CConstaterende datnieuwkoop
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport-passende-beoordeling.pdf

Besluitvormende raadsvergadering 18 maart 2021, gemeente nieuwkoopBij agendapunt: Raadsvoorstel Zienswijze Ontwerpbeschikking Natuurbeschermingswet Schiphol (2021-028)24.540 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Gevoelig

Niet-broedvogels

Meerkoet

Matige toename

Niet-gevoelig

Niet-broedvogels

Dwergmeeuw

Onbekend

Niet-gevoelig

Niet-broedvogels

Zwarte stern

Onbekend

Gevoelig

18 december 2020

BG9448WATRP200904

43

Projectgerelateerd

In de volgende paragrafen worden deze soorten per soortgroep en eventueel per soort en Natura 2000gebied nader getoetst.

4.2.2.1 Vissoorten De bittervoorn, kleine modderkruiper en andere vissoorten zijn over het algemeen gevoelig voor optische verstoring. Dat betreft verstoring in het water zelf of op de oevers. Een vliegtuig dat op minstens 2.000 ft overvliegt is voor deze vissen absoluut niet zichtbaar omdat hun ogen alleen relatief dichtbij scherp kunnen zien en door de water-lucht lichtbreking vliegtuigen op die hoogte niet meer onderscheidbaar zijn. Wel is mogelijk dat, als de zon hoog staat en het helder weer is, de slagschaduw van een vliegtuig merkbaar is voor deze vissen. Het visuele effect daarvan onder water zal vergelijkbaar zijn met een overvliegende vogel. Het is mogelijk dat de vis daarop reageert door weg te duiken en/of foerageren onderbreekt. Beide soorten komen vaak voor in water met waterplanten. De kleine modderkruiper ligt bovendien vaak op/in de sliblaag waardoor wegduiken nauwelijks tijd kost mocht er al gereageerd worden op de slagschaduw. Beide vissoorten zijn de hele tijd alert op roofdieren en bewegingen in hum omgeving en zullen tientallen tot honderden malen per dag reageren op schaduwen en bewegingen. Een slagschaduw zal zelden dezelfde locatie treffen en dus niet leiden tot een relevante afname van foerageertijd. De rivierdonderpad ligt vaak beschut tussen stenen en zal daar snel tussen wegduiken bij verstoring.

Ook deze soort zal dagelijks vele malen wegduiken in reactie op langskomende andere vissen, vogels en overige bewegingen. Een reactie op een hoog overvliegend vliegtuig is echter geheel uit te sluiten. Deze vissoorten zullen zeker geen negatieve effecten ondervinden van een toename van het aantal vliegtuigbewegingen tussen de 2.000 en 3.000 ft en significante effecten zijn in het licht van de voor deze soorten vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen volledig uit te sluiten.

4.2.2.2 Meervleermuis Polder Westzaan53 Het gehele gebied is geschikt als meervleermuisbiotoop in de zomer (vochtige weilanden in combinatie met water en her en daar begrazing door vee). Ondanks de kleine afmetingen van het gebied is de diversiteit voedselbiotopen redelijk hoog (waterwegen <30 en >30m, bomenrijen en weilanden). Het gebied is erg open, de bomenrijen nabij het water zijn dan ook belangrijk, omdat deze tijdens winderige nachten beschutting bieden. De polder Westzaan is belangrijk voedselbiotoop voor met name het kraamverblijf in Westzaan). In Halfweg bevindt zich het enig bekende paarverblijf in deze regio. Uitwisseling tussen de groep in Halfweg en Westzaan is aangetoond via ringonderzoek. Vermoedelijk bevinden zich, met name langs de westrand van de polder meerdere paarverblijven. Belangrijke vliegroutes en migratieroutes rondom de polder Westzaan zijn het Noordzeekanaal, de Nauernasche vaart en de Gouw. Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske Het gehele gebied is geschikt als meervleermuisbiotoop in de zomer (vochtige weilanden in combinatie met water en her en daar begrazing door vee). Het Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske is belangrijk voedselbiotoop voor zowel het kraamverblijf in Westzaan als uit Oostzaan. Ook dieren uit Holysloot zullen in de polders jagen.

Belangrijke vliegroutes in deze omgeving zijn de ringvaart van de Wijde Wormer, de Kolksloot, Noord-Hollands kanaal en de Watering.

53

Haarsma, A.J. 2012. De meervleermuis en Natura 2000 in Nederland.(www.batweter.nl).

18 december 2020

BG9448WATRP200904

44

Projectgerelateerd

Markermeer & IJmeer De oevers van het Markermeer en IJmeer vormen net als de oevers van het IJsselmeer een belangrijk onderdeel van lange afstand migratieroutes voor de vrouwelijke (en gedeeltelijk ook mannelijke) populatie meervleermuizen naar winterverblijven. De westoevers vormen een onderdeel van belangrijke lange afstand migratieroutes voor de vrouwelijke (en gedeeltelijk ook mannelijke) populatie meervleermuizen naar winterverblijven langs de kust van Holland (o.a. Zuid-Kennemerland en Meijendel & Berkheide, in de omgeving Calais (Frankrijk) en Antwerpen (België). De oostoever vormt een onderdeel van een belangrijke lange afstand migratieroute voor de vrouwelijke (en gedeeltelijk ook mannelijke) populatie meervleermuizen naar winterverblijven in de omgeving van het Duitse Munster en Osnabrück (straal van 50 km rondom het Teutoburgerwald). Overdag bevindt de meervleermuis zich in verblijfplaatsen in gebouwen. In de winter verblijft de meervleermuis zich in winterverblijfplaatsen die vooral langs de kust te vinden zijn. De nachtvliegtuigbewegingen boven de Natura 2000-gebieden zijn altijd ruim boven de 3.000 ft., waarmee nachtelijke verstoring kan worden uitgesloten. In de vroege ochtend en avond kunnen meervleermuizen wel tegelijk actief zijn met naderende lagere vliegtuigbewegingen boven de Natura 2000-gebieden.

Meervleermuizen oriënteren zich zowel met hun ogen als via echolocatie en mijden daarbij verlichte locaties. Hun echolocatie reikt voor zover bekend slechts enkele tientallen meters. Meervleermuizen vliegen tijdens het foerageren en op vliegroutes van verblijfplaatsen naar foerageergebieden meestal laag over water en langs landschapselementen. In het donker kunnen vliegtuigen die op 2.000 ft. overvliegen dus zeker niet met de echolocatie worden waargenomen. Wel kunnen ze eventueel de lichten zien. De verlichtingsintensiteit van overvliegende vliegtuigen op 2.000 ft. is klein en de lichten schijnen bovendien niet direct naar beneden. Het verschil van de zichtbaarheid van vliegtuiglichten op 2.000 ft. of 3.000 ft. hoogte zal daardoor klein zijn. Er zijn vele vliegroutes van meervleermuizen op minder dan 100 meter van wegen met langsrijdende auto’s. Zolang de vliegroute zelf niet verlicht is, blijken ze dus niet dusdanig hinder te ondervinden van de langsrijdende auto’s dat ze geen gebruik meer maken van de vliegroute. De verlichting van die auto’s is op die afstand vele malen sterker dan van vliegtuigen op 2.000 ft. (ruim 600 meter). Er is daarom geen reden aan te nemen dat op 2.000 ft. overvliegende vliegtuigen de vleermuizen verstoren.

Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor de meervleermuizen van de overvliegende vliegtuigen op 2.000 ft boven de Natura 2000-gebieden kunnen daarom uitgesloten worden. Meervleermuizen migreren tot een paar honderd kilometer tussen winter- en zomerverblijfplaatsen54. Daarbij volgen ze, voor zover bekend, grotere waterwegen. De vlieghoogte op normale vliegroutes is vrij goed onderzocht55 en dan vliegen meervleermuizen vrijwel altijd tussen 1 en 7 m boven maaiveld of wateroppervlakte. Over de vlieghoogte tijdens migratieroutes is minder bekend. Het is echter aannemelijk dat de meervleermuis, zeker in de buurt van het zomerverblijf in en rondom de Natura 2000-gebieden, gebruik maakt van de ‘gewone’ laaggelegen vliegroutes. Daarom is waarschijnlijk dat tijdens de migratie deze dieren ook geen hinder zullen ondervinden van de vliegtuigbewegingen op 2.000 ft.

4.2.2.3 Noordse woelmuis Instandhoudingsdoelstelling voor Natura 2000-gebied Polder Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske: Behoud verspreiding, omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie (geldt alleen voor Habitatrichtlijngebied; deelgebieden Oostzanerveld, Ilperveld en Varkensland) 56. 54

Haarsma, A.J. 2011. De meervleermuis in Nederland. Rapport van de Zoogdiervereniging In opdracht van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw, en Innovatie 55 Haarsma, A.J. 2015. Doe meer met vliegroutes van de meervleermuis. VLEN Nieuwsbrief74 2015 (1) 56 Natura 2000 beheerplan Polder Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske 18 december 2020

BG9448WATRP200904

45

Projectgerelateerd

De noordse woelmuis is een soort die in veel verschillende biotopen kan leven. Belangrijk is dat er het gehele jaar door voldoende voedsel en dekking aanwezig is. Er moet variatie in de vegetatie aanwezig zijn zoals diverse kruiden, overgangszones tussen land en water met riet, aanwezigheid van bepaalde soorten zeggen en in natte gebieden moeten drogere delen aanwezig zijn. De noordse woelmuis is erg gevoelig voor concurrentie van andere woelmuizen. Vooral de concurrentie met veldmuizen en aardmuizen is bekend. Omdat de soort een lagere omgevingstemperatuur verdraagt dan de andere woelmuissoorten is de noordse woelmuis beter in staat om in natte vegetatietypen te overleven. In welk vegetatietype de noordse woelmuis zich bevindt is daarom afhankelijk van de aanwezigheid van één of meer van de andere concurrerende woelmuissoorten 57. Kenmerkend is echter dat de vegetatie wel altijd dekking geeft in de vorm van riet, zeggen, hoog gras of kruiden. De natte rietlanden, ruigten, graslanden en veenmosrietlanden die een groot gedeelte van dit Natura 2000-gebied beslaan garanderen een uitstekend leefgebied. Het leefgebied in het Natura 2000-gebied is kwalitatief en kwantitatief geschikt voor een duurzame instandhouding van de noordse woelmuis. Het feitelijke voorkomen en de trend binnen dit gebied is echter niet bekend.

Er zijn ook geen specifieke knelpunten voor dit Natura 2000-gebied bekend voor deze soort. De habitatvoorkeur voor opgaande vegetatie van deze soort en de teruggetrokken levenswijze, zal betekenen dat op 2.000 ft. of hoger overvliegende vliegtuigen niet erg zichtbaar zijn voor de noordse woelmuis en een vergelijkbaar effect geven als de vele hier overvliegende vogels. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat de noordse woelmuis hinder zal ondervinden van vliegtuigen die op 2.000 ft overvliegen en een kans op significant negatieve effecten worden daarom uitgesloten. Omdat significant negatieve effecten uitgesloten worden is cumulatie met eventuele andere toekomstige activiteiten is ook niet van toepassing.

4.2.2.4 Broedvogels en niet-broedvogels Het Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske is aangewezen voor twee broedvogelssoorten (zie tabel 4-6) die gevoelig zijn voor optische verstoring. Dit betreft de roerdomp en de visdief. Het Natura 2000-gebied Markermeer en IJmeer is aangewezen voor twee broedvogelsoorten en 8 nietbroedvogelsoorten die gevoelig zijn voor optische verstoring (zie tabel 4-7). Dit betreft de broedvogelsoorten aalscholver en visdief en de niet-broedvogelsoorten: fuut, aalscholver, krooneend, tafeleend, kuifeend, toppereend, grote zaagbek en zwarte stern. In de volgende paragrafen worden deze soorten besproken op basis van informatie uit de beheerplannen en een overzicht van recente tellingen van SOVON25.

4.2.2.5 Roerdomp De instandhoudingsdoelstelling voor deze soort is: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 17 paren (territoria). In de periode 2013 – 2018 zijn gemiddeld 11 broedparen geteld 58. De meeste roerdompen in Nederland nestelen in grote moerasgebieden in West- en Noord-Nederland. Belangrijke gebieden als de Oostvaardersplassen en de Weerribben/de Wieden tellen tientallen broedparen. Kleinere aantallen of losse paren broeden in moerasgebieden elders. De Nederlandse 57 58

BIJ12. Kennisdocument noordse woelmuis. https://www.sovon.nl/nl/gebieden

18 december 2020

BG9448WATRP200904

46

Projectgerelateerd

Roerdompen trekken deels weg tot in Afrika en overwinteren deels in eigen land. Daar krijgen ze 's winters gezelschap van Oost-Europese soortgenoten. Vanwege schutkleur, teruggetrokken gedrag en een verblijf in dicht moeras is meestal weinig van de aanwezigheid van roerdompen te merken 59. In het beheerplan wordt aangegeven dat er geen hard onderzoek naar de achteruitgang van de roerdomp is gedaan. De drie belangrijkste oorzaken zijn waarschijnlijk: • Achteruitgang van broedhabitat door enerzijds de veroudering van bestaand jong rietland als anderzijds het uitblijven van nieuwe jonge verlanding. • Achteruitgang van broedhabitat door het meer maaien van rietlanden voor openheid (weidevogels). • Predatie door vossen door minder faunabeheer. Daarnaast is rust belangrijk voor broedende roerdompen. De meest rustverstorende invloed gaat uit van wandelaars, vissers en waterrecreanten. De roerdomp bouwt zijn nest op de grond. Daardoor zijn ze relatief gevoeliger voor predatie door bijvoorbeeld vos, of verjaging door grauwe gans. In het beheerplan worden overvliegende vliegtuigen niet als bron van verstoring genoemd. Het is ook niet waarschijnlijk dat op 2.000 ft overvliegende vliegtuigen optische verstoring veroorzaken. De roerdompen zitten immers een groot deel van de tijd beschut tussen het riet.

Ze hebben een goed stereoscopisch gezicht, ze jagen immers op zicht, en kunnen daardoor afstanden goed inschatten. De ver weg vliegende vliegtuigen zullen daarom zeker niet als een bedreiging gezien worden. Als grondbroeders zijn ze wel gevoelig voor verstoring door landdieren (en mensen) in de omgeving van hun nest, en daarvan is ook bekend dat ze verstoord worden. Bij herinrichtingsmaatregelen worden daarbij afstanden van minimaal 200 meter aangehouden tussen bezoekers en broedlocaties60. Op basis van bovenstaande overwegingen zijn significant negatieve effecten van een toename van het aantal vliegtuigbewegingen op 2.000 ft boven broed- en leefgebieden van de roerdomp in het licht van de vastgestelde instandhoudingdoelstellingen uit te sluiten. Omdat significant negatieve effecten uitgesloten worden is cumulatie met eventuele andere toekomstige activiteiten is ook niet van toepassing.

4.2.2.6 Visdief De instandhoudingsdoelstelling voor deze soort voor Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske is: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 180 paren (territoria). In de periode 2013 – 2018 zijn maar twee jaren geteld en gemiddeld 97 broedparen geteld18. Er is sprake van een sterke achteruitgang sinds 1990 van het aantal broedparen in dit Natura 2000gebied. Hoewel geschikt broedgebied aanwezig is, worden deze locaties niet door de visdief gebruikt. De broedparen zijn nog wel in de provincie aanwezig maar hebben zich verplaatst zich naar nieuw ontstane kolonies die blijkbaar betere condities hebben. Het nieuw ontstane eiland De Kreupel in het IJsselmeer trok grote aantallen naar dit gebied; ruim 7.000 paren in 2010. Sinds een paar jaar zijn in het Markermeer de Markerwadden opgespoten en ook hier hebben zich vrijwel meteen grote aantallen visdiefjes gevestigd. Deze nieuwe locaties liggen veilig tegen landroofdieren en liggen dicht bij goede visgronden.

59 60

https://www.sovon.nl/nl/soort/950 Compensatiegebied Veluwerandmeren voor Bypass Kampen

18 december 2020

BG9448WATRP200904

47

Projectgerelateerd

De kolonies vanuit Natura 2000-gebied Polder Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske zijn mogelijk mede verplaatst als gevolg van predatie door de vos, die sinds 2000 regelmatig in het veenweidegebied wordt gezien. In theorie is er ruim voldoende geschikt broedgebied aanwezig voor 180 broedpaar: open gebieden met weinig of korte begroeiingen. De troebele sloten zorgen in theorie voor een beperking van de kwaliteit van het foerageergebied. Het is niet waarschijnlijk dat dit de voornaamste oorzaak is van de afname van visdief. De sloten zijn namelijk al sinds de jaren 70/80 troebel. De aantrekkingskracht van de nieuwe geschikte broedlocaties is volgens het beheerplan een waarschijnlijker reden. Hoewel de trend dus sterk negatief is voor deze soort, heeft dat naar alle waarschijnlijkheid niet zozeer te maken met de kwaliteit van de broedhabitats in dit Natura 2000-gebied, maar met predatiedruk en de beschikbaarheid van betere (en veiligere) alternatieven. In het beheerplan staat niets over optische verstoring door vliegverkeer. Ook voor deze soort geldt weer dat het een zichtjager is, met scherpe blik die prooien en waarschijnlijk ook roofdieren goed kan waarnemen en onderscheiden.

Een vliegtuig dat op 2.000 ft overvliegt zal daarom op geen enkele manier als een bedreiging gezien worden en daarom is een kans op significant negatieve effecten als gevolg van een toename van het aantal vliegtuigbewegingen op 2.000 ft uitgesloten. Voor het Natura 2000-gebied Markermeer-IJmeer is de instandhoudingsdoelstelling voor deze soort: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 630 paren (territoria). In 2013 zijn maar 166 paren geteld, maar door de aanleg van de Markerwadden is dit aantal omhooggegaan naar bijna 2.000 in 2017 en 2018. De Markerwadden ligt overigens ruim ten noordoosten van de zone in het Markermeer waar de vliegtuigbewegingen op 2.000 ft overheen gaan. De toename van het vliegverkeer de afgelopen jaren heeft de sterke toename van het aantal broedgevallen van de visdief in het Markermeer dus in het geheel niet in de weg gestaan. De toename in vliegtuigbewegingen tussen 2.000 en 3.000 ft boven het zuidelijke deel van het Markermeer als gevolg van de Activiteit zorgen niet voor een toename van verstoring door optische beweging boven de Markerwadden waarmee dat gebied dus geschikt blijft voor rond de 2.000 broedparen. Dit is zeer ruim boven de instandhoudingsdoelstellingen waardoor negatieve effecten in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen uitgesloten kunnen worden.

Omdat significant negatieve effecten uitgesloten worden is cumulatie met eventuele andere toekomstige activiteiten is ook niet van toepassing.

4.2.2.7 Fuut Voor het Natura 2000-gebied Markermeer-IJmeer is de instandhoudingsdoelstelling voor deze soort: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor een seizoensgemiddelde van 170 individuen. Sinds 2013 is dit aantal van 146 naar gemiddeld ruim 400 (periode 2014-2018) toegenomen. In deze zelfde periode is het aantal vliegtuigbewegingen boven dit gebied ook toegenomen. De vliegtuigbewegingen betreffen alleen het zuidelijke deel van het Natura 2000-gebied en blijkens deze forse toename van het seizoensgemiddelde blijkt dat de toename van het aantal vliegtuigbewegingen zeker geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen voor deze soort heeft, waardoor significant negatieve effecten in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen uitgesloten kunnen worden. Omdat significant negatieve effecten uitgesloten worden is cumulatie met eventuele andere toekomstige activiteiten is ook niet van toepassing.

18 december 2020

BG9448WATRP200904

48

Projectgerelateerd

4.2.2.8 Aalscholver Voor het Natura 2000-gebied Markermeer-IJmeer is de instandhoudingsdoelstelling voor deze soort: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor een seizoensgemiddelde van 2.600 individuen. In de periode 2013–2018 fluctueerde het seizoensgemiddelde tussen 2.345 en 3.310. In deze zelfde periode is het aantal vliegtuigbewegingen boven dit gebied toegenomen. Deze vliegtuigbewegingen betreffen alleen het zuidelijke deel van het Natura 2000-gebied en omdat er ruim voldoende onverstoord gebied beschikbaar is en het seizoensgemiddelde stabiel ruim boven de nagestreefde aantallen liggen is dat voldoende reden aan te nemen dat de toename van het aantal vliegtuigbewegingen zeker geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen voor deze soort heeft, waardoor negatieve effecten in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen uitgesloten kunnen worden. Omdat significant negatieve effecten uitgesloten worden is cumulatie met eventuele andere toekomstige activiteiten is ook niet van toepassing.

4.2.2.9 Krooneend Voor de krooneend is geen doelaantal vastgesteld. De instandhoudingsdoelstelling is behoud en omvang van het leefgebied. Voor de vogels die voorkomen in ondiep water is voldoende voedsel van goede kwaliteit in de vorm van waterplanten noodzakelijk. Deze soort heeft naast voldoende voedsel behoefte aan rust. De krooneend heeft beschutting nodig in de vorm van luwe zones langs begroeide oevers en komt het hele jaar voor, voornamelijk langs de kust van de Gouwzee, met de grootste aantallen in september en oktober. Mogelijk ontstaat er in de toekomst een knelpunt door onvoldoende rust. Dit hangt vooral samen met de ontwikkeling van recreatie langs en op de oevers. In de periode 2013 – 2018 fluctueerde het seizoensgemiddelde tussen 21 en 44 zonder een duidelijke trend. In deze zelfde periode is het aantal vliegtuigbewegingen boven dit gebied toegenomen. Deze vliegtuigbewegingen betreffen alleen het zuidelijke deel van het Natura 2000-gebied. Boven de Gouwzee wordt alleen ruim boven de 3.000 ft gevlogen (zie figuur 3-6). Daarom zal de toename van het aantal vliegtuigbewegingen in het zuidelijke deel van het Markermeer-IJmeer zeker geen negatief effect op de deze soort te hebben, waardoor significant negatieve effecten in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen uitgesloten kunnen worden.

Omdat significant negatieve effecten uitgesloten worden is cumulatie met eventuele andere toekomstige activiteiten is ook niet van toepassing.

4.2.2.10 Tafeleend Voor het Natura 2000-gebied Markermeer-IJmeer is de instandhoudingsdoelstelling voor deze soort: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor een seizoensgemiddelde van 3.200 individuen. In de periode 2013 – 2018 fluctueerde het seizoensgemiddelde tussen 4.043 en 8.761. In dezelfde periode is het aantal vliegtuigbewegingen boven dit gebied toegenomen. Deze vliegtuigbewegingen betreffen alleen het zuidelijke deel van het Natura 2000-gebied en omdat er ruim voldoende onverstoord gebied beschikbaar is en het seizoensgemiddelde stabiel ruim boven de nagestreefde aantallen liggen is dat voldoende reden aan te nemen dat de toename van het aantal vliegtuigbewegingen zeker geen negatief effect op deze soort heeft, waardoor significant negatieve effecten in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen uitgesloten kunnen worden. Omdat significant negatieve effecten uitgesloten worden is cumulatie met eventuele andere toekomstige activiteiten is ook niet van toepassing.

18 december 2020

BG9448WATRP200904

49

Projectgerelateerd

4.2.2.11 Kuifeend Het IJsselmeergebied is de belangrijkste regio voor overwinterende kuifeenden in Nederland. In de nazomer verblijven veel vogels op het Volkerakmeer, bij strenge vorst wijkt een deel van de kuifeenden uit van het IJsselmeergebied naar de Grote Rivieren en de Biesbosch. De landelijke staat van instandhouding als broedvogel is gunstig en laat al jaren een licht positieve trend zien. De landelijke staat van instandhouding als niet-broedvogel is matig ongunstig. Er is de laatste 20 jaar sprake van een lichte maar niet significante daling van het aantal niet-broedvogels. Voor het Natura 2000-gebied Markermeer-IJmeer is de instandhoudingsdoelstelling voor deze soort: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor een seizoensgemiddelde van 18.800 individuen. In de periode 2013 – 2018 nam het seizoensgemiddelde af van 21.308 in 2012/2013 naar 9.186 in 2017/2018. Deze afname hangt mogelijk samen met onvoldoende rust door waterrecreatie (oa kitesurfen) in de rusten ruigebieden. Mogelijk heeft de afname van het aantal overwinterende kuifeenden in het Markermeer & IJmeer ook te maken met een herverdeling van deze soort binnen Europa. Door gemiddeld zachtere winters blijven relatief veel kuifeenden ten noorden van ons land overwinteren, wat effecten heeft op de in Nederland overwinterende aantallen 61 62.

Daarnaast is ook de voedselkwaliteit in het Markermeer & IJmeer verminderd vanwege een afname van de aanvoer van voedingsstoffen richting het Markermeer. Hierdoor is de draagkracht van het gebied voor kuifeenden (en andere soorten) afgenomen 63 en zijn binnen Nederland alternatieve locaties, zoals de Randmeren, geschikter geworden voor de kuifeenden om te foerageren64. Daarnaast is er ook sprake van een afname van de hoeveelheid driehoeksmosselen welke een belangrijke voedselbron is voor deze soort. Er zijn dus argumenten om de afname van het seizoensgemiddelde in dit gebied te verklaren. In deze zelfde periode is het aantal vliegtuigbewegingen boven de zuidwestelijke punt van het Natura 2000-gebied toegenomen. Seizoensgemiddelden per (hoofd-)telgebied voor de kuifeend in het Markermeer-IJmeergebied over de periode 2012 – 2017 weergegeven (SOVON). De grootste aantallen zijn langs de dijken geteld. De vliegtuigbewegingen op 2.000 ft vinden alleen plaats in de zuidwesthoek. Daar liggen ook een paar van de locaties met de hoogste aantallen getelde vogels. De vogels mijden deze locatie dus in het geheel niet.

Dat is voldoende argument om aan te nemen dat deze vliegtuigbewegingen geen verstoring van de kuifeenden tot gevolg hebben en er geen kans is op significant negatieve effecten van een toename van het aantal vluchten conform de Activiteit op de instandhoudingsdoelstelling voor deze soort. Omdat significant negatieve effecten uitgesloten worden is cumulatie met eventuele andere toekomstige activiteiten is ook niet van toepassing.

61

Lehikoinen, A., et al. 2013. "Rapid climate driven shifts in wintering distributions of three common waterbird species." Global Change Biology 19:2071-2081. 62 Tománková, I. 2013. "The causes of diving duck population declines on Lough Neagh, Northern Ireland." PhD, Queen's University Belfast. 63 van den Bremer, L., et al. 2015. Populatieontwikkeling Wilde Eend, Krakeend, Kuifeend en Tafeleend in Nederland: wat weten we over de achtergronden? Nijmegen: Sovon Vogelonderzoek Nederland. 64 Noordhuis, R., et al. 2014. Wetenschappelijk eindadvies ANT IJsselmeergebied. Vijf jaar studie naar kansen voor het ecosysteem van het IJsselmeer, Markermeer en IJmeer met het oog op de Natura 2000 doelen. Delft: Deltares. 18 december 2020

BG9448WATRP200904

50

Projectgerelateerd

4.2.2.12 Toppereend In de zomermaanden verblijven kleine aantallen toppers in vooral het IJsselmeergebied. Zekere broedgevallen zijn echter nog niet bekend. Veel grotere aantallen zijn aanwezig tussen oktober en maart, vooral midden in de winter. Ze houden zich voor het overgrote deel op in het IJsselmeergebied, tenzij dit door strenge vorst dichtvriest. Dan wijken toppers uit naar open (vooral zoute) wateren en nemen de aantallen in de Waddenzee sterk toe, met name langs de Afsluitdijk. De landelijk getelde aantallen waren rond 1990-2000 relatief hoog maar zakten daarna in. In sommige gebieden, zoals het Markermeer, is dit verklaarbaar vanuit afgenomen voedselvoorraden in de vorm van driehoeksmosselen. Echter, ook in het belangrijkste overwinteringsgebied voor toppers, de Oostzee, worden tegenwoordig veel minder exemplaren geteld dan destijds. Voor het Natura 2000-gebied Markermeer-IJmeer is de instandhoudingsdoelstelling voor deze soort: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor een seizoensgemiddelde van 70 individuen. In de periode 2013 – 2018 fluctueerde het seizoensgemiddelde sterk tussen 12 en 2.551. Meestal verblijven de grootste aantallen (enkele tienduizenden tot >100.000) in het IJsselmeer en Waddenzee. Het Markermeer is niet meer dan een randzone van het voornaamste verblijfsgebied.

Dat verklaart ook de grote schommelingen tussen de aantallen die jaarlijks geteld worden. De afgelopen jaren is het nagestreefde seizoensgemiddelde ruimschoots gehaald en er is daarom geen reden aan te nemen dat een toename van het aantal vluchten boven een relatief klein deel van het Markermeer en IJmeer hier enig effect van zal ondervinden. Daar komt bij dat toppers vooral in het noordelijke deel van het Markermeer verblijven, terwijl de toename van vliegtuigbewegingen tussen de 2.000 en 3.000 ft zich uitsluitend in het zuidelijke deel voordoet. Al met al is dit voldoende reden aan te nemen dat de toename van het aantal vliegtuigbewegingen geen negatief effect op deze soort heeft, waardoor negatieve effecten in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen uitgesloten kunnen worden. Omdat significant negatieve effecten uitgesloten worden is cumulatie met eventuele andere toekomstige activiteiten is ook niet van toepassing.

4.2.2.13 Grote zaagbek Als echte wintergast wordt de grote zaagbek het meest gezien tussen november en maart, met de nadruk op hartje winter. Het voorkomen wordt sterk bepaald door het winterweer. Zacht winterweer in NoordEuropa brengt relatief weinig grote zaagbekken naar ons land. Strenge vorst in het Oostzeegebied, daarentegen, verdrijft duizenden vogels naar ons land. Het merendeel houdt zich op in het IJsselmeergebied, maar wanneer ook dit grotendeels dichtvriest, verkassen veel grote zaagbekken naar open wateren in het rivierengebied of elders. De jaarlijks getelde aantallen schommelen hevig maar nemen af op de lange termijn. Dit komt doordat meer grote zaagbekken blijven overwinteren in het Oostzeegebied als gevolgd van gemiddeld zachtere winters. Maar ook factoren in Nederland spelen mee. Zo is de stand van de spiering, een belangrijke prooivis, in het IJsselmeergebied sterk afgenomen sinds ongeveer 1990. Voor het Natura 2000-gebied Markermeer-IJmeer is de instandhoudingsdoelstelling voor deze soort: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor een seizoensgemiddelde van 40 individuen. In de periode 2013–2018 fluctueerde het seizoensgemiddelde tussen 55 en 92. De aantallen in het IJsselmeer lagen in die periode een factor 10 hoger en dat gebied vormt het kerngebied voor deze soort. In deze zelfde periode is het aantal vliegtuigbewegingen boven het Markermeer toegenomen.

18 december 2020

BG9448WATRP200904

51

Projectgerelateerd

Deze vliegtuigbewegingen betreffen alleen het zuidelijke deel van het Natura 2000-gebied en omdat er ruim voldoende onverstoord gebied beschikbaar is en het seizoensgemiddelde stabiel ruim boven de nagestreefde aantallen liggen is dat voldoende reden aan te nemen dat de toename van het aantal vliegtuigbewegingen zeker geen negatief effect op deze soort heeft, waardoor significant negatieve effecten in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen uitgesloten kunnen worden. Omdat significant negatieve effecten uitgesloten worden is cumulatie met eventuele andere toekomstige activiteiten is ook niet van toepassing.

4.2.2.14 Zwarte stern Voor het Natura 2000-gebied Markermeer-IJmeer is de instandhoudingsdoelstelling voor deze soort: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied maar er is geen aantal vastgesteld. In de periode 2012 – 2014 was het aantal 0. Na de aanleg van de Markerwadden schoot het aantal omhoog van 1.800 in 2014/2015 tot 9.000 in 2017/2017 en is het ook van belang geworden voor de zwarte stern als broedvogel (het is alleen aangewezen als niet-broedvogel). Voor de zwarte stern is het aanbod spiering van belang. Deze soort heeft behalve voldoende voedsel binnen een duikdiepte met goed zicht, ook behoefte aan rust op de rustplaatsen. Daar is door de aanleg van de Markerwadden duidelijk aan voldaan. In deze zelfde periode is het aantal vliegtuigbewegingen boven dit Natura 2000-gebied toegenomen. Deze vliegtuigbewegingen betreffen alleen het zuidelijke deel van het Natura 2000-gebied. De Markerwadden ligt ruim ten noordoosten van de zone in het Markermeer waar de vliegtuigbewegingen op 2.000 ft overheen gaan. Significant negatieve effecten kunnen daarom geheel uitgesloten worden. Omdat significant negatieve effecten uitgesloten worden is cumulatie met eventuele andere toekomstige activiteiten is ook niet van toepassing.

18 december 2020

BG9448WATRP200904

52

Projectgerelateerd

5

Externe saldering Lelystad Airport

Een gedeelte van het bestaande recht van Luchthaven Schiphol zal ten behoeve van Wnbvergunningverlening aan Lelystad Airport als externe saldering voor stikstofdepositie worden ingezet om – hangende de door de Minister van LNV aangekondigde collectieve legalisatie van de PAS-meldingen, waaronder die van Lelystad Airport - 10.000 vliegtuigbewegingen op Lelystad Airport te kunnen vergunnen. Dit hoofdstuk beschrijft de benodigde stikstofruimte op Lelystad Airport en toont aan dat de bestaande rechten van Luchthaven Schiphol voldoende zijn om de voor Lelystad Airport benodigde ruimte voor de door Lelystad Airport aangevraagde activiteit met 10.000 vliegtuigbewegingen te salderen. Bij externe saldering stelt Schiphol als saldogever per hexagoon stikstofdepositiepositie uit het bestaande recht van Schiphol beschikbaar voor de saldonemer (Lelystad Airport). Uit de AERIUS scenario berekening (zie bijlage 3) is de salderingsopgave per hexagoon af te leiden voor de saldonemer (Lelystad Airport). De saldogever (Schiphol Airport) stelt stikstofdepositie beschikbaar voor deze salderingsopgave. Dit benodigde saldo bestaat voor 70% uit de stikstofdepositie bepaald in de passende beoordeling voor Lelystad Airport bij de situatie van 10.000 vliegtuigbewegingen op Lelystad Airport. Voor 30% bestaat dit benodigde saldo uit stikstofdepositie die wordt teruggegeven aan de natuur.

Figuur 4 illustreert de overdracht van stikstofdepositie van saldogever naar saldonemer.

= Teruggave aan de natuur bij externe saldering = Stikstofdepositie bij 10.000 vliegtuigbewegingen op Lelystad Airport

Stikstofdepositie in [mol/ha/jr] 30%

70%

Benodigde saldo van de saldogever (Schiphol)

Salderingsopgave van saldonemer (Lelystad)

Figuur 5-1: Schematische weergave van het benodigde saldo bij Schiphol Airport en de salderingsopgave van Lelystad Airport.

Figuur 5-2 laat dit benodigde saldo van de saldogever (Schiphol) zien voor 10.000 vliegtuigbewegingen op Lelystad Airport. In figuur xx is te zien dat de maximale benodigde stikstofdepositie ongeveer 0,30 [mol/ha/jr] bedraagt aan de rand van de Veluwe. Hiervan is 0,21 [mol/ha/jr] (70%) benodigd voor de activiteit zoals aangevraagd door Lelystad Airport met 10.000 vliegtuigbewegingen (de salderingsopgave) en wordt 0,9 [mol/ha/jr] (30%) van de saldogever teruggegeven aan de natuur.

18 december 2020

BG9448WATRP200904

53

Projectgerelateerd

Figuur 5-2: Maximale stikstofdepositie per 7 hexagonen van het benodigde saldo van de saldogever (Schiphol Airport) voor de activiteit bij 10.000 vliegtuigbewegingen op Lelystad Airport.

Het benodigde saldo voor Lelystad Airport is beschikbaar binnen de stikstofruimte van de saldogever (Schiphol Airport). Het is ruimte die beschikbaar is in de gereconstrueerde bestaande rechten van Luchthaven Schiphol die niet gebruikt wordt of gaat worden op basis van de met deze passende beoordeling aangevraagde Wnb-vergunning voor Schiphol Airport voor een exploitatie van de Luchthaven Schiphol met 500.000 vliegtuigbewegingen per jaar conform LVB-1. Het LVB 2008 biedt ruimte voor grotere en meer vervuilende vliegtuigen dan bij het huidige gebruik van de luchthaven worden ingezet. De stikstofdepositie op basis van het bestaande recht van Schiphol Airport is daarom hoger dan de stikstofdepositie van het huidige gebruik van de luchthaven bij 500.000 vliegtuigbewegingen. Figuur 5-3 toont een schematische weergave van de stikstofdepositie van het huidige gebruik en de depositie van het bestaand recht van Schiphol Airport.

18 december 2020

BG9448WATRP200904

54

Projectgerelateerd

= Stikstofdepositie bij 480.000 vliegtuigbewegingen bestaand recht = Stikstofdepositie bij 500.000 vliegtuigbewegingen huidig gebruik = 10 % marge voor vlootontwikkeling Beschikbaar saldo

Stikstofdepositie in [mol/ha/jr]

10%

100%

Bestaand recht

Huidig gebruik

Figuur 1-3 Schematische weergave van de stikstofdepositie van het bestaand recht en huidig gebruik van de luchthaven Schiphol. Gedetailleerde resultaten zijn beschreven in de 'passende beoordeling Schiphol airport', d.d. 1 november 2020.

In figuur 5-4 is te zien dat de stikstofdepositie voor het huidige gebruik van de Luchthaven Schiphol lager ligt dan de stikstofdepositie die op basis van het bestaand recht is toegestaan. De passende beoordeling van Schiphol toont aan dat dit voor alle hexagonen (ongeveer 252.000) geldt. Daarnaast is in figuur xx te zien dat bij het bepalen van het beschikbare saldo voor externe saldering rekening is gehouden met een marge van 10% van de stikstofdepositie van het huidige gebruik. Deze marge wordt niet ter beschikking gesteld aan Lelystad Airport en is nodig om rekening te houden met toekomstige vlootontwikkeling, waarbij mogelijk grotere en meer vervuilende vliegtuigen worden verwacht op Schiphol Airport. Voor Schiphol is de trend van de NOx-uitstoot onderzocht in een verkennend onderzoek voor de verdere ontwikkeling (LVB-2). Uit deze verkenning blijkt dat voor Schiphol de komende 5 jaar rekening moet worden gehouden met een 10% meer vervuilende vloot t.o.v. de huidige situatie. Dit is zonder de effecten van de huidige COVID-19 crisis. De verwachting ten tijden van schrijven van dit document is dat door de terugloop in het aantal vliegtuigbewegingen de ontwikkeling van Schiphol 3 tot 5 jaar vertraging oploopt. De verwachting is daarom dat, met een marge van 10%, voldoende rekening wordt gehouden met vlootvernieuwing.

Voor de activiteit van Lelystad Airport wordt er, noch in de situatie ‘10k’, noch in de situatie ’45k’ rekening gehouden met een marge voor vlootontwikkeling. De toename in NOx-uitstoot wordt op Schiphol met name veroorzaakt als gevolg door introductie van nieuwe grote vliegtuigtypes, bijvoorbeeld de 787 of de 350. Deze types komen niet voor in het toekomstige gebruik op Lelystad Airport. Daarnaast zal de stikstofemissie worden gemonitord waardoor onverwachte ontwikkelingen in de vloot op tijd gesignaleerd kunnen worden. Op basis van het beschikbare saldo van Schiphol Airport en het benodigde saldo voor Lelystad Airport (dus inclusief de 30% voor natuur) kan worden bepaald of het beschikbare saldo voldoende is voor externe saldering van het benodigde saldo. Figuur 5-2 geeft het verschil weer tussen het beschikbare saldo van Schiphol Airport (saldogever) en het benodigde saldo van Lelystad Airport (saldonemer).

18 december 2020

BG9448WATRP200904

55

Projectgerelateerd

Figuur 5-4: Verschil tussen de stikstofdepositie van het benodigde saldo voor saldering van de activiteit op Lelystad Airport bij 10.000 vliegtuigbewegingen en het beschikbare saldo van Luchthaven Schiphol, per hexagoon (ter grootte van 7 hexagonen in AERIUS). Groene hexagonen geven een afname in stikstofdepositie weer, waarbij het beschikbare saldo toereikend is voor het benodigde saldo. Rode hexagonen geven een toename weer van de stikstofdepositie, waarbij het beschikbare saldo niet toereikend is voor het benodigde saldo.

Te zien is in figuur 5-4 dat bij externe saldering van de door Lelystad Airport aangevraagde activiteit met 10.000 vliegtuigbewegingen op Lelystad Airport het beschikbare saldo van de saldogever toereikend is voor het benodigde saldo. Dit betekent dat op alle hexagonen de saldogever (Schiphol) voldoende stikstofruimte heeft voor de salderingsopgave en 30% van het saldo van de saldogever beschikbaar is voor teruggave aan de natuur. Voor de volledigheid is in bijlage 2 een bestand opgenomen met de deposities voor alle Nederlandse hexagonen conform de AERIUS-kartering. Deze bijlage laat zien dat ook bij een fijnmaziger hexagoonoverzicht geen toenames zichtbaar zijn. Na externe saldering is het bestaande recht voor stikstofdepositie voor de saldogever (Schiphol) afgenomen met het benodigde saldo van de saldogever (Lelystad Airport). Het bestaande recht voor de saldogever na externe saldering is weergegeven in figuur 5-3. Daarnaast is in bijlage 2 de stikstofdepositie op hexagoonniveau in tabelvorm opgenomen. Ook na externe saldering van de stikstofdepositie van de activiteit op Lelystad Airport bij 10.000 vliegtuigbewegingen is er als gevolg van de Activiteit op Schiphol bij 500.000 vliegtuigbewegingen op geen enkel stikstofgevoelig habitattype of leefgebied een toename van de stikstofdepositie berekend ten opzichte van de referentie.

18 december 2020

BG9448WATRP200904

56

Projectgerelateerd

Figuur 5-5: Stikstofdepositie van het bestaand recht van Schiphol Airport na extern saldering van de activiteit op Lelystad Airport bij 10.000 vliegtuigbewegingen.

18 december 2020

BG9448WATRP200904

57

Projectgerelateerd

6

Samenvatting en conclusies

Algemeen • De referentiesituatie voor deze passende beoordeling is gebaseerd op de maximale gebruiksruimte op grond van het LVB 2008, uitgaande van 480.000 vliegtuigbewegingen met groot handelsverkeer per jaar. • Voor het uitvoeren van 500.000 vliegtuigbewegingen per jaar op basis van de condities van het nog vast te stellen LVB-1, moet een passende beoordeling worden opgesteld. • De grondgebonden activiteiten vinden op minstens 12 kilometer van het meeste nabije Natura 2000-gebied plaats en effecten op de instandhoudingsdoelstellingen kunnen daarom, met uitzondering van stikstofdepositie, op voorhand al geheel uitgesloten worden. • Op en direct rond Luchthaven Schiphol zal het wegverkeer en parkeren bijdragen aan beweging, geluid en lichtemissies. Omdat ook deze op grote afstand van de meest nabije Natura 2000gebieden plaatsvinden, kunnen effecten op de instandhoudingsdoelstellingen, met uitzondering van stikstofdepositie, al op voorhand al geheel uitgesloten worden. Stikstofdepositie • Ten aanzien van de mogelijke effecten van stikstofdepositie zijn alle emissiebronnen, zowel van de vliegbewegingen, de grondgebonden activiteiten en het aangetrokken wegverkeer, ingevoerd in AERIUS Calculator voor een integrale berekening. • Ten behoeve van deze passende beoordeling is gereconstrueerd hoeveel stikstofemissie (en depositie) op basis van het LVB 2008 mogelijk was.

Dit is via een invoer in AERIUS Calculator vergeleken met de stikstofemissie (en -depositie) zoals deze mogelijk gemaakt zal worden door de Activiteit / het LVB-1. Hieruit is gebleken dat de Activiteit/het LVB-1 een lagere stikstofdepositie geeft dan wat mogelijk was onder het LVB 2008. • Er is als gevolg van de Activiteit, op geen enkel stikstofgevoelig habitattype of leefgebied een toename van de stikstofdepositie berekend ten opzichte van de referentie. • Ook na externe saldering van de stikstofdepositie van de activiteit op Lelystad Airport bij 10.000 vliegtuigbewegingen is er als gevolg van de Activiteit op Schiphol bij 500.000 vliegtuigbewegingen op geen enkel stikstofgevoelig habitattype of leefgebied een toename van de stikstofdepositie berekend ten opzichte van de referentie. Verstoring door geluid en optische bewegingen • De grondgebonden handelingen op Luchthaven Schiphol, hebben geen effecten door emissies van licht of geluid op instandhoudingsdoelstellingen van nabije Natura 2000-gebieden omdat de afstand tot Natura 2000-gebieden te groot is om nog effecten te kunnen veroorzaken. • Voor vliegtuigbewegingen boven de 3.000 ft wordt ervan uitgegaan dat deze zeker geen significant negatieve effecten veroorzaken op instandhoudingsdoelstellingen voor dieren als gevolg van verstoring door geluid of door optische beweging.

• Als gevolg van de Activiteit zal een deel van de vliegtuigbewegingen van route veranderen waardoor boven sommige delen van Natura 2000-gebieden het aantal vliegtuigbewegingen tussen de 2.000 en 3.000 ft zal toenemen. Dit betreft de Natura 2000-gebieden: Noordhollands Duinreservaat, Polder Westzaan, Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske, Markermeer & IJmeer • Voor een gemiddelde geluidsdruk van minder dan 45 dB(A)laeq. wordt ervan uitgegaan dat deze zeker geen significant negatieve effecten veroorzaken op instandhoudingsdoelstellingen voor broedvogels. • De Activiteit zal leiden tot een verschuiving van de 45 dB(A)laeq geluidcontouren boven enkele Natura 2000-gebieden. Dit betreft: Noordhollands Duinreservaat, Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. 18 december 2020

BG9448WATRP200904

58

Projectgerelateerd

•

•

Voor de meeste instandhoudingsdoelstellingen kunnen negatieve effecten als gevolg van geluid of optische verstoring met zekerheid worden uitgesloten. Dit betreft de meeste vissoorten, de meervleermuis, alle broedvogels en niet-broedvogels en de meeste invertebraten. Er bestaat een kennislacune ten aanzien van de verstoringsgevoeligheid voor geluid en/of optische verstoring voor bepaalde soorten om de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen goed te kunnen beoordelen. Dit betreft met name de gevlekte witsnuitlibel, de noordse woelmuis en de rivierdonderpad. Voor deze soorten is op basis van de best beschikbare kennis, waaronder de beheerplannen en expert opinion echter voldoende reden om aan te nemen dat deze soorten geen effecten ondervinden van de veranderingen in geluid of vliegtuigbewegingen zoals deze als gevolg van de Activiteit mogelijk gemaakt worden. Dus ook voor deze soorten worden significante negatieve effecten uitgesloten.

Eindconclusie • De veranderingen in stikstofdepositie, geluidscontouren en optische verstoring als gevolg van de Activiteit en in vergelijking met de referentie, leiden in geen enkel Natura 2000-gebied tot effecten die het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Digitale bijlagen • Bijlage 1: Berekening voor vergelijking van bestaand recht met huidig gebruik, Aerius kenmerk: Ryq8qrPSpEjG (26 oktober 2020) o AERIUS_20201026115406_0_Schiphol480k.gml o AERIUS_20201026135150_0_Schiphol500k.gml o AERIUS_bijlage_20201026152611_Ryq8qrPSpEjG.pdf • Bijlage 2: Voor vergelijking op hexagoonniveau: Resultaten Schiphol op hexagoonniveau_29102020.csv • Bijlage 3: Berekening voor 10.000 vliegtuigbewegingen op Lelystad Airport, RoMaEbmGaR6k (22 oktober 2020) o AERIUS_20201022160920_0_Bplus_10k_ZM-noordcircuitinclWABO.gml o AERIUS_bijlage_20201022151336_RoMaEbmGaR6k_10k.pdf

18 december 2020

BG9448WATRP200904

59

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwkoop&id=41f1fd72-ede2-4448-9945-52b0bae7f3d6