CConstaterende datnieuwkoop
Koppel je AI →
Document · PDF

Deel 2 van Set bijlagen bij beschikking-geanonimiseerd (GROOT DOCUMENT)

Besluitvormende raadsvergadering 6 juni 2024, gemeente nieuwkoopBij agendapunt: Raadsvoorstel Aanvraag verklaring van geen bedenkingen voor aanleg natuurgebied Ruygeborg II fase I (2024-045)26.959 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Voor uitvoer van de werkzaamheden is een ontheffing van de Wet natuurbescherming benodigd voor artikel 3.5 Lid 1 (voor het vangen van de rugstreeppad), Lid 2 (voor het verstoren van de rugstreeppad) en Lid 4 (tijdelijk aantasten van voortplantingsplaatsen en overwinteringsplaatsen). Daarnaast zijn mitigerende maatregelen benodigd om effecten op de lokale populatie rugstreeppad zoveel mogelijk te voorkomen. Hiervoor kan een ontheffing voor overtreding van Artikel 3.6 Lid 2 van de Wet natuurbescherming benodigd zijn (voor het vervoeren van individuen van de rugstreeppad). Na uitvoering van de inrichtingsmaatregelen is het gebied opnieuw, en mogelijk zelfs beter, geschikt als leefgebied voor de rugstreeppad. Er worden geen directe nieuwe verbindingen gerealiseerd met in de omgeving aanwezige oppervlaktewateren. Derhalve wordt geen toename in vissoorten en visstanden verwacht welke mogelijk een risico vormen voor voortplantingsplaatsen van de rugstreeppad. Er worden drie afgesloten poelen gerealiseerd welke in de toekomst gebruikt kunnen worden als voortplantingsplaats van amfibieën. Na uitvoer van de werkzaamheden worden geen langdurig negatieve effecten verwacht op de lokale populatie rugstreeppad.

Blad 22 van 27

Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland

5.2.4

Reptielen Ringslang De ringslang is beschermd onder artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Het grootste deel van het projectgebied betreft graspercelen welke periodiek gemaaid/begraasd worden. Op desbetreffende percelen is weinig/ tot geen geschikte vegetatie aanwezig welke dekking kan bieden voor de ringslang. Het gebrek aan dekking in het plangebied, maakt de omliggende wateren zeer marginaal geschikt als foerageergebied van de ringslang. Gezien de afwezigheid van voldoende geschikt habitat, in combinatie met de kwetsbaarheid, wordt de aanwezigheid van de ringslang op de om te vormen percelen niet verwacht. In de bosschage tussen de Kousweg en de Molenweg is suboptimaal habitat aanwezig voor overwinteringsplaatsen van de ringslang. Het dijktalud langs de Kousweg, Noordenseweg en de Simon van Capelweg zijn eveneens geschikt als overwinteringsplaats van de ringslang. De bosschage blijft behouden en er vinden geen fysieke werkzaamheden in desbetreffende bosschage. De omliggende dijkdelen welke geschikt zijn als overwinteringsplaats van de ringslang bevinden zich eveneens buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. De aanwezigheid van de overwinteringsplaatsen van de ringslang in de directe omgeving van het projectgebied kan niet op voorhand worden uitgesloten.

Gezien de voor de ringslang geschikte delen van het projectgebied behouden blijven en de ringslang in de overige delen in het plangebied niet verwacht wordt, worden er geen effecten ten aanzien van de ringslang verwacht in het projectgebied. Na uitvoer van de werkzaamheden wordt meer dekking en geschikt foerageerhabitat voor de ringslang gecreëerd in het projectgebied.

5.2.5

Overige soortgroepen Platte schijfhoren De platte schijfhoren is beschermd onder de Wet natuurbescherming (Artikel 3.5) en staat vermeld op bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn. De soort is middels E-dna in 2019 in het projectgebied aangetoond (Antea Group, 2019b). Aangezien het een zoetwaterslak betreft en er in de tussentijd geen wezenlijke ingrepen in het projectgebied hebben plaatsgevonden is aan te nemen dat de platte schijfhoren nog steeds in het projectgebied aanwezig is. Door uitvoer van de geplande werkzaamheden kan leefgebied en individuen van de platte schijfhoren tijdelijk verstoord worden. Voor uitvoer van de werkzaamheden is een ontheffing van de Wet natuurbescherming benodigd voor artikel 3.5 Lid 1 (voor het vangen van de platte schijfhoren), Lid 2 (voor verstoring van individuen) en Lid 4 (tijdelijk aantasten van voortplantingsplaatsen en overwinteringsplaatsen). Daarnaast zijn mitigerende maatregelen benodigd om effecten op de lokale populatie van de platte schijfhoren zoveel mogelijk te voorkomen. Hiervoor kan een ontheffing voor overtreding van Artikel 3.6 Lid 2 van de Wet natuurbescherming benodigd zijn (voor het vervoeren van individuen van de platte schijfhoren).

Blad 23 van 27

Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland

5.3

Effecten op beschermde gebieden

5.3.1

Effecten op Natura 2000-gebieden Uit de bureaustudie blijkt dat op een afstand van circa 100 meter ten zuiden van het projectgebied, het Natura 2000-gebied “Nieuwkoopse plassen” is gelegen. Op basis van de afstand tot het Natura 2000-gebied en de dijk die tussen het projectgebied en het Natura2000gebied in is gelegen, kunnen negatieve effecten als gevolg van veel verstoringsfactoren zoals verstoring door geluid en licht worden uitgesloten. Als gevolg van kleine aanpassingen in de waterhuishouding kunnen mogelijk effecten optreden op de waterhuishouding in het Natura 2000-gebied. Deze zullen beperkt zijn, en bovendien positief van aard, zodat er geen sprake is van negatieve effecten in de vorm van verdroging. Tijdens de realisatiefase leidt het voornemen tot de emissie van stikstof als gevolg van de inzet van bouwmaterieel (en eventueel de vervoersbewegingen van personeel). Per 1 juli 2021 is het wetsvoorstel: “stikstofreductie en natuurverbetering” in werking getreden. In dit wetsvoorstel is een vrijstelling opgenomen voor bouwactiviteiten (art. 2.9a). Dit betekent dat voor projecten een ongelimiteerde vrijstelling geldt voor stikstofdepositie als gevolg van alle bouwactiviteiten tijdens de realisatiefase. Desbetreffende vrijstelling is in november 2022 na een Raad van State uitspraak ingetrokken waardoor de realisatiefase niet meer vrijgesteld is.

In de gebruiksfase wordt er minder bemesting toegepast in het projectgebied en treedt er geen verdere verandering op. Er worden circa 14 nieuwe parkeerplaatsen gerealiseerd op de reeds aanwezige parkeerplaats ten zuidwesten van het plangebied waardoor een totaal van 28 parkeerplaatsen ontstaat. Door de realisatie van meer parkeerplaatsen zal naar verwachting een toenemend aantal verkeersbewegingen ontstaan. Daarnaast wordt circa 3,8 ha. omzet van natuur naar agrarisch. Derhalve is middels een stikstofberekening met behulp van de AERIUScalculator inzichtelijk gemaakt wat de effecten zijn op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van zowel de realisatiefase als de gebruiksfase. Op basis van desbetreffende berekeningen (Antea Group, 2022b), is een toename van minder dan 0,00 mol/ha/jaar vastgesteld voor zowel de gebruiksfase als de realisatiefase. Derhalve is er geen significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende Natura 2000 gebieden als gevolg van een verhoogde stikstofemissie in het plangebied.

5.3.2

Effecten op het Natuurnetwerk Nederland (NNN) Voor een bestemmingplan binnen het NNN geldt dat geen bestemmingen worden aangewezen die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. In het plangebied zijn wezenlijke kenmerken en waarden aanwezig in de vorm van het natuurbeheertype N05.01; moeras, N12.02; kruiden- en faunarijk grasland en N13.01; vochtig weidevogelgrasland (zie figuur 5.1). Het doel van het voornemen is het vergroten van de oppervlakte, kwaliteit en samenhang van het aanwezige NNN door invulling te geven aan de ambitie om landbouwgrond om te vormen naar natuur (N00.01).

Blad 24 van 27

Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland

Bij de omvorming van de landbouwgronden tot natuur is sprake van vernatting van het gebied dat in de huidige situatie is gedefinieerd als het natuurbeheertype N13.01; vochtig weidevogelgrasland. In theorie kan deze vernatting lokaal leiden tot het ongeschikt worden van delen van dit gebied als broedbiotoop voor enkele typerende soorten. De typerende soorten voor vochtig weidevogelgrasland zijn: gele kwikstaart, graspieper, grutto, kemphaan, krakeend, kuifeend, slobeend, tureluur, veldleeuwerik, watersnip, wintertaling, wulp, zomertaling (B12, 2018). De verwachting is echter dat de vernatting leidt tot een toename van broedbiotoop aangezien een groot deel van de typerende soorten gebonden is aan nattere biotopen. In de NDFF is inzichtelijk dat de genoemde typerende soorten in hogere abundantie (117 territoria) aanwezig zijn in het westelijke, nattere deel van het plangebied dan in het drogere oostelijke deel, dat specifiek is aangewezen als vochtig weidevogelgrasland (45 territoria) (zie figuur 5.2). Er zijn geen aanwijzingen dat de ingrepen leiden tot een achteruitgang van de geschiktheid voor weidevogels.

Aangezien het voornemen uiteindelijk als doel heeft het creëren van een groter oppervlakte natuur (ten koste van bestaand landbouwgebied) en hierbij voorziet in een verbetering van de kwaliteit en samenhang van het NNN, is dit niet in strijd met de regels voor bescherming en ontwikkeling van het NNN. Verder toetsing is niet aan de orde.

Figuur 5.1. Globale ligging plangebied met daarin de ambitie voor natuurbeheertypen van het NNN. N00.01 Nog om te vormen landbouwgrond naar natuur. N13.01 Vochtig weidevogelgrasland. N05.01 Moeras. N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. Bron: Natuurbeheerplan 2019, Provincie Zuid-Holland.

Blad 25 van 27

Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland

Figuur 5.2. Impressie verspreiding van territoria van typerende vogelsoorten van het natuurbeheertype Vochtig weidevogelgrasland in de periode 2017 - 2022. Bron: NDFF.

5.3.3

Bescherming van houtopstanden. Binnen het plangebied zijn houtopstanden aanwezig. Deze liggen buiten de bebouwde kom (‘bebouwde kom houtopstanden’ (Wet natuurbescherming), voorheen ‘bebouwde kom Boswet’), en bestaan uit een bomenrij van meer dan 20 bomen. Ze vallen daarom onder de bescherming van de wet natuurbescherming. Losstaande bomen binnen het plangebied kennen deze bescherming niet en zijn vrijgesteld van de bescherming van de Wnb wanneer deze geen functie hebben voor beschermde soorten (mogelijk is echter de APV van toepassing op deze bomen). Binnen het plangebied worden geen struiken of struweel verwijdert welke kunnen worden aangemerkt als een zelfstandige eenheid struiken van tien are of meer. Voor de bomen beschermd onder de Wet natuurbescherming geldt een meldings- en herplantplicht. Ten minste één maand voorafgaand aan het rooien dient een melding te worden gemaakt bij het bevoegd gezag, de Provincie Zuid-Holland. Gezien in het plangebied bosvakken ingericht worden, zijn er mogelijkheden om de mogelijk te kappen bomen in het plangebied te overcompenseren.

Blad 26 van 27

Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland

6

Bronnen Antea Group, 2019a. Natuurtoets Wnb Antea Group Ruygeborg I. 18 januari 2019. Antea Group, 2019b. Nader onderzoek Inrichtingsplan Ruygeborg II. Onderzoek naar voorkomen van diverse doelsoorten. Antea Group, 2022a. Nader onderzoek Amfibieën Antea Group Ruygeborg II. 11 augustus 2022. Antea Group, 2022b. Rapport Stikstofdepositie-onderzoek Ruygeborg II. 18 juli 2023. Bos, F.G., Bosveld, M.A., Groenendijk, D.G., Van Swaay, C.A.M. & Wynhoff, I., 2006. De dagvlinders van Nederland - verspreiding en bescherming. Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & EISNederland, in samenwerking met De Vlinderstichting, Wageningen. Creemers, R.C.M. en Delft, J.J.C.W. van (RAVON) (redactie), 2009. De Amfibieën en Reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna Deel 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Kosten E., H., Limpens, H. Bouman & J. Reinhold, 2011. Vleermuisvriendelijk bouwen. Handreiking voor huiseigenaar, architect en beleidsmedewerker. Zoogdiervereniging & Tauw. Limpens, H., Regelink, J., en Koelman, R. (2010). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Arnhem. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Buiten aan het werk? Houd tijdig rekening met beschermde planten en dieren. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2009.

Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep. Augustus 2009.

Overige bronnen: NDFF www.zoogdieratlas.nl www.ravon.nl www.telmee.nl www.zoogdiervereniging.nl www.naturalis.nl www.vivara.nl www.telmee.nl www.vlindernet.nl www.libellennet.nl

Blad 27 van 27

Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland

Bijlagen

Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland

Bijlage 1: Wettelijk kader - Wet natuurbescherming Een van de doelen van de Wnb is de bescherming van inheemse flora en fauna. Vanuit deze wet is bij ruimtelijke ingrepen de initiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn van de mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het projectgebied. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden toegebracht aan beschermde soorten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het ‘nee, tenzij’ – principe). Bepaalde handelingen, waaronder ruimtelijke ingrepen, waarbij beschermde soorten in het geding zijn, zijn slechts bij uitzondering en onder voorwaarden mogelijk. Hieronder wordt uitgelegd welke verbodsbepalingen gelden, welke vrijstellingen er gelden en op welke gronden ontheffingen kunnen worden aangevraagd.

Verbodsbepalingen soortbescherming In de Wnb is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die onder andere zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. In het tekstkader van deze Bijlage (zie volgende pagina) staan de artikelen uitgeschreven. Het gaat om de volgende drie categorieën: -

soorten van de Vogelrichtlijn; soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn, met uitzondering van vogels; ‘andere soorten’ (onderdeel A ‘fauna’ en onderdeel B ‘flora’), oftewel de Nationale soorten.

Voor soorten vallend onder bovenstaande beschermingsregimes geldt dat ze in principe niet (opzettelijk) gedood en verstoord mogen worden, ook verblijfplaatsen mogen niet vernietigd worden. Bij Vogelrichtlijnsoorten is opgenomen dat verstoring is toegestaan indien de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Dit geldt echter niet voor Habitatrichtlijnsoorten, inclusief bijlage I en II Bern en bijlage I Bonn (zie Tabel A van deze Bijlage voor de vogelsoorten en Tabel B van deze bijlage voor een uiteenzetting van soorten niet zijnde vogels). Voor de ‘andere soorten’ geldt dat verstoring is toegestaan. Soorten die zijn opgenomen in bijlage A en B van de Wnb (‘andere soorten’) zijn opgenomen in tabel B en C van deze Bijlage.

Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland

Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming artikel 3.1, 3.5 en 3.10 Artikel 3.1 Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn 1. 2. 3. 4. 5.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Artikel 3.5 Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn 1.

2. 3. 4. 5.

Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Artikel 3.10 Beschermingsregime andere soorten 1.

2.

3.

Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c.

ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.

Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland

Tabel A. Soorten die vallen onder artikel 3.5 (Habitatrichtlijn bijlage IV, Bern bijlage II, Bonn bijlage I). Soortgroep Nederlandse naam Soortgroep Nederlandse naam boomkikker

hamster

geelbuikvuurpad

otter

heikikker

Amfibieën

Dagvlinders

Haften Kevers

Libellen

Nachtvlinders Reptielen

Zoogdieren

knoflookpad

landzoogdieren lynx noordse woelmuis

vroedmeesterpad

wilde kat

poelkikker

wolf

moerasparelmoervlinder

baardvleermuis

apollovlinder

bechsteins vleermuis

boszandoog

bosvleermuis

donker pimpernelblauwtje

brandts vleermuis

grote vuurvlinder

franjestaart

pimpernelblauwtje

gewone grootoorvleermuis

tijmblauwtje

grijze grootoorvleermuis

zilverstreephooibeestje

grote hoefijzerneus

oeveraas

grote rosse vleermuis

brede geelrandwaterroofkever

ingekorven vleermuis

gestreepte waterroofkever juchtleerkever

Zaadplanten

Zoogdieren vleermuizen

kleine dwergvleermuis kleine hoefijzerneus

vermiljoenkever

laatvlieger

mercuurwaterjuffer

meervleermuis

bronslibel

mopsvleermuis

gaffellibel

noordse vleermuis

gevlekte witsnuitlibel

rosse vleermuis

groene glazenmaker

ruige dwergvleermuis

noordse winterjuffer

tweekleurige vleermuis

oostelijke witsnuitlibel

vale vleermuis

rivierrombout

watervleermuis

sierlijke witsnuitlibel

gewone dwergvleermuis

teunisbloempijlstaart Dikkopschildpad, kemp’s zeeschildpad, lederschildpad, soepschilpad

walrus Bultrug, gewone vinvis bruinvis dwergpotvis

gladde slang

gestreepte dolfijn

muurhagedis

gewone dolfijn

zandhagedis

gewone spitsdolfijn

geel schorpioenmos

grijze dolfijn

kleine vlotvaren

Weekdieren

hazelmuis

rugstreeppad

Sporenplanten tonghaarmuts Vissen

bever

kamsalamander

steur

Zoogdieren

zeezoogdieren

kleine zwaardwalvis narwal orka

houting

tuimelaar

bataafse stroommossel

witflankdolfijn, witsnuitdolfijn

platte schijfhoren

noordse vinvis, potvis

liggende raket

butskop

drijvende waterweegbree

dwergvinvis

Groenknolorchis, zomerschroeforchis

griend, witte dolfijn

kruipend moerasscherm

spitsdolfijn van gray

Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland

Tabel B (1). “Overige Soorten” onderdeel A behorend bij artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a. Soortgroep

Amfibieën

Nederlandse naam

Soortgroep

Nederlandse naam

Alpenwatersalamander

Beekdonderpad

Bruine kikker*

Beekprik

Gewone pad*

Elrits

Kleine watersalamander* Meerkikker*

Europese rivierkreeft

Vissen

Gestippelde alver

Middelste groene kikker*

Grote modderkruiper

Vinpootsalamander

Kwabaal

Vuursalamander Aardbeivlinder

Dagvlinders

Bosparelmoervlinder

Aardmuis*

Bruin dikkopje

Boommarter

Bruine eikenpage

Bosmuis*

Donker pimpernelblauwtje

Bunzing**

Duinparelmoervlinder

Damhert

Gentiaanblauwtje

Das

Grote parelmoervlinder

Dwergmuis*

Grote vos

Dwergspitsmuis*

Grote vuurvlinder

Edelhert

Grote weerschijnvlinder

Eekhoorn

Iepenpage

Egel*

Kleine heivlinder

Eikelmuis

Kleine ijsvogelvlinder

Gewone bosspitsmuis*

Kommavlinder

Gewone zeehond

Pimpernelblauwtje

Grote bosmuis

Sleedoornpage Spiegeldikkopje

Reptielen

Libellen

Zoogdieren

Grijze zeehond Haas*

Veenbesblauwtje

Hermelijn**

Veenbesparelmoervlinder

Huisspitsmuis*

Veenhooibeestje

Konijn*

Veldparelmoervlinder

Molmuis

Zilveren maan Adder

Ondergrondse woelmuis*

Hazelworm

Rosse woelmuis*

Levendbarende hagedis

Steenmarter

Ringslang

Tweekleurige bosspitsmuis*

Beekkrombout

Veldmuis*

Bosbeekjuffer

Veldspitsmuis*

Donkere waterjuffer Gevlekte glanslibel

Vos* Waterspitsmuis

Gewone bronlibel

Wezel**

Hoogveenglanslibel

Wild zwijn

Kempense heidelibel

Woelrat*

Speerwaterjuffer

Ree*

Kevers

Vliegend hert

Soorten met een asterisk (*) zijn opgenomen in provinciale vrijstellingen. Soorten met een dubbele asterisk (**) zijn in alle provincies, behalve Noord-Holland en Noord-Brabant, vrijgesteld. In Limburg is daarnaast de molmuis vrijgesteld, in Friesland de steenmarter en in Noord-Brabant het wild zwijn. Voor Limburg geldt dat in bepaalde perioden van het jaar de hazelworm, levendbarende hagedis, steenmarter en de eekhoorn vrijgesteld zijn.

Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland

Tabel B (2). Per provincie vrijgestelde “Overige Soorten” onderdeel A behorend bij artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a. (aangegeven met een ‘x’ of ‘*’). Provincie Soort

Friesland Groningen Drenthe Overijssel Gelderland Utrecht

Noord- ZuidNoordFlevoland Zeeland Limburg Holland Holland Brabant

Aardmuis

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Bastaardkikker

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Bosmuis

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Bruine kikker

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Bunzing

x

x

x

x

x

x

Dwergmuis

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Dwergspitsmuis

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Eekhoorn

x x (*)

Egel

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Gewone bosspitsmuis

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Gewone pad

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Haas

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Hazelworm

x (**)

Hermelijn

x

x

x

x

x

Huisspitsmuis

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Kleine watersalamander

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Konijn

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Levendbarende hagedis Meerkikker

(***)

Molmuis

x x

Ondergrondse woelmuis

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Ree

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Rosse woelmuis

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Steenmarter

x

Tweekleurige bosspitsmuis

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Veldmuis

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Vos

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Wezel

x

x

x

x

x

Wild zwijn

x (****)

x

x x

x x x x x x x x x x x Woelrat (*) = vrijgesteld maart–april en juli t/m november (**) = vrijgesteld in juli t/m september, (***) = 15 aug t/m 15 okt, (****) = 15 aug t/m feb (Wijzigingsverordening, provincie Limburg, 2017)

x

Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland

Tabel C. “Overige Soorten” onderdeel B behorend bij artikel 3.10, eerste lid, onderdeel c. Soortgroep

Planten

Nederlandse naam Akkerboterbloem Akkerdoornzaad Akkerogentroost Beklierde ogentroost Berggamander Bergnachtorchis Blaasvaren Blauw guichelheil Bokkenorchis Bosboterbloem Bosdravik Brave hendrik Brede wolfsmelk Breed wollegras Bruinrode wespenorchis Dennenorchis Dreps Echte gamander Franjegentiaan Geelgroene wespenorchis Geplooide vrouwenmantel Getande veldsla Gevlekt zonneroosje Glad biggenkruid Gladde zegge Groene nachtorchis

Nederlandse naam

Nederlandse naam

Groensteel Groot spiegelklokje Grote bosaardbei Grote leeuwenklauw Honingorchis Kalkboterbloem Kalketrip Karthuizeranjer Karwijselie Kleine ereprijs Kleine Schorseneer Kleine wolfsmelk Kluwenklokje Knollathyrus Knolspirea Korensla Kranskarwij Kruiptijm Lange zonnedauw Liggende ereprijs Moerasgamander Muurbloem Naakte lathyrus Naaldenkervel Pijlscheefkalk

Roggelelie Rood peperboompje Rozenkransje Ruw parelzaad Scherpkruid Schubvaren Schubzegge Smalle raai Spits havikskruid Steenbraam Stijve wolfsmelk Stofzaad Tengere distel Tengere veldmuur Trosgamander Veenbloembies Vliegenorchis Vroege ereprijs Wilde averuit Wilde ridderspoor Wilde weit Wolfskers Zandwolfsmelk Zinkviooltje Zweedse kornoelje

Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland

Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 de zorgplicht opgenomen. In het tekstkader hieronder staat het wetsartikel uitgeschreven. Artikel 1.11 1. 2.

3.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.

De zorgplicht houdt in dat planten en dieren niet onnodig vernield/gedood of verstoord mogen worden. Dit betekent dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren niet mogen worden uitgevoerd. Wanneer dergelijke handelingen toch uitgevoerd moeten worden, moeten maatregelen, voor zover dit in redelijkheid kan, worden genomen om de nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Er dient bijvoorbeeld zo gewerkt te worden dat dieren kunnen ontsnappen en het kan nodig zijn om soorten te verplaatsen (bijvoorbeeld planten en amfibieën). Deze algemene zorgplicht geldt voor elke soort en elk individu in Nederland.

Vrijstellingen Onder bepaalde voorwaarden geldt een algemene vrijstelling of een ontheffingsplicht van de verbodsbepalingen in de Wnb. Welke voorwaarden verbonden zijn aan de vrijstelling of ontheffing hangt af van de dier- of plantensoorten die voorkomen in het onderzoeksgebied en de provincie waarin de activiteit plaatsvindt. Hiertoe worden verschillende beschermingsregimes onderscheiden.

Provinciale Vrijstelling Nationale soorten (‘andere soorten’). Met betrekking tot de ‘andere soorten’ zijn per provincie beleidsregels opgesteld waarin voor een deel van deze soorten vrijstelling is verleend. Het Rijk heeft ook een vrijstelling gemaakt voor projecten die vallen onder hun bevoegdheid (projecten van nationaal belang). Zoals ook te herleiden is uit de tabel (tabellen A en B), hangt het per provincie af welke soort is vrijgesteld van de verbodsbepalingen in artikel 3.10, ook de grond waarvoor een vrijstelling geldt kan ook variëren tussen provincies.. Indien de Nationale soorten niet zijn vrijgesteld en daarmee het voornemen de gestelde verboden in artikel 3.10 overtreedt, dient een ontheffing aangevraagd te worden bij de provincie waarin het voornemen plaatsvindt.

Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland

Ontheffingen Indien een soort niet onder een vrijstelling valt of niet gewerkt kan worden volgens een gedragscode, dient er een ontheffing te worden aangevraagd. Deze moet ingediend worden bij het bevoegd gezag. Dit is de provincie waarin de activiteit plaatsvindt. Een ontheffingsaanvraag wordt getoetst aan drie criteria: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing; 2. De activiteit leidt niet tot verslechtering van de staat van instandhouding; en 3. Er is sprake van een in de wet genoemd belang. In tabel D worden de belangen waaronder een ontheffing kan worden aangevraagd, opgesomd. Let daarbij op dat er voor Nationale soorten (‘andere soorten’) meer ontheffingsgronden beschikbaar zijn dan voor de beschermde soorten onder artikel 3.1 en 3.5. Indien de activiteit bestaat uit een ruimtelijke inrichting of ontwikkeling zou alleen een ontheffing afgegeven kunnen worden voor Nationale soorten. Mochten desondanks soorten uit de Vogel- en/of Habitatrichtlijn, Bern en Bonn voorkomen bij ruimtelijke ontwikkelingen, dan kunnen mitigerende maatregelen worden opgesteld. Er kan dan voor de zekerheid een ontheffing worden aangevraagd om de mitigerende maatregelen goed te keuren. Tabel D. Ontheffingsgronden waarop een ontheffing verleend mag worden per categorie (artikel 3.1, 3.5 en 3.10).

Ontheffingsgronden

1 2

3

Er bestaat geen andere bevredigende oplossing Leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding Opsomming van: volksgezondheid en openbare veiligheid veiligheid van luchtverkeer ter voorkoming van schade aan gewassen, vee, bossen, visserij ter bescherming van Flora en Fauna voor onderzoek, onderwijs, uitzetten en herinvoeren van soorten / teelt dwingende reden van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor milieuwezenlijke gunstige effecten ruimtelijke inrichting of ontwikkeling schade en overlast, ter beperking omvang populatie, ter bestrijding van lijden en ziekte, bestendig beheer en onderhoud, algemeen belang

Artikel 3.1

Artikel 3.5

Artikel 3.10

Soorten van de Vogelrichtlijn

Soorten van de Habitatrichtlijn, Bonn & Bern

Andere soorten

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Nee

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Nee

X

X

Nee

Nee

X

Nee

Nee

3.10 2a-g

Procedure ontheffingsaanvraag Voor Nationale soorten (‘andere soorten’) welke zijn opgenomen in de provinciale vrijstellingen geldt een vrijstelling. Dit betekent dat u geen ontheffing van de Wet natuurbescherming hoeft aan te vragen, maar u wel de zorgplicht moet nakomen. Voor Nationale soorten die niet zijn vrijgesteld, dient u een ontheffing beschermde soorten aan te vragen of te werken conform een gedragscode.

Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland

Voor soorten van de Vogel- en Habitatrichtlijn, Conventie van Bern en Conventie van Bonn geldt dat als u kunt werken volgens een goedgekeurde gedragscode er een vrijstelling geldt. U hoeft geen ontheffing beschermde soorten aan te vragen, maar u moet uw activiteiten aantoonbaar uitvoeren zoals in de gedragscode staat. Tevens blijft de zorgplicht gelden. Indien u niet kunt werken volgens een gedragscode, maar u kunt maatregelen nemen om de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaats te garanderen (zogenoemde mitigerende maatregelen), dan hoeft u ook geen ontheffing beschermde soorten aan te vragen. Wilt u zeker weten of uw mitigerende maatregelen voldoende zijn, en er inderdaad geen ontheffing nodig is? Vraag dan een ontheffing aan om uw maatregelen goed te keuren. Indien u geen mitigerende maatregelen kunt nemen, dan dient een ontheffing te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag. Voor de ontheffingsaanvraag is het noodzakelijk te weten welke soorten aanwezig zijn, zodat gerichte mitigerende maatregelen kunnen worden getroffen. Het bevoegd gezag zal, indien het akkoord is met het aangeleverde stappenplan waarin de aanpak voor mitigatie beschreven wordt, een zogenoemde ‘verklaring van geen bedenkingen’ (vvgb) afgeven.

Daarmee zegt zij in feite dat een ontheffing niet noodzakelijk is wanneer men zich bij de uitvoering houdt aan het opgestelde stappenplan.

Overgangsrecht In het Besluit natuurbescherming is opgenomen dat de ontheffingen afgegeven onder het oude recht, gelden als ontheffingen onder de Wet natuurbescherming. Daarbij blijven dezelfde voorschriften, beperkingen en voorwaarden gelden. Dit geldt eveneens voor omgevingsvergunningen en vvgb’s. Op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wnb zullen de onafgeronde ontheffing aanvragen, ingediend vóór inwerkingtreding, conform de nieuwe wet worden behandeld. Ontheffing aanvragen van voor de inwerkingtreding zullen worden afgehandeld door RVO. Aanvragen die later ingediend worden zullen afgehandeld worden door de provincies (of het Rijk). De gedragscodes worden verlengd tot het moment van in werking treden van de Wet natuurbescherming en de nieuwe gedragscodes definitief zijn goedgekeurd.

Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland

Natuurnetwerk Nederland (NNN) De nieuwe naam voor de ecologische hoofdstructuur (EHS), het natuurnetwerk Nederland (NNN). De term EHS werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP) van het toenmalige ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). In 2013 is het natuurbeleid gedecentraliseerd naar de provincies. In hetzelfde jaar hebben de twaalf provincies met de staatssecretaris van het ministerie van EZ definitieve afspraken gemaakt in het Natuurpact. In 2014 werd de term ‘EHS’ vervangen door ‘NNN’. Dit beleid blijkt noodzakelijk te zijn doordat de Nederlandse natuur steeds meer onder druk staat, bijvoorbeeld door huizenbouw, aanleg van wegen en industrie. Toch leeft bij veel Nederlanders de wens om natuurgebieden in de buurt te hebben. Natuur geeft rust en biedt ruimte voor recreatie. De overheid heeft daarom extra geld uitgetrokken om de Nederlandse natuur te beschermen en verder te ontwikkelen. Door nieuwe natuur te ontwikkelen, kunnen natuurgebieden met elkaar worden verbonden. Zo kunnen planten zich over verschillende natuurgebieden verspreiden en dieren van het ene naar het andere gebied gaan. Het totaal van al deze gebieden en de verbindingen ertussen vormt het natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft.

Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. Het NNN bestaat uit: bestaande natuurgebieden, reservaten, natuurontwikkelingsgebieden en zogenaamde robuuste verbindingen; landbouwgebieden met mogelijkheden voor agrarisch natuurbeheer (beheergebieden); grote wateren (zoals de kustzone van de Noordzee, het IJsselmeer en de Waddenzee). Het NNN is een plan in uitvoering. De doelstelling van het Natuurpact is om 80.000 hectare nieuwe natuur in te richten vóór 2027.

Natura 2000-gebieden In de Wnb zijn bepalingen vanuit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn verwerkt. De Europese richtlijnen verplichten de lidstaten gebieden aan te wijzen met speciale beschermingszones (de Natura 2000-gebieden). Het doel hiervan is om de aangewezen habitattypes en habitats van soorten in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. De lidstaten moeten maatregelen treffen om de kwaliteit van deze habitats en habitats van soorten niet te laten verslechteren of te voorkomen dat er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur, geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden. Meestal verlenen de provincies de vergunningen, maar soms doet het Ministerie van Economische Zaken dit.

Bestaand gebruik Voor handelingen die op 31 maart 2010 bekend waren bij het gevoegd gezag en die sinds deze datum niet meer in betekenende mate zijn gewijzigd is het niet meer noodzakelijk om een

Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland

vergunning aan te vragen. Deze datum kan van een later tijdstip zijn indien een Natura 2000-gebied na 31 maart 2010 is aangewezen als beschermd gebied. Zie ook artikel 2.9 lid 2.

Overgangsrecht In de Wnb (artikel 9.4) is opgenomen dat de vergunningen afgegeven onder het oude recht, gelden als vergunningen onder de Wet natuurbescherming. Daarbij blijven dezelfde voorschriften gelden. Dit geldt eveneens voor omgevingsvergunningen en vvgb’s. Beschermde Natuurmonumenten hebben vanaf inwerkingtreding van de Wnb niet langer een beschermde status. Daardoor zijn deze gebieden alleen nog ruimtelijk beschermd (Barro, bestemmingsplannen).

Stroomschema vergunningsprocedure Het volgende schema toont de vergunningprocedure in het kader van de Natuurbeschermingswet. Deze is ook van kracht onder de huidige Wet natuurbescherming. Een Voortoets geeft aan of er wel of geen negatieve effecten zijn te verwachten. Zijn er geen negatieve effecten te verwachten, dan hoeft er geen vergunning beschermde gebieden aangevraagd te worden. Indien er kans is op negatieve effecten, kan een habitattoets een verdiepingsslag geven om aan te tonen hoe groot deze negatieve effecten zijn. Mocht er kans zijn op significant negatieve effecten, is het mogelijk om een ADC-toets uit te voeren. Wordt er voldaan aan de eisen, dan kan er een vergunning worden afgegeven met voorschriften en beperkingen.

Natuurtoets Ruygeborg II projectnummer 465181.100 24 juli 2023 revisie 5.0 Provincie Zuid-Holland

Over Antea Group Antea Group is het thuis van 1500 trotse ingenieurs en adviseurs. Samen bouwen wij elke dag aan een veilige, gezonde en toekomstbestendige leefomgeving. Je vindt bij ons de allerbeste vakspecialisten van Nederland, maar ook innovatieve oplossingen op het gebied van data, sensoring en IT. Hiermee dragen wij bij aan de ontwikkeling van infra, woonwijken of waterwerken. Maar ook aan vraagstukken rondom klimaatadaptatie, energietransitie en de vervangingsopgave. Van onderzoek tot ontwerp, van realisatie tot beheer: voor elke opgave brengen wij de juiste kennis aan tafel. Wij denken kritisch mee en altijd vanuit de mindset om samen voor het beste resultaat te gaan. Op deze manier anticiperen wij op de vragen van vandaag en de oplossingen voor morgen. Al 70 jaar.

Contactgegevens Rivium Westlaan 72 2909 LD CAPELLE A/D IJSSEL Postbus 8590 3009 AN ROTTERDAM T. 0612150767 E. arjan.vanbeek@anteagroup.nl

www.anteagroup.nl

Copyright © 2016 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.

Nader onderzoek Inrichtingsplan Ruygeborg II Onderzoek naar voorkomen van diverse doelsoorten

projectnummer 0433970.100 definitief 12 februari 2021

Nader onderzoek Inrichtingsplan Ruygeborg II Onderzoek naar voorkomen van diverse doelsoorten

projectnummer 0433970.100 definitief revisie 01 12 februari 2021

Auteurs

Opdrachtgever Provincie Zuid-Holland Coenecoop 75 2741 PH Waddinxveen

datum vrijgave

beschrijving revisie 01 definitief

Inhoudsopgave

Blz.

1

Inleiding

1

1.1 1.2 1.3

Aanleiding Huidige situatie Voorgestane ontwikkeling

1 2 2

2

Wettelijk kader

3

2.1 2.2 2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.2.4

Algemeen Wnb - soortbescherming Soorten van de habitatrichtlijn Soorten beschermd in de categorie ‘andere soorten’ Ontheffingsplicht Zorgplicht

3 3 3 4 4 4

3

Methode

5

3.1 3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4 3.2

eDNA Noordse woelmuis Waterspitsmuis Heikikker Platte Schijfhoren Terreinbezoeken en inventarisatie

5 5 5 6 6 7

4

Resultaten

9

4.1 4.2

eDNA Terreininventarisatie platte schijfhoren

9 10

5

Effectbeoordeling

13

5.1 5.2

Regionaal beschermde soorten (Artikel 3.10, onderdeel A) Europees beschermde soorten (Artikel 3.5, Habitatrichtlijn)

13 13

6

Conclusies

14

6.1 6.2 6.2.1 6.2.2 6.3.3. 6.2.3

Ontheffingsprocedure Advies Heikikker Platte Schijfhoren Ecologische begeleiding en Ecologisch werkprotocol Zorgplicht

14 14 15 17 17 17

7

Bronnen

18

Bijlage 1: eDNA onderzoek

Nader onderzoek Inrichtingsplan Ruygeborg II Onderzoek naar voorkomen van diverse doelsoorten projectnummer 0433970.100 12 februari 2021 revisie 01 Provincie Zuid-Holland

1

Inleiding

1.1

Aanleiding De initiatiefnemer is voornemens om het gebied Ruygeborg II te herinrichten, waardoor een verhoogde natuurwaarde ontstaat. Het plangebied is gelegen aan de oostzijde van de bebouwde kom van Nieuwkoop, zoals ook weergegeven in Figuur 1.1 (gemeente Nieuwkoop, provincie ZuidHolland). Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met beschermde planten- en diersoorten en met beschermde gebieden. Er dient onderzocht te worden of het plan effect heeft op beschermde soorten of beschermde gebieden (Wet natuurbescherming; Wnb en Natuurnetwerk Nederland). Ontwikkelingen mogen niet zonder meer plaatsvinden indien deze negatieve gevolgen hebben op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. In dit kader is inzicht gewenst in de aanwezige natuurwaarden en de mogelijk daarmee samenhangende consequenties. Hiertoe is een Natuurtoets uitgevoerd (Antea Group, 2019). Uit de natuurtoets van Antea Group uit 2019 is gebleken dat er voor dit gebied nader onderzoek noodzakelijk is voor de waterspitsmuis, noordse woelmuis, heikikker en platte schijfhoren. Om deze reden is inzicht nodig in het huidige gebruik van het plangebied door deze beschermde soorten. In de natuurtoets is tevens vastgesteld dat de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats dienen te vinden om negatieve effecten op algemene broedvogels te voorkomen.

Figuur 1.1. Ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: Globespotter, 2018.

Blad 1 van 9

Nader onderzoek Inrichtingsplan Ruygeborg II Onderzoek naar voorkomen van diverse doelsoorten projectnummer 0433970.100 12 februari 2021 revisie 01 Provincie Zuid-Holland

1.2

Huidige situatie Het plangebied is gelegen tussen beschermde natuurgebieden en heeft een landbouwkundige functie. De graslanden lopen in lijnen langs watergangen waar de effecten van de droogmakerij terug zijn te zien. Het gebied biedt geschikt habitat voor foeragerende watervogels en op de open velden staat voornamelijk lage vegetatie. Langs de watergangen in het noordelijke deel van het plangebied is veel oeverbegroeiing. Aan de randen ten noorden van het plangebied is een lange bosschage gelegen en in het zuidelijke deel van het plangebied is hoge begroeiing (en enkele bomen) aanwezig nabij de woningen.

1.3

Voorgestane ontwikkeling Ruygeborg is het gebied tussen Noorden en Nieuwkoop. Dit gebied wordt de komende jaren omgevormd tot natuurgebied, als verbinding tussen de Nieuwkoopse Plassen en natuurgebied de Groene Jonker. Ruygeborg wordt in twee fasen ontwikkeld. Ruygeborg I is reeds aangelegd in 2012 en wordt beheerd door Natuurmonumenten. Ruygeborg II omvat circa 163 ha en wordt ingericht als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natuurmonumenten is een van de eigenaren van diverse percelen en als toekomstig beheerder nauw betrokken bij de invulling van het gebied. Dit geldt ook voor het gebied Ruygeborg II. Voor het plangebied zijn drie verschillende natuurtypen toegewezen, te weten: • Moeras; • Weidevogelgrasland; • Kruidenrijk grasland. Elk natuurtype heeft zijn eigen kenmerken en afwegingscriteria in relatie tot het toekomstig beheer. Voor natuurmonumenten is het van belang dat bij de inrichting een dusdanige goede basis wordt gelegd zodat in combinatie met het daaropvolgende beheer een zo optimaal mogelijke natuurontwikkeling kan plaatsvinden. Om de gewenste natuurontwikkeling mogelijk te maken gelden de volgende randvoorwaarden: Verschraling (stopzetten van bemesting); Opzetten van een hoogwaterpeil (vernatting); Verbeteren van de waterkwaliteit (benutten van kwelstromen).

Blad 2 van 9

Nader onderzoek Inrichtingsplan Ruygeborg II Onderzoek naar voorkomen van diverse doelsoorten projectnummer 0433970.100 12 februari 2021 revisie 01 Provincie Zuid-Holland

2

Wettelijk kader

2.1

Algemeen In de voorliggende toetsing wordt ingegaan op de bescherming van de noordse woelmuis, waterspitsmuis, heikikker en platte schijfhoren, zoals verankerd in de Wet natuurbescherming. Hier zal in Hoofdstuk 6 aan getoetst worden.

2.2

Wnb - soortbescherming In de Wnb is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. Het gaat om de volgende drie categorieën: 1. soorten van de Vogelrichtlijn; 2. soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief Bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn, met uitzondering van vogels; 3. ‘andere soorten’ (onderdeel A ‘fauna’ en onderdeel B ‘flora’). De noordse woelmuis, heikikker en platte schijfhoren zijn beschermd in het kader van de habitatrichtlijn (artikel 3.5). De waterspitsmuis is beschermd in het kader van ‘andere soorten’ (artikel 3.10). Hieronder worden de verbodsbepalingen uit de Wnb behorende bij deze artikelen uiteengezet.

2.2.1

Soorten van de habitatrichtlijn Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Tevens mogen deze diersoorten niet opzettelijk gestoord worden, is het verboden eieren van deze diersoorten te rapen of vernielen en is het verboden voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of vernielen. Daarnaast is het verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. De noordse woelmuis, heikikker en platte schijfhoren staan vermeld op bijlage onderdeel IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn en zijn hierdoor beschermd. Onderstaand staan de verbodsbepalingen uit de Wnb uiteengezet.

Blad 3 van 9

Nader onderzoek Inrichtingsplan Ruygeborg II Onderzoek naar voorkomen van diverse doelsoorten projectnummer 0433970.100 12 februari 2021 revisie 01 Provincie Zuid-Holland

Artikel 3.5 Wet natuurbescherming (Habitatrichtlijn) 1.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

2. 3. 4. 5.

2.2.2

Soorten beschermd in de categorie ‘andere soorten’ Het is verboden in het wild levende zoogdieren, reptielen (en andere soorten) genoemd in bijlage onderdeel A van de Wet natuurbescherming opzettelijk te doden of te vangen of vaste rust-, verblijf- of voortplantingsplaatsen van dieren van deze bijlage opzettelijk te beschadigen of te vernielen. De waterspitsmuis staat vermeld op bijlage onderdeel A en is via de provinciale verordening niet vrijgesteld voor ruimtelijke ontwikkelingen. Onderstaand staan de verbodsbepalingen uit de Wnb uiteengezet. Artikel 3.10 Wet natuurbescherming (Beschermingsregime andere soorten) 1.

2.2.3

Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Ontheffingsplicht Indien bij het voornemen negatieve effecten op bovengenoemde soorten niet kunnen worden voorkomen, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden bij het bevoegd gezag. In dit geval is dit de provincie Zuid-Holland. Om bij voorliggend voornemen inzichtelijk te krijgen of dit aan de orde is, is voorliggend onderzoek uitgevoerd.

2.2.4

Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 de zorgplicht opgenomen. De zorgplicht houdt in dat planten en dieren niet onnodig vernield/gedood of verstoord mogen worden. Dit betekent dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren niet mogen worden uitgevoerd. Wanneer dergelijke handelingen toch uitgevoerd moeten worden, moeten maatregelen, voor zover dit in redelijkheid kan, worden genomen om de nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Er dient bijvoorbeeld zo gewerkt te worden dat dieren kunnen ontsnappen en het kan nodig zijn om soorten te verplaatsen (bijvoorbeeld planten en amfibieën). Deze algemene zorgplicht geldt voor elke soort en elk individu in Nederland.

Blad 4 van 9

Nader onderzoek Inrichtingsplan Ruygeborg II Onderzoek naar voorkomen van diverse doelsoorten projectnummer 0433970.100 12 februari 2021 revisie 01 Provincie Zuid-Holland

3

Methode Binnen het plangebied is voor alle soorten van het nader onderzoek (noordse woelmuis, waterspitsmuis, heikikker en platte schijfhoren) gebruik gemaakt van onderzoek middels eDNA. Alle monsters zijn geanalyseerd door Datura Molecular Solutions B.V.; een bedrijf gespecialiseerd in eDNA onderzoek. Zie het bijgevoegde rapport (Van Bochove, 2019) voor een uitgebreide omschrijving van de methode van deze analyse. Daarnaast is voor de Platte Schijfhoren een aanvullend veldbezoek uitgevoerd om de geschiktheid van het gebied vast te stellen.

3.1

eDNA Het onderzoeksgebied betreft de in Figuur 3.1 aangemerkte delen van het plangebied. In Tabel 3.1 is een overzicht opgenomen van de geteste monsters per soort middels eDNA. Per locatie zijn 12 bodem- en watermonsters genomen en geanalyseerd. De watermonsters bestaan uit 28 submonsters. De bodemmonsters bestaan uit 15 submonsters. Per locatie van de keutels zijn 2 monsters per locatie meegenomen en geanalyseerd. In het bijgevoegde document van Datura is beschreven dat het aantal (sub)monsters zorgt dat voldoende gevoelig kan worden gedetecteerd, minder monsters leidt tot een minder gevoelige detectie. Verhoging van het aantal (sub)monsters leidt echter niet tot gevoeligere detectie.

3.1.1

Noordse woelmuis Conform het kennisdocument van de Noordse woelmuis (BIJ12, 2017a) is eDNA een geschikte methode om de aan- of afwezigheid van deze soort aan te tonen. Bovendien kan de methode het hele jaar worden uitgevoerd. Momenteel kan middels eDNA nog niet de grootte van de aanwezige populatie worden vastgesteld. Indien aanwezigheid met behulp van eDNA is vastgesteld, kan een inschatting van de populatiegrootte worden gemaakt door te kijken naar de grootte, kwaliteit en de onderlinge ligging van gebieden. De aanwezigheid van de noordse woelmuis kan worden vastgesteld met behulp van een bodemmonster (Datura). Ook het analyseren van keutels is een geschikte methode. Omdat DNA in keutels in hoge concentratie voorkomt, zijn per monsterlocatie slechts 2 replica’s gebruikt. In het plangebied zijn zes bodemmonsters en vijf keutelmonsters verzameld en getest op het voorkomen van de noordse woelmuis. De locatie van de verzamelde monsters is gekozen op basis van het in de voorgaande natuurtoets (potentieel) geschikt geachte habitat.

3.1.2

Waterspitsmuis Voor de waterspitsmuis zijn zowel watermonsters als bodemmonsters geanalyseerd op de aanwezigheid van eDNA. Uit veldvalidatie1, uitgevoerd door (partners van) Datura, blijkt dat de detectiekans van de waterspitsmuis in watermonsters 75% bedraagt, in bodemmonsters benadert de detectiekans 100% (Datura). Door meerdere monsters te nemen wordt de detectiekans verhoogd.

1

Veldonderzoek naar de specifieke soort. Veldvalidatie wordt uitgevoerd om vast te stellen wat de detectiekans van de soort is middels eDNA.

Blad 5 van 9

Nader onderzoek Inrichtingsplan Ruygeborg II Onderzoek naar voorkomen van diverse doelsoorten projectnummer 0433970.100 12 februari 2021 revisie 01 Provincie Zuid-Holland

In het plangebied zijn acht watermonsters en acht bodemmonsters verzameld en getest op het voorkomen van de waterspitsmuis. De locatie van de verzamelde monsters is gekozen op basis van het in de voorgaande natuurtoets (potentieel) geschikt geachte habitat.

3.1.3

Heikikker Ook voor amfibieën (zoals de heikikker) is eDNA middels waterbemonstering een geschikte methode om aanwezigheid in het gebied te onderzoeken (Datura). Ook voor deze soort zijn meerdere monsters verzameld en getest, waardoor de detectiekans wordt vergroot. In het plangebied zijn acht watermonsters verzameld en getest op het voorkomen van de heikikker. De locatie van de verzamelde monsters is gekozen op basis van het in de voorgaande natuurtoets (potentieel) geschikt geachte habitat.

3.1.4

Platte Schijfhoren Het vaststellen van de platte schijfhoren middels eDNA is nog in ontwikkeling (Datura). Datura kan de soort vaststellen met deze methode, echter is de detectiekans voor deze soort nog niet vastgesteld. Daarom is voor deze soort tevens een terreininventarisatie uitgevoerd. Voor de terreininventarisatie is gebruik gemaakt van het 10-stappenplan zoals beschreven door Stichting ANEMOON (2 terreinbezoeken, zie paragraaf 3.2). In het plangebied zijn drie watermonsters verzameld en getest op het voorkomen van de platte schijfhoren. De locatie van de verzamelde monsters is gekozen op basis van het in de voorgaande natuurtoets (potentieel) geschikt geachte habitat. Tabel 3.1. Overzicht monsters (globale monsterlocaties in Figuur 2.1) en uitgevoerde testen eDNA.

Monsterlocatie 1 2 3 4 5 6 7 8 Keutels (5 locaties)

Waterspitsmuis

Bodem- en watermonster Bodem- en watermonster Bodem- en watermonster Bodem- en watermonster Bodem- en watermonster Bodem- en watermonster Bodem- en watermonster Bodem- en watermonster -

Noordse woelmuis

Heikikker

Platte schijfhoren

-

Watermonster

-

Bodemmonster

Watermonster

-

Bodemmonster

Watermonster

-

Bodemmonster

Watermonster

Watermonster

Bodemmonster

Watermonster

Watermonster

Bodemmonster

Watermonster

Watermonster

Bodemmonster

Watermonster

-

-

Watermonster

-

5 bemonsteringslocaties

-

-

Blad 6 van 9

Nader onderzoek Inrichtingsplan Ruygeborg II Onderzoek naar voorkomen van diverse doelsoorten projectnummer 0433970.100 12 februari 2021 revisie 01 Provincie Zuid-Holland

Figuur 3.1. Globale ligging van bemonsteringslocaties (water- en bodemmonsters: nummers 1 t/m 8; keutels: donkerblauwe stippen). Bron achtergrond: Globespotter, 2018.

3.2

Terreinbezoeken en inventarisatie Om te voldoen aan het soortenprotocol voor de platte schijfhoren, zijn aanvullende terreininventarisaties uitgevoerd. De terreinbezoeken en de eigenschappen van deze bezoeken zijn weergegeven in Tabel 3.2. Voor de terreininventarisatie is gebruik gemaakt van het 10stappenplan zoals beschreven door Stichting ANEMOON (2009). Binnen het plangebied zijn de meest kansrijke locaties (‘gezonde’ sloten of poelen een rijke gevarieerde onderwatervegetatie) vastgesteld. Met een schepnet zijn de betreffende locaties bemonsterd. De inhoud van het net is vervolgens overgebracht naar een emmer met een klein laagje water. Op deze manier zijn per locatie ten minste 50 slakken verzameld, of is voor ten minste een uur verzameld. De slakken zijn ter plaatse op soort gebracht. Daarna zijn de bemonsterde soorten teruggezet. Het gebruikte materiaal is steeds ter plaatse schoongemaakt, om te voorkomen dat slakken per ongeluk worden verplaatst naar een andere locatie. Binnen het plangebied zijn 19 locaties op deze wijze bemonsterd, zie Figuur 3.2. Alleen als de platte schijfhoren met zekerheid is vastgesteld, is deze genoteerd. Conform het protocol is bij twijfel, beschadigde of lege huisjes geen aantekening gemaakt. De terreininventarisatie is uitgevoerd door een deskundig ecoloog, Dagmar Broström van Antea Group.

De terreinbezoeken zijn bij weersomstandigheden uitgevoerd welke geschikt zijn voor de inventarisatie van deze soort.

Blad 7 van 9

Nader onderzoek Inrichtingsplan Ruygeborg II Onderzoek naar voorkomen van diverse doelsoorten projectnummer 0433970.100 12 februari 2021 revisie 01 Provincie Zuid-Holland

Tabel 3.2. Data van de terreinbezoeken. Datum

Weer

Temperatuur

Wind

24-04-2019

Onbewolkt

22 ⁰ C

3-Z

08-07-2019

Bewolkt en soms lichte regen

15 ⁰ C

4-NW

Figuur 3.2. Bemonsteringslocaties terreininventarisatie platte schijfhoren.

Blad 8 van 9

Activiteit Het nemen van water-, bodem- en keutelmonsters. Inventarisatie platte schijfhoren. Inventarisatie platte schijfhoren.

Nader onderzoek Inrichtingsplan Ruygeborg II Onderzoek naar voorkomen van diverse doelsoorten projectnummer 0433970.100 12 februari 2021 revisie 01 Provincie Zuid-Holland

4

Resultaten

4.1

eDNA Tabel 4.1 geeft een overzicht van de resultaten van de eDNA-analyses per soort. Per monsterlocatie zijn het aantal positieve resultaten en het totaal aantal monsters weergegeven. De waterspitsmuis en de noordse woelmuis zijn niet aangetoond middels eDNA. De heikikker is op vijf van de 8 locaties aangetoond. De platte schijfhoren is op alle drie de geteste locaties aangetoond. In Figuur 4.1 is een visuele weergave opgenomen van de locaties waar tenminste één positief resultaat van eDNA van de heikikker en de platte schijfhoren is geconstateerd. Tabel 4.1. Resultaten per locatie per soort en monstertype (#positief/totaal monsters).

Monsterlocatie 1 2 3 4 5 6 7 8 Keutels (5 locaties)

Waterspitsmuis

Bodem: 0/12 Water: 0/12 Bodem: 0/12 Water: 0/12 Bodem: 0/12 Water: 0/12 Bodem: 0/12 Water: 0/12 Bodem: 0/12 Water: 0/12 Bodem: 0/12 Water: 0/12 Bodem: 0/12 Water: 0/12 Bodem: 0/12 Water: 0/12 -

Noordse woelmuis

Heikikker

Platte schijfhoren

-

Water: 0/12

-

Water: 0/12

-

Water: 6/12

-

Water: 12/12

Water: 12/12

Water: 5/12

Water: 9/12

Water: 12/12

Water: 5/12

Water: 2/12

-

-

Water: 0/12

-

Keutels: 0/2 per locatie

-

-

Bodem: 0/12 Bodem: 0/12 Bodem: 0/12 Bodem: 0/12 Bodem: 0/12 Bodem: 0/12

Blad 9 van 9

Nader onderzoek Inrichtingsplan Ruygeborg II Onderzoek naar voorkomen van diverse doelsoorten projectnummer 0433970.100 12 februari 2021 revisie 01 Provincie Zuid-Holland

Figuur 4.1. Resultaten eDNA van de heikikker en platte schijfhoren. De noordse woelmuis en waterspitsmuis zijn niet aangetoond in het gebied en zijn daarom niet opgenomen in de Figuur. Toelichting Figuur: bemonsteringslocaties van de Heikikker (H) en Platte schijfhoren (P); grijs: niet aangetoond, zwart: ten minste één positieve reactie voor de betreffende soort. Bron achtergrond: Globespotter, 2018.

4.2

Terreininventarisatie platte schijfhoren In Tabel 4.2 zijn de bevindingen van de terreininventarisatie per monsterlocatie weergegeven. Ook zijn overige waarnemingen per locatie opgenomen. De platte schijfhoren is op 5 van de 19 bemonsterde locaties aangetoond. In Figuur 4.2 is een visuele weergave opgenomen van de waarnemingen van de platte schijfhoren.

Nader onderzoek Inrichtingsplan Ruygeborg II Onderzoek naar voorkomen van diverse doelsoorten projectnummer 0433970.100 12 februari 2021 revisie 01 Provincie Zuid-Holland

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwkoop&id=07ec6b20-6a2b-4a08-816b-16c9b3b82f57