11. Bijlage bij de toelichting deel 2a
Tekst van het document
op de overige (vogel)soorten met een instandhoudingsdoelstelling. Indien dit het geval is, zullen ook deze effecten vergund moeten worden via een passende beoordeling of verslechteringstoets. Voor alle dijksecties is in tabel 5.1 het ruimtebeslag op Natura 2000-gebied per dijksectie en voor elk alternatief weergegeven. Voor alternatieven 1 (versterken in grond) en 2 (binnendijkse constructie) geldt dat het buitendijks ruimtebeslag nauwelijks van elkaar verschilt en dat er overlap is met Natura 2000-gebied, echter niet op habitattypen. Er vindt dus geen vernietiging van habitattypen plaats. Er is wel sprake van vernietiging van (potentieel) leefgebied van soorten. Het totale ruimtebeslag op Natura 2000-gebied is voor alternatieven 1 en 2 respectievelijk circa 17 en 21 ha. De strook ruimtebeslag van alternatief 3 (binnen- en buitendijkse constructies) is in dwarsprofiel iets smaller en heeft dus minder buitendijks ruimtebeslag dan alternatief 1 en 2. In totaal heeft alternatief 3 circa 6 ha ruimtebeslag op Natura 2000-gebied. Het ruimtebeslag op Natura 2000-gebied vindt plaats in nagenoeg alle dijksecties. Dijksecties 4-7 zijn geen onderdeel van de alternatievenafweging. Het buitendijkse gebied waar ruimtebeslag plaatsvindt bestaat uit grasland met hier en daar water met wat lage begroeiing.
Dit gebied is in principe geschikt voor verschillende broed- en niet-broedvogelsoorten alsmede de grote en kleine modderkruiper en bittervoorn. Op deze soorten kunnen in potentie significant negatieve effecten optreden. Voor deze biotopen geldt ook dat alternatieven 1 (versterken in grond) en 2 (binnendijkse constructie) nagenoeg hetzelfde ruimtebeslag hebben, en alternatief 3 (binnen- en buitendijkse constructies) beduidend minder. Een aantal soorten waarvoor het grasland geschikt leefgebied vormt, zitten qua aantallen in het gebied al onder, of bijna onder, hun instandhoudingsdoel. Voor deze soorten zijn mitigerende maatregelen noodzakelijk. Deze maatregelen zijn in deze paragraaf onder het kopje ‘verstoring’ genoemd. Alternatief 3 (binnen- en buitendijkse constructies) zorgt door een buitendijkse verbreding van het dijklichaam met ongeveer 3-4,5 m voor de minste vernietiging van Natura 2000-gebied en leefgebied van soorten met een instandhoudingsdoelstelling voor Natura 2000-gebied Rijntakken en heeft dus de voorkeur boven alternatieven 1 en 2. Dit geldt voor het totale ruimtebeslag, maar ook voor elke dijksectie.
Tabel 5.1 Ruimtebeslag in m2 op Natura 2000-gebied per dijksectie en per alternatief Dijksectie
Alternatief 1. Versterken in grond
2. Binnendijkse constructie
3. Binnen- en buitendijkse constructie
1
963
963
146
2
2.206
2.206
257
3
0
0
0
8
8.383
8.383
2.754
9
5.442
5.442
1.616
10
7.347
7.347
2.138
11
5.939
5.939
1.377
12
6.002
6.003
1.188
13
25.699
25.699
5.973
14
10.990
10.991
2.160
34 | 62
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.445 | Bijlage IV - Natuur
Dijksectie
Alternatief 1. Versterken in grond
2. Binnendijkse constructie
3. Binnen- en buitendijkse constructie
15
13.206
13.206
3.073
16
10.647
10.647
2.678
17
8.285
8.285
1.773
105.109
105.111
25.135
Totaal
* Dijksecties 4-7 zijn geen onderdeel van de alternatievenafweging.
Verzuring en vermesting Er komen verschillende stikstofgevoelige habitattypen in het studiegebied voor; H6120 en H6510A. Stikstofdepositie kan bij deze typen significant negatieve effecten veroorzaken. Bij de aanwezige overige habitattypen H3150, H6430A en H91EOA is de kritische depositiewaarde (KDW) in zowel de huidige situatie als in 2020 en 2030 niet overschreden en worden negatieve effecten uitgesloten [lit. 5.] In het studiegebied komen de stikstofgevoelige leefgebieden kamgrasweide & bloemrijk weidevogelgrasland van het rivierenen zeekleigebied, nat, matig voedselrijk grasland en geïsoleerde meanders en petgaten voor [lit. 4]. Deze gebieden zijn in afbeelding 5.1 weergegeven. Geïsoleerde meanders en petgaten dienen als leefgebied voor de bittervoorn en de kamsalamander [lit. 5], maar dit leefgebied kent in Natura 2000-gebied Rijntakken geen overschrijding van de KDW, ook niet in de autonome ontwikkeling. Het leefgebied van de grote en kleine modderkruiper, rivierdonderpad, meervleermuis en bever zijn niet gevoelig voor stikstofdepositie [lit. 5.]. Significant negatieve effecten op deze Habitatrichtlijnsoorten worden uitgesloten, maar negatieve effecten op de leefgebieden van kamsalamander en bittervoorn kunnen optreden.
De stikstofgevoelige leefgebieden kamgrasweide & bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied en nat, matig voedselrijk grasland worden door kwartelkoning en watersnip gebruikt als leefgebied [lit. 5]. (Significant) negatieve effecten op deze soorten zijn derhalve niet uit te sluiten. (Significant) negatieve effecten op overige broeden niet-broedvogelsoorten worden uitgesloten omdat deze niet stikstof gevoelig zijn, of het leefgebied niet aanwezig is. Hierna wordt beschreven wat de verschillen tussen de alternatieven zijn in het kader van verzuring en vermesting. Omdat de dijkversterking behoort tot de projecten uit het Hoogwaterbeschermingsprogramma MIRT behoort deze tot de lijst met prioritaire projecten in het kader van het PAS. Voor deze projecten is depositieruimte gereserveerd. Ten behoeve van de vaststelling van het PAS is reeds een passende beoordeling opgesteld, waarin rekening wordt gehouden met herstelmaatregelen. Er vanuit gaande dat het PAS definitief vastgesteld wordt, zal stikstofdepositie geen belemmering vormen voor het verkrijgen van een Wnb-Natura 2000 vergunning.
35 | 62
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.445 | Bijlage IV - Natuur
Afbeelding 5.1 Stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden binnen studiegebied (paars)
Aanlegfase Tijdens de aanlegfase zal er bij elk alternatief stikstofemissie, en daarmee stikstofdepositie plaatsvinden op alle dijksecties. Bij elk alternatief en op alle dijksecties vindt immers grondverzet plaats met zwaar materieel en wordt grond af- en aangevoerd per schip. Stikstofdepositie kan leiden tot verzuring en vermesting van de omgeving, wat kan leiden tot veranderingen in habitattypen of leefgebieden en daarmee mogelijk het verdwijnen van typische (dier)soorten. Uit globale berekeningen van het benodigd materieel op basis van de kostenraming die bij deze planstudie hoort blijkt dat alternatief 1 ongeveer 1,5 keer zoveel uren zwaar materieel nodig heeft dan alternatief 2 en 3. Alternatieven 2 en 3 liggen qua benodigde uren dicht bij elkaar, maar alternatief 3 heeft minder uren nodig (Tabel 5.2). De precieze stikstofdepositie is nog niet bekend, maar het is hiermee wel al duidelijk dat alternatief 3 voor de minste stikstofdepositie zal zorgen in de aanlegfase en alternatief 1 voor de meeste. Deze globale berekening is voor alle dijksecties gelijk. Tabel 5.2 Benodigde uren zwaar materieel per alternatief Alternatief
totaal aantal uren benodigd materieel
1. Versterking in grond
2. Binnendijkse constructie
3. Binnen- en buitendijkse constructie
104.686
73.299
70.920
Dijksecties Effecten van verzuring en vermesting op Natura 2000-gebieden hebben betrekking op alle dijksecties. Verstoring Aanlegfase De activiteit waarvan de verstoring het verst reikt tijdens de aanlegfase is het intrillen van damwanden. Deze werkzaamheden maken alleen deel uit van alternatief 2 (1 damwand) en 3 (2 damwanden). Uitgaande van de indicatieve contourafstanden voor het intrillen van damwanden (bronvermogen van 125 LWr) van het Kenniscentrum InfoMIL, liggen de contourafstanden voor 40 en 50 dB(A) op circa 2.2 en 1,1 kilometer. Na het intrillen van damwanden is pneumatisch beitelen het meest verstorend met een bronvermogen van 119 LWr. De contourafstanden voor pneumatisch beitelen voor 40 en 50 dB(A) liggen respectievelijk op circa 1.500 en 600 m. Deze activiteit is bij alle drie de alternatieven noodzakelijk in verband met het verwijderen
36 | 62
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.445 | Bijlage IV - Natuur
van het asfalt. Het meest maatgevende verschil tussen de alternatieven is dus het wel of niet intrillen van één of twee damwanden. Uit bovenstaande volgt dat alternatieven 2 en 3 het hardste geluid produceren vanwege het intrillen van één of twee damwanden. Bij alternatief 1 bestaan de werkzaamheden voornamelijk uit grondverzet wat met kranen en dumpers wordt uitgevoerd. Bij de effecten van verzuring/vermesting staat beschreven dat voor de realisatie van alternatief 1 echter 1.5 keer zoveel uren zwaar materieel nodig is als voor alternatieven 2 en 3. Alternatieven 2 en 3 liggen qua benodigde uren dicht bij elkaar, maar alternatief 3 heeft minder uren nodig (Tabel 5.2). Bij harder geluid is de geluidscontour groter en dringt de verstoring dus dieper het Natura 2000gebied in, waardoor er meer soorten verstoord worden en de dieren verder verjaagd worden. Tevens zijn dieren minder gevoelig voor continue verstoring dan voor piekgeluiden als van heien. In dit licht heeft alternatief 1 de voorkeur voor wat betreft het aspect verstoring omdat er dan meer ruimte voor de dieren overblijft ondanks dat het geluid langer aanhoudt. Kort gezegd is het geproduceerde geluid is bij alternatief 1 constant maar duurt het langer, en bij alternatieven 2 en 3 zijn er meer piekgeluiden (heien), maar duurt de verstoring korter.
Voor de aangewezen habitatsoorten die hun leefgebied in de Waal hebben, zeeprik, rivierprik, elft, zalm en rivierdonderpad, zijn effecten door verstoring uitgesloten. Voor de zeeprik, rivierprik en zalm fungeert de Waal enkel als migratieroute, op deze functie heeft de dijkversterking geen invloed [lit. 6]. De Waal wordt nu ook intensief gebruikt voor scheepvaart, waardoor het aanvoeren van materiaal voor de dijkversterking geen significant negatief effect zal hebben. De dijkversterking heeft in aanleg- en gebruiksfase tevens geen invloed op de abiotische factoren van de Waal, waardoor ook de leefgebiedfunctie van de Waal voor elft en rivierdonderpad niet aangetast wordt. Uit de effectenindicator blijkt dat de grote en de kleine modderkruiper alsmede de bittervoorn zeer gevoelig zijn voor verstoring door geluid en trilling en gevoelig voor licht en optische verstoring [lit. 1]. Tevens zijn de bever en de meervleermuis gevoelig tot zeer gevoelig voor verstoring. Voor de kamsalamander is er in de effectenindicator geen informatie beschikbaar over gevoeligheid voor verstoring door geluid en/of licht en dergelijke, voor deze soort wordt als worst case aangenomen dat de soort gevoelig is. Volgens de Zoogdiervereniging zijn geen literatuurbronnen bekend waaruit blijkt dat bevers gevoelig zijn voor geluid.
Wel zijn er diverse praktijksituaties bekend die aantonen dat de bever niet specifiek gevoelig is voor verstoring door continue geluid. Zo worden beverburchten aangetroffen langs drukke verkeers- of scheepvaartwegen. Tevens staat in de soortenstandaard van de bever een voorbeeld benoemd dat trillingen en geluid door heien op 70 m afstand van een burcht buiten de periode met jongen geen invloed heeft gehad [lit. 8]. Geschikt leefgebied bestaat uit begroeide oevers met gras, kruiden en jong (wilgen)hout. Een biotoop zoals beschreven ligt in alle dijksecties. Derhalve is er geschikt biotoop aanwezig in het Habitatrichtlijndeel van het Natura 2000-gebied, maar ook daarbuiten. (Significant) negatieve effecten op de bever zijn derhalve niet op voorhand uit te sluiten en er dienen mitigerende maatregelen genomen te worden. Deze maatregelen kunnen bestaan uit het vermijden van de kwetsbare periode (mei tot en met augustus) en het faseren van de werkzaamheden in ruimte en tijd zodat de bever op elk moment voldoende leefgebied tot zijn beschikking heeft zonder verstoring [lit. 8]. Indien aan deze maatregelen wordt voldaan kan een (significant) negatief effect van verstoring voorkomen worden. Meervleermuizen verblijven voornamelijk in bebouwing vanwaar ze gebruikmakend van lengtestructuren in het landschap migreren naar foerageergebieden boven open water [lit. 7].
Voor de dijkversterking wordt geen bebouwing gesloopt, waardoor verstoring door vernietiging van verblijfplaatsen uitgesloten is. Tevens worden er geen grootschalige veranderingen aangebracht in de lengtestructuren van het landschap zoals houtwallen. Ook aan de dijk zelf worden geen grote veranderingen aangebracht als het gaat om de lengtestructuur. Derhalve zijn significant negatieve effecten door verstoring van het leefgebied door de dijkversterking in aanleg- en gebruiksfase op de meervleermuis uitgesloten. Volgens de zoogdiervereniging is het aannemelijk dat vleermuizen in het algemeen gevoelig zijn voor verstoring door onder andere geluid, maar er is weinig onderzoek naar gedaan. Derhalve moet er van uit worden gegaan dat (significant) negatieve effecten op de meervleermuis door geluidverstoring niet uitgesloten kan worden. Meervleermuizen zijn daarnaast gevoelig voor verstoring door licht. Als er in de actieve periode van de
37 | 62
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.445 | Bijlage IV - Natuur
meervleermuis met kunstlicht gewerkt wordt kan dit (significant) negatieve effecten veroorzaken. Mitigerende maatregelen voor zowel geluid- als lichtverstoring kunnen bestaan uit het werken buiten de actieve periode van de meervleermuis (maart tot en met augustus, van 1 uur voor zonsondergang tot 1 uur na zonsopgang). Indien aan deze maatregelen wordt voldaan is een (significant) negatief effect door verstoring uitgesloten. Ten aanzien van de broedvogels liggen de aantallen van aalscholver, grote karekiet, porseleinhoen, kwartelkoning en watersnip in het gebied onder het instandhoudingsdoel. Voor zwarte stern geldt dat de aantallen op het instandhoudingsdoel liggen. Bij verstoring van deze soorten is er dus direct sprake van een significant negatief effect en derhalve zijn mitigerende maatregelen ten aanzien van deze soorten noodzakelijk. Dit kan bestaan uit het werken buiten het broedseizoen van deze soorten. Voor de aalscholver loopt deze periode van december tot en met augustus, voor de watersnip van april tot en met juni, porseleinhoen en kwartelkoning van half april t/m aug, voor de grote karekiet van half mei tot midden juli. Voor de overige broedvogelsoorten kan een negatief effect optreden maar leidt dit mogelijk niet tot een significant negatief effect. Voor deze soorten is mitigatie nog wel gewenst. Effecten op broedvogels zijn voor alle dijksecties relevant.
Voor wat betreft de niet-broedvogels geldt voor een groter aantal soorten dat de aantallen onder het instandhoudingsdoel liggen. De perioden dat het gebied Rijntakken meest intensief gebruikt wordt door deze soorten liggen voornamelijk in de winter. In tabel 5.3 zijn voor deze soorten de maanden dat zij het meest intensief gebruik maken van het gebied weergegeven [lit. 9]. Niet-broedvogels maken gebruik van gebied in alle dijksecties.
Tabel 5.3 Perioden met intensief gebruik van Natura 2000-gebied Rijntakken J
F
M
A
Aalscholver Bergeend Fuut Goudplevier Grauwe gans Kemphaan* Kievit Kleine zwaan Kolgans Kuifeend Meerkoet Nonnetje Pijlstaart Slobeend Smient Tafeleend Toendrarietgans* Tureluur Wilde eend Wilde zwaan
38 | 62
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.445 | Bijlage IV - Natuur
M
J
J
A
S
O
N
D
Wintertaling Wulp * geen gegevens bekend.
Uit bovenstaande blijkt dat de niet-broedvogels in het najaar en de winter het meest aanwezig zijn in het gebied. Er is dus geen periode te benoemen waarin zowel de broedvogels als de niet-broedvogels ontzien worden. Wel geldt dat geschikt rust- en foerageergebied voor de wintervogels langs het gehele dijktracé en dus in alle dijksecties op verschillende plekken aanwezig is alsook in de directe omgeving (bijvoorbeeld de Ooijpolder). Omdat de werkzaamheden niet langs de hele dijk in één keer zullen plaatsvinden (gefaseerde aanleg) zal er tijdens de werkzaamheden voldoende uitwijkmogelijkheden zijn voor. Hiervoor moet een op maat gemaakt mitigatieplan opgesteld worden. Daarmee zijn significant negatieve effecten op nietbroedvogels uit te sluiten. Voor broedvogels geldt als mitigerende maatregel dat niet gewerkt wordt in het broedseizoen zoals eerder beschreven. Voor het voorkeursalternatief is wel een op maat gemaakt mitigatieplan noodzakelijk. Dijksecties Effecten van verstoring op Natura 2000-gebieden hebben vanwege de bever, broedvogels en nietbroedvogels betrekking op alle dijksecties.
Conclusie Wet natuurbescherming - Natura 2000 Voor effecten in het kader van vernietiging geldt dat alternatief 3 voor de minste vernietiging van Natura 2000-gebied en leefgebied van soorten met een instandhoudingsdoelstelling voor Natura 2000-gebied Rijntakken zorgt en dus de voorkeur heeft boven alternatieven 1 en 2. Voor vernietiging is geen mitigatie mogelijk. Vernietiging heeft alleen betrekking op de gebruiksfase en is een permanent effect. Uit de beoordeling van het effect verzuring en vermesting blijkt dat hiervoor alternatief 3 de voorkeur heeft omdat dit de minste stikstofdepositie tot gevolg heeft. (Significant) negatieve effecten op enkele beschermde soorten zijn niet uitgesloten. Het dijkversterkingsproject behoort tot de lijst met prioritaire projecten in het kader van het PAS. Effecten door verzuring/vermesting hebben betrekking op zowel de aanleg- als de gebruiksfase en kunnen permanent zijn. Uit de beoordeling van het effect verstoring blijkt dat voor wat betreft verstoring alternatief 1 de voorkeur heeft vanwege de lagere geluidsbelasting dan bij alternatieven 2 en 3, ondanks dat dit langer aanhoudt. Daarnaast is gebleken dat (significant) negatieve effecten op broed- en niet-broedvogels (na het nemen van mitigerende maatregelen) valt uit te sluiten. Hiervoor dient echter wel een mitigatieplan op maat voor worden gemaakt.
Er dient middels een passende beoordeling een vergunning aangevraagd te worden. Verstoring heeft betrekking op alle dijksecties in zowel de aanleg- als de gebruiksfase en kunnen permanent zijn. In tabel 5.4 is weergegeven op welke dijksecties de criteria van invloed zijn.
39 | 62
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.445 | Bijlage IV - Natuur
Tabel 5.4 Dijksecties waarop de criteria van invloed zijn, per alternatief Criterium
Versterken in grond
Binnendijkse constructie
Binnen- en buitendijkse constructies
Vernietiging (alleen in de aanlegfase)
alle behalve 3
alle behalve 3
alle behalve 3 en 8
Verzuring/vermesting
alle
alle
alle
bever
alle
alle
alle
meervleermuis
alle
alle
alle
broedvogels
alle
alle
alle
niet-broedvogels
alle
alle
alle
Verstoring
5.1.2
Meekoppelkansen
Na aanleg zal het recreatief gebruik van de dijk eventueel toenemen indien meekoppelkansen als ‘Gastvrije Waaldijk’ gerealiseerd worden. Dit zorgt ook voor verzuring en vermesting in de aanlegfase. En mogelijk verstoring in de gebruiksfase. Bloemrijke dijken, het landschapsplan, landgoed Loenen en vergelijkbare meekoppelkansen hebben een positief effect op het aanliggende Natura 2000-gebied. Woningbouw, parkeerplaatsen en overig ruimtebeslag in het plangebied zijn meekoppelkansen die het aspect vernietiging groter maken. Tevens zorgen meer op- en afritten en parkeerplaatsen er wellicht voor dat de dijk intensiever gebruikt gaat worden door gemotoriseerd verkeer. Dit heeft negatieve effecten als verzuring/vermesting en verstoring tot gevolg. Alle meekoppelkansen zijn even uitvoerbaar in alle alternatieven voor dijkversterking. De verschillende alternatieven zullen dus geen verschil in effecten ten aanzien van de meekoppelkansen laten zien.
5.2
Wet natuurbescherming - soortenbescherming en Rode Lijstsoorten
5.2.1
Alternatieven
Vernietiging In paragraaf 4.3 is beschreven dat alleen vernietiging als gevolg van ontwerp en gebruiksfase wordt beoordeeld. Gebruiksfase Als gevolg van het ruimtebeslag kunnen beschermde plantensoorten opzettelijk vernietigd worden, en kunnen (vaste) rustplaatsen (opzettelijk) worden vernield. Dit zijn overtredingen van de verbodsbepalingen artikel 3.5 lid 4 en 5 en artikel 3.10 lid 1b en 1c. Aan beide zijden van de dijk en in elke dijksectie zijn beschermde- en Rode Lijstsoorten waargenomen. Het is niet te zeggen tot op welke afstand van de dijk zij hun leefgebied hebben, dat hangt niet op enkele meters. Over het algemeen geldt dat alternatieven 2 (binnendijkse constructie) en 3 (binnen- en buitendijkse constructie) binnendijks het minste ruimtebeslag hebben en dat buitendijks alternatief 3 minder ruimtebeslag heeft dan 1 (versterken in grond) en 2. Het verschil is binnendijks het grootst, maar ook buitendijks scheelt het enkele meters. Als gevolg van het ruimtebeslag kunnen van beschermde vogelsoorten opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernietigd worden. Dit is een overtreding van de verbodsbepalingen artikel 3.1 lid 2. Ook voor broedende vogels geldt over het algemeen dat een groter ruimtebeslag een groter effect heeft.
Op dit moment is het onbekend of er daadwerkelijk nesten van soorten met een jaarrond beschermd nest aanwezig zijn in het plangebied, maar gezien de waargenomen soorten en het nestindicerende gedrag is dat wel
40 | 62
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.445 | Bijlage IV - Natuur
aannemelijk. Deze zijn dan vaak gebonden aan gebouwen en of bosschages, welke ook in elke dijksectie in en/of nabij het plangebied aanwezig zijn. Ook kan het gebied gebruikt worden als foerageergebied. Van de vogels met jaarrond beschermde nesten is de staat van instandhouding veelal bekend, en gunstig. Matig ongunstig is deze voor boomvalk, huismus, roek en steenuil. Voor ransuil is deze zelfs zeer ongunstig. Globaal gezien zijn de boomvalk, roek en ransuil qua broedbiotoop afhankelijk van bomen, waaronder boomgroepen, bossen, bosranden en (hoge) (naald) bomen, maar ook in populierensingels en op erven. Boomvalk broed zelfs in hoogspanningsmasten. Zowel boomvalk als ransuil gebruiken vaak oude kraaien- of eksternesten. Binnen het plangebied zijn deze het meest binnendijks aanwezig. Huismus en steenuil zijn voor hun broedbiotoop globaal gezien afhankelijk van huizen/schuren/nestkasten en steenuil bovendien ook van natuurlijke holtes in bomen. Dit broedbiotoop is ook voornamelijk binnendijks aanwezig. Op basis hiervan is er een voorkeur voor de alternatieven waarbij het ruimtebeslag binnendijks zo klein mogelijk is: alternatief 2 en 3. Van de relevante soortgroepen vleermuizen, amfibieën, vissen, libellen en overige ongewervelden is alleen voor amfibieën enige informatie beschikbaar over de gunstige staat van instandhouding.
Voor rugstreeppad is deze zeer ongunstig, voor kamsalamander matig ongunstig. Omdat kamsalamander in het studiegebied zo goed als alleen aan de zuidzijde van de Waal voorkomt, wordt vernietiging van leefgebied uitgesloten. Rugstreeppad komt rondom Nijmegen en ten oosten daarvan voor, veelal in open terreinen waar de bodem en vegetatie regelmatig veranderingen ondergaan. Bij voorkeur op droge en losgrondige bodems die snel opwarmen, waaronder uiterwaarden, oude klei afgravingen, verlaten zandgroeven, met zand opgespoten terreinen en afgeplagde terreinen. Dit biotoop is veelal buitendijks aanwezig, maar meestal niet zeer nabij de huidige dijk, omdat deze zone relatief stabiel is en weinig veranderingen ondergaat. Waarschijnlijk gaat daardoor geen leefgebied verloren als gevolg van de dijkversterking. Als er sprake is van vernietiging van leefgebied van planten- en beschermde diersoorten die niet gemitigeerd kan worden, is compensatie aan de orde. Vanwege het ruimtebeslag heeft alternatief 3 (binnen- en buitendijkse constructies) hier de voorkeur, omdat dat zowel binnen- als buitendijks het minste ruimtebeslag heeft op potentieel leefgebied van beschermde soorten. Qua dijksecties valt geen onderscheid te maken tussen de verschillende alternatieven, effecttype vernietiging heeft bij elk alternatief op alle dijksecties effect.
Dijksecties Effecten van vernietiging hebben op alle dijksecties betrekking. Verstoring Het opzettelijk verstoren van vogels en diersoorten van het beschermingsregime Habitatrichtlijn is een overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.1 lid 4 en artikel 3.5 lid 2. Voor de andere soorten is verstoring geen overtreding van een verbodsbepaling van de Wnb. Aanlegfase Uit hoofdstuk 5.4.1 volgt voor de aanlegfase dat alternatieven 2 en 3 het hardste geluid produceren vanwege het intrillen van één of twee damwanden. Bij de realisatie van het eerste alternatief is 1,5 keer zoveel uren zwaar materieel nodig als voor alternatieven 2 en 3. Alternatieven 2 en 3 liggen qua benodigde uren dicht bij elkaar, maar alternatief 3 heeft minder uren nodig (Tabel 5.2). Bij harder geluid is de geluidscontour groter en reikt de verstoring dus verder, waardoor er meer soorten verstoord worden en de dieren verder verjaagd worden. Tevens zijn dieren minder gevoelig voor continue verstoring dan voor piekgeluiden als van heien. In dit licht heeft alternatief 1 de voorkeur voor wat betreft het aspect verstoring omdat er dan meer ruimte voor de dieren overblijft ondanks dat het geluid langer aanhoudt. Voor elke alternatief geldt dat effecten door verstoring op elke dijksectie kunnen plaatsvinden.
Effecten door verstoring tijdens de aanlegfase zijn veelal tijdelijk van aard, als de verstoring verdwijnt omdat de werkzaamheden zijn afgelopen kunnen verjaagde soorten weer terugkeren naar het leefgebied.
41 | 62
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.445 | Bijlage IV - Natuur
Verstoring dient zoveel mogelijk voorkomen te worden door het nemen van mitigerende maatregelen (zie hoofdstuk 7). Dijksecties Effecten van verstoring hebben betrekking op alle dijksecties, zie hiervoor ook paragraaf 2.2. Conclusie Wet natuurbescherming - soortenbescherming en Rode Lijstsoorten Effecten Uit de beoordeling van het effect vernietiging blijkt dat vanwege het ruimtebeslag alternatief 3 (binnen- en buitendijkse constructies) de voorkeur heeft, omdat dat zowel binnen- als buitendijks het minste ruimtebeslag heeft op potentieel leefgebied van beschermde soorten. Vernietiging heeft bij elk alternatief betrekking op alle dijksecties en betreft een permanent effect. Uit de beoordeling van het effect verstoring blijkt dat voor wat betreft verstoring alternatief 1 (versterken in grond) de voorkeur heeft vanwege de lagere geluidsbelasting dan bij alternatieven 2 en 3, ondanks dat dit langer aanhoudt. Verstoring heeft bij elk alternatief betrekking op alle dijksecties en betreft in de aanlegfase een tijdelijk effect. Verstoring in de gebruiksfase is niet beschouwd omdat dit niet onderscheidend is tussen de alternatieven (zie ook paragraaf 4.2). Dijksecties Effecten van vernietiging en verstoring hebben betrekking op alle dijksecties.
5.2.2
Meekoppelkansen
Voor wat betreft de meekoppelkansen geldt voor de Wet natuurbescherming- soortenbescherming en Rode Lijstsoorten hetzelfde als voor Wet natuurbescherming - Natura 2000. Hiervoor wordt derhalve naar paragraaf 5.1.2 verwezen.
5.3
Wet natuurbescherming - houtopstanden en bomen
5.3.1
Alternatieven
Langs de gehele dijk zijn op verschillende plekken bosschages aanwezig. De meeste hiervan zijn gebonden aan bebouwing (perceelbeplanting), maar er komen ook bosschages en op een enkele plaats lijnbeplanting voor. Effecten in het kader van houtopstanden en bomen hebben dus betrekking op alle dijksecties. Vernietiging en herplant Gebruiksfase De bomen en houtopstanden langs de dijk zullen (deels) verdwijnen door de aanleg van de dijkversterking. De bomen staan voornamelijk binnendijks, wat betekent dat alternatief 1 het meeste bomen zal doen laten verdwijnen. Bij alternatieven 2 en 3 is het binnendijks ruimtebeslag even groot, ook bij deze alternatieven zullen er vermoedelijk bomen verdwijnen. De kap van bomen kan niet gemitigeerd worden, en derhalve is compensatie van houtopstanden van toepassing. Dit wordt in meer detail beschreven in hoofdstuk 7. Dijksecties Houtkap heeft bij elk alternatief betrekking op alle dijksecties, behalve dijksectie 9. In tabel 5.5 is weergegeven in welk verband de bomen staan, als indicatie van het aantal bomen, soms was een schatting van het aantal mogelijk. Ter verduidelijking: ruimtebeslag op enkele losstaande bomen zal om minder bomen gaan dan ruimtebeslag op een bomenrij. Een bomenrij bevat doorgaans weer minder bomen dan een bosje of bosrand. Daarnaast is aangegeven wat het verschil is in ruimtebeslag op bomen tussen de
42 | 62
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.445 | Bijlage IV - Natuur
alternatieven. Voor dijksecties 4 t/m 7 is geen ruimtebeslag per alternatief beschikbaar, daar is dus geen uitspraak over het verschil tussen het aantal bomen mogelijk. In de conclusie worden deze dijksecties buiten beschouwing gelaten.
Tabel 5.5 Beschrijving aanwezige bomen in ruimtebeslag Dijksectie
Bomen aanwezig
Omschrijving
Verschil tussen alternatieven
1
ja
enkele losstaande bomen
geen
2
ja
enkele lage bomen op perceel
geen
3
ja
circa 4 bomen, onderdeel van een bosje
geen
4
ja
enkele losstaande bomen, circa 10
n.v.t.
5
ja
bomenrij
n.v.t.
6
ja
groepjes bomen bij bebouwing
n.v.t.
7
ja
enkele bomen, circa 3
n.v.t.
8
ja
bomenrij, deel van bos
1>2, 2=3
9
nee
n.v.t.
n.v.t.
10
ja
losstaande bomen bij woonwijk, deel van bosrand bij plas
1>2, 2>3
11
ja
enkele losstaande bomen
1>2, 2=3
12
ja
losstaande bomen bij camping, akker en rond huizen, circa 15
1>2, 2=3
13
ja
groepjes bomen
1>2, 2=3
14
ja
bosrand binnendijks, buitendijks enkele boompjes
alternatief 3 heeft geen bomen binnen ruimtebeslag. Alternatief 2 blijft buiten binnendijkse bosrand, maar heeft buitendijks enkele boompjes binnen ruimtebeslag.
15
ja
bosrand, bomenrij
1>2, 2>3
16
ja
losstaande bomen, bomenrij
1>2, 2=3
17
ja
enkele
alleen alternatief 1 heeft bomen binnen ruimtebeslag
Conclusie Voor wat betreft vernietiging van houtopstanden zit er voor dijksecties 1 t/m 3 en 9 geen verschil tussen de verschillende alternatieven. Voor dijksecties 10, 14 en 15 heeft alternatief 3 de voorkeur omdat bij dit alternatief de minste bomen in het ruimtebeslag staan. Voor de overige dijksecties (8, 11, 12, 13, 16 en 17) geldt dat alternatief 1 de meeste bomen binnen het ruimtebeslag heeft, maar er geen duidelijk verschil zit tussen alternatieven 2 en 3.
5.3.2
Meekoppelkansen
Enkele van de meekoppelkansen zullen meer vernietiging van bomen en houtopstanden met zich meebrengen en/of herplant van bomen onmogelijk maken. Dit zijn bijvoorbeeld de aanleg van parkeerplaatsen en op- en afritten van de dijk. Ook woningbouw zorgt ervoor dat herplant niet meer mogelijk is. Echter, de uitvoeringsmogelijkheden van de meekoppelkansen verschillen niet tussen de alternatieven voor dijkversterking en de meekoppelkansen vormen dus ook geen onderscheidende aspecten in de keuze voor een VKA.
43 | 62
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.445 | Bijlage IV - Natuur
5.4
Kaderrichtlijn Water
In het licht van de kaderrichtlijn water (hierna: KRW) is een beknopte analyse uitgevoerd, gericht op het potentieel relevant areaal (hierna PRA) wat door de dijkversterking aangetast wordt. Het plangebied heeft betrekking op KRW-waterlichaam Bovenrijn-Waal (NL93_8) met watertype R7. In het KRW-factsheet is de huidige toestand beschreven. Hieruit blijkt dat de algemeen fysisch chemische doelen in 2015 behaald zijn, dat de prognose is dat de biologische doelen voor de ecologische toestand van het waterlichaam in 2027 gehaald zullen worden en dat de doelen voor specifieke verontreinigende stoffen zullen veelal niet gehaald zullen worden voor 2027 [lit. 10]. Gebruiksfase Vernietiging De effecten van de verschillende alternatieven voor de dijkversterking zijn getoetst aan het PRA wat door Rijkswaterstaat is opgesteld op basis van de voorkomende ecotopen in de rijkswateren. De verschillende alternatieven voor de dijkversterking raken een aantal plassen in de uiterwaarden bij Oosterhout (dijksecties 7 t/m 10), en ten oosten van Lent (dijksecties 1 t/m 5). Niet alle plassen die geraakt worden door de dijkversterking tellen echter mee voor de beoordeling van het KRW-watertype R7, omdat niet aan de rivier aangesloten wateren niet in de KRW-methodiek meegenomen worden.
Alternatieven 1 en 2 hebben beide evenveel en het grootste beslag op PRA: 1 ha en 0,3 ha respectievelijk in de uiterwaarden en bij Lent (dijksecties 1 t/m 5). Alternatief 3 maakt beslag op 0,3 ha en 0,1 ha in de uiterwaarden en bij Lent. Gezien het totale PRA voor de Waal vele hectaren beslaat, is een significant negatief effect van de dijkversterking uit te sluiten en is er geen compensatie verplicht. Desondanks heeft alternatief 3 de voorkeur omdat voor dit alternatief het minste PRA verloren gaat. Waterkwaliteit De dijkversterking kan lokaal rondom de dijk enige invloed hebben op de grondwaterstroming indien constructies in de dijk worden aangebracht. Dit is het geval bij alternatieven 2 en 3. Hierdoor kan de dijkse kwel bij hoogwater in de rivier direct achter de dijk iets afnemen. De diepere kwel via het watervoerend pakket blijft echter onverminderd in stand en is qua invloed op de waterkwaliteit veruit dominant. De verwachting is daarom dat de waterkwaliteit van de binnendijks gelegen watergangen niet zal veranderen. Derhalve zijn er geen verschillen tussen de alternatieven met het oog op de waterkwaliteit. Dijksecties Effecten in het kader van de KRW hebben betrekking op dijksecties 1 t/m 5 en 7 t/m 10. Conclusie In het kader van vernietiging van PRA heeft alternatief 3 de voorkeur omdat hiermee het minste areaal vernietigd wordt.
Opgemerkt wordt dat in geen van de gevallen sprake is van een significant negatief effect. Voor wat betreft de waterkwaliteit zijn er geen verschillen tussen de alternatieven te verwachten.
5.4.2
Meekoppelkansen
De Kaderrichtlijn water opgaven bieden mogelijkheden voor meekoppeling. Dit is echter nog niet beschouwd.
44 | 62
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.445 | Bijlage IV - Natuur
5.5
Geldersch NatuurNetwerk en Groene Ontwikkelingszone
5.5.1
Alternatieven
Vernietiging In paragraaf 4.6 is beschreven dat effecten van vernietiging vanwege de permanente aard geschaard worden onder effecten in de gebruiksfase, ondanks dat ze al tijdens de aanlegfase optreden. Gebruiksfase Alle drie de alternatieven voor dijkversterking hebben ruimtebeslag op gebieden van zowel GNN als GO en dit vindt plaats in alle dijksecties. Dijksecties 4-7 zijn geen onderdeel van de alternatievenafweging. Voor de overige dijksecties is in tabel 5.6 het ruimtebeslag op GNN- en GO-gebied per dijksectie en voor elk alternatief weergegeven. Hieruit blijkt dat alternatief 3 veruit het minste ruimtebeslag heeft op zowel GNNals GO-gebied, in alle dijksecties.
Tabel 5.6 Ruimtebeslag in m2 op GNN- en GO-gebied per dijksectie en per alternatief Dijksectie
1. Versterking in grond
2. Buitendijkse constructie
3. Binnen- en buitendijkse constructie
GNN
GO
GNN
GO
GNN
GO
1
1.317
1.725
1.091
806
219
801
2
2.318
2.692
2.318
2.261
365
2.261
3
0
2.154
0
2.164
0
2.164
8
12.867
9.204
9.303
1.418
3.685
1.380
9
5.485
8.730
5.485
2.346
1.539
2.174
10
7.549
440
7.549
413
2.298
402
11
6.726
0
6.726
0
2.158
0
12
2.900
3.297
2.901
3.298
352
917
13
11.097
16.045
11.097
16.045
3.689
2.909
14
32.746
152
12.733
91
3.800
91
15
9.018
13.231
855
12.983
149
3.188
16
12.489
10.363
1.326
10.229
81
2.779
17
1.894
9.074
1.137
7.714
181
2.130
Totaal
106.405
77.107
62.519
59.768
18.516
21.195
* Dijksecties 4-7 zijn geen onderdeel van de alternatievenafweging.
Opgemerkt wordt dat op dit moment de situatie is dat één of zelfs beide taluds van de dijk deel uitmaken van GNN- of GO-gebied. De eigenschappen van de taluds zullen, in de gebruiksfase, niet wijzigingen ten opzichte van de huidige situatie en zullen dus na aanleg de huidige functie weer kunnen vervullen. Dit levert geen aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden op. Wel is er een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden als uiterwaard natuur wordt omgevormd tot relatief soortenarm dijktalud wat frequent gemaaid wordt. De oppervlakten in tabel 5.6 zijn exclusief het huidige dijkoppervlakte wat nu ook al GNN-/GO-gebied is en geven dus enkel de oppervlakten netto-vernietiging weer. Zowel binnen- als buitendijks resulteert het ruimtebeslag van alle varianten en in nagenoeg alle dijksecties in vernietiging van delen van de aanwezige GNN en GO gebieden, en daarmee voor significant negatieve effecten. Als worstcase wordt het ruimtebeslag gezien als potentiële compensatieopgave.
45 | 62
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.445 | Bijlage IV - Natuur
Binnendijks heeft het ruimtebeslag betrekking op de kernkwaliteiten van gebied ‘58 Overbetuwe’ en buitendijks op die van ‘157 Noordoever Waal Lent - Echteld’. Aan de noordzijde van de dijk heeft de dijkversterking ruimtebeslag in gebied ’58 Overbetuwe’. Het ruimtebeslag in dit gebied tast de kernkwaliteit ‘leefgebied voor das, kamsalamander en steenuil’ aan. Voor gebied ‘157 Noordoever Waal Lent - Echteld’ aan de zuidzijde van de dijk geldt dat het leefgebied van kamsalamander en steenuil en alle onder de wet beschermde soorten en hun leefgebied als kernkwaliteiten gevat zijn. Ruimtebeslag aan de zuidzijde van de dijk tast deze kernwaarden aan. Alternatief 3 heeft de voorkeur omdat dit alternatief het minste ruimtebeslag op GNN en GO gebieden heeft. Alternatief 3 tast daardoor de kernkwaliteiten van zowel gebied 58 als 157 het minst aan. Omdat in principe geen nieuwe functies in het GNN zijn toegestaan, geldt ruimtebeslag binnen het GNN op grond van de verordening altijd als een significante aantasting. Deze aantasting moet worden gemitigeerd en/of gecompenseerd. Om te bepalen hoe deze compensatieopgave er uit moet zien, wordt beoordeeld welke natuurwaarden in het licht van de kernkwaliteiten ter plaatse van het ruimtebeslag verdwijnen.
Hierbij geldt steeds dat de oppervlakte aan natuurwaarden die ter plaatse van het plangebied verdwijnt, gelijkwaardig gecompenseerd moet worden. Het heeft de voorkeur van de provincie om deze compensatie plaats te laten vinden in GO gebied. Dijksecties Effecten van vernietiging van GNN en GO gebied hebben betrekking op alle dijksecties. Dijksecties 4-7 zijn geen onderdeel van de alternatievenafweging. Verzuring/vermesting In en nabij het plangebied komen stikstofgevoelige natuurwaarden voor [lit. 4]. Verzuring/vermesting tast derhalve voor zowel gebied 58 als 157 meerdere kernkwaliteiten aan. Omdat verzuring en vermesting kan leiden tot een verandering van flora en daarmee ook fauna, kunnen gebieden hun typische soortensamenstelling verliezen. Voor gebied 58 kan de kernkwaliteit ‘leefgebied das, kamsalamander en steenuil’ aangetast worden als gevolg van stikstofdepositie. Voor gebied 157 geldt dit voor de kernkwaliteiten ‘waarden voor weidevogels, water- en moerasvogels, vleermuizen, amfibieën, vissen en bever’, ‘leefgebied steenuil en kamsalamander’ en ‘alle door de Flora- en faunawet of natuurbeschermingswet beschermde soorten en hun leefgebieden in dit deelgebied’. Aanlegfase Uit globale berekeningen van het benodigd materieel op basis van de globale kostenraming blijkt dat alternatief 1 ongeveer 1,5 keer zoveel uren zwaar materieel nodig heeft dan alternatief 2 en 3.
Alternatieven 2 en 3 liggen qua benodigde uren dicht bij elkaar, maar alternatief 3 heeft minder uren nodig (Tabel 5.2). De precieze stikstofdepositie is nog niet bekend, maar het is hiermee wel al duidelijk dat alternatief 3 voor de minste stikstofdepositie zal zorgen in de aanlegfase en alternatief 1 voor de meeste. Verzuring en vermesting in de aanlegfase heeft betrekking op alle dijksecties. Gebruiksfase In de gebruiksfase zou het kunnen dat het recreatief gebruik van de dijk intensiever wordt, maar een groot effect valt niet te verwachten. Veel van het extra gebruik zal bestaan uit wandelaars en fietsers die geen effect zullen hebben. Een toename in gemotoriseerd verkeer zal verschil kunnen maken voor wat betreft stikstofdepositie. Tussen de alternatieven en dijksecties is echter geen verschil in beoogde functie van de dijk, derhalve valt geen wezenlijk verschil te verwachten tussen de alternatieven en dijksecties qua gebruik van de dijk en stikstofdepositie. Verstoring Verstoring door geluid, trilling of licht heeft alleen op dieren betrekking, voor gebied 58 gaat het dan om kernkwaliteit ‘leefgebied van das, steenuil en kamsalamander’. Voor gebied ‘157 Noordoever Waal Lent Echteld’ aan de zuidzijde van de dijk geldt dat het leefgebied van kamsalamander en steenuil en alle onder de wet beschermde soorten en hun leefgebied als kernkwaliteiten gevat zijn.
46 | 62
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.445 | Bijlage IV - Natuur
Aanlegfase Verstoring in de aanlegfase van de dijkversterking tast bovengenoemde kernwaarden aan. Dit heeft betrekking op alle dijksecties. In de aanlegfase zijn de effecten door verstoring te mitigeren door kwetsbare perioden van voorkomende soorten te vermijden met de werkzaamheden (zie hiervoor paragraaf 5.4.1). Echter zal een negatief effect nooit helemaal uit te sluiten zijn en is compensatie volgens de omgevingsverordening Gelderland verplicht. Voor het criterium ‘verstoring’ geldt hetzelfde als bij de gebiedsbescherming Wet natuurbescherming (paragraaf 5.4.1). Alternatief 1 heeft de voorkeur omdat dat het minst harde geluid met zich meebrengt en daardoor soorten het minst verstoord. Bij alternatief 1 hoeft er dan ook het minst gecompenseerd te worden. Conclusie Geldersch NatuurNetwerk en Groene Ontwikkelingszone Voor effecten door vernietiging zijn in de gebruiksfase geen effecten te verwachten indien de verharding op de kruin van de dijk even breed blijft. Als de verharding verbreed wordt in het kader van bijvoorbeeld meekoppelkans ‘Gastvrije Waaldijk’ heeft dit vernietiging van GNN- en GO-gebieden tot gevolg. Deze vernietiging is bij elk alternatief even groot. Als natuurdoeltype rivier wordt vervangen voor kruidenrijk- en faunarijk grasland heeft dit ook vernietiging tot gevolg.
Voor de aanlegfase geldt dat alternatief 3 het minste ruimtebeslag heeft en derhalve de minste vernietiging van GNN- en GO-gebied met zich meebrengt. In de gebruiksfase kan dit gebied zich weer (gedeeltelijk, zie hiervoor) herstellen. De effecten door vernietiging hebben betrekking op alle dijksecties. Onder ‘verzuring en vermesting’ is beschreven dat alternatief 3 in de aanlegfase de minste stikstofdepositie en dus verzuring en vermesting tot gevolg heeft. In de gebruiksfase zijn geen verschillen tussen de alternatieven wat betreft verzuring en vermesting. De effecten door verzuring en vermesting hebben betrekking op alle dijksecties. Voor verstoring in de aanlegfase geldt dat alternatief 1 de voorkeur heeft omdat dit het minst harde geluid met zich meebrengt en daardoor soorten het minst verstoord en dus de kernkwaliteiten van de GNN- en GO-gebieden het minst aantast. In de gebruiksfase zit geen verschil tussen de alternatieven. Effecten door verstoring hebben betrekking op alle dijksecties.
5.5.2
Meekoppelkansen
Alle meekoppelkansen hebben betrekking op het GNN en GO aangezien de dijk deel is van deze gebieden. Alle meekoppelkansen zijn mogelijk bij uitvoering van alle drie de alternatieven. Alternatieven 1 en 2 hebben meer ruimte voor meekoppelkansen als inritten en parkeerplaatsen (vanwege de bredere berm) en hebben daardoor in potentie meer aanvullende negatieve effecten dan alternatief 3.
5.6
Overzicht
In de hierna volgende tabel is het overzicht gegeven van de effectbeoordeling op basis van de nietgemitigeerde effecten, conform MER-systematiek. De beoordeling is niet onderscheidend, maar er is over het algemeen wel een voorkeur voor het beperkte ruimtebeslag van alternatief 3. Bij alle alternatieven zijn maatregelen nodig om effecten te vermijden, te verzachten of te compenseren.
47 | 62
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.445 | Bijlage IV - Natuur
Tabel 5.7 Overzichtstabel effecten alternatieven dijkversterking natuur
Wet natuurbescherming - Natura 2000: habitattypen
2
3
- vermesting en verzuring
--
--
--
- vernietiging
--
--
--
x
- vernietiging
--
--
--
x
- verstoring
--
--
--
x
- verzuring en vermesting
-
-
-
x
- vernietiging
--
--
--
- verstoring
--
--
--
x
- verzuring en vermesting
--
--
--
x
- vernietiging
--
--
--
- verstoring
--
--
--
Wet natuurbescherming - houtopstanden en bomen (vernietiging)
--
-
-
x
Kaderrichtlijn Water
-
-
-
x
- vernietiging
--
--
--
x
- vermesting en verzuring
-
-
-
x
- verstoring
-
-
-
x
aanlegfase
gebruiksfase
binnen- en buitendijkse constructie
Natuur
1
binnendijkse constructie
Beoordelingscriteria, invloed op
versterken in grond
Thema
x
Wet natuurbescherming - Natura 2000: Habitatrichtlijnsoorten
Wet natuurbescherming - Natura 2000: Vogelrichtlijnsoorten x
Wet natuurbescherming: soorten + Rode Lijstsoorten x x
Geldersch natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone
6
EFFECTEN DIJKTERUGLEGGING
De alternatieven voor de dijkteruglegging hebben enkel betrekking op dijksectie 12.
48 | 62
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.445 | Bijlage IV - Natuur
6.1
Wet natuurbescherming - Natura 2000
6.1.1
Alternatieven
Vernietiging/ontwikkeling Gebruiksfase Het gebied behoort tot het Vogelrichtlijngebied. In of nabij het plangebied is leefgebied aanwezig voor vogelsoorten met een instandhoudingsdoel waarop de dijkteruglegging een significant negatief effect kan hebben. Voor de dijkteruglegging geldt dat alternatief 1 (beperkte verlegging) minder ruimtebeslag heeft op Natura 2000-gebied Rijntakken dan alternatieven 2 en 3 (natuurverbinding en recreatief park). In tabel 6.1 is het totale, maximale ruimtebeslag voor de dijkteruglegging en de dijkversterking (variant 1, versterking in grond) weergegeven. Hieruit blijkt dat de dijkteruglegging meer ruimtebeslag op Natura 2000-gebied heeft dan een versterking in grond, als uitgegaan wordt van de maximale ruimtebeslagen. Het verschil in ruimtebeslag op Natura 2000-gebied tussen dijkteruglegging alternatief 1 (beperkte verlegging) en om het even welk alternatief voor de dijkversterking zal minimaal zijn. Dit is omdat beperkte verlegging samengaat met dijkversterking en de verlegging in binnendijkse richting plaats vindt. Een deel van de dijk wordt versterkt, terwijl een ander deel verlegd en versterkt wordt.
Tabel 6.1 Ruimtebeslag op Natura 2000-gebied in m2
Ruimtebeslag op Natura 2000
Dijkteruglegging (maximaal)
Dijkversterking 1. versterken in grond
121.851
963
De dijkteruglegging maakt echter ook de ontwikkeling van leefgebieden mogelijk. Over het algemeen geldt dat als gevolg van de dijkteruglegging ‘beperkte verbinding’ (alternatief 1), ‘natuurverbinding’ (alternatief 2) en ‘recreatief park’ (alternatief 3) leefgebied voor vogelrichtlijnsoorten met een instandhoudingsdoel ontwikkeld wordt. Bij alternatief 2 en 3 is dit effect het grootst; de luwe geul kan als foerageer- en rustgebied gebruikt worden. Op de oevers kan moeras- en rietvegetatie zich ontwikkelen wat als foerageer-, rust- en broedgebied gebruikt kan worden. Ondanks dat dit buiten Natura 2000-gebied ligt kan het wel een positieve bijdrage aan de instandhoudingsdoelen leveren. Alternatief 1, beperkte verlegging, levert hier de minst grote bijdrage. Alternatief 2, natuurverbinding, levert hier de grootste bijdrage. Over het algemeen hebben de dijkteruglegging beperkte verlegging (alternatief 1), natuurverbinding (alternatief 2) en recreatief park (alternatief 3) een positief effect op de aanwezigheid van leefgebieden van habitatrichtlijnsoorten (bever, bittervoorn, grote en kleine modderkruiper). Door de aanwezigheid van meer leefgebied (buiten Habitatrichtlijngebied) zal de regionale populatie waarschijnlijk groeien, en zodoende ook een positieve doorwerking hebben op de instandhoudingsdoelen in het Natura 2000-gebied. Alternatief 1 levert hier de minst grote bijdrage.
Alternatief 2 natuurverbinding levert hier de grootste bijdrage. De conclusie is dus dat voor elk van de alternatieven voor dijkteruglegging significant negatieve effecten op beschermde soorten niet zijn uit te sluiten en dat dijkteruglegging alternatieven 2 en 3 meer ruimtebeslag hebben op Natura 2000-gebied dan dijkteruglegging alternatief 1. Het ruimtebeslag van dijkteruglegging alternatief 1 is vergelijkbaar met dat van een dijkversterking in grond (alternatief 1 voor de dijkversterking). Voor vogelsoorten met een instandhoudingsdoel zijn positieve effecten van alle drie de alternatieven voor dijkteruglegging te verwachten door de ontwikkeling van leefgebied, en voor habitatrichtlijnsoorten via indirecte effecten. Alternatief 1 levert hier de minst grote bijdrage. Alternatief 2 natuurverbinding levert hier de grootste bijdrage. Alternatief 2 heeft hierdoor de voorkeur. Dijkversterking in grond zorgt niet voor positieve effecten op het leefgebied van beschermde soorten.
49 | 62
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.445 | Bijlage IV - Natuur
Verzuring en vermesting Omdat de dijkversterking behoort tot de projecten uit het Hoogwaterbeschermingsprogramma MIRT behoort deze tot de lijst met prioritaire projecten in het kader van het PAS. Voor deze projecten is depositieruimte gereserveerd. Ten behoeve van de vaststelling van het PAS is reeds een passende beoordeling opgesteld, waarin rekening wordt gehouden met herstelmaatregelen. Er vanuit gaande dat het PAS definitief vastgesteld wordt, zal stikstofdepositie geen belemmering vormen voor het verkrijgen van een Wnb-Natura 2000 vergunning. Vooralsnog wordt er van uitgegaan dat de dijkteruglegging ook onder het Hoogwaterbeschermingsprogramma valt. Dit moet echter nog wel nagegaan worden. Het zal namelijk mogelijk niet voldoen aan het uitgangspunt van sober en doelmatig. Als de dijkteruglegging buiten de prioritaire lijst valt dan is (afhankelijk van de stikstofdepositie en de grenswaarde van betrokken Natura 2000-gebieden) een melding of een vergunning nodig zijn. Als een vergunning nodig is moet hiervoor een passende beoordeling opgesteld worden met eigen maatregelen om (de negatieve effecten van) stikstofdepositie te beperken. Aanlegfase Tijdens de aanlegfase zal er bij elk alternatief stikstofdepositie plaatsvinden, bij elk alternatief vindt immers grondverzet plaats met zwaar materieel en wordt grond af- en aangevoerd per schip.
Stikstofdepositie leidt tot verzuring en vermesting van de omgeving, wat kan leiden tot veranderingen in habitattypen of leefgebieden en daarmee mogelijk het verdwijnen van typische (dier)soorten. Uit globale berekeningen van het benodigd materieel blijkt dat voor alternatieven ‘natuurverbinding’ en ‘recreatief park’ (alternatief 2 en 3) twee en anderhalf keer zoveel uren materieel nodig zijn dan voor alternatief ‘beperkte verlegging’ (alternatief 1, Tabel 6.2). De precieze stikstofdepositie is hiermee nog niet bekend, maar het is wel al duidelijk dat alternatief ‘beperkte verlegging’ zeer waarschijnlijk voor de minste stikstofdepositie zal zorgen in de aanlegfase.
Tabel 6.2 Benodigde uren zwaar materieel per alternatief Alternatief totaal aantal uren benodigd materieel
1. Beperkte verlegging
2. Natuurverbinding
3. Recreatief park
38.684
76.983
65.107
In vergelijking met een dijkversterking in grond (alternatief 1 voor de dijkversterking), zullen de alternatieven voor de dijkteruglegging allemaal meer verzuring/vermesting tot gevolg hebben omdat een dijkteruglegging simpelweg meer werk is dan een dijkversterking. Gebruiksfase In de gebruiksfase zou het kunnen dat het recreatief gebruik van de dijk intensiever wordt, maar een groot effect valt niet te verwachten. Veel van het extra gebruik zal bestaan uit wandelaars en fietsers die geen effect zullen hebben. Een toename in gemotoriseerd verkeer zal verschil kunnen maken voor wat betreft stikstofdepositie. Tussen de alternatieven is echter geen verschil in beoogde functie van de dijk, derhalve valt geen wezenlijk verschil te verwachten tussen de alternatieven qua gebruik van de dijk zelf. Hierin zit ook geen verschil met alternatief 1 voor een dijkversterking (versterking in grond), de functie van de dijk blijft ook bij een dijkversterking hetzelfde als nu. In de beoogde recreatie binnen- en buitendijks zitten wel verschillen tussen de alternatieven en tussen een dijkteruglegging en dijkversterking. Bij ‘beperkte verlegging’ en ‘natuurverbinding’ zijn nieuwe binnendijkse ontwikkelingen als woningbouw en recreatie mogelijk, bij ‘rivierpark’ is tevens de (buitendijkse) ontwikkeling van een haven en recreatieve verbindingen voorzien.
Bij ‘beperkte verlegging’ en ‘natuurverbinding’ kan de nu aanwezige camping met horeca voorzieningen niet op de huidige plek blijven bestaan, maar kan deze binnendijks worden voortgezet. Bij alternatief ‘rivierpark’ kan de camping met horeca wel blijven, en is er binnendijks geen ruimte voor iets dergelijks voorzien. Hieruit blijkt dat alternatief ‘rivierpark’ meer recreatie
50 | 62
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.445 | Bijlage IV - Natuur
voorziet in het buitendijkse gebied en derhalve tot meer stikstofdepositie zal leiden vanwege de aantrekking van recreanten. In dit licht heeft alternatief 1 ‘beperkte verlegging’ qua vermesting/verzuring de voorkeur, omdat dit alternatief tijdens de aanleg- en gebruiksfase het minste verzuring en vermesting teweeg brengt. Daarna volgt eerst alternatief 2 ‘natuurverbinding’, gevolgd door alternatief 3 ‘rivierpark’ die onderling niet zeer sterk verschillen. Een dijkversterking in grond maakt niet per se meer ontwikkelingen mogelijk binnen- en buitendijks. Hierdoor zal dit, buiten de eerder beschreven toename van recreatief gebruik van de dijk, geen extra verzuring en vermesting met zich meebrengen. Dit in tegenstelling tot een dijkteruglegging, waar ontwikkelingen wel mogelijk zijn. Verstoring Aanlegfase Voor de aanlegfase geldt dat de aard van de benodigde werkzaamheden voor de verschillende alternatieven voor dijkteruglegging niet verschilt. Uit de berekening van het benodigd materieel blijkt dat ‘natuurverbinding’ en ‘rivierpark’ een vergelijkbare verstoring voor vogels met een instandhoudingsdoel met zich mee zullen brengen gezien het feit dat er geen (grote) verschillen tussen deze alternatieven bestaat. Deze alternatieven hebben echter wel 2 en 1,5 keer zoveel uren materieel nodig dan alternatief ‘beperkte verlegging’ (alternatief 1, Tabel 6.2).
Hiermee is aan te nemen dat dus ook de verstoring van vogels met een instandhoudingsdoel van alternatieven ‘natuurverbinding’ en ‘rivierpark’ veel groter is dan die van alternatief ‘beperkte verlegging’. In dijksectie 12 bevindt zich geschikt biotoop voor, of zijn waarnemingen bekend van dodaars, aalscholver, ijsvogel en oeverzwaluw. Ten aanzien van de broedvogels liggen de aantallen van aalscholver in het gebied onder het instandhoudingsdoel. Bij verstoring van deze soort is er dus direct sprake van een significant negatief effect en derhalve zijn mitigerende maatregelen ten aanzien van deze soort noodzakelijk. Dit kan bestaan uit het werken buiten het broedseizoen van deze soort. Voor de aalscholver loopt deze periode van december tot en met augustus. Voor de overige broedvogelsoorten kan een negatief effect optreden maar leidt dit mogelijk niet tot een significant negatief effect. Voor deze soorten is mitigatie nog wel gewenst. Niet-broedvogels zijn ook aanwezig in het plangebied voor de dijkteruglegging. Deze soorten zijn in het najaar en de winter het meest aanwezig. Er is dus geen periode te benoemen waarin zowel de broedvogels als de niet-broedvogels ontzien worden. Wel geldt dat geschikt rust- en foerageergebied voor de wintervogels langs de gehele dijk op verschillende plekken aanwezig is alsook in de directe omgeving (bijvoorbeeld de Ooijpolder).
Derhalve zal er tijdens de werkzaamheden voldoende uitwijkmogelijkheden zijn voor vogels. Er moet echter wel rekening gehouden worden met de uitvoering van de dijkversterking (paragraaf 5.1.1). Hiervoor moet een op maat gemaakt mitigatieplan opgesteld worden. Daarmee zijn significant negatieve effecten op niet-broedvogels uit te sluiten. Voor de aangewezen habitatsoorten worden qua verstoring geen negatieve effecten of onderscheidende verschillen verwacht tussen alternatief 1, 2 en 3 omdat de Habitatrichtlijngebieden op minimaal 2,5 km afstand van dijksectie 12 liggen. Voor minder mobiele soorten is het vanwege de afstand uitgesloten dat het plangebied bij dijksectie 12 een effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van het Habitatrichtlijngebied. Voor habitatsoorten die leefgebied in de Waal hebben geldt dat zij wel verstoord kunnen worden door de activiteiten bij dijksectie 12. Eventuele effecten hiervan op de instandhoudingsdoelstellingen in het Habitatrichtlijngebied zullen echter niet significant zijn, omdat het leefgebied bij dijksectie 12 relatief een zeer klein deel is van het totale beschikbare leefgebied. Meervleermuizen verblijven voornamelijk in bebouwing vanwaar ze gebruikmakend van lengtestructuren in het landschap migreren naar foerageergebieden boven open water [lit. 7].
De bebouwing bevindt zich voornamelijk buiten het Natura 2000-gebied, maar foerageergebieden kunnen ook binnen het Natura 2000gebied liggen, Meervleermuizen kunnen de dijk gebruiken als vliegroute. Meervleermuizen kunnen ook binnendijks boven plassen en kanalen/beken/sloten foerageren. Geschikt leefgebied voor de bever bestaat
51 | 62
Witteveen+Bos | 101592-13.40/18-014.445 | Bijlage IV - Natuur
uit begroeide oevers met gras, kruiden en jong (wilgen)hout. Een biotoop zoals beschreven ligt bij Oosterhout dicht langs het dijktracé, en het is niet uitgesloten dat de bever ook bij dijksectie 12 voorkomt. Voor effecten van verstoring geldt hetzelfde als voor verzuring/vermesting zoals hierboven beschreven: in vergelijking met een dijkversterking in grond (alternatief 1 voor de dijkversterking), zullen de alternatieven voor de dijkteruglegging meer verstoring met zich meebrengen hebben omdat een dijkteruglegging simpelweg meer werk is dan een dijkversterking. Gebruiksfase In paragraaf 4.2 is beschreven dat de effecten van het gebruik van de dijk zelf niet beschouwd worden omdat er geen wezenlijke effecten zullen optreden. Voor het binnen- en buitendijkse gebied ligt dit anders, aangezien daar wel verschillen bestaan in het beoogde gebruik. Zoals hiervoor bij ‘verzuring en vermesting’ ook beschreven is, is alternatief ‘rivierpark’ (alternatief 3) het meest ingericht op recreatie. Bij dit alternatief zal de recreatie, en daarmee de verstoring dan ook hoger zijn dan bij de andere twee alternatieven. Een aanvullend negatief effect zal dit echter niet hebben, aangezien het nieuw te ontwikkelen gebied buiten Natura 2000-gebied ligt. Alternatief ‘beperkte verlegging (alternatief 1) is het minst ingericht op recreatie en zal dus de minste verstoring met zich meebrengen.
Voor wat betreft verstoring heeft ‘beperkte verlegging’ (alternatief 1) de voorkeur. Ook voor effecten van verstoring in de gebruiksfase geldt hetzelfde als voor verzuring/vermesting in de gebruiksfase: een dijkversterking in grond maakt niet per se meer ontwikkelingen mogelijk binnen- en buitendijks. Hierdoor zal dit, buiten de eerder beschreven toename van recreatief gebruik van de dijk, geen extra verstoring met zich meebrengen. Dit in tegenstelling tot een dijkteruglegging, waar ontwikkelingen wel mogelijk zijn. Conclusie Wet natuurbescherming - Natura 2000 Voor effecten in het kader van vernietiging geldt dat er geen verschil zit tussen de verschillende alternatieven voor de dijkteruglegging. Daarnaast zijn er voor vogelsoorten met een instandhoudingsdoel positieve effecten van alternatief 1 (beperkte verlegging), 2 (natuurverbinding) en 3 (recreatief rivierpark) te verwachten door de ontwikkeling van leefgebied, en voor habitatrichtlijnsoorten globaal gezien ook. Alternatief 1 levert hier de minst grote bijdrage. Alternatief 2 natuurverbinding levert hier de grootste bijdrage. Alternatief 2 heeft hierdoor de voorkeur. Uit de beoordeling van het effect verzuring en vermesting blijkt dat hiervoor alternatief 1 de voorkeur heeft omdat dit de minste stikstofdepositie tot gevolg heeft in de aanlegfase en de gebruiksfase (gebruiksfase effect is kleiner dan aanlegfase effect).
Daarna volgt eerst alternatief 2, gevolgd door alternatief 3 die onderling niet zeer sterk verschillen. Uit de beoordeling van het effect verstoring blijkt dat in de aanleg- en gebruiksfase voor wat betreft verstoring alternatief 1 de voorkeur heeft vanwege de lagere geluidsbelasting dan bij de andere alternatieven (gebruiksfase effect is kleiner dan aanlegfase effect). In vergelijking met een dijkversterking in grond zorgt een dijkteruglegging voor meer vernietiging, meer verzuring en vermesting en meer verstoring. Hiertegenover staat wel dat elk alternatief voor dijkteruglegging, en alternatief 2 het meest, zorgt voor een positief effect op leefgebieden van beschermde soorten. Dit is bij een dijkversterking niet mogelijk.