15. Bijlage bij de toelichting deel 3
Tekst van het document
58 - Overbetuwe Kernkwaliteiten: - variabel, agrarisch cultuurlandschap met snelle stedelijke ontwikkelingen en glastuinbouw; - ecologische verbindingszone KAN, tevens Park Lingezegen; groenelementen binnen Park Lingezegen en bij Schuytgraaf vormen samen een groene verbinding tussen Veluwe, Nijmeegse stuwwal en Gelderse Poort en vormen de hoofdstructuur van de natuurkwaliteit in het gebied; - cultuurhistorische waarden van de Limes, o.a. bij Elst; - A-locatie bos Oosterhoutse bos: droog essen-iepenbos op oude standplaats - A-locatie bos Kasteel Loenen: droog essen-iepenbos met in het noordwesten een deel fraai elzenrijk essen-iepenbos; - plaatselijk kleinschalige landschappen (bijv. Ressen, Eimeren) met vroegere strangen en stroomruggen, ook enkele landgoederen: Oosterhout, Loenen en Kasteel Doornenburg; - leefgebied das; - leefgebied kamsalamander; - zeer rijk leefgebied steenuil; - cultuurhistorische waarden van de stroomruggen en landgoederen, oude kavelpatronen (SlijkEwijk) doorbraakkolken, waterstaatswerken (o.a. zegen en weteringen, Linge); - abiotiek: aardkundige waarden, kwel, bodem, waterreservoir; - ecosysteemdiensten: recreatie, waterwinning; - alle door de Flora- en faunawet of Natuurbeschermingswet beschermde soorten en hun leefgebieden in dit deelgebied.
Natuurtoets pagina 270 van 456
Definitief 10 juli 2020
Ontwikkelingsdoelen GNN en GO: - ontwikkeling ecologische verbinding Overbetuwe - KAN: parkachtige structuren met water en moeraszones; - vermindering barrièrewerking A325, A15, A50, N836, N837, Betuwelijn; - ontwikkeling oude landgoedbossen, bosranden en overgangen naar cultuurgronden; - ontwikkeling biotopen voor vlinders, reptielen en amfibieën en vogels van cultuurlandschappen; - ontwikkeling cultuurhistorische patronen en beheersvormen. Ecologische verbindingszone: Overbetuwe - KAN (Gelderse Poort - Neder-Rijn - Veluwe): ijsvogelvlinder, rietzanger. Deze Ecologische verbindingszone ligt in Park Lingezegen.
157 - Noordoever Waal Lent - Echteld Kernkwaliteiten: - dynamische rivier met actieve geologische en geomorfologische processen, water-, sediment- en diasporentransport en ecologisch kerngebied (Natura 2000-gebied) én verbinding tussen MiddenEuropa en de Noordzeekust; - noordoever Waal met variabel, grotendeels agrarisch, maar ook industrieel cultuurlandschap en kleine natuurcomplexen, grotendeels vormgegeven door klei- en zandwinning; klein kronkelwaardcomplex bij Hien is bewaard gebleven, ook relatief natuurlijke uiterwaarden bij Loenen en Ochten; - waarden voor weidevogels, water- en moerasvogels, vleermuizen, amfibieën, vissen en bever; - leefgebied steenuil; - leefgebied kamsalamander; - plaatselijk kleinschalige landschappen met strangen, hagen en singels, knotwilgen en ooibos; - cultuurhistorische waarden van de uiterwaarden, oude kavelpatronen, doorbraakkolken, waterstaatswerken (kades en sluisjes), kleiwinningen; - onbebouwdheid van de uiterwaarden (enkele boerderijen en (steen)fabrieken); - rust, ruimte en donkerte m.u.v. de omgeving van stedelijke gebieden; - abiotiek: aardkundige waarden (o.m. reliëf van oeverwallen, strangen en andere stromingspatronen), kwel, bodem; - ecosysteemdiensten: recreatie, wateropvang en -afvoer; - alle door de Flora- en faunawet of Natuurbeschermingswet beschermde soorten en hun leefgebieden in dit deelgebied.
Ontwikkelingsdoelen GNN en GO: - ontwikkeling stroomdalgraslanden en glanshaverhooilanden; - ontwikkeling water- en oeverhabitats; - ontwikkeling hard- en zachthoutooibossen; - ontwikkeling moerassen, ruigteranden en laag gelegen bloemrijke graslanden; - ontwikkelen weidevogelpopulaties; - ontwikkeling populaties van water-, oever- en moerasvogels; behoud foerageergebied voor ganzen, zwanen en smienten; - ontwikkelen biotopen voor vlinders, reptielen, amfibieën, w.o. kamsalamander en vissen - ontwikkeling populatie bevers (en otters); - ontwikkeling coulisselandschap met strangen, knotwilgenrijen en meidoornhagen (evenwijdig aan de stroom) met lokaal doorzichten op de rivier, dorpen en steden;
Natuurtoets pagina 271 van 456
Definitief 10 juli 2020
- behoud reliëf oeverwallen, strangen en andere stromingspatronen.
8.5 Effectafbakening De dijkversterking brengt verschillende effecttypen met zich mee die de kernkwaliteiten van het GNN kunnen aantasten of de ontwikkelingsdoelen in de weg kunnen staan. Effecten op GNN-gebieden kunnen zowel optreden in de aanlegfase als in de gebruiksfase en kunnen permanent of tijdelijk van aard zijn. Tijdelijke effecten vinden enkel plaats in de aanlegfase. Permanente effecten kunnen starten in de aanlegfase en doorlopen in de gebruiksfase (zoals vernietiging door een groter ruimtebeslag van het ontwerp). Overeenkomstig met de m.e.r.-systematiek worden effecten die een permanent gevolg hebben, zoals de hiervoor benoemde vernietiging, als zijnde effecten in de gebruiksfase beschouwd worden ondanks dat ze in de aanlegfase aanvangen. Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) heeft voor Natura 2000 een effectenindicator ontwikkeld waarin 19 verstoringsaspecten zijn gedefinieerd. Hoewel de indicator is ontwikkeld voor Natura 2000-gebieden, zijn de gedefinieerde effecttypen ook bruikbaar voor het GNN. Effecttype ‘doden van individuen’ is hieraan toegevoegd. In dit hoofdstuk is de relevantie van de verschillende effecttypen beschouwd. Tabel 8.1 geeft de conclusie hiervan weer.
Tabel 8.1 Conclusie relevante effecttypen met een tijdelijk en/of permanent effect Effecttype
Tijdelijk
Permanent
doden van individuen
x
oppervlakteverlies
x
versnippering
x
x
vermesting/verzuring verstoring door geluid/licht/trilling en optische
x x
x (alleen indien een tijdelijk effect doorwerkt in
verstoring
een permanent effect)
verdroging/vernatting
x
8.5.1 Doden De werkzaamheden voor de dijkversterking kan leiden tot het doden van dieren. Er wordt met groot materieel gewerkt en wanneer het plangebied overlapt met leefgebied of er vlak naast ligt, kunnen individuen gedood worden wanneer zij bijvoorbeeld de dijk oversteken.
8.5.2 Oppervlakteverlies en versnippering Op verschillende locaties wordt de dijk verbreed. Tevens zijn werkwegen, loslocaties en depots nodig. Dit leidt mogelijk tot ruimtebeslag in het GNN. Dit ruimtebeslag kan leiden tot vernietiging (oppervlakteverlies) van natuurtypen en leefgebied van soorten die als kernkwaliteit zijn opgenomen. Oppervlakteverlies is daarom een relevant effecttype. Oppervlakteverlies is permanent van aard indien de functies niet meer kunnen terugkomen (groter ruimtebeslag dijk) en tijdelijk als het gebied kan worden hersteld (werkwegen, loslocaties, depots).
Natuurtoets pagina 272 van 456
Definitief 10 juli 2020
Door het gebruik van loslocaties in de Waal en werkwegen tussen de loslocaties, depots en de dijk kan versnippering optreden. Deze functies zijn echter enkel tijdens de werkzaamheden nodig. Na de werkzaamheden kan het gebied worden hersteld. Versnippering is daarom tijdelijk van aard. Versnippering door de dijk zelf is uitgesloten omdat soorten die nu de dijk kruisen dat ook blijven doen na de versterking. De dijk wordt dan weliswaar op sommige stukken breder, maar dit betreft lage grasbermen die nu ook aanwezig zijn. Het asfalt wordt niet breder. Oppervlakteverlies door verbreding van de dijk en de werkwegen, loslocaties, depots en dergelijke is een relevant effecttype met een permanent of tijdelijk karakter. Versnippering door de werkwegen, loslocaties, depots en dergelijke zijn relevante effecttypen met een tijdelijk karakter omdat na de aanlegfase de situatie wordt hersteld zoals die was voor de aanlegfase.
8.5.3 Vermesting en verzuring door stikstof uit de lucht Er vindt een tijdelijke emissie van stikstofdepositie plaats door de werkzaamheden voor de dijkversterking met gemotoriseerde machines en aan- en afvoer van mens en materieel. Dit kan verzuring en/of vermesting veroorzaken. Derhalve is verzuring/vermesting een relevant effecttype dat beoordeeld wordt. Hoewel de emissie van stikstofdepositie tijdelijk is, kunnen de effecten van vermesting en verzuring permanent doorwerken. De effecten van stikstofdepositie door de werkzaamheden aan de dijk worden mogelijk voorkomen door gebruik te maken van extern salderen. Indien dit inderdaad een mogelijkheid blijkt, leidt dit tot een permanente verbetering. Om deze reden worden zowel tijdelijke als permanente effecten beoordeeld.
8.5.4 Verstoring door geluid, licht, trilling en of optische verstoring Onder verstoring door geluid/licht of trilling wordt de verstoring bedoeld die door menselijk handelen wordt veroorzaakt. Optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen of voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem [lit. 9]. De werkzaamheden voor de dijkversterking kunnen verstoring door geluid en optische verstoring door de machines, vervoersbewegingen et cetera veroorzaken. Indien ook in het donker wordt gewerkt, kan lichtverstoring optreden bij het gebruik van kunstlicht. Verstoring door trilling kan optreden door het intrillen van damwanden. Verstoring door geluid/licht/trilling en optische verstoring is dan ook een relevant effecttype. In de gebruiksfase krijgt de dijk geen andere functie dan nu. Dit effecttype treedt derhalve in de aanlegfase op en heeft een tijdelijk karakter. Er is echter één uitzondering hierop. Tijdelijke verstoring kan een permanent effect hebben indien soorten zodanig verstoord raken dat ze hun leefgebied permanent verlaten. Deze uitzondering is dan ook onderdeel van de toets.
8.5.5 Mechanische verstoring Onder mechanische verstoring wordt verstoring verstaan die veroorzaakt wordt door betreding, luchtwervelingen, golfslag et cetera ten gevolge van menselijke activiteiten [lit. 9].
Natuurtoets pagina 273 van 456
Definitief 10 juli 2020
Om de dijk te versterken zijn voertuigbewegingen nodig. Voor een groot deel vinden deze plaats binnen het ruimtebeslag van de nieuwe dijk. Omdat de dijk na aanleg wordt afgewerkt met een leeflaag en wordt ingezaaid wordt op voorhand geen negatief effect door mechanische verstoring verwacht. Voor de dijkversterking zijn ook voertuigbewegingen nodig buiten het ruimtebeslag van de nieuwe dijk. Die kunnen ter plaatse van bestaand habitat leiden tot bodemverdichting. Dit kan op zijn beurt weer zorgen voor verlies van natuurwaarden en dus vernietiging. Om deze reden wordt mechanische verstoring niet apart beoordeeld, maar onder vernietiging geschaard. Voor de aanvoer van materieel wordt gebruik gemaakt van schepen. Vaarbewegingen van schepen kunnen wervelingen in het water veroorzaken wat van invloed kan zijn op oevers, stromingspatronen, water- en oeverhabitats en de (rivier)bodem. De aanvoerende schepen gaan varen over de Waal. De Waal is in de huidige situatie een hoofdvaarroute voor vrachtschepen. Dit betekent dat er veel vaarverkeer van grote schepen plaatsvindt. De vaarbewegingen van de aanvoerschepen voor dijkversterking Wolferen - Sprok valt hierin weg. Voor het aanleggen van schepen worden aanlegplaatsen op enkele strandjes gerealiseerd. Deze bestaan uit pontons in het water en een brug van het ponton over het strand naar de oever.
De aanleg van deze tijdelijke voorzieningen wordt onder ‘vernietiging’ beoordeeld. Overige mechanische verstoringseffecten worden niet verwacht.
8.5.6 Verdroging, vernatting De loop van de rivier en de hoogte van de uiterwaarden worden niet veranderd. Verdroging of vernatting als gevolg van andere waterstanden van de rivier zijn daarom uitgesloten. Als onderdeel van de werkzaamheden zullen echter wel damwanden worden toegepast. Deze damwanden kunnen een barrière vormen voor grondwaterstromen. De hoofd grondwaterstroom in het gebied is van noord naar zuid, zuidwest. De Waal heeft een drainerende werking blijkt uit het geohydrologisch onderzoek welke een bijlage is bij het Projectplan Waterwet [lit. 10]. Hieruit blijkt ook dat langs het overgrote deel van het versterkingstraject er geen meet- of merkbare veranderingen in de hydrologie plaats zullen vinden. Er zijn echter enkele locaties waar veranderingen niet op voorhand worden uitgesloten. Deze locaties bevinden zich in dijksecties 15 en 16, bij de kruising van de dijk met de A50, in dijksectie 16, bij het depot van het waterschap en in dijksectie 17, bij Waaldijk 1 te Andelst. In dijksectie 16 bevindt zich een strang met een diepere poel, welke vallen onder het natuurtype rivier (N02.01). Hier bevinden zich poelkikker en kamsalamander. In dijksectie 17 bevindt zich een poel, welke gekarakteriseerd is als het landschapstype L.01 poel en kleine historische wateren. Hierin bevinden zich tevens poelkikker en kamsalamander.
Bij normale waterstanden in de Waal leidt dit potentieel tot verdroging in de uiterwaard en vernatting binnendijks, omdat de drainerende werking van de Waal mogelijk beperkt wordt. Bij hoogwater in de Waal leidt dit potentieel tot verdroging binnendijks, als gevolg van beperkingen in kwel. De effecten verdroging en vernatting zijn daarom relevant. Ondanks dat het effect aanvangt in de aanlegfase is het een permanent effect.
Natuurtoets pagina 274 van 456
Definitief 10 juli 2020
8.5.7 Overige effecttypen Voor de dijkversterking wordt niet ingegrepen in de loop van de rivier. Omdat niet wordt ingegrepen in de eigenschappen van de aanwezige waterlichamen ter plaatse, zijn effecttypen verzoeting, verzilting, verandering stroomsnelheid en verandering dynamiek substraat uit te sluiten. Ook wordt er niet ingegrepen in de populatiedynamiek of de soortensamenstelling. Deze effecttypen worden derhalve niet verder onderzocht. Voor de dijkversterking zullen graafwerkzaamheden plaatsvinden. Vanwege de heersende wet- en regelgeving wordt hier in het geval dat er verontreinigingen aanwezig zijn op een zodanige manier mee omgegaan dat deze verontreinigingen zich niet verspreiden. De werkzaamheden tijdens de aanlegfase van het project zorgen zelf niet voor extra verontreinigingen waardoor er in de aanlegfase geen sprake is van effecten van verontreiniging. Dit effecttype wordt derhalve niet verder onderzocht.
8.6 Effectbeoordeling De dijkversterking Wolferen-Sprok leidt mogelijk tot effecten in GNN- en GO-gebied. Indien deze leiden tot een aantasting van de kernkwaliteiten van de aanwezige GNN-/GO-gebieden of de ontwikkelingsdoelen in de weg staan, wordt gekeken of deze effecten door mitigatie voorkomen kunnen worden. Als dit niet mogelijk is, is compensatie aan de orde. Mitigerende en compenserende maatregelen worden in paragraaf 8.7 behandeld.
8.6.1 Oppervlakteverlies Voor gebied 58 - Overbetuwe leidt het ruimtebeslag tot aantasting van natuurtypen, A-locatie bos Kasteel Loenen en mogelijk leefgebied van beschermde soorten en meer specifiek das, kamsalamander en steenuil. Op de overige kernkwaliteiten waaronder variabel agrarisch cultuurlandschap, de ecologische verbindingszone in park Lingezegen, cultuurhistorische waarden, abiotiek en ecosysteemdiensten heeft het oppervlakteverlies van de dijkversterking geen negatieve invloed. Het ruimtebeslag hindert geen ontwikkelingsdoelen GNN en GO, deze eigenschappen liggen ofwel niet in de buurt van het dijktraject, of ondervinden geen hinder van de dijkversterking. Voorbeelden hiervan zijn de ontwikkeling van de ecologische verbinding Overbetuwe -KAN (ligt niet in de buurt) en de ontwikkeling van biotopen voor vlinders, reptielen en amfibieën (wordt niet gehinderd door de dijkversterking). Voor gebied 157 - Noordoever Waal Lent - Echtveld geldt dat het ruimtebeslag leidt tot aantasting van natuurtypen en mogelijk leefgebied van beschermde soorten en meer specifiek steenuil en kamsalamander. Het dijktraject en de gebieden er omheen zijn in het natuurbeheerplan niet aangewezen als weidevogelgebieden en hebben dus geen aangewezen waarde voor weidevogels.
Ook op de overige kernkwaliteiten zoals dynamische rivier, onbebouwdheid, abiotiek en ecosysteemdiensten heeft het ruimtebeslag geen negatieve invloed. Tevens worden de ontwikkelingsdoelen GNN en GO niet aangetast. Voor gebied 146 - Gelderse Poort Zuid geldt dat het ruimtebeslag leidt tot aantasting van natuurtypen en mogelijk leefgebied van beschermde soorten en meer specifiek das, steenuil en kamsalamander. Op andere kernkwaliteiten heeft het oppervlakteverlies geen invloed. Ook de
Natuurtoets pagina 275 van 456
Definitief 10 juli 2020
ontwikkelingsdoelen GNN en GO worden niet aangetast, ofwel omdat de waarden niet aanwezig zijn, ofwel omdat de dijkversterking de ontwikkeling niet in de weg staat.
8.6.1.1 Aanwezigheid van Natuurtypen Voor GNN-gebieden zijn natuurtypen bepaald. Deze natuurtypen zijn neergelegd in het natuurbeheerplan van de provincie Gelderland [lit. 11]. Volgens deze kaart heeft het plangebied ruimtebeslag op vier leefgebieden en zeven natuurtypen. Dit zijn: - poel en kleine historische wateren (L01.01); - houtwal en houtsingel (L01.02); - knotboom (L01.08); - bossingel (L01.16); - rivier- en moeraslandschap (N01.03); - rivier (N02.01); - kruiden- en faunarijk grasland (N12.02); - haagbeuken - en essenbos (N14.03); - droog bos met productie (N16.03); - vochtig bos met productie (N16.04) en - park- of stinzenbos (N17.03). Ruimtebeslag in natuurtypen die deel uitmaken van de kernkwaliteiten van het gebied, waarvoor een bestemmingsplanwijziging nodig is en dat leidt tot een ander grondgebruik en/of waardoor kwaliteitsverlies optreedt, is compensatie plichtig. Rivier- en moeraslandschap In de natuurtypenkaart van 2020 zijn bepaalde oppervlakten aangewezen als N01.03 rivier- en moeraslandschap. Volgens de beschrijving van N01.03 Rivier- en moeraslandschap van Bij12 is natuurlijke successie en een variatie aan levensgemeenschappen kenmerkend voor dit type. Bij12 heeft hiervoor vervolgens andere typen gedefinieerd die als kenmerkend voor N01.03 rivier- en moeraslandschap kunnen worden gezien.
N01.03 rivier- en moeraslandschap is dus te interpreteren als een samenhangend en dynamisch geheel aan natuurtypen en niet als een eigen type. Tabel 8.2 geeft weer in welke dijksecties gebieden als natuurtype N01.03 rivier- en moeraslandschap zijn aangewezen (zie ook afbeelding 8.3) en welk kenmerkend natuurtype daadwerkelijke aanwezig is in het betreffende gebied. Deze kenmerkende natuurtypen zijn in veel gevallen door de Provincie in het natuurbeheerplan vastgelegd. In enkele gevallen is dit niet gebeurt. In die gevallen is het aangewezen natuurtype uit het natuurbeheerplan 2019 of de omliggende natuurtypen aangehouden. De gebieden worden in deze GNN-toets als de vastgelegde kenmerkende natuurtypen of de natuurtypen uit het natuurbeheerplan 2019 beoordeeld. Tabel 8.2 Beoordeling van N01.03 rivier- en moeraslandschap als N12.02 of N02.01 Dijksectie
label op
op basis van
beoordelen als
afbeelding 5.1 1
15
natuurbeheerplan 2019
N12.02 kruiden- en faunarijk grasland
1-5
13
kenmerkend natuurtype
N12.02 kruiden- en faunarijk grasland
8
8
omliggend kenmerkend natuurtype
N12.02 kruiden- en faunarijk grasland
8
10, 11,
kenmerkend natuurtype
N02.01 rivier
8
14, 12
kenmerkend natuurtype
N12.02 kruiden- en faunarijk grasland
Natuurtoets pagina 276 van 456
Definitief 10 juli 2020
Dijksectie
label op
op basis van
beoordelen als
afbeelding 5.1 9
16
kenmerkend natuurtype
N12.02 kruiden- en faunarijk grasland
10-12
16
kenmerkend natuurtype
N12.02 kruiden- en faunarijk grasland
12
9
natuurbeheerplan 2019
N12.02 kruiden- en faunarijk grasland
Afbeelding 8.3 Ligging N01.03 rivier- en moeraslandschap
Natuurtoets pagina 277 van 456
Definitief 10 juli 2020
Natuurtoets pagina 278 van 456
Definitief 10 juli 2020
8.6.1.2 Aantasting van Natuurtypen In de huidige situatie maakt één of zelfs beide taluds van de dijk deel uit van GNN- of GO-gebied. De eigenschappen van de taluds zullen, in de gebruiksfase, niet wijzigingen ten opzichte van de huidige situatie en zullen dus na aanleg in principe de huidige functie weer kunnen vervullen met dezelfde natuurwaarden. Dit levert dan een tijdelijke aantasting van de kernkwaliteiten op, waarvoor wel de compensatietoeslag geldt. Er is tevens een aantasting van de kernkwaliteiten als een natuurtype dat deel uitmaakt van de kernkwaliteiten vervangen wordt door een natuurtype met een lagere waarde. Bijvoorbeeld wanneer haagbeuken- en essenbos vervangen wordt door kruiden- en faunarijk grasland. Dit is namelijk kwaliteitsverlies. In tabel 8.3 staat per dijksectie weergegeven of er een ruimtebeslag plaatsvindt op een natuurtype en of dit ruimtebeslag compensatie plichtig is. In paragraaf 8.8 wordt de compensatieopgave behandeld. In bijlage 16 zijn kaarten met het ruimtebeslag opgenomen. Het identificatienummer in tabel 8.3 correspondeert met de kaarten in bijlage 16. Het ruimtebeslag in de tabel volgt uit een analyse in ArcGIS. Hiervoor zijn het ontwerp en de werkbegrenzing over de natuurtypenkaart 2020 gelegd om de overlap te analyseren. Niet op elke plaats waar overlap aanwezig is, wordt het natuurtype ook daadwerkelijk aangetast.
Tabel 8.3 Ruimtebeslag van het ontwerp en de werkgrens op natuurtypen. Hierbij is aangegeven of het ruimtebeslag tot een aantasting leidt Dijk-
Identificatie-
sectie
nummer
huidig natuurtype
kwaliteitsverlies natuurtype?
compensatieplicht vanwege
opp. binnen
aantasting kernkwaliteit?
ruimtebeslag (m2)
1
15
N01.03 rivier- en
ja, vernietiging
moeraslandschap
27
N12.02 Kruiden- en
1912,5
teruggebracht maar tijdelijk
(=N12.02) 1
ja, wordt op dezelfde plek
kwaliteitsverlies ja, vernietiging
faunarijk grasland
ja, wordt op dezelfde plek
256,9
teruggebracht maar tijdelijk kwaliteitsverlies
1
28
N12.02 Kruiden- en
ja, vernietiging
faunarijk grasland
ja, wordt op dezelfde plek
1210
teruggebracht maar tijdelijk kwaliteitsverlies
1
19
N02.01 Rivier
nee, ter plaatse vinden geen
nee
17,1
werkzaamheden in de rivier plaats 1-5
6
13
5
N01.03 rivier- en
ja, vernietiging
ja, wordt op dezelfde plek
moeraslandschap
teruggebracht maar tijdelijk
(=N12.02)
kwaliteitsverlies
L01.03 Elzensingel
nee, ruimtebeslag opgenomen
29141,5
nee
3,6
vanwege beheerstrook, maar het uitgangspunt is dat bomen worden gespaard 6
26
N12.02 Kruiden- en
ja, vernietiging
faunarijk grasland
ja, wordt op dezelfde plek
6501,1
teruggebracht maar tijdelijk kwaliteitsverlies
7
3
L01.02 Houtwal en
nee, houtwal wordt gespaard
nee
190,1
L01.02 Houtwal en
nee, houtwal wordt gespaard door
nee
2148,0
houtsingel
gebruik van damwanden
houtsingel 8
2
Natuurtoets pagina 279 van 456
Definitief 10 juli 2020
Dijk-
Identificatie-
sectie
nummer
huidig natuurtype
kwaliteitsverlies natuurtype?
compensatieplicht vanwege
opp. binnen
aantasting kernkwaliteit?
ruimtebeslag (m2)
8
8
N01.03 rivier- en
ja, vernietiging
moeraslandschap
ja, maar kan op dezelfde plek
13,0
teruggebracht worden
(=N12.02) 8
10
N01.03 rivier- en
nee, uitgangspunt is dat de wielen
moeraslandschap
niet worden aangetast. Bovendien is
(N02.01)
ter plaatse van het ruimtebeslag in
nee
287,0
nee
87,8
ja, wordt op dezelfde plek
239,4
werkelijkheid geen water aanwezig (zie ook bijlage 16). 8
11
N01.03 rivier- en
nee, uitgangspunt is dat de wielen
moeraslandschap
niet worden aangetast. Bovendien is
(N02.01)
ter plaatse van het ruimtebeslag in werkelijkheid geen water aanwezig (zie ook bijlage 16).
8
14
N01.03 rivier- en
ja, vernietiging
moeraslandschap
teruggebracht maar tijdelijk
(=N12.02) 8
22
8
40
8
12
kwaliteitsverlies
N12.02 Kruiden- en
nee, grasland blijft behouden
nee
11343,7
faunarijk grasland
vanwege gebruik van damwanden
N17.03 Park- of
nee, de bomen worden gespaard
nee
1863,6
ja, vernietiging
ja, wordt op dezelfde plek
9534,6
stinzenbos N01.03 rivier- en moeraslandschap
teruggebracht maar tijdelijk
(=N12.02) 8
19
N02.01 Rivier
8-9
21
N12.02 Kruiden- en
kwaliteitsverlies nee, er is nu ook al een aanlegplaats
nee
524,7
aanwezig. ja, vernietiging
faunarijk grasland
ja, wordt op dezelfde plek
21469,5
teruggebracht maar tijdelijk kwaliteitsverlies
9
6
L01.08 Knotboom
nee, de bomen worden gespaard
nee
9-12
16
N01.03 rivier- en
ja, vernietiging
ja, wordt op dezelfde plek
moeraslandschap
35
24165,3
teruggebracht maar tijdelijk
(=N12.02) 10
379,9
kwaliteitsverlies
N14.03 Haagbeuken-
nee, ruimtebeslag opgenomen
en essenbos
vanwege beheerstrook, maar het
nee
75,3
ja, wordt op dezelfde plek
192,9
uitgangspunt is dat bomen worden gespaard. 11
29
N12.02 Kruiden- en
ja, vernietiging
faunarijk grasland
teruggebracht maar tijdelijk kwaliteitsverlies
12
9
N01.03 rivier- en
ja, vernietiging
moeraslandschap
30
N12.02 Kruiden- en
3677,2
teruggebracht maar tijdelijk
(=N12.02) 13
ja, wordt op dezelfde plek
kwaliteitsverlies ja, vernietiging
faunarijk grasland
ja, wordt op dezelfde plek
5831,1
teruggebracht maar tijdelijk kwaliteitsverlies
Natuurtoets pagina 280 van 456
Definitief 10 juli 2020
Dijk-
Identificatie-
sectie
nummer
huidig natuurtype
kwaliteitsverlies natuurtype?
compensatieplicht vanwege
opp. binnen
aantasting kernkwaliteit?
ruimtebeslag (m2)
13
31
N12.02 Kruiden- en
ja, vernietiging
faunarijk grasland
ja, wordt op dezelfde plek
6043,6
teruggebracht maar tijdelijk kwaliteitsverlies
13-14
32
N12.02 Kruiden- en
ja, vernietiging
faunarijk grasland
ja, wordt op dezelfde plek
16518,8
teruggebracht maar tijdelijk kwaliteitsverlies
13-15
33
N12.02 Kruiden- en
ja, vernietiging
faunarijk grasland
ja, wordt op dezelfde plek
53834,4
teruggebracht maar tijdelijk kwaliteitsverlies
14
0
L01.01 Poel en kleine
nee, het water blijft onaangetast
nee
112,0
nee, landschappelijk element blijft
nee
70,8
historische wateren 14
7
L01.16 Bossingel
behouden. Het betreft namelijk een lange houtwal waar slechts aan één uiteinde een klein deel wordt gekapt. Dit is geen aantasting van het landschappelijk element en derhalve vindt er hiermee geen aantasting van de kernkwaliteiten plaats. 14
17
N02.01 Rivier
nee, het water blijft onaangetast
nee
14
23
N12.02 Kruiden- en
ja, vernietiging
ja, wordt op dezelfde plek
faunarijk grasland
4,3 1518,2
teruggebracht maar tijdelijk kwaliteitsverlies
14
25
N12.02 Kruiden- en
ja, vernietiging
faunarijk grasland
ja, wordt op dezelfde plek
12224,0
teruggebracht maar tijdelijk kwaliteitsverlies
14
14
14-15
41
42
20
N17.03 Park- of
nee, bos blijft behouden vanwege
stinzenbos
gebruik van damwanden
N17.03 Park- of
nee, bos blijft behouden vanwege
stinzenbos
gebruik van damwanden
N12.02 Kruiden- en
ja, vernietiging
faunarijk grasland
nee
1167,1
nee
139,5
ja, wordt op dezelfde plek
8056,7
teruggebracht maar tijdelijk kwaliteitsverlies
15
4
L01.02 Houtwal en
nee, landschappelijk element blijft
houtsingel
behouden. Het betreft namelijk een
nee
341,1
nee, de bomen blijven behouden
nee
142,5
nee, er wordt niets aan de loop van
nee
154,6
lange houtwal waar slechts aan één uiteinde een klein deel wordt gekapt. Dit is geen aantasting van het landschappelijk element en derhalve vindt er hiermee geen aantasting van de kernkwaliteiten plaats.* 15
36
15
19
N14.03 Haagbeukenen essenbos N02.01 Rivier
de rivier veranderd.
Natuurtoets pagina 281 van 456
Definitief 10 juli 2020
Dijk-
Identificatie-
sectie
nummer
huidig natuurtype
kwaliteitsverlies natuurtype?
compensatieplicht vanwege
opp. binnen
aantasting kernkwaliteit?
ruimtebeslag (m2)
16
18
N02.01 Rivier
nee, het betreft een wegberm en de
nee
471,9
nee
682,4
ja, en kan niet op dezelfde plek
1193,9
huidige beheerstrook aan de teen van de huidige dijk. Er is in de huidige situatie geen rivier aanwezig ter plaatse. 16
19
N02.01 Rivier
nee, er wordt niets aan de loop van de rivier veranderd.
16
34
N14.03 Haagbeuken-
ja, vernietiging (beheerstrook)
en essenbos 16
37
16
38
16-17
24
terugkomen.
N16.03 Droog bos met
nee, in de huidige situatie staan er
productie
ter plaatse geen bomen
nee
23,2
N16.04 Vochtig bos
nee, de bomen blijven behouden
nee
2921,9
ja, vernietiging
ja, wordt op dezelfde plek
17013,8
met productie N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland
teruggebracht maar tijdelijk kwaliteitsverlies
17
1
L01.01 Poel en kleine
nee, op basis van de werkgrens is er
historische wateren
sprake van ruimtebeslag, het
nee
47,1
nee
390,9
nee
61,0
uitgangspunt is echter dat poelen en wielen niet worden aangetast 17
19
N02.01 Rivier
nee, er wordt niets aan de loop van
17
39
N16.04 Vochtig bos
nee, ter plaatse van het
met productie
ruimtebeslag is geen bos aanwezig.
de rivier veranderd.
*
Ondanks dat er geen aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten, wordt de impact bovenwettelijk gemitigeerd. De berm wordt rechtdoor getrokken en de eiken worden gekapt. Eiken worden zodanig herplant dat vanaf het begin de karakteristieke houtwal aanwezig is. Dit kan door één grote eik en verschillende kleinere eiken te planten. De grote eik is vanaf het begin beeldbepalend, maar groeit minder hard omdat het als volwassen boom is verhuisd. De kleinere eiken groeien harder en nemen op den duur de beeldbepaling over.
8.6.1.3 Aantasting van leefgebieden Binnendijks heeft het ruimtebeslag betrekking op de kernkwaliteiten van gebied ‘58 Overbetuwe’ en buitendijks op die van ‘157 Noordoever Waal Lent - Echteld’ en ‘146 Gelderse Poort zuid’. De dijkversterking heeft ruimtebeslag in deze gebieden en tast daarmee mogelijk de kernkwaliteiten ‘leefgebied voor das, kamsalamander en/of steenuil’ en ‘alle door de Flora- en faunawet of Natuurbeschermingswet beschermde soorten en hun leefgebieden’ in deze deelgebieden aan. Er kan ook een effect op de ontwikkelingsdoelen zijn. Hieronder valt ook de kernkwaliteit ‘waarden voor weidevogels, water- en moerasvogels, vleermuizen, amfibieën, vissen en bevers'. De term mogelijk wordt gebruikt, omdat dit afhangt van het huidige voorkomen van deze leefgebieden. Aantasting van (leefgebied van) beschermde soorten is een aantasting van de kernkwaliteiten en dient daarmee zoveel mogelijk beperkt (gemitigeerd) te worden. Indien mitigatie aantasting van de kernkwaliteiten niet kan voorkomen dient voor het overblijvende effect gecompenseerd te worden. Mitigatie is beschreven in paragraaf 8.7, compensatie in paragraaf 8.8.
Natuurtoets pagina 282 van 456
Definitief 10 juli 2020
Leefgebied van das Het leefgebied van das is als kernkwaliteit opgenomen voor gebieden ‘58 Overbetuwe’ en ‘146 Gelderse Poort zuid’. Uit het nader soortgericht onderzoek wat is verricht in 2019 (zie bijlage 9) blijkt dat de das niet voorkomt in het plangebied. Aantasting van leefgebied van das door oppervlakteverlies is derhalve uitgesloten. Leefgebied van kamsalamander Het leefgebied van kamsalamander is aangewezen voor alle drie de gebieden: ‘58 Overbetuwe’, ‘157 Noordoever Waal Lent - Echteld’ en ‘146 Gelderse Poort zuid’. Uit het nader soortgericht onderzoek wat is verricht in 2019 blijkt dat kamsalamander voorkomt in/nabij dijksecties 16b en 17 (afbeelding 8.4). In dijksectie 16b, tegenover Waaldijk 6 en tegenover het rabattengebiedje, is kamsalamander buitendijks in de strang aanwezig. In dijksectie 17 is kamsalamander aanwezig in de binnendijkse poelen tussen Waaldijk 1 en Waalbandijk 131 en in de watergangen langs de langgerekte houtopstand. Zowel de buitendijkse strang als de binnendijkse poelen met leefgebied voor kamsalamander worden niet fysiek aangetast door de dijkversterking. Binnen het ruimtebeslag bevindt zich potentieel leefgebied van kamsalamander, namelijk de bomen naast de rabatten, en een deel van de rabatten zelf in dijksectie 16. De rabatten zelf zijn deel van het winterhabitat van kamsalamander, de bomen zijn potentieel ook onderdeel hiervan.
De bomen die gekapt worden zijn een klein onderdeel van een groter oppervlakte bos. Het deel wat gekapt wordt is relatief klein en niet essentieel voor kamsalamander. Na het kappen blijft er voldoende leefgebied over in de vorm van bomen, riet en bosjes. Een aantasting door vernietiging van leefgebied van kamsalamander als kernkwaliteit is daarom uitgesloten.
Natuurtoets pagina 283 van 456
Definitief 10 juli 2020
Afbeelding 8.4 Waarnemingen van kamsalamander bij dijksecties 16b en 17
Leefgebied van steenuil Het leefgebied van steenuil is aangewezen voor alle drie de gebieden: ‘58 Overbetuwe’, ‘157 Noordoever Waal Lent - Echteld’ en ‘146 Gelderse Poort zuid’. Uit het nader soortgericht onderzoek wat is verricht in 2019 blijkt dat steenuil voorkomt in/nabij dijksecties 1, 13 en 17. De beoordeling van het ruimtebeslag op steenuil heeft plaatsgevonden in de soortenbeschermingstoets (zie bijlage 9). Hier wordt de conclusie in het kader van het GNN gegeven. Binnen Nederland is het kleinschalige cultuurlandschap de favoriete habitat voor de steenuil, vooral in de omgeving van menselijke bebouwing [lit. 21]. De steenuil is daarmee een typische vogel van boerenerven, waar een afwisseling van knotwilgen, hoogstamboomgaarden, rommelhoekjes, kruidenrijke vegetatie en schuurtjes zorgt voor het juiste voedselaanbod van kleine zoogdieren en insecten. Een steenuil territorium is gemiddeld 5 tot 30 ha groot [lit. 21]. In dijksectie 1 bevindt zich 1 nest aan de binnenzijde van de dijk (afbeelding 8.6.5). De dijkversterking heeft voornamelijk ruimtebeslag op de huidige dijk. Er wordt een damwand ingetrild en voor de realisatie van het talud op deze locatie worden een aantal bomen gekapt. Deze bomen horen bij het leefgebied van steenuil.
Het nest in deze dijksectie is echter het enige nest in de buurt, waardoor de aanwezige steenuilen een groot gebied langs de dijk tot hun territorium kunnen rekenen. Het kappen van deze bomen heeft derhalve geen aantasting op het leefgebied van steenuil in deze dijksectie. Een aantasting door vernietiging van leefgebied van steenuil als kernkwaliteit is daarom uitgesloten.
Natuurtoets pagina 284 van 456
Definitief 10 juli 2020
Afbeelding 8.5 Waarnemingen van steenuil in dijksectie 1
In dijksectie 13 bevindt zich één nest en twee territoria (afbeelding 8.6). Bij het nest worden een aantal bomen en andere kleinschalige landschapselementen verwijderd. Deze bomen bevinden zich echter aan de andere kant van de dijk van het nest, terwijl het grootste gedeelte van het functioneel leefgebied van de steenuil aan de noordzijde van de dijk bevindt. Het gebied ten noorden van de dijk bevat veel bosjes, wilgenopslag en open delen, wat velen malen geschikter is voor steenuil dan de bomen en kleine landschapselementen die verwijderd worden. Het kappen van deze bomen heeft derhalve geen aantasting op het leefgebied van steenuil in deze dijksectie. Een aantasting door vernietiging van leefgebied van steenuil als kernkwaliteit is daarom uitgesloten. Bij de overige twee territoria in dijksectie 13 is geen ruimtebeslag op het leefgebied van steenuil. Bij deze territoria is er ruimtebeslag op de dijk, welke kaal is en niet geschikt als leefgebied voor steenuil. Een aantasting door vernietiging van leefgebied van steenuil als kernkwaliteit is daarom uitgesloten.
Natuurtoets pagina 285 van 456
Definitief 10 juli 2020
Afbeelding 8.6 Waarnemingen van steenuil bij dijksectie 13
In dijksectie 17 bevindt zich een nest achter een huis ten noorden van de dijk (afbeelding 8.7). Bij deze nestkast worden geen bomen of andere kleinschalige landschapselementen verwijderd. De werkzaamheden ter plaatse vinden plaats aan de kale dijk, hierdoor is het aannemelijk dat hier geen essentieel leefgebied van steenuil aanwezig is, maar dat dit zich verder op het perceel bevindt. Een aantasting door vernietiging van leefgebied van steenuil als kernkwaliteit is daarom uitgesloten.
Natuurtoets pagina 286 van 456
Definitief 10 juli 2020
Afbeelding 8.7 Waarnemingen van steenuil in dijksectie 17
Leefgebieden van ‘alle door de Flora- en faunawet of Natuurbeschermingswet beschermde soorten’ en ‘waarden voor weidevogels, water- en moerasvogels, vleermuizen, amfibieën, vissen en bevers’ De Flora- en faunawet en Natuurbeschermingswet zijn per 1 januari 2017 vervangen door de Wnb. Er wordt derhalve niet aan de Fora- en faunawet en Natuurbeschermingswet getoetst, maar aan de Wnb. Aantasting van beschermde soorten en hun leefgebied is in een aparte Soortenbeschermingstoets beoordeeld. In die toets is beoordeeld of de dijkversterking tot overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb leidt. Deze verbodsbepalingen gaan over het doden en verstoren van individuen, maar ook het aantasten van de functionaliteit van verblijf- en voortplantingsplaatsen. Overtreding van deze verbodsbepalingen is een aantasting van de kernkwaliteit ‘alle door de Flora- en faunawet of Natuurbeschermingswet beschermde soorten en hun leefgebieden’. Uit de Soortenbeschermingstoets blijkt dat er aantasting van leefgebied van bever en gewone dwergvleermuis is door het ruimtebeslag van de dijkversterking. Van bever wordt in dijksectie 6 een hol vernietigd door ruimtebeslag van de dijkversterking. Als één of enkele holen in een territorium van bever tijdelijk ongeschikt wordt voor bever, leidt dit niet tot een afname van de gunstige staat van instandhouding van bever.
Voor de overtreding van de Wnb is daarom geen compensatie nodig. Wel is een ontheffing vereist.
Natuurtoets pagina 287 van 456
Definitief 10 juli 2020
Van gewone dwergvleermuis wordt door het ruimtebeslag van de dijkversterking een paarverblijf vernietigd door de sloop van de huizen op de percelen van Waaldijk 42/43. Het vernietigen van een verblijfplaats is aantasting van het leefgebied en hiervoor wordt een ontheffing aangevraagd. De verblijfplaats wordt daarnaast ook gecompenseerd om aantasting van de gunstige staat van instandhouding te voorkomen. De compensatieopgave en het compensatieplan uit de Soortenbeschermingstoets zijn daarom ook in paragraaf 8.8 van deze onderliggende toets opgenomen. Aantasting van leefgebieden van overige door de Flora- en faunawet of Natuurbeschermingswet beschermde soorten is uitgesloten of wordt voorkomen door het nemen van mitigerende maatregelen.
Ontwikkelingsdoel populatie bever (en otter) Voor het ontwikkelingsdoel ‘ontwikkeling populatie bever (en otter) is alleen de bever relevant omdat er verscheidende beverfamilies langs de dijk leefgebied hebben. Bever is beschermd via de wet Natuurbescherming Natura 2000 en soortenbescherming. In het kader daarvan heeft een beoordeling van de effecten op bever reeds plaatsgevonden. Er is beoordeeld dat de dijkversterking een beverhol in een territorium vernietigd. Hierdoor wordt het territorium echter niet in het functioneren aangetast, omdat er voldoende alternatieve verblijfplaatsen aanwezig zijn. Daarnaast is beoordeeld dat binnendijks gelegen delen van territoria, namelijk bij dijksectie 2 en 6, door de werkzaamheden afgesloten kunnen raken.
8.6.1.4 Aantasting van overige kernkwaliteiten Van de overige kernkwaliteiten is alleen ‘A-locatie bos Kasteel Loenen’ relevant in het kader van effecten door de dijkversterking. De overige kernkwaliteiten liggen ofwel te ver verwijderd van de ingreep, of betreffen meer algemene kwaliteiten die door een versterking van een al aanwezige dijk niet beïnvloed worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om kernkwaliteiten ‘A-locatie Colenbrandersbos’, ‘variabel, agrarisch cultuurlandschap met snelle stedelijke ontwikkelingen en glastuinbouw’ en ‘ecologische verbindingszone KAN, tevens Park Lingezegen’. ‘A-locatie bos Kasteel Loenen’ is een kernkwaliteit van gebied 58 - Overbetuwe Er vindt geen kap van (een deel van) dit bos plaats. Ook worden er geen andere activiteiten op de dijk mogelijk gemaakt dan in de huidige situatie het geval is. Er is daarom dan ook geen sprake van een aantasting van de kernkwaliteit ‘A-locatie bos Kasteel Loenen’.
8.6.2 Verzuring/vermesting
8.6.2.1 Aantasting van natuurtypen Aantasting als gevolg van stikstofdepositie treedt in de aanlegfase op door de emissie van stikstof door werkzaamheden met zwaar materieel en de aan- en afvoer van mens en materiaal. In de gebruiksfase is er geen ander gebruik dan in de huidige situatie, en is er geen sprake van een toename in stikstofemissie.
Natuurtoets pagina 288 van 456
Definitief 10 juli 2020
In het plangebied komen natuur- en landschapsbeheertypen voor die in meer of mindere mate stikstofgevoelig zijn. Stikstofgevoelige natuurtypen kunnen door verzuring of vermesting door stikstof aangetast worden. Dit is een aantasting van de kernkwaliteiten. Om voor GNN natuurtypen een uitspraak te kunnen doen over de effecten van verzuring en vermesting door stikstofdepositie, is de stikstofgevoeligheid van deze natuurtypen van belang. Voor de beoordeling van stikstofeffecten op habitattypen (Natura 2000) wordt doorgaans getoetst of een systeem in de huidige situatie al is overbelast. Een overbelasting betekent in dit geval dat de kritische depositiewaarde (hierna: KDW) in de huidige situatie al wordt overschreden door de achtergronddepositie. Daarnaast wordt er voor de beoordeling van stikstofeffecten gebruik gemaakt van profieldocumenten en herstelstrategieën die de stikstofgevoeligheid van habitattypen uitvoerig beschrijven. In tegenstelling tot habitattypen, zijn er voor natuurtypen geen KDW’s vastgesteld en is uitvoerige achtergrondinformatie omtrent stikstofgevoeligheid minder voorhanden. Om voor natuur- en landschapsbeheertypen een vergelijkbare effectbeoordeling uit te voeren als voor habitattypen wordt daarom aansluiting gezocht bij vergelijkbare habitattypen. De vertaling hiervan staat in tabel 8.4. Tabel 8.4 Stikstofgevoeligheid GNN Natuurtypen Natuurtype
Gelijkend Natura 2000habitattype/leefgebied
Stikstofgevoelig?
poel en kleine historische wateren (L01.01)
beken en rivieren met waterplanten (H3260)
nee
houtwal en houtsingel (L01.02)
droge hardhoutooibossen (H91F0)
ja, gevoelig
knotboom (L01.08)
droge hardhoutooibossen (H91F0)
ja, gevoelig
bossingel (L01.16)
droge hardhoutooibossen (H91F0)
ja, gevoelig
rivier- en moeraslandschap (N01.03)
geen, GNN-natuurtype kenmerkt zich
nee, vanwege de regelmatige
door variatie en successie.
inundatie van het natuurtype spoelt eventuele stikstofdepositie uit, het type is juist bedoeld om dynamisch te zijn en bovendien is de depositie tijdelijk.
rivier (N02.01)
beken en rivieren met waterplanten (H3260)
nee
kruiden- en faunarijk grasland (N12.02)
glanshaver- en vossen staarthooilanden (H6510B) of nat, matig voedselrijk grasland (LG08)
ja, gevoelig
haagbeuken - en essenbos (N14.03)
Vochtige alluviale bossen (esseniepenbossen H910EB)
ja, gevoelig
droog bos met productie (N16.03)
droge hardhoutooibossen (H91F0)
ja, gevoelig
vochtig bos met productie (N16.04)
vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen H91E0A)
nee
park- of stinzenbos (N17.03)
droge hardhoutooibossen (H91F0)
ja, gevoelig
Natuurtoets pagina 289 van 456
Definitief 10 juli 2020
Op basis van de KDW’s van gelijkende habitattypen en de huidige achtergronddepositie ter plaatse van de stikstofgevoelige natuurtypen is bepaald of een toename van stikstofdepositie een aantasting van de betreffende typen kan veroorzaken. Van de zeven natuurtypen die gevoelig zijn voor een toename van stikstofdepositie (zie tabel 8.4) is bij twee natuurtypen de (van gelijkend habitat afgeleide) KDW in de huidige situatie reeds overschreden door de achtergronddepositie (zie tabel 8.5). Het gaat hierbij om N12.02 (kruiden- en faunarijk grasland) en N16.03 (droog bos met productie). Van deze natuurtypen is de KDW respectievelijk maximaal 297 en 692 mol N/ha/jaar overschreden in de huidige situatie. De potentiële effecten van stikstofdepositie op deze natuurtypen worden in de sectie hierna verder behandeld. Tabel 8.5 KDW, achtergronddepositie en conclusie aantasting stikstofgevoelige natuurtypen door de dijkversterking Natuurtype
KDW (in mol N/ha/jr)
Achtergronddepositie (in mol N/ha/jr)
Overschrijding KDW in huidige situatie?
Aantasting?
houtwal en houtsingel (L01.02)
2071
1450 dijksectie 7 max. 1512 dijksectie 8 1527 dijksectie 15
nee
nee
knotboom (L01.08)
2071
max. 1726 dijksectie 9
nee
nee
bossingel (L01.16)
2071
1830 dijksectie 14
nee
nee
kruiden- en faunarijk grasland (N12.02)
1571
1522 dijksectie1 1486 dijksectie 6 max. 1789 dijksectie 8 max. 1726 dijksectie 9 1473 dijksectie 11 max. 1637 dijksectie 13 max. 1868 dijksectie 14 1611 dijksectie 15
ja
nee
1669 dijksectie 16 1446 dijksectie 17 haagbeuken - en essenbos (N14.03)
2000
1445 dijksectie 10 1747 dijksectie 15 max. 1711 dijksectie 16
nee
nee
droog bos met productie (N16.03)
2071
2763 dijksectie 16
ja
nee
park- of stinzenbos (N17.03)
2071
max. 1781 dijksectie 8 max. 1868 dijksectie 14
nee
nee
Natuurtoets pagina 290 van 456
Definitief 10 juli 2020
N12.02 (kruiden- en faunarijk grasland) In een aantal dijksecties wordt de KDW van kruiden- en faunarijk grasland in de huidige situatie reeds overschreden door de achtergronddepositie. Het betreft dijksecties 8, 9, 13, 14, 15 en 16 (zie tabel 8.5). Knelpunten bij kruiden- en faunarijk grasland hebben vaak te maken met een te hoge voedselrijkdom. Voedselrijke omstandigheden zijn vaak het gevolg van bemesting in het verleden, maar stikstofdepositie kan ook een rol spelen [lit. 13]. Daarnaast kan sterke verruiging als gevolg van stikstofdepositie een lager aanbod of een lagere bereikbaarheid van voedsel tot gevolg hebben voor insecten, vogels en kleine zoogdieren die leefgebied hebben binnen N12.02. Bij het verschuiven van het natuurtype richting een minder heterogene en ruigere vegetatie kunnen tevens geschikte nestlocaties van vogels verdwijnen. Als gevolg van het project is sprake van een maximale tijdelijke projectbijdrage van circa 4 mol N/ha/jaar op plaatsen waar de KDW reeds wordt overschreden door de achtergronddepositie. Om een beeld te krijgen van de vermestende invloed van een dergelijke kleine eenmalige depositietoename, is de volgende berekening illustratief: - een depositie van 1 mol N/ha/jaar komt overeen met 14 gram N per hectare [lit. 14]; - de productie van natuurlijke habitattypen/leefgebieden loopt uiteen tussen 2.000 en 6.000 kg droge stof/ha/jaar [lit.
15]; - het aandeel in stikstof varieert tussen plantensoorten en omstandigheden: het drooggewicht van een plant bestaat gemiddeld voor 1,5 % uit stikstof. Dit gemiddelde varieert van 0,5 % bij houtachtige planten tot 5,0 % bij peulvruchten [lit. 16, 17]; - voor de biomassaproductie van natuurlijke habitattypen is dus gemiddeld 30-90 kg N/ha/jaar nodig. Dit komt overeen met circa 2.150-6.400 mol N/ha/jaar. Dit betreft de totale aanvoer van stikstof, dus ook vanuit bronnen naast atmosferische depositie zoals via grond- en oppervlaktewater, nalevering uit de bodem, mineralisatie van organisch materiaal en natuurlijke bemesting (via dieren of vee dat ingezet wordt bij natuurlijke begrazing; - een eenmalige depositie van 1 mol N/ha/jaar komt overeen met 0,02-0,05 % van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof voor natuurlijke habitats/leefgebieden. Ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie, leidt dit niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheden van individuele planten, en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie. 4
Een dergelijke kleine tijdelijke depositie (maximaal 4 mol/ha/jaar) op N12.02 leidt daardoor niet tot een verschuiving van het natuurtype richting een minder heterogene (minder kruidenrijk) en ruigere vegetatie. Hierdoor blijft het aantal potentieel geschikte nestlocaties voor vogels in het gebied gelijk en neemt het voedselaanbod voor insecten, vogels en kleine zoogdieren niet af. Dit betekent dat er geen sprake is van een aantasting van de kernkwaliteiten in het gebied. Een compensatieopgave vanwege effecten door stikstofdepositie is niet aan de orde voor N12.02. Bovendien worden de gebieden N12.02 binnen het plangebied ten behoeve van de dijkversterking afgegraven en na de werkzaamheden weer teruggeplaatst. Voor het grootste deel van de werkzaamheden kan er dus geen stikstofdepositie op N12.02 plaatsvinden. 4
Uit stikstofberekeningen voor Natura 2000 blijkt een maximale stikstofdepositie op de bron (op kruin van de dijk) van >4 mol N/ha/jaar. Deze berekeningen zijn gebaseerd op een scenario van een planbijdrage van 30%, zonder elektrische kranen. Omdat het de maximale stikstofdepositie op de bron betreft en het NNN zich ook op de dijk of vlak ernaast bevindt, kan voor beoordeling van effecten van stikstofdepositie op het NNN uitgegaan worden van een projectbijdrage van 4 mol/ha/jaar.
Natuurtoets pagina 291 van 456
Definitief 10 juli 2020
N16.03 (droog bos met productie) Droog bos met productie is in het plangebied alleen binnendijks aanwezig in dijksectie 16. Binnen deze dijksectie wordt de KDW reeds ruim overschreden door de achtergronddepositie. Deze overschrijding is te wijten aan de ligging van het natuurtype direct naast de A50. Droog bos met productie kent een lage diversiteit aan soorten [lit. 18, paragraaf 8.8]. Dit wordt onder andere veroorzaakt door de uniforme aanleg en beheer in het verleden, door de jonge leeftijd van de bossen en onvoldoende abiotische kwaliteit als gevolg van verzuring en vermesting. Voor het natuurtype geldt bovendien dat er geen soorten zijn waarvoor de stikstofgevoeligheid van het natuurtype een probleem kan vormen voor de kwaliteit van het leefgebied [lit. 19]. Bovendien, zie de volledige redenering onder N12.02 (kruiden- en faunarijk grasland), komt een eenmalige depositie van 1 mol N/ha/jaar overeen met 0,02-0,05 % van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof voor natuurlijke habitats/leefgebieden. Ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie, leidt dit niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheden van individuele planten, en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie. Een tijdelijke maximale projectbijdrage van 4 mol N/ha/jaar leidt daardoor niet tot verzurende of vermestende effecten binnen natuurtype N16.03.
Er treedt geen kwaliteitsvermindering van het type op. Dit betekent dat er geen sprake is van een aantasting van de kernkwaliteiten in het gebied. Een compensatieopgave is niet aan de orde voor N16.03. 5
8.6.2.2 Aantasting van leefgebieden Omdat verzuring en vermesting kan leiden tot een verandering van flora kan dit de kernwaarden leefgebied das, kamsalamander en/of steenuil en ‘alle door de Flora- en faunawet of natuurbeschermingswet beschermde soorten en hun leefgebieden’ in dit deelgebied en ‘waarden voor weidevogels, water- en moerasvogels, vleermuizen, amfibieën, vissen en bevers’ aantasten. Binnen het GNN vinden diverse soorten planten en dieren hun thuis binnen natuurtypen (zowel de natuurtypen als de landschapsbeheertypen). De effecten op deze natuurtypen zijn reeds behandeld in paragraaf 8.6.2.1 en er is geconcludeerd dat er geen verandering van vegetatie optreedt. Een aantasting van de leefgebieden van soorten die als kernkwaliteiten zijn aangemerkt, is daarmee niet aan de orde.
5
Uit stikstofberekeningen voor Natura 2000 blijkt een maximale stikstofdepositie op de bron (op kruin van de dijk) van >4 mol N/ha/jaar. Deze berekeningen zijn gebaseerd op een scenario van een planbijdrage van 30 %, zonder elektrische kranen. Omdat het de maximale stikstofdepositie op de bron betreft en het NNN zich ook op de dijk of vlak ernaast bevindt, kan voor beoordeling van effecten van stikstofdepositie op het NNN uitgegaan worden van een projectbijdrage van 4 mol/ha/jaar.
Natuurtoets pagina 292 van 456
Definitief 10 juli 2020
8.6.2.3 Aantasting overige kernkwaliteiten Van de overige kernkwaliteiten is alleen ‘A-locatie bos Kasteel Loenen’ relevant in het kader van effecten door de dijkversterking. De overige kernkwaliteiten liggen ofwel te ver verwijderd van de ingreep, of betreffen meer algemene kwaliteiten die door een versterking van een al aanwezige dijk niet beïnvloed worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om kernkwaliteiten ‘A-locatie Colenbrandersbos’, ‘ecologische verbindingszone KAN, tevens Park Lingezegen’ en ‘variabel, agrarisch cultuurlandschap met snelle stedelijke ontwikkelingen en glastuinbouw’. Kernkwaliteit ‘A-locatie bos Kasteel Loenen’ omvat een bos wat ook als natuurtype is aangemerkt. De effecten van stikstofdepositie op natuurtypen zijn in 8.6.2.1 behandeld. Er is geconcludeerd dat er geen aantasting van de kernkwaliteiten plaatsvindt, ook niet bij A-locatie bos Kasteel Loenen. De ontwikkelingsdoelen GNN en GO worden niet aangetast omdat de stikstofdepositie tijdelijk is en de dijkversterking de ontwikkelingsdoelen niet in de weg staat.
8.6.3 Verstoring Verstoring door geluid, trilling of licht heeft alleen op dieren betrekking. Voor de GNN/GOdeelgebieden 58, 157 en 146 is het leefgebied van das, steenuil en/of kamsalamander specifiek in kernkwaliteiten gevat en in het algemeen ook de leefgebieden van beschermde soorten. Tevens zijn de algemene milieucondities als onderdeel van de kernkwaliteiten aangewezen. Tot deze milieucondities behoren ook de stilte, donkerte en de rust. De ontwikkelingsdoelen GNN en GO worden niet aangetast omdat doordat de verstoring tijdelijk is, de dijkversterking de ontwikkelingsdoelen niet in de weg staat.
Stilte, donkerte en rust De werkzaamheden brengen tijdens de aanleg verstoring met zich mee waardoor de dijk en de omgeving niet meer in dezelfde mate stilte, donkerte en rust hebben als voorheen. Dit is echter tijdelijk, als de dijk er eenmaal ligt worden er geen andere functies mogelijk dan dat nu al het geval is. De kernkwaliteiten stilte, donkerte en rust worden daarom niet aangetast door de dijkversterking. Leefgebied van das Het leefgebied van de das is als kernkwaliteit opgenomen voor gebieden ‘58 Overbetuwe’ en ‘146 Gelderse Poort zuid’. Uit het nader soortgericht onderzoek wat is verricht in 2019 blijkt dat de das niet voorkomt in het plangebied. Aantasting van de kernkwaliteit ‘leefgebied van das’ door verstoring is derhalve uitgesloten. Leefgebied van kamsalamander Het leefgebied van kamsalamander is aangewezen voor alle 3 de gebieden: ‘58 Overbetuwe’, ‘157 Noordoever Waal Lent - Echteld’ en ‘146 Gelderse Poort zuid’. Uit het nader soortgericht onderzoek wat is verricht in 2019 blijkt dat kamsalamander voorkomt in/nabij dijksecties 16b en 17. In dijksectie 16b, tegenover Waaldijk 6 en tegenover het rabattengebiedje, is kamsalamander buitendijks in de watergeulen aanwezig. In dijksectie 17 is kamsalamander aanwezig in de binnendijkse poelen tussen Waaldijk 1 en Waalbandijk 131.
Natuurtoets pagina 293 van 456
Definitief 10 juli 2020
Verstoring door geluid Kamsalamander is niet gevoelig voor geluidsverstoring, effecten op de kernkwaliteit ‘leefgebied kamsalamander’ door geluid zijn dus uitgesloten [lit. 24]. Verstoring door licht, trilling en visuele verstoring Het is niet bekend hoe gevoelig kamsalamander voor licht is. Als vergelijking wordt gezocht in dezelfde soortgroep als kamsalamander; amfibieën. Padden behoren ook tot de soortgroep amfibieën en worden op minstens 200 meter al aangetrokken door licht. Daarom wordt ook van deze afstand uitgegaan voor kamsalamander [lit. 23, 24]. Bij werkzaamheden met licht binnen deze 200 meter kan licht verstoring optreden. Onbekend is of kamsalamander gevoelig is voor trilling. Hierdoor gaan we uit van de worst case scenario en nemen we aan dat kamsalamander wel gevoelig is voor trilling. Trillingen door het intrillen van damwanden reikt maximaal tot 50 meter. De werkzaamheden vinden binnen 10 à 40 meter van de poelen en watergeulen plaats, waarmee lichtverstoring en verstoring door trilling niet is uit te sluiten. Visuele verstoring is het gevolg van betreding van het leefgebied. De kern van het leefgebied ligt ongeveer binnen 100 meter van de voortplantingspoel. Bij werkzaamheden binnen deze 100 meter kan visuele verstoring optreden. De werkzaamheden vinden binnen 10 à 40 meter van de poelen en watergeulen plaats.
Lichtverstoring en visuele verstoring is op basis daarvan niet uit te sluiten. Kamsalamander is ’s nachts actief, overdag verschuilen deze soort zich. De volwassen dieren leven vanaf februari in het voortplantingswater, vanaf juli beginnen ze het water te verlaten. De najaarstrek vindt plaats van ongeveer half juli tot oktober. De overwinteringsperiode loopt van november tot en met februari. Overwintering gebeurt vooral op het land op vochtige, vorstvrije locaties buiten de invloed van het grondwater in holletjes, onder stammen, takkenstapels, steenhopen, etc. Tijdens de overwintering zijn kamsalamanders niet actief [lit. 14]. Het leefgebied in dijksectie 16b bevindt zich buitendijks, in een diepe poel aan de oostzijde van de stroomgeulen. Deze poel dient als voortplantingswater, in de directe omgeving hiervan bevindt zich ook het landhabitat, aan de noordzijde van de dijk liggen de rabatten, welke ook bij het landhabitat horen. De uiterwaarden hier blijven deels droog tijdens (normaal) hoogwater en er zijn kleine bosjes aanwezig waar kamsalamander zich kan verschuilen. Het is kan niet uitgesloten worden dat kamsalamanders de dijk oversteken naar de binnendijks aanwezige houtwallen ondanks dat dichterbij, en zonder obstakel, de kleine bosjes in de uiterwaarden aanwezig zijn. Het leefgebied van kamsalamander bevindt zich vlak naast de dijk.
In de huidige situatie is op de dijk verstoring aanwezig door verkeersbewegingen. Er is geen afscherming aanwezig in de vorm van begroeiing. Op de dijk is geen permanente verlichting aanwezig. Het leefgebied bij Waaldijk 1 (dijksectie 17) bevindt zich binnendijks bij twee poelen. Deze poelen dienen als voortplantingswater, in de directe omgeving van de poelen bevindt zich ook het landhabitat. Het gehele leefgebied bevindt zich tussen twee agrarische bedrijven, op 10 tot 20 meter afstand, en naast de dijk waar in de huidige situatie verkeer overheen rijdt. Het gras en de tuin zelf zijn geen onderdeel van dit leefgebied. Bij de bedrijven is overdag in grote mate verstoring door licht en visuele verstoring aanwezig door de dagelijkse bedrijvigheid met trekkers en vrachtwagens. Op de dijk zelf is tevens verstoring aanwezig in de huidige situatie door verkeersbewegingen. Dit wordt niet afgeschermd. Op de dijk is geen permanente verlichting aanwezig. Aangezien kamsalamanders ’s nachts actief zijn en zich overdag verschuilen, hebben ze met name vanaf de schemer, ’s nachts en voor de zonsopkomst mogelijk last van lichtverstoring en visuele verstoring.
Natuurtoets pagina 294 van 456
Definitief 10 juli 2020