Artikelsgewijze toelichting
Tekst van het document
Ook coffeeshops vallen onder de vergunningplicht, aangezien het immers horecagelegenheden zijn
waar alcoholvrije dranken worden geschonken. De verkoop van de softdrugs wordt echter niet geregeld in de exploitatievergunning.
Shishalounges vallen eveneens onder de vergunningplicht indien het een gelegenheid is waar enkel alcoholvrije dranken worden geschonken. Indien er alcohol wordt geschonken, geldt de vergunningplicht op grond van de Alcoholwet.
Lid 2 biedt de mogelijkheid om uitzonderingen op de vergunningplicht te maken, bijvoorbeeld voor
locaties waar sprake is van een zeer ondergeschikte horecafunctie zoals een koffiehoekje in een winkel of in een zorginstelling.
Lid 8: Dit artikel valt onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn. Er is vanwege dwingende redenen van algemeen belang voor gekozen om toepassing van de lex silencio positivo uit te zonderen. Het
gaat hier om een vergunning voor horeca-inrichtingen en het zou met name vanwege aspecten van
openbare orde en milieu onwenselijk zijn als deze zonder een op de inrichting afgestemde vergunning kunnen openen.
Artikel 2:32 Aanwezigheid van exploitant en beheerder De aanwezigheid van een vergunde exploitant of beheerder is noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde en om toezicht te houden op de aanwezige klanten.
Artikel 2:33 Weigeringsgronden exploitatievergunning De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de mogelijkheid preventief te
toetsen of de exploitatie van een horecabedrijf zich verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse. Daarbij is van belang in welke mate van het bedrijf zelf overlast is te duchten, maar ook in welke mate de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt zullen aantasten. Met welke aspecten de burgemeester rekening moet houden, staat omschreven in het derde lid.
De weigeringsgrond woon- en leefmilieu en slecht levensgedrag valt onder de ‘rule of reason’ en mag daarom (bij een horecaondernemer die zich hier vestigt) ook op grond van de Dienstenrichtlijn als
weigeringsgrond worden gehanteerd. De eis van slecht levensgedrag is vergelijkbaar met die van de
Alcoholwet en wordt op vergelijkbare wijze getoetst. Daarbij is een algemeen uitgangspunt dat op de
eerste plaats wordt bezien of er in de afgelopen 5 jaar strafbare, ordeverstorende of beboetbare feiten
of veroordelingen hebben plaatsgevonden of maatregelen zijn genomen tegen de personen die op een aanvraag staan vermeld. Hebben zich in die periode geen feiten voorgedaan die te maken hebben met het levensgedrag van een exploitant, dan zal de vergunning om redenen ontleend aan het
levensgedrag in het algemeen niet worden geweigerd. Als zich in die periode wel voorvallen hebben
voorgedaan, dan kijkt de burgemeester ook naar de voorvallen in het verdere verleden om te bezien of er een patroon van zodanig levensgedrag valt te ontwaren dat het woon- en leefmilieu of de openbare orde in de omgeving van het horecabedrijf mogelijk negatief wordt beïnvloed.
De Raad van State is van oordeel dat slecht levensgedrag als toetsingsgrond voor een vergunning geen strijd met artikel 10 van de Dienstenrichtlijn oplevert.
De weigeringsgrond van lid 4 voorkomt dat ondernemers in inrichtingen, waarvan de
Alcoholvergunning op grond van openbare orde is ingetrokken, vervolgens deze inrichting als ‘droge horeca’-inrichting verder kunnen exploiteren.
Artikel 2:33a Intrekkingsgronden De intrekkingsgronden zijn complementair aan de weigeringsgronden.
Artikel 2:33b Vervallen vergunning en artikel 2:34 Overgangsbepalingen Deze bepalingen zijn juridisch-technisch van aard.
Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Algemeen
Inleiding De bepalingen in deze afdeling zijn medebewindbepalingen die zijn gebaseerd op de Alcoholwet.
Hoewel de APV voor het overgrote deel uit autonome bepalingen bestaat is er voor gekozen om deze medebewindbepalingen daarin op te nemen omdat dit vanuit praktisch oogpunt een logische stap is.
Immers, de APV regelt al aanverwante zaken zoals de horeca-exploitatievergunning, sluitingstijden en dergelijke.
Overtreding van deze medebewindbepalingen in deze afdeling zijn strafbaar als overtredingen op grond van artikel 1, vierde lid juncto artikel 2, vierde lid van de Wet op de economische delicten.
Artikel 2:34a Definities De definities uit de Alcoholwet werken door in de op de Alcoholwet gebaseerde regelgeving. Ter
verduidelijking is een uitdrukkelijke verwijzing opgenomen, waaruit tevens blijkt dat deze definities enkel voor afdeling 5 gelden.
Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen De op basis van artikel 4 van de Alcoholwet door gemeenten te stellen regels met betrekking tot de paracommerciële horecabedrijven dienen ter voorkoming van oneerlijke mededinging. Uit de MvT
(Kamerstukken II 2008/09, 32 022, nr. 3, p. 10) blijkt dat de regering ervan uitgaat dat de gemeenten de belangrijke maatschappelijke functie van de verschillende paracommerciële instellingen in acht
zullen nemen en geen onnodige beperkingen zullen opleggen daar waar de mededinging niet in het
geding is en er geen sprake is van onverantwoorde verstrekking van alcohol, met name aan jongeren.
Van belang is dat de wetgever de gemeente de verplichting oplegt om oneerlijke concurrentie tegen te gaan. De achtergrond hiervan is dat het bij reguliere horeca – restaurants, cafés, feestzalen en
cateraars – gaat om een commercieel verdienmodel, terwijl bij de paracommercie (instellingen voor bijvoorbeeld sport, sociaal-culturele instellingen en instellingen voor recreatie, educatie en
levensbeschouwing) de maatschappelijke betekenis van de activiteiten voorop staat zonder dat er
sprake is van een commercieel karakter. Dan is het niet de bedoeling dat er vanuit de paracommercie
oneigenlijke concurrentie ontstaat vanwege het feit dat er alcoholische drank kan worden geschonken voor activiteiten die geen relatie hebben met het maatschappelijke doel van zo’n instelling. Horecaactiviteiten bij maatschappelijke instellingen mogen primair slechts ondersteunend zijn – dat wil
zeggen: gericht op het schenken van drank bij die gelegenheden die ook het maatschappelijke doel
van de instelling betreffen. Overigens: in geval de instellingen werken met een commerciële horecauitbater – voor wie op grond van de Alcoholwet dus niet de soepele eisen voor paracommerciële rechtspersonen (zoals barvrijwilligers) gelden - zijn de paracommerciële bepalingen niet van toepassing. In dat geval is er namelijk geen sprake van concurrentievervalsing.
De wet biedt een aantal mogelijkheden om in te grijpen. In Nijmegen is gekozen voor de minst
ingrijpende variant en met zo min mogelijk verschillen per categorie instelling. Dat zorgt immers voor
een voor de controle en handhaving overzichtelijke situatie. Effectiviteit van regelgeving houdt immers
ook sterk verband met de handhaafbaarheid daarvan. De gekozen variant betekent dat er sprake is van vaste schenktijden en het niet toestaan van bijeenkomsten van persoonlijke aard.
Bij de vaste schenktijden is zoveel mogelijk rekening gehouden met de tijdsspanne waarbinnen de
betrokken instellingen hun activiteiten door de bank genomen laten plaatsvinden. Bovendien heeft de wetgever in de Memorie van Toelichting ook aangegeven dat gemeenten geen onnodige beperkingen zullen opleggen daar waar de mededinging niet in het geding is en er geen sprake is van onverantwoorde verstrekking van alcohol, met name aan jongeren.
Overigens gaat het bij de schenktijden alleen om de tijdstippen waarop het schenken van alcohol is toegestaan. Buiten de schenktijden mogen niet-alcoholische warme dranken en frisdrank gewoon geserveerd worden, of kunnen broodjes, snoep e.d. verkocht worden.
Bijeenkomsten van persoonlijke aard zijn niet toestaan. Voorbeelden van bijeenkomsten van
persoonlijke aard zijn bruiloften, recepties bij jubilea, verjaardagsfeesten, barbecues, bedrijfsfeesten, koffietafels, condoleancebijeenkomsten en dergelijke. Dit verbod houdt dus in, dat er alleen alcohol mag worden geschonken bij activiteiten die gerelateerd zijn aan het maatschappelijke doel van de betrokken instelling.
Het is hierdoor niet uitgesloten dat er wel alcohol kan worden geschonken bij feestelijke
bijeenkomsten die te maken hebben met de aard van de instelling (bijvoorbeeld: een bestuursjubileum, een lustrumviering, een kampioenschap e.d.).
Artikel 2:34c Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven Met deze bevoegdheid voor de burgemeester wordt de mogelijkheid gegeven om, bijvoorbeeld na geconstateerde overtredingen of bij vrees daarvoor, voorschriften aan de horecavergunning te verbinden of deze te beperken tot zwak-alcoholhoudende drank.
Dat kan een eerste stap zijn in een handhavingstraject, waarna de burgemeester bij een tweede en
zelfs bij een derde overtreding vervolgens de vergunning voor 12 weken kan schorsen, respectievelijk de vergunning kan intrekken. De mogelijkheid om na een eerste overtreding aanvullend voorschriften aan de vergunning te verbinden, voorkomt dat meteen ingrijpende maatregelen nodig zijn – en
tegelijkertijd krijgt de ondernemer daarmee de mogelijkheid om te laten zien dat hij in staat is tot goed naleefgedrag.
Uiteraard is het niet mogelijk om voorschriften te verbinden aan de vergunning, indien er sprake is van een situatie waarin de Alcoholwet dwingend intrekking van de vergunning voorschrijft, zoals na een openbare orde verstoring of indien blijkt dat een leidinggevende van slecht levensgedrag is.
Artikel 2:34f Verbod ‘happy hours’ Happy hours zijn categoraal verboden. De Alcoholwet wet definieert een happy hour als het
verstrekken van alcoholhoudende drank tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd.
Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel 2:35 Definitie Het begrip ’inrichting’ als hier omschreven sluit aan bij artikel 438 van het WvSr, dat ziet op het als beroep verschaffen van nachtverblijf aan personen (eerste lid) en op het als beroep of gewoonte
beschikbaar stellen van een terrein voor het houden van nachtverblijf of het plaatsen van kampeermiddelen en dergelijke (tweede lid).
Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Artikel 2:36 strekt ertoe, dat de burgemeester een zo volledig mogelijk overzicht heeft van de in de gemeente aanwezig nachtverblijven en kampeerinrichtingen.
Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Op grond van artikel 438 van het WvSr is een ondernemer die een hotel of pension drijft verplicht om een nachtregister bij te houden. Dit artikel in de APV komt die ondernemer tegemoet door de gast te verplichten daaraan mee te werken en zijn of haar gegevens te verstrekken. Zo’n aanvulling van het WvSr bij plaatselijke verordening werd door de Hoge Raad toelaatbaar geacht (HR 10-04-1979, NJ
1979, 442). Daarbij wordt vaak opgemerkt dat een goed bijgehouden nachtregister ook in het belang van de gemeente is, bijvoorbeeld voor de brandweer, mocht er onverhoopt brand uitbreken in een hotel of pension.
De sinds 25 mei 2018 geldende AVG heeft, net als de daarvoor geldende Wbp, als uitgangspunt dat er niet meer wordt uitgevraagd dan nodig. Er worden alleen de gegevens uitgevraagd die artikel 438 van het WvSr noemt.
Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2:38a Definities In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de Kansspelen (Wok) zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.
Artikel 2:39 Exploitatie speelautomatenhal De bevoegdheid die de raad heeft geen speelautomatenhallen in de gemeente toe te laten door het
vaststellen van de bepalingen in een verordening achterwege te laten, impliceert ook de bevoegdheid het aantal te beperken tot een bepaald maximum.
Artikel 2:39c Weigering vergunning Het bepaalde onder a levert een extra weigeringsgrond op, nu in artikel 2:39 een maximumstelsel is opgenomen.
Het vereiste onder b dient om een speelautomatenhal duidelijk van de openbare weg af voor een ieder herkenbaar te maken. Tevens om te voorkomen dat in een achteraf lokaal van een gebouw, waarin bij voorbeeld een horecabedrijf wordt uitgeoefend, een speelautomatenhal wordt geëxploiteerd en deze automatenhal mede of uitsluitend via het andere bedrijf bereikbaar zou zijn.
Op grond van artikel 30b jo 30c van de Wok is, naast de speelautomatenhalvergunning, tevens een
aanwezigheidsvergunning vereist voor het aanwezig hebben van één of meer speelautomaten in de
speelautomatenhal. Het criterium openbare orde wordt niet opgenomen in de deze bepaling omtrent
de exploitatie van speelautomatenhallen. De wet noemt dit criterium reeds in verband met de weigeringsgronden voor een aanwezigheidsvergunning van speelautomaten.
In het bepaalde onder e komt tot uiting dat de vergunning dient te worden geweigerd, wanneer gevreesd moet worden dat de woon- en leefsituatie door de vestiging van (nog) een hal op
ontoelaatbare wijze zal worden aangetast. Daarbij wordt rekening gehouden met het karakter van de
straat, het winkelniveau aldaar en van de wijk waarin de speelautomatenhal is gelegen of zal komen te
liggen. In de beoordeling van de aanvrage wordt de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan betrokken.
Artikel 2:40 Kansspelautomaten Dit artikel is een uitwerking van artikel 30c, tweede lid, van de Wok. Hierin staat dat bij gemeentelijke verordening het aantal kansspelautomaten wordt vastgesteld waarvoor per hoog- en laagdrempelige inrichting een aanwezigheidsvergunning wordt verleend. Voor hoogdrempelige inrichtingen kan dat voor maximaal twee kansspelautomaten.
Kansspelautomaten zijn speelautomaten, die geen behendigheidsautomaat zijn (zoals een flipperkast),
maar gokkasten waarmee ook geld kan worden gewonnen en waar doorgaans geen behendigheid bij te pas komt.
Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal
Eerste lid De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot sluiting van woningen, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij de woning of het lokaal behorend erf van waaruit
(drugs)overlast wordt veroorzaakt. Aangezien dit artikel in de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt, verdient het aanbeveling dit in de APV te regelen. Het is aan te raden om voor de
gevallen waarin de woning niet is verzegeld of de verzegeling reeds is verbroken een verbodsbepaling zoals in het eerste lid van artikel 2:41 op te nemen, zodat een sanctie kan worden gesteld op overtreding daarvan.
Tweede lid Het tweede lid van artikel 2:41 is gebaseerd op de bevoegdheid van de burgemeester op grond van
artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang als in woningen of lokalen, dan wel in of behorende erven, drugs als bedoeld in lijst I of II van de Opiumwet worden verkocht, afgeleverd, verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn. Zie verder onder de toelichting op het eerste lid.
Derde lid Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten betreden wegens
dringende redenen, is het derde lid aan artikel 2:41 toegevoegd. Anders zou het verbod uit het eerste lid te absoluut zijn.
Artikel 2:42 Plakken en kladden
Eerste lid In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de termen ‘bekrassen en bekladden’ ligt reeds
besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 van het EVRM en artikel 19 van het IVBPR.
Tweede lid Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt als een middel
tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien.
Op de in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde vrijheid van meningsuiting zou inbreuk worden gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een voorafgaand
overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel 2:42 maakt op dit grondrecht geen inbreuk,
aangezien het hierin neergelegde verbod krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit middel van bekendmaking meebrengt.
Artikel 2:42 verdraagt zich ook met artikel 10 van het EVRM en artikel 19 van het IVBPR, aangezien de
beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting dat uit de toepassing van artikel 2:42 kan voortvloeien, kan worden aangemerkt als nodig in een democratische samenleving ter bescherming van de openbare orde.
Vijfde en zevende lid Een voorwaarde die aan de mogelijke beperking vanuit het tweede lid moet worden gesteld is wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende plakplaatsen voor het aanbrengen van meningsuitingen en
niet commerciële bekendmakingen. Krachtens het vijfde lid kan het college aanplakborden aanwijzen en daarvoor krachtens het zevende lid nadere regels stellen. Als de gemeente nalaat in voldoende
plakplaatsen te voorzien, dan is er volgens jurisprudentie wel sprake van strijd met artikel 7 van de
Grondwet en artikel 10 van het EVRM. Men volgt in het algemeen de norm van 1 plakbord of -zuil op de 10.000 inwoners (ABRvS 05-06-2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE3657).
Overige jurisprudentie ARRS 30-12-1993, JG 94.0194, AB 1994, 578. Verzoek om vergunning voor het aanbrengen van
borden aan lantaarnpalen ten behoeve van het plakken van affiches is terecht opgevat als verzoek om toestemming van de gemeente als eigenares van de lantaarnpalen. Betreft een privaatrechtelijke aangelegenheid.
Vz. ARRS 13-12-1992, JG 93.0261, Gst. 1993, 6965. Een projectie van een lichtreclame is te
beschouwen als een andere wijze van aanbrengen dan aanplakken van een afbeelding of aanduiding als bedoeld in de APV.
Rb. Amsterdam 07-10-1993. In APV opgenomen plakverbod is onverbindend wegens strijd met artikel 7, eerste lid, van de Grondwet (vrijheid van meningsuiting). Derhalve is geen vervolging mogelijk ter zake van ‘wild plakken’. Er waren geen voldoende vrije plakplaatsen in de stadsdelen. Gemeente is verplicht deze te scheppen.
HR 01-04-1997, NJ 1997, 457. “Niet aannemelijk is geworden dat ten gevolge van het (...) verbod geen mogelijkheid van enige betekenis tot gebruik van het onderhavige middel van verspreiding en
bekendmaking zou overblijven”. De bepaling is niet in strijd met artikel 10, tweede lid, van het EVRM, aangezien deze “prescribed by law” is en “necessary in a democratic society (...) for the prevention of disorder” en “protection of the (...) rights of others”.
ABRvS 05-06-2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE3657. Plakverbod van artikel 2.4.2 is niet in strijd met artikel 7 van de Grondwet noch met artikel 10 van het EVRM.
ABRvS 18-09-2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE7789. Het is een te ruime uitleg om ‘doen aanbrengen’ zo uit te leggen dat dit mede inhoudt het niet tegengaan dat van Radio 538 afkomstig reclamemateriaal wordt aangeplakt. Er is geen sprake van opdracht of een actieve bemoeienis van Radio 538.
Hof Amsterdam 23-12-2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AS5302. Appellant heeft posters doen plakken. Hij is verantwoordelijk voor het gedrag van het bedrijf waaraan hij opdracht heeft gegeven posters te
plakken, ook als dat bedrijf tegen zijn instructies in zou hebben gehandeld (door op niet toegestane
plaatsen te plakken). Dat appellant het bedrijf heeft opgedragen uitsluitend op toegestane locaties te
plakken disculpeert hem niet. Gesteld is immers niet dat hij goede grond had om te mogen vertrouwen dat dit bedrijf zich zou houden aan die opdracht.
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak te bemoeilijken. Ook gaat het hierbij om een verbodsbepaling met betrekking tot het vervoeren van voor (winkel)diefstal
geprepareerde tassen dan wel andere voorwerpen op de weg of in de nabijheid van winkels. Om de
private belangen van de ingezetenen te beschermen, is in lid 2 opgenomen dat dit verbod niet geldt indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de desbetreffende burger geen intentie heeft om
winkeldiefstal te gaan plegen. Aanleiding voor het opnemen van dit voorbeeldartikel is een motie van Tweede Kamerlid De Wit (Kamerstukken II 2008/09, 31700 VI, nr. 36) die de toenmalige Minister van
Veiligheid en Justitie ertoe bracht bij de VNG het verzoek te doen om in de APV een artikel op te nemen om het op de weg of in de nabijheid van winkels bij zich hebben of vervoeren van tassen en kledingstukken die er kennelijk toe zijn uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken, strafbaar te stellen.
Jurisprudentie HR 07-06-1977, NJ 1978, 483 (APV Wassenaar) en HR 28-02-1989, NJ 1989, 687 (APV Nijmegen). Een verbodsbepaling inzake het vervoer van inbrekerswerktuigen kan strekken tot bescherming van de openbare orde als bedoeld in artikel 149 van de Gemeentewet.
ABRvS 03-04-2019, ECLI:NL:RVS:2019:1066 (Tilburg). Overtreding van het verbod om
inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. Verbod geldt ook voor bijrijder. Last onder dwangsom als herstelsanctie tot het voorkomen van herhaling.
ABRvS 25-09-2019, ECLI:NL:RVS:2019:3274 (Haarlemmermeer). Het college van burgemeester en
wethouders was bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom ter voorkoming van herhaling van het vervoeren of bij zich hebben van inbrekerswerktuigen. Met de opgelegde last gaat het in dit
geval niet om het feitelijk herstellen van de openbare orde ten aanzien waarvan gelet op artikel 172,
eerste lid, van de Gemeentewet uitsluitend de burgemeester is belast. Hierbij is van belang dat de last onder dwangsom in dit geval is opgelegd nadat de inbrekerswerktuigen ruim drie weken eerder in
beslag waren genomen en uitsluitend met het doel om herhaling van overtreding van de APV-bepaling in de toekomst te voorkomen.
Artikel 2:45 Bescherming groenvoorziening Dit artikel spreekt voor zich.
Artikel 2:46a Overlast skateboarden In bepaalde delen van de stad ondervinden bewoners veel overlast van skaters, zoals geluidsoverlast, beschadigingen en hinder op straat.
De juridische status van een skater is gelijk aan die van een voetganger. Het is op basis van de
Wegenverkeerswet slechts mogelijk om bepaalde gebieden te verbieden voor skaters door middel van
een bord 'gesloten voor voetgangers'. Aangezien de favoriete skatelocaties vaak voetgangersgebieden zijn is dit niet wenselijk. Behalve skaters mogen die gebieden dan immers ook niet door voetgangers worden gebruikt. Bovendien strekt de Wegenverkeerswet tot het verzekeren van de veiligheid op de
weg. Aan het tegengaan van overlast door skaters ligt meer een openbare orde motief ten grondslag. Door in de APV het college de bevoegdheid te geven om wegen aan te wijzen waar niet geskatet mag worden kan tegen de overlast worden opgetreden.
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen Op basis van artikel 2:47 kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast worden opgetreden.
Afbakening Artikel 424 van het WvSr stelt ‘straatschenderij’ strafbaar, terwijl artikel 426bis van het WvSr het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf bedreigt. Artikel 431 van het WvSr stelt
nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijvingen zijn echter ‘strakker’ dan wat men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart. Artikel 2:47 vormt daarom hierop een aanvulling.
Artikel 5 van de WVW 1994bepaalt dat het voor eenieder verboden is zich zodanig te gedragen dat
gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg
wordt gehinderd of kan worden gehinderd. De strekking van het begrip openbare plaats in artikel 2:47 gaat verder dan het begrip weg als bedoeld in de WVW 1994 (zie daarvoor de toelichting op artikel
1:1). Voor zover een hinderlijke gedraging plaatsvindt op de weg, als omschreven in artikel 5 van de
WVW 1994, is artikel 2:47 niet van toepassing. Werd dit niet uitgesloten, dan zou een met een hogere regelgeving strijdige situatie kunnen ontstaan.
Artikel 2:47a Lachgas
Sinds lachgas (distikstofmonoxide) niet meer als geneesmiddel mocht worden gekwalificeerd en uit de Geneesmiddelenwet werd gehaald, heeft de verkoop en het ‘recreatieve gebruik’ een grote vlucht
genomen. Inmiddels is duidelijk dat dit middel, dat aanvankelijk zo onschuldig leek, forse gevolgen kan hebben voor de gezondheid van de gebruiker. Ook de vervuiling op straat, die ontstaat door
achteloos weggeworpen patronen en gebruikte ballonnen, is problematisch. Tot slot veroorzaakt het gebruik in de openbare ruimte ook overlast. Het gebruik van lachgas wordt in toenemende mate in verband gebracht met jongerenoverlast. Het op grote schaal verkopen van lachgas in Nijmeegse
horecagelegenheden heeft ook al geleid tot openbare ordeproblemen. De rechter heeft erkend dat de verkoop van lachgas een bepaalde doelgroep aantrekt die het risico op overlast en ordeverstoringen doen toenemen. Lachgas als genotsmiddel leidt tot een gedragsverandering, die zowel euforie als onrust of angst kan geven. Het gebruik in combinatie met grote hoeveelheden alcohol of andere middelen is gevaarlijk.
Hoewel het gebruik van lachgas in zijn algemeenheid niet lokaal verboden kan worden, nu het gaat om
een legaal middel, is het wel mogelijk de effecten op het openbare leven aan te pakken. Lokale regeling vanuit een ander motief is geoorloofd.
Met dit verbod wordt getracht het probleem van lachgasgebruik in de openbare ruimte bij de bron aan
te pakken. De gebiedsaanwijzing is naar verwachting noodzakelijk om binnen de grenzen van de lokale verordenende bevoegdheid te blijven.
Dit artikel zal zijn werking verliezen zodra de landelijke voornemens geëffectueerd worden om lachgas te verbieden middels plaatsing op lijst I van de Opiumwet.
Artikel 2:48 Verboden drankgebruik In dit artikel is een verbod opgenomen om alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet voor terrassen die
deel uitmaken van een horecabedrijf, of voor een evenement waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de Alcoholwet toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt alcoholhoudende drank te verstrekken.
Vanwege de wijziging van de Alcoholwet in 2013, is het voor jongeren onder de achttien jaar reeds op grond van die wet verboden om alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en blikjes
met dergelijke drank bij zich te hebben, daarom is hier bepaald dat het verbod geldt voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt
Verstoring openbare orde Bij daadwerkelijke verstoring van de openbare orde kunnen op grond van artikel 3 van de Politiewet 2012 bevelen tot verwijdering worden gegeven.
Soms (als bijvoorbeeld wordt geconstateerd dat flesjes worden stukgegooid) zal optreden mogelijk zijn aan de hand van artikel 424 van het WvSr (baldadigheid). De hantering van deze wetsbepalingen is in
de praktijk echter niet eenvoudig. Er bestaat daarom behoefte aan dit artikel, waardoor optreden in wat men zou kunnen noemen de ‘voorfase’ – dus het bier drinken op bepaalde plaatsen – mogelijk wordt.
Artikel 2:48a Gevaarlijk drinkgerei en verpakkingen Doel van dit artikel is het gevaar dat de aanwezigheid van glas op straat met zich meebrengt, te
verminderen. De risico’s van glas op straat in uitgaansgebieden zijn evident. Regelmatig doen zich
incidenten voor in Nederland met verwondingen door glaswerk. Ook in Nijmegen zijn er in het verleden
ernstige verwondingen ontstaan door gebroken bierglazen. Binnen een inrichting kan en mag van het personeel verwacht worden dat men ingrijpt bij onwenselijke situaties, maar in de openbare ruimte is er niet altijd toezicht aanwezig waardoor ingrijpen niet altijd mogelijk is. Voorkomen is dan de beste optie.
Het verbod van lid 1 is een aanvulling op het verbod om alcohol te nuttigen op straat. Het tweede lid maakt een uitzondering voor terrassen. Hier is immers toezicht aanwezig die voorkomt dat glaswerk wordt meegenomen op straat.
Het derde lid geeft de burgemeester de bevoegdheid de verstrekking van alle soorten drank in
bepaalde aangewezen risicovolle verpakkingen te verbieden gedurende een bepaalde tijd in een bepaald gebied. De burgemeester kàn de verkoop van alle verpakte dranken, al dan niet
alcoholhoudend, voor gebruik elders dan ter plaatse verbieden, maar heeft ook de mogelijkheid om
slechts bepaalde soorten verpakkingen te verbieden. Hierdoor kan maatwerk geleverd worden, om de beperking in voorkomende gevallen zo gering mogelijk te houden. De burgemeester baseert zijn
oordeel, of beperking dringend noodzakelijk is in het kader van de openbare orde en veiligheid of andere belangen, o.a. op een advies van de politie.
Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:47 (Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen).
Op basis van artikel 2:49 kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast bij of in gebouwen worden opgetreden.
Artikel 2:49a Verbod slapen op of aan de weg Dit verbod wordt ingezet om overlast van in de openbare ruimte overnachtende personen aan te
kunnen pakken. Het gaat dan met name om de situaties waar er sprake is van klachten, bijvoorbeeld
omdat er gebruik gemaakt wordt van de portiek van een woning, of om personen die zeer regelmatig de orde verstoren en overlast veroorzaken.
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek toegankelijke ruimten
zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor een openbaar vervoermiddel tegen te gaan.
In deze bepaling wordt het woord ‘ruimte’ gebruikt ter onderscheiding van het in de APV voorkomende begrip ‘weg’. Om een indicatie te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het publiek toegankelijke ruimten de bepaling ziet, is bij wijze van voorbeeld een aantal ruimten concreet genoemd.
Desgewenst kan deze reeks van voorbeelden met andere worden uitgebreid. Het ordeverstorende
element ten slotte wordt door de zinsnede “zonder redelijk doel of op voor anderen hinderlijke wijze” in de bepaling tot uitdrukking gebracht.
Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het WvSr, betreffende het
wederrechtelijk vertoeven (in een woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan worden opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende. De politie kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. In het belang van de handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of ordeverstorend gedrag in
zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in andere soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen, mede om de eigendommen van derden te beschermen.
Jurisprudentie HR 12-06-1951, NJ 1951, 618. Artikel 138 van het WvSr vereist een handeling van een rechthebbende.
HR 02-04-1985, NJ 1985, 796 (Algemeen reglement vervoer NS). Reglement NS, inhoudende een
verbod om zich op enig gedeelte van het station onbehoorlijk te gedragen, is noch in strijd met artikel 1 WvSr noch met artikel 7 van het EVRM,
HR 01-09-1998, NJ 1999, 61 (APV Amsterdam). De (min of meer gelijkluidende) bepaling in de APV Amsterdam is verbindend, omdat de norm voldoende is geconcretiseerd.
Artikel 2:50a Sluiting van voor publiek toegankelijke ruimten Artikel 174 van de Gemeentewet vormt de grondslag voor de bevoegdheid om een of meer voor het publiek openstaande gebouwen tijdelijk te sluiten.
Aanleiding voor sluiting moet zijn gelegen in de in het artikel genoemde belangen. Dit artikel is niet van toepassing in die gevallen dat er reeds voorzien is in een wettelijke regeling, zoals artikel 13b
Opiumwet. Ook indien bij horeca-inrichtingen een imperatieve intrekkingsgrond van toepassing is, ligt
het voor de hand om die voorrang te geven, hoewel het in voorkomende gevallen mogelijk en denkbaar is om tevens een sluiting op te leggen op grond van dit artikel.
Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen of bromfietsen Het plaatsen van voertuigen is op verschillende plaatsen geregeld, steeds met een wisselende
bedoeling: de instandhouding van het plantsoen, het tegengaan van diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat het om de voorkoming van overlast en dergelijke.
Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen panden, terwijl de eigenaar heeft aangegeven dat dit niet gewenst is of waardoor de toegang tot het gebouw wordt gehinderd, geeft vaak aanleiding tot klachten. Artikel 2:51 geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden.
Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke Op grond van het RVV kunnen bepaalde categorieën weggebruikers van bepaalde wegen worden
geweerd. De achtergrond daarvan is het verkeersbelang, hetzij de verkeersveiligheid of de vrijheid van het (andere) verkeer. Dat moet op de in het RVV voorgeschreven wijze ter kennis van de weggebruiker worden gebracht.
Er kunnen echter andere motieven zijn om bepaalde categorieën weggebruikers te weren. Hier is een
verbod opgenomen om de fiets of bromfiets mee te voeren op terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein gedurende die tijd. In de mensenmenigte kan een fiets hinder veroorzaken. Het verbod moet wel aan de bezoekers van het terrein worden kenbaar gemaakt.
Artikel 2:53 Bespieden van personen Deze bepaling is gericht op excessieve situaties. Anders dan bij het delict belaging (‘stalking’) uit
artikel 285b van het WvSr is geen oogmerk vereist om iemand ergens toe brengen of van af te houden, dan wel vrees aan te jagen. Dit artikel is daar dus een aanvulling op.
Met deze bepaling wordt beoogd ongemerkte en als ongewenst ervaren verstoring van de privacy te
verbieden. Toepassing van het artikel zal alleen in excessieve situaties plaatsvinden. De politie zal in het algemeen pas optreden indien burgers klachten hebben geuit over voyeurs. Een bepaling over
heimelijk afluisteren is in verband met artikelen 139a en verder, 374bis en 441a van het WvSr niet nodig.
Artikel 2:57 Loslopende honden Artikel 2:57 beperkt het loslopen van honden, zonder dat de hond aangelijnd is, binnen bepaalde gebieden.
Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten grondslag.
In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen:
de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar kan worden gebracht;
het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden; het voorkomen van hinder voor voetgangers;
het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden, zandbakken, e.d.);
het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat loslopende honden andere dieren en wel met name schapen en kippen naar het leven staan.
Het eerste lid, onder c, maakt het mogelijk om ook buiten de bebouwde kom plaatsen aan te wijzen waar honden moeten worden aangelijnd.
Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden aangetroffen, kunnen
de honden op basis van artikel 125 van de Gemeentewet (bestuursdwang) gevangen worden genomen
en overgedragen aan een door het college aangewezen asiel. Dit vindt uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te achterhalen is.
Het BW geeft in boek 5 een regeling voor gevonden dieren. De vinder van een hond kan het dier bij de gemeente in bewaring geven. De gemeente moet op basis van Boek 5, artikel 8, derde lid, van het BW vervolgens ten minste twee weken de verzorging van het dier op zich nemen. In de praktijk wordt
hieraan meestal vorm gegeven door het dier onder te brengen bij een dierenasiel, waarbij de gemeente de kosten voor het verblijf, de voeding en de verzorging betaalt. Na twee weken is de burgemeester bevoegd het dier te verkopen of weg te geven. Als deze mogelijkheden zijn uitgesloten dan kan de burgemeester het dier laten afmaken. De termijn van twee weken kan worden bekort als de kosten
voor de verzorging onevenredig hoog zullen zijn of als het afmaken van het dier om geneeskundige redenen is vereist.
Deze regeling geldt alleen voor gevonden dieren. Wanneer de eigenaar het dier niet is verloren,
bijvoorbeeld omdat duidelijk is dat het dier slechts even verwijderd is van eigenaar of erf, is geen sprake van een ‘gevonden dier’.
De regeling over het doden van dieren is uitputtend bedoeld. De gemeentelijke wetgever mag derhalve het doden van loslopende honden in het geheel niet regelen.
Jurisprudentie Vz. ARRS 20-07-1993, JG 94.0055, AB 1994, 454. Het college dient het onaangelijnd zijn van de hond te gedogen in verband met de functie van de hond als signaal- of dovengeleidehond.
Vz. ABRvS 13-12-1996, JG 97.0050. Aanwijzing hondenuitlaatzone. Betrokkenen zijn
belanghebbenden, gelet op de geringe afstand tussen de woningen en de uitlaatzone.
Vz. ABRvS 09-08-2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4643. Bij een besluit tot aanwijzing van een
hondenuitlaatterrein komt aan het college beleidsvrijheid toe. De rechterlijke toets beperkt zich in deze zaak tot de vraag of het college in redelijkheid de bedoelde locatie als hondenuitlaatterrein heeft
kunnen aanwijzen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het aanwijzingsbesluit de rechterlijke toets doorstaat.
Rb. Overijssel 26-01-2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:440. De kantonrechter is van oordeel dat een ‘electronisch aangelijnde’ hond, geen hond is die aangelijnd is zoals bedoeld in de APV. Het
achterliggende doel van de bepaling, handhaving van de openbare orde, wordt met de Petsafe volstrekt niet gelijkwaardig gediend als met een fysieke aanlijning het geval is.
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook wordt via
hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid. Los daarvan staat het probleem al jaren hoog in de ranglijsten van ergernissen.
Er zijn verschillende manieren om de overlast van hondenuitwerpselen aan te pakken. Handhaving vraagt betrapping op heterdaad, de bedoeling van de bepaling is daardoor deels
preventief. Het is mogelijk om het bij zich hebben van ‘opruimmiddelen’ verplicht te stellen, wat
uiteraard wel controleerbaar is. Overtreding van het verontreinigingsverbod door hondenuitwerpselen behoort tot de zogenaamde verontreinigingsdelicten, die vatbaar zijn voor transactie door de politie.
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden Dit artikel schept voor de burgemeester de mogelijkheid om na een (bijt)incident met een hond dat
naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk op te treden (wat er doorgaans op neer
komt dat de hond in beslag wordt genomen en een gedragstest ondergaat om te bekijken of de hond geresocialiseerd kan worden of moet inslapen), de eigenaar te verplichten de hond te muilkorven of
kort aan te lijnen. Sinds de intrekking van de Regeling agressieve dieren is er in landelijke wetgeving geen definitie van muilkorf meer gegeven, vandaar dat hier een definitie is opgenomen. Overtreding van de gebodsbepaling moet de gemeente vanzelfsprekend strafbaar stellen in artikel 6:1.
Meer informatie over de aanpak van gevaarlijke honden op basis van de huidige wetgeving is te vinden in twee artikelen uit de Gemeentestem: Over honden en brokken: de publiekrechtelijke aanpak van
bijtincidenten deel I en II, Gst. 2017/79 en 89. In het eerste deel wordt het standpunt ingenomen dat
de lichte bevelsbevoegdheid van de burgemeester van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet niet de bevoegdheid geeft om de hond te laten inslapen. Ten eerste omdat als een hond in beslag is
genomen, deze doorgaans in een opslagplaats buiten de gemeente vertoeft (en zich dus buiten het
eigen gemeentelijke domein bevindt). Ten tweede omdat de lichte bevelsbevoegdheid bedoeld is voor lichte gevallen en het laten inslapen van een hond niet als zodanig kan worden bestempeld.
Op 5 februari 2018 heeft de verantwoordelijke minister voor dierenwelzijn, de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, een brief aan de Tweede Kamer gestuurd over haar
beleidsvoornemens met betrekking tot de aanpak van zogenaamde hoog-risicohonden (Kamerstukken
II 2017/18, 28 286, nr. 942). De minister wil samen met gemeenten een totaalpakket aan maatregelen opstellen, ieder vanuit eigen rol en verantwoordelijkheid. Eerste onderdeel van dat totaalpakket is dat
het CCV een barrièremodel en interventiekompas gaat opstellen, instrumenten om de problematiek en het effect van de maatregelen te analyseren. Verder wil de minister de kennis en kunde van de
hondenhouder verbeteren; hondenbelangenorganisaties zouden cursussen moeten ontwikkelen.
Gemeenten kunnen de hondenhouder dan in voorkomend geval naar zo’n cursus sturen. Dit zal niet zozeer op grond van de APV zijn, maar op grond van artikel 125 van de Gemeentewet juncto artikel
5:21 en volgende van de Awb (last onder bestuursdwang/dwangsom), of – als ultimum remedium – in acute situaties op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet (bevelsbevoegdheid
burgemeester bij acute, concrete (dreigende) verstoring openbare orde). Ook wil de minister dat gemeenten en politie kunnen beschikken over betrouwbare data en dat zij daarom data over
bijtincidenten bijhouden. Het gaat hier over een landelijk registratiesysteem en een laagdrempelig
meldpunt bij gemeenten, zoals ook opgenomen in de brief van 17 mei 2017 van de staatssecretaris van Economische Zaken (Kamerstukken II 2016/17, 28 286, nr. 909). De minister wil ook een
wetenschappelijk onderbouwde lijst van hoog-risicohonden die gemeenten kunnen gebruiken om in combinatie met binnengekomen signalen via het laagdrempelig meldpunt, problematische
hond/eigenaar-combinaties eerder op te sporen en gerichte maatregelen te treffen. Bij genoemde brief van 17 mei 2017 was in bijlage 3 al een lijst opgenomen. Die kunnen gemeenten nu al gebruiken in combinatie met binnengekomen signalen.
De Tweede Kamer heeft op 6 maart 2018 een motie aangenomen waarin hij de regering verzoekt
advies in te winnen van de Raad voor Dierenaangelegenheden over de (juridische) mogelijkheid van een fok- en importverbod als sluitstuk van het beleid ten aanzien van hoog-risicohonden (Kamerstukken II 2017/18, 28 286, nr. 957).
Jurisprudentie ARRS 05-02-1991, Gst. 1991, 6932, 13. Aanschrijving tot muilkorving van gevaarlijke honden.
Politierapport en vonnis kantonrechter voldoende aanleiding voor standpunt dat honden gevaarlijk zijn en de te treffen maatregelen.
Vz. CBb 24-05-1993, AB 1993, 460. Gevecht tussen niet-gemuilkorfde pitbullterriërs en een andere hond, waarbij een hond is overleden en een omwonende is aangevallen. De burgemeester heeft in
redelijkheid het zwaarste gewicht kunnen toekennen aan de bescherming van de veiligheid van mens en dier in de gemeente en besloten tot het doden van de pitbulls op grond van artikel 74 van de GWWD.
Pres. Rb. Zwolle 03-0-1995, JG 95.0307, Gst. 1996, 7028. Een soortgelijke casus. Artikel 74 van de GWWD is een speciale bevoegdheid ten opzichte van artikel 172 van de Gemeentewet.
Vz. ABRvS 22-05-2001, KG 2001, 179. Muilkorfgebod op grond van de APV voor Argentijnse Dog na bijtincident met dodelijke afloop voor andere hond. Het college heeft bij het opleggen van een dergelijke maatregel een ruime mate van beoordelingsvrijheid. Niet onevenredig.
ABRvS 02-07-2014, ECLI:NL:RVS:2014:2380. Het college heeft met het opleggen van een gebod tot kort aanlijnen in combinatie met een muilkorfgebod ter voorkoming van nieuwe bijtincidenten, de
grenzen van de hem in dit verband toekomende beoordelingsvrijheid niet overschreden. Het college heeft in redelijkheid de herdershonden als gevaarlijk kunnen aanmerken en het aanlijn- en muilkorfgebod kunnen opleggen.
ABRvS 02-12-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3689. Bijtincidenten leiden tot maatschappelijke onrust en
verstoring van de openbare orde. Burgemeester mocht hond Diesel in beslag nemen op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet. Geen vervolgmaatregelen (euthanaseren, tenzij hond overgedragen aan een ander) op grond van dit artikel mogelijk, nu na inbeslagneming onrust en verstoring openbare orde zich niet meer voordoen.
ABRvS 13-04-2016, ECLI:NL:RVS:2016:984. Het college komt beoordelingsvrijheid toe bij het bepalen of een hond gevaarlijk of hinderlijk is en of in verband daarmee een aanlijn- en muilkorfgebod
noodzakelijk is. Aanlijn- en muilkorfgebod terecht opgelegd. Geen grond voor preventieve last onder dwangsom, want er bestaat geen grond voor het oordeel van het college dat appellante zich met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet aan het voor de hond (een Rottweiler) opgelegde aanlijn- en muilkorfgebod zal houden.
Rb. Zeeland-West-Brabant 30-10-2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:6936 en Rb. Zeeland-West-Brabant 2012-2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:8467. Bijtende hond (Mechelse herder) vormt concreet en actueel gevaar voor de openbare orde. Burgemeester is op grond van artikel 172, derde lid, van de
Gemeentewet bevoegd tot in beslag nemen en testen. Aanlijn- en muilkorfgebod niet toereikend.
ABRvS 04-10-2017, ECLI:NL:RVS:2017:2689. Het college heeft beoordelingsruimte bij de beoordeling
of een hond (Bordeaux dog) gevaarlijk of hinderlijk is als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid, van de APV en beleidsruimte bij zijn beslissing om al dan niet een aanlijngebod op te leggen. College mocht
afgaan op een naar aanleiding van een bijtincident door een agent, tevens hondengeleider, opgesteld proces-verbaal van bevindingen om de hond als gevaarlijk aan te merken. Aanlijngebod terecht opgelegd.
ABRvS 28-02-2018, ECLI:NL:RVS:2018:644. In het licht van meerdere incidenten is de Afdeling van
oordeel dat de burgemeester in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot inbeslagname op grond van
172, derde lid, van de Gemeentewet. In haar oordeel betrekt de Afdeling dat maatregelen (aanlijn- en muilkorfgebod; voorzieningen treffen op eigen terrein) een nieuw bijtincident niet hebben kunnen
voorkomen, de daardoor ontstane onrust in de woonomgeving en dat de burgemeester op grond van
het risico-assessment heeft mogen meewegen dat de eigenaresse van de hond in een kinderrijke buurt woont. De annotatoren J.G. Brouwer en A.E. Schilder zijn kritisch over het gebruik van de lichte
bevelsbevoegdheid in deze situatie (AB 2019/148). Deze bevoegdheid leent zich volgens hen niet voor
inbeslagname van een hond. Zij bepleiten toepassing van de herstelsanctie last onder bestuursdwang
(afdeling 5.3.1 van de Awb). Op basis van artikel 5:30, vijfde lid, van de Awb kan de hond in eigendom aan een derde worden overgedragen of worden vernietigd (lees: de hond laten inslapen).
ABRvS 18-07-2018, ECLI:NL:RVS:2018:2448 (Roosendaal). De burgemeester is niet bevoegd om zijn in artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet neergelegde bevoegdheid aan te wenden in een situatie waarin de APV voorziet. Als een aanlijn- of muilkorfgebod kan worden opgelegd om een nieuw
bijtincident te voorkomen, kan de burgemeester in redelijkheid niet van deze bevelsbevoegdheid gebruikmaken.
ABRvS 19-02-2020, ECLI:NL:RVS:2020:514 (Assen). Het college van B&W had met toepassing van spoedeisende bestuursdwang besloten tot inbeslagname van een rottweiler. Het besluit tot
inbeslagname was gebaseerd op een artikel in de APV die vergelijkbaar is met artikel 2:59 van de
model APV. Het besluit tot inbeslagname heeft bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State stand gehouden. Dit is voor het grootste deel terug te voeren op het feit dat het college de hond eerder als gevaarlijke hond had aangewezen en hiermee ook een aanlijn- en muilkorfgebod had
opgelegd. De Afdeling vindt het aannemelijk dat de hond bij latere bijtincidenten niet gemuilkorfd was.
Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein Het aanlijn- en/of muilkorfgebod dat de burgemeester kan opleggen voor het laten verblijven of laten
lopen van een gevaarlijke hond op een openbare plaats of op het terrein van een ander (artikel 2:59), is niet in alle gevallen voldoende om bijtincidenten te voorkomen. Deze maatregel voorkomt niet dat
mensen geconfronteerd worden met bijtincidenten op privéterrein. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan postbezorgers en koeriers, maar ook aan bijtincidenten die plaatsvinden binnen een
huishouden. Om hier enigszins aan tegemoet te komen is artikel 2:59a opgenomen. Artikel 2:59a
bepaalt dat het de eigenaar of houder van een gevaarlijke hond verboden is die hond zonder muilkorf op zijn terrein los te laten lopen. Het verbod geldt niet als er voorzieningen zijn getroffen waardoor
gevaar voor derden in de openbare en vrij toegankelijke privéruimte niet aanwezig is. De VNG heeft de volgende drie cumulatief geldende voorzieningen benoemd:
- een duidelijk leesbaar waarschuwingsbord dat vanaf de weg zichtbaar is; - een buiten het terrein geplaatste brievenbus of aanbelmogelijkheid, en - een deugdelijke afrastering die voorkomt dat de hond zelfstandig buiten het terrein kan komen.
Gemeenten kunnen desgewenst ook andere voorzieningen benoemen. Deze bepaling is gericht op de veiligheid in de openbare ruimte en voorkomt dat gevaarlijke honden op de openbare weg komen doordat ze van het terrein ontsnappen. Het verplicht plaatsen van een
waarschuwingsbord zorgt ervoor dat mensen die een terrein willen betreden gewaarschuwd worden. Toepassing van dit artikel zal in de praktijk in combinatie met artikel 2:59 plaatsvinden; daarom is in het eerste lid als keuzemogelijkheid de koppeling met dat artikel gelegd.
Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren Door in het eerste lid de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer” op te nemen wordt de afbakening met de Wm direct vastgelegd.
Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de volksgezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen.
Daarom is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de
volksgezondheid veroorzaakt. Waar het college bij een aanwijzing bevoegd is verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er sprake van delegatie van verordenende
bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 van de Gemeentewet. Tevens wordt in dit verband nog gewezen worden op de Wet natuurbescherming , waarin onder meer regels worden gegeven ter bescherming van dieren.
Jurisprudentie ARRS 26-02-1991, Gst. 1991, 6962, 3. Aanschrijving tot verplaatsing van een hok van een haan die geluidsoverlast veroorzaakt. Nader onderzoek van het college verlangd.
Vz. ARRS 02-06-1991, JG 92.0007, AB 1991, 686. Aanschrijving verwijdering pluimvee in verband met overlast omwonenden.
ARRS 09-04-1992, JG 92.0401, AB 1992, 583. Aanschrijving tot verwijdering van kraaiende haan terecht. De door het college gehanteerde methode van geluidmeting is niet onredelijk.
ARRS 22 12 1993, JG 94.0137. Overlast van een papegaai. Onvoldoende onderzoek naar de klacht.
ABRvS 03-07-1999, JG 99.0003. Aanschrijving tot verwijdering paard in verband met overlast
omwonenden terecht. Klachten van omwonenden, onderzoek van bouw- en woningtoezicht en procesverbaal van politie geeft voldoende feitelijke onderbouwing.
ABRvS 17-10-2001, ECLI:NL:RVS:2001AD4785. Ernstige geluidsoverlast door kikkers in een poel.
Zonder aanwijzing van het college kan artikel 2.4.20 geen grondslag bieden voor de toepassing van bestuursdwang. Dat de kikkers zonder de activiteiten van de buurman niet in de poel zouden zijn gekomen, betekent niet dat hij de zorg voor de kikkers heeft.
ABRvS 16-03-2016, ECLI:NL:RVS:2016:700. Overlast door honden. Last onder dwangsom om honden op bepaalde tijden niet in achtererfgebied uit te laten.
ABRvS 28-06-2017, ECLI:NL:RVS:2017:1690. Artikel 2:60, eerste lid, aanhef en onder a, van de APV
biedt geen grondslag om een persoonlijk verbod tot het houden van bepaalde honden op te leggen. Van belang is dat een plaatsaanwijzing krachtens deze bepaling voor een ieder geldt en niet is verbonden aan individuele personen.
Artikel 2:62 Loslopend vee
Dit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk gebeuren er verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit het weiland is gebroken en zich op de weg bevindt. De
verplichting dit zoveel mogelijk te voorkomen is daarom op haar plaats. Een verbod tot het los laten lopen van honden, dat mede de verkeersveiligheid dient, is opgenomen in artikel 2:57.
Ten slotte wordt nog gewezen op artikel 458 van het WvSr. Daarin wordt het, zonder daartoe
gerechtigd te zijn, laten lopen van niet uitvliegend pluimgedierte (o.a. kippen en kalkoenen) in tuinen of op enige grond die bezaaid, bepoot of beplant is, met straf bedreigd.
Afdeling 9. Bestrijding van heling van goederen
Algemeen De bestuurlijke aanpak van heling binnen de gemeente kan een belangrijke aanvulling vormen op het strafrechtelijk optreden.
Het WvSr bevat enkele bepalingen die de bestrijding van heling op het oog hebben. Dat zijn de
artikelen 416, 417, 417bis, 417ter, 437, 437bis, 437ter en 437quater. Het binnentreden bij handelaren is – ook zonder dat een strafbaar feit wordt vermoed – te allen tijde mogelijk op basis van artikel 552 van het WvSv.
De in artikel 141 van het WvSv genoemde opsporingsambtenaren hebben om controle uit te oefenen
vrije toegang tot alle vestigingen en andere plaatsen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat
zij door een handelaar worden gebruikt. Indien deze plaatsen als woning zijn aan te merken, moet het bepaalde in de Awbi in acht worden genomen. De politie kan voorwerpen in beslag nemen. Op grond van artikel 142 van het WvSv kunnen toezichthouders als buitengewone opsporingsambtenaren
optreden. Zie daarover meer in de toelichting bij hoofdstuk 6 ‘Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen’. Gelet op het karakter van de voorschriften inzake de heling is overigens voor buitengewone
opsporingsambtenaren, naast de algemene opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 van het WvSv, bij de controle op de naleving van voorschriften inzake de helingbestrijding in het algemeen
geen plaats. De in artikel 552 van het WvSv neergelegde binnentredingsbevoegdheid is dan ook alleen verleend aan de algemene opsporingsambtenaren.
Voor de handhaving van de helingbepaling zal er op moeten worden toegezien dat bekend is, welke
handelaren zich in de gemeente hebben gevestigd. Aan de verplichting ex artikel 437ter, tweede lid, van het WvSr om zich schriftelijk aan te melden bij de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar wordt in de huidige praktijk door veel handelaren niet voldaan. In dat geval zal de
burgemeester gebruik moeten maken van de mogelijkheid de hem door artikelen 437 en verder van het WvSr toegekende taken op te dragen aan door hem aan te wijzen ambtenaren.
Door capaciteitsproblemen bij de politie zal het doorgaans niet mogelijk zijn alle handelaren aan een
regelmatige controle te onderwerpen. De controle zal zich moeten toespitsen op die branches waarin
relatief veel gestolen goederen worden verhandeld en waarin relatief veel notoire helers voorkomen (de antiek , (brom)fiets en autohandel). Ten behoeve van de andere branches zou het college dan vrijstelling kunnen verlenen van de in de gemeentelijke helingvoorschriften opgenomen registratieverplichtingen.
Artikel 2:66 Definitie
Handelaar
Voor de omschrijving van het begrip ‘handelaar’” verwijst artikel 437, eerste lid, van het WvSr naar de AMvB op grond van dit artikel (Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het WvSr, KB 06-011992).
Artikel 1 van dit besluit noemt als handelaren: opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, platina, goud, zilver, edelstenen, uurwerken, kunstvoorwerpen, auto’s, motorfietsen, bromfietsen, fietsen en foto-, film-, radio-, audio- en videoapparatuur en apparatuur voor
automatische registratie. Onder ‘“handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen’” worden tevens handelaren in antiek en curiosa verstaan. Daarom hoeven zij niet apart te worden vermeld.
Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister De in dit artikel opgenomen verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister vinden hun basis in artikel 2 van de AMvB op grond van artikel 437 van het WvSr. Artikel 437, eerste lid, onder a, van het WvSr verplicht de handelaar tot het aantekening houden van het verwerven dan wel voor handen hebben van alle gebruikte en ongeregelde goederen. In de MvT wordt gezegd dat de
administratieplicht alleen zinvol is als het om dit soort goederen gaat, omdat dan de kans bestaat dat zij van misdrijf afkomstig zijn.
In artikel 2 van eerdergenoemde AMvB worden regels gegeven betreffende de wijze van aantekening houden. Zo is bepaald dat de registerplichtige handelaar een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register houdt en daarin onverwijld de vereiste gegevens vermeldt: het zogenaamde inkoopregister.
Bij het opstellen van regels met betrekking tot het verkoopregister is aansluiting gezocht bij de
terminologie van de formulering van het inkoopregister, welke overigens is geregeld bij wet en AMvB.
Net als bij het inkoopregister verdient het aanbeveling om de handelingen die leiden tot het opstellen van een verkoopregister algemeen te omschrijven.
Net als het inkoopregister moet het verkoopregister doorlopend zijn. Een doorlopend register is een
register waarin de aantekeningen waarvoor het is bestemd achtereenvolgens naar tijdsorden worden ingeschreven, met uitsluiting van de mogelijkheid van latere inschrijvingen. Een register waarin een
aantal bladzijden ontbreekt, is geen doorlopend register. Het register mag geen onregelmatigheden en hiaten vertonen en moet chronologisch zijn.
Eerste en tweede lid Hier is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister bij te houden (‘alle’ goederen).
Aangezien het meestal zal gaan om bepaalde goederen als fietsen, auto’s of antiek, is in het tweede lid een vrijstellingsbepaling toegevoegd.
Derde lid Hier wordt de lex silencio positivo van toepassing verklaard op de ontheffing van het tweede lid. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van één tot alle verplichtingen in dit artikel. Doorgaans zal daarvoor een praktische reden zijn. Bovendien lijdt de ondernemer doorgaans geen grote schade wanneer er per abuis een vrijstelling van rechtswege ontstaat en die wordt teruggedraaid.
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht
Deze bepaling, die gebaseerd is op artikel 437ter, eerste lid, van het WvSr, bevat voorschriften die in het algemeen het gevaar voor heling beogen te voorkomen.
Onder a, ten eerste Artikel 437ter, tweede lid, van het WvSr legt de handelaar de verplichting op de burgemeester of door hem aangewezen ambtenaren tevoren schriftelijk in kennis te stellen als hij van het opkopen een
beroep of gewoonte maakt. De wetgever heeft afgezien van een regeling om de uitoefening van het opkopersbedrijf aan een voorafgaande toelating door het gemeentebestuur te binden. De aanmeldingsplicht is in onderdeel a, sub 1e, nader uitgewerkt.
Onder a. ten tweede en derde Als zich wijzigingen in het adres of beroep van de handelaar voordoen, dient de burgemeester hiervan in kennis te worden gesteld. De politie kan hierdoor de registratie van de handelaren actueel houden.
Onder a, ten vierde Hier spelen onder meer de omstandigheden waaronder het goed aan de handelaar wordt aangeboden
en diens wetenschap zelf een rol. De inhoud van deze bepaling ligt dicht tegen die van artikel 437bis, eerste lid, van het WvSr aan. Hier is het echter de ondernemer die het initiatief moet nemen. Deze bepaling kan niet in strijd worden geacht met de artikelen 160 en 161 van het WvSv.
Onder b In artikel 437, eerste lid, onder c, van het WvSr wordt aan de daartoe aangewezen ambtenaar de
bevoegdheid gegeven om inzage te hebben in het inkoopregister. De bevoegdheid tot inzage in het
verkoopregister is niet aangegeven in het WvSr, zodat een regeling in de APV noodzakelijk is. Door de bevoegdheid tot inzage van het verkoopregister bij de daartoe aangewezen ambtenaar te leggen, kan deze ambtenaar zowel het inkoop als het verkoopregister inzien.