9. Bijlage bij de toelichting deel 1a
Tekst van het document
De extra ruimte die nodig is voor de dijk heeft wel effect op het leefgebied van habitatsoort kamsalamander en de vogelsoorten kwartelkoning, blauwborst, kolgans, grauwe gans en brandgans. Door te werken buiten de winterperiode is het effect op de habitatsoort kamsalamander volledig weggenomen (0). Voor de vogelsoorten kwartelkoning en blauwborst zijn de effecten weggenomen door aanvullend leefgebied te creëren of behouden. Voor de ganzen zijn geen maatregelen nodig, omdat de instandhoudingsdoelstellingen niet aangetast worden, hier blijft wel sprake van een negatief effect (-). De dijkversterking vindt deels plaats op natuurtypen (GNN, GO), in leefgebied van bever en gewone dwergvleermuis en beschermde soorten. Voor de natuurtypen vindt compensatie plaats op het dijktalud of aangrenzende percelen waardoor negatieve effecten volledig weggenomen worden. Een kernkwaliteit van GNN zijn de aanwezige nationaal beschermde soorten en hun leefgebied. Voor alle soorten worden mitigerende maatregelen getroffen (zie volgende alinea). Daarnaast wordt door het ophangen van vier tijdelijke vleermuiskasten het negatieve effect op vleermuizen volledig weggenomen. Voor bever kan het negatieve effect niet volledig voorkomen worden, maar dit gaat niet over in een wezenlijke aantasting van de kernkwaliteit. Hierdoor is voor bever geen compensatie nodig (-).
De dijkversterking leidt onvermijdbaar tot overtreding van verbodsbepalingen voor beschermde soorten. Voor alle soorten worden negatieve effecten voorkomen door het nemen van mitigerende maatregelen. Zoals hierboven beschreven is voor bever en vleermuis sprake van aantasting en/of vernietiging van een verblijfplaats. Door compensatie wordt het negatieve effect op vleermuizen volledig weggenomen. Voor bever kan het negatieve effect niet volledig voorkomen worden, maar dit hoeft niet gecompenseerd te worden, omdat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt (-). Uit de bomeninventarisatie blijkt voor 7.180 m2 (0,72 ha) houtopstand een melding- of kapvergunningplicht met herplantplicht. Het herplanten van deze bomen wordt deels gecombineerd met de locatie voor compensatie van een GNN-natuurtype (0).
2 Dijkversterking Wolferen-Sprok
pagina 75 van 189
10 juli 2020
Voor Rode Lijstsoorten is er een negatief effect, deze komt overeen met die van de beschermde soorten. Als mitigerende maatregelen gelden dezelfde maatregelen als voor de soortenbescherming, ook de score komt hiermee overeen (-). Er is geen sprake van significante negatieve effecten op de relevante kwaliteitselementen voor het KRW-waterlichaam Bovenrijn, Waal. Mogelijk is er een beperkt effect bij hoogwater, omdat de dijkversterking (beperkt) ruimte inneemt in de uiterwaard op areaal dat vanuit de KRW is aangewezen (-). Bodem De werkzaamheden leiden tot een verbetering van de bodemkwaliteit op delen waar grondroerende werkzaamheden plaatsvinden en waar de grond vanwege verontreiniging wordt afgevoerd/gesaneerd. Op vrijwel alle dijksecties is het aannemelijk dat (diffuse) bodemkwaliteit door de dijkversterking beperkt zal verbeteren (+). Het benodigde grondverzet is met een totaal van 975.000 m3 (waarvan 260.000 m3 afvoer van grond) aanzienlijk. Dit komt overeen met het gemiddelde grondverzet van de alternatieven van de verkenning, waardoor dit tot een neutrale beoordeling leidt (0). Paragraaf 6.6 gaat dieper op de effecten voor bodem in. Water Grondwaterstand en kwel veranderen ten opzichte van de referentiesituatie niet of nauwelijks bij hoog en laag water (orde grootte van centimeters op 25 m van de binnenteen).
Wat betreft het grondwater treedt er op één locatie een wat grotere verandering van de kwelstromen op, omdat hier de geplande damwand ongeveer 80 % van de watervoerende laag afsluit. De berekende grondwaterstandsverlaging in de zomer is eens in de 10 jaar is buitendijks 30 cm en in de winter bij een hoogwater dat eens in de 10 jaar voorkomt binnendijks ongeveer 20 cm. De damwand is niet heel lang (horizontaal bezien), waardoor de waterstromen om de damwand heen kunnen. De werkelijke wijzigingen zullen daarom wezenlijk kleiner zijn dan berekend met het model en in werkelijkheid ongeveer 10 centimeter bedragen. Het gebruik na de dijkversterking is niet anders dan in de referentiesituatie. De wijzigingen in het ontwerp in de uiterwaard hebben naar verwachting geen effect op uitspoeling van stoffen. De dijkversterking leidt daarmee niet tot een andere chemische toestand van het KRW-waterlichaam ‘Bovenrijn, Waal’ (0). Paragraaf 6.7 gaat verder op de effecten voor het thema water in. Erfgoed De effecten op de dijk als historisch element zijn beperkt doordat het Waaldijkprofiel nog steeds herkenbaar is. Veel historische elementen zoals kolken en historisch groen blijven behouden. Alleen bij de rabatten bij de Klipstraat in Wolferen treedt er een effect op. Aan de oostkant van de Klipstraat, komen circa 20 knotwilgen te vervallen.
Met name door deze aantasting van de bestaande structuur is het effect van de dijkversterking op historisch-geografische structuren, ensembles en elementen negatief beoordeeld (-). De dijkversterking heeft voor een groot deel vrijwel geen effecten op rijks- en gemeentelijke monumenten. Bij de rijksbeschermde landgoederen treedt een negatief effect op historisch (steden)bouwkundige ensembles en elementen op (-), omdat er sprake is van beperkt ruimtebeslag
2 Dijkversterking Wolferen-Sprok
pagina 76 van 189
10 juli 2020
op de landgoederen, waardoor deze kleiner worden. Zes rijksbeschermde grenspalen worden na de aanlegfase teruggebracht op dezelfde lengte- en breedtegraad op de dijk. Op delen van het traject bestaat een archeologische onderzoeksplicht vanwege de archeologische (verwachtings)waarden. Deze raken door ophoging, afgraving en het plaatsen van constructies verstoord. Het archeologische proces is geborgd in de planuitwerking en realisatie, daarom zijn de ernstige effecten iets gunstiger beoordeeld (-). De dijkversterking heeft geen effect op aanwezige strangen en verlande waterlopen binnen het projectgebied, daarmee geen effect op aardkundige waarden (0). De beoordeling voor erfgoed is verder toegelicht in paragraaf 6.8. Belevingswaarde Omdat het ontwerp het contrast tussen water en land niet verstoord, zichtlijnen blijven bestaan, de kronkelige vorm van de dijk behouden blijft en afwisseling tussen open en besloten en in natuur en landschap blijft bestaan, is er geen effect op de belevingswaarde (0). Paragraaf 6.9 gaat verder op de belevingswaarde in. Gebruikswaarde In kwantitatieve zin worden twee huizen gesloopt. Doordat de huizen opnieuw worden gebouwd op hetzelfde perceel, is er per saldo voor het aantal woningen geen effect. Het ruimtebeslag bij woningen is zoveel mogelijk geoptimaliseerd.
Tegelijkertijd is er voor de woonkwaliteit wel een verslechtering ten opzichte van de huidige situatie, omdat er toch ruimtebeslag is en er sprake is van enige beperkingen van het gebruik. Er is een negatief effect voor de woonfunctie (-). Er worden geen bedrijfspanden gesloopt. Inclusief de ingepaste berm is het ruimtebeslag op agrarische gronden bijna 35 ha. Door het medegebruik op bijna de hele berm toe te staan, kan een deel van deze gronden in gebruik blijven als agrarische grond en is het daadwerkelijke ruimtebeslag veel minder. Voor werkkwaliteit is een negatief effect, omdat er minder parkeerplaatsen zijn bij twee bedrijven. Er is daarmee over het geheel sprake van een negatief effect voor economische functie (-). De verkeersfunctie verbetert door verbeteringen in de infrastructuur vanwege de Gastvrije Waaldijk (+). Door het toepassen van de Gastvrije Waaldijkprincipes wordt de verkeersveiligheid verbeterd. Dit komt ook de verkeersveiligheid voor de recreatiefunctie ten goede (+). Paragraaf 6.10 licht de effecten voor de gebruiksfuncties verder toe. Toekomstwaarde Het ontwerp omvat enkele meekoppelkansen en staat (toekomstig) medegebruik toe. Dit zijn positieve effecten van de dijkversterking. Daarnaast is er sprake van CO2-uitstoot van het gebruikte materiaal. Het gaat om ruim 40.000 ton CO2-equivalenten.
Ter referentie, dit staat in het ongunstige geval ongeveer gelijk aan de opname door 6.815 hectare bos dat extra ingepland en permanent beheerd wordt. De beoordeling voor materiaal- en energiegebruik voor het ontwerp en de gebruiksfase is negatief (-). De beoordeling voor toekomstwaarde is nader toegelicht in paragraaf 6.11.
2 Dijkversterking Wolferen-Sprok
pagina 77 van 189
10 juli 2020
6.3 Hoogwaterveiligheidsfunctie Betrouwbaarheid, planning en beheerbaarheid zijn belangrijk om de doelmatigheid van het ontwerp aan te geven. Het ontwerp is gebaseerd op de nieuwe normspecificaties 2017. Deze normspecificaties gaan uit van een overstromingskansbenadering. Aan de overstromingskans van een normtraject hangt een faalkanseis. Het ontwerp zorgt ervoor dat de dijk aan deze eis voldoet en is daarmee betrouwbaar. Hoofdstuk 5 gaat in op de planning. Hieruit blijkt dat de dijkversterking binnen de gestelde termijn van het hoogwaterbeschermingsprogramma kan worden aangelegd en op tijd voldoet aan de norm voor hoogwaterveiligheid.
6.3.1 Robuustheid/klimaatadaptatie waterkering Achtergrond Beslisrobuustheid van een dijkontwerp gaat over rekening houden met toekomstige ontwikkelingen en onzekerheden, zodat het uitgevoerde ontwerp tijdens de planperiode blijft functioneren zonder dat ingrijpende en kostbare aanpassingen noodzakelijk zijn. Met onzekerheden wordt hier bedoeld dat de waterstanden en golfhoogtes die de dijk moet kunnen keren, niet exact te berekenen zijn. Door het toepassen van veilige marges wordt rekening gehouden met deze onzekerheden in het dijkontwerp en is het dijkontwerp robuust. Met flexibiliteit, ook wel uitbreidbaarheid of aanpasbaarheid genoemd, wordt de mogelijkheid bedoeld om het ontwerp makkelijk aan te passen in de toekomst. Meestal vraagt dat nu een extra investering om de dijk bijvoorbeeld een iets bredere basis te geven, zodat het extra versterken in de toekomst goedkoper en minder ingrijpend zal zijn. Beslisrobuustheid en flexibiliteit/uitbreidbaarheid/ aanpasbaarheid zijn criteria voor het beoordelen van klimaatadaptie van de waterkering. Een maatregel is robuust als het een gewenst effect heeft bij uiteenlopende mogelijke toekomstige ontwikkelingen. Effecten robuustheid / klimaatadaptatie waterkering Met robuustheid en uitbreidbaarheid is rekening mee gehouden in het ontwerp.
In de regel is een profiel in grond - bij voldoende ruimte - uit te breiden door meer grond aan te brengen. In geval van te weinig ruimte kan dan in de toekomst alsnog een constructie aangebracht worden. Het basisprofiel bestaat daarom zoveel mogelijk uit een grondoplossing. Het grondlichaam is berekend op de situatie in 2075 (volgens de huidige inzichten). Dit is een robuust ontwerp. Op een woningbouwlocatie in Nijmegen (zie ook tabel 4.2) wordt het profiel van de bebouwbare dijk toegepast. Hier komt een pipingberm, waar woningen buiten de het profiel van vrije ruimte worden gebouwd. In dit profiel is rekening gehouden met de toekomstige dijkversterking. Het ontwerp is daarmee robuust en uitbreidbaar. Om omgevingswaarden en -functies te sparen is er ook op een groot deel van het traject sprake van een constructie in het dijklichaam. Ten opzichte van de referentiesituatie is er daarom sprake van een verslechtering.
2 Dijkversterking Wolferen-Sprok
pagina 78 van 189
10 juli 2020
Op veel locaties is voor het voorkomen van piping een lichte constructie nodig. Ook is er op basis van de omgevingswaarden en -functies op verschillende locaties een stalen damwand toegepast in het ontwerp. Constructies zijn niet eenvoudig uit te breiden. Bovendien is de complexiteit van de constructies verschillend. Deze constructies zijn ontworpen met een planhorizon van 100 jaar. De constructies staan in een grondlichaam dat is ontworpen met een planhorizon van 50 jaar. Om de constructies te ontwerpen met de juiste afmetingen en sterktes, is in de berekening een (fictief) versterkingsprofiel van het grondlichaam meegenomen met een kruinhoogte die in 2015 zou voldoen volgens de huidige inzichten. In het ontwerp is het constructieve scherm geplaatst op een optimale plek: zodanig dat het functioneel is voor de huidige dijkversterking, maar ook bijdraagt bij een eventuele toekomstige dijkversterking. Het ontwerp is daarmee robuust en uitbreidbaar. Beoordeling robuustheid / klimaatadaptatie waterkering Het ontwerp houdt rekening met robuustheid en uitbreidbaarheid. Het basisprofiel bestaat daarom zoveel mogelijk uit een grondoplossing. Om omgevingswaarden en -functies te sparen is er ook op een groot deel van het traject sprake van een constructie in het dijklichaam.
Ten opzichte van de referentiesituatie is er daarom conform de maatlatten in bijlage 5, bijlage II sprake van een verslechtering (-). Bij de constructies is een langere ontwerphorizon aangehouden, zodat de constructies langer blijven voldoen. Daarmee is zoveel mogelijk robuustheid en uitbreidbaarheid in het ontwerp toegepast.
6.3.2 Beheerbaarheid waterkering Achtergrond De beheerbaarheid van de waterkering hangt er mede vanaf hoe goed de onderdelen van de dijk inspecteerbaar zijn. Deze moeten bereikbaar zijn, visueel inspecteerbaar zijn, ze moeten gemonitord kunnen worden, etc. Hier biedt het Beheer- en onderhoudsplan 2017-2021 van het waterschap handvatten voor. Effecten beheerbaarheid waterkering Het Beheer- en onderhoudsplan 2017-2021 was leidend bij het ontwerp. Daarmee zijn er geen elementen die bij voorbaat niet beheerd of onderhouden kunnen worden. Het beheer van bloemrijke dijken is mogelijk vanuit de beheerbaarheid. Ook hiervoor geeft het Beheer- en onderhoudsplan richtlijnen. Beoordeling beheerbaarheid waterkeringen Er zijn geen elementen die bij voorbaat niet beheerd of onderhouden kunnen worden. Daarmee is geborgd dat de dijk na versterking goed te beheren is. In bijlage 5, bijlage II zijn er geen maatlatten opgenomen voor de beheerbaarheid. Omdat het ontwerp voldoet aan het Beheer- en onderhoudsplan 2017-2021, net zoals het huidige ontwerp, is er geen sprake van een verbetering of verslechtering ten opzichte van de referentiesituatie (0).
2 Dijkversterking Wolferen-Sprok
pagina 79 van 189
10 juli 2020
6.4 Rivierkunde Door het verbreden of verleggen van de dijk in het winterbed van de rivier kunnen opstuwing en andere rivierkundige effecten ontstaan in de rivier. Anderzijds kan het naar binnen toe verleggen van de dijk zorgen voor een waterstandsdaling op de rivier. De rivierkundige beoordeling (De Betuwse Waard, 2020f) keek naar de hydraulische effecten op de waterstand en de afvoerverdeling Pannerdensche Kop, effecten die hinder of schade veroorzaken in uiterwaard of vaarweg (inundatiefrequentie en stroombeeld), en de morfologische effecten (sedimentatie en erosie rivierbed) van de dijkversterking. De volgende paragrafen beschrijven de effecten per criterium.
6.4.1 Waterstandsdaling en opstuwing Effecten waterstandsdaling en opstuwing Maatgevend hoogwaterstanden op de as van de rivier Het grootste effect van de waterstanden op de rivier bij maatgevend hoogwater (MHW) treedt op bij de beperkte verlegging bij Waaldijk 3 in Wolferen. Hier treedt lokaal een waterstandsverlagend effect op van 1,9 mm op de as van de rivier. Bij ingrepen met een waterstandsverlagend effect ontstaat benedenstrooms van de waterstandsdaling in bijna alle gevallen een lokale opstuwing. Hier ontstaat een piek van 3,1 mm. Rijkswaterstaat kan als beheerder instemmen met dit effect als de oppervlakte van de verlaging veel groter is dan de oppervlakte van de verhoging. Dit is het geval bij de verlegging bij Wolferen. De oppervlakte van de verlaging (in ieder geval merkbaar tot aan de Boven-Rijn) is groter dan de opstuwing. Ter plaatse van de andere buitenwaartse versterkingen is geen opstuwingseffect aanwezig door het waterstandsverlagend effect van de verlegging bij Wolferen. Het waterstandseffect op de as van de rivier voldoet aan de eisen van het Rivierkundig Beoordelingskader. MHW buiten de as van de rivier Vlak naast de dijk bij de dijkverlegging bij Wolferen zijn lokaal grote waterstandsverschillen te zien. Vlakbij de dijk treedt het grootste waterdalende effect op van 3 cm.
Voor wat betreft de waterstanden buiten de as van de rivier zijn de verschillen ten opzichte van de referentiesituatie zeer lokaal en relatief klein ten opzichte van de onzekerheden in de hoogtebepaling van de dijk. Beoordeling waterstandsdaling en opstuwing Hoewel er lokaal sprake van opstuwing, is de oppervlakte van de verlaging veel groter dan de oppervlakte van de verhoging. Conform de maatlatten in bijlage 5, bijlage III is er netto sprake van een verlaging van de waterstand (tussen 0 en 5 cm). Omdat het effect klein is, is een neutrale beoordeling gegeven: geen verandering ten opzichte van de referentiesituatie (0).
2 Dijkversterking Wolferen-Sprok
pagina 80 van 189
10 juli 2020
6.4.2 Afvoerverdeling Effecten afvoerverdeling De Pannerdensche Kop is het punt waar de Boven-Rijn zich splitst in de Waal en het Pannerdensch Kanaal. Dit splitsingspunt is zo ingericht zodat een derde van het Rijnwater via het Pannerdensch Kanaal gaat en twee derde via de Waal. Een waterstandsverlaging op de Waal kan de verdeling beïnvloeden. Uit de Rivierkundige beoordeling WOS blijkt dat het waterstandsverschil bij MHW 0 cm is bij de Pannerdensche Kop. Ook bij normaal hoogwater verandert het stroombeeld nauwelijks. Er zijn geen effecten op de afvoerverdeling op het splitsingspunt. Beoordeling afvoerverdeling Omdat er geen effecten zijn op de afvoerverdeling bij het splitsingspunt, is de beoordeling van de effecten neutraal (0). Dit is conform de maatlatten in bijlage 2, bijlage III.
6.4.3 Inundatiefrequentie en stroombeeld uiterwaarden en stroombeeld vaarweg Effecten inundatiefrequentie en stroombeeld uiterwaarden en stroombeeld vaarweg De waterstandsverschillen zijn erg klein waardoor de inundatiefrequentie niet zal wijzigen. Bij lagere afvoeren heeft de maatregel geen invloed op het stroombeeld. Het stroombeeld verandert niet of nauwelijks op de normaallijnen (rand van de vaarweg) waardoor er geen verschillen te verwachten zijn met betrekking tot dwarsstroming. Beoordeling inundatiefrequentie en stroombeeld uiterwaarden en stroombeeld vaarweg Er zijn geen veranderingen ten opzichte van de referentiesituatie, daarom is er sprake van een neutrale beoordeling (0).
6.4.4 Sedimentatie en erosie zomer- en winterbed Effecten sedimentatie en erosie zomer- en winterbed In de uiterwaard is het stroomsnelheidsverschil maximaal 0,1 m/s, specifiek bij de beperkte dijkverlegging bij Wolferen. De stroomsnelheidsverschillen zijn erg klein en bovendien zeer lokaal. Dit zal dus niet tot erosie of sedimentatie in de uiterwaard leiden. Er zijn geen stroomsnelheidsverschillen in het zomerbed. De dijkversterking heeft daarom ook geen invloed op de erosie en sedimentatiepatronen in het zomerbed. Beoordeling sedimentatie en erosie zomer- en winterbed Er zijn geen veranderingen ten opzichte van de referentiesituatie, daarom is er sprake van een neutrale beoordeling (0).
2 Dijkversterking Wolferen-Sprok
pagina 81 van 189
10 juli 2020
6.5 Natuur Voor natuur is ingegaan op acht criteria, namelijk instandhoudingsdoelstellingen Wet Natuurbescherming, Kernkwaliteiten Gelders NatuurNetwerk en Groene Ontwikkelingszone, Beschermde soorten, Bomen en houtopstanden, Rode Lijstsoorten en KRW. In de planuitwerking zijn voor het project een Natuurtoets (De Betuwse Waard, 2020c) en een Passende Beoordeling (De Betuwse Waard, 2020b) opgesteld. Deze beschrijven de referentiesituatie uitgebreid, hieronder is een samenvatting opgenomen. Creëren meerwaarde: positieve effecten natuur door bloemrijke dijken In het ontwerp zijn wel kansen benut om meerwaarde creëren waar dit mogelijk is. De positieve effecten hiervan komen niet terug in de beoordeling, maar zijn er wel degelijk. Bloemrijke dijken In het ontwerp is opgenomen dat na de werkzaamheden de taluds van de dijk worden ingezaaid met een inheems bloemrijk grasmengsel zodat een bloemrijk grasland ontstaat. De ontwikkeling van een dijktalud tot bloemrijk grasland is goed voor de biodiversiteit ter plaatse en in een groter gebied. Bloemrijke graslanden kennen een grote variëteit in flora. Op bloemrijke dijken komt een grote verscheidenheid aan bloeiende gras-, klaver- en kruidensoorten voor, maar ook mossen kunnen hier gaan groeien.
Van de bloemen profiteren veel vlinder- en insectensoorten die tevens van belang zijn voor de bestuiving van plantensoorten, bijvoorbeeld op akkers, op grotere afstand van de dijk. Het grote aanbod aan insecten bij een bloemrijke dijk levert voedsel op voor vleermuizen en verschillende insect-etende vogelsoorten. Kleine zoogdiersoorten en zaad-etende vogelsoorten vinden er tevens hun leefgebied door het afwisselende aanbod aan zaden. Uilensoorten en roofdieren als wezel profiteren dan weer van de verschillende kleine zoogdieren. Op die manier draagt een bloemrijke dijk bij aan het in stand houden en verbeteren van de lokale biodiversiteit. Omdat een dijk een grote afstand overbrugt met verschillende natuurgebieden aan zowel de binnen- als buitendijkse zijde, draagt het ook bij aan de verbinding tussen die gebieden en de robuustheid van de biodiversiteit. Niet alleen beschermde soorten maar ook Rode Lijstsoorten kunnen hiervan profiteren. Sommige van de nieuwe bloemrijke graslanden krijgen een beschermde status als GNN, waardoor de positieve effecten ook in de toekomst zeker gesteld zijn.
6.5.1 Natura 2000 - habitattypen Achtergrond De uiterwaarden vormen de noordelijke begrenzing van Natura 2000-gebied Rijntakken. Afbeelding 6.1 geeft de ligging van het projectgebied weer ten opzichte van de omliggende stedelijke en landelijke omgeving en het nabijgelegen Natura 2000-gebied. De dijksecties zijn genummerd aangegeven voor aanduiding van locaties. Deelgebied ‘Gelderse Poort’ ligt ten oosten van Lent en is een Vogelrichtlijngebied en deelgebied ‘Uiterwaarden Waal’ ligt ten westen van Lent en is een Vogelen Habitatrichtlijngebied. In de uiterwaarden liggen verschillende kleine en grotere kolken. Deze kolken zijn (deels) omgeven met bosschages of wilgenopstanden. In de uiterwaarden zelf zijn graslanden in agrarisch gebruik en natuurlijke graslanden met verschillende graden van ruigte. Verspreid komen bosschages voor. Het talud van de dijk bestaat uit natuurlijke graslanden (afbeelding 6.2). Direct naast de dijk ligt een onderhoudspad van circa vijf tot tien meter breed. Dit pad wordt frequent kort gemaaid.
2 Dijkversterking Wolferen-Sprok
pagina 82 van 189
10 juli 2020
Ter hoogte van dijksecties 6 tot en met 10 ligt de Spiegelwaal, een nevengeul van de Waal. De uiterwaarden daar zijn tijdens aanleg van de nevengeul (tot 2016) opnieuw ingericht. Tevens zijn en worden de Oosterhoutse Waard en de Loenensche Waard opnieuw ingericht.
Afbeelding 6.1 Ligging dijksecties ten opzichte van (een deel van) Natura 2000-gebied Rijntakken
Afbeelding 6.2 Impressies dijktraject, foto 1 met zicht op buitendijks gebied ter hoogte van dijksectie 14, foto 2 met zicht op buitendijks gebied ter hoogte van dijksectie 10
2 Dijkversterking Wolferen-Sprok
pagina 83 van 189
10 juli 2020
Instandhoudingsdoelen In het aanwijzingsbesluit en het wijzigingsbesluit Natura 2000-gebied Rijntakken zijn 11 habitattypen, 11 habitatsoorten 12 broedvogelsoorten en 26 niet-broedvogelsoorten opgenomen waarvoor een instandhoudingsdoel geldt. In de Passende beoordeling (De Betuwse Waard, 2020b) is in bijlage 1 een tabel opgenomen waar de doelen specifiek zijn vermeldt. Habitattypen Binnen het ruimtebeslag bij de dijksecties 1, 2, 3 en 4 liggen geen habitattypen. Het dichtstbijzijnde habitattype ligt op circa 30 meter van dijksectie 4: Slikkige rivieroevers (H3270). Andere habitattypen met een instandhoudingsdoel liggen op grotere afstand van het projectgebied meer naar het oosten en aan de zuidzijde van de Waal (zie afbeelding 6.3). Afbeelding 6.3 Ligging habitattypen in Habitatrichtlijngebied nabij projectgebied (grijze delen betreffen het Habitatrichtlijngebied)
2 Dijkversterking Wolferen-Sprok
pagina 84 van 189
10 juli 2020
Effecten Oppervlakteverlies Door het permanente ruimtebeslag van de versterkte dijk treedt oppervlakteverlies op. Over de volledige lengte van de dijk bedraagt het permanente ruimtebeslag door het dijkontwerp 4,7 ha. Het permanente ruimtebeslag op Vogel- en Habitatrichtlijngebied (dijksecties 1 t/m 4) is 0,2 ha. Het permanente ruimtebeslag op Vogelrichtlijngebied (dijksecties 6 t/m 17) bedraagt 4,2 ha. Het ruimtebeslag in Natura 2000-gebied is meestal 0 tot 9 meter. Het is 12 tot 12,5 meter bij dijksecties 1 en 13 en maximaal 27 meter bij de kleine verlegging in dijksectie 17. Er is geen ruimtebeslag op habitattypen. Beoordeling De dijkversterking leidt tot niet tot vernietiging van habitattypen. Conform de maatlatten in bijlage 5, bijlage IV is er geen sprake van een effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden (0). Creëren meerwaarde: positieve effecten natuur afname stikstofemissie In het ontwerp zijn wel kansen benut om meerwaarde creëren waar dit mogelijk is. De positieve effecten hiervan komen niet terug in de beoordeling, maar zijn er wel degelijk. Afname stikstofemissie Een aantal percelen in de uiterwaarden langs het projectgebied worden in de huidige situatie bemest en/of beweid. Het gaat om een oppervlakte van meer dan 11 hectare. Deze zijn in eigendom van het Waterschap Rivierenland.
Voor het project is het nodig om deze percelen om te vormen tot leefgebied van de kwartelkoning (mitigatie). Hierdoor kunnen deze percelen in de toekomst niet of nauwelijks meer bemest of beweid worden. Het feit dat deze percelen niet of nauwelijks meer bemest zullen worden is via de uitgifte van pachtovereenkomsten geregeld, en wordt permanent voortgezet. Het verdwijnen van de bemesting en/of beweiding van deze percelen levert een permanente en aanzienlijke verlaging op van de stikstofemissie uit het projectgebied. In bijlage 18 van de Passende Beoordeling (De Betuwse Waard, 2020b) is toegelicht welke uitgangspunten zijn gebruikt voor de berekening en wat de resultaten van de berekeningen zijn. Door het project zal een evenredige hoeveelheid stikstofdepositie verdwijnen. Dit betreft een permanent positief effect. Daarnaast kunnen gedurende de looptijd van de dijkversterking agrarische gronden ter plekke van het tijdelijke ruimtebeslag en op de dijk zelf eveneens niet bemest en beweid worden. Dit levert een tijdelijke afname in de stikstofemissie vanuit het projectgebied op. Zowel de tijdelijke als de permanente afname in stikstofemissie in het gebied is dit vanuit de milieueffectbeoordeling een positief effect van het project[1].
6.5.2 Natura 2000 - habitatsoorten Achtergrond - aanwezigheid van potentieel biotoop habitatsoorten Sommige aangewezen soorten hebben leefgebied in de Waal, dit zijn zeeprik, rivierprik, elft, zalm en rivierdonderpad. Zeeprik, rivierprik, elft en zalm zijn qua leefgebied beperkt tot het zomerbed en de kribvakken van de Waal. Rivierdonderpad is niet gebonden aan de kribvakken en kan ook in wateren buiten de kribvakken en zomerbed voorkomen. Grote modderkruiper verspreidt zich via de Waal maar heeft daar vrijwel nooit leefgebied in. Wel in wateren aan de dijk (plassen, (dijk)sloten). [1]
Bij de Passende beoordeling zijn stikstofdepositie berekeningen uitgevoerd. In de bijbehorende bijlage met uitgangspunten voor de berekeningen is de emissie die zal wegvallen ook in beeld gebracht. Er is in de berekeningen van de stikstofdepositie als gevolg van het project NIET gesaldeerd met deze afname in emissie.
2 Dijkversterking Wolferen-Sprok
pagina 85 van 189
10 juli 2020
Kleine modderkruiper, bittervoorn en kamsalamander hebben potentieel leefgebied in vergelijkbaar biotoop. Er zijn op meerdere locaties in het studiegebied bevers of beversporen waargenomen. Plassen met begroeide oevers met gras, kruiden en jong (wilgen)hout vormen leefgebied. Binnen de begrenzing van Habitatrichtlijngebied rondom het projectgebied bevindt zich geen bebouwing waar verblijfplaatsen van meervleermuis aanwezig kunnen zijn. Ook zijn er geen foeragerende individuen aangetroffen tijdens de vleermuisonderzoeken. Wel kan in potentie foerageergebied aanwezig zijn en kunnen meervleermuizen de dijk gebruiken als vliegroute. Meervleermuizen kunnen zowel buiten- als binnendijks boven plassen en kanalen/beken/sloten foerageren. Effecten Oppervlakteverlies Door het permanente ruimtebeslag van de versterkte dijk treedt oppervlakteverlies op. De meeste Habitatrichtlijnsoorten binnen de Rijntakken zijn aan open water gebonden (rivierdonderpad, zeeprik, rivierprik, elft, zalm, kleine modderkruiper en bittervoorn). Binnen het permanente ruimtebeslag is geen open water aanwezig. Het ruimtebeslag is daarmee niet geschikt als leefgebied voor deze soorten binnen Natura 2000-gebied Rijntakken. Binnen het permanente ruimtebeslag liggen de doelclusters droge graslanden, plas-drassituaties en vochtige ooibossen.
De plas-drassituaties en de vochtige ooibossen kunnen leefgebied vormen voor de habitatsoorten bever, kamsalamander en grote modderkruiper. De doelclusters waaraan meervleermuis is gekoppeld zijn stilstaande wateren en rietmoeras. Deze typen zijn niet in het permanente aanwezig. Bever is aangetroffen op meerdere binnen en buitenwaartse locaties langs het projectgebied en ook is er verspreid leefgebied aanwezig. Er is geen sprake van vernietiging van essentieel leefgebied door het permanente ruimtebeslag. Kamsalamander is nabij het Habitatrichtlijngebied (1 t/m 4) niet aangetroffen. Ook is er geen leefgebied voor de soort aanwezig binnen het permanente ruimtebeslag daar. Kamsalamander is wel aanwezig in het Vogelrichtlijngebied en het naastgelegen binnendijkse gebied, nabij dijksectie 16 en 17. Dit is buiten Natura 2000, maar is beoordeeld vanuit externe werking. Er is sprake van vernietiging van een klein oppervlak niet essentieel leefgebied binnendijks door het permanente ruimtebeslag, maar dit levert geen negatief effect op. Wel kan er sprake zijn van mortaliteit als het leefgebied verwijderd wordt, wat wel als een significant negatief effect beoordeeld is. Dit wordt volledig voorkomen door dit leefgebied niet in de winterperiode te verwijderen. Grote modderkruiper heeft potentieel geschikt habitat (plas-dras) binnen het permanente ruimtebeslag bij dijksectie 1.
In de praktijk bestaat dit uit het strandje dat direct aan de Waal grenst. De Waal is een snelstromende rivier, met bij de oevers een zand- en/of steenoever. Er zijn geen modderlagen aanwezig. De Waal en het strandje zijn daarom bij deze dijksectie ongeschikt als leefgebied voor de grote modderkruiper. Andere geschikte leefgebieden zijn binnen het ruimtebeslag niet aanwezig. Er is daarom geen ruimtebeslag op leefgebied van de grote modderkruiper.
2 Dijkversterking Wolferen-Sprok
pagina 86 van 189
10 juli 2020
Verstoring Dijkverhoging De dijk wordt op enkele locaties verhoogd tot maximaal ongeveer 1,0 meter. Met een geluidmodel is berekend dat het geluidsniveau in het Vogel- en Habitatrichtlijngebied kan toenemen met maximaal 0,3 dB(A). Op locaties zonder verhoging is geen sprake van een verhoging van het geluidniveau in de gebruiksfase. Voor habitat- en vogelsoorten is echter pas sprake van een merkbare geluidstoename bij meer dan 1 dB. (Significant) negatieve effecten als gevolg een verhoging van de geluidbelasting door de verhogingen van de dijk zijn daarom uitgesloten. Verlegging weg en dijk In totaal wordt op veertien locaties de weg verlegd. In basis zijn dit relatief kleine wijzigingen, parallel aan de huidige kruin van de dijk. Uitzondering daarop is de verlegging bij dijksectie 17. Alle kleine verleggingen liggen parallel aan de huidige kruin. Er treden daarom geen lichtverstoringeffecten op door afzwaaiende koplampen. Bij binnenwaartse verlegging van de as van de dijk treedt een positief effect op voor optische verstoring en geluidsverstoring: de afstand tot de weg op de dijk als verstoringsbron wordt groter. Bij buitenwaartse verlegging treedt het omgekeerde effect op.
Omdat de totale lengte (en mate van verlegging in meters) waarop een verlegging naar binnen plaatsvindt groter is dan de buitenwaartse verleggingen, is er over het geheel genomen sprake van een afname van de invloed van aanwezigheid, licht en geluid in het Natura 2000-gebied. Er treedt zeker geen (significant) negatief effect op de Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten met een instandhoudingsdoelstelling. Voor verstoring bij de verlegging in dijksectie 17 gelden dezelfde relevante effecten: verstoring door licht, verstoring door geluid en optische verstoring. In de huidige situatie is er al sprake van verkeer op de dijk. Dit verkeer maakt ter hoogte van de verlegging een vergelijkbare draaiing als in de nieuwe situatie: vanuit het oosten bezien een flauwe afbuiging naar het zuiden, een wat scherpere afbuiging naar het noorden en vervolgens een afbuiging naar het westen. Doordat het verkeer over een lengte van 345 meter verder van het Natura 2000-gebied komt te liggen, treedt daardoor een positief effect op. Over een lengte van 100 meter komt het verkeer dichter op Natura 2000 gebied; daar treedt een negatief effect op. Door de grotere lengte en de grotere afstand van de binnenwaartse verlegging is het netto effect op verstoring door licht positief. Een (significant) negatief effect door lichtverstoring is hier dan ook uitgesloten.
Grote aanpassing op- en afritten Alleen bij dijksectie 17 vindt een substantiële aanpassing van de bestaande twee op- en afritten plaats. De westelijke oprit wijzigt niet qua oriëntatie, functie of gebruik. Bij de oostelijke oprit verandert de functie en het gebruik eveneens niet, maar de oriëntatie van de voertuigen die de dijk oprijden wel. Waar deze eerst min of meer parallel met de dijkweg lag, sluit die nu op een hoek van circa 30 graden aan. Dit geeft in potentie een zekere mate van toename in verstoring door afzwaaiende koplampen die over het Natura 2000-gebied schijnen. Echter, deze oprit wordt door landbouwvoertuigen gebruikt. Dit is niet intensief en bovendien vooral meer frequent in de zomerperiode waarbij door de langere daglichtperiode minder snel voertuigverlichting nodig is. Er is geen sprake van een negatief effect.
2 Dijkversterking Wolferen-Sprok
pagina 87 van 189
10 juli 2020
Verdroging Bij de dijkversterking worden damwanden geplaatst. Door barrièrewerking kan de kwelstroom naar het buitendijkse gebied in de zomer bij de dijksecties 6 t/m 17 afnemen, waardoor de kans op droogvallen van deze plassen en strangen toeneemt. Uit geohydrologische analyses (De Betuwse Waard, 2020d) blijkt dat in het overgrote deel van de uiterwaarden langs dijksecties 6 t/17 hooguit enkele centimeters verlaging van het grondwater wordt verwacht. De daling van de waterstand in de diverse plassen in de uiterwaard is nog eens een factor kleiner. De buitendijkse natuurwaarden buiten de poelen om zijn bestand tegen dergelijke veranderingen in de grondwaterstand. Droogtegevoelige habitats zoals moerassen en uitgestrekte rietvegetaties ontbreken. Alleen bij het eerste gedeelte van dijksectie 16 is sprake van een grotere buitendijkse verlaging van de grondwaterstand, waarschijnlijk in werkelijkheid tot 10 cm. Langs de dijk in het eerste gedeelte van dijksectie 16 is echter in de uiterwaard geen droogtegevoelige natuur aanwezig. Een (significant) negatief effect door verdroging op broed- en niet-broedvogels van Natura 2000gebied Rijntakken wordt uitgesloten. Er is in het Natura 2000-gebied geen sprake van vernatting. Bij dijksectie 16b en 17 is leefgebied van kamsalamander aanwezig in de vorm van voortplantingspoelen en landbiotoop.
Uit modellering blijkt dat de poelen nat blijven en dat de buitendijkse strang iets droger kan worden, maar de vegetatie zal niet veranderen. Bij het binnendijkse potentiële landhabitat ter hoogte van dijksectie 16b en 17 kan enige vernatting optreden. De biotoop is hier echter in de huidige situatie al vrij nat, waardoor dit geen negatief effect oplevert. Een (significant) negatief effect op kamsalamander of het uitbreidingsdoel door verdroging is uitgesloten. Beoordeling De dijkversterking leidt mogelijk tot mortaliteit bij kamsalamander tijdens het verwijderen van niet essentieel leefgebied, dit is een significant negatief effect. Door mitigatie wordt een negatief effect volledig voorkomen. Er is geen sprake van andere effecten op andere habitatsoorten. Er is geen effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Conform bijlage 5, bijlage IV volgt een neutrale beoordeling (0).
6.5.3 Natura 2000 - vogelsoorten Achtergrond Aanwezigheid potentieel biotoop Vogelrichtlijnsoorten - Broedvogels Het projectgebied omvat meerdere biotopen voor broedende vogelsoorten met een instandhoudingsdoel. Het gaat dan om broedvogelsoorten van water en moeras, moeras en riet, boomgroepen, (extensief) beheerde (vochtige) graslanden waaronder uiterwaarden en steile zandige wanden. Aalscholvers kunnen zowel in bomen als op de grond broeden nabij visrijke wateren. Dit biotoop is langs het projectgebied op verschillende plaatsen aanwezig. Voor dodaars, roerdomp en woudaapje is in het studiegebied geen optimaal broedbiotoop aanwezig. Dodaars is echter wel waargenomen met nest-indicerende gedragingen, voornamelijk ten oosten van dijksectie 1 en een paar ter hoogte van dijksecties 14 en 15. De soorten porseleinhoen, kwartelkoning, watersnip, zwarte stern en blauwborst zijn soorten die broedbiotoop hebben in onder andere gras- en rietland, met voorkeur voor natte gebieden. Voor deze soorten komt in meerdere of mindere mate geschikt broedbiotoop voor langs het gehele dijktraject.
2 Dijkversterking Wolferen-Sprok
pagina 88 van 189
10 juli 2020
Het zwaartepunt van de waargenomen broedgevallen ligt buiten het projectgebied aan de oostzijde. IJsvogel en oeverzwaluw vinden langs het gehele dijktraject geschikt broedbiotoop, waarbij ze gebonden zijn aan steile oeverwanden, afgravingen of plekken tussen boomwortels. Aanwezigheid potentieel biotoop Vogelrichtlijnsoorten - Niet-broedvogels De niet-broedvogelsoorten zijn viseters als fuut en aalscholver, graseters (diverse zwanen, ganzen en smient), andere watervogels (diverse eenden, wintertaling, pijlstaart, nonnetje en meerkoet) en verschillende weidevogelsoorten (scholekster, goudplevier, kemphaan, kievit, grutto, wulp en tureluur). De uiterwaardgebieden binnen het onderzoeksgebied hebben door de diversiteit aan biotopen functies voor meerdere van deze soorten. Verreweg de meeste soorten komen langs het gehele dijktracé voor, alleen de goudplevier en de kemphaan zijn voornamelijk bij de oostelijke dijksecties waargenomen. Effecten Oppervlakteverlies Door het permanente ruimtebeslag van de versterkte dijk treedt oppervlakteverlies op. Dit wordt hierna toegelicht. In dijksectie 17 wordt over een lengte van 445 meter de kruin van de dijk deels binnenwaarts en deels buitenwaarts verlegd. Het oppervlak dat buitendijks vrijkomt is circa 0,6 ha. De oppervlakte die buitendijks in beslag wordt genomen is circa 0,22 ha.
Netto komt er dus voor circa 0,38 ha aan potentieel leefgebied voor meerdere vogelsoorten met een instandhoudingsdoelstelling vrij in de uiterwaard. Omdat dit extra leefgebied niet binnen de huidige begrenzing van Rijntakken ligt, is het potentiele positieve effect daarvan niet in de toetsing volgens de Wet Natuurbescherming betrokken (De Betuwse Waard, 2020c). Broedvogels Er is sprake van permanent ruimtebeslag in geschikt potentieel broedhabitat van kwartelkoning en broedhabitat van blauwborst. Het gaat voor kwartelkoning om 2,26 grazige vegetaties (extensief of agrarisch grasland) en pioniersvegetaties en ruigten in zo goed als alle dijksecties. Voor blauwborst gaat het om 0,09 ha struiken en struwelen en boomgroepen in rietland in de secties 8, 10 en 16. Het is potentieel geschikt broedhabitat voor kwartelkoning, omdat de vegetatie hier op korte termijn geschikt kan raken. Kwartelkoning is de afgelopen vijf jaar niet waargenomen in het ruimtebeslag van het dijkontwerpen in de omgeving daarvan. Het gaat dus om vernietiging van gebied dat in de toekomst mogelijk geschikt zou raken. Omdat kwartelkoning onder haar doelstelling zit en een uitbreidingsdoelstelling voor kwaliteit en oppervlak leefgebied heeft, leidt dit permanente verlies van potentieel broedhabitat tot een potentieel significant negatief effect.
Dit effect is gemitigeerd door in de uiterwaard circa 10 ha voormalige agrarisch gebruikte en beheerde gronden voor kwartelkoning geschikt te maken en in de toekomst als leefgebied te blijven beheren. Voor blauwborst werkt het permanente ruimtebeslag door in een verlies van 9% van één territorium, wat als worst case is beoordeeld als verlies van een territorium voor 1 broedpaar. Omdat blauwborst met 260 broedparen ruim boven zijn instandhoudingsdoelstelling van 95 zit is uitgesloten dat er een significant negatief effect optreedt op de instandhoudingsdoelstelling. Wel is er sprake van een negatief effect. Dit negatieve effect wordt gemitigeerd door de biotoop te behouden. Voor de broedvogels dodaars, aalscholver, roerdomp, woudaap, ijsvogel, porseleinhoen, watersnip, zwarte stern, ijsvogel, oeverzwaluw en grote karekiet geldt dat er geen geschikt broedhabitat binnen het permanente of tijdelijke ruimtebeslag van het dijkontwerp is. (Significant) negatieve effecten als gevolg van het ruimtebeslag zijn daarom uitgesloten.
2 Dijkversterking Wolferen-Sprok
pagina 89 van 189
10 juli 2020
Niet-Broedvogels Er is sprake van permanent ruimtebeslag in het geschikt leefgebied van niet-broedvogels. In de Passende beoordeling (De Betuwse Waard, 2020b) is geanalyseerd of het ruimtebeslag een negatief effect heeft. Een samenvatting van de optredende effecten is weergegeven in tabel 6.4. Er is alleen sprake van ruimtebeslag op drie ganzensoorten, wat wel negatief tot gevolg heeft maar geen significant negatief effect, omdat de soorten boven hun doelstelling zitten. Omdat de soorten ruim boven hun instandhoudingdoel zitten, worden geen mitigerende maatregelen genomen.
Tabel 6.4 Effecten door permanent ruimtebeslag op niet-broedvogels Soort kolgans grauwe gans brandgans
Dijkontwerp negatief, niet significant negatief, niet significant negatief, niet significant
Oppervlak 1,00 (8.31 kolganseenheden; 8,31 individuen) 2,32 (17,55 kolganseenheden; 13,82 individuen) 1,00 (1,29 kolganseenheden; 1,69 individuen)
Verstoring Voor de algemene beoordeling van verstoring van vogelsoorten door de dijkverhoging, de verlegging van de weg en dijk en grote aanpassingen van op- en afritten wordt verwezen naar paragraaf 6.5.2. Beoordeling De dijkversterking leidt tot verlies van leefgebied voor de vogelsoorten kolgans, grauwe gans en brandgans. Er treden negatieve effecten op die niet significant zijn. Deze soorten zitten (ruim) boven de instandhoudingsdoelstelling, er hoeven geen mitigerende maatregelen te worden genomen. Conform bijlage 5, bijlage IV volgt een negatieve beoordeling (-).
6.5.4 Kernkwaliteiten Gelders NatuurNetwerk en Groene Ontwikkelingszone Achtergrond De kernkwaliteiten van GNN- en GO-gebieden bestaan uit de algemene milieucondities en de gebiedspecifieke kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen. Voor het GNN zijn bovendien natuurtypen aangewezen. Deze natuurtypen en ontwikkelingsdoelen zijn criteria in de toetsing of aantasting van de kernkwaliteiten plaatsvindt. Tot de kernkwaliteiten behoren ook de milieucondities, die de voorwaarde vormen voor het voortbestaan van de natuur, de ecologische samenhang, de stilte, donkerte, de openheid en de rust. Het benoemen van de milieucondities als kernkwaliteit betekent dat nieuwe plannen en projecten geen verslechtering van de milieucondities mogen veroorzaken. Natuurtypen (GNN) Kernkwaliteiten zijn voor GNN-gebieden in het Natuurbeheerplan 2020 ruimtelijk weergegeven door natuurtypen en ambitienatuurtypen. Afbeelding 6.4 laat deze zien voor de omgeving Lent, Oosterhout en Loenen, waar natuurtypen ter plaatse van het dijktraject aanwezig zijn. Ter plaatse van het dijktraject zijn vooral de natuurtypen N01.03 Rivier- en moeraslandschap en N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland aanwezig. Daarnaast zijn er in mindere mate verschillende andere natuurtypen aanwezig in het plangebied.
2 Dijkversterking Wolferen-Sprok
pagina 90 van 189
10 juli 2020
Afbeelding 6.4 Natuurtypen bij dijkversterking Wolferen - Sprok
2 Dijkversterking Wolferen-Sprok
pagina 91 van 189
10 juli 2020
2 Dijkversterking Wolferen-Sprok
pagina 92 van 189
10 juli 2020
Gebiedspecifieke kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen GNN- en GO-gebieden onderscheiden zich door hun eigen kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen. Het plangebied heeft betrekking op de GNN- en GO-gebieden ‘58 Overbetuwe’ (ten noorden van de dijk), ‘157 Noordoever Waal Lent - Echteld’ (ten zuiden van de dijk) en ‘146 Gelderse Poort Zuid’ (aan de oostzijde van het plangebied). De Natuurtoets (De Betuwse Waard, 2020c) beschrijft de kernkwaliteiten in meer detail. Effecten kernkwaliteiten Gelders NatuurNetwerk en Groene Ontwikkelingszone Ruimtebeslag en compensatie natuurtypen Het ruimtebeslag leidt tot aantasting van de kernkwaliteiten van het GNN. Ontwikkelingsdoelen worden niet in de weg gestaan. Tabel 6.5 geeft het ruimtebeslag per natuurbeheertype, evenals de compensatieopgave. Bij het berekenen hiervan is rekening gehouden met de compensatietoeslagfactor die in de Omgevingsverordening Gelderland is aangegeven.
Tabel 6.5 Te compenseren oppervlak, compensatietoeslag en compensatie-opgave per natuurbeheertype Natuurtype N01.03 rivier- en moeraslandschap (grasland) N12.02 Kruidenen faunarijk grasland N14.03 Haagbeuken- en essenbos totaal
Oppervlak te compenseren (m2) 68684
Oppervlak te compenseren (ha) 6,87
Ontwikkeltijd
Compensatie toeslagfactor
Compensatietoeslag
Compensatieopgave incl. toeslag (ha)
niet bepaald
geen
0,00
6,87
150671
15,07
5-25
1/3
5,02
20,09
1194
0,12
100+
geen
0,00
0,12
220548
22,06
27,08
N01.03 rivier- en moeraslandschap (grasland) wordt op de oorspronkelijke locatie gecompenseerd (teruggebracht). Voor de compensatie van N12.02 kruiden- en faunarijk grasland geldt dat dit na afloop van de werkzaamheden ook op het dijktalud gecompenseerd kan worden waar dit type verwijderd wordt. De resterende opgave van 5,02 ha wordt gecompenseerd op GO-gronden die op overige dijktaluds liggen en grenzen aan bestaande kruiden- en faunarijke graslanden.
2 Dijkversterking Wolferen-Sprok
pagina 93 van 189
10 juli 2020
Er is voor de compensatie van type N14.03 een perceel aangewezen in de gemeente Overbetuwe, bij het depot. Dit is geen GO, maar het perceel grenst aan een ander GNN-bostype en ligt zeer nabij het N14.03. Via het nieuwe bestemmingsplan worden deze percelen toegekend aan de bestemming ‘Gebiedsaanduiding overige zone – Natuurnetwerk Nederland’. Leefgebied Van bever wordt een hol ongeschikt als vaste rust- en verblijfplaats door gebruik van een transportroute langs dijksectie 6 (Fort Beneden Lent). Het ongeschikt raken is een aantasting van het leefgebied. Er is geen sprake van een afname van de gunstige staat van instandhouding; het is niet nodig om de verblijfplaats te compenseren. De dijkversterking leidt tot ruimtebeslag op het leefgebied van gewone dwergvleermuis. Bij Waaldijk 42/43 wordt een pand gesloopt waarin een paarverblijf aanwezig is. Ter compensatie van dit paarverblijf worden vier tijdelijke vleermuiskasten opgehangen. Deze blijven hangen tot er op het perceel een nieuw huis gebouwd wordt. Wanneer dit gebeurt, worden er vier permanente kasten voor vleermuizen ingebouwd in de gevel.
Mitigatie is voor enkele andere soorten nodig om aantasting van kernkwaliteit ‘alle door de flora- en faunawet en Natuurbeschermingswet beschermde soorten en hun leefgebied’ te voorkomen, deze maatregelen zijn dezelfde als opgenomen voor de soortenbescherming in de Natuurtoets (De Betuwse Waard, 2020c). Beoordeling kernkwaliteiten Gelders NatuurNetwerk en Groene Ontwikkelingszone De dijkversterking leidt tot ruimtebeslag op natuurtypen (GNN, GO) en leefgebied van bever en gewone dwergvleermuis, en op beschermde soorten. Door compensatie is het effect op vleermuizen volledig weggenomen, voor bever hoeft niet gecompenseerd te worden. Er is wel sprake van negatieve effecten, maar er is geen aantasting van de kernkwaliteiten. Conform bijlage 5, bijlage IV volgt een negatieve beoordeling (-).
6.5.5 Beschermde soorten Achtergrond In en om de omgeving van het projectgebied zijn verschillende beschermde soorten aangetroffen. De beschermde soorten die in of nabij het studiegebied in de afgelopen zeven jaar zijn waargenomen, zijn opgenomen in tabel 6.7.
Tabel 6.7 Soorten in en nabij het projectgebied in het kader van de Wet natuurbescherming soortenbescherming Beschermings regime vogelrichtlijnsoorten
Soortgroep
Soort
vogels met jaarrond beschermd nest
boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil en wespendief aalscholver, appelvink, bergeend, blauwborst, blauwe reiger, boerenzwaluw, boomklever, boomkruiper, boompieper, bosrietzanger, braamsluiper, brandgans, Cetti’s zanger, dodaars, ekster, fazant, fitis, frater, fuut, gaai, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, grasmus, graspieper, grauwe gans, grauwe
overige broedvogels
2 Dijkversterking Wolferen-Sprok
pagina 94 van 189
10 juli 2020
habitatrichtlijnsoorten
andere soorten
amfibieën grondgebonden zoogdieren vleermuizen vissen ongewervelden amfibieën ongewervelden grondgebonden zoogdieren vissen vaatplanten
vliegenvanger, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote Canadese gans, grote lijster, grutto, heggenmus, holenduif, houtduif, huiszwaluw, ijsvogel, kauw, kievit, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine mantelmeeuw, kleine plevier, kluut, kneu, knobbelzwaan, koekoek, kokmeeuw, kolgans, koolmees, krakeend, kuifeend, kwartel, lepelaar, matkop, meerkoet, merel, nachtegaal, oeverloper, oeverzwaluw, paapje, patrijs, pimpelmees, putter, rietgors, rietzanger, ringmus, roodborst, roodborsttapuit, scholekster, slobeend, sperwer, spotvogel, spreeuw, sprinkhaanzanger, staartmees, stormmeeuw, tjiftjaf, torenvalk, tuinfluiter, tureluur, Turkse tortel, veldleeuwerik, vink, visdief, waterhoen, watersnip, waterspreeuw, wielewaal, wilde eend, winterkoning, wintertaling, witte kwikstaart, wulp, zanglijster, zilvermeeuw, zomertaling, zomertortel, zwarte kraai, zwarte roodstaart, zwartkop rugstreeppad, kamsalamander bever gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, watervleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis, baardvleermuis noordzeehouting; teunisbloempijlstaart, rivierrombout bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, alpenwatersalamander grote vos, grote weerschijnvlinder, beekrombout bosmuis, das, dwergmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel gestippelde alver
akkerogentroost, dreps, groot spiegelklokje, kleine wolfsmelk, stijve wolfsmelk, wilde ridderspoor, wilde weit
Effecten beschermde soorten Van bever wordt een hol ongeschikt als vaste rust- en verblijfplaats door gebruik van een transportroute langs dijksectie 6 (Fort Beneden Lent). Het ongeschikt raken is een aantasting van het leefgebied en hiervoor wordt een ontheffing aangevraagd. Er is geen sprake van een afname van de gunstige staat van instandhouding; het is niet nodig om de verblijfplaats te compenseren. Van gewone dwergvleermuis wordt door het ruimtebeslag van de dijkversterking een paarverblijf vernietigd door de sloop van de huizen op de percelen van Waaldijk 42/43. Het vernietigen van een verblijfplaats is aantasting van het leefgebied en hiervoor wordt een ontheffing aangevraagd. De verblijfplaats wordt daarnaast ook gecompenseerd om aantasting van de gunstige staat van instandhouding te voorkomen. Aantasting van leefgebieden van overige door de Flora- en faunawet of Natuurbeschermingswet beschermde soorten is uitgesloten of wordt voorkomen door het nemen van mitigerende maatregelen. Beoordeling beschermde soorten De dijkversterking leidt tot ruimtebeslag en daarmee overtreding van verbodsbepalingen voor bever, gewone dwergvleermuis en diverse beschermde soorten. De compensatie voor de gewone dwergvleermuis zorgt voor het volledig wegnemen van het negatieve effect. Voor bever hoeft niet te worden gecompenseerd.
Wel worden er mitigerende maatregelen genomen voor alle soorten. Het gaat uiteindelijk om ‘een geringe verslechtering van de functionaliteit van het leefgebied en instandhouding van de soort ten opzichte van de referentiesituatie voor één of meer soorten
2 Dijkversterking Wolferen-Sprok
pagina 95 van 189
10 juli 2020
waarvoor waarschijnlijk een ontheffing verleend kan worden’. Conform de maatlatten in bijlage 5, bijlage IV is dit een negatief effect (-).
6.5.6 Bomen en houtopstanden Effecten bomen en houtopstanden Uit de bomeninventarisatie en de landelijke en gemeentelijke regelgeving (De Betuwse Waard, 2020c) blijkt voor 7.180 m2 (0,72ha) houtopstand een melding- of kapvergunningplicht met herplantplicht. Het is vanuit het oogpunt van dijkveiligheid niet mogelijk om de bomencompensatie van de boomvlakken uit te voeren op de locaties waar de bomen verwijderd worden. Er zijn twee locaties nabij het projectgebied aangewezen waar de herplant gaat plaatsvinden. Allereerst gaat het om 0,5 ha bij het (bij GNN al genoemde) depot in de gemeente Overbetuwe in dijksectie 16. Het depot is in eigendom van het waterschap. Hiervoor is al een inrichtings- en beheerplan uitgewerkt. Het gaat om herplant van soorten als schietwilg, zwarte els, populier en veldesdoorn met een ondergroei van vlier, grauwe wilg en sporkehout. Ten tweede is er een zoekgebied aangewezen in de gemeente Overbetuwe waar de resterende 0,22 ha herplant gaat plaatsvinden. De gemeente (de eigenaar van de gronden) heeft ermee ingestemd dat de herplant binnen dit zoekgebied plaats kan vinden. Beoordeling bomen en houtopstanden Uit de bomeninventarisatie blijkt voor 7.180 m2 (0,72 ha) houtopstand een melding- of kapvergunningplicht met herplantplicht. Er is sprake van een negatief effect, maar door compensatie wordt dit effect volledig goedgemaakt (0).
Deze beoordeling volgt uit de maatlatten van bijlage 5, bijlage IV.
6.5.7 Rode Lijstsoorten Effecten Rode Lijstsoorten Binnen het projectgebied zijn verschillende Rode Lijstsoorten aanwezig. Deze soorten kunnen negatieve effecten van de dijkversterking ondervinden door o.a. verstoring of vernietiging door ruimtebeslag. Rode Lijst soorten zijn echter niet beschermd onder de Wet natuurbescherming. Wel is te allen tijde de zorgplicht van kracht. Effecten op Rode Lijst soorten die tevens beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en aanwezig zijn in het projectgebied zijn reeds in de effectbeoordeling beoordeeld. Dit betreft vooral de grondgebonden zoogdieren en de vogelsoorten. Wanneer deze soorten negatieve effecten door het voornemen ondervinden, worden deze voorkomen door mitigerende maatregelen, of wordt een ontheffing aangevraagd en worden compenserende maatregelen getroffen. Voor de soorten die niet onder de Wnb beschermd zijn maar wel negatieve effecten door de dijkversterking ondervinden zijn geen wettelijke maatregelen noodzakelijk. De mitigerende en compenserende maatregelen zijn dan ook niet gericht op deze soorten. Het is echter wel mogelijk dat ze profiteren van de maatregelen die genomen zullen worden in het kader van de Wnb. Hierdoor zullen zij minder of niet verstoord worden tijdens de aanlegfase.
2 Dijkversterking Wolferen-Sprok
pagina 96 van 189
10 juli 2020