CConstaterende datNijmegen
Koppel je AI →
Document · PDF

Artikelsgewijze toelichting

Besluitronde (raadsvergadering) 8 juni 2022, gemeente NijmegenBij agendapunt: Raadsvoorstel Herziening van de Algemene Plaatselijke Verordening (26/2022)48.792 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

nodig en niet wenselijk. Overigens vallen individuele uitingen wel onder de bescherming van artikel 7

van de Grondwet. Het eerste lid van artikel 7 van de Grondwet verbiedt expliciet een voorafgaand verlof ten aanzien van schriftelijke uitingen, ook als die uitingen godsdienstig of levensbeschouwelijk van

aard zijn. Het derde lid van artikel 7 van de Grondwet verbiedt voorafgaand verlof voor wat betreft de inhoud voor het mondeling openbaren van gedachten of gevoelens, bijvoorbeeld tijdens een

‘eenmensprotest’. Dat wil zeggen dat een ‘eenmensprotest’ of een openbare godsdienstbelijdenis

(denk aan een prediker op een zeepkist) niet (voorafgaand) vanwege de inhoud van de boodschap mag worden beperkt of verboden. Wel kan op basis van de APV worden opgetreden tegen de wijze waarop de boodschap wordt verkondigd, bijvoorbeeld als een spandoek verkeersbelemmeringen opwerpt.

Onwettig en intolerant gedrag van derden

Het recht van betoging kan niet zonder meer beperkt worden. In de jurisprudentie over het onwettig of intolerant gedrag van derden tegenover de deelnemers aan een betoging, zware belasting van het

politiekorps en ernstige hindering van het verkeer is uitgemaakt dat een beperking van het recht tot

betoging moet zijn gelegen in zwaarwegende omstandigheden (Vz. ARRS 27-05-1982, AB 1983, 62 (idem demonstratieverbod Afcent, Wnd. Vz. ARRS, 30-05-1983, AB 1984, 85)). Een betoging mag slechts in dwingende situaties preventief worden verboden (Pres. Rb. Maastricht 22-03-2001, ECLI:NL:RBMAA:2001:AB0754).

De omstandigheid dat een bepaalde demonstratie bij het publiek irritaties opwekt of

tegendemonstraties uitlokt, is onvoldoende basis om de demonstratie op grond van de Wom te

verbieden. Slechts wanneer er gegronde vrees bestaat voor ernstige ongeregeldheden die niet kunnen worden voorkomen of bestreden door middel van door de overheid te treffen maatregelen, kan er grond bestaan een demonstratie te verbieden (Wnd. Vz. ARRS 21-03-1989, KG 1989, 158).

Betogers hebben dus in beginsel recht op bescherming tegen tegenbetogers en andere derden. Pas als

er moet worden gevreesd voor ernstige wanordelijkheden die tot bestuurlijke overmacht leiden (dus die niet kunnen worden beteugeld met de beschikbare politiecapaciteit), kan de initiële betoging worden verboden. Overigens volgt uit richtlijnen van de OVSE dat een tegendemonstratie die wel vreedzaam verloopt, binnen gezichts- en gehoorafstand van de eerste betoging moet worden toegestaan.

Klokgelui en oproepen tot gebed Artikel 10 van de Wom stelt dat de raad bevoegd is om regels te stellen over de duur, het tijdstip en het geluidsniveau van klokgelui en oproepen tot gebed (zie EHRM 16-10-2012, ECLI:NL:XX:2012:BY5233 (Schilder/Nederland)).

De strekking van artikel 10 van de Wom is niet om een beperkingsbevoegdheid op het grondrecht

vrijheid van godsdienst of levensovertuiging te creëren, maar om het recht tot klokluiden en oproepen

tot gebed buiten twijfel te stellen en daarnaast de autonome bevoegdheid van gemeentebesturen om in het kader van de beperking van geluidsoverlast regelend op te treden onverlet te laten.

Gemeentelijke regels die klokgelui en oproepen tot gebed in het kader van geluidsoverlast beperken zijn dus geen medebewind, maar autonome bepalingen.

Artikel 10 van de Wom vertoont een zekere overlap met artikel 4:6 ‘Overige geluidhinder’. Zie de toelichting bij artikel 4:6.

Bevoegdheden burgemeester Los van zijn bevoegdheden krachtens de Wom, blijft de burgemeester bevoegd tot optreden krachtens de artikelen 175 en 176 van de Gemeentewet. De MvT bij de Wom geeft dit aan en ook de minister

belicht tijdens de Kamerbehandeling deze bevoegdheid nadrukkelijk. Deze twee artikelen zijn echter slechts beperkt toepasbaar. Er mag namelijk pas gebruik van gemaakt worden wanneer er sprake is

van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde of als er daadwerkelijk sprake is van ernstige verstoring van de openbare orde. In die gevallen kan de burgemeester krachtens artikel 175 van de

Gemeentewet de nodige bevelen of krachtens artikel 176 van de Gemeentewet een noodverordening uitvaardigen.

Het verbod van delegatie zou een obstakel kunnen zijn voor de burgemeester om krachtens artikel 176 van de Gemeentewet een grondrecht te beperken door middel van een noodverordening. Volgens de

Hoge Raad voegt het voorschrift op grond van artikel 176 van de Gemeentewet zich als bestanddeel in de omschrijving van de overtreding tegen het openbaar gezag van artikel 443 van het WvSr en het is

“dus de wet (in formele zin), die in die noodtoestand de zeer tijdelijke onderbreking van de uitoefening van het grondrecht gedoogt” (HR 28-11-1950, NJ 1951, 137 (Tilburgse APV)).

Bij betogingen waarbij ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde bestaat of de verstoring daadwerkelijk plaatsvindt, kan de burgemeester dus bevelen, zoals bedoeld in artikel 175 van de

Gemeentewet of de noodverordening zoals bedoeld in artikel 176 van de Gemeentewet uitvaardigen. Dit zou in het uiterste geval zelfs een verbod tot het houden van een betoging kunnen inhouden. De

burgemeester heeft in de noodsituaties, bedoeld in de artikelen 175 en 176 van de Gemeentewet, de

bevoegdheid om grondrechtbeperkende bevelen te geven ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Kennisgevingstermijn De Wom laat de gemeenteraad vrij in het stellen van regels betreffende het tijdstip waarop de

kennisgeving voor het houden van een manifestatie moet zijn gedaan. De wetgever gaat er blijkens de parlementaire geschiedenis van uit dat gemeenten de kennisgevingstermijn zo kort mogelijk houden. Uit de MvT bij de Wom blijkt dat de wetgever daarbij 24 of 48 uren in gedachten had. Het merendeel van de Nederlandse gemeenten hanteert een kennisgevingstermijn van 48 uren. Ook

internationaalrechtelijke organisaties bevelen aan een niet te lange kennisgevingstermijn te hanteren.

Een termijn van 48 uren wordt genoemd als een redelijke termijn. Langere termijnen hebben vanuit het

perspectief van de grondwettelijk en verdragsrechtelijk beschermde betogingsvrijheid niet de voorkeur.

Vierde lid Artikel 145 van de Gemeentewet bepaalt dat de Algemene Termijnenwet van overeenkomstige

toepassing is op termijnen in gemeentelijke verordeningen, tenzij in de verordening anders is bepaald. Het vierde lid bevat zo’n afwijkende bepaling, die voorkomt dat afhandeling op zaterdag of zondag of op een algemeen erkende feestdag of op een werkdag na 12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste is gedaan om toch nog over enige uren voor beoordeling en besluitvorming te beschikken.

Vijfde lid Een al te strikt vasthouden aan de kennisgevingstermijn verhoudt zich slecht tot de grondwettelijk en verdragsrechtelijk beschermde betogingsvrijheid. De burgemeester kan daarom in bijzondere

omstandigheden – bijvoorbeeld bij spontane manifestaties – afwijken van de kennisgevingstermijn.

Wat betreft het in rekening brengen van legeskosten door gemeenten voor het kennisgeven van een betoging heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zich in een brief van 17

januari 2017 (Kamerstukken II 2016/17, 34 324, nr. 2) aan de Tweede Kamer op het standpunt gesteld dat het heffen van legeskosten kan worden gezien als een beperking van grondwettelijke vrijheden.

Een expliciet wettelijk verbod op het heffen van leges voor het houden van een manifestatie is volgens de minister niet nodig, omdat dit al verboden zou zijn op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.

Beëindiging demonstratie Kan een vreedzame demonstratie worden beëindigd, enkel en alleen omdat die niet is aangemeld?

Het EHRM oordeelde in haar arrest van 17-07-2007 (NJB 2007, 1839) dat in bijzondere

omstandigheden, waarin een demonstratie een onmiddellijke reactie is op politieke gebeurtenissen, het enkel en alleen ontbreken van een melding onvoldoende is om de demonstratie te beëindigen. Als er

verder niets illegaals aan de hand is en de demonstratie geen bedreiging vormt voor de openbare orde, zou het beëindigen van de demonstratie alleen omdat de melding ontbreekt, een disproportionele beperking van het grondrecht om te demonstreren zijn. Zie ook EHRM 20-02-2014,

ECLI:CE:ECHR:2014:0220JUD000911704 (Nosov/Rusland). Verder is het laten horen van tegengeluid toegestaan (Rb. Den Haag 21-12-2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:15812 (anti-Pegida). Bovendien is het belangrijk dat contactpersonen worden aangesteld tijdens demonstraties (EHRM 05-01-2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0105JUD007456812 (Frumkin/Rusland)).

De Nationale ombudsman sluit zich daarbij aan: bij het beëindigen van een demonstratie moet in zijn visie altijd worden afgewogen of dat in het belang van volksgezondheid, het verkeersbelang, of ter voorkoming van wanordelijkheden noodzakelijk is. Dat is overigens ook het beleid van de

burgemeester van Den Haag. Dat blijkt uit het rapport “Demonstreren staat vrij” van de Nationale

ombudsman, december 2007 (https://www.nationaleombudsman.nl/uploads/rapport2007-290.pdf), waarin de juridische grenzen nog eens helder op een rij zijn gezet.

Er is alle reden om de lijn van het EHRM en de Nationale ombudsman aan te houden: het grondrecht van demonstratie moet niet lichtvaardig worden beperkt, en niets is logischer dan om ook bij het

beëindigen van een demonstratie vanwege het ontbreken van een melding af te wegen of het belang van volksgezondheid, het verkeersbelang, of de voorkoming van wanordelijkheden dat noodzakelijk

maken. Niet voor niets schept het artikel in de APV de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden een kort voor de demonstratie gedane melding te accepteren.

Of de Hoge Raad in een nieuw arrest aansluiting zou zoeken bij het EHRM valt niet te voorspellen. De Hoge Raad oordeelde namelijk in zijn arrest van 17-10-2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6741, anders en

onderschreef het oordeel van het hof dat een demonstratie kan worden beëindigd, alleen omdat die niet is gemeld. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het hof, omdat het hof ten onrechte had geoordeeld dat de politie op eigen gezag de demonstratie kon beëindigen. Die bevoegdheid ligt uitdrukkelijk bij de burgemeester, en die zal dan ook de feitelijke beslissing moeten nemen.

Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen Muziek maken kan onder omstandigheden aangemerkt worden als evenement als bedoeld in artikel

2:24. Het optreden van een straatmuzikant, bijvoorbeeld een harmonicaspeler, is in artikel 2:24, eerste

lid, onder f, uitgezonderd van het evenementbegrip. Net als straatfotografen en de andere categorieën, genoemd in artikel 2:9, wordt een straatmuzikant onder de straatartiesten geschaard.

De motieven om openbare plaatsen aan te wijzen zijn dwingende redenen van algemeen belang,

hetgeen omvat: openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu. Zie voor de betekenis van deze begrippen de toelichting bij artikel 1:8.

De activiteiten van de straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur en gids vallen onder de

werking van artikel 7, derde lid, van de Grondwet. Het begrip ‘openbaren van gedachten of gevoelens’ moet volgens de jurisprudentie en de toelichting op artikel 7 van de Grondwet haast grammaticaal

worden uitgelegd. Elke uiting van een gedachte of een gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van degene die zich uit, wordt door artikel 7 van de Grondwet beschermd (KB 5 juni 1986, Stb. 337 t/m

342, KB 29 mei 1987, Stb. 365, AB 1988, 15). Artikel 7, derde lid, van de Grondwet laat door zijn

formulering (niemand heeft voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud) een verbod toe voor andere aspecten van de uiting dan de inhoud, zoals bijvoorbeeld de verspreiding. Het is bij de genoemde

activiteiten echter moeilijk te scheiden tussen inhoud en verspreiding. Immers, het verbieden van een

optreden van een straatartiest op een bepaalde plaats houdt in veel gevallen ook in dat de inhoud van het optreden niet kan worden geuit. Dat betekent dat voor de beperkingsgronden van het in artikel 7, derde lid, van de Grondwet opgenomen grondrecht, het best kan worden gekozen voor de

beperkingsgronden die bij artikel 7, eerste lid, van de Grondwet zijn toegelaten. In artikel 2:6 is dat uitgewerkt in een verbod met ontheffingsmogelijkheid dat voor bepaalde straten en uren geldt. In artikel 2:9 is dezelfde redactie gevolgd.

De bevoegdheid van de burgemeester berust op artikel 174 van de Gemeentewet.

Lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) Aan de ontheffing van het verbod zal doorgaans een aanvraag vooraf gaan, maar ook een ambtshalve ontheffing kan voorkomen, bijvoorbeeld bij bepaalde festiviteiten. Bij een ontheffing op aanvraag is geen reden om van de lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. van de Awb wordt op de ontheffing van toepassing verklaard (vierde lid).

Jurisprudentie Vz. ARRS 01-10-1993, ECLI:NL:RVS:1993:AN3538. De weigering van een ontheffing in verband met de verstoring van de openbare orde moet reëel zijn en voldoende onderbouwd zijn.

ABRvS 03-09-1997, ECLI:NL:RVS:1997:BL3032. Terechte weigering ontheffing voor optreden als straatfotograaf. Optreden als straatfotograaf is niet gericht op het openbaren van gedachten of

gevoelens als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Grondwet. Openbare orde verzet zich tegen het optreden van meer dan twee straatfotografen.

Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Algemeen Artikel 2a van de WVW 1994 geeft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot het maken van aanvullende

gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor deze verordeningen niet in strijd zijn met het bepaalde in deze wet (of krachtens de op dit punt

vergelijkbare oude Wegenverkeerswet, zoals bij het RVV; aldus HR 16-12-1975, NJ 1976, 204). Volgens de wegenverkeerswetgeving kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen worden overgegaan in het belang van de vrijheid van het verkeer of de veiligheid op de weg, of in het belang van de instandhouding en de bruikbaarheid van de weg.

Jurisprudentie HR 21-06-1966, NJ 1966, 417 (bromfietsverbod Sneek), HR 23-12-1980, NJ 1981, 171 (rijverbod

Schiermonnikoog) en ARRS 05-03-1981, Gst. 1981, 6678 (rijverbod Vlieland). De raad is niet bevoegd

tot het treffen van regelen inzake het verkeer op wegen – ook al beogen deze regelen andere belangen te beschermen dan verkeersbelangen indien deze regels zo diep en zo algemeen ingrijpen in het normale verkeer op wegen, dat het stelsel van de wegenverkeerswetgeving wordt doorkruist.

Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan een openbare plaats Dit artikel geeft de gemeente de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar

kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden, containers of fietsparkeervoorzieningen. Ook voorwerpen die met de grond zijn verbonden, zoals een haag in de berm, kunnen als voorwerpen als hier bedoeld worden aangemerkt (ABRvS 10-01-2018, ECLI:NL:RVS:2018:49).

Algemeen Voor deze vergunning geldt dat ze in beginsel voor een onbeperkte periode wordt verstrekt. Uiteraard kan er wel een termijn worden gesteld voor zaken die per definitie tijdelijk worden geplaatst, maar waarvan wenselijk is dat ze niet onnodig lang het straatbeeld ontsieren, zoals steigers en stortcontainers.

Ten slotte kan de gemeente een aanzienlijke verlaging van de administratieve lasten bereiken door ruim invulling te geven aan de vrijstellingsbepaling van het derde lid.

Eerste lid Dit lid regelt de vergunningplicht.

Tweede lid Hier is naast de algemeen geldende weigeringsgronden een verbijzondering opgenomen: de

vergunning kan worden geweigerd als het gevraagde gebruik problemen, hinder of schade zou opleveren voor de weg of het gebruik ervan (‘rubrica est lex’-regel).

ABRvS 24-10-2018, ECLI:NL:RVS:2018:3487. De systematiek van een APV is van belang voor het

antwoord op de vraag op welke gronden de ontheffing of vergunning mag worden geweigerd. De ontheffing voor het plaatsen van een object zoals de skihut is geregeld binnen het hoofdstuk

‘Openbare orde’ en geplaatst in de afdeling ‘Bruikbaarheid en aanzien van de weg’. De door de

burgemeester genoemde omstandigheden zijn geen omstandigheden waarvan is gebleken dat de

bruikbaarheid en het aanzien van de weg erdoor in het geding zouden komen. Ook het niet hebben

van een Alcoholwet-vergunning is geen omstandigheid die een gevaar oplevert voor de openbare orde in verband met de bruikbaarheid en het aanzien van de weg.

ABRvS 02-03-2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP6323 (Edam/Volendam). De plaatsing van een artikel heeft een uitstraling naar de wijze waarop het gelezen moet worden.

Derde lid In het derde lid worden de situaties benoemd waarbij het verbod als bedoeld in lid 1 niet geldt. In een aantal leden is aangegeven dat het verbod niet geldt als er aan nadere regels is voldaan.

Derde lid, onder e en vierde lid (voorwerpen met gedachten of gevoelens erop)

Het verbod is niet van toepassing op voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Een vergunningstelsel voor zulke uitingen zou in strijd zijn met artikel 7 van de Grondwet (vrijheid van meningsuiting). Het is op grond van artikel 2:10 wel verboden om uitingen te doen als daardoor het verkeer wordt gehinderd of in gevaar gebracht. Dit wordt geregeld in lid 4 van dit artikel.

Zesde en achtste lid (afbakening met wetgeving) Regelt de afbakening met bestaande wetgeving.

Zevende lid (welstand) Als het gaat om een bouwwerk is het aspect welstand al getoetst bij de aanvraag van de omgevingsvergunning.

Negende lid Er is gekozen voor een lex silencio positivo. Het gaat hier om een vergunning voor alle voorwerpen die niet onder één van de genoemde uitzonderingen vallen. Er is sprake van een ‘gewone’ vergunning. In dat geval ligt het meer voor de hand dat het bestuur op tijd dient te beschikken en dat de aanvrager verder kan met zijn activiteit als dat niet gebeurt.

Voor zover sprake is van opslag van roerende zaken als bedoeld in artikel 2:2, eerste lid, aanhef en

onder j en k, van de Wabo, is een omgevingsvergunning nodig en is de lex silencio positivo in ieder geval van toepassing. Daarvan kan niet worden afgeweken.

Jurisprudentie

Uitstallingen ARRS 07-10-1996, ECLI:NL:RVS:1996:BL3028. Weigering van een uitstalvergunning voor handelswaar is niet alleen gehandhaafd op de onder b genoemde weigeringsgrond (welstand), maar ook op de

onder a opgenomen weigeringsgrond (de uitstallingen staan ook in de weg). De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de plaatsing van dit artikel in het hoofdstuk dat betrekking heeft op

openbare orde, in de weg staat aan het opnemen van de onder b genoemde weigeringsgrond. Niet valt

in te zien dat een zekere beoordeling van het uiterlijk aanzien van een uitstalling niet in het belang van de bescherming van de openbare orde kan worden geacht.

Evenementen Rb. Leeuwarden 06-09-2001, ECLI:NL:RBLEE:2001:AD3917. Organisatie van circus op plein met

parkeerbestemming. Er doen zich geen weigeringsgronden voor op grond van de APV-bepalingen. Ook strijdigheid met het bestemmingsplan biedt geen grondslag voor weigering vergunning.

Terrassen ABRvS 05-06-2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE3681 en ABRvS 13-11-2002, ECLI:NL:RVS:2002:AF0269. Een

terras is een bij een voor het publiek openstaand gebouw behorend erf in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet. Ingevolge het eerste lid van dit artikel is de burgemeester onder meer belast met het

toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Ingevolge het

derde lid van dit artikel is de burgemeester belast met de uitvoering van de verordeningen voor zover deze betrekking hebben op dat toezicht. De burgemeester – en niet het college – is dus bevoegd om terrasvergunningen te verlenen.

ABRvS 20-02-2019, ECLI:NL:RVS:2019:534. Het terrein waarop het terras is gelegen moet als weg in de zin van de APV worden aangemerkt, omdat het terrein een open plaats betreft als bedoeld in de APV. Het gaat daarbij om de feitelijke toegankelijkheid. Bij de beoordeling van een aanvraag van een

terrasvergunning wordt slechts getoetst aan de voorschriften in de APV. Dit betekent dat de aanvraag slechts kan worden geweigerd indien deze niet zou voldoen aan de vereisten van artikel 2:10, derde

lid, van de APV. Dit artikel brengt niet mee dat een aanvraag voor een terrasvergunning getoetst dient te worden aan het bestemmingsplan. De weigeringsgronden zien met name op gevolgen die het

plaatsen van de voorwerpen op de weg met zich brengt. Bij het beoordelen van hinder als bedoeld in

artikel 2:10, derde lid, van de APV gaat het om de inrichting van de openbare ruimte met het oog op de bruikbaarheid en het aanzien van de weg (vergelijk ABRvS 11-12-2013, ECLI:NL:RVS:2013:2334).

Rb. Den Haag 27-01-2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:584. Er is geen sprake van één of meer

weigeringsgronden zoals opgenomen in artikel 2:10, derde lid, van de APV. Verweerder heeft in redelijkheid de terrasvergunning mogen verlenen.

Reclame De Reclameverordening bevatte het verbod om zonder vergunning van het college reclameborden te plaatsen, die vanaf de weg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar zijn. De

vergunning kon worden geweigerd in het belang van welstand of verkeersveiligheid. Het college heeft een maximum van 123 locaties voor driehoeksborden aangewezen. Het stellen van beleidsregels was op grond van de Reclameverordening verplicht, maar het college had nagelaten deze op te stellen,

zodat niet duidelijk was welke procedure werd gevolgd bij de verdeling van de schaarse locaties. De

Afdeling oordeelt allereerst: Anders dan artikel 7, eerste lid, van de Grondwet beschermt artikel 10 van het EVRM ook uitingen met een commercieel karakter. De inmenging in het recht van vrije

meningsuiting is echter voorzien bij de wet conform het tweede lid van artikel 10 van het EVRM.

Aangezien het stelsel in de Reclameverordening er voorts toe strekt reclame-uitingen te reguleren in het belang van de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten,

alsmede de bescherming van de rechten van anderen, is er van strijd met artikel 10 van het EVRM geen sprake.

ABRvS 20-04-2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT4255. Aan het college kan niet de bevoegdheid worden

ontzegd om een maximum te stellen aan het aantal locaties waar driehoeksborden kunnen worden

geplaatst. Dit maximum zal moeten worden gerechtvaardigd uit hoofde van bescherming van de in de Reclameverordening genoemde belangen. Het college heeft dit nagelaten. Nu het maximum aantal

aangewezen locaties het uitgangspunt vormde voor de bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde

afwijzing van het verzoek van appellante en niet kan worden nagegaan of dit uitgangspunt rechtens

houdbaar is, moet worden geoordeeld dat de beslissing op bezwaar niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, zodat deze voor vernietiging in aanmerking komt.

Pres. Rb. Zwolle 29-10-1997, KG 1997, 389. Aangenomen mag worden dat een te beperkend beleid met betrekking tot reclameconstructies op grond van de APV-bepaling niet als redelijk kan worden

gekwalificeerd, nog daargelaten of dit in overeenstemming is met artikel 10 van het EVRM. Immers, dit kan betekenen dat er in feite geen mogelijkheid van enige betekenis tot gebruik van het middel van

verspreiding en bekendmaking zou overblijven. Volgens de President kunnen wel beleidscriteria in de

vorm van restricties voor wat betreft het aantal vergunningen (al dan niet per aanvrager per jaar), en de locatie en duur van elke vergunning worden gesteld (Pres. Rb. Zwolle 26-09-1997, KG 1997, 338). Dit beleid kan worden onderbouwd met behulp van een politierapport of welstandsadvies.

Pres. Rb ’s-Hertogenbosch 23-09-1999, KG 1999, 299. Over driehoeksreclameborden ten behoeve

van een Rasti Rostelli-show, oordeelde de President dat bij elke aanvraag om vergunningverlening een individuele en concrete beoordeling nodig is, ongeacht het gevoerde beleid. Geen acht is geslagen op de borden als zodanig en de plaats van opstelling. Geen strijd met redelijke eisen van welstand. Aanvrager dient te worden behandeld als ware hij in het bezit van een vergunning.

Pres. Rb. Breda 09-11-1994, JG 95.0137, KG 1995, 20 en Pres. Rb. Zwolle 26-09-1997 en 29-101997, resp. KG 1997, 338 en 389. De APV-bepaling biedt geen ruimte voor de weigering van een

vergunning voor reclameborden op basis van beleid volgens welk toestemming voor reclameborden uitsluitend wordt verleend voor plaatselijke, niet-commerciële evenementen. De APV-bepaling kent

een aantal limitatieve weigeringsgronden. De aard van de reclame, commercieel of niet-commercieel, valt daar niet onder.

Pres. Rb. ‘s-Hertogenbosch 12-11-1998, KG 1999, 23. Weigering van vergunning voor reclameborden, aangezien het geen reclame voor een zeer bijzonder evenement betreft. Aard van een evenement is geen weigeringsgrond in de zin van de APV-bepaling.

Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

Eerste lid Omdat voor de toepassing van dit artikel onder andere het begrip ‘weg’ uit de WVW 1994 gebruikt

wordt, is een vergunning vereist voor bijvoorbeeld de aanleg en verandering van wegen die feitelijk

voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningplicht ook geldt voor

de zogenaamde ‘eigen wegen’ die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance en dergelijke voorschriften gesteld kunnen worden over bijvoorbeeld de wijze van verharding en breedte. Aan artikel 2:11 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg.

Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst onwenselijk dat wegen voortijdig

aangelegd worden waardoor – door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare

voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting – de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten meebrengt. Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke

weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft. Zie ook de toelichting bij artikel 2:12.

Tweede lid Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid, onder d, van de Wabo van

toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van

toepassing zijn op deze vergunning. De beslistermijn is acht weken, de verdagingstermijn zes weken.

Let wel: indien er meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel 3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing (beslistermijn van zes maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes weken).

De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo valt, staan in de Mor. Het gaat dan om de algemene indieningsvereisten uit artikel 1.3 van de Mor. Voor het aanleggen of veranderen van een weg zijn in de Mor geen aanvullende indieningsvereisten opgenomen.

In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De weigeringsgronden staan in artikel 1:8.

Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of

voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en is het college bevoegd. Wanneer het gaat om

normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het derde lid geen vergunning nodig: het college hoeft zichzelf geen vergunning te verlenen. Zie verder de toelichting bij het derde lid.

Derde lid Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van hun

publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.

Vierde lid Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:11 een vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen en dergelijke in een weg. Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en

kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken is een regeling getroffen in de

Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde (gemeentelijke) telecommunicatieverordening.

Vijfde lid In de Wabo is bepaald dat voor deze vergunning een positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen van toepassing is. De VNG ziet geen reden om in gevallen waarin de Wabo niet van toepassing is hiervan af te wijken. Daarom is voor die gevallen het vijfde lid opgenomen.

Jurisprudentie Vz. ARRS 10-01-1986, BR 1986, 426 (wegaanleg Gennep). De voorschriften mogen slechts slaan op

datgene wat op de weg zelf betrekking heeft – zoals de grenzen, de afmetingen, het profiel, de hoogte, de wijze van verharding – of wat met die weg ten nauwste verband houdt zoals beplanting en

verlichting langs en van de weg, alsmede de (situering van de) langs of in de weg liggende riolering.

ABRvS 04-02-2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO2900. Anti-rampalen (voor juwelierswinkel) in het

voetgangersgebied van een druk winkelcentrum leveren gevaar op voor de bruikbaarheid van de weg en voor het doelmatig gebruik daarvan in de zin van de APV-bepaling Zutphen. Legalisering van de

palen is niet aan de orde. Objecten die in dezelfde winkelstraat staan, zoals fietsen, terrasstoelen en bloempotten, zijn anders dan de twee betonnen palen. Deze kunnen ’s nachts van de openbare weg

worden verwijderd. Er is bovendien een aanvaardbaar alternatief. De palen kunnen achter de gevellijn worden gerealiseerd.

ABRvS 22-11-2017, ECLI:NL:RVS:2017:3221. Rechthebbenden op een weg hebben slechts alle verkeer, behoudens de beperkingen, bedoeld in artikel 6 van de Wegenwet, te dulden, wanneer de weg

openbaar is in de zin van artikel 4 van die wet. In zoverre komt derhalve betekenis toe aan de regeling

van de Wegenwet. Voor zover artikel 2:11 van de APV ertoe strekt dat de rechthebbende op de weg ook openbaar verkeer moet toestaan buiten de reikwijdte van zijn duldplicht ingevolge de Wegenwet, dient die bepaling wegens strijd met de Wegenwet buiten toepassing te blijven.

Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg

Algemeen Voor de uitrit geldt een vergunningplicht, waarbij er sprake is van een omgevingsvergunning. De

procedure van de Wabo is van toepassing, dat brengt bijvoorbeeld met zich mee dat de lex silencio positivo van afdeling 4.1.3.3. van de Awb van toepassing is.

De rechtspraak van de Afdeling laat er geen twijfel over bestaan dat een grondeigenaar in beginsel in

staat moet worden gesteld om vanaf zijn perceel met een voertuig de openbare weg te bereiken. Alleen om zwaarwegende redenen kan de overheid daaraan in de weg staan. Om dat duidelijk te laten uitkomen is het aantal weigeringsgronden beperkt.

Jurisprudentie ARRS 01-09-1977, AB 1977, 366 (Maastricht I), ARRS 08-06-1978, Gst. 1977, 6514 (De Bilt) en ARRS 08-05-1981, AB 1981, nr. 391 (uitwegvergunning Nuth I). Eigenaar dient uitwegen op de weg te gedogen.

ARRS 12-07-1982, tB/S III, nr. 356. Als voorschrift aan de vergunning kan onder andere een onderhoudsplicht opgelegd worden.

ARRS 20-06-1983, AB 1984, 75 (wegverbreding). Ontheffing verleend voor de verbreding in het belang van de veiligheid en bruikbaarheid van de weg onder de voorwaarde dat moet worden bijgedragen in de kosten. Kosten van de wegverbreding konden in redelijkheid niet geheel ten laste van appellante komen.

ARRS 28-10-1983, Gst. 6774, nr. 12 (APV Vlijmen) en ARRS 01-04-1980, tB/S V, p. 662 (APV Dongen). Via voorschriften aan de vergunning te verbinden kan de wijze waarop wordt uitgewegd worden geregeld.

HR 30-09-1987, BR 1988, 212. Weigering uitwegvergunning op basis van de verordeningsbepaling, die in het belang van de verkeersveiligheid is gesteld, strijdt niet met artikel 14 van de Wegenwet.

ARRS 11-01-1991, Gst. 6929, nr. 6. Het schrijven van het college dat grond niet in gebruik wordt

gegeven, is mede aan te merken als een weigering om een uitwegvergunning te verlenen. Noch het

eigendomsrecht, noch de handhaving van het bestemmingsplan kan een rol spelen bij de beslissing gelet op het opschrift van het hoofdstuk waarin het artikel is geplaatst. Rubrica est lex.

ABRvS 16-06-1995, Gst. 1996, 7035, 2. Ter bescherming van de veiligheid op de weg en mits opgelegd naar evenredigheid kan een financiële voorwaarde worden verbonden aan een uitwegvergunning.

Vz. ABRvS 20-01-1994, Gst. 1995, 7005, 4. Indien de uitweg gedeeltelijk is aangelegd op gemeentegrond, is uitwegvergunning nodig. Nader onderzocht moet worden of er een

privaatrechtelijke eigendomsverhouding ten grondslag ligt aan de eis dat de uitrit moet voldoen aan het bestratingsplan.

ABRvS 05-12-1996, Gst. 1997, 7061, 3. Intrekken van een uitwegvergunning kan slechts plaatsvinden

op grond van de gronden, genoemd in de APV-bepaling. De voorwaarde tot betaling van een recognitie maakt geen deel uit van de vergunning, zij is gebaseerd op het eigendomsrecht van de gemeente.

ABRvS 14-07-1997, AB 1997, 369. Besluit inhoudende dat privaatrechtelijke toestemming voor

gebruik van de uitweg is geweigerd, is geen beschikking. De vraag of een vergunning kan worden verleend staat immers los van de vraag of van die vergunning ook gebruik kan worden gemaakt. Appellant is niet ontvankelijk.

ABRvS 28-01-2000, Gst. 2000, 7123, 3. Inrit is zonder uitwegvergunning aangelegd, nu de brief dat de inrit in het trottoir zal worden gemaakt, zodra de kosten daarvan aan de gemeente zijn betaald,

geen besluit behelst in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, maar slechts een mededeling van feitelijke aard is.

ABRvS 04-07-2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA6717. Weigering van toestemming voor gebruik van bij

gemeente in eigendom zijnde groenstrook naast woning ten behoeve van het maken van een uitweg is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, maar een rechtshandeling naar burgerlijk recht.

ABRvS 19-01-2001, ECLI:NL:RVS:2001:AA9700. Aanvragen bouwvergunning en uitwegvergunning moeten naar verschillende maatstaven worden beoordeeld. Aanvrager heeft bijzonder belang bij

uitwegvergunning, nu het college een bouwvergunning heeft verleend voor een garage, namelijk het

belang deze ook daadwerkelijk te kunnen gebruiken voor zijn auto. Slechts zeer bijzondere belangen aan de kant van de gemeente zouden de weigering kunnen dragen. Weigering op grond van te

verwachten parkeerdruk ten gevolge van uitwegvergunning in de toekomst is niet nader onderbouwd.

ABRvS 27-06-2001, JB 2001, 207. Marginale toetsing rechter. De rechtbank heeft de uitwegvergunning ten onrechte vernietigd op basis van een eigen oordeel over veilig en doelmatig gebruik van de weg.

De rechter moet zich beperken tot de vraag of de voorgedragen beroepsgronden tot het oordeel leiden dat het college het genomen besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid, dan wel bij beoordeling van de daarvoor in aanmerking komende belangen in redelijkheid niet tot weigering van de gevraagde vergunning heeft kunnen besluiten.

Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex

artikel 125 van de Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien.

Volgens deze facultatieve bepaling is het verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te

hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert. ‘Wegverkeer’ kan daarbij breed worden gelezen. Het is

bijvoorbeeld ook mogelijk dat een gevaarlijke situatie ontstaat doordat overstekende voetgangers het zicht wordt belemmerd.

Jurisprudentie ARRS 10-12-1993, JG 94.0138. Tuin afgeschermd met lattenscherm en coniferen. Het college vond het belang van privacy zwaarder wegen dan het belang van de verkeersveiligheid. De Afdeling is van

oordeel dat de belemmering van het uitzicht van beperkte betekenis is omdat het lattenscherm een

open constructie kent. De weigering bestuursdwang uit te oefenen tegen de coniferen blijft echter niet

in stand omdat de Afdeling van oordeel is dat de coniferen bij het uitrijden van de inrit het zicht geheel ontnemen.

Artikel 2:15a Gevaarlijke voorwerpen De Wet Wapens en Munitie biedt niet altijd voldoende mogelijkheden om tegen het meevoeren van wapens te kunnen optreden. Onder de Wet Wapens en Munitie vallen namelijk niet alle messen of vergelijkbare voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt (bijvoorbeeld niet een knuppel).

Bovendien is het openlijk dragen van dergelijke voorwerpen, zolang daar niet expliciet mee gedreigd wordt, niet strafbaar. Het is onwenselijk wanneer mensen openlijk met gevaarlijke voorwerpen rondlopen.

In dit artikel is een bevoegdheid opgenomen die aanvullend werkt op de Wet Wapens en Munitie. Die aanvullende werking is expliciet vastgelegd in het tweede lid. Deze bevoegdheid maakt het mogelijk

om gebieden aan te wijzen waar het openlijk bij zich dragen van gevaarlijke voorwerpen verboden is.

Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke Deze bepaling spreekt voor zich.

Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke

Afbakening

Artikel 427, onder 1˚ en 3˚, van het WvSr verplicht de eigenaar tot het treffen van de nodige

voorzorgmaatregelen met betrekking tot kelderingangen en toegangen tot onderaardse ruimten ten behoeve van de veiligheid van voorbijgangers.

Artikel 2:17 gaat verder. Geopende kelderingangen en dergelijke blijven, ook al worden ze met de

nodige voorzorgsmaatregelen omgeven, een gevaar voor het publiek. Het zonder noodzaak geopend hebben van kelderingangen en dergelijke kan hiermee tegengegaan worden.

Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen Het verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van eigendommen tegen te gaan. Daartoe kunnen in tijden van grote droogte bosrijke of andere brandgevoelige gebieden in de

gemeente worden aangewezen, waar dan het verbod geldt. Het verbod kan niet zover strekken dat het roken in de gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in een bos of natuurgebied liggen, niet meer mogelijk is.

Afbakening In artikel 429, aanhef en onder 3˚, van het WvSr is bepaald: “Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft: hij die door gebrek aan de nodige

omzichtigheid of voorzorg gevaar voor bos-, heide-, helm-, gras- of veenbrand doet ontstaan.”.

Artikel 2:19 De burgemeester kan gebieden aanwijzen waar het op bepaalde tijden verboden is om vuur te stoken

ter bescherming van de flora-en fauna, de openbare orde of openbare veiligheid. Dit kan bijvoorbeeld gelden tijdens extreme droogte en geldt dan voor alle vuren in de open lucht, dus ook in tuinen.

Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting In beginsel biedt de Belemmeringenwet Privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet Privaatrecht is echter in haar toepassing bedoeld voor

zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van de desbetreffende onroerende

zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt. Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.

Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn Ten behoeve van de aanleg van hoogspanningslijnen wordt in bestemmingsplannen een strook grond

als zodanig bestemd en worden tevens gebruiksvoorschriften opgesteld waarmee aantasting van deze bestemming voorkomen moet worden. Hierbij kan gedacht worden aan voorschriften over de hoogte van toe te laten gebouwen.

Ook sluit het desbetreffende elektriciteitsbedrijf overeenkomsten met de eigenaren van de gronden waarop en waarover de hoogspanningsmasten en leidingen staan of lopen. Deze overeenkomsten

beperken, uiteraard tegen een schadevergoeding, de zakelijke rechten van de eigenaren. Zij bevatten dan ook altijd voorwaarden met betrekking tot het gebruik van de gronden onder de

hoogspanningslijnen. In gemeenten waar dit op deze wijze is geregeld, kan het opnemen van dit artikel achterwege blijven.

Indien een bestemmingsplan ontbreekt, bijvoorbeeld voor de bebouwde kom, dan bevat artikel 2:22

een publiekrechtelijke basis om overtreding van deze bepaling, waardoor een zeer gevaarlijke situatie ontstaat, zo nodig met bestuursdwang recht te kunnen zetten. Wel moeten de voorschriften,

bijvoorbeeld de hoogte van toe te laten gebouwen, in casu twee meter, uit bestemmingsplan en APV op elkaar afgestemd zijn.

Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs Deze bepaling spreekt voor zich.

Afdeling 3. Evenementen

Artikel 2:24 Definities

Eerste lid In artikel 2:24 is gekozen voor de zogenaamde negatieve benaderingsmethode ten aanzien van de

definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen geldend criterium (“namelijk elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak”) wordt vervolgens een aantal evenementen opgesomd dat niet onder de werking van de bepalingen valt. a.

b. c.

d.

In de eerste plaats is dit het geval bij bioscoop- en theatervoorstellingen.

Daarnaast gelden de bepalingen niet voor warenmarkten. Hiervoor zijn regels gesteld in de Marktverordening.

De WOK kent een eigen toezichtregime.

Dansen in een Alcoholwet-inrichting is uitgezonderd van het evenementenbegrip omdat dit niet

als een evenement kan worden gezien, indien en voor zover dit een onderdeel is van de reguliere bedrijfsvoering en er dus ook maatregelen zijn getroffen om overlast te beperken en

ordeverstoringen te voorkomen. Op een locatie waar dansen incidenteel plaatsvindt is dus wel een e. f.

g.

evenementenvergunning nodig.

Betogingen, samenkomsten en vergaderingen zijn al geregeld in de Wom.

Van de evenementenbepaling zijn uitgezonderd artikel 2:9 (Straatartiest) en artikel 2:39 (Speelgelegenheden). Dit gebeurt uiteraard om dubbele regelgeving te voorkomen.

Voetbalwedstrijden waarbij een Betaald voetbal organisatie (BVO) betrokken is, kennen een eigen vergunningenregime en zijn derhalve hier uitgezonderd.

Tweede lid Herdenkingsplechtigheid Omdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek toegankelijk is, maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan worden aangemerkt, wordt ze onder de definitie van een evenement gebracht en daarmee onder de vergunningplicht van een evenement opgenomen

Braderie

Omdat een braderie van korte duur is en niet met een bepaalde regelmaat terugkeert, kan deze

activiteit niet als jaarmarkt of gewone markt worden aangemerkt in de zin van artikel 160 van de Gemeentewet (Vz. ARRS 27-05-1992, JG 93.0002). Duidelijkheidshalve wordt een braderie hier expliciet als evenement genoemd.

Optochten Het houden van optochten, zoals carnavals- en Sinterklaasoptochten, bloemencorso’s e.d, die niet

opgevat kunnen worden als een middel tot het uiten van een mening of gedachten of gevoelens, valt niet onder de bescherming van de Grondwet, het EVRM of andere internationale verdragen die de vrijheid van meningsuiting waarborgen. Evenmin is hierop de Wom van toepassing.

Feest, muziek Wanneer een feest voor publiek toegankelijk is, is er sprake van een vergunningplichtige activiteit

omdat het valt onder de reikwijdte van de definitie van artikel 2:24, eerste lid. Het feest kan als een

voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak worden aangemerkt. Besloten feesten daarentegen vallen niet onder de reikwijdte van de evenementenbepaling omdat deze activiteit niet een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak is. Bijvoorbeeld bij het houden van een bedrijfsfeest waar aan de hand van uitnodigingslijsten publiek aanwezig is, is er geen sprake van een voor het

publiek toegankelijke verrichting van vermaak. Maar wanneer een feest een “besloten” karakter heeft en er publiekelijk kaarten worden verkocht en/of reclame wordt gemaakt, is er sprake van een

evenement. Feesten die gehouden worden in horecagelegenheden en niet behoren tot de normale bedrijfsvoering (bijvoorbeeld een optreden van een bekende diskjockey of een optreden van een bekende band) zijn vergunningplichtig (ABRvS 11-01-2006, ECLI:NL:RVS:2006:AU9388 (Ghostship/Ghosthouse)).

Wanneer een feest al dan niet besloten “op of aan de weg” plaatsvindt, is dit een vergunningplichtige

activiteit omdat het plaats vindt op doorgaans voor publiek toegankelijk gebied. Het feit dat het feest besloten is, dus niet voor publiek toegankelijk, doet daar niets aan af. Optreden van muziekkorpsen, muziekbandjes, et cetera die voor iedereen toegankelijk zijn (zowel in een inrichting als in de buitenlucht) vallen onder de vergunningplicht van artikel 2:24a.

Voorschriften met betrekking tot geluid in een inrichting zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit van de Wet milieubeheer. De artikelen 4:2 en 4:3 geven het college de bevoegdheid om ontheffing te

verlenen voor geluidshinder in een inrichting. Voorschriften met betrekking tot geluid buiten een inrichting kunnen op grond van artikel 4:6 in de vergunning worden opgenomen.

Wedstrijd op of aan de weg Voor wedstrijden op of aan de weg is een vergunning van de burgemeester vereist. Wedstrijden met voertuigen op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de WVW 1994 zijn op grond van artikel 10, eerste lid, van de WVW 1994 verboden. Het eerste lid van

artikel 148 van de WVW 1994 bepaalt echter dat van dat verbod ontheffing kan worden verleend. Het verlenen van die ontheffing geschiedt: a.

b.

voor wegen onder beheer van het Rijk, door de minister van Verkeer en Waterstaat;

voor andere wegen, door gedeputeerde staten; in afwijking hiervan wordt de ontheffing verleend

door het college, indien de wegen waarvoor de ontheffing wordt gevraagd, alle gelegen zijn binnen een gemeente.

Indien een wedstrijd wordt gehouden met voertuigen op wegen als bedoeld in de WVW 1994 dan is –

naast artikel 10 juncto 148 van de WVW 1994 – artikel 2:24a van toepassing. De evenementenbepaling

is namelijk van een geheel andere orde dan de wedstrijdbepalingen uit de Wegenverkeerswetgeving. De burgemeester kan op grond van andere motieven, zoals openbare orde, veiligheid en gezondheid,

weigeren medewerking te verlenen aan het evenement, in casu de wedstrijd op de openbare weg. In die zin is de evenementenbepaling aanvullend op de wedstrijdbepalingen uit de Wegenverkeerswetgeving. Vindt echter een wedstrijd met een motorvoertuig of bromfiets plaats op een terrein dat niet behoort

tot een weg als hier bedoeld, dan moet daarvoor een vergunning verkregen zijn van de burgemeester

op grond van artikel 2:24a. Op grond van artikel 2:24a geldt voor andere wedstrijden op of aan de weg eveneens een vergunningplicht.

Straatfeest of buurtbarbecue Een straatfeest en een buurtbarbecue vallen ook onder het begrip evenement. Onder voorwaarden is geen vergunning vereist, als sprake is van een klein evenement en aan de daaraan gestelde voorwaarden is voldaan.

Artikel 2:24a Evenementenvergunning

Algemeen Bij grote en middelgrote evenementen is vooraf een vergunning noodzakelijk, controle achteraf kan niet volstaan wegens mogelijk gevaar voor de openbare orde, overlastsituaties, verkeersveiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid en dergelijke.

Ook de organisator is bij een vergunningstelsel gebaat, omdat hij met de gemeente kan onderhandelen om goede afspraken te maken. Zo krijgt hij op het evenement toegesneden voorschriften.

In het geval van een klein evenement kan volstaan worden met het aanmelden van het evenement via

een formulier op de website. Het is dan niet per se noodzakelijk en proportioneel om een vergunning te eisen.

Eerste lid Bij het beoordelen van een aanvraag wordt gekeken of de vergunning al dan niet geweigerd wordt aan de hand van de in artikel 1:8 genoemde criteria.

De burgemeester is bevoegd voorschriften te verbinden aan het houden van een evenement. Hij hoeft zich niet te beperken tot de voorschriften die voortvloeien uit de aanvraag, of de voorschriften waarmee de aanvrager instemt. Voor de toelaatbaarheid van de voorschriften geldt een aantal voorwaarden: a.

b.

De voorschriften mogen niet in strijd zijn met enige wettelijke regeling.

De voorschriften moeten redelijkerwijs nodig zijn in verband met het voorkomen van aantasting van de openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid of bescherming van het milieu,

verkeersveiligheid of het woon- en leefklimaat of noodzakelijk zijn in verband met de beschikbare c.

politiecapaciteit.

De voorschriften mogen niet in strijd komen met enig beginsel van behoorlijk bestuur.

Het is volgens de Afdeling aanvaardbaar dat de burgemeester na aanvankelijke weigering aan een alsnog verleende evenementenvergunning nadere voorschriften stelt (ABRvS 28-04-2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO8495 (“Rockbitch”)).

Niet nakoming van voorschriften die aan de vergunning verbonden zijn kan grond opleveren voor

intrekking van de vergunning, dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is de intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.

Tweede lid Op grond van artikel 2.1 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen is

het onder bepaalde omstandigheden verboden om zonder of in afwijking van een gebruiksmelding bij

het bevoegd gezag een plaats of gedeelte daarvan in gebruik te nemen of te gebruiken, tenzij daarvoor een evenementenvergunning vereist is in het kader waarvan de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, overgelegd moeten worden. Gemeenten kunnen er dus voor kiezen om in hun APV te bepalen dat bedoelde gegevens bij de

aanvraag van een evenementenvergunning overgelegd moeten worden. Op grond van artikel 2.1, derde lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen hoeft dan geen

afzonderlijke gebruiksmelding meer gedaan te worden. Vanzelfsprekend is het aanleveren van de

gegevens alleen nodig als de aanvrager van de evenementenvergunning zonder het bepaalde in het tweede lid voor het evenement een gebruiksmelding had moeten doen.

Derde lid Deze termijn bewerkstelligt dat een aanvraag tijdig gedaan wordt, waardoor zowel de aanvraag

inhoudelijk beoordeeld kan worden, tijdig een besluit genomen kan worden op een aanvraag en

daarmee ook belanghebbenden, waaronder omwonenden, de gelegenheid hebben om nog voorafgaand aan het plaatsvinden van het evenement rechtsmiddelen in te zetten. Zonder deze bepaling zou een organisator van een evenement een vergunningaanvraag kunnen indien, waarvan de wettelijke

behandeltermijn eindigt na het evenement, hetgeen voor iedereen een onwenselijke situatie oplevert.

Vierde lid Hierin zijn enkele aanvullende weigeringsgronden opgenomen, specifiek voor evenementen.

Vijfde en zesde lid Een klein evenement, dat voldoet aan de door het college gestelde Nadere regels is niet

vergunningplichtig. Er kan echter aanleiding zijn om het organiseren van een klein evenement te verbieden. Dit is alleen mogelijk, als de hier genoemde belangen in gevaar komen.

Achtste lid Deze bepalingen bieden een weigeringsgrond voor andere evenementen tijdens de Vierdaagseperiode, zodat geen versnippering plaatsvindt. Er is ook een relatie met de weigeringsgrond van lid 4 met betrekking tot politiecapaciteit.

Artikel 2:24b Aanvraag vergunning of ontheffing Vierdaagsefeesten en/of marsen Gelet op het bijzondere karakter van dit zeer grootschalige evenement zijn er afwijkende termijnen nodig voor het behandelen van deze aanvragen.

Artikel 2:24c Ordeverstoring Dit artikel geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot (individuele) bezoekers richt. Indien het evenement als zodanig de openbare orde verstoort, dan is artikel 2.24d van toepassing.

Artikel 2:24d Beëindiging evenement Dit artikel regelt de bevoegdheid van de burgemeester om op te treden indien tijdens een evenement, ondanks de vergunning of melding, een en ander uit de hand loopt. Tevens voorziet het artikel in verplichtingen voor de organisator en bezoekers van het evenement dat beëindigd wordt.

Artikel 2:24e Verwijderplicht In aanvulling op het vorige artikel creëert dit artikel een verwijderplicht voor de bezoekers, die zich ondanks het verbod nog blijven ophouden op het evenemententerrein.

Artikel 2:25 Betaald voetbalwedstrijden en artikel 2:25a Voetbalvergunning Dit vergunningstelsel voor betaald voetbalwedstrijden verving in 2003 een kennisgevingsstelsel en

sloot aan bij de afspraken die destijds landelijk tussen voetbalverenigingen, het Openbaar Ministerie, de politie en gemeente werden gemaakt. In artikel 2:25 is uitgewerkt op welke voetbalwedstrijden de vergunningplicht van toepassing is.

Deze vergunningplicht voor betaald voetbalwedstrijden wordt overigens niet ingegeven door ontevredenheid over de manier waarop NEC omgaat met zijn verantwoordelijkheid voor het

organiseren van voetbalwedstrijden. Er is structureel overleg met NEC over het te voeren beleid en het organiseren van wedstrijden. In dit overleg wordt een wedstrijdorganisatie op maat afgesproken. Er worden afspraken gemaakt over bijvoorbeeld het supportersvervoer, alcoholbeleid, inzet van de

stewardorganisaties en politie-inzet. In de voetbalvergunning worden aan het spelen van wedstrijden voorschriften verbonden worden die in het verlengde liggen van het met NEC afgesproken beleid.

Uiteraard kan de burgemeester alleen die voorschriften aan het spelen van wedstrijden verbinden, die voortvloeien uit diens verantwoordelijkheid voor de openbare orde en veiligheid. Te denken valt aan voorschriften ter voorkoming van wanordelijkheden, zoals de zorg voor een goede

supportersscheiding, supportersvervoer, alcoholbeleid en inzet van stewards. NEC en de KNVB zijn

primair verantwoordelijk voor een goed verloop van de wedstrijden. De KNVB verbindt een groot aantal veiligheidsvoorwaarden aan de licentieverstrekking aan de clubs. Te denken valt hierbij aan fysieke veiligheid van stadions, de organisatie van de club, cameratoezicht, de inzet van stewards en dergelijke.

Een vergunningstelsel biedt zoals hierboven beschreven mogelijkheden om vooraf voorschriften op te leggen die er op zijn gericht om het ontstaan van openbare ordeverstoringen zoveel mogelijk te

voorkomen. De burgemeester heeft en behoudt haar eigen bevoegdheden om de openbare orde te handhaven. Om te beginnen betreft dit bevoegdheden die voortvloeien uit de APV, zoals de bevoegdheid van 2.25 e om een stadionomgevingsverbod op te leggen.

Daarnaast heeft de burgemeester een aantal specifieke bevoegdheden op grond van de Gemeentewet.

Artikel 2:25b Verbod voetbalwedstrijd

Dit artikel maakt het mogelijk om eventueel vergunde wedstrijden, maar ook wedstrijden, waarvoor geen aanvraag is gedaan, te verbieden. Hiermee wordt een duidelijk kader geschapen door de burgemeester dat de wedstrijd niet is toegestaan, naast de bestuursrechtelijke handhavingsmogelijkheden ten aanzien van de vergunning.

Artikel 2:25c Orde in verband met voetbalwedstrijden Dit artikel richt zich tot iedereen die in relatie gebracht kan worden met de voetbalwedstrijd en die voorwerpen meevoert.

Artikel 2:25d Verwijderingsplicht voetbalsupporters Dit artikel kan ingezet worden om groepen supporters, zowel van de thuisclub als van de bezoekende club, te doen verwijderen uit een bepaald gebied. Dit artikel geldt ongeacht of er sprake is van een

geplande voetbalwedstrijd. Ook bij een mogelijk treffen van voetbalsupporters van rivaliserende clubs zonder dat er een wedstrijd gespeeld gaat worden, kan dit artikel van toepassing zijn.

Artikel 2:25e Stadionomgevingsverbod Dit artikel werkt in het algemeen aanvullend op een eerder gegeven stadionverbod en voorkomt dat personen, die zich niet in het stadion mogen bevinden, buiten het stadion verblijven om daar de openbare orde te verstoren. Naast deze bevoegdheid blijft de bevoegdheid van artikel 172a Gemeentewet bestaan.

Artikel 2:26 Verbod samplen, flyeren, collecteren en venten tijdens evenementen In dit artikel zijn geen algemeen geldende verboden opgenomen, enkel verbodsbepalingen die gelden tijdens bepaalde aangewezen (grote) evenementen. Het gaat dan om verboden gedragingen die het publiek en de doorstroming daarvan zouden kunnen hinderen en zorgen voor onveilige situaties.

Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen

Artikel 2:27 Definities Het begrip inrichting omvat zowel de ‘natte horeca’ oftewel de cafés en restaurants waar alcohol wordt geschonken, als de ‘droge horeca’. In de droge horeca worden slechts alcoholvrije dranken

geschonken en het gaat dan vooral om lunchrooms, cafetaria’s en dergelijke. Afhaalzaken, ook als

deze gevestigd zijn in een winkelpand en geen ruimte bieden voor eten ter plaatse, vallen onder het begrip inrichting.

Shishalounges zijn niet apart gedefinieerd, maar hebben altijd een Alcoholvergunning dan wel een exploitatievergunning en vallen dus als zodanig onder het begrip inrichting.

Artikel 2:28 Sluitingstijd Er geldt enkel een sluitingstijd voor de in dit artikel genoemde inrichtingen. Voor de overige inrichtingen gelden vrije sluitingstijden, uitgezonderd de bepaling van artikel 2.28a.

Voor alle inrichtingen is het mogelijk, indien bepaalde belangen dit vereisen, een sluitingstijd op te leggen op grond van lid 3.

De sluitingstijd op basis van dit artikel geldt naast de schenktijden, zoals geregeld in artikel 2.34b voor paracommerciële rechtspersonen.

Artikel 2:28a Venstertijd In de locaties waar alcohol geschonken mag worden gelden venstertijden, hetgeen betekent dat er gedurende een bepaald venster in de nacht geen bezoekers mogen worden toegelaten. Deze

venstertijd voorkomt horeca-toerisme vanuit omliggende steden en dorpen, waar wel sluitingstijden gelden. Deze specifieke vorm van horecabezoek kan, net als het diep in de nacht rondtrekken van kroeg naar kroeg, voor overlast zorgen die door deze venstertijd voorkomen wordt.

Artikel 2:29 Toegang ambtenaren van politie Dit artikel zorgt ervoor dat politie openbare inrichtingen kunnen betreden. Voor toezichthouders is een dergelijke bepaling overbodig, aangezien deze reeds toegang hebben op grond van de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht. Uiteraard is dit artikel ook niet nodig indien de politie het pand betreedt ter uitvoering van een strafrechtelijke bevoegdheid.

Artikel 2:29a Ordeverstoring Dit artikel richt zich in lid 1 op bezoekers van een inrichting, die daar de orde verstoren. Niet alle ordeverstorende gedragingen leveren per definitie ook een strafbare gedraging op.

Het verbod van het tweede lid biedt de mogelijkheid om te handhaven indien door bepaalde

spelactiviteiten de grenzen van de Wet op de Kansspelen worden opgezocht door een ondernemer,

bijvoorbeeld door bepaalde speelautomaten te plaatsen waar het regime van de Wok niet volledig op van toepassing is.

Artikel 2:30 Terrasvergunningen Terrasvergunningen regelen het plaatsen van een terras op de weg. Terrasvergunningen zijn dus niet

nodig voor terrassen die bijvoorbeeld in een binnentuin van een horecapand gelegen zijn. Deze vallen in het algemeen wel onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit.

Een terrasvergunning is een bijzondere variant van de objectenvergunning en heeft als doel het voorkomen van hinder, gevaar of ontsiering door de plaatsing en het gebruik van terrassen.

Artikel 2:31 Vergunningsplicht alcoholvrije inrichtingen In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is het wenselijk om burgers zo min mogelijk te belasten met vergunningplichten. Aan dit uitgangspunt wordt voldaan door enkel

de inrichtingen die niet reeds vergund zijn op grond van de Alcoholwet een exploitatievergunningplicht op te leggen. Een dubbele vergunning is niet nodig. Beide vergunningen stellen eisen aan beheerders en exploitanten en maken een BIBOB-toets mogelijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nijmegen&id=3db89cfd-8894-44ee-aff6-b672995d1285