16. Bijlage bij de toelichting deel 4
Tekst van het document
Er wordt geen permanent ruimtebeslag gelegd op open water. (Significant) negatieve effecten als gevolg van het ruimtebeslag van het dijkontwerp zijn dan ook uitgesloten.
Kuifeend Kuifeend heeft potentieel geschikt leefgebied (aangetakte nevengeulen, stilstaande wateren) binnen het ruimtebeslag bij dijksecties 6 en 8. Zie tabel 6.26. Kuifeend leeft voornamelijk op grote zoete meren en plassen, maar ook is kuifeend op zand- en grindplassen en drinkwaterbekkens. Hier jaagt de soort heel specifiek op onderwaterbodems naar driehoekmosselen, zoetwatermollusken, muggenlarven en incidenteel kleine vissen en plantenzaden. Foerageren doen ze in wateren niet dieper dan 15 meter, waar ze bij voorkeur niet dieper duiken dan enkele meters. Rust vindt de soort op eilanden of in de beschutting van dijken. De verstoringsgevoeligheid van kuifeend is groot (meer dan 300 meter). De kleinst bekende vluchtafstanden zijn echter geringer met 86 meter bij motorboot en foerageren. Bij rust is de vluchtafstand veel groter met 230 meter bij zeilboten [lit. 6.14]. Er wordt geen permanent ruimtebeslag gelegd op open water. Voor rustplaatsen geldt dat het ruimtebeslag overal binnen de minimale verstoringsafstand van 86 meter ligt. Potentieel rustgebied is er daarom niet binnen het ruimtebeslag. (Significant) negatieve effecten als gevolg van het ruimtebeslag van het dijkontwerp zijn dan ook uitgesloten.
Omnivore eenden Bergeend De bergeend komt voor in plas-drassituaties. Natura 2000-gebied Rijntakken heeft voor de bergeend met name een functie als foerageergebied [lit. 6.12]. Het foerageergebied van bergeend bestaat uit zacht sediment of slikken met een dun laagje water. Er wordt gefoerageerd op bodemdieren (benthos) in voedselrijk slik [lit 6.30, 6.35]. Als rustgebied maken bergeenden gebruik van open water. De soort heeft een minimale verstoringsafstand van 55 meter bij wandelaars [lit. 6.14]. De verstoringsafstand van bergeend is nog groter tijdens de vleugelrui als de vogels niet kunnen vliegen. De bergeend is dan extreem schuw en ook gevoelig voor in geulen passerende vaartuigen en laag vliegverkeer [lit. 6.30]. Plas-drassituaties zijn binnen het permanente ruimtebeslag aanwezig in dijksecties 1, 8, 9, 10, 11 en 13 tot en met 17 (zie tabel 6.25). Al het permanente ruimtebeslag ligt hier op graslanden die met hevige regenval of overstroming van de rivier onder water kunnen komen te staan. Wanneer dit gebeurt, blijft de bodem van de onderwater gelopen graslanden uit gras bestaan dat niet slikkig genoeg is als foerageergebied voor de bergeend. Bovendien ligt al dit ruimtebeslag binnen de minimale verstoringsafstand van bergeend. Hierdoor zijn deze delen ongeschikt als leefgebied voor de soort.
Het permanente ruimtebeslag binnen deze dijksecties heeft daardoor geen (significant) negatief effect op potentieel leefgebied van bergeend. Er is geen sprake van permanent ruimtebeslag op potentieel geschikt leefgebied voor bergeend. (Significant) negatieve effecten zijn uitgesloten.
Krakeend De krakeend komt voor in plas-drassituaties. Natura 2000-gebied Rijntakken heeft voor de bergeend met name een functie als foerageergebied [lit. 6.33]. Het leefgebied van de krakeend bestaat uit ondiepe, voedselrijke zoete wateren (stilstaand of zwakstromend) en plas-drasgebieden. De
Passenden boordeling pagina 138 van 364
krakeend foerageert vaak bij of op harde oeversubstraten zoals strekdammen, vooroeverbeschermingswerken en betonwanden. Het voedsel is grotendeels plantaardig en bestaat voornamelijk uit loof, wortels en zaden van waterplanten. Soms ook graan op stoppelvelden. De soort eet ook dierlijk voedsel zoals waterslakken, waterinsecten, wormen en kleine visjes. Voedsel wordt gezocht in ondiep water, bij voorkeur langs een natuurlijke oever. Binnen plas- drassituaties foerageert krakeend op waterplanten. Krakeend is vrij gevoelig voor verstoring; de minimale verstoringsafstand is 48 meter [lit. 6.14]. Plas-drassituaties zijn binnen het permanente ruimtebeslag aanwezig in dijksecties 1, 8, 9, 10, 11 en 13 tot en met 17 (zie tabel 6.25). Al het permanente ruimtebeslag ligt hier op graslanden die met hevige regenval of bij hoog water (rivier) onder water kunnen komen te staan. Wanneer dit gebeurt, is dit tijdelijk en hebben waterplanten niet de tijd zich te vestigen in deze plas- drassituaties. Hierdoor zijn deze delen ongeschikt als foerageergebied voor krakeend. Bovendien ligt al dit ruimtebeslag binnen de minimale verstoringsafstand van krakeend. Hierdoor zijn deze delen ongeschikt als leefgebied voor de soort. Het permanente ruimtebeslag binnen deze dijksecties heeft daardoor geen (significant) negatief effect op potentieel leefgebied van krakeend.
Er is geen sprake van permanent ruimtebeslag op potentieel geschikt leefgebied voor krakeend. (Significant) negatieve effecten zijn uitgesloten.
Wintertaling Wintertaling heeft een vergelijkbaar habitat met bergeend. De soort heeft wel een ruimere minimale verstoringsafstand dan de bergeend, namelijk 80 meter door wandelaars tijdens foerageren [lit. 6.14]. Ruimtebeslag op potentieel geschikt leefgebied voor wintertaling ligt in alle dijksecties binnen 80 meter van de wegas op de dijk. Hierdoor zijn deze delen ongeschikt als foerageer- en/of rustgebied voor de wintertaling. Het permanente ruimtebeslag binnen deze dijksecties heeft daardoor geen (significant) negatief effect op potentieel leefgebied van wintertaling. Er is geen sprake van permanent ruimtebeslag op potentieel geschikt leefgebied voor wintertaling. (Significant) negatieve effecten zijn uitgesloten.
Wilde eend Natura 2000-gebied Rijntakken heeft voor de wilde eend met name een functie als foerageergebied [lit. 6.33]. De theoretische geschiktheid van habitats binnen de Rijntakken voor niet-broedvogels is gebaseerd op de in het Natura 2000-beheerplan opgenomen doelclusters. Voor wilde eend zijn plasdrassituaties hierin aangemerkt als potentieel geschikt leefgebied voor de soort. Wilde eend is echter een generalist, wat inhoudt dat hij verschillende foerageergebieden kan gebruiken en minder kritisch is dan andere soorten. Droge of vochtige graslanden met niet te hoge pioniersvegetaties en ruigten zijn daarom ook potentieel geschikt als foerageergebied voor de wilde eend. De verstoringsgevoeligheid van wilde eend is matig tot gemiddeld (van minder dan 100 tot 300 meter). De kleinste vluchtafstand is 46 meter bij benadering met een motorboot, of 60 meter voor wandelaars [lit. 6.14]. Droge graslanden, vochtige graslanden en plas-drassituaties zijn binnen het permanente ruimtebeslag in alle dijksecties aanwezig (zie tabel 6.25). Echter, al dit ruimtebeslag ligt binnen de minimale verstoringsafstand van wilde eend en is hierdoor ongeschikt als leefgebied. Er is geen sprake van permanent ruimtebeslag op potentieel geschikt leefgebied voor wilde eend.
Passenden boordeling pagina 139 van 364
Het permanente ruimtebeslag binnen deze dijksecties heeft daardoor geen (significant) negatief effect op potentieel leefgebied van wilde eend.
Pijlstaart Pijlstaart heeft een vergelijkbaar habitat met de wilde eend. De soort heeft wel een ruimere minimale verstoringsafstand dan de wilde eend, de kleinste vluchtafstand is 116 meter voor wandelaars [lit. 6.14]. Ruimtebeslag op potentieel geschikt leefgebied voor pijlstaart ligt in alle dijksecties binnen 100 meter van de wegas op de dijk. Hierdoor zijn deze delen ongeschikt als foerageer- en/of rustgebied voor de pijlstaart. Er is geen sprake van permanent ruimtebeslag op potentieel geschikt leefgebied voor pijlstaart. Het permanente ruimtebeslag binnen deze dijksecties heeft daardoor geen (significant) negatief effect op potentieel leefgebied van pijlstaart.
Slobeend Slobeend foerageert en rust op water en de directe omgeving daarvan. Ondiepe bochten en beschutte waterpartijen worden daarbij gebruikt. Ze foerageert door water te filteren op zoöplankton, kleine diertjes en plantenzaden. De soort heeft een minimale verstoringsafstand 50 meter bij motorboot en foerageren. Bij rust is de vluchtafstand veel groter met 350 meter bij zeilboten [lit. 6.14]. Het permanent ruimtebeslag ligt, gerekend vanaf de as van de weg op de dijk, overal binnen de minimale verstoringsafstand van slobeend, met uitzondering van ruimtebeslag bij dijksectie 17 (ter plaatse van de asverlegging). Dit bestaat uit plas-drassituaties. Het enige water dat in de directe omgeving ligt is de rivier de Waal zelf, wat niet geschikt is als leefgebied, omdat ondiepe en beschutte delen ontbreken. Potentiële geschikte wateren liggen op 700 meter of meer. Het ruimtebeslag is daarmee ongeschikt als leefgebied voor slobeend. Er is daarom geen sprake van permanent ruimtebeslag op potentieel geschikt leefgebied voor slobeend. Het permanente ruimtebeslag binnen deze dijksecties heeft daardoor geen (significant) negatief effect op potentieel leefgebied van slobeend.
Steltlopers Van de zeven hierna beschreven steltlopers zijn zes tevens aan te merken als weidevogels. Alleen voor scholekster geldt dit niet. Voor weidevogels geldt dat zij weidsheid en openheid nodig hebben. Opgaande elementen, zoals bebouwing, bomen, bomenrijen of bossen onderbreken deze weidsheid en worden gemeden. Deze soorten houden tot bomen, bomenrijen en bossen een afstand van minimaal 50-100 meter, omdat in deze bomen predatoren zich kunnen schuilhouden [lit. 6.36]. De aanwezigheid van meerdere van deze elementen kan elkaar versterken. De locaties waar het ruimtebeslag buiten de minimale verstoringsafstand ligt zijn locaties waar toegangswegen vanaf de dijk naar de uiterwaarden leiden. Op deze locaties worden de toegangswegen aangesloten op het nieuwe ontwerp van de dijk. Dit betreft ruimtebeslag op delen die in de huidige situatie onder helling liggen, de berm zijn van de toegangsweg en nabij de toegangsweg liggen. Voor zeven van de tien locaties geldt dat binnen 50 meter afstand bomen of bomenrijen staan. Voor alle locaties met toegangswegen geldt dat in de afgelopen tien jaar er geen waarnemingen van steltlopers zijn gedaan in de directe omgeving van die toegangswegen. Uitzondering is locatie 1, waar incidentele waarnemingen van scholekster bekend zijn op het pad zelf. Het pad zelf is ongeschikt als leefgebied.
Het betreft hier zeer waarschijnlijk waarnemingen gedaan op het pad, maar waar de waargenomen
Passenden boordeling pagina 140 van 364
individuen zich verder van het pad bevonden. Deze incidentele waarnemingen worden dan ook niet meegenomen, omdat de exacte locatie ervan onjuist is. Voorgaande houdt in dat vanwege de huidige situatie rondom de toegangswegen vanwege de hellingshoek, de ligging direct naast toegangspaden en de aanwezigheid van bomen, de relatieve nabijheid van de dijk (maximaal op 70 meter) en de aanwezigheid van beter geschikt habitat in de directe omgeving deze delen ongeschikt zijn als leefgebied voor de steltlopers. Deze delen leveren geen bijdrage aan de draagkracht voor deze soorten.
Scholekster De scholekster komt voor op droge graslanden, vochtige graslanden en in plas-drassituaties. Binnendijks verblijven scholeksters op korte graslanden of vrijwel kale akkers waar ze voornamelijk op zoek zijn naar voedsel. Als rustplaats worden voornamelijk schaars begroeide of onbegroeide terreinen gebruikt waarbij frequente verstoringen worden gemeden. Scholeksters zijn zeer plaatstrouw wat betreft foerageer- en rustgebied. Wanneer individuen worden verstoord, kunnen ze niet zo makkelijk terecht in gebieden waar zich al andere scholeksters bevinden. Scholeksters zijn gemiddeld verstoringsgevoelig en vluchten al van foerageer-en rustgebied bij de aanwezigheid van recreanten. Op basis van de literatuur [lit. 6.14] moet echter geconcludeerd worden dat scholekster wisselende verstoringsafstanden kent. Als kleinste verstoringsafstand is bekend op 20 tot 25 meter. De dijk wordt gebruikt als lokale weg door auto’s, agrarisch verkeer, fietsers en wandelaars (soms met hond). Als gevolg van verstoring door het huidig gebruik van de weg, de geringe afstand van de weg tot het ruimtebeslag en de storingsgevoeligheid van scholekster is al het ruimtebeslag tot 20 meter van de as van de weg op de dijk ongeschikt als leefgebied voor scholekster. Hier treden geen negatieve effecten op. Voor de delen die op meer dan 20 meter afstand liggen geldt het volgende.
Bij dijksectie 1 ligt boven Restaurant Sprok ruimtebeslag op een strook grazige vegetaties. Het ruimtebeslag ligt tussen de dijk en het hek aan de rand van het onderhoudspad. Dit hek fungeert als een visuele barrière voor scholekster. Dit maakt dit deel tussen de dijk en het hek te smal om als leefgebied te fungeren. Aan het einde van dijksectie 1, doorlopend naar dijksectie 2 is eenzelfde situatie: ruimtebeslag ligt op het onderhoudspad en ligt ingesloten tussen het hek en de dijk. Bij dijksectie 4 ligt ene klein deel ruimtebeslag direct naar het hek van het onderhoudspad. Dit deel is te klein om als leefgebied te dienen. Hier worden negatieve effecten uitgesloten. Bij dijksectie 6 ligt ruimtebeslag op een smalle strook naast het onderhoudspad. De vegetatie ter plaatse is ruig en hoog opgaand (tot 50 cm). Dit is ongeschikt als leefgebied voor scholekster. Ter hoogte van de toegangsweg naar de Zalige brug is de vegetatie ruig en hoger opgaand. Bovendien geldt hetgeen wat bij aanvang van paragraaf 6.4 is beschreven ten aanzien van de toegangswegen. Dit deel is ongeschikt als leefgebied voor de scholekster. Voor het ruimtebeslag ter hoogte van het Waalcrossingmonument geldt hetzelfde als voor de toegang tot de Zalige brug. Hier worden negatieve effecten uitgesloten. Bij dijksectie 8 ligt een klein deel ruimtebeslag op het dijktalud, deels in ruigte.
Dit deel ligt direct naast de toegangsweg naar de bestaande laad- en loslocatie. Hier wordt met vrachtauto’s gereden. Dit deel is vanwege de ligging, de vegetatie en de huidige verstoring ongeschikt als leefgebied. Verder naar het noord, tussen het wiel en de dijk ligt een deel dat, vanwege de ingesloten locatie ongeschikt is. Negatieve effecten worden in deze delen uitgesloten. Na de afbuiging van de dijk naar het westen ligt een strook ruigte, waar de begroeiing echter relatief laag is. Dit deel is, tot aan het Wolfsgat geschikt voor scholekster. Bij het Wolfsgat aan het einde van dijksectie 8 ligt een deel
Passenden boordeling pagina 141 van 364
ruimtebeslag op een strook tussen de dijk en de hoger opgaande begroeiing rondom het wiel. Vanwege de geïsoleerde ligging en ontbreken van vrij uitzicht is dit deel ongeschikt. Voor ruimtebeslag aan weerszijden van de toegangswegen naar de uiterwaarden geldt dat de toegangsweg ter plaatse intensief wordt gebruikt door recreanten, er op korte afstand bomen staan en het ruimtebeslag op helling ligt. Het is daarom niet geschikt als leefgebied voor scholekster. Daarna ligt een lange strook, tot aan dijksectie 10 met geschikt leefgebied voor scholekster. Bij dijksectie 10 ligt een strook ruimtebeslag tussen het wiel en de dijk. Hierdoor ontbreekt vrij uitzicht en vluchtmogelijkheden. Dit deel is ongeschikt als leefgebied voor scholekster. Na de afbuiging van de dijk ligt een strook, doorlopend tot in dijksectie 11 die wel geschikt is als leefgebied voor scholekster. Voor de weerszijden van de toegangsweg naar de uiterwaarden geldt dat deze liggen op helling, enige ruigte kennen en daarmee ongeschikt zijn voor scholekster. Het ruimtebeslag daarop volgend naar het westen (sectie 12) is wel geschikt als leefgebied. Vlak bij de volgende toegangsweg naar de uiterwaarden liggen kleine delen van het ruimtebeslag op het onderhoudspad en tussen de dijk en het hek. Daarmee zijn deze delen te klein om te dienen als functioneel leefgebied voor de scholekster.
Verder naar het westen ligt een deel ruimtebeslag dat geschikt is als leefgebied. Van dit oppervlak is 137 m2 geschikt als leefgebied voor scholekster. Het overige deel ligt tussen een hek en de dijk en is daarmee functioneel te klein om als leefgebied te kunnen dienen. Aan de buitenzijde van het hek ligt geschikt leefgebied. Ter plaatse van de toegangsweg bestaat uit stenen bekleding: dit is niet geschikt als leefgebied. Richting de camping de Grote Altena liggen delen ruimtebeslag die wel geschikt zijn. Na de camping liggen delen op het dijktalud, tussen de dijk en een hek (en deels binnen de minimale verstoringsafstand) en zijn daarmee ongeschikt. Aan de buitenzijde van het hek liggen delen die wel geschikt zijn. Bij dijksectie 13 ligt tussen de oude strang en de dijk een deel dat wel geschikt is als leefgebied. Verderop liggen buiten de verstoringscontour geschikt delen. Bij de toegangsweg zijn de weerzijden van het toegangspad ongeschikt, omdat de vegetatie daar ruig is. Tot aan het einde van dijksectie 13 zijn alle delen welke buiten het hek liggen geschikt als leefgebied voor scholekster. Bij het begin van dijksectie 14 tot aan het wiel liggen delen ruimtebeslag buiten het hek en zijn geschikt als leefgebied voor scholekster. Tussen het wiel en de dijk ligt ruimtebeslag dat tussen de hoog opgaande begroeiing rondom het wiel en de dijk ligt.
Vanwege de geïsoleerde ligging en het ontbreken van vrij uitzicht is dit geen geschikt leefgebied voor de scholekster. Na het wiel ligt ruimtebeslag op het huidige onderhoudspad, binnen het hek. Vanwege de visuele afscheiding en de ligging tussen het hek en de dijk is dit ongeschikt als leefgebied. Richting de oude strang ligt een deel buiten het hek en is geschikt. Van het vlak ruimtebeslag dat doorloopt naar de oude strang is een deel ongeschikt, omdat dit ligt tussen het hek en de dijk. Het deel dat doorloopt tussen de dijk en de oude strang is wel geschikt, omdat uitzicht mogelijk is. Dit deel beslaat 375m 2. Verder tussen de oude strang en de dijk ligt ook geschikt leefgebied. Van het deel ruimtebeslag dat doorloopt tot aan de toegangsweg in dijksectie 15 is deels geschikt. Het deel dat wel geschikt is heeft een oppervlakte van 300 m2. Het deel tussen de (nieuwe) parkeerplaats en de dijk is ongeschikt, vanwege de verstoring die uitgaat van de van de parkeerplaats. Het deel dat ligt op het dijktalud en tussen de toegangsweg naar de parkeerplaats, de parkeerplaats en de dijk is ongeschikt, omdat het geïsoleerd ligt. Aan de andere zijde van het toegangspad ligt het ruimtebeslag tussen hoger opgaande begroeiing en de dijk. Het is daarmee ongeschikt. Binnen dijksectie 15 liggen delen ruimtebeslag tussen het hek en de dijk. Die zijn ongeschikt.
De delen die buiten het hek liggen zijn wel geschikt. Ter hoogte van het wiel is de ruimte tussen dijk en de hoog opgaande begroeiing beperkt. Dit is te smal om te dienen als leefgebied voor
Passenden boordeling pagina 142 van 364
scholekster. Na het wiel ligt er ruimtebeslag op het onderhoudspad. Dit is deels geschikt: het eerste stuk ligt tussen het hek en de dijk. Dit is te smal op te dienen als leefgebied. Na 2/3 van dit deel is er echter geen hek meer aanwezig, zodat dat deel wel geschikt is. Dit heeft een oppervlakte van 355 m2. Bij dijksectie 16, na de wilgenopstanden (waar het ruimtebeslag binnen de verstoringsafstand ligt), liggen delen buiten het hek van het onderhoudspad. Deze delen zijn geschikt. Daar waar ze binnen het hek liggen zijn ze ongeschikt. Bij dijksectie 17 vindt een asverlegging plaats. Hierdoor vallen geschikte delen binnen het ruimtebeslag. De delen die bestaan uit zand (strandjes) zijn te droog en vegetatie ontbreekt. Deze delen zijn daardoor ongeschikt. Aan het einde van de dijksectie ligt ruimtebeslag op weerszijden van het toegangspad naar de woning ter plaatse. De taluds zijn zeer stijl en zijn daardoor ongeschikt. Het vlak ruimtebeslag aan de oostzijde beslaat ook een stuk op agrarisch grasland. Dit deel is wel geschikt. Dit beslaat een oppervlak van 259 m2. In totaal is sprake van permanent ruimtebeslag op 2,20 hectare geschikt leefgebied voor scholekster. Een effect hierop wordt nader beoordeeld.
Tureluur De tureluur komt voor op droge graslanden, vochtige graslanden en in plas-drassituaties. In het binnenland is het leefgebied van tureluur gebonden aan waterrijke gebieden, slikkige gedeelten of zeer ondiep water waar de soort naar voedsel (kreeftachtigen en schelpdieren) zoekt. Na periodes met regen is de tureluur ook in vochtige graslanden te vinden. Hier foerageert de tureluur met name op wormen. Als rustgebied gebruikt de tureluur voornamelijk rustige open landschappen in de nabijheid van het foerageergebied. Voorbeelden hiervan zijn kwelders, binnendijks gelegen graslanden en gebieden met ondiep water en slikranden. Bij hoogwater groeperen tureluurs zich op hoger gelegen delen in het landschap. Tureluurs kunnen in hun rust verstoord worden door recreatie, vliegverkeer en werkzaamheden. De minimale verstoringsafstand is 40 meter [lit. 6.14]. Droge graslanden, vochtige graslanden en plas-drassituaties zijn binnen het permanente ruimtebeslag in alle dijksecties aanwezig (zie tabel 6.25). Echter, het merendeel van dit ruimtebeslag is ongeschikt als foerageer- en/of rustgebied voor tureluur vanwege de verstoringsgevoelige ligging (binnen de minimale verstoringsafstand van tureluur, onder aan de voet van de dijk langs toegangswegen en hekjes met dichte begroeiing) en dichte ruigten.
Weidevogels zoals tureluur houden van openheid en weidsheid en mijden wandelpaden, wegen en opgaande begroeiingen [lit. 6.37]. Openheid en weidsheid is niet aanwezig binnen het permanente ruimtebeslag in dijksecties 1 tot en met 16. Het permanente ruimtebeslag binnen deze dijksecties heeft daardoor geen (significant) negatief effect op potentieel leefgebied van tureluur. In dijksectie 17 is potentieel geschikt leefgebied aanwezig in de vorm van plas-drassituaties. Dit geschikte deel bestaat uit open, kort gemaaid kruidenarm grasland dat op voldoende afstand van dichte vegetaties lig. In totaal gaat het hier om circa 1.393 m2 permanent ruimtebeslag op potentieel geschikt leefgebied voor tureluur. Echter, vanwege de verstoringsgevoeligdheid is een groot deel van het permanent ruimtebeslag niet geschikt als leefgebied. Een deel van 320m 2 ligt buiten de minimale verstoringscontour van 40 meter. Dit deel ligt dicht bij de dijk (binnen 60 meter van de as van de weg op de huidige dijk) en binnen 35 meter van de voet van de dijk. Als weidevogel verkiest tureluur
Passenden boordeling pagina 143 van 364
leefgebied dat open is [lit. 6.51]. Als gevolg van de aanwezigheid van de huidige dijk ontbreekt deze openheid. Hier is tureluur gevoelig voor; zij verkiest leefgebied op grote afstand van objecten [lit. 6.51]. Het landdeel hier is bovendien smal: tussen de verstoringscontour van de weg en het water van de Waal is minder dan 50 meter ruimte. Ter plaatse wordt het strandje gebruikt voor recreatie en maken vissers gebruik van de kribbe, wat resulteert in aanvullende verstoring. Deze factoren samen (gebrek aan openheid, relatief smalle strook tussen dijk en Waal en de aanvullende verstoring door recreatie) maken dat deze delen geen geschikt leefgebied voor grutto opleveren. Dit blijkt ook uit de gegevens van het NDFF [lit. 6.46]; in de afgelopen 5 jaar is tureluur niet waargenomen in een straal van 75 meter van het ruimtebeslag. Twee incidentele waarnemingen zijn op grotere afstand gedaan; deze in open terrein, wat bij het ruimtebeslag juist ontbreekt. Het permanente ruimtebeslag binnen deze dijksectie heeft daardoor geen (significant) negatief effect op potentieel leefgebied van tureluur. Er is geen sprake van permanent ruimtebeslag op potentieel geschikt leefgebied voor tureluur. (Significant) negatieve effecten zijn uitgesloten.
Goudplevier De goudplevier komt voor op droge graslanden, vochtige graslanden en in plas-drassituaties. In het winterhalfjaar komt de goudplevier het liefst voor op oude graslanden met kort gras in open gebieden. Daarnaast is de goudplevier ook vaak te vinden op kale akkers (favoriet rustgebied) en wadplaten. De soort is vrij gevoelig voor verstoring en verstoorde groepen blijven na verstoring langdurig rondvliegen. De soort heeft een minimale verstoringsafstand van 45 meter [lit. 6.14]. Droge graslanden, vochtige graslanden en plas-drassituaties zijn binnen het permanente ruimtebeslag in alle dijksecties aanwezig (zie tabel 6.25). Echter, voor het grootste deel van het ruimtebeslag geldt dat dit ligt binnen de minimale verstoringsafstand van goudplevier en is hierdoor ongeschikt als leefgebied. Bij dijksecties 6, 9, 13 en 17 liggen kleine delen van het ruimtebeslag buiten de minimale verstoringsafstand van goudplevier. Dit betreft weerszijden van toegangsweggetjes naar de uiterwaarden. Het ruimtebeslag bij deze toegangsweggetjes betreft allemaal weggetjes die in meerdere of mindere mate intensief gebruikt worden en dus verstoord zijn. Ze liggen bovendien op hellingen. Deze delen zijn ongeschikt als leefgebied. Er is geen sprake van permanent ruimtebeslag op potentieel geschikt leefgebied voor goudplevier.
Het permanente ruimtebeslag binnen deze dijksecties heeft daardoor geen (significant) negatief effect op potentieel leefgebied van goudplevier.
Kievit De kievit komt voor op droge graslanden, vochtige graslanden en in plas-drassituaties. De kievit leeft in zo open mogelijk landschap, vrijwel uitsluitend agrarisch gebied (graslanden en akkers) [lit. 6.38]. Qua verstoringsgevoeligheid lijkt de kievit op de goudplevier. De soort heeft ook een minimale verstoringsafstand van 45 meter [lit. 6.14]. Droge graslanden, vochtige graslanden en plas-drassituaties zijn binnen het permanente ruimtebeslag in alle dijksecties aanwezig (zie tabel 6.25). Echter, voor het grootste deel van het ruimtebeslag geldt dat dit ligt binnen de minimale verstoringsafstand van kievit en is hierdoor ongeschikt als leefgebied.
Passenden boordeling pagina 144 van 364
Bij dijksecties 6, 9, 11, 12, 13, 15 en 17 liggen kleine delen van het ruimtebeslag buiten de minimale verstoringsafstand van weidevogels. Dit betreft weerszijden van toegangsweggetjes naar de uiterwaarden. Het ruimtebeslag bij deze toegangsweggetjes betreft allemaal weggetjes die in meerdere of mindere mate intensief gebruikt worden en dus verstoord zijn. Ze liggen bovendien op hellingen. Deze delen zijn ongeschikt als leefgebied. Er is geen sprake van permanent ruimtebeslag op potentieel geschikt leefgebied voor kievit. Het permanente ruimtebeslag binnen deze dijksecties heeft daardoor geen (significant) negatief effect op potentieel leefgebied van kievit.
Kemphaan De kemphaan komt voor op droge graslanden, vochtige graslanden en in plas-drassituaties. In het binnenland worden kemphanen aangetroffen in ondiepe waterplassen en in agrarisch gebied waar ze verblijven in delen met ondiep water of slikkige drooggevallen oeverzones. Vaak is de soort te vinden op pas omgewerkte agrarische gronden en bestaand uit licht bemest grasland (redelijk schraal en soortenrijk) met een korte, wat kruidachtige vegetatie. Hier foerageert de soort op kleine insecten in de bodem en in het gras. Rustplaatsen zijn voornamelijk plekken in plas-drasgebieden waar de waterdiepte maximaal 10 centimeter is. Ligging in een open en rustig gebied is een pré voor kemphaan. Net als andere weidevogels mijden kemphanen wandelpaden, wegen en opgaande begroeiingen [lit. 6.37]. De soort heeft een verstoringsafstand van 100 tot 300 meter [lit. 6.39]. De slaapplaats en het foerageergebied liggen doorgaans dicht bij elkaar, en hiertussen liggen vaste pendelroutes welke dagelijks gebruikt worden. Ruimtebeslag op potentieel geschikt leefgebied voor kemphaan ligt in alle dijksecties binnen 100 meter van de wegas op de dijk. Hierdoor zijn deze delen ongeschikt als foerageer- en/of rustgebied voor de verstoringsgevoelige kemphaan. Er is geen sprake van permanent ruimtebeslag op potentieel geschikt leefgebied voor kemphaan.
Het permanente ruimtebeslag binnen deze dijksecties heeft daardoor geen (significant) negatief effect op potentieel leefgebied van kemphaan.
Grutto De grutto heeft een vergelijkbaar habitat en een vergelijkbare minimale verstoringsafstand als tureluur. Om herhaling te voorkomen wordt voor de beoordeling daarom verwezen naar de beoordeling van tureluur. Er is geen sprake van permanent ruimtebeslag op potentieel geschikt leefgebied voor grutto. (Significant) negatieve effecten zijn uitgesloten.
Passenden boordeling pagina 145 van 364
Wulp De wulp komt net als de hiervoor genoemde soorten voor op droge graslanden, plas-drassituaties en vochtige graslanden. Dergelijke natuurtypen zijn binnen het tijdelijk ruimtebeslag in alle dijksecties aanwezig. De soort heeft een ruimere minimale verstoringsafstand dan de hiervoor beschreven soorten, namelijk 58 meter van de wegas op de dijk [lit. 6.14]. Ruimtebeslag op potentieel geschikt leefgebied voor wulp ligt in alle dijksecties binnen 58 meter van de wegas op de dijk. Hierdoor zijn deze delen ongeschikt als foerageer- en/of rustgebied voor de wulp. Er is geen sprake van permanent ruimtebeslag op potentieel geschikt leefgebied voor wulp. Het permanente ruimtebeslag binnen deze dijksecties heeft daardoor geen (significant) negatief effect op potentieel leefgebied van wulp.
Samenvatting ruimtebeslag dijkontwerp op niet-broedvogels In tabel 6.27 is een overzicht opgenomen voor welke niet-broedvogels ruimtebeslag als gevolg van het dijkontwerp op geschikt foerageer- of rusthabitat plaatsvindt en bij welke dijksectie.
Tabel 6.27 Samenvatting ruimtebeslag dijkontwerp op geschikt foerageer- of rusthabitat per nietbroedvogel Opp (ha)
1
2
3
4
6
7
8
9
10 11 12 13 14 15 16 17
fuut aalscholver
0,00 0,00
kleine zwaan wilde zwaan
0,00 0,00
toendrarietgans
1,00
x
x
x
x
x
x
x
x
kolgans grauwe gans
1,00 2,32
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
brandgans bergeend
1,00 0,00
x
x
x
x
x
x
x
x
smient krakeend wintertaling
0,00 0,00 0,00
wilde eend pijlstaart slobeend tafeleend kuifeend
0,00 0,00 0,00 0,00 0,00
nonnetje
0,00
meerkoet scholekster goudplevier kievit
4,16 2,20 0,00 0,00
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
kemphaan
0,00
x
x x
x
x
x
x
x x
Passenden boordeling pagina 146 van 364
x
x x
grutto wulp tureluur
Opp (ha) 0,00
1
2
3
4
6
7
8
9
10 11 12 13 14 15 16 17
0,00 0,00
De oppervlaktes in de tabel kunnen niet opgeteld worden omdat er sprake is van overlap in biotoop.
6.3.2 Tijdelijk ruimtebeslag: werkstroken In de aanlegfase worden rondom de dijk werkstroken aangelegd, zie paragraaf 5.1.2. Als gevolg van het dijkontwerp treedt tijdelijk ruimtebeslag binnen Natura 2000-gebied Rijntakken op. Een overzicht van dit ruimtebeslag en op welke habitats is in paragraaf 5.1.2 beschreven. Per habitat is bekend welke niet-broedvogelsoorten met instandhoudingsdoelstelling potentieel gebruik maken van dit habitat [lit 6.12]. In tabel 6.28 een overzicht van de niet-broedvogelsoorten met instandhoudingsdoelstelling waar tijdelijk ruimtebeslag op het habitat plaatsvindt, gekoppeld aan de betreffende dijksectie. In de navolgende paragrafen wordt per soort beschreven wat het soort specifieke habitat is en of dat ter plaatse daadwerkelijk voorkomt. In de beoordeling zijn de lokale omstandigheden beoordeeld. Deze omstandigheden bestaan uit de biotische (vegetatie) en de abiotische situatie ter plaatse. Als abiotische omstandigheden gelden onder andere de bodemgesteldheid, grondwaterstand, aanwezigheid van oppervlaktewater en de huidige mate van verstoring. De huidige mate van verstoring is voor de beoordeling in dit project een abiotische factor met een grote invloed vanwege de ligging van het ruimtebeslag dicht langs de dijk en het huidige gebruik van de weg op de dijk.
Deze dijk wordt in de huidige situatie intensief gebruikt door lokaal en interlokaal verkeer (het is een 60km weg), landbouwverkeer, fietsers (zowel recreanten als woon-werk en schoolverkeer) en wandelaars. Ook wordt de dijk en een teen van de dijk buitendijks over grote lengten gebruikt als uitlaatgebied voor honden. Als gevolg hiervan gaat er verstoring uit van het huidige gebruik van de dijk. Deze verstoring kan biotisch geschikt leefgebied ongeschikt maken voor vogelsoorten. Als maatstaf voor de beoordeling van deze verstoring worden de onderliggende bronnen van Krijgsveld [lit 6.14] gebruikt. Om zekerheid te verkrijgen over het daadwerkelijk ongeschikt zijn van leefgebied worden de minimale verstoringsafstanden gehanteerd, zoals die blijken uit de onderliggende bronnen van Krijgsveld. Per soort is uit het overzicht van die bronnen de kleinste verstoringsafstand gehanteerd. Binnen die kleinste afstand kan met de grootst mogelijke zekerheid worden vastgesteld dat biotisch geschikt leefgebied niet geschikt is. Dit uitgangspunt is toegepast per soort. De verstoring geldt over het gehele dijktraject en is daarmee een abiotische omstandigheid die steeds bij aanvang van de beoordeling van een soort wordt meegenomen; delen die door de ligging nabij de weg op de dijk binnen de minimale verstoringsafstand van die soort liggen zijn ongeschikt als leefgebied.
Passenden boordeling pagina 147 van 364
Tabel 6.28 Niet-broedvogelsoorten met potentieel geschikt habitat binnen tijdelijke werkstroken per dijksectie Dijksectie
Doelcluster
Vogelsoorten met instandhoudingsdoelstelling binnen habitat
1
vochtige ooibossen, droge graslanden
scholekster, goudplevier, kievit, kemphaan, grutto, wulp, tureluur, kleine zwaan, wilde zwaan, kolgans, grauwe gans, brandgans, smient, meerkoet
2
droge graslanden
scholekster, goudplevier, kievit, kemphaan, grutto, wulp, tureluur, kleine zwaan, wilde zwaan, kolgans, grauwe gans, brandgans, smient, meerkoet
3
droge graslanden
scholekster, goudplevier, kievit, kemphaan, grutto, wulp, tureluur, kleine zwaan, wilde zwaan, kolgans, grauwe gans, brandgans, smient, meerkoet
4
droge graslanden
scholekster, goudplevier, kievit, kemphaan, grutto, wulp, tureluur, kleine zwaan, wilde zwaan, kolgans, grauwe gans, brandgans, smient, meerkoet
6
droge graslanden
scholekster, goudplevier, kievit, kemphaan, grutto, wulp, tureluur, kleine zwaan, wilde zwaan, kolgans, grauwe gans, brandgans, smient, meerkoet
7
droge graslanden
scholekster, goudplevier, kievit, kemphaan, grutto, wulp, tureluur, kleine zwaan, wilde zwaan, kolgans, grauwe gans, brandgans, smient, meerkoet
8
droge graslanden, vochtige ooibossen, plas-drassituaties
scholekster, goudplevier, kievit, kemphaan, grutto, wulp, tureluur, watersnip, wintertaling, wilde eend, pijlstaart, slobeend, bergeend, krakeend, meerkoet, kleine zwaan, wilde zwaan, toendrarietgans, kolgans, grauwe gans, brandgans, smient
9
plas-drassituaties
10
plas-drassituaties, vochtige ooibossen
11
droge graslanden, plasdrassituaties
scholekster, goudplevier, kievit, kemphaan, grutto, wulp, tureluur, watersnip, wintertaling, wilde eend, pijlstaart, slobeend, bergeend, krakeend, meerkoet, kleine zwaan, wilde zwaan, toendrarietgans, kolgans, grauwe gans, brandgans, smient scholekster, goudplevier, kievit, kemphaan, grutto, wulp, tureluur, watersnip, wintertaling, wilde eend, pijlstaart, slobeend, bergeend, krakeend, meerkoet, kleine zwaan, wilde zwaan, toendrarietgans, kolgans, grauwe gans, brandgans, smient scholekster, goudplevier, kievit, kemphaan, grutto, wulp, tureluur, watersnip, wintertaling, wilde eend, pijlstaart, slobeend, bergeend, krakeend, meerkoet, kleine zwaan, wilde zwaan, toendrarietgans, kolgans, grauwe gans, brandgans, smient
12
droge graslanden, plasdrassituaties
13
droge graslanden, plasdrassituaties, rietmoeras
scholekster, goudplevier, kievit, kemphaan, grutto, wulp, tureluur, watersnip, wintertaling, wilde eend, pijlstaart, slobeend, bergeend, krakeend, meerkoet, kleine zwaan, wilde zwaan, toendrarietgans, kolgans, grauwe gans, brandgans, smient scholekster, goudplevier, kievit, kemphaan, grutto, wulp, tureluur, watersnip, wintertaling, wilde eend,
Passenden boordeling pagina 148 van 364
Dijksectie
Doelcluster
Vogelsoorten met instandhoudingsdoelstelling binnen habitat pijlstaart, slobeend, bergeend, krakeend, meerkoet, kleine zwaan, wilde zwaan, toendrarietgans, kolgans, grauwe gans, brandgans, smient, nonnetje, aalscholver, fuut scholekster, goudplevier, kievit, kemphaan, grutto, wulp, tureluur, watersnip, wintertaling, wilde eend, pijlstaart, slobeend, bergeend, krakeend, meerkoet, kleine zwaan, wilde zwaan, toendrarietgans, kolgans, grauwe gans, brandgans, smient
14
vochtig grasland, vochtige ooibossen, plas-drassituaties
15
plas-drassituaties, droge graslanden, vochtige ooibossen
scholekster, goudplevier, kievit, kemphaan, grutto, wulp, tureluur, watersnip, wintertaling, wilde eend, pijlstaart, slobeend, bergeend, krakeend, meerkoet, kleine zwaan, wilde zwaan, toendrarietgans, kolgans, grauwe gans, brandgans, smient
16
droge graslanden, vochtige ooibossen, plas- drassituaties, rietmoeras
nonnetje, aalscholver, fuut, wintertaling, wilde eend, pijlstaart, slobeend, bergeend, krakeend, meerkoet, scholekster, goudplevier, kievit, kemphaan, grutto, wulp, tureluur, watersnip, kleine zwaan, wilde zwaan, toendrarietgans, kolgans, grauwe gans, brandgans, smient
17
plas-drassituaties, droge graslanden
scholekster, goudplevier, kievit, kemphaan, grutto, wulp, tureluur, watersnip, wintertaling, wilde eend, pijlstaart, slobeend, bergeend, krakeend, meerkoet, kleine zwaan, wilde zwaan, toendrarietgans, kolgans, grauwe gans, brandgans, smient
Tabel 6.29 Niet-broedvogelsoorten met potentieel geschikt habitat per dijksectie 1
2
3
4
6
7
8
9
10
11 12
13 14
15 16 17
Visetende vogels fuut
x
x
aalscholver nonnetje
x x
x x
Grasetende watervogels kleine zwaan wilde zwaan toendrarietgans kolgans
x x
x x
x x
x x
x x
x x x
x x x x
x x x x
x x x x
x x x x
x x x x
x x x x
x x x x
x x x x
x x x x
x x x x
x
x
x
x
x
grauwe gans
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
brandgans smient meerkoet Benthivore eenden tafeleend
x x x
x x x
x x x
x x x
x x x
x x x
x x x
x x x
x x x
x x x
x x x
x x x
x x x
x x x
x x x
x x x
Passenden boordeling pagina 149 van 364
1
2
3
4
6
7
8
9
10
11 12
13 14
15 16 17
Omnivore eenden wintertaling
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
wilde eend pijlstaart
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
slobeend
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
bergeend
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
krakeend Steltlopers
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
kuifeend
scholekster goudplevier
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
kievit
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
kemphaan grutto
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
wulp tureluur
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
Visetende vogels Fuut, aalscholver en nonnetje hebben potentieel geschikt leefgebied (rietmoeras) binnen het ruimtebeslag bij dijksecties 13 en 16. Zie tabel 6.29. Ruimtebeslag op aangetakte nevengeulen of stilstaande wateren is er niet.
Fuut Buiten de broedtijd bestaat het leefgebied van de fuut voornamelijk uit grote en onbeschutte wateren. Overdag en ’s nachts rust de fuut nabij de oever, terwijl ’s ochtends en in de namiddag gefoerageerd wordt op open water met weinig waterplanten en een doorzicht vanaf vier meter [lit. 6.13]. Bij dijksectie 13 ligt een klein ruimtebeslag op rietvegetatie langs een oude strang. Deze rietvegetaties worden gespaard. Bij dijksectie 16 is er ruimtebeslag op kleine oppervlakten rietmoeras. Het rietmoeras grenst hier niet aan open water wat een vereiste is voor de visetende vogelsoorten. Dit maakt dat deze delen ongeschikt zijn als leefgebied voor fuut. Open water binnen het tijdelijk ruimtebeslag van de werkstroken ontbreekt. (Significant) negatieve effecten als gevolg van het ruimtebeslag van de tijdelijke werkstroken op fuut zijn dan ook uitgesloten.
Nonnetje Het nonnetje foerageert voornamelijk op visrijke grote zoetwatermeren. In kleinere aantallen komen ze voor op rivieren of andere kleinere plassen zoals kolken en afgetakte rivierarmen. Vaak foerageert de soort in groepsverband op visrijke wateren, met als favoriete voedsel spiering. Dit doet de soort ook op wateren met een slecht doorzicht, aangezien het jaagvermogen in groepsverband erg effectief is. Als rustplaats worden ongestoorde wateren gebruikt, waar soms wel honderden nonnetjes rusten.
Passenden boordeling pagina 150 van 364
Bij dijksectie 13 ligt een klein ruimtebeslag op rietvegetatie langs een oude strang. Deze rietvegetaties worden gespaard. Bij dijksectie 16 is er ruimtebeslag op kleine oppervlakten rietmoeras. Het rietmoeras grenst hier niet aan open water wat een vereiste is voor de visetende vogelsoorten. Dit maakt dat deze delen ongeschikt zijn als leefgebied voor nonnetje. Open water binnen het tijdelijk ruimtebeslag van de werkstroken ontbreekt. (Significant) negatieve effecten als gevolg van het ruimtebeslag van de tijdelijke werkstroken op nonnetje zijn dan ook uitgesloten.
Aalscholver De aalscholver maakt gebruik van gemeenschappelijke rust- en slaapplaatsen, welke zich meestal ver van verstoringsbronnen bevinden, zoals eilandjes met bomen en in het water staande hoogspanningsmasten, onbewoonde zandplaten. Tussen foerageer- en rustgebieden kan grote afstand liggen, soms wel tientallen kilometers. De aalscholver foerageert op scholen vormende vis, zoals spiering, baars, pos, blankvoorn en karperachtigen. Het viswater is matig helder, meestal een tot drie meter diep. Het gaat daarbij om grote, voedselrijke, visrijke binnen- of kustwateren [lit. 6.13]. Bij dijksectie 13 ligt een klein ruimtebeslag op rietvegetatie langs een oude strang. Deze rietvegetaties worden gespaard. Bij dijksectie 16 is er ruimtebeslag op kleine oppervlakten rietmoeras. Het rietmoeras grenst hier niet aan open water wat een vereiste is voor de visetende vogelsoorten. Dit maakt dat deze delen ongeschikt zijn als leefgebied voor aalscholver. (Significant) negatieve effecten als gevolg van het ruimtebeslag van het dijkontwerp op aalscholver zijn dan ook uitgesloten.
Grasetende watervogels Kleine zwaan Kleine zwaan en wilde zwaan hebben potentieel geschikt leefgebied (droge graslanden, vochtige graslanden en plas- drassituaties) binnen het ruimtebeslag bij alle dijksecties. Zie tabel 6.29. Het leefgebied van de kleine zwaan is gebonden aan water, wat dient als foerageergebied en als slaapplaats, en aan uiterwaarden als foerageergebied. Aan het begin van het seizoen (oktober) wordt voedsel (fonteinkruiden en kranswieren) gezocht op het water van met name het Lauwersmeer en Randmeren. Wanneer deze planten (m.n. fonteinkruiden) zijn afgestorven wordt overgeschakeld naar voedsel dat niet op het water gevonden wordt. Voedsel wordt bij voorkeur gezocht op akkers, natte, vaak ondergelopen grasvelden met een korte vegetatie. Op akkers eten ze voedselresten zoals maïs en aardappelen. Op grasland eten ze eiwitrijke grassen. De kleine zwaan heeft een voorkeur voor cultuurland boven extensief beheerd grasland, omdat dit meestal te ruig of te schraal is. Slaapplaatsen bestaan uit zoete of zoute wateren, ondergelopen boezemlanden en zomerpolders, zand- en modderbanken. De slaapplaats moet vrij zijn van roofdieren en verstoring [lit 6.27]. Verstoringsgevoeligheid voor kleine zwaan is gemiddeld tot groot, met verstoring bij foerageren gemiddeld 142 meter bij een motorboot, en voor rustgebied 700 meter bij kitsurfers [lit. 6.14].
Kleine zwaan kent een minimale verstoringsafstand van 59 meter [lit. 6.14]. Het meeste van het tijdelijke ruimtebeslag van de werkwegen valt binnen deze contour, wat maakt dat deze delen ongeschikt zijn als foerageer- en/of rustgebied voor kleine zwaan. De twee locaties waar potentieel geschikt leefgebied buiten de verstoringscontour ligt worden hierna besproken.
Passenden boordeling pagina 151 van 364
Ter hoogte van dijksectie 3 ligt een deel buiten de verstoringscontour. Dit deel (aan de voet van het uitkijkpunt) kent een ruige begroeiing en is tevens verstoord als gevolg van het gebruik van het uitkijkpunt door recreanten. Dit deel is ongeschikt als leefgebied voor kleine zwaan. Bij dijksectie 6, op het toegangspad naar de Zaligebrug, ligt een klein deel buiten de verstoringscontour vanaf de dijk zelf. Dit toegangspad wordt intensief gebruikt door recreanten te voet en op de fiets. Gezien de gevoeligheid van kleine zwaan voor verstoring is dit deel ongeschikt als leefgebied. (Significant) negatieve effecten als gevolg van het tijdelijk ruimtebeslag van werkstroken zijn dan ook uitgesloten.
Wilde zwaan De wilde zwaan kent een vergelijkbare ecologie als de kleine zwaan. Om herhaling te voorkomen wordt voor de beschrijving verwezen naar de beoordeling van kleine zwaan. De verstoringsgevoeligheid van wilde zwaan is gemiddeld tot groot (100 tot meer dan 300 meter). Bekende vluchtafstanden bij foerageren zijn 116 meter bij fietsers, 168 bij auto’s en 197 meter bij wandelaars [lit. 6.14]. Enkel voor vee is de verstoringsafstand minder, met 43 meter. Het gebruik van de dijk sluit echter meer aan bij de activiteiten die hiervoor zijn beschreven. Als minimale verstoringsafstand wordt dan ook 116 meter gebruikt. Het ruimtebeslag van de dijk ligt overal binnen 65 meter vanaf de as van de weg op de dijk. Dit is ruim binnen de minimale verstoringsafstand van de wilde zwaan (116 meter). Tussen de weg en het ruimtebeslag zijn geen obstakels die zicht of geluid belemmeren. De dijk wordt gebruikt als lokale weg door auto’s, agrarisch verkeer, fietsers en wandelaars (soms met hond). Als gevolg van de verstoring door het huidig gebruik van de weg, de geringe afstand van de weg tot het ruimtebeslag en de storingsgevoeligheid van wilde zwaan is het ruimtebeslag van de dijk bij geen van de dijksecties geschikt foerageergebied of rustgebied voor de wilde zwaan. (Significant) negatieve effecten als gevolg van het tijdelijk ruimtebeslag van werkstroken zijn dan ook uitgesloten.
Grauwe gans Grauwe gans heeft potentieel geschikt leefgebied (plas-drassituaties, vochtige graslanden, droge graslanden) binnen het tijdelijk ruimtebeslag van de werkstroken bij dijksecties 1 tot en met 6, 9 en 11 tot en met 17. Zie tabel 6.29. Grauwe gans verblijft overwegend in agrarisch gebied. Voedselterreinen en slaapplaatsen liggen traditioneel vast. De afstanden daartussen zijn relatief kort, in de regel kleiner dan tien kilometer. Van augustus tot november verblijven ze in akkergebieden, waarna ze in november verhuizen naar wetlands en graslanden. Grauwe ganzen eten planten, voornamelijk gras. Oogstresten van bieten en aardappelen worden ook gegeten. Eiwitrijke grassen hebben de voorkeur, maar wat ruigere grassoorten kan grauwe gans ook eten. Ze rusten op beschut open water, binnen een dagelijks haalbare vliegafstand (tot 30 / 40 kilometer). Grauwe gans kent verstoringsafstanden bij wegen van 100 tot 150 meter en 100 meter bij gebouwen [lit. 6.28]. De minimale verstoringsafstand is echter 1 meter [lit. 6.14]. Dit laatste maakt dat ook gebieden die relatief verstoord zijn potentieel geschikt foerageergebied voor grauwe gans opleveren. Voor grauwe gans is in de navolgende effectbepaling dan ook geen minimale verstoringsafstand gehanteerd.
Passenden boordeling pagina 152 van 364
Aan het begin van dijksectie 1 bestaat het tijdelijk ruimtebeslag van de werkstroken uit een strook droog grasland. Dit deel bestaat voor het grootste gedeelte uit ruigtevegetatie wat ongeschikt is als foerageergebied voor grauwe gans. Het overige snippertje ligt op het dijktalud wat tevens niet geschikt is. Er wordt ook ruimtebeslag gelegd op een strandje, wat is aangemerkt als plasdrassituatie. Grasbegroeiing ontbreekt echter volledig, zodat dit geen geschikt foerageergebied oplevert voor de kolgans. Aan het einde van de dijksectie bestaat een deel tijdelijk ruimtebeslag uit droge graslanden. Deze vegetatie bestaat uit onderhoudspad en een toegangsweggetje naar het achtergelegen strandje. De vegetatie is kort gemaaid. Het deel ligt besloten tussen het aangrenzende wilgenbos, de dijk en ruigten. Met een oppervlak van 138m2 is dit deel te klein om als foerageergebied te dienen. Ter hoogte van dijksecties 2, 3 en 4 ligt het tijdelijke ruimtebeslag van de werkstroken op droge graslanden welke geheel rond Fort Lent lopen. Ter plaatse bestaat de vegetatie uit ruigten, zeer extensief begraasd door runderen. De vegetatie is hoog (>50 cm) en daarmee ongeschikt als foerageergebied voor grauwe gans. Bij dijksectie 6 is er ruimtebeslag op het toegangspad tot het dok van de plaatselijke roeivereniging binnen het ruimtebeslag. Dit pad wordt zeer regelmatig betreden en kort gemaaid.
Het is daarmee ongeschikt als foerageergebied voor grauwe gans. Ten noorden daarvan bevindt zich kort gemaaid grasland. Dit grasland bevat weinig kruidenrijkdom en het gras is er minder dan 20 centimeter hoog. Dit gebied is geschikt als foerageergebied voor de grauwe gans. Ten noordwesten van dit deel liggen binnen het ruimtebeslag graslanden met ruigtekruiden, extensief begraasd door runderen. Deze strook loopt door tot aan het einde van de dijksectie en omvat de twee delen droge graslanden langs de Zaligebrug. Vanwege de ruigte en de hoogte van de vegetatie (>50cm) is dit ongeschikt als foerageergebied voor grauwe gans. Ter hoogte van het Waalcrossing monument wordt ruimtebeslag gelegd op twee delen droge graslanden welke net als de vorige delen extensief begraasd worden door runderen en daardoor ongeschikt worden geacht als foerageergebied voor grauwe gans. Bij dijksectie 7 bestaat de vegetatie bij aanvang van de dijksectie uit ruigten, met een hoogte van meer dan 50 cm. Deze ruigten zijn vanwege de hoogte van de vegetatie ongeschikt als foerageergebied voor grauwe gans. Ten noorden daarvan ligt een strook van 280 meter lang en 10 meter breed waar de vegetatie bestaat uit grazige vegetatie zijnde voedselrijk grasland. Deze vegetatie is geschikt als foerageergebied voor grauwe gans.
Op het einde van de dijksectie, doorlopend in dijksectie 8 liggen droge graslanden op het dijktalud zelf. Dat levert geen geschikt foerageergebied voor de grauwe gans. Ter hoogte van dijksectie 8 ligt het tijdelijke ruimtebeslag van de werkstroken op de onderhoudsweg. Vanwege het zeer geringe oppervlak van 64m2 en de geïsoleerde ligging tussen de dijk en ongeschikt habitat (dichte ruigten en struweel) levert dit geen geschikt foerageergebied voor grauwe gans. Tussen de dijkafbuiging en het wiel het Wolfsgat bestaat de vegetatie uit grasland met ruigtekruiden. Het betreft een strook van 390 meter lang en 10 meter breed. Ondanks dat dit deel extensief wordt beheerd is de vegetatie relatief kort en zijn de graslanden nog rijk aan voedingsrijke grassen. Dit is geschikt foerageergebied voor grauwe gans. Het oppervlak open water in het Wolfsgat zal niet worden gebruikt voor de werkstroken (zie paragraaf 5.1.2). Aan het einde van de dijksectie ligt een klein oppervlak van droge graslanden. Dit deel ligt besloten tussen de dijk, een weg naar de uiterwaarden en de hoog opgaande begroeiing rond het wiel. Vanwege het zeer geringe oppervlak (86m2) en de besloten ligging is dit geen geschikt foerageergebied voor grauwe gans.
Ter hoogte van dijksectie 9 (en doorlopend naar dijksectie 10) bestaat een strook (van 490 meter bij 8 meter) van het tijdelijke ruimtebeslag van de werkstroken uit grazige vegetaties, in de vorm van
Passenden boordeling pagina 153 van 364
graslanden in agrarisch gebruik en een kort begraasde paardenweide. Dit is potentieel foerageergebied voor grauwe gans. Ter hoogte van de toegangswegen aan het begin van dijksectie 9 ligt een deel plas- drassituatie welke dezelfde eigenschappen bezit als de overige stukken grasland binnen dijksectie 9 en is daardoor tevens geschikt als foerageergebied voor grauwe gans. Bij dijksectie 10 ligt het ruimtebeslag ter hoogte van de Verburgtskolk (deel 1) op droge graslanden (ruigten en struweel). Dit deel is, vanwege de dichtheid van de begroeiing niet geschikt als foerageergebied voor grauwe gans. Daarnaast volgt een strook ruimtebeslag op een paardenwei. Dit is potentieel geschikt als foerageergebied voor de kolgans. Het deel naar het westen bestaat uit extensief begraasd grasland (door runderen). De vegetatie ter plaatse is relatief kort en levert potentieel geschikt foerageergebied op voor grauwe gans. 2 Dijksectie 11 heeft ruimtebeslag op een strook van 115 meter lang en 8 meter breed extensief begraasd grasland (door runderen). De vegetatie op dit extensief beheerde deel is relatief kort en nog rijk aan voedingsrijke grassen. Dit is potentieel geschikt foerageergebied voor de kolgans. Ter hoogte van de toegangsweg tot de weides is er een zeer beperkt deel dat bestaat uit geasfalteerde weg en ruigten op het dijktalud. Dit levert geen geschikt foerageergebied voor de kolgans.
Het vervolg van dijksectie bestaat uit graslanden in agrarisch gebruik, op een deel in extensiever gebruik (begrazing door heckrunderen). De vegetatie is kort en bestaat uit voedingsrijke grassen. Deze strook van 425 meter lang en 10 meter breed is als gevolg van de aanwezigheid van geschikte vegetatie geschikt als foerageergebied voor grauwe gans. Dijksectie 12 bevat binnen het tijdelijke ruimtebeslag van de werkstroken onderhoudspad en graslanden in agrarisch gebruik. Het onderhoudspad en de agrarische graslanden bestaan uit voedselrijke grassen en korte vegetatie. Daarmee zijn zowel de delen ten oosten en ten westen geschikte foerageergebieden voor grauwe gans. Aan het einde van de dijksectie liggen twee delen van het tijdelijke ruimtebeslag op het dijktalud zelf. Dit levert, vanwege de hellingshoek, geen geschikt foerageergebied voor grauwe gans. Ter hoogte van Waaldijk 46 ligt ruimtebeslag op enkele delen droge graslanden welke gelegen zijn langs een toegangspad. Op deze delen groeien ruigtekruiden tot een hoogte dat de delen niet geschikt worden geacht voor grauwe gans. Ter hoogte van dijksectie 13 ligt binnen het tijdelijke ruimtebeslag van de werkstroken een deel beslag op het dijktalud zelf. Deze delen zijn, vanwege de hellingshoek, niet geschikt als foerageergebied voor grauwe gans.
Daarnaast is er een strook van 650 meter lang en 20 meter breed welke ligt op het onderhoudspad. Deze strook loopt tot aan de huizen aan de Waaldijk 27 en 28. De vegetatie is potentieel geschikt voor foerageren (rijk grasland). Ter plaatse is dit deel echter ingesloten tussen de dijk en de hogere vegetatie in een oude rivierstrang. De maximale afstand tussen het dijktalud en de hogere vegetatie van de rivierstrang is 18 meter. Daarmee is het, vanwege het ontbreken van vrij uitzicht, ongeschikt als foerageergebied voor grauwe gans. De laatste 50 meter van deze strook ligt in het open grasland en is wel geschikt als foerageergebied. Na de huizen aan de Waaldijk zijn er graslanden in agrarisch gebruik. Het ruimtebeslag ter plaatse ligt voor een deel op het dijktalud. Het dijktalud zelf is ongeschikt als foerageergebied. Het overige tijdelijke ruimtebeslag ligt op onderhoudspad en graslanden in agrarisch gebruik. De vegetatie is kort en voedselrijk. Dit maakt deze delen, tot aan het einde van de dijksectie, 1.600 meter naar het westen geschikt als foerageergebied voor grauwe gans. Uitzondering is een klein oppervlak, gelegen ter hoogte van Waaldijk 23: dit betreft een beperkt deel (44m2) aan ruigten rondom een sloot. De vegetatie is daar relatief hoog (>50cm) en is daarmee ongeschikt als foerageergebied voor grauwe gans.
Bij dijksectie 14 ligt vochtig grasland, zijnde graslanden in agrarisch gebruik, binnen het tijdelijk ruimtebeslag van de werkstroken. Deze graslanden lopen tot aan het wiel. De vegetatie is er kort en bestaat uit voedselrijke grassen. Dit maakt het geschikt als foerageergebied voor grauwe gans. Ter
Passenden boordeling pagina 154 van 364
hoogte van het wiel ligt er tijdelijk ruimtebeslag op plas-drassituaties, zijnde het onderhoudspad. De vegetatie bestaat uit voedselrijke grassen en is kort. Dit deel ligt echter besloten tussen de dijk en de hoog opgaande begroeiing (wilgenbos) rondom het wiel. De maximale breedte tussen het dijktalud en de hoge begroeiing is 20 meter. Daarmee is het, vanwege ontbreken van vrij uitzicht, ongeschikt als foerageergebied voor grauwe gans. Meer naar het westen, grenzend aan de noordwest oever van het wiel is er een deel tijdelijk ruimtebeslag op ruigten. De vegetatie is hier relatief hoog (>50cm) en daarmee ongeschikt als foerageergebied voor grauwe gans. Ten westen daarvan ligt een deel droge graslanden, welke ook onderdeel zijn van het onderhoudspad. Omdat dit deel niet is ingesloten door de dijk en hoge oevervegetatie is dit deel wel geschikt als foerageergebied voor kolgans. Ook het naastgelegen deel (plas-drassituaties op agrarisch grasland en onderhoudspad) is geschikt als foerageergebied voor grauwe gans. Naar het einde van de dijksectie beslaat het tijdelijk ruimtebeslag plas-drassituaties, zijnde onderhoudspad. De vegetatie ter plaatse is geschikt om te foerageren. Deze strook ligt echter tussen de dijk en de hogere vegetatie van de oever van het water. De maximale breedte tussen de oever en de dijk is 10 meter.
Als gevolg van het ontbreken van vrij uitzicht is deze deel te smal om als foerageergebied te dienen. Bij aanvang van dijksectie 15 ligt het tijdelijk ruimtebeslag op plas-drassituaties welke deels zijn vervangen voor een parkeerplaats. Deze delen zijn niet geschikt als foerageergebied, door de verstoring van de parkeerplaats, en de ruigtekruiden welke de overige delen van het ruimtebeslag begroeien. De overige plas- dras delen zijn grasland in agrarisch gebruik en onderhoudspad. Deze delen liggen besloten tussen de dijk, hogere vegetatie rondom het water en een paar bomen. De afstand tussen deze graslanden en hogere vegetatie is maximaal 26 meter. Vanwege het ontbreken van vrij uitzicht zijn deze delen geen geschikt foerageergebied voor grauwe gans. Meer naar het westen volgt een deel met een opener karakter. Het tijdelijk ruimtebeslag van de werkstroken ligt hier op plas-drassituaties, welke bestaan uit grasland in agrarisch gebruik en het onderhoudspad. De vegetatie bestaat uit voedselrijke grassen en is laag. Tot aan het wiel is de vegetatie daarmee geschikt als foerageergebied voor grauwe gans. Bij het wiel liggen plasdrassituaties binnen het tijdelijk ruimtebeslag. Deze delen liggen tussen de dijk en de hogere begroeiing rondom het wiel. De maximale afstand tussen het dijktalud en de oeverbegroeiing is 10 meter.
Vanwege het ontbreken van vrij uitzicht zijn deze delen ongeschikt als foerageergebied van grauwe gans. Na het wiel ligt het tijdelijk ruimtebeslag van de werkstroken op plas-drassituaties, zijnde graslanden in agrarisch gebruik en onderhoudspad. De vegetatie bestaat uit voedselrijk gras. Tot aan het einde van de dijksectie is het daarom geschikt foerageergebied voor grauwe gans. Aan het einde van de dijksectie ligt nog een klein stuk droog grasland langs een toegangspad. Dit is door de ligging op het talud niet geschikt als foerageergebied voor grauwe gans. Bij dijksectie 16 bestaat het ruimtebeslag van de werkstroken uit droge graslanden op dijktalud. De delen op het dijktalud zijn, vanwege de hellingshoek, ongeschikt als foerageergebied voor grauwe gans. Voor het overige is er grasland en onderhoudspad. Deze delen hebben geschikte vegetatie (korte, voedselrijke grassen). Over een lengte van 385 meter ligt het ruimtebeslag echter tussen de dijk en hogere vegetatie (knotwilgen en wilgenstruweel). De maximale breedte tussen dijk en wilgenbomen is 18 meter. Vanwege het ontbreken van vrij uitzicht zijn deze delen daarmee ongeschikt als foerageergebied voor grauwe gans. Na de genoemde 385 meter is er een beperkte oppervlakte aan ruigte (107m2). Vanwege de hoogte van de vegetatie daar is dat ongeschikt als foerageergebied voor grauwe gans.
Daarna volgen over een lengte van 1.250 meter, doorlopend in dijksectie 17, agrarische graslanden en onderhoudspad binnen het tijdelijk ruimtebeslag van de werkstroken. De vegetatie bestaat uit voedselrijke grassen en het karakter van het landschap is relatie open. Daarmee zijn deze delen geschikt als foerageergebied voor grauwe gans.
Passenden boordeling pagina 155 van 364
Bij aanvang van dijksectie 17 ligt er een deel plas-drassituaties, bestaande uit een strandje, binnen het tijdelijke ruimtebeslag van de werkstroken. De vegetatie ter plaatse is schaars en daarmee niet geschikt als foerageergebied voor grauwe gans. Vervolgens volgen tot aan het einde van de dijksectie plas-drassituaties, zijnde graslanden in agrarisch gebruik, binnen het ruimtebeslag. De vegetatie is daar kort en voedselrijk. Deze delen zijn geschikt als foerageergebied voor grauwe gans. De geschikte habitats voor grauwe gans binnen het tijdelijke ruimtebeslag van de werkstroken hebben een oppervlakte van totaal 10,36 hectare. Dit wordt nader beoordeeld.