Rapport-passende-beoordeling.pdf
Tekst van het document
25
https://www.commissiemer.nl/docs/mer/p17/p1794/1794-274mer.pdf
18 december 2020
BG9448WATRP200904
19
Projectgerelateerd
Tabel 3-1. Aantal naderende vliegtuigbewegingen per baan en de veranderingen (groen=afname, rood = toename) Aantal vliegtuigbewegingen per baan, afgerond op honderdtallen afkomstig uit het MER Baan nr. 480.000 (referentie) 500.000 (Activiteit) Verschil 06
63,000
50,700
- 12,300
09
300
100
- 200
18C
29,700
34,400
4,700
18R
82,000
90,800
8,800
22
300
2,900
2,600
24
1,800
200
- 1,600
27
24,300
28,800
4,500
36C
5,500
14,400
8,900
36R
30,200
27,500
- 2,700
Voor de naderingen zal met name het gebruik van baan 06 (Kaagbaan) afnemen en van baan 18C, 18R, 36C en vooral 27 toenemen (zie tabel 3-1). De afname van naderingen naar de Kaagbaan (06) zal ertoe leiden dat er minder vliegtuigbewegingen over Natura 2000-gebied Coepelduynen vliegen (zie figuur 3-6). De eventuele effecten van deze vliegtuigbewegingen nemen hier dus ook af. Tegelijk zullen er meer vliegtuigbewegingen over Natura 2000-gebieden Markermeer & IJmeer en Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske komen als gevolg van de toename van de landingen op de banen 18C + R, 22, 27 en 36C. Uit de vergelijking tussen de referentiesituatie (LVB 2008 en 480.000 vliegtuigbewegingen en de Activiteit (500.000 vliegtuigbewegingen) en de vlieghoogte boven of nabij Natura 2000-gebieden (figuur 3-6) blijkt dat er een toename is van vliegtuigbewegingen onder de 3.000 ft boven of nabij de Natura 2000-gebieden gebieden Noordhollands Duinreservaat, Polder Westzaan, Markermeer & IJmeer en Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske. In hoofdstuk 4 zal hier per instandhoudingsdoelstelling op ingegaan worden.
3.4.3
Stikstof
In deze passende beoordeling wordt voor stikstofemissies als gevolg van de Activiteit beoordeeld of deze passen binnen het bestaande recht. Voor de stikstofbronnen wordt daarbij onderscheid gemaakt in: - Luchtgebonden activiteiten - Grondgebonden activiteiten - Wegverkeer Deze veranderingen bij de stikstofbronnen zorgen voor veranderingen van stikstofdepositie in daarvoor gevoelige Natura 2000-gebieden. Deze veranderingen zijn in beeld gebracht met een berekening in AERIUS Scenario en vergeleken met de bestaande rechten voor stikstofemissie en als gevolg daarvan stikstofdepositie op basis van het LVB 2008 (de referentiesituatie). AERIUS Calculator is geschikt voor situaties tot 225 bronnen. De berekeningen voor Luchthaven Schiphol zijn, in verband met het grote aantal bronnen, uitgevoerd met AERIUS Scenario 2020. AERIUS Scenario rekent op dezelfde wijze als AERIUS Calculator, maar kan gezien worden als gebruikersschil die berekeningen met veel bronnen mogelijk maakt.
3.4.3.1 Luchtgebonden activiteiten De stikstofdepositie van de Activiteit is bepaald op basis van het scenario met 500.000 vliegtuigbewegingen per jaar dat in de MER voor het NNHS wordt gebruikt. Dit scenario is gebaseerd op een verkeerssituatie in 2020. Het kan worden gezien als een dienstregeling met herkomst en bestemming, een verdeling over het etmaal en met vliegtuig- en motortypes. Hoe dit scenario is opgesteld is beschreven in deel 3 Scenario’s van het MER. De berekening zelf is beschreven in deel 4 Deelonderzoek luchtkwaliteit 18 december 2020
BG9448WATRP200904
20
Projectgerelateerd
van het MER voor het NNHS. In deze berekening worden alle unieke combinaties van vliegtuig- en motortype doorgerekend. Het geeft daarmee een realistisch beeld van de deposities bij 500.000 vliegtuigbewegingen. Het ministerie van LNV heeft in haar besluit op het handhavingsverzoek gevraagd om de bestaande rechten voor stikstofemissie en depositie te baseren op het maximum gebruik op basis van het LVB 2008. In het LVB 2008 wordt de milieubelasting beperkt door middel van regels en grenswaarden. Daarmee wordt geborgd dat de milieueffecten binnen acceptabele grenzen blijven. Hoewel het daarbij gaat om alle milieueffecten is voor de reconstructie van de bestaande rechten de normering op emissies en geluid bepalend. De normering op emissies, die voor het eerst in het LVB (2003) is opgenomen en sindsdien niet is gewijzigd, bepaalt daarmee hoe schoon de vliegtuigen moeten zijn en de normering voor geluid bepaalt (gegeven de vlootmix) het jaarvolume. Het LVB 2008 schrijft verder ook maatregelen voor om de NO 2concentraties te beperken als gevolg van de voorgenomen activiteit. Deze maatregelen zijn inmiddels door Schiphol geïmplementeerd en hebben ook het gewenste effect gehad: de MER voor het LVB-1 zal aantonen dat de Activiteit daarmee past binnen de grenzen die de Wet milieubeheer stelt.
De Wet milieubeheer levert zelf geen beperkingen op bij de reconstructie omdat er altijd mitigerende maatregelen (lokale) mogelijk zijn om knelpunten te voorkomen zonder dat dat gevolgen heeft op de depositieberekeningen. Bijvoorbeeld door de ruimtelijke verdeling van bronnen op het luchthaventerrein aan te passen zonder de emissie zelf te beperken, maatregelen voor bronnen met alleen lokale effecten of maatregelen buiten het luchthaventerrein (denk aan elektrische bussen en taxi’s of een beperking van de maximumsnelheid). De grenswaarden voor geluid in handhavingspunten zijn gebaseerd op het verkeersscenario zoals beschreven in het MER 200726 welke was opgesteld ten behoeve van het LVB 2008. Dit verkeersscenario beschrijft het vliegverkeer bij 480.00 vliegtuigbewegingen, met o.a. de vliegtuigtypes, de start- en landingsbanen en de tijdstippen van de vliegtuigbewegingen. Dit scenario, dat de beschikbare geluidsruimte van LVB 2008 volledig vult wordt gebruikt als basis voor de reconstructie van het bestaande recht. Omdat het ministerie van LNV in haar besluit op het handhavingsverzoek heeft gevraagd om inzichtelijk te maken wat de stikstofdepositie zou zijn geweest op basis van het maximum gebruik zoals mogelijk onder het LVB 2008, is onderzocht welke stikstofuitstoot mogelijk was gegeven deze geluidsruimte.
Destijds waren volgens de Regeling milieu-informatie Schiphol de vliegtuigen op basis van hun geluidsproductie ingedeeld in zogenoemde VVC-categorieën. In het MER 2007 wordt per geluidscategorie één representatief vliegtuigtype (+motortype) verondersteld. VVC-categorie 4/3 wordt bijvoorbeeld vertegenwoordigd door een Boeing 737-800 met een CFM56-7B24 motor. Voor de reconstructie van het bestaande recht is binnen een geluidscategorie gezocht naar een vliegtuigen motortypecombinatie (conform onderstaand principe) dat de emissienorm voor stikstofuitstoot volledig vult. Daarbij worden de andere beperkingen in het LVB 2008 gerespecteerd, dus het resulterende scenario past binnen de grenswaarden voor externe veiligheid, geluid en emissies van het LVB 2008. Doordat alleen een passend vliegtuig- en motortypecombinatie wordt gezocht blijven de aantallen per geluidscategorie gelijk en daarmee ook het totale aantal van 480.0000 evenals de verdeling over het etmaal en de aantallen per baar en route. De passende vliegtuig- en motortypecombinaties worden bepaald door de volgende stappen te doorlopen: 1. Binnen het gerealiseerde vliegverkeer van de jaren 2007-2008 worden alle vliegtuig- en motortypecombinaties gegroepeerd per geluidscategorie. 26
‘Verder werken aan de toekomst van Schiphol en de regio’, MER korte termijn, 2007.
18 december 2020
BG9448WATRP200904
21
Projectgerelateerd
2.
Per geluidscategorie wordt de vliegtuig- en motortypecombinatie gekozen met een hoge NOxuitstoot, mits a) de geregistreerde vliegtuig- en motortypecombinatie daadwerkelijk voorkomt/voorkwam op Schiphol en; b) de geregistreerde vliegtuig- en motortypecombinatie minimaal 100 keer heeft gevlogen per jaar op Schiphol en; c) de registreerde vliegtuig- en motortypecombinatie logischerwijs in deze geluidscategorie thuishoort (om fouten in de RMI 27 uit te sluiten) en; d) hiermee nog voldaan kan worden aan de grenswaarden voor NOx-uitstoot uit het LVB 2008, (als gevolg hiervan is er voor de categorieën met de meeste vliegtuigbewegingen niet het vliegtuigtype met de hoogste NOx-uitstoot geselecteerd, maar een type met minder stikstofuitstoot) en; e) het vliegtuigtype in de praktijk voldoende voorkwam om de aantallen van het verkeersscenario uit de MER 2007 mogelijk te maken.
Op basis van deze aanpak is het vliegverkeersscenario van het MER 2007 opgesteld met specifieke motor- en vliegtuigtypecombinaties. Bij dit verkeersscenario is vervolgens de stikstofemissie bepaald op basis van de vigerende RMI-database voor emissiegegevens. EASA-gegevens28 zijn ter aanvulling gebruikt indien een motor- en vliegtuigtypecombinatie ontbreekt in de RMI. Met deze emissiegegevens is de stikstofemissie berekend en is vervolgens de AERIUS-berekening uitgevoerd (zie 3.4.3.4).
3.4.3.2 Grondgebonden activiteiten Voor de stikstofdepositie als gevolg van grondgebonden activiteiten worden alle bronnen beschouwd zoals beschreven in paragraaf 2.1.
3.4.3.3 Wegverkeer De bijdrage van het wegverkeer aan het bestaand recht is in lijn met die voor het luchtverkeer bepaald. Startpunt is het verkeerscenario met 480.000 vliegtuigbewegingen conform de reconstructie van het bestaande recht, zoals in de vorige paragraaf beschreven. De vliegtuigtypes in dat verkeersscenario zijn over het algemeen groter dan de vliegtuigtypes in de aan te vragen Activiteit en konden dus meer passagiers vervoeren. Vergeleken met de bestaande rechten laat de aan te vragen Activiteit een afname zien in het aantal passagiers en dus een afname in het wegverkeer. Hierbij is ervan uitgegaan dat passagiers en medewerkers van de Luchthaven voor de Activiteit in globaal dezelfde verhouding openbaar vervoer/personenauto blijven rijden als in de referentiesituatie. Dat is een conservatief uitgangspunt omdat in de praktijk het aandeel openbaar vervoer (en met name de trein) toeneemt ten opzichte van personenauto’s 29. Er zal daarom zeker geen onderschatting zijn van de toename van het wegverkeer als gevolg van de Activiteit. Daarnaast is hierbij van uitgegaan dat de bezettingsgraden voor het bestaand recht hetzelfde zijn als die van de aan te vragen Activiteit. Ook dat is een conservatief uitgangspunt omdat niet van maximale bezetting is uitgegaan bij de reconstructie van het bestaande recht.
Voor de aan te vragen Activiteit worden emissiefactoren uit 2019 gehanteerd omdat de factoren voor 2008 niet beschikbaar zijn, bijvoorbeeld voor ammoniak (NH 3), dan wel in opzet (bijvoorbeeld 27
Appendices bij de Regeling Milieu Informatie (RMI) Schiphol, versie 13.3, https://www.luchtvaartmilieu.nl/regelgeving/appendices/ European Union Aviations Safety Agency (www.easa.europa.eu/home) 29 www.ovpro.nl/trein/2019/07/05/aantal-treinreizigers-blijft-toenemen/ 28
18 december 2020
BG9448WATRP200904
22
Projectgerelateerd
snelheidscategorieën) afwijken van de huidige factoren. Over het algemeen zijn de emissiefactoren van wegverkeer in 2019 lager dan in voorafgaande jaren doordat het wagenpark schoner wordt 30. Zowel ten aanzien van de gebruikte emissiefactoren als de inschatting van het aantal verkeersbewegingen wordt daarmee voor 2008 een conservatieve inschatting gemaakt.
3.4.3.4 Berekening met AERIUS AERIUS is het online-rekeninstrument van het RIVM waarmee de depositie (neerslag) van stikstof op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden kan worden berekend. Ten behoeve van het bepalen van de effecten van de Activiteit zijn alle relevante bronnen die stikstofemissie (uitstoot) veroorzaken van zowel grondgebonden (APU, GPU, proefdraaien, platformverkeer, gasverbruik voor verwarming gebouwen) als luchtgebonden activiteiten (taxiën en vluchtfase) activiteiten en het aangetrokken wegverkeer in de berekening meegenomen 31. De emissie in de referentiesituatie en als gevolg van de Activiteit is weergegeven in tabel 3-2. Tabel 3-2. Vergelijking stikstofemissie referentie (LVB 2008) en de Activiteit.
NOx NH3
Referentie 480.000 / LVB2008
De Activiteit 500.000
3.906,3 ton/jaar
3.084,8 ton/jaar
11.992,6 kg/j
11.824,03 kg/j
Verschil - 821,5 ton/jaar -168,55 kg/j
De depositie bestaat uit de som van de depositie ten gevolge van NOx en de depositie ten gevolge van NH3. NH3 depositie wordt in deze berekeningen alleen veroorzaakt door emissies van het wegverkeer (de verkeersaantrekkendewerking ten gevolge van de voorgenomen activiteit). De NH3 depositie van het platformverkeer is verwaarloosd. Uit de resultaten blijkt dat de NH3 depositie op alle doorgerekende punten in Natura 2000-gebieden gelijk aan “0” is. Dit betekent dat geen van de wegen waarop verkeersaantrekkende werking is gemodelleerd dicht genoeg bij een Natura 2000-gebied ligt om enige bijdrage aan de NH3 depositie te leveren (dit bevestigt tevens dat de NH3 emissie van het platformverkeer verwaarloosd kon worden). De NOx stikstofemissie van de Activiteit blijkt ruim 20% af te nemen vergeleken met de referentiesituatie. De vliegtuigtypes in de Activiteit hebben dus gemiddeld minder uitstoot van NOX dan was toegestaan binnen de gebruiksruimte op grond van LVB 2008. In zijn algemeenheid bestaat de vloot in de Activiteit uit kleinere toestellen met minder uitstoot dan mogelijk was binnen de beschikbare gebruiksruimte op grond van LVB 2008. Overeenkomstig de afname in stikstofemissie zal de stikstofdepositie op daarvoor gevoelige Natura 2000gebieden ook afnemen.
Als gevolg van deze afname in depositie resulteert de berekening daarom in AERIUS in “Uw berekening heeft geen verschillen opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jaar”. De afname blijft daardoor onzichtbaar. Door direct de ruwe AERIUS-data te gebruiken kan de afname per hexagoon wel inzichtelijk worden gemaakt. In figuur 3-7 is het verschil in stikstofdepositie van de Activiteit en de gereconstrueerde vergunde situatie (de referentie) zichtbaar gemaakt. Hierbij zijn voor de leesbaarheid steeds het hexagoon met het maximale verschil (lees het grootste effect) tussen de activiteit en de referentie bepalend geweest voor de kleur van het cluster. In het groen worden weergegeven de hexagonen waarbij een afname is 30 31
www.clo.nl/indicatoren/nl0127-wegverkeer-volumeontwikkeling-en-milieudruk AERIUS kenmerk RYq8qrPSpEjG (26 oktober 2020)
18 december 2020
BG9448WATRP200904
23
Projectgerelateerd
berekend voor de activiteit. In het rood worden weergegeven de hexagonen waarbij een toename is berekend.
Figuur 3-9. Verschilplot tussen de depositieberekening voor de referentiesituatie (met gereconstrueerde maximale stikstofdepositie) en de Activiteit. De groene kleur geeft aan waar de Activiteit tot een stikstofdepositieafname leidt. Er is nergens sprake van een toename (rood).
Uit zowel de AERIUS Calculator uitdraai als figuur 3-9 blijkt dat er op alle hexagonen een afname is van stikstofdepositie als gevolg van de Activiteit. De stikstofdepositie van het bestaande recht volgens het LVB 2008 is op alle hexagonen in Nederland groter dan de stikstofdepositie van de Activiteit op Schiphol bij het huidige gebruik van 500.000 vliegtuigbewegingen. De stikstofdepositie als gevolg van de Activiteit past dus geheel binnen de gebruiksruimte op basis van het LVB 2008. Er is daarom geen kans op significant negatieve effecten als gevolg van de Activiteit ten aanzien van stikstofdepositie in relatie tot deze referentiesituatie. Omdat er geen toename in depositie is op de hexagonen binnen Nederland, zijn ook significant negatieve effecten in België of Duitsland uit te sluiten.
18 december 2020
BG9448WATRP200904
24
Projectgerelateerd
4
Toetsing van mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden
4.1
Relatie van deze toetsing met MER en recente beleidsontwikkelingen
4.1.1
Natuuronderzoek MER
Het MER voor LVB-1 wordt komende tijd afgerond en daarbij wordt het natuuronderzoek, voor zover dat relevant blijkt, opnieuw geactualiseerd. Daarbij zal er worden uitgegaan van dezelfde referentiesituatie als waar de bestaande rechten op zijn gebaseerd: de gebruiksruimte op grond van LVB 2008. Dit natuuronderzoek is in concept beschikbaar en gebruikt voor deze passende beoordeling.
4.1.2
Veegbesluit
In 2018 zijn in het zogenoemde ‘veegbesluit’ 32 voorstellen gedaan om instandhoudingsdoelstellingen van veel Natura 2000-gebieden te wijzigen omdat aanvullende natuurwaarden zijn aangetroffen of juist afwezig bleken. Bij de eerste stikstofberekeningen voor Schiphol zijn wel de wijzigingen van het veegbesluit zijn meegenomen, omdat deze al in de huidige wettelijke versie 19a van AERIUS waren opgenomen. Dit wordt gecorrigeerd in de komende AERIUS-versie van 15 oktober 2020. Daar zijn alle wijzigingen naar het veegbesluit uit gehaald. Het is thans onbekend wanneer dit wijzigingsbesluit zal worden vastgesteld en hieraan zal daarom niet getoetst worden in deze passende beoordeling.
4.1.3
Toetsingsadvies over de Luchtvaartnota
De Commissie voor de m.e.r. geeft in haar Toetsingsadvies33 over het milieueffectrapport van 27 juli 2020 ten aanzien van geluidgevoelige soorten aan: Nabij alle luchthavens liggen Natura 2000-gebieden. In die gebieden kunnen geluidgevoelige soorten vóórkomen waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld. Als het aantal vluchten toeneemt, zou dat kunnen leiden tot significant negatieve gevolgen voor die soorten. Om die effecten te voorkómen moeten bijvoorbeeld routes worden aangepast. Waar dergelijke soorten vóórkomen, is bekend, maar in dit stadium nog niet beschreven en beoordeeld. Het valt de Commissie op dat de Passende beoordeling een opsomming bevat van Natura 2000gebieden nabij luchthavens waarvan een belangrijk deel in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen niet speciaal geluidgevoelig is. De Commissie adviseert om voor iedere luchthaven de geluidgevoelige Natura 2000-gebieden te inventariseren waar bij een toename van de geluidbelasting significant negatieve effecten op leefgebieden van soorten aan de orde kunnen zijn. De informatie over stikstof en geluid is nodig om te kunnen bepalen waar welke groei mogelijk is zonder dat die in strijd is met de eisen die de Wet natuurbescherming daaraan stelt. Dit advies is in deze passende beoordeling opgevolgd.
4.1.4
Vergunningaanvraag LVB-1
Deze passende beoordeling zal worden gebruikt voor zowel de vergunningaanvraag op grond van de Wnb als ten behoeve van het uiteindelijke MER voor LVB-1.
32
Ontwerp-wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden. Februari 2018, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. 33 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2020/07/27/bijlage-toetsingsadvies-commissie-m-e-r. 18 december 2020
BG9448WATRP200904
25
Projectgerelateerd
4.2
Effectbeoordeling
In hoofdstuk 3 is de reikwijdte van de storingsfactoren afgebakend tot: • Visuele verstoring en geluidverstoring door naderende (op Schiphol landende) vliegtuigen gedurende de dagperiode; • Vliegtuigbewegingen die lager dan 3000 voet én op minder dan 2.000 meter langs of over Natura 2000-gebieden vliegen. Op deze effecten zal nader worden getoetst. Voor alle vertrekkende vliegtuigbewegingen en alle nachtelijke vliegtuigbewegingen is al geconcludeerd in hoofdstuk 3 dat er geen toename is ten aanzien van verstoring door geluid en/of visuele verstoring omdat deze snel doorstijgen tot boven de 3.000 voet en nergens binnen 2.000 meter of boven een Natura 2000gebied lager dan 3.000 voet vliegen. Daarom hoeven vluchten die verder dan 2.000 langs een Natura 2000-gebied vliegen of meer dan 3.000 ft daarboven net verder beoordeeld worden.
4.2.1
Verstoring door geluid
Voor deze passende beoordeling is de verandering relevant in de geluidscontouren boven daarvoor gevoelige Natura 2000-gebieden als gevolg van de toename van 480.000 (de referentiesituatie op basis van het LVB 2008) naar 500.000 vliegtuigbewegingen (de activiteit, LVB-1). Dit is onderzocht in het natuuronderzoek voor het nieuwe MER voor LVB-1.34 In figuur 4-1, afkomstig uit het geactualiseerde natuuronderzoek voor het MER voor het LVB-1, is het effect van deze verandering op de geluidbelasting weergegeven. De veranderingen in de contouren zijn het gevolg van een combinatie van alle veranderingen die het gevolg zijn van de Activiteit: de toename met 20.000 vliegtuigbewegingen, de verschuivingen in het baangebruik, de veranderingen in vlootsamenstelling en het toenemend gebruik van de NADP2-startprocedure. In kleuren is de toe- of afname van de geluidsbelasting op maaiveld weergegeven als gevolg van de Activiteit.
34
Vliet, van der, R. et al. 2019. Effecten van vliegverkeer van en naar Schiphol op beschermde natuur. Een bijlage in het MER Nieuwe Normen- en Handhavingsstelsel Schiphol. Rapport 19-196, Bureau Waardenburg, Culemborg. 18 december 2020
BG9448WATRP200904
26
Projectgerelateerd
Figuur 4-1. Vergelijking van de geluidbelasting in de referentiesituatie (480.000 vtb) ten opzichte van de te toetsen situatie (500.000 vtb). Gearceerd in blauw zijn de Natura 2000-gebieden aangegeven (uit: Natuuronderzoek 2019).
Uit figuur 4-1 is af te leiden dat bijna overal de geluidscontour voor 45 dB(A)LAeq voor 500.000 vliegtuigbewegingen binnen diezelfde contour voor de 480.000 vliegtuigbewegingen ligt. Netto is er daarom sprake van een afname van het totale volume van de geluidbelasting. Lokaal is sprake van enige toename op drie locaties in Natura-2000 gebieden. Deze locaties zullen nader besproken worden en daarbij zal ingezoomed worden op de effecten voor de 43 dB(A)LAeq contour. In tabel 4-1 is weergegeven in welke twee Natura 2000-gebieden er op basis van de extrapolatie van de contouren van 45 dB(A)LAeq uit figuur 4-1 en de 43 dB(A)LAeq (zie figuur 4-2) er lokaal sprake is van een geluidstoename in de situatie met 500.000 vliegtuigbewegingen.
18 december 2020
BG9448WATRP200904
27
Projectgerelateerd
Tabel 4-1. Natura 2000-gebieden waar in de nieuwe situatie (deels) sprake is van een geluidstoename. Natura 2000-gebied
Habitatrichtlijn- en/of Vogelrichtlijngebied
Maximaal toename in dB(A) boven 45 dB(A)LAeq
Maximaal toename in dB(A) boven 43 dB(A)LAeq
Noordhollands Duinreservaat
Habitatrichtlijngebied
<1
<1
Nieuwkoopse Plassen & De Haeck
Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijngebied
<1
<1
Oostelijke Vechtplassen
Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijngebied
0
<1
Ten aanzien van het Noordhollands Duinreservaat is er als gevolg van de Activiteit sprake van een afname van de geluidsbelasting >45dB(A)LAeq aan de zuidzijde over een gebied van ongeveer 650 ha waar als gevolg daarvan de geluidsbelasting tot onder de 45 DB(A)LAeq komt te liggen. Binnen de >43dB(A)LAeq contour is er sprake van een afname op ongeveer 1.750 ha. De toename >45dB(A)LAeq betreft ongeveer 12 hectares terwijl de toename >43dB(A)LAeq een brede strook over het noordelijke deel omvat van ongeveer 1.400 ha. (figuur 4-2).
Figuur 4-2. Vergelijking van de geluidbelasting in de referentiesituatie ten opzichte van de te toetsen situatie. De 45 dB(A)LAeq contour is voor beide situaties aangegeven, in de rode en groen kleuren is de verandering tot 43 dB(A)LAeq weergegeven. Gearceerd in blauw is het Noordhollands Duinreservaat aangegeven.
Bij de Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is ook een verschuiving van de geluidsbelasting als gevolg van de Activiteit. Het betreft hier naderende vluchten naar baan 36R. Hoewel op basis van de Activiteit (zie tabel 3-1) een kleine afname van het aantal vliegbewegingen op zal treden, blijkt als gevolg van het verschuiven van de route (een groter aandeel van de toestellen neemt een ruimere bocht die uit het 18 december 2020
BG9448WATRP200904
28
Projectgerelateerd
noordoosten aankomen) lokaal toch een toename van de geluidsbelasting op te treden. Een gebied van ongeveer 80 hectare laat een toename van minder dan 1 dB(A) zien en komt daardoor binnen de 45 dB(A)LAeq contour en binnen de 43 dB(A)LAeq is er een toename in 275 ha. Een gebied van ongeveer 130 hectare laat een afname laat zien en komt net buiten de 45 dB(A)LAeq contour komt te vallen (figuur 4-3). Over een gebied van in totaal ruim 1.300 ha is sprake van een afname van 0-1 dB(A) binnen de 43 dB(A)LAeq.
Figuur 4-3. Vergelijking van de geluidbelasting in de referentiesituatie ten opzichte van de te toetsen situatie. Gearceerd in blauw is de Nieuwkoopse Plassen & De Haeck aangegeven.
Voor Natura 2000-gebied is er alleen sprake een verandering in geluidbelasting tussen de 43 en 45 dB(A)LAeq. contouren. In een heel klein gebied is sprake van een afname van < 1 dB, terwijl in 850 ha in het noordelijke deel (Spiegel en Blijkpolderplas en omgeving Ankeveen) er sprake is van een toename van <1 dB(A).
18 december 2020
BG9448WATRP200904
29
Projectgerelateerd
Figuur 4-4. Vergelijking van de geluidbelasting in de referentiesituatie ten opzichte van de te toetsen situatie. Gearceerd in blauw zijn de Oostelijke Vechtplassen weergegeven.
Op basis van de beheerplannen van de Oostelijke Vechtplassen, het Noordholland Duinreservaat en de Nieuwkoopse Plassen & De Haeck en de effectenindicator35, is in tabel 4-2 - 4-4 de gevoeligheid voor verstoring door geluid (en optische verstoring) weergegeven. Tabel 4-2. Gevoeligheid voor verschillende typen verstoringen op diersoorten aangewezen voor het Natura 2000- gebied Noordhollands Duinreservaat. Type
Soort
Habitatrichtlijnsoort
Nauwe korfslak
Habitatrichtlijnsoort
Gevlekte witsnuitlibel
35
Gevoeligheid voor Gevoeligheid voor verstoring door optische geluid verstoring
Trend Onbekend
Niet gevoelig
Niet gevoelig
-
Onbekend
Onbekend
https://www.synbiosys.alterra.nl/bij12/effectenindicatorappl.aspx?subj=effectenmatrix&tab=1
18 december 2020
BG9448WATRP200904
30
Projectgerelateerd
Het Noordhollands Duinreservaat is aangewezen voor meerdere habitattypen en voor twee habitatsoorten. Er zijn geen vogelsoorten aangewezen. Op basis van de effectenindicator blijkt dat de nauwe korfslak niet gevoelig is voor geluid. Van de gevlekte witsnuitlibel is volgens de effectenindicator onbekend of deze gevoelig is voor geluid. Wel is bekend dat alle libellen, en dus ook deze soort, zich vooral visueel op hun omgeving oriënteren. Uit een in het kader van deze toetsing uitgevoerd bronnenonderzoek is geen literatuurbron of andere indicatie van gevoeligheid voor geluidsverstoring voor libellen in het algemeen gebleken. Veel libellen hebben ‘oorachtige structuren (oreillets)’ maar dit zijn geen hoororganen. Ook op de site van de Vlinderstichting is niets te vinden over mogelijke oren of geluidverstoring bij libellen en ook uit eigen ervaringen van de auteurs blijkt niet dat libellen reageren op geluid. Er is daarom voldoende duidelijkheid dat libellen in het algemeen en de gevlekte witsnuitlibel in het bijzonder niet reageren op vliegtuiggeluid en dus ook niet gevoelig zijn voor de kleine verandering in de geluidsbelasting die op zal treden als gevolg van de Activiteit.
Als gevolg hiervan is de conclusie dat de beide habitattypen waarvoor het Noordhollands Duinreservaat is aangewezen geen effecten zullen ondervinden van lokaal iets hogere geluidsbelasting en dat daarmee negatieve effecten als gevolg hiervan op de instandhoudingsdoelstellingen op dit Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten. Het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is aangewezen voor een groot aantal Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijnsoorten (tabel 4-3). Verschillende hiervan zijn gevoelig of zeer gevoelig voor verstoring door geluid. Als gevolg van de Activiteit vindt er in een deel van het Natura 2000-gebied een kleine afname plaats en in een ander deel juist een kleine toename (figuur 4-3). De Nieuwkoopse Plassen & de Haeck zijn restanten van het voormalige Hollandse kustvlakteveen. Het is een laagveenverlandingsgebied waarin, naast veenplassen met bijzondere watervegetaties, een grote oppervlakte overgangsveen en moerasheide is gevormd. Het is tevens het meest westelijk gelegen verlandingsgebied waarin lokaal nog goed ontwikkelde vegetaties van basenrijk overgangsveen te vinden zijn. Belangrijk broedgebied voor broedvogels van rietmoerassen (roerdomp, purperreiger, snor, rietzanger). Ook van enig belang als broedgebied voor enkele andere moeras- en watervogels (zwartkopmeeuw, zwarte stern).
Voor de zwartkopmeeuw betreft het de grootste broedkolonie buiten de Delta. De doelen voor dit gebied hebben betrekking op een reeks habitattypen die kenmerkend zijn voor de verschillende stadia van verlanding in een veenlandschap, alsook de bijbehorende habitatsoorten en vogelsoorten De kernopgave voor dit gebied is behoud en herstel van samenhang tussen slaapplaatsen en foerageergebieden in het bijzonder voor grasetende watervogels en meervleermuizen (de belangrijkste kraamkamerfunctie en slaapfunctie van de meervleermuis ligt vooral in gebouwen buiten de Natura 2000gebieden). Herstel van het mozaïek van verlandingsstadia van open water tot moerasbos en herstel van gradiënt watertypen (inclusief brak).
18 december 2020
BG9448WATRP200904
31
Projectgerelateerd
Tabel 4-3. Gevoeligheid voor verschillende typen verstoringen op diersoorten aangewezen voor het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Type
Soort
Habitatrichtlijnsoort
Zeggekorfslak
Habitatrichtlijnsoort
Gestreepte waterroofkever
Habitatrichtlijnsoort
Bittervoorn
Habitatrichtlijnsoort
Kleine modderkruiper
Habitatrichtlijnsoort
Gevoeligheid voor Gevoeligheid voor verstoring door optische geluid verstoring
Trend Onbekend
Niet-gevoelig
Niet-gevoelig
Onbekend
Onbekend
Zeer gevoelig
Gevoelig
Zeer gevoelig
Gevoelig
Rivierdonderpad
Gevoelig
Onbekend
Habitatrichtlijnsoort
Meervleermuis
Gevoelig
Gevoelig
Habitatrichtlijnsoort
Noordse woelmuis
Onbekend
Onbekend
Habitatrichtlijnsoort
Groenknolorchis
Onbekend
N.v.t.
N.v.t.
Habitatrichtlijnsoort
Platte schijfhoren
Onbekend
Niet-gevoelig
Niet-gevoelig
Broedvogels
Roerdomp
Sterke afname
Gevoelig
Gevoelig
Broedvogels
Purperreiger
Matige toename
Gevoelig
Gevoelig
Broedvogels
Zwartkopmeeuw
Matige toename
Niet-gevoelig
Niet-gevoelig
Broedvogels
Zwarte stern
Onbekend
Niet-gevoelig
Zeer gevoelig
Broedvogels
Snor
Onbekend
Gevoelig
Niet-gevoelig
Broedvogels
Rietzanger
Stabiel
Gevoelig
Niet-gevoelig
Niet-broedvogels
Grote zilverreiger
Matige toename
Gevoelig
Niet-gevoelig
Niet-broedvogels
Kolgans
Sterke afname
Niet-gevoelig
Niet-gevoelig
Niet-broedvogels
Smient
Matige toename
Niet-gevoelig
Niet-gevoelig
Niet-broedvogels
Krakeend
Onbekend
Niet-gevoelig
Niet-gevoelig
Onbekend
De Oostelijke Vechtplassen bestaat uit een reeks van laagveengebieden tussen de Vecht en de oostrand van Utrechtse heuvelrug. In het gebied bevinden zich door turfwinning ontstane meren en plassen, meest met een zandondergrond, sommige daarna aanzienlijk verdiept door zandwinning. De combinatie van rivierinvloeden en invloeden van het watersysteem van de zandgronden heeft een rijke schakering van typen van moeras en moerasvegetaties doen ontstaan. Het is een belangrijk broedgebied voor broedvogels van rietmoerassen (roerdomp, purperreiger) en zeer belangrijk voor broedvogels van moerassen met veel waterriet en lange oeverlijnen (woudaap, grote karekiet). Ook van enig belang als broedgebied voor enkele andere moeras- en watervogels (porseleinhoen, zwarte stern, ijsvogel).
18 december 2020
BG9448WATRP200904
32
Projectgerelateerd
Tabel 4-4. Gevoeligheid voor verschillende typen verstoringen op diersoorten aangewezen voor het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Type
Soort
Gevoeligheid voor verstoring door geluid
Habitatrichtlijnsoort
*Noordse woelmuis
Onbekend
Habitatrichtlijnsoort
Bittervoorn
Zeer gevoelig
Habitatrichtlijnsoort
Gestreepte waterroofkever
Onbekend
Habitatrichtlijnsoort
Gevlekte witsnuitlibel
Onbekend
Habitatrichtlijnsoort
Grote modderkruiper
Zeer gevoelig
Habitatrichtlijnsoort
Kleine modderkruiper
Zeer gevoelig
Habitatrichtlijnsoort
Meervleermuis
Gevoelig
Habitatrichtlijnsoort
Platte schijfhoren
Niet-gevoelig
Habitatrichtlijnsoort
Rivierdonderpad
Gevoelig
Habitatrichtlijnsoort
Zeggekorfslak
Niet-gevoelig
Broedvogel
Aalscholver
Niet-gevoelig
Niet-broedvogel
Aalscholver
Niet-gevoelig
Niet-broedvogel
Grauwe Gans
Niet-gevoelig
Broedvogel
Grote karekiet
Gevoelig
Broedvogel
IJsvogel
Niet-gevoelig
Niet-broedvogel
Kolgans
Niet-gevoelig
Niet-broedvogel
Krakeend
Niet-gevoelig
Niet-broedvogel
Nonnetje
Niet-gevoelig
Broedvogel
Porseleinhoen
Niet-gevoelig
Broedvogel
Purperreiger
Gevoelig
Broedvogel
Rietzanger
Gevoelig
Broedvogel
Roerdomp
Gevoelig
Niet-broedvogel
Roerdomp
Gevoelig
Niet-broedvogel
Slobeend
Niet-gevoelig
Niet-broedvogel
Smient
Niet-gevoelig
Broedvogel
Snor
Gevoelig
Niet-broedvogel
Tafeleend
Niet-gevoelig
Broedvogel
Woudaapje
Gevoelig
Broedvogel
Zwarte Stern
Niet-gevoelig
Niet-broedvogel
Zwarte Stern
Niet-gevoelig
In de volgende paragrafen wordt de verstoringsgevoeligheid van verschillende soorten voor verstoring door geluid besproken. Omdat meerdere soorten in zowel de Oostelijke Vechtplassen als voor de Nieuwkoopse plassen zijn aangewezen, geldt deze informatie voor die soorten voor beide gebieden.
18 december 2020
BG9448WATRP200904
33
Projectgerelateerd
4.2.1.1 Vissoorten De soorten grote modderkruiper, kleine modderkruiper en bittervoorn die als ‘zeer gevoelig’ voor geluidverstoring zijn aangemerkt zijn allemaal vissoorten. Daarnaast is ook de vissoort rivierdonderpad als ‘gevoelig’ voor geluidverstoring aangemerkt. Uit onderzoek blijkt dat er grote verschillen bestaan tussen de gevoeligheid voor geluid tussen vissoorten 36. Het gaat daarbij echter altijd om verstoring door onderwatergeluid. Geluid van buitenaf dringt maar zeer beperkt door tot in het water omdat de geluidsgolven die onder een hoek het wateroppervlakte raken, en dat is de grote meerderheid, voor een groot deel weerkaatsen. De hoeveelheid geluid wat dus nog onder water doordringt is klein. Uit ander onderzoek blijkt dat bovenwatergeluid geen of nauwelijks effecten heeft op onderzochte vissoorten 37. De verandering in de geluidsbelasting waar als gevolg van de Activiteit sprake is betreft een niveau tussen de 45 en 46 dB(A). Het grootste deel van dit vliegtuiggeluid zal door de weerkaatsing daarom niet onder water doordringen waardoor de geluidsniveaus als gevolg van de passerende vliegtuigen 38) zijn daarom uitgesloten.
4.2.1.2 Meervleermuis De meervleermuis is voornamelijk gevoelig voor verstoring door geluid als dit geluid de oriëntatie van de vleermuis, die ook plaatsvindt door middel van geluid zal verstoren of door geluiden nabij de verblijfplaatsen. De meervleermuis houdt winterslaap in verblijven als kelders van gebouwen, bunkers en grotten. Deze liggen niet in dit Natura 2000-gebied maar langs de kust, in Limburg of ten zuiden van Nederland. Geluidsverstoring als gevolg van de Activiteit kan daarom bij voorbaat uitgesloten worden. De meervleermuizen verblijven overdag in de zomer in gebouwen in de wijde omgeving (actieradius tot ongeveer 10 km) en vrijwel altijd buiten de Natura 2000-gebieden. Tot nu toe zijn er kraamverblijven rond de Nieukoopse plassen bekend in Waddinxveen (enkele honderden dieren), Aarlanderveen, Kamerik en Nieuwveen (elk enkele tientallen tot enkele honderden dieren) en aanvullend mannenverblijven in Ter Aar, Woerdense Verlaat en Kanis. Overdag wordt vliegtuiggeluid door de muren van die verblijfplaatsen gedempt. De meervleermuis is nachtactief in globaal de periode maart – oktober. In de nachtperiode landen vliegtuigen volgens een ander daalpad (zie figuur 3-7) en is in de periode 22:30 pm – 6:30 am geluidsverstoring om die reden al bij voorbaat uitgesloten.
De meervleermuis oriënteert zich door middel van geluidssignalen met pieken tussen 35 en 40 kHz welke vele hoger zijn dan vliegtuiggeluid (zie figuur 4-4). Omgevingsgeluid, waaronder vliegtuiggeluid, varieert van 5 tot 12.000 Hz (0,005 tot 12 kHz) 3940 . Uit onderzoek van Meijer et al. (2018) is gebleken dat frequenties tot 10 kHz vrijwel niet hoorbaar zijn voor veel soorten vleermuizen in Nederland, waaronder de meervleermuis.
36
Sierra-Flores, Rogelio. 2014. Environmental management of Atlantic cod(Gadus morhua) and turbot (Scophthalmus maximus): implications of noise, light and substrate. PhD Thesis, University of Stirling 37 DGMR. Ontsluitingsweg Harmelerwaard Onderzoek onderwatergeluid Deshima Koi. M.2019.0028.02.R001 38 Deze soort kan ook korte tijd boven water doorbrengen. Dat zal geen relevante invloed hebben op het effect 39 Wolfenden, A. 2017. The effects of aircraft noise on avian communities and communication. PhD thesis Manchester Metropolitan University 40 Oakland International Masterplan Update, 2006. Aircraft Noise. Verkregen op https://www.flyquietoak.com/sites/default/files/documents/2018-06/aircraft_noise_fundamentals.pdf 18 december 2020
BG9448WATRP200904
34
Projectgerelateerd
Figuur 4-4. Geluiddruk in relatie tot de frequentie van bos (zwart), drukke weg (blauw) en een vliegtuig uit 2015 (roodbruin 41).
Er is dus geen interferentie met vliegtuiggeluid wat veel lagere frequenties heeft. Hiermee is het voldoende zeker dat het geluid van vliegverkeer geen verstorende effecten heeft op de meervleermuis in deze Natura 2000-gebieden en dat significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen uitgesloten kunnen worden. In paragraaf 4.2. wordt getoetst aan optische verstoring voor vliegtuigbewegingen die tussen de 2.0003.000 ft plaatsvinden. In die paragraaf wordt niet getoetst voor de meervleermuis in de Nieuwkoopse plassen en de Oostelijke Vechtplassen, omdat dat vliegtuigbewegingen daar altijd boven de 3.000 ft plaatsvinden en conform het uitgangspunt daarvoor, mogelijk significante negatieve effecten al op voorhand uitgesloten kunnen worden.
4.2.1.3 Noordse woelmuis Nieuwkoopse plassen De instandhoudingsdoelstelling voor deze soort in Natura 2000-gebied de Nieuwkoops Plassen is behoud van omvang en kwaliteit van het leefgebied. Uit het beheerplan blijkt niet wat de trend van deze soort is. Wel is duidelijk dat de woelmuis in vrijwel het hele gebied van de Nieuwkoopse Plassen en De Haeck is waargenomen. Uit de effectenindicator blijkt niet wat de gevoeligheid voor verstoring door geluid is. Uit de Nota van toelichting bij het aanwijzingsbesluit van dit gebied42 blijkt dat de noordse woelmuis verspreid voorkomt in de moerassige delen van het gehele gebied. De noordse woelmuis verkeert landelijk in een zeer ongunstige staat van instandhouding. In Nieuwkoop is volgens de beschrijving in het beheerplan een grote populatie van de soort aanwezig. Deze populatie staat in verbinding met een kleinere populatie in de Kamerikse Nessen. Conform de gebiedsanalyse komt de noordse woelmuis voor in veel verschillende natuurdoeltypen (3.24=moeras; 3.25=natte strooiselruigte; 3.27=trilveen; 3.28=veenmosrietland; 3.29=nat schraalgrasland; 3.31=dotterbloemgrasland (veen en klei); 3.32=nat matig voedselrijk grasland; 3.38=bloemrijk grasland 41
Wolfenden, A. 2017. The effects of aircraft noise on avian communities and communication. PhD thesis Manchester Metropolitan University 42 Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-103 | 103 Nieuwkoopse Plassen & De Haeck 18 december 2020
BG9448WATRP200904
35
Projectgerelateerd
(veen)) binnen dit Natura 2000-gebied en komen deze natuurdoeltypen in grote delen van het Natura 2000-gebied voor, uiteraard buiten het plassengebied. Er is dus een ruim leefgebied voor deze soort aanwezig in dit Natura 2000-gebied en op basis van de beschikbare informatie uit het gebiedsdocument blijkt de populatie relatief groot is. De noordse woelmuis wordt op veel plaatsen van voorkomen bedreigd door verdroging en concurrentie van andere woelmuissoorten, zoals de veldmuis en de aardmuis. Uit het beheerplan voor de Nieuwkoopse plassen komt niet naar voren of verdroging in dit gebied een knelpunt is. De concurrenten van de noordse woelmuis komen ook in het Nieuwkoopse Plassengebied voor. De noordse woelmuis komt voor in De Haeck, de Schraallanden langs de Meije, de Meijegraslanden en het plassen- en moerasgebied. Hier komt geschikt biotoop voor. De aard- en veldmuis komen niet of nauwelijks voor in deze deelgebieden. Het niet voorkomen van de aardmuis hangt vermoedelijk samen met het jaarlijks maaien van de percelen. Er is geen onderzoek bekend waaruit blijkt dat noordse woelmuizen (Microtus oeconomus arenicola), of andere ondersoorten van dezelfde soort (Microtus oeconomus), gevoelig zijn voor verstoring door geluid. Het is zeker dat zij goed kunnen horen en soms onderling vocaal communiceren43.
Conform het Kennisdocument noordse woelmuis 44 ontbreekt gedegen onderzoek naar gevoeligheid van noordse woelmuizen voor (veranderingen in) licht, trillingen, geluid, maar anekdotische waarnemingen onder andere op Texel, geven nog geen aanleiding om te veronderstellen dat de soort hiervoor gevoelig is. De verwachting in het kennisdocument is dat door de snelle voortplanting de generaties bij de noordse woelmuis elkaar snel opvolgen, waardoor verondersteld kan worden dat de soort snel aan de nieuwe omstandigheden zal wennen. Overvliegende vliegtuigen betreffen verder vooral voorspelbare en herhaalde geluiden (en bewegingen). Over het algemeen is bekend dat de voorspelbaarheid van een verstoring leidt tot het afnemen van het verstorend effect, met name bij slimmere diersoorten of dieren met een goed leervermogen zoals zoogdieren en vogels 45. Hieraan liggen verschillende mechanismen ten grondslag die samengevat kunnen worden als ‘gewenning’. De overvliegende vliegtuigen richting de Luchthaven voldoen aan veel van de criteria of condities waardoor gewenning op kan treden; routes, type bewegingen, geluid etc. zijn vrij constant en voorspelbaar. Ook het feit dat de meeste type bewegingen en geluiden herhaald en vaak voorkomen zal bijdragen aan een snelle gewenning. Een overvliegend vliegtuig zorgt voor een relatief langzaam toenemend geluidsniveau (figuur 4-5).
Dieren zijn over het algemeen veel gevoeliger voor onverwachte korte geluiden (knallen, impulsgeluid) dan voor langzaam aanzwellende en daarna weer afzwakkende geluiden zoals deze door vliegtuigen veroorzaakt worden46. Er zijn geen grenswaarden bekend voor de noordse woelmuis of aanverwante soorten. Er is op basis van literatuurstudies als van Kleijn (2008) en expert opinion af te leiden dat de noordse woelmuis zeker niet gevoeliger voor geluid zal zijn dan wat voor broedvogels wordt aangehouden (45 dB(A)). Het is dus onduidelijk of deze soort wel enige hinder ondervindt van het vliegtuiggeluid in zowel de referentiesituatie als onder de Activiteit.
43
Feldhamer, G. et al (2003). Wild mammals of North Amerca; biology, management and conservation. 2nd. Ed. Baltimore, Maryland. Johns Hopkins University Press. 44 BIJ12. Noordse woelmuis | Microtus oeconomus arenicola Kennisdocument | Versie 1.0 Juli 2017 45 Krijgsveld, K.L., Smits, R.R. & van der Winden, J., 2008. Verstoringsgevoeligheid van vogels. Update literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie. Rapportnr. 08-173. Bureau Waardenburg 46 Kleijn, D. 2008. Effecten van geluid op wilde soorten – implicaties voor soorten betrokken bij de aanwijzing van Natura 2000gebieden 18 december 2020
BG9448WATRP200904
36
Projectgerelateerd
Figuur 4-5. Typisch geluidspatroon (in dB(A) in de tijd (seconden) van een langsvliegend vliegtuig47.
Het gebied van de Nieuwkoops plassen waar de afname van de geluidbelasting plaatsvindt, bestaat vrijwel geheel uit moerasgebied en graslanden waar dus geschikte leefgebieden voor de noordse woelmuis liggen. Het gebied waar de toename van de geluidbelasting optreedt bestaat ook voor een groot deel uit moerasgebied en grasland, maar ook voor een deel uit open water. Als gevolg hiervan is de afname van geluidgestoord gebied groter dan waar de toename plaatsvindt. Omdat de noordse woelmuis verspreid over een groot deel van het Natura 2000-gebied voorkomt in zowel het gebied waar de geluidverstoring marginaal afneemt als marginaal toeneemt vindt er dus netto geen afname van de oppervlakte van geschikt leefgebied plaats als gevolg van de Activiteit. In het beheerplan worden geen andere geluidsverstoringen genoemd die mogelijk kunnen cumuleren met vliegtuiggeluid. In en nabij het zuidelijke deel van de Nieuwkoopse plassen waar de toename van de geluiddruk plaats zal vinden (figuur 4-6) ligt de lintbebouwing van Meije. Hier zijn geen relevante toekomstige ontwikkelingen bekend die mogelijk voor cumulatie zorgen met vliegtuiggeluid.
47
Masterplan Oakland International Airport. www.oaklandairport.com/development/master-plan/
18 december 2020
BG9448WATRP200904
37
Projectgerelateerd
Figuur 4-6. Nieuwkoopse plassen met 45dB(A)laeq contour voor de referentie (geel) en de Activiteit (blauw) en de gebieden met toeen afname van ordegrootte 1 db(A).
Op basis van voorgaande overwegingen wordt uitgesloten dat de populatie noordse woelmuizen in dit Natura 2000-gebied significant negatieve effecten zal ondervinden als gevolg van de Activiteit omdat de kwaliteit en omvang van geschikt leefgebied zeker niet kleiner zal worden en daarmee de instandhoudingsdoelstelling van behoud van oppervlakte en kwaliteit van het leefgebied niet in gevaar komt. Oostelijke Vechtplassen De instandhoudingsdoelstelling voor deze soort in Natura 2000-gebied de Oostelijke Vechtplassen is uitbreiding van omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied. Er is nog geen beheerplan vastgesteld en geen conceptbeheerplan beschikbaar. In de gebiedsanalyse uit 2017 48 is vrijwel geen informatie over deze soort te vinden. In het concept gebiedendocument uit 2007 wordt aangegeven voor de noordse woelmuis: “Versterking van de weinige, geïsoleerde populaties in dit gebied en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied is daarom van groot belang.” In de Toelichting bij het Definitief Ontwerp 49 is te vinden dat bij recente inventarisaties in het Utrechtse deel van het Vechtplassengebied de hoogste aantallen van de noordse woelmuis zijn aangetroffen in de Westbroekse Zodden en de Tienhovense Plassen. De soort is tevens uit het Noord-Hollandse deel van het gebied bekend.
De Westbroekse Zodden en de Tienhovense Plassen liggen aan de zuidzijde van het Natura 2000-gebied waar geen sprake is van enige geluidstoename als gevolg van de Activiteit.
48 49
www.natura2000.nl/sites/default/files/PAS/Gebiedsanalyses_vigerend/095_Oostelijke%20Vechtplassen_GA_25-10-2017.pdf Ecogroen Advies & Ingenieursbureau 2016. Natuurontwikkeling in Oostelijke Vechtplassen provincie Utrecht
18 december 2020
BG9448WATRP200904
38
Projectgerelateerd
De toename van de geluidsdruk (zie figuur 4-4) is beperkt tot een strook over een deel van de Spiegelpolder, de Horstermeer en een deel van de Ankeveense plassen. De Spiegelpolder en de Horstermeer zijn door het landgebruik (open water en agrarisch gebied) ongeschikt als leefgebied. De Ankeveense plassen lijken wel geschikt als leefgebied. In dit gebied zal lokaal als gevolg van de Activiteit sprake zijn van een geluidstoename tot boven de 43 dB(A)LAeq en onder de 45 dB(A)LAeq. Zoals al aangegeven in bij de Nieuwkoopse plassen is er geen indicatie over gevoeligheid voor geluidsverstoring van de noordse woelmuis of de andere ondersoorten van Microtus oeconomus voor de ordegrootte van geluidsdruk zoals veroorzaakt door het vliegverkeer. Er is daarom geen enkele reden om te veronderstellen dat een kleine toename van het geluidsniveau nog onder de 45 dB(A)LAeq tot een effect op deze soort kan leiden. Er zijn geen toekomstige ontwikkelingen bekend in de Ankeveense plassen die tot een cumulatie van geluid met het vliegtuiggeluid zouden kunnen leiden. Het gebied wordt alleen gebruikt voor recreatie op paden en voor waterrecreatie. Veel delen zijn alleen over water bereikbaar en vrijwel ontoegankelijk.
Op basis van voorgaande overwegingen wordt uitgesloten dat de populatie noordse woelmuizen in dit Natura 2000-gebied significant negatieve effecten zal ondervinden als gevolg van de Activiteit omdat de kwaliteit en omvang van geschikt leefgebied zeker niet kleiner zal worden en daarmee de instandhoudingsdoelstelling van behoud van oppervlakte en kwaliteit van het leefgebied niet in gevaar komt.
4.2.1.4 Vogels Omdat in de dit gebied de geluidsverstoring overal onder de 45 dB(A) ligt, wordt er voor deze toetsing vanuit gegaan dat alleen zeer verstoringsgevoelige vogelsoorten enig effect zouden kunnen ondervinden van een toename van die geluidverstoring. Voor de Oostelijke Vechtplassen wordt geen van de aangewezen vogelsoorten als zeer gevoelig voor geluidsverstoring beschouwd conform de effectenindicator. Op basis daarvan wordt uitgesloten dat de broedvogels en nietbroedvogels in dit Natura 2000-gebied significant negatieve effecten kunnen ondervinden als gevolg van de Activiteit omdat de kwaliteit en omvang van geschikt leefgebied zeker niet aangetast zal worden en daarmee de instandhoudingsdoelstellingen voor deze soorten niet in gevaar komen. Voor de Nieuwkoopse plassen worden vier broedvogelsoorten en één niet-broedvogel als gevoelig voor verstoring door geluid beschouwd conform de effectenindicator. Voor de soorten die, conform de informatie uit het beheerplan50 een toename van de populatie hebben laten zien de afgelopen jaren (purperreiger en zilverreiger), zal de relatief beperkte verschuiving van het geluidbelaste gebied binnen de 45 dB(A) zonder afname van de oppervlakte daarvan daarom zeker geen effecten hebben.
Voor beide soorten is de instandhoudingsdoelstelling behoud van omvang en kwaliteit van het leefgebied waarvan dus al op voorhand duidelijk is dat de Activiteit deze niet in gevaar zal brengen. De trend bij de rietzanger was stabiel, de trend bij de snor was onbekend en voor de roerdomp is een sterke afname waargenomen. Deze soorten zullen daarom nader getoetst worden. Rietzanger De rietzanger is een trekvogel die de winter doorbrengt in Afrika en ’s zomers in Europa te vinden is. De rietzanger leeft in overjarige rietkragen, rietlanden en kruidenrijke ruigten. De vogel is vooral in Midden- en Zuid-Nederland in aantal afgenomen; in het westen en noorden van ons land komt de vogel nog relatief vaak voor.
50
Provincie Zuid-Holland. 2014. Ontwerpbeheerplan Nieuwkoopse PLassen en De Haeck. Periode 2014 – 2019.
18 december 2020
BG9448WATRP200904
39
Projectgerelateerd
In de Nieuwkoopse Plassen en De Haeck komt de vogelsoort in grote aantallen voor. De rietzanger blijkt niet alleen te broeden op de plekken die zijn voorkeur hebben (zoals overjarig riet), maar ook op minder voor de hand liggende plaatsen, zoals gemaaid riet. Het potentiële leefgebied voor de rietzanger in de Nieuwkoopse Plassen en De Haeck is dus groot. Doel: behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 680 paren. Snor De snor is een moerasvogel die nestelt in oud riet bij meren en moerassen. Hij heeft zijn naam te danken aan zijn snorrende zanggeluid. Na jaren van achteruitgang lijkt het aantal broedparen in Nederland weer toe te nemen. Als broed- en foerageergebied heeft de snor de voorkeur voor overjarig rietland. De vogels maakt zijn nest in dichte begroeiing, tussen gebroken rietstengels, lisdodde, grote zeggen en gagel. Bekend is dat de soort in 2009 in (relatief) grote aantallen voorkwam in de Nieuwkoopse Plassen en De Haeck. Opvallend genoeg ontbreekt het in het plassengebied aan overjarig rietland, het optimale broeden foerageergebied voor de snor. Dit hangt samen met het huidige peilbeheer (vast peil). In de praktijk maakt de snor echter ook gebruik van andere vegetatietypen om te broeden, zoals jong struweel of hakhout.
Doel: behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 25 paren. Roerdomp Inundatieriet, de beste broedplek voor de roerdomp, ontbreekt op dit moment in de Nieuwkoopse Plassen en De Haeck. Dit komt vooral door statisch waterpeil in het gebied. In 2009 en 2011 is één broedend paar roerdompen in de Nieuwkoopse Plassen en De Haeck aangetroffen, op een plek die zo was ingericht dat inundatieriet zich kon ontwikkelen. Het plassen- en moerasgebied is in potentie geschikt als foerageergebied, met waterrijke rietlanden en overgangen van rietland naar grasland. Doel: uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 6 paren. Effectbepaling Voor deze drie broedvogels geldt dat de afname in oppervlakte en kwaliteit van het leefgebied de voornaamste oorzaak van de huidige situatie/achteruitgang is. Dit hangt deels samen met het verdwijnen van de peilfluctuatie in hun leefgebieden, waaronder ook in de Nieuwkoopse plassen. In het beheerplan wordt daarom ingezet op het verbeteren en uitbreiden van geschikt leefgebied. Voor de roerdomp gaat het om het inrichten van leefgebied voor vijf broedparen waar zo’n peilfluctuatie wel mogelijk is, zodat zich overjarig riet in de vorm van water- en inundatieriet en rietmoeras kan ontwikkelen.
De opgave in het beheerplan is het inrichten van maximaal 50 hectare, om een zo robuust en optimaal leefgebied te kunnen creëren. De maatregelen komen ten goede aan moerasvogels, met name de roerdomp, maar ook aan soorten als de snor, de rietzanger, de zwarte stern en de noordse woelmuis. In de referentiesituatie vinden er jaarlijks al duizenden vluchten plaats boven dit Natura 2000-gebied. In het beheerplan is nergens geconstateerd dat dit een knelpunt is voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Als gevolg van de Activiteit, neemt het totale aantal vliegtuigbewegingen naar baan 36R met ongeveer 2.700 vliegtuigbewegingen af 51 ten opzichte van de referentie met 480.000 vtb, waardoor er in dit Natura 2000-gebied zeker geen sprake is van een netto toename van verstoring door 51
Zie tabel 3.1
18 december 2020
BG9448WATRP200904
40
Projectgerelateerd
geluid door vliegtuigen die op ongeveer 2.000 ft overvliegen. De verschuiving van een deel van deze vliegtuigbewegingen naar een meer zuidelijk deel van de Nieuwkoopse plassen zal ertoe leiden dat het beschikbare leefgebied in oppervlakte of kwaliteit zeker gelijk blijft en waarschijnlijk iets toeneemt (figuur 4-6). Door het treffen van de in het beheerplan voorgestelde maatregel ter verbetering van het leefgebied is waarschijnlijk dat de broedpopulaties van de soorten toenemen doordat het voornaamste knelpunt: oppervlakte en kwaliteit van het leefgebied wordt opgelost. Op basis van voorgaande overwegingen wordt uitgesloten dat de instandhoudingsdoelstellingen voor de broedvogels purperreiger, zilverreiger, roerdomp, snor en rietzanger in dit Natura 2000-gebied significant negatieve effecten zullen ondervinden als gevolg van de Activiteit.
4.2.2
Optische verstoring
Vogels en zoogdieren kunnen verstoord worden door overvliegende vliegtuigen als deze horizontaal op minder dan 2.000 meter afstand vliegen en verticaal op minder dan 3.000 ft. Door de toename van het aantal vluchten en de verandering van baangebruik (zie hoofdstuk 3) is ook een toename van het aantal vluchten op minder dan 3.000 ft te verwachten boven verschillende Natura 2000-gebieden. Uit figuur 3-6 is af te leiden dat een deel van de vliegtuigen die landen op de banen 18C, 18R en 27, waar dus sprake zal zijn van een toename, regelmatig lager dan 3.000 ft over Natura 2000-gebieden vliegen. Er is ook een toename van het aantal naderingen op baan 22 en 36C, maar deze vliegen niet lager dan 3.000 ft over Natura 2000-gebieden, zoals uit diezelfde figuur is af te leiden. De vliegtuigbewegingen naar baan 22 en 36C zullen daarom verder niet getoetst worden. In tabel 4-4 is weergegeven over welke Natura 2000-gebieden er sprake is van een toename van het aantal vluchten als gevolg van de Activiteit. Tabel 4-4. Natura 2000-gebieden waar in de nieuwe situatie sprake is van een toename van het aantal vluchten lager dan 3.000 ft. Relevant baannummer
Natura 2000-gebied
Habitatrichtlijn- en/of Vogelrichtlijngebied
Toename aantal vluchten in % (1)
18R
Noordhollands Duinreservaat
Habitatrichtlijngebied
11%
18C
Polder Westzaan
Habitatrichtlijngebied
16%
18C
Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijngebied & Twiske
16%
27
Markermeer en IJmeer
19%
Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijngebied
1=berekend op basis van de gegevens uit tabel 3-1. Noordhollands Duinreservaat De habitatsoorten die voor het Noordhollands Duinreservaat zijn aangewezen zijn in tabel 4-2 weergegeven. Voor de nauwe korfslak is bekend 52 dat deze niet gevoelig is voor optische verstoring. Voor de gevlekte witsnuitlibel is dit niet bekend volgens de Effectenindicator. Libellen hebben uitstekend zicht en kunnen bewegingen goed waarnemen en hebben bovendien een uitstekend stereozicht. Ze kunnen dus afstand goed bepalen. Op basis van expert opinion blijkt dat libellen vooral reageren op beweging tot op enkele meters afstand en dat het aannemelijk is dat ze beweging waarnemen tot enkele tientallen meters.
52
effectenindicator
18 december 2020
BG9448WATRP200904
41
Projectgerelateerd
Knelpunten in het leefgebied van deze soort zijn de eutrofiëring van het leefgebied en ontbreken van verlandingsvegetaties / krabbescheervegetaties. Verstoring wordt niet als knelpunt genoemd voor deze soort in het beheerplan of op de site van BIJ12. Er is op basis van de best beschikbare kennis geen reden aan te nemen dat vliegtuigen die op 2.000 ft hoogte overvliegen een negatief effect kunnen hebben op deze soort. De toename van het aantal naderende vliegtuigbewegingen welke tussen 2.000 en 3.000 ft boven het Noordhollands duinreservaat vliegen zal daarom ook geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor de nauwe korfslak of de gevlekte witsnuitlibel hebben. Polder Westzaan De habitatsoorten en gevoeligheid waarvoor het Natura 2000-gebied Polder Westzaan is aangewezen zijn weergegeven in tabel 4-5. Tabel 4-5. Gevoeligheid voor optische verstoringen op soorten aangewezen voor het Natura 2000-gebied Polder Westzaan. Type
Soort
Habitatrichtlijnsoort
Bittervoorn
Habitatrichtlijnsoort
Kleine modderkruiper
Habitatrichtlijnsoort Habitatrichtlijnsoort
Gevoeligheid voor optische verstoring
Trend Onbekend
Gevoelig
Stabiel
Gevoelig
Meervleermuis
Onbekend
Gevoelig
Noordse woelmuis
Onbekend
Onbekend
Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske In tabel 4-3 zijn de Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten en hun gevoeligheid voor optische verstoring voor het Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske weergegeven. Tabel 4-6. Gevoeligheid voor optische verstoringen op soorten aangewezen voor het Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. Gevoeligheid voor optische verstoring
Type
Soort
Trend
Habitatrichtlijnsoort
Bittervoorn
Gevoelig
Habitatrichtlijnsoort
Kleine modderkruiper
Gevoelig
Habitatrichtlijnsoort
Rivierdonderpad
Onbekend
Habitatrichtlijnsoort
Meervleermuis
Gevoelig
Habitatrichtlijnsoort
Noordse woelmuis
Onbekend
Broedvogels
Roerdomp
Broedvogels
Stabiel
Gevoelig
Bruine kiekendief
Matige afname
Niet-gevoelig
Broedvogels
Kemphaan
Sterke afname
Niet-gevoelig
Broedvogels
Watersnip
Matige afname
Niet-gevoelig
Broedvogels
Visdief
Sterke afname
Gevoelig
Broedvogels
Snor
Onbekend
Niet-gevoelig
Broedvogels
Rietzanger
Stabiel
Niet-gevoelig
Niet-broedvogels
Grauwe gans
Sterke toename
Niet-gevoelig
Niet-broedvogels
Smient
Matige afname
Niet-gevoelig
18 december 2020
BG9448WATRP200904
42
Projectgerelateerd
Gevoeligheid voor optische verstoring
Type
Soort
Trend
Niet-broedvogels
Krakeend
Sterke toename
Niet-gevoelig
Niet-broedvogels
Slobeend
Onbekend
Niet-gevoelig
Niet-broedvogels
Meerkoet
Matige afname
Niet-gevoelig
Niet-broedvogels
Grutto
Onbekend (waarschijnlijk stabiel)
Niet-gevoelig
Markermeer en IJmeer In tabel 4-7 zijn de Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten en hun gevoeligheid voor optische verstoring voor het Natura 2000-gebied Markermeer en IJmeer weergegeven. Tabel 4-7. Gevoeligheid voor optische verstoringen op soorten aangewezen voor het Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer. Type
Soort
Habitatrichtlijnsoort
Kleine modderkruiper
Habitatrichtlijnsoort
Gevoeligheid voor optische verstoring
Trend -
Gevoelig
Rivierdonderpad
Toename tot de jaren 90, daarna sterke afname, nu onbekend
Gevoelig
Habitatrichtlijnsoort
Meervleermuis
Onbekend
Gevoelig
Broedvogels
Aalscholver
Onbekend
Gevoelig
Broedvogels
Visdief
Matige toename
Gevoelig
Niet-broedvogels
Fuut
Stabiel
Gevoelig
Niet-broedvogels
Aalscholver
Matige toename
Gevoelig
Niet-broedvogels
Lepelaar
Sterke toename
Niet-gevoelig
Niet-broedvogels
Grauwe gans
Sterke toename
Niet-gevoelig
Niet-broedvogels
Brandgans
Sterke toename
Niet-gevoelig
Niet-broedvogels
Smient
Matige toename
Niet-gevoelig
Niet-broedvogels
Krakeend
Sterke toename
Niet-gevoelig
Niet-broedvogels
Slobeend
Sterke toename
Niet-gevoelig
Niet-broedvogels
Krooneend
Sterke toename
Gevoelig
Niet-broedvogels
Tafeleend
Stabiel
Gevoelig
Niet-broedvogels
Kuifeend
Matige afname
Gevoelig
Niet-broedvogels
Toppereend
Onbekend
Gevoelig
Niet-broedvogels
Brilduiker
Sterke afname
Niet-gevoelig
Niet-broedvogels
Nonnetje
Matige afname
Niet-gevoelig
Niet-broedvogels
Grote zaagbek
Matige afname