie vermenigvuldigd
met de fietsparkeernorm. De uitkomst hiervan wordt naar boven afgerond. Bij de fietsparkeernormen is, in tegenstelling tot parkeernormen voor auto’s, geen apart deel voor bezoekers opgenomen.
Bij nieuwbouwplannen wordt enkel naar de behoefte van de nieuwe functie gekeken op basis van het programma en de ligging in stad. Bij verbouwplannen worden de nieuwe en oude fietsparkeerbehoefte
gesaldeerd. De fietsparkeerbehoefte van de oude functie wordt hierbij afgetrokken van de fietsparkeerbehoefte van de nieuwe functie.
Ffietsparkeernormen opgenomen in de tabellen gelden voor functies waarvan het te verwachten
fietsgebruik groot is en daarmee een duidelijke impact heeft op de openbare ruimte. Het is mogelijk dat
voor een bepaalde functie geen specifieke norm is vastgesteld. Voor deze functies gelden dan ook geen fietsparkeernormen. Dit laat onverlet dat een aanvrager wel zorg moet dragen voor het realiseren van voldoende fietsparkeerplaatsen.
Dubbelgebruik Net als bij de autoparkeernormen, mag rekening gehouden worden met dubbelgebruik van de fietsparkeerplaatsen als binnen de ontwikkeling verschillende functies worden gerealiseerd onder de
voorwaarde dat de fietsparkeerplaatsen redelijkerwijs door alle gebruikers van het plan gebruikt kunnen
worden (qua openbaarheid en ligging). De dubbelgebruikpercentages voor de auto kunnen ook gebruikt worden voor de fiets.
Oplossen op eigen terrein
46/51
De fietsparkeerplaatsen dienen op openbaar toegankelijk eigen terrein gerealiseerd te worden, met
uitzondering van fietsparkeerplaatsen voor personeel. Een fietsparkeervoorziening voor personeel wordt gerealiseerd op eigen terrein en is bij voorkeur alleen toegankelijk voor personeel (veilig en afgesloten). De fietsparkeerplaatsen dienen in ieder geval te voldoen aan de kwaliteitseisen van Fietsparkeur en de
vigerende CROW-richtlijnen. Verder geldt dat de fietsenstalling logisch en overzichtelijk moet zijn ingedeeld, er binnen en vanuit de fietsenstalling naar de bijbehorende bestemming een logische, snelle
en eenvoudige routing is (bij voorkeur binnendoor), voorzien van voldoende aanbindmogelijkheden en de sociaal veiligheid is gewaarborgd door een goede indeling en verlichting (bij voorkeur daglichttoetreding).
Daarnaast dienen fietsparkeervoorzieningen zichtbaar en herkenbaar te liggen aan de aanvoerroute en
zoveel mogelijk aan te sluiten bij het ‘natuurlijke’ gedrag van de fietser om de fiets zo dicht mogelijk bij de bestemming te kunnen stallen. Om los parkeren van fietsen op straat te voorkomen heeft een gelijkvloerse (centrale) fietsvoorziening de voorkeur boven een ongelijkvloerse fietsvoorziening.
Artikel 10. Vrijstelling van de fietsparkeereis In
de
binnenstad
is
voldoende
fietsparkeergelegenheid
voor
het
binnenstadsbezoek.
Voor
ontwikkelingen met uitzondering van: scholen, ziekenhuizen en kantoren en functies met een grote
bezoekersaantrekkende werking (in tabellen aangegeven met ‘grote aantallen’) passen we geen fietsparkeernorm toe.
Ontwikkelingen buiten de binnenstad krijgen vrijstelling wanneer het een ontwikkeling betreft met een fietsparkeereis van maximaal 5 fietsparkeerplaatsen. Het gaat hierbij veelal om kleine ontwikkelingen
(uitbreidingen van bestaande situaties) met minimale impact op de openbare ruimte. Bijvoorbeeld een kleine uitbreiding van een supermarkt.
Het te realiseren aantal fietsparkeerplaatsen kan worden teruggebracht als er sprake is van een locatie
waar het feitelijk onmogelijk is om geheel of gedeeltelijk aan de fietsparkeereis te voldoen. Als door de ontwikkelaar wordt aangetoond dat de realisatie van fietsparkeervoorzieningen op eigen terrein
ruimtelijk, omgevingsplan-, bouw- of verkeerstechnisch of soortgelijks niet mogelijk is, dan is parkeren in de openbare ruimte mogelijk. De noodzaak en de mogelijke effecten worden door de gemeente zorgvuldig afgewogen.
Fietsparkeerplaatsen niet op eigen terrein: Het te realiseren aantal fietsparkeerplaatsen kan op een andere locatie worden gerealiseerd indien sprake is van een ontwikkellocatie waarbij de openbare ruimte wordt mee ontwikkeld en het ruimtelijk of
financieel onmogelijk is om geheel of gedeeltelijk aan de fietsparkeereis te voldoen. De fietsparkeervraag kan dan op acceptabele loopafstand van de ontwikkeling en in openbaar toegankelijk gebied alsnog worden gerealiseerd. Hierbij houden we rekening met de karakteristieken van de wijk. Bij afwijking van
het realiseren van fietsparkeervoorzieningen op eigen terrein wordt als eis gesteld dat geen hinder voor voetgangers en voertuigen wordt gecreëerd en dat de fietsparkeervoorzieningen logisch worden ingericht voor de gebruiker.
Elektrische fiets, buitenmaatse fietsen en brommers/scooters:
47/51
Het gebruik van de elektrische fiets, buitenmaatse fietsen (waaronder de bakfiets) en (elektrische)
scooters en scootmobielen neemt toe. We stellen echter geen normen voor het percentage fietsklemmen dat bij een ontwikkeling moet voldoend aan elektrisch fietsgebruik, gebruik van buitenmaatse fietsen en scooters/brommers. Het is aan de ontwikkelende partij om een inschatting te maken van het aantal klemmen
dat
geschikt
moet
zijn
voor
elektrisch
fietsgebruik,
gebruik
van
bakfietsen
en
brommers/scooters. Hiermee behouden we flexibiliteit en kunnen we inspelen op de meest recente
wensen en eisen. Bij functies waarbij men voor de bedrijfsvoering afhankelijk is van scooters, brommers en andere vervoersmiddelen (zoals afhalen en bezorgen) dient op eigen terrein voldoende ruimte aanwezig te zijn voor het stallen van de benodigde voertuigen.
Artikel 11. Fietsparkeernormen niet woonfuncties BELEIDSREGEL 13. Bij het bepalen van de behoefte aan fietsparkeerplaatsen bij nieuwbouw, verbouw of functiewijzigingen wordt uitgegaan van de CROW fietsparkeercijfers 2025 van het CROW. Deze zijn 1-
op-1 overgenomen als gemeentelijke fietsparkeernorm. De fietsparkeernormen zijn bepalend voor het
minimaal aantal te realiseren fietsparkeerplaatsen. Er mogen dus altijd meer fietsparkeerplaatsen worden aangelegd dan de parkeernorm voorschrijft.
Deze CROW fietsparkeerkencijfers zijn hier te downloaden: CROW | Fietsparkeerkencijfers 2025.
Gebiedsindeling en parkeernormensystematiek De gebiedsindeling voor de toepassing van de fietsparkeernormen is conform de gebiedsindeling voor de normering voor de auto. Hierbij gaat het om de gebieden centrum (Binnenstad + Centrum, schil/overloopgebied (schil 1e en 2e ring), rest bebouwde kom en buitengebied (zie artikel 1).
48/51
Voor
het
bepalen
van
de
fietsparkeernormen
stedelijkheidszones en fietsparkeercijfers:
moet
worden
uitgegaan
van
de
volgende
CROW-Zone Binnenstad
Sterk stedelijk, Centrum, gemiddelde van bandbreedte
Centrum
Sterk stedelijk, Centrum, gemiddelde van bandbreedte
Schil 1e ring
Sterk stedelijk, Schil, centrum, gemiddelde van bandbreedte
Schil 2e ring
Sterk stedelijk, Schil, centrum, gemiddelde van bandbreedte
Rest BBK
Sterk stedelijk, Rest bebouwde kom, gemiddelde van bandbreedte
Buitengebied
Sterk stedelijk, Buitengebied, gemiddelde van bandbreedte
Artikel 12. Inwerkingtreding en citeertitel Deze regeling treedt in werking op de dag na publicatie, onder gelijktijdige intrekking van “Beleidsregels Parkeren 2024-A”
Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels Parkeren 2025.
Aldus vastgesteld in de collegevergadering van: 27 mei 2025.
de gemeentesecretaris A.P.W. van de Klift
de burgemeester H.M.F. Bruls
49/51
Bijlage 1. Vereisten voor parkeeronderzoek Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning kan van de eis om de parkeereis op eigen terrein op te
vangen worden afgeweken. De aanvrager dient hiervoor voldoende onderzoek te doen. De gemeente Nijmegen stelt de volgende eisen bij een parkeeronderzoek:
Om voor een afwijking in aanmerking te komen, dient de aanvrager een parkeeronderzoek uit te laten voeren naar de vraag of er binnen een redelijke loopafstand voldoende ruimte op de openbare weg aanwezig is om de parkeerbehoefte van het project op te vangen. De redelijke loopafstanden zijn genoemd in Tabel 2. Hierbij moet de aanvrager het volgende in acht nemen: 1.
Het parkeeronderzoek moet door een verkeerskundig adviesbureau, met ervaring op het gebied
2.
Het onderzoeksgebied, het aantal tellingen en de momenten waarop er geteld zal worden (=de
3.
van parkeertellingen, worden uitgevoerd.
maatgevende momenten) moeten vooraf in overleg met de gemeente worden vastgesteld.
Ten aanzien van het aantal tellingen en de momenten waarop er geteld zal worden, gelden de volgende richtlijnen: •
De tellingen moeten plaats vinden binnen een periode van 2 weken, waarbij er op
minimaal 2 werkdagen in de ochtend (09:00-12:00 uur), de middag (13-16:00), de
avond (18-21:00 uur) en de nacht (23:00-07:00 uur) periode wordt geteld (dus minimaal 8 tellingen). •
De tellingen moeten plaats vinden op representatieve momenten. Tellingen tijdens een vakantieperiode (schoolvakantie) of op een feestdag worden in beginsel geacht niet te zijn gedaan op een representatief moment. Bij de aanwezigheid van voorzieningen (dat zijn alle andere functies dan “woonfuncties”) in het onderzoeksgebied geldt dat er ook op 1 koopavond en 1 zaterdagochtend of -middag moet worden geteld. Dit geldt ook als het project zelf een voorziening betreft.
4.
Betreft het een aanvraag voor een project dat is gelegen buiten een gereguleerd parkeergebied
(dus buiten een gebied waarin bijvoorbeeld betaald parkeren is ingevoerd), dan mag de telling
ook alleen buiten het gereguleerde gebied plaatsvinden (de tellingen mogen dan alleen plaats vinden in een gebied waar geen betaald parkeren is ingevoerd). 5.
Als uitgangspunt geldt dat de bezettingsgraad binnen het onderzoeksgebied is gesteld op 85% voor de bestaande functies. De overige 15% is gereserveerd voor zogenaamd zoekverkeer (dit
betekent dat er enkel restruimte op de openbare weg aanwezig is indien en voor zover er uit de tellingen blijkt dat er feitelijk een lagere bezettingsgraad is dan 85%). Uitzondering hierop zijn het aantal Kiss & ride parkeerplaatsen. Zij mogen wel gebruik maken van deze 15% omdat Kiss & ride zich tot een tijdelijke bezetting beperkt. 6.
Komt de bezettingsgraad in het onderzoeksgebied op enig moment uit boven de 85%, dan kan
7.
Gebieden die binnen een redelijke loopafstand liggen, maar tegelijkertijd binnen de binnenstad
het plan onder hetgeen is ingediend niet doorgaan.
(zie artikel 1) vallen, mogen niet worden meegenomen in het onderzoek omdat binnen de binnenstad de bezettingsgraad op 95% is gesteld en de overige 5% aan zoekverkeer wordt toegerekend.
8.
De uitkomsten van het parkeeronderzoek moeten in een onderzoeksrapport overgelegd worden aan het college van burgemeester en wethouders. Het college van burgemeester en wethouders behoudt zich het recht in geval van gerede twijfel om extra onderzoek te vragen, en / of een eigenstandig onderzoek te verrichten.
50/51
8.
Ten aanzien van het onderzoeksrapport geldt de volgende verplicht gestelde opmaak: 1.
Inleiding: vraagstelling, probleemstelling en doelstelling
2.
Situatie plangebied: omschrijving locatie, omschrijving project in relatie tot parkeereis,
omschrijving parkeermogelijkheden op eigen terrein, omschrijving noodzakelijk aantal parkeerplaatsen in openbaar gebied
3.
Werkwijze parkeeronderzoek: het onderzoeksgebied, data en tijdstippen van het tellen
4.
Resultaten parkeeronderzoek: overzicht uitkomst tellingen en constateringen
5.
Conclusie en advies: conclusie en aanbevelingen.
en het aantal tellingen
51/51