04445592 - BESLUIT_anoniem_Geredigeerd
Tekst van het document
Het doel van het project is steeds de (regionale en nationale) energievoorziening geweest. Vanuit het vertrekpunt van de voormalige kolencentrale moet de vergunde ontwikkeling worden gezien in het licht van de energietransitie waarbij de nieuwe centrale (als onderdeel van de transitiefase) elektriciteit op basis van aardgas produceert. Dat de voormalige kolencentrale is gesloopt, maakt dat niet anders. Ter vergelijking kan dienen de uitspraak van de Afdeling van 14 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1507, r.o. 7 en r.o. 8-8.5. Nu toepassing gegeven kan worden aan het principe
Datum
24 september 2025 Zaaknummer
2022-007962 Blad
30 van 33
van intern salderen is het additionaliteitsvereiste, zoals dit geldt voor de in de zienswijze genoemde constructie van extern salderen hier niet aan de orde. Zienswijze, onderdeel 2: Saldering op grond van een niet passend beoordeelde natuurvergunning is uitgesloten. Een andere reden waarom saldering met de natuurvergunning van 21 februari 2007 is uitgesloten, is dat deze vergunning nooit passend is beoordeeld. Cliënte heeft hierop al gewezen in haar zienswijze van oktober 2022. Zij heeft onder andere aangevoerd dat er in 2007 geen enkele beoordeling van de lucht- en stikstofemissies heeft plaatsgevonden. Er is geheel geen stikstofdepositieberekening gemaakt. Bovendien is uitsluitend een beoordeling uitgevoerd voor het Vogelrichtlijngebied Uiterwaarden Waal (als deelgebied van de Rijntakken). De effecten op de Habitatrichtlijngebieden, zoals de Veluwe en de Rijntakken, zijn geheel niet meegenomen in de beoordeling. Kortom, het is evident dat geen sprake kan zijn van een passende beoordeling. Dat saldering is uitgesloten op grond van een niet passend beoordeelde natuurvergunning volgt onder andere uit de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie. Ik verwijs in het bijzonder naar het arrest van 10 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:864).
In dit arrest heeft het Hof geoordeeld dat indien een project niet passend beoordeeld is en daarmee niet wettig is vergund, de lidstaat alle nodige maatregelen dient te treffen om de onwettige gevolgen van die schending ongedaan te maken (punt 39). Het Hof merkt in dit verband onder meer op dat in voorkomende gevallen een nieuwe beoordeling van de activiteit moet plaatsvinden (punt 58). Ook rechtbank Gelderland en rechtbank Noord-Nederland hebben recent geoordeeld dat salderen op basis van een niet passend beoordeelde vergunning niet mogelijk is, zonder dat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden (ECLI:NL:RBGEL:2023:4149, r.o. 7.3, ECLI:NL:RBNNE:2023:2350, r.o. 5.3). Kortom, aan de vergunning van 21 februari 2007 kan geen betekenis worden toegekend in welke salderingsconstructie dan ook. In plaats daarvan dienen de effecten van de aangevraagde activiteit te worden onderzocht in een nieuwe en deugdelijke passende beoordeling. Pas als uit die beoordeling blijkt dat significant negatieve effecten met zekerheid zijn uitgesloten, kan een vergunning aan ENGIE verleend worden.
Reactie op zienswijze onderdeel 2 Dat een passende beoordeling met de bril van nu er mogelijk anders uit zou zien dan in 2007 (bijvoorbeeld op het onderdeel stikstof), maakt volgens ons niet dat gesteld kan worden dat de vergunning van 2007 in strijd met wettelijke voorschriften is verleend en nooit passend is beoordeeld. Uit de opsomming van de bijlagen van de onherroepelijke vergunning uit 2007 blijkt dat (uitvoerig) (natuur)onderzoek is verricht, waaronder uitstoot van stoffen naar lucht. Deze stukken zijn eerder aan MOB toegezonden. In de notitie van Tauw van 11 december 2006 wordt bijvoorbeeld vastgesteld dat de effecten ten gevolge van de aangepaste bedrijfsvoering op de Centrale Gelderland op de omliggende natuurgebieden en de overige te beschermen natuur(lijke) waarden en soorten (zeer) gering zijn en in ieder geval geen significante gevolgen zullen hebben op
Datum
24 september 2025 Zaaknummer
2022-007962 Blad
31 van 33
populatieniveau. In de notitie van Tauw staat ook dat de beschreven effecten een passende beoordeling zijn van de te verwachten effecten. Echter, wat hier verder ook van zij, het is voor het vaststellen van de referentiesituatie ook niet relevant of de beoordeling die ten grondslag ligt aan de referentietoestemming, terugkijkend anno nu, aan de vereisten van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn voldoet. Zie bijvoorbeeld: ABRvS 15 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3138, r.o. 5 en ABRvS 20 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2341, r.o. 7.4. Bepalend is welke activiteiten op de locatie in kwestie zijn toegestaan. Dat wordt in dit geval bepaald door de geldende natuurvergunning, te weten de natuurvergunning uit 2007. Daarom vormt deze natuurvergunning de referentiesituatie. Het AquaPri-arrest van het Hof van Justitie van 10 november 2022 maakt volgens ons niet dat hier nu anders naar gekeken moet worden. Sterker nog, dit arrest bevestigt juist dat er bij de voortzetting van een vergund project in beginsel geen nieuwe passende beoordeling hoeft te worden verricht. Dat was alleen anders in de zeer specifieke situatie die zich in dat arrest voordeed. Die situatie was allereerst dat er een natuurvergunning voor bepaalde tijd was verleend - het Deense bedrijf AquaPri had voor de voortzetting van zijn project een nieuwe natuurvergunning nodig.
Ten tweede stond in deze zaak in rechte vast dat de beoordeling die ten grondslag lag aan de oude natuurvergunning gebrekkig was. In die situatie kan het volgens het Hof van Justitie - als uitzondering op de regel - nodig zijn om een nieuwe beoordeling voor het gehele project te verlangen. In dit geval doet de uitzonderlijke situatie uit het AquaPri-arrest zich niet voor. Ten eerste is de natuurvergunning uit 2007 voor onbepaalde tijd verleend. Ten tweede ligt aan de natuurvergunning geen beoordeling ten grondslag waarvan is gebleken dat die niet voldoet aan artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. De natuurvergunning is onherroepelijk en geniet formele rechtskracht. Ook de beoordeling moet voor rechtmatig worden gehouden. Ook daarmee verschilt de situatie wezenlijk van de situatie die aan de orde was in het AquaPri-arrest en ook ten opzichte van de in de zienswijze genoemde uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 juli 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4149 (waaruit overigens ook niet kan worden afgeleid dat salderen met een niet passend beoordeelde vergunning niet mogelijk is, zonder dat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden). De situatie zoals verwoord in r.o.
28 van het AquaPri-arrest is hier dus (juist) niet aan de: "In de tweede plaats zij niettemin opgemerkt dat de lidstaten gehouden zijn om artikel 6, lid 3, van richtlijn 92/43 in acht te nemen en meer bepaald om de in de eerste volzin van deze bepaling neergelegde beoordelingsverplichting na te komen, zodat niet kan worden aanvaard dat geen rechtsgevolgen zouden kunnen worden verbonden aan het feit dat de bevoegde nationale autoriteit of rechterlijke instantie bij onherroepelijke beslissing heeft vastgesteld dat die verplichting niet is nagekomen." Kortom, ook op grond van het AquaPri-arrest wordt de referentiesituatie gevormd door de natuurvergunning uit 2007.
Datum
24 september 2025 Zaaknummer
2022-007962 Blad
32 van 33
Zienswijze onderdeel 3, Subsidiair: Geen borging dat de aanleg- en gebruiksfase (gedeeltelijk) samenvallen. Uit het bovenstaande blijkt dat saldering met de vergunning van 2007 op geen enkele wijze mogelijk is. Subsidiair wens ik namens cliënte nog op het volgende te wijzen. U constateert dat de aanlegfase en de gebruiksfase niet tegelijkertijd zullen plaatsvinden. U biedt hiervoor echter geen motivering. Aangezien de vergunning toeziet op verscheidene activiteiten, valt niet in te zien waarom bijvoorbeeld de gascentrale niet al in werking kan zijn, terwijl de aanlegfase voor de andere aangevraagde activiteiten nog lopende is. Bovendien is ook niet juridisch geborgd dat een overlap van deze fasen plaats kan vinden. Om die reden had dan ook een AERIUS-berekening moeten plaatsvinden van de stikstofdepositie van de aanleg- en gebruiksfase tezamen. Dit is niet gebeurd in de huidige stikstofberekening. Daarom moet deze berekening als onvolledig worden beschouwd, en staat vast dat de nu berekende stikstofdepositie een onderschatting betreft. Uw besluit kunt u dan ook niet baseren op de huidige AERIUS-berekeningen. Reactie op zienswijze onderdeel 3 De emissies die vrijkomen bij de exploitatiefase zijn vele malen hoger dan de tijdelijke emissies in de bouw- en aanlegfase. De emissies in de bouw- en aanlegfase zijn inzichtelijk gemaakt.
De invoergegevens achten wij reëel en aannemelijk. Zoals hiervoor toegelicht, wordt er voor de exploitatiefase gesaldeerd met de vigerende vergunning en uit die beoordeling is geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling vergunbaar is. Omdat de emissies in de tijdelijke bouw- en aanlegfase substantieel lager zijn dan de emissies in de exploitatiefase, zijn negatieve effecten op de omliggende natura-2000 gebieden uit te sluiten. Een aanvullende borging op dit onderdeel achten wij onder deze omstandigheden niet noodzakelijk. Zienswijze, onderdeel 4, Subsidiair: Er had sprake moeten zijn van een positieve weigering. Zelfs indien uw motivering op alle punten gevolgd zou moeten worden, geldt dat uw ontwerpbesluit alsnog onjuist is. Zoals u in het ontwerpbesluit constateert is sinds 1 januari 2020 de vergunningplicht voor intern salderen vervallen. Nu u meent dat de activiteit plaats kan vinden middels intern salderen, kunt u geen natuurvergunning verlenen voor deze activiteit. Daarvoor bestaat immers geen grond meer in de Wnb. Reactie op zienswijze onderdeel 4 Gelet op de statutaire doelstellingen van MOB en het belang van de natuur is deze zienswijze, ook al is deze subsidiair naar voren gebracht, moeilijk te plaatsen.
Alle inzet van GS is er nu juist op gericht geweest om te komen een vergunbare situatie waarbij significant negatieve effecten ten opzichte van de referentiesituatie (2007) kunnen worden uitgesloten én wij wijzen erop dat juist in dit geval in het belang van de natuur alle inspanningen erop gericht zijn geweest om de natuurvergunning - als passende maatregel - vergaand aan te scherpen. In dit geval ligt er een passende beoordeling aan de aanvraag ten grondslag. Verder geldt dat in dit geval een tweede ontwerpbeschikking ter inzage is gelegd, om te komen tot een aanscherping van
Datum
24 september 2025 Zaaknummer
2022-007962 Blad
33 van 33
de referentievergunning. Wij hebben deze aanvraag dan ook mede aangemerkt als een verzoek tot het wijziging van de vergunning uit 2007. In het definitieve besluit hebben wij dit in de tekst verduidelijkt. Ten aanzien van de aanscherping van de vergunning en de voorschriften die zijn opgelegd om te waarborgen dat er geen toename van stikstofdepositie optreedt, wijzen wij in het bijzonder op voorschrift 3, 8, 9, 11 en 12. Daar komt bij dat – net als voor de vergunning uit 2007 geldt – ook overige effecten zijn beoordeeld, dan alleen mogelijke effecten vanwege stikstof. Verwezen wordt bijvoorbeeld naar documentnummer 03900105 en paragraaf 5.2 van de vergunning. Aangezien significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden (van het voorkeursalternatief) als gevolg van geluidverstoring op leefgebieden van vogels op voorhand niet uitgesloten konden worden, zijn deze storingsfactoren passend beoordeeld. Onder de voorgenoemde omstandigheden hebben wij dus terecht een vergunning verleend en niet volstaan met een zogenaamde positieve weigering.