CConstaterende datnieuwkoop
Koppel je AI →
Document · PDF

Deel 2 van Set bijlagen bij beschikking-geanonimiseerd (GROOT DOCUMENT)

Besluitvormende raadsvergadering 6 juni 2024, gemeente nieuwkoopBij agendapunt: Raadsvoorstel Aanvraag verklaring van geen bedenkingen voor aanleg natuurgebied Ruygeborg II fase I (2024-045)26.959 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Tabel 4.2. Resultaten van de terreininventarisatie voor de platte schijfhoren. Platte X-coördinaat Y-coördinaat Overige waarnemingen Monsterlocatie schijfhoren vastgesteld? 1 Geen waarnemingen Nee 114036,097 463292,53 2

Ja

113968,95

463585,139

3

Nee

114052,744

463572,304

4

Nee

114129,234

463559,15

5

Nee

114189,651

463599,74

6

Ja

114238,9

463618,357

7

Nee

114144,951

463588,228

8

Ja

115758,146

464901,073

9

Nee

115774,847

464909,222

10

Nee

115909,57

464966,236

11

Nee

115998,235

464870,541

12

Nee

116157,946

464844,824

13

Ja

114883,319

465126,954

14

Ja

114960,758

465098,943

15

Nee

115860,346

464835,367

16 17 18 19

Nee Nee Nee Nee

115947,421 116393,456 114930,233 114381,199

464823,919 464810,152 464804,962 464126,744

stekelbaarsje en geronde schijfhoren stekelbaars, kikkervisje, draaikolk schijfhoren draaikolk schijfhoren, kikkervisje, bloedzuiger geronde schijfhoren (heel veel) kikkervisje (de platte schijfhoren zit vooral op blad dotterbloem) draaikolkschijfhoren, geronde schijfhoren (heel veel) geronde op lisdodde, larven van waterkevers geronde schijfhoren (heel veel), slakken nauwelijks water vegetatie, draaikolkschijfhoren, geronde schijfhoren, stekelbaarsje stekelbaarsje, draaikolkschijfhoren, larven van libel groene kikker, geronde schijfhoren (heel veel) geronde schijfhoren (heel veel), stekelbaars veel draaikolk schijfhoorn, stekkelbaars, toren, groene kikkers veel draaikolk schijfhoorn. ook lege huizen en kapotte. sommige twijfelgevallen. diversen larven. kikkers en andere watervegetatie matig, enkele draaikolk, mossel (klein), overige slakken (klein en groot), larven Geen waarnemingen Geen waarnemingen Geen waarnemingen Geen waarnemingen

Nader onderzoek Inrichtingsplan Ruygeborg II Onderzoek naar voorkomen van diverse doelsoorten projectnummer 0433970.100 12 februari 2021 revisie 01 Provincie Zuid-Holland

Figuur 4.2. Resultaten van de terreininventarisatie voor de platte schijfhoren.

Nader onderzoek Inrichtingsplan Ruygeborg II Onderzoek naar voorkomen van diverse doelsoorten projectnummer 0433970.100 12 februari 2021 revisie 01 Provincie Zuid-Holland

5

Effectbepaling en -beoordeling

5.1

Regionaal beschermde soorten (Artikel 3.10, onderdeel A) De waterspitsmuis (beschermd onder artikel 3.10 ‘overige soorten’) is niet aangetoond middels eDNA. De soort kan worden uitgesloten van het plangebied. Derhalve is het niet nodig voor deze soort een ontheffing aan te vragen.

5.2

Europees beschermde soorten (Artikel 3.5, Habitatrichtlijn) In het nader onderzoek zijn de heikikker en de platte schijfhoren vastgesteld. Deze soorten zijn beschermd onder artikel 3.5, Habitatrichtlijn. De noordse woelmuis (tevens beschermd onder artikel 3.5, habitatrichtlijn) is niet aangetoond en kan worden uitgesloten van het plangebied. Op basis van het eDNA is de heikikker in (de omgeving van) twee van deze deelgebieden aangetoond. In het meest westelijke deelgebied is de soort niet aangetoond. Op basis van de voorgaande natuurtoets is vastgesteld dat het meest geschikte deelgebied voor de platte schijfhoren zich bevindt aan de oostzijde van het plangebied. Ter plaatse is de aanwezigheid van de platte schijfhoren middels eDNA vastgesteld. Middels een terreininventarisatie is de soort zowel aan de oostzijde als aan de westzijde van het gebied vastgesteld.

Figuur 5.1: Schematische weergave van de resultaten van het eDNA onderzoek en de terreininventarisatie binnen het plangebied van Ruygeborg II op de plantekening (zie ook figuur 4.1 en 4.2). Op deze locaties (gele stippen) is de heikikker aangetoond, in de ‘natte driehoek’ is op dezelfde plaatsen ook de platte schijfhoren aangetoond (gele stippen, zwart omrand). De natte driehoek betreft het paarse vlak rechtsboven. De rode stip met zwarte rand geeft weer waar de platte schijfhoren buiten de ‘natte driehoek’ met behulp van terreininventarisatie is aangetroffen in het plangebied Ruygeborg II.

Binnen de ‘natte driehoek’ zal het waterpeil worden verhoogd en de landbodem worden afgeplagd. Er worden geen negatieve effecten verwacht op de platte schijfhoren. In de oranje gearceerde zone en in de natte driehoek zullen graafwerkzaamheden plaatsvinden en zal een natuurvriendelijke oever worden aangelegd. Dit heeft een tijdelijk effect op potentieel overwinteringsbiotoop van de heikikker. Om effecten voor deze soort te beperken, zijn diverse

Nader onderzoek Inrichtingsplan Ruygeborg II Onderzoek naar voorkomen van diverse doelsoorten projectnummer 0433970.100 12 februari 2021 revisie 01 Provincie Zuid-Holland

mitigerende maatregelen mogelijk. Echter zijn negatieve effecten op de heikikker niet volledig uit te sluiten. Gevolgen worden besproken in hoofdstuk 6.

Nader onderzoek Inrichtingsplan Ruygeborg II Onderzoek naar voorkomen van diverse doelsoorten projectnummer 0433970.100 12 februari 2021 revisie 01 Provincie Zuid-Holland

6

Conclusies en vervolgstappen

6.1

Conclusies De opdrachtgever is voornemens het plangebied her in te richten teneinde de natuurwaarden van het gebied te versterken. In 2019 is door Antea Group een natuurtoets uitgevoerd ten behoeve van de herinrichting van het gebied Ruygeborg II (gemeente Nieuwkoop, Provincie ZuidHolland). In de natuurtoets is vastgesteld dat het plangebied geschikt leefgebied vormt voor algemene broedvogels, de waterspitsmuis, de noordse woelmuis, heikikker en platte schijfhoren. Daarom is in 2019 door Antea Group nader onderzoek uitgevoerd naar deze soorten. Uit het nader onderzoek is gebleken dat de heikikker en de platte schijfhoren aanwezig zijn in het plangebied. Aanwezigheid van de noordse woelmuis en de waterspitsmuis is uitgesloten door het nader onderzoek. De bevindingen uit het Nader Onderzoek leiden tot de volgende conclusies: 1. de inrichtingswerkzaamheden leiden tot overtreding van verbodsbepalingen Wnb, en wel voor de soort: Heikikker. Het betreft het tijdelijk vernietigen van leefgebied en het verstoren en vangen van individuen; 2. het overtreden van verbodsbepalingen kan worden beperkt door het nemen van mitigerende maatregelen voor de heikikker; 3.

voor de platte schijfhoren worden in principe geen verbodsbepalingen overtreden, aangezien in de locatie waar deze is vastgesteld geen actueel leefgebied wordt aangetast, en/of er slechts sprake is van verhoging van het waterpeil en het afplaggen van de landbodem; 4. de mitigerende maatregelen moeten worden geborgd in een ecologisch werkprotocol. Deze conclusies worden hieronder kort nader toegelicht.

6.2

Ontheffingsprocedure Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat heikikker en platte schijfhoren aanwezig zijn in het plangebied. Als gevolg van het voornemen kunnen negatieve effecten op heikikker niet worden voorkomen en is sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming (artikel 3.5). Op de plaatsen waar de platte schijfhoren is aangetoond wordt gewerkt aan de oever en niet in de waterbodem en -in de natte driehoek- zal het waterpeil worden verhoogd. Er is geen sprake van het overtreden van verbodsbepalingen voor deze soort. Voor de heikikker is een ontheffing nodig. Deze dient aangevraagd te worden bij bevoegd gezag (provincie Zuid-Holland). Een ontheffingsaanvraag wordt getoetst aan drie criteria. Op basis hiervan wordt besloten of ontheffing verleend kan worden. Onderbouwd zal moeten worden: 1. Of de gunstige staat van instandhouding van de soorten in het geding komt door het plan; 2. Of er alternatieven zijn voor het voornemen, waarbij de soorten minder geschaad worden; 3. Of er een wettelijk belang is.

Nader onderzoek Inrichtingsplan Ruygeborg II Onderzoek naar voorkomen van diverse doelsoorten projectnummer 0433970.100 12 februari 2021 revisie 01 Provincie Zuid-Holland

In het kader van de ontheffingsaanvraag is het van belang tevens maatregelen te treffen om geen afbreuk te doen aan de gunstige staat van instandhouding van de soorten waarvoor ontheffing wordt aangevraagd. Bovenstaande wordt beschreven in een activiteitenplan, welke als onderbouwing van de ontheffingsaanvraag dient. Op basis hiervan beoordeelt bevoegd gezag de ontheffingsaanvraag. De reguliere termijn van het bevoegd gezag voor het afhandelen van een ontheffingsaanvraag bedraagt 13 weken welke kan worden verlengd met 7 weken (indien tijdens de procedure om aanvullende gegevens wordt verzocht wordt deze termijn opgeschort). Wanneer de ontheffing verkregen is en voldaan is aan de opgelegde voorwaarden uit de ontheffing kunnen de werkzaamheden in het plangebied starten.

6.3

Mitigerende maatregelen In het kader van de ontheffingsaanvraag is het van belang maatregelen te treffen om geen afbreuk te doen aan de gunstige staat van instandhouding. Het plan is locatiegebonden aangezien het een aanpassing betreft van het huidige gebied. De herontwikkeling heeft als doel om de plaatselijke natuurwaarden te versterken. De benodigde maatregelen zijn soortspecifiek en afhankelijk van de voorgenomen werkzaamheden. De uitwerking van de maatregelen vindt in separate documenten plaats en maakt tevens onderdeel uit van de ontheffingsaanvraag. Tevens dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht. Naast het uitvoeren van maatregelen, kan overleg met (lokale) werkgroepen voor bepaalde soorten of overleg met lokale overheid of bevoegd gezag wenselijk zijn om tot de juiste maatregelen te komen. Tijdens de uitvoering van het plan dient zorgvuldig met de beschermde soorten (i.c. heikikker) omgegaan te worden. Door het nemen van passende mitigerende maatregelen wordt geborgd dat de werkzaamheden niet leiden tot een verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soorten en wordt er geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

Een leefgebied moet de soorten namelijk continu blijvend voorzien in wat nodig is om succesvol te kunnen voortplanten of te kunnen verblijven. Daarnaast zal in de toekomstige situatie een hogere natuurwaarde van het gebied worden gecreëerd. Het leefgebied van de heikikker kan hierin worden ingepast. Optimalisatie van leefgebied voor deze soort past binnen de scope van het plan. Het onderhavige inrichtingsplan plan wordt uitgevoerd in het kader van het groot openbare belang, met inbegrip van redenen van milieuwezenlijke gunstige effecten (belang uit artikel 3.8, lid b van de Wnb). Door de herontwikkeling kan een kwaliteitsimpuls worden gegeven aan de natuur ter plaatse. Het gebied kan daarmee de functies van het aangrenzende Natura 2000gebied ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’ versterken. Voorliggend plan kan hier flexibel op inspelen en voorziet hiermee in een kwalitatieve behoefte. Op basis van een nadere uitwerking van bovenstaande punten kan voldaan worden aan de criteria van het bevoegd gezag. De verwachting is dat de ontheffing zal worden verleend en dat voor de functie van het gebied effectieve mitigerende maatregelen beschikbaar zijn. Onder deze voorwaarden, aangevuld met de andere criteria voor het verkrijgen van de ontheffing is de uitvoerbaarheid van het plan niet in het geding. Onderstaand wordt per soort een advies gegeven over de te nemen maatregelen.

Nader onderzoek Inrichtingsplan Ruygeborg II Onderzoek naar voorkomen van diverse doelsoorten projectnummer 0433970.100 12 februari 2021 revisie 01 Provincie Zuid-Holland

6.3.1

Heikikker De heikikker gebruikt zijn leefgebied op verschillende manieren, afhankelijk van de seizoenen. Als kwetsbare periode voor de voortplanting wordt de periode van 15 februari tot en met 15 juli gehanteerd. Voor de winterrust wordt de kwetsbare periode van 1 oktober tot 15 februari gehanteerd. In het noorden van het land wordt voor beide functies vaak een langere kwetsbare periode gehanteerd, respectievelijk tot eind juli en eind februari. Activiteiten die het water beïnvloeden kunnen wat betreft de heikikker worden uitgevoerd in de periode van 15 juli tot en met 15 februari (in het noorden van het land kan mogelijk nog niet gestart worden vanaf 15 juli). Voor activiteiten die alleen de oever beïnvloeden geldt dat de periode van 15 juli tot en met eind september de minst ongunstige periode vormt voor de werkzaamheden. Deze dienen dan wel onder begeleiding van een heikikkerdeskundige plaats te vinden. Voor activiteiten die alleen het landdeel beïnvloeden, geldt dat de periode van 15 februari tot en met 15 maart als minst ongunstige periode wordt gezien. Ook hierbij dient een heikikkerdeskundige geraadpleegd te worden. De werkzaamheden hebben een (tijdelijk) negatief effect op zowel het water- als het landbiotoop. Derhalve is de meest gunstige periode om de werkzaamheden uit te voeren niet aan te wijzen.

Alleen in de periode dat de heikikker in het water verblijft, ergens in de periode tussen 15 februari en 15 maart, kan op het land worden gewerkt zonder schade aan de soort. Omdat de werkzaamheden invloed hebben op het gehele gebied, moet gedacht worden aan een combinatie van mitigerende maatregelen. Het plangebied is doorweven met een slotensysteem waarvan het overgrote deel verder ongemoeid blijft. In het overgrote deel van het plangebied blijft de aanwezige slotenstructuur gehandhaafd. Alleen in de delen die worden vergraven en waar een moeraszone wordt gecreëerd worden delen van sloten gedempt. Het project resulteert in een verbeterde leefomgeving voor de heikikker, alleen in de uitvoeringsfase wordt het leefgebied tijdelijk verstoord waarvoor mitigerende maatregelen moeten worden genomen. Door het dempen van (delen van) bepaalde sloten gaat potentieel voortplantingswater van de heikikker verloren. De volgende mitigerende maatregelen worden genomen: De graafwerkzaamheden en het dempen van de sloten zullen naar verwachting in de kwetsbare periode van de heikikker starten, namelijk in de periode september - oktober. Om negatieve effecten op de heikikker te voorkomen zal voorafgaand aan de start van de graafwerkzaamheden het terrein waar grondwerkzaamheden plaatsvinden ongeschikt gemaakt worden, zodat negatieve effecten op de heikikker worden voorkomen of geminimaliseerd.

Het ongeschikt maken zal plaatsvinden in de periode augustus – september, en zal zorgvuldig onder ecologische begeleiding worden uitgevoerd. Daarbij worden eventueel aangetroffen heikikkers weggevangen en overgezet naar geschikt leefgebied in de nabije omgeving waar geen werkzaamheden zullen plaatsvinden; De werkzaamheden worden uitgevoerd onder ecologische begeleiding. Eventueel aangetroffen heikikkers worden gevangen en overgeplaatst naar leefgebied in de nabije omgeving waar geen werkzaamheden plaatsvinden.

Nader onderzoek Inrichtingsplan Ruygeborg II Onderzoek naar voorkomen van diverse doelsoorten projectnummer 0433970.100 12 februari 2021 revisie 01 Provincie Zuid-Holland

Daarnaast zullen aan de zuidwestzijde van het plangebied meerdere poelen worden gegraven die alternatief voortplantingswater bieden voor de heikikker (BIJ12, 2017b). Optimaal leefgebied voor de heikikker voldoet aan de volgende eisen: Ondiepe poel, circa een 1 meter onder de grondwaterspiegel; Begroeiing nabij de poel, met name pijpenstrootje is voor de heikikker een geschikte plant en biedt voldoende beschutting op landbiotoop; Geen hoge vegetatie op de zuidzijde (i.v.m. lichtval op de poel); Flauw talud; Minimaal 10 meter doorsnede; Geen vissen in de poel, verbindingen met andere waterlichamen voorkomen; Bereikbaar voor beheer en onderhoud; Niet te zuur (pH 4/6).

6.3.2

Platte Schijfhoren De platte schijfhoren is jaarrond aanwezig in schone wateren met stilstaand water. De soort wordt vaak waargenomen op draadalgvegetaties en krabbescheer. Omdat de soort jaarrond aanwezig is, is geen gunstige periode voor uitvoering van de werkzaamheden aan te wijzen. Conform de factsheet van Stowa (Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer) kunnen werkzaamheden worden uitgevoerd mits hierbij een ecoloog betrokken wordt en eventuele mitigerende maatregelen plaatsvinden. De voortplantingsperiode van de platte schijfhoren duurt van maart tot circa juli-november (IUCN). In de winter komt de soort dieper in het water en in het slib voor. Door in de periode juliaugustus waterplanten te verplaatsen, is de kans groot dat eieren worden overgeplaatst. Op deze wijze kan de populatie ter plaatse sneller herstellen. De inrichtingswerkzaamheden leiden niet tot het overtreden van verbodsbepalingen van voor de platte schijfhoren. Ter plaatse van de natte driehoek zal het waterpeil worden verhoogd en wordt de landbodem afgeplagd. De waterpeilstijging en het afplaggen zullen niet leiden tot het overtreden van verbodsbepalingen voor de platte schijfhoren. Naast het verhogen van het waterpeil in de natte driehoek, zullen ook de werkzaamheden aan de oever geen effect hebben op de platte schijfhoren, aangezien er geen werkzaamheden aan de slootbodem worden uitgevoerd.

Voor de platte schijfhoren wordt dan ook geen ontheffing aangevraagd.

6.4

Ecologische begeleiding en Ecologisch werkprotocol Het inschakelen van een soortendeskundige om de voorgenomen activiteiten te begeleiden is een onderdeel van de maatregelen (Ecologische begeleiding). De deskundige stelt een ecologisch werkprotocol voor de werkzaamheden op, welke op locatie aanwezig dient te zijn ten tijde van de uitvoering van de werkzaamheden. Activiteiten dienen aantoonbaar volgens protocol te worden uitgevoerd. Dit kan bijvoorbeeld worden aangetoond door middel van een logboek.

Nader onderzoek Inrichtingsplan Ruygeborg II Onderzoek naar voorkomen van diverse doelsoorten projectnummer 0433970.100 12 februari 2021 revisie 01 Provincie Zuid-Holland

6.5

Zorgplicht Wat betreft de aanwezige algemene soorten wordt de algehele zorgplicht en werken volgens de goedgekeurde gedragscode gehanteerd. Dit houdt onder andere in dat dieren niet onnodig en opzettelijk mogen worden gedood. Hiermee dient rekening te worden gehouden bij uitvoering van de werkzaamheden. Door maatregelen te treffen, bijvoorbeeld door werkzaamheden te faseren, hebben de aanwezige algemene soorten de mogelijkheid om te vluchten en kan worden voldaan aan de zorgplicht.

Nader onderzoek Inrichtingsplan Ruygeborg II Onderzoek naar voorkomen van diverse doelsoorten projectnummer 0433970.100 12 februari 2021 revisie 01 Provincie Zuid-Holland

7

Bronnen Antea Group, 2019. Natuurtoets Inrichtingsplan Ruygeborg II, Toetsing Wet natuurbescherming en NNN, projectnummer 433970, definitief revisie 02, d.d. 18 januari 2019 BIJ12, 2017a. Kennisdocument Noordse woelmuis BIJ12, 2017b. Kennisdocument Heikikker Boesveld, A., Gmelig Meyling, A.W., De Bruyne, R.H., 2009. Handleiding Slakken van de Habitatrichtlijn waarnemen. Stichting ANEMOON, 2009. Groeneveld, A., G. Smit & E. Goverse, 2011. Handleiding voor het Monitoren van Amfibieën in Nederland. RAVON Werkgroep Monitoring, Amsterdam. Van Bochove, K., 2019. eDNA onderzoek naar diverse doelsoorten. Rapport RA2019006, Datura, Wageningen Stowa, Factsheet soortenprotocol platte schijfhoren. Te raadplegen via: http://soortprotocollenflora-enfaunawet.stowa.nl/documents/soortprotocollenfloraenfaunawet/platteschijfhoren.pdf Websites: Datura IUCN NDFF RAVON Stichting Anemoon Stowa Street Smart Zoogdiervereniging

Nader onderzoek Inrichtingsplan Ruygeborg II Onderzoek naar voorkomen van diverse doelsoorten projectnummer 0433970.100 12 februari 2021 revisie 01 Provincie Zuid-Holland

Bijlage 1: eDNA onderzoek

eDNA onderzoek naar diverse doelsoorten

In opdracht van Antea Groep

Colofon Titel

eDNA onderzoek naar diverse doelsoorten.

Tekst, foto's en samenstelling In opdracht van

Antea Groep

Naam opdrachtgever Rapportnummer

RA2019006

Datum oplevering rapport

12 juni 2019

Aantal pagina's

10

Wijze van citeren

Laboratorium analist

Datura Molecular Solutions BV Agro Business Park 10 6708 PW Wageningen

www.datura.nl

eDNA onderzoek naar diverse doelsoorten | Datura | 2

Inhoudsopgave 1.

Doelstelling ........................................................................................................................................................4

2.

Methode ............................................................................................................................................................4 2.1 Sampling ..........................................................................................................................................................4 2.2 Laboratorium analyse ......................................................................................................................................6 2.2.1 Watersamples ...............................................................................................................................................6 2.2.2 Bodemsamples .............................................................................................................................................6 2.2.3 Keutel samples..............................................................................................................................................6 2.3 Kwaliteitswaarborging .....................................................................................................................................7 2.3.1 Hoe vals positieve waarnemingen voorkomen worden ...............................................................................7 2.3.2.

Hoe vals negatieve waarnemingen voorkomen worden .............................................................................8

3.

Resultaten .........................................................................................................................................................9

eDNA onderzoek naar diverse doelsoorten | Datura | 3

1. Doelstelling Vaststellen van de aan- of afwezigheid van eDNA van waterspitsmuis (Neomys fodiens), noordse woelmuis (Microtus oeconomus), heikikker (Rana arvalis) en platte schijfhoren (Anisus vorticulus) in opdracht van Antea Groep.

2. Methode 2.1 Sampling De bemonsteringen zijn uitgevoerd door Kees van Bochove en Jitske Rook op 24 april 2019. Er zijn acht watermonsters, 8 bodemmonsters en 5 keutelmonsters verzameld in het opgegeven gebied omgeving Nieuwkoop (figuur 1 t/m 4). De watermonsters zijn getest op waterspitsmuis, heikikker en platte schijfhoren. De bodemmonsters zijn getest op waterspitsmuis en noordse woelmuis. De keutelmonsters zijn enkel getest op noordse woelmuis.

Figuur 1, Overzicht onderzoeksgebied

eDNA onderzoek naar diverse doelsoorten | Datura | 4

Figuur 2, Sample locaties

Figuur 3, Sample locaties

Figuur 4, Sample locaties

eDNA onderzoek naar diverse doelsoorten | Datura | 5

2.2 Laboratorium analyse 2.2.1 Watersamples De eDNA watersamples zijn geanalyseerd op de aanwezigheid van eDNA van de doelsoorten. Het analyseren van een eDNA sample vindt plaats in drie stappen. Eerst wordt het eDNA op het filter geconcentreerd en gezuiverd. Vervolgens wordt een controle analyse uitgevoerd om te testen of eDNA detectie in een sample eventueel geïnhibeerd wordt door storende stoffen. Tenslotte wordt het eDNA gedetecteerd met behulp van een real-time quantitative PCR. 1. Het eDNA is geëxtraheerd door middel van een phenol chloroform DNA extractie. Gedurende de extractie lost het filter op waardoor al het DNA vrij komt. Storende stoffen als humuszuren kunnen detectie van het eDNA inhiberen wat kan leiden tot vals negatief resultaat. Gedurende de extractie zijn deze inhiberende stoffen zo veel mogelijk verwijderd. 2. Er is een controle uitgevoerd om na te gaan of eDNA detectie in een sample geïnhibeerd wordt. Dit is gedaan door een bekende hoeveelheid van een fragment artificieel DNA toe te voegen. Vervolgens is de concentratie van dit fragment artificieel DNA gemeten. Dit is zowel gedaan in een reactie waar een hoeveelheid sample aan toegevoegd is, als in een reactie waar geen sample aan toegevoegd is.

Als DNA detectie in een sample geïnhibeerd wordt, dan is de gemeten concentratie artificieel DNA in de reactie waarin sample toegevoegd wordt lager ten opzichte van de reactie waaraan geen sample toegevoegd is. Voornamelijk in zuur water, waarin veel organische deeltjes aanwezig zijn kan inhibitie optreden. In een dergelijk geval wordt een extra zuiveringsstap uitgevoerd of wordt het sample verdund. Vervolgens wordt opnieuw gekeken of de inhiberende stoffen voldoende verwijderd zijn. 3. Detectie van eDNA vindt plaats door middel van een real-time kwantitatieve PCR (qPCR). Het principe achter deze techniek is dat een specifiek deel van het DNA zeer vaak vermenigvuldigd (geamplificeerd) wordt. Datura maakt gebruik van soort-specifieke primers die uitsluitend DNA van de doelsoort vermenigvuldigen. Bovendien wordt een soort-specifieke probe gebruikt (een soort primer) die uitsluitend bindt aan eDNA van de doelsoort. Binding van de probe aan het vermenigvuldigde eDNA van de doelsoort veroorzaakt een fluorescent signaal. Dit signaal wordt gedetecteerd met behulp van een qPCR platform (CFX96 TouchTM van Bio-Rad). De qPCR detectie wordt uitgevoerd met 12 replica's. Het aantal positieve replica's is een indicatie voor de concentratie eDNA. Het is echter (vooralsnog) niet mogelijk om op basis van de concentratie van eDNA de populatiedichtheid te bepalen.

De qPCR detectie wordt uitgevoerd met de TaqMan® Environmental Mastermix 2.0 (Life Technologies®). Naast het eDNA sample worden qPCR reacties uitgevoerd waaraan geen sample is toegevoegd. Deze moeten negatief zijn. Zodoende kan bevestigd worden dat de analyse schoon is uitgevoerd en er geen contaminatie optreedt. Tenslotte worden ook enkele reacties geanalyseerd waaraan een bekende concentratie DNA is toegevoegd. Deze reacties moeten positief zijn. Dit bevestigt dat de analyse juist is uitgevoerd. 2.2.2 Bodemsamples De bodemsamples zijn geanalyseerd op de aanwezigheid van eDNA van waterspitsmuis en noordse woelmuis. Het analyseren van een DNA bodemsample vindt plaats in drie stappen. Bij de eerste stap wordt het eDNA geconcentreerd in een pellet met behulp van centrifugeren. Vervolgens wordt de pellet gebruikt voor de extractie met een Qiagen Blood & Tissue kit. Bij deze extractie zijn de inhiberende stoffen zo veel mogelijk verwijderd. De overige 2 stappen zijn hetzelfde als bij de watersamples (2.2.1 watersamples). 2.2.3 Keutel samples De keutelsamples zijn geanalyseerd op de aanwezigheid van eDNA van noordse woelmuis. Het analyseren van een keutelsample vindt plaats in drie stappen. Eerst wordt het eDNA van een keutelsample geextraheerd met behulp van de Qiagen PowerFecal kit. De overige stappen zijn gelijk aan de methode van de watersamples (2.2.1 watersamples).

Het enige verschil is dat een keutelsample niet met 12 replica’s maar met 2 replica’s wordt uitgevoerd. Dit omdat keutels vele malen meer DNA bevatten dan water- en bodemsamples. eDNA onderzoek naar diverse doelsoorten | Datura | 6

2.3 Kwaliteitswaarborging 2.3.1 Hoe vals positieve waarnemingen voorkomen worden Het optreden van zowel vals positieve als vals negatieve waarnemingen wordt tot het minimum beperkt. Vals positieve waarnemingen kunnen op drie manieren ontstaan: • De gebruikte primers en de probe zijn niet specifiek; • Er vindt contaminatie plaats in het laboratorium; • Er vindt contaminatie plaats in het veld. Hieronder wordt aangegeven hoe vals positieve waarnemingen voorkomen worden. Omdat de kans op vals positieve waarnemingen zeer klein is, kunnen we niet exact kwantificeren hoe groot de kans daadwerkelijk is. Datura kan daarom niet 100 % zeker garanderen dat vals positieve waarnemingen nooit optreden. In de praktijk (middels validatie studies) nemen we echter geen vals positieve waarnemingen waar. Het is daarom aannemelijk dat vals positieve waarnemingen niet optreden.

Hoe het optreden vals positieve waarnemingen voorkomen wordt door degelijk ontwerp en validatie van specifieke primers en probes: 1. Er wordt gebruik gemaakt van een 2-staps qPCR protocol, hetgeen de kans op aspecifieke detectie verkleint; 2. Gebruik van zeer specifieke primers waarmee uitsluitend eDNA van de doelsoort gedetecteerd kan worden. De primers zijn ontwikkeld met behulp van specialistische software; 3. Een qPCR detectie wordt uitgevoerd met behulp van een zeer specifieke probe. Deze probe hecht uitsluitend aan DNA van de doelsoort, hetgeen resulteert in een fluorescent signaal; 4. De primers en de probe zijn in het laboratorium getest. Eerst is getest of de qPCR detectie inderdaad negatief resultaat geeft na het toevoegen van DNA van (verwante) vissoorten; Vervolgens is de methode gevalideerd door het testen van veldsamples. Er zijn eDNA samples verzameld op locaties waar de doelsoort niet voorkomt. Er werd geen eDNA gedetecteerd in deze samples. Zodoende kon aangetoond worden dat de methode niet resulteert in positieve detectie als de doelsoort niet aanwezig is.

Om vals positieve waarnemingen te voorkomen werkt Datura in een specifiek voor (e)DNA ingericht laboratorium omgeving en worden strikte procedures gevolgd: 1. Verschillende onderdelen van de analyse workflow worden uitgevoerd in fysiek gescheiden laboratorium ruimtes. Het samenstellen van de eDNA sample kits en het voorbereiden van de qPCR reagentia vindt plaats in een DNA clean room. Dit is een ruimte waarin geen DNA samples aanwezig zijn. Zodoende kunnen we garanderen dat er geen DNA aanwezig is in de eDNA sample kits en de reagentia (zoals de primers en probes) die later gebruikt worden in de eDNA analyses. Het extraheren van de eDNA samples gebeurt in een pre-PCR laboratorium. Dit is een ruimte waarin uitsluitend lage concentraties DNA aanwezig zijn. Vervolgens worden hier de eDNA samples samen met de qPCR reagentia in een 96-well plaat gepipetteerd. Deze plaat wordt luchtdicht afgesloten. Tenslotte wordt de qPCR uitgevoerd in een post-PCR laboratorium. In dit laboratorium wordt het eDNA vermeerderd en hier zijn dus hoge concentraties DNA aanwezig. 2. Er wordt een unidirectionele workflow gehanteerd om contaminatie van de DNA clean room en het pre-PCR laboratorium te voorkomen. Dit houdt in dat materialen die eenmaal in het post-PCR laboratorium geweest zijn niet meer terug mogen naar de DNA clean room en het pre-PCR laboratorium.

Ook mogen medewerkers van Datura niet dezelfde dag van een post-PCR laboratorium terug naar de DNA clean room en het pre-PCR laboratorium. 3. In iedere analyse worden controle analyses uitgevoerd. Zo worden er samples geëxtraheerd waaraan geen slootwater wordt toegevoegd (zogenaamde extractie controles). In de qPCR worden naast de extractie controles ook negatieve PCR controles meegenomen. Zodoende kan heel nauwkeurig gemonitord worden of er inderdaad geen contaminatie optreed.

eDNA onderzoek naar diverse doelsoorten | Datura | 7

Om contaminatie in het veld te voorkomen worden de volgende maatregelen genomen: 1. Het sampling protocol van Datura wordt gevolgd. Dit protocol schrijft een specifieke werkwijze voor. In de praktijk is gebleken dat er geen contaminatie plaats vindt als dit protocol gevolgd wordt; 2. Er dient rekening gehouden te worden met waterverplaatsingen. De sampling wordt daarom uitgevoerd op een moment dat er weinig stroming is. Zo worden eDNA samples niet verzameld direct na (hevige) regenval. Ook wordt er rekening gehouden met kunstmatig opgewekte stroming, bijvoorbeeld bij wisseling van zomer- naar winterpeil. 2.3. 2. Hoe vals negatieve waarnemingen voorkomen worden Naast vals positieve waarnemingen kunnen ook vals negatieve waarnemingen optreden. Daarnaast is uit diverse validatie studies gebleken dat het eDNA in sommige gevallen niet gedetecteerd wordt, ook al is de doelsoort wel aanwezig. Maatregelen die genomen worden om vals negatieve waarnemingen te voorkomen: 1. Per watersample worden 28 subsamples verzameld. Hiermee wordt de kans vergroot dat eDNA in het sample terecht komt. 2. Per bodemsample worden 15 subsamples verzameld. 3. Een zeer gevoelige qPCR detectie wordt uitgevoerd met behulp van 12 replica’s bij bodem- en watersamples of 2 replica’s bij keutelsamples. Wanneer minder replica's uitgevoerd worden kan er minder gevoelig gedetecteerd worden.

Meer dan 12 qPCR replica's leidt echter niet tot gevoeligere detectie; 4. Gebruik van een zeer korte merker van maximaal 100 basepaar; 5. Van ieder sample wordt vastgesteld of de qPCR detectie geïnhibeerd wordt door storende stoffen. Indien dit het geval is wordt er een extra zuiveringstap uitgevoerd. Vervolgens wordt nogmaals getest of er inderdaad geen inhibitie meer optreedt (zie methode voor een uitgebreidere beschrijving); 6. Er wordt altijd een positieve controle reactie van doelsoort DNA meegenomen in de qPCR detectie. Deze controle reactie moet altijd resulteren in positieve detectie. Ook als alle samples negatief zijn, kan zodoende vastgesteld worden dat de detectie juist is uitgevoerd.

eDNA onderzoek naar diverse doelsoorten | Datura | 8

3. Resultaten Er is geen eDNA noordse woelmuis of waterspitsmuis aangetoond in bodem-, water- of keutelsamples (tabel 1, 2 en 3). Wel is er in een aantal watermonsters eDNA van heikikker aangetoond (tabel 1). In alle 3 de samples die getest zijn op platte schijfhoren werd eDNA van platte schijfhoren gevonden (tabel 1). Er is geen amplificatie waargenomen in de negatieve controle reacties waar geen sample aan toegevoegd is. De positieve controle reacties waar DNA uit weefsel van de doelsoort aan toegevoegd is werd naar verwachting wel geamplificeerd. Dit geeft aan dat de analyse juist is uitgevoerd. Humuszuren kunnen een qPCR reactie inhiberen wat kan leiden tot vals negatief resultaat. Daarom wordt altijd een interne controle mee geanalyseerd om vast te stellen of er sprake is van inhibitie. Er werd geen significante afwijking gevonden. De Cq-waarde van de interne controles waar een sample aan toegevoegd is ten opzichte van de reacties waar geen sample aan toegevoegd is, waren gelijk. Er was in dit geval dan ook geen sprake van inhibitie. Samenvattend, de eDNA analyses zijn met succes uitgevoerd. Er is geen eDNA van waterspitsmuis of noordse woelmuis aangetoond maar wel van heikikker en platte schijfhoren.

Tabel 1. Resultaten van eDNA analyse watersamples. Sample nummer

Aantal positieve reacties waterspitsmuis

Aantal positieve reacties heikikker

Aantal positieve reacties platte schijfhoren

21190

0/12

0/12

Nvt

21196

0/12

2/12

Nvt

21324

0/12

0/12

Nvt

21326

0/12

12/12

5/12

21329

0/12

12/12

12/12

21472

0/12

0/12

Nvt

21473

0/12

5/12

9/12

21474

0/12

6/12

Nvt

eDNA onderzoek naar diverse doelsoorten | Datura | 9

Tabel 2. Resultaten van eDNA analyse bodemsamples. Sample nummer

Aantal positieve reacties waterspitsmuis

Aantal positieve reacties noordse woelmuis

6478

0/12

0/12

6480

0/12

0/12

6481

0/12

0/12

6482

0/12

Nvt

6483

0/12

0/12

6484

0/12

0/12

6485

0/12

0/12

6487

0/12

nvt

Tabel 3. Resultaten van eDNA analyse keutelsamples. Sample nummer

Aantal positieve reacties noordse woelmuis

4714

0/2

4723

0/2

4724

0/2

4725

0/2

4726

0/2

eDNA onderzoek naar diverse doelsoorten | Datura | 10

Over Antea Group Van stad tot land, van water tot lucht; de adviseurs en ingenieurs van Antea Group dragen in Nederland sinds jaar en dag bij aan onze leefomgeving. We ontwerpen bruggen en wegen, realiseren woonwijken en waterwerken. Maar we zijn ook betrokken bij thema’s zoals milieu, veiligheid, assetmanagement en energie. Onder de naam Oranjewoud groeiden we uit tot een allround en onafhankelijk partner voor bedrijfsleven en overheden. Als Antea Group zetten we deze expertise ook mondiaal in. Door hoogwaardige kennis te combineren met een pragmatische aanpak maken we oplossingen haalbaar én uitvoerbaar. Doelgericht, met oog voor duurzaamheid. Op deze manier anticiperen we op de vragen van vandaag en de oplossingen van de toekomst. Al meer dan 60 jaar.

Contactgegevens Beneluxweg 125 4904 SJ OOSTERHOUT Postbus 40 4900 AA OOSTERHOUT

www.anteagroup.nl

Copyright © 2017 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.

Nader onderzoek Ruygeborg II Onderzoek naar beschermde amfibieën (heikikker en de rugstreeppad)

projectnummer 0465181 concept 11 augustus 2022

Nader onderzoek Ruygeborg II Onderzoek naar beschermde amfibieën (heikikker en de rugstreeppad)

projectnummer 0465181 concept 11 augustus 2022

Auteurs

Opdrachtgever Provincie Zuid-Holland Zuid-Hollandplein 1 2596 AW 'S-GRAVENHAGE

Antea Group is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus

Gecontroleerd:

datum 11 augustus 2022

beschrijving Revisie 00

Nader onderzoek Ruygeborg II Onderzoek naar beschermde amfibieën (heikikker en de rugstreeppad) projectnummer 0465181 11 augustus 2022 Provincie Zuid-Holland

Inhoudsopgave

Blz.

1

Inleiding

2

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Aanleiding Huidige situatie Planvoornemen Doel Leeswijzer

2 3 3 5 5

2

Wettelijk kader

6

2.1 2.2 2.3 2.4

Algemeen Wnb - soortbescherming Ontheffingsplicht Zorgplicht

6 6 7 7

3

Methoden

8

3.1 3.2

Amfibieën (heikikker en rugstreeppad) Overzicht veldbezoeken

8 9

4

Resultaten

10

4.1 4.2 4.3

Heikikker Rugstreeppad Overige waarnemingen

10 11 12

5

Effectbeoordeling

14

5.1 5.1.1 5.1.2

Toetsing Wet natuurbescherming - Amfibieën Heikikker Rugstreeppad

14 14 15

6

Conclusies en aanbevelingen

16

6.1 6.2 6.2.1 6.3 6.4 6.5

Ontheffingsprocedure Mitigerende maatregelen Heikikker Rugstreeppad Ecologische begeleiding en Ecologisch werkprotocol Zorgplicht

16 17 18 19 20 20

7

Bronnen

21

Blad 1 van 21

Nader onderzoek Ruygeborg II Onderzoek naar beschermde amfibieën (heikikker en de rugstreeppad) projectnummer 0465181 11 augustus 2022 Provincie Zuid-Holland

1

Inleiding

1.1

Aanleiding De Provincie Zuid-Holland is voornemens om ten noorden van de Nieuwkoopse plassen in Zevenhoven, een nieuw verbindend natuurgebied te realiseren, Ruygeborg II. De Provincie ZuidHolland is voornemens het bestemmingsplan vast te stellen. Dit plan maakt de ontwikkeling mogelijk van een verhoogde natuurwaarde in bestaand NNN-gebied. De Provincie Zuid-Holland heeft opdracht gegeven aan Antea Group om de aanwezigheid van beschermde amfibieën in het projectgebied te onderzoeken. Het projectgebied betreft voormalige agrarische percelen tussen de Nieuwkoopse plassen en de Groene jonker (Figuur 1.1). In 2018 heeft Antea Group een natuurtoets (Antea Group 2019a) en enkele nadere onderzoeken (Antea Group, 2021b) uitgevoerd. Dit betreft nader onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde soorten muizen (Noordse woelmuis en waterspitsmuis) en weekdieren (platte schijfhoren). In 2022 is de natuurtoets (Antea Group 2022a) geactualiseerd en is aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de heikikker en de rugstreeppad in het projectgebied. Deze soorten zijn beschermd in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) en staan vermeld in artikel 3.5. Wanneer individuen verstoord worden of vaste rust en verblijfplaatsen en/of essentiële leefgebieden aangetast worden, is dit in overtreding met de Wnb.

In voorliggende rapportage zijn de resultaten van het nader onderzoek naar de heikikker en de rugstreeppad beschreven.

Prinsenbeek

Figuur 1.1. Globale ligging van het projectgebied (rood omlijnd) Bron: Arcgis.com.

Blad 2 van 21

Nader onderzoek Ruygeborg II Onderzoek naar beschermde amfibieën (heikikker en de rugstreeppad) projectnummer 0465181 11 augustus 2022 Provincie Zuid-Holland

1.2

Huidige situatie Het projectgebied ligt ten noorden van de Noordenseweg en de Simon van Capelweg, ten zuiden van de Hogedijk en langs de Kousweg en de Molenweg te Zevenhoven (gemeente Nieuwkoop, Provincie Zuid-Holland). Het projectgebied is gelegen ten zuiden en zuidwesten van de Groene Jonker en ten noorden van de Nieuwkoopse plassen. Het projectgebied heeft deels een agrarische functie. De graslanden lopen in lijnen langs watergangen waar de effecten van de droogmakerij zijn terug te zien. Op de percelen is weinig hoog opgaande vegetatie aanwezig. Aanwezige vegetatie bestaat hoofdzakelijk uit grassen en lokaal exemplaren van raapzaad, fluitenkruid en kruipende boterbloem. Langs de noordelijke zijde van de Molenweg is een smalle watergang aanwezig met ontwikkelde water- en oevervegetatie aanwezig. In de watergangen ten zuiden van de Molenweg is in de meeste watergangen weinig tot geen watervegetatie aanwezig. Aan de randen ten noorden van het projectgebied is een lange bosschage gelegen en in het zuidelijke deel van het projectgebied is hoge begroeiing (en enkele bomen) aanwezig nabij de woningen.

1.3

Planvoornemen Ruygeborg is het gebied tussen Noorden en Nieuwkoop. Dit gebied wordt de komende jaren omgevormd tot natuurgebied, als verbinding tussen de Nieuwkoopse Plassen en natuurgebied de Groene Jonker. Ruygeborg wordt in twee fasen ontwikkeld. Ruygeborg I is reeds aangelegd in 2012 en wordt beheerd door Natuurmonumenten. Ruygeborg II omvat circa 163 ha en moet worden ingericht als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natuurmonumenten is een van de eigenaren van diverse percelen en als toekomstig beheerder nauw betrokken bij de invulling van het gebied. Voor het projectgebied zijn drie verschillende natuurtypen toegewezen, te weten:  Moeras;  Weidevogelgrasland;  Kruidenrijk grasland. Elk natuurtype heeft zijn eigen kenmerken en afwegingscriteria in relatie tot het toekomstig beheer. Voor Natuurmonumenten is het van belang dat bij de inrichting een dusdanig goede basis wordt gelegd dat in combinatie met het daaropvolgende beheer een zo optimaal mogelijke natuurontwikkeling kan plaatsvinden. Om de gewenste natuurontwikkeling mogelijk te maken gelden de volgende randvoorwaarden: Verschraling (stopzetten van bemesting); Opzetten van het waterpeil (vernatting); Verbeteren van de waterkwaliteit (benutten van kwelstromen). De te realiseren recreatiedoelstelling is niet alleen gericht op Ruygeborg II maar ook op het reeds ingerichte Ruygeborg I.

Ecologisch gezien ontwikkelt dit gebied zich erg goed maar voor de recreant heeft het gebied weinig aantrekkingskracht. Deze moet worden versterkt.

Blad 3 van 21

Nader onderzoek Ruygeborg II Onderzoek naar beschermde amfibieën (heikikker en de rugstreeppad) projectnummer 0465181 11 augustus 2022 Provincie Zuid-Holland

Het projectgebied heeft een behoorlijke omvang en wordt verdeeld in verschillende deelgebieden. Deze zijn gebaseerd op fysieke scheidingen zoals kades en wegen maar ook doordat gebieden verschillende eigenaren of beheerders hebben. Om enkele situaties specifiek te kunnen behandelen is gekozen om het projectgebied te verdelen in een aantal deelgebieden, te weten: 1. Hoogwatergebied; 2. Laagwatergebied; 3. Kaden; 4. Grote driehoek; 5. Kleine driehoek; 6. Verbinding strook Groene Jonker; 7. Ruygeborg I;

Figuur 1.2. Kaart van het projectgebied met bijbehorende deelgebieden.

Zie Figuur 1.3 voor een impressie en het ontwerp van het voornemen/uitvoering van de werkzaamheden.

Blad 4 van 21

Nader onderzoek Ruygeborg II Onderzoek naar beschermde amfibieën (heikikker en de rugstreeppad) projectnummer 0465181 11 augustus 2022 Provincie Zuid-Holland

Figuur 1.3. Inrichtingsplan Ruygeborg II (versie 28-04-2022)

1.4

Doel Het doel van voorliggende rapportage is het inzichtelijk maken van de resultaten van het nader onderzoek naar de aanwezigheid van de heikikker en de rugstreeppad in het projectgebied. Hiermee wordt beoordeeld of er sprake is van het overtreden van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Vervolgens wordt aangegeven wat de consequenties daarvan zijn en of er noodzaak is tot het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming – onderdeel soortbescherming.

1.5

Leeswijzer Het rapport is als volgt opgezet:  Hoofdstuk 2 beschrijft het wettelijk kader van de Wet natuurbescherming – soortbescherming. Hier wordt aan getoetst in voorliggend document.  Hoofdstuk 3 beschrijft de methodiek van de soortspecifieke onderzoeken.  Hoofdstuk 4 presenteert de resultaten van de onderzoeken.  Hoofdstuk 5 toetst en beoordeelt de in Hoofdstuk 4 gepresenteerde bevindingen.  Hoofdstuk 6 geeft de conclusies.

Blad 5 van 21

Nader onderzoek Ruygeborg II Onderzoek naar beschermde amfibieën (heikikker en de rugstreeppad) projectnummer 0465181 11 augustus 2022 Provincie Zuid-Holland

2

Wettelijk kader

2.1

Algemeen De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. In de voorliggende toetsing wordt ingegaan op de bescherming van soorten verankerd in de Wet natuurbescherming. Hier zal in Hoofdstuk 5 aan getoetst worden.

2.2

Wnb - soortbescherming In de Wnb is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. Het gaat om de volgende drie categorieën: 1. soorten van de Vogelrichtlijn; 2. soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief Bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn; 3. ‘andere soorten’ (onderdeel A ‘fauna’ en onderdeel B ‘flora’). Soorten van de Vogelrichtlijn Voor Vogelrichtlijnsoorten is het verboden om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen. Dit laatste verbod geldt niet voor een aantal vogelsoorten, indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding en het nest zelf zijn functionaliteit behoudt. Soorten van de Habitatrichtlijn Voor soorten van artikel 3.5 (Habitatrichtlijn, Bern en Bonn) is het eveneens verboden om in het wild levende dieren en planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen. Voortplantings- of rustplaatsen mogen niet beschadigd of vernield worden.

Daarnaast geldt er een verbod op om planten behorend bij artikel 3.5 te plukken, verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In tegenstelling tot de Vogelrichtlijnsoorten in artikel 3.1, mogen dieren behorend bij artikel 3.5 niet opzettelijk verstoord worden, ook niet als er geen wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding. Daarbij dient opgemerkt te worden dat een aantal vogelsoorten ook vallen onder artikel 3.5 en daarom niet verstoord mogen worden. Andere soorten Naast de Europees aangewezen beschermde flora en fauna, is er in Nederland ook een Nationale soortenlijst gemaakt die niet gedekt wordt door de Vogel- en Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern of Verdrag van Bonn. Voor soorten in bijlage A geldt een verbod op opzettelijk doden of vangen van dieren, opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantings- of rustplaatsen van dieren. Voor soorten in bijlage B geldt een verbod op opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, vernielen en ontwortelen van planten. In tegenstelling tot artikel 3.1 en 3.5, is verstoring van deze soorten toegestaan.

Blad 6 van 21

Nader onderzoek Ruygeborg II Onderzoek naar beschermde amfibieën (heikikker en de rugstreeppad) projectnummer 0465181 11 augustus 2022 Provincie Zuid-Holland

Indien bij het voornemen gestelde verboden in artikel 3.1, 3.5 of 3.10 worden overtreden, dient gewerkt te worden conform een gedragscode. Biedt een gedragscode geen oplossing, dan is het mogelijk om een ontheffing aan te vragen bij de provincie waarin het voornemen plaatsvindt. De grond waarop een ontheffing mogelijk is, verschilt per categorie.

2.3

Ontheffingsplicht Indien bij het voornemen gestelde verboden in artikel 3.1, 3.5 of 3.10 worden overtreden, en deze niet volledig gemitigeerd kunnen worden of wanneer een toetsing gewenst is - dan is het mogelijk om een ontheffing aan te vragen bij de provincie waarin het voornemen plaats vindt. De grond waarop een ontheffing mogelijk is, verschilt per categorie (1-3).

2.4

Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 de zorgplicht opgenomen. De zorgplicht houdt in dat planten en dieren niet onnodig vernield/gedood of verstoord mogen worden. Dit betekent dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren niet mogen worden uitgevoerd. Wanneer dergelijke handelingen toch uitgevoerd moeten worden, moeten maatregelen, voor zover dit in redelijkheid kan, worden genomen om de nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Er dient bijvoorbeeld zo gewerkt te worden dat dieren kunnen ontsnappen en het kan nodig zijn om soorten te verplaatsen (bijvoorbeeld planten en amfibieën). Deze algemene zorgplicht geldt voor elke soort en elk individu in Nederland.

Artikel 1.11 1. Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.

Blad 7 van 21

Nader onderzoek Ruygeborg II Onderzoek naar beschermde amfibieën (heikikker en de rugstreeppad) projectnummer 0465181 11 augustus 2022 Provincie Zuid-Holland

3

Methoden

3.1

Amfibieën (heikikker en rugstreeppad) Bij de natuurtoets (Antea Group, 2022a) is vastgesteld dat het projectgebied geschikt is als leefgebied van de heikikker en de rugstreeppad. Door uitvoer van de werkzaamheden kunnen individuen van de heikikker en de rugstreeppad worden verstoord. Om de aanwezigheid van voortplantingsplaatsen en individuen van de heikikker en de rugstreeppad aan te tonen dan wel uit te sluiten is aanvullend onderzoek uitgevoerd. De methoden voor het inventariseren van de heikikker en de rugstreeppad is gebaseerd op het Kennisdocument Heikikker (BIJ12, 2017a) en het Kennisdocument Rugstreeppad (BIJ12, 2017b). De aanwezige watergangen in het projectgebied zijn onderzocht in de periode van 1 april tot 15 juli. De voortplanting van de heikikker is van 15 februari tot en met 15 juli. De metamorfose van de larven is in de periode van eind mei tot eind juni (RAVON). De voortplanting van de rugstreeppad is van mei tot juli en metamorfose van de rugstreeppad larve is van juni tot juli (RAVON). Hierom zijn bij het aanhouden van de onderzoeksprotocollen van de heikikker en de rugstreeppad ook de voortplantingsperiodes van beide soorten voldoende in acht genomen. Om de aanwezigheid van individuen en voortplantingsplaatsen van de heikikker en de rugstreeppad vast te stellen, zijn zes bezoeken aan het projectgebied gebracht.

Dit betreft vier bezoeken teneinde koorzang van de heikikker en de rugstreeppad vast te stellen in het projectgebied. De bezoeken ten behoeve van koorzang zijn uitgevoerd in de periode van 1 april tot 1 juni. Tijdens het onderzoek naar koorzang zijn de aanwezige wateren beschenen met een zaklamp om de aanwezigheid van individuen of ei-klompen van de heikikker aan te tonen. Dit valt binnen de voortplantingsperiode van de heikikker en de rugstreeppad. De overige twee bezoeken aan het projectgebied betreffen schepnetinventarisaties. Tijdens desbetreffende inventarisaties zijn de aanwezige waterlichamen bemonsterd met behulp van een schepnet om de aanwezigheid van larven en juveniele exemplaren van de heikikker en de rugstreeppad aan te tonen dan wel uit te sluiten. De schepnet inventarisaties zijn uitgevoerd in de periode van 1 juni tot 1 juli. Hiermee is rekening gehouden met de periode waarin de metamorfose van larven van de heikikker en de rugstreeppad plaatsvindt. De onderzoeken naar koorzangactiviteit zijn uitgevoerd van een half uur voor zonsondergang tot circa 2,5 uur na zonsondergang. De schepnetinventarisaties zijn overdag uitgevoerd. Tijdens het onderzoek naar de aanwezigheid van de heikikker en de rugstreeppad is eveneens gelet op andere in de omgeving aanwezige soorten.

Het veldbezoek op 24 mei voor het inventariseren van koorzang van de rugstreeppad is vanaf zonsondergang uitgevoerd tot circa 3 uur na zonsondergang. Een overzicht van de veldbezoeken is weergeven in paragraaf 3.2. De veldbezoeken zijn uitgevoerd door twee deskundigen op het gebied van de heikikker en de rugstreeppad. Dit betreffen ing. D. Alberts en ing. W. Klok van Antea Group Nederland.

Blad 8 van 21

Nader onderzoek Ruygeborg II Onderzoek naar beschermde amfibieën (heikikker en de rugstreeppad) projectnummer 0465181 11 augustus 2022 Provincie Zuid-Holland

3.2

Overzicht veldbezoeken In Tabel 3.1 is een overzicht gegeven van de data en weersomstandigheden van de inventarisaties. De inventarisaties zijn uitgevoerd door een deskundig ecoloog van Antea Group. In Figuur 3.1 is het onderzochte projectgebied op kaart weergeven. Tabel 3.1. Overzicht terreinbezoeken amfibieën Ruygeborg II. Datum 7 april 2022

Soort Amfibieën

14 april 2022

Amfibieën

28 april 2022

Amfibieën

24 mei 2022

Amfibieën

3 juni 2022

Amfibieën

21 juni 2022

Amfibieën

Tijd 19:50 – 23:00 20:00 – 23:15 20:30 – 23:30 21:45 – 00:45 09:00 – 17:00 09:00 – 17:00

Weer 10 oC, zwaar bewolkt, windkracht 5 16 oC, zonnig, windkracht 2

Activiteit Heikikker en rugstreeppad koorzang

12 oC, overwegend bewolkt, windkracht 2 15 oC, half bewolkt, windkracht 3 22 oC, half bewolkt, windkracht 3 19 oC, bewolkt, windkracht 2

Heikikker en rugstreeppad koorzang

Heikikker en rugstreeppad koorzang

Rugstreeppad koorzang Schepnetinventarisatie larven en juveniele heikikker en rugstreeppad Schepnetinventarisatie larven en juveniele heikikker en rugstreeppad

Figuur 3.1. Globale ligging van het onderzochte projectgebied. Bron: PDOK.

Blad 9 van 21

Nader onderzoek Ruygeborg II Onderzoek naar beschermde amfibieën (heikikker en de rugstreeppad) projectnummer 0465181 11 augustus 2022 Provincie Zuid-Holland

4

Resultaten

4.1

Heikikker In het projectgebied is enkel ten noorden van de molenweg en ten zuidwesten van de hoge dijk koorzang van de heikikker waargenomen (Figuur 4.1). Gedurende het terreinbezoek van de natuurtoets op 25 april 2022 zijn in de watergang ten noorden van de Molenweg meerdere kikkerlarven aangetroffen. In de watergangen rondom het perceel tussen de Molenweg en de Kousweg zijn tijdens de schepnetinventarisaties 31 larven of juveniele exemplaren van de heikikker aangetroffen (Figuur 4.2). In de watergangen rondom desbetreffend perceel is derhalve voortplanting van de heikikker vastgesteld. De droger gelegen delen op het perceel en de naastgelegen dijk en bosschage zijn geschikt als overwinteringsplaats van de heikikker. In de overige delen van het projectgebied is geen koorzang van de heikikker waargenomen en zijn geen individuen van de heikikker aangetroffen. De aanwezigheid van de heikikker in desbetreffende delen kan worden uitgesloten.

Figuur 4.1. Waarnemingen van de heikikker in het projectgebied. Het getal boven de locaties betreft het aantal waargenomen individuen. Bij het waarnemen van de koorzang is het aantal individuen niet vastgesteld.

Blad 10 van 21

Nader onderzoek Ruygeborg II Onderzoek naar beschermde amfibieën (heikikker en de rugstreeppad) projectnummer 0465181 11 augustus 2022 Provincie Zuid-Holland

Figuur 4.2. Foto’s waarnemingen heikikker.

4.2

Rugstreeppad Gedurende het onderzoek naar de rugstreeppad is meermaals koorzang van de rugstreeppad waargenomen (Figuur 4.3). Op basis van de kooractiviteit kon geen aantal worden vastgesteld. In het projectgebied zijn 22 individuen van de rugstreeppad aangetroffen. Op basis van de kooractiviteit is de populatie rugstreeppad groter dan 22 exemplaren. Op basis van de waarnemingen is vastgesteld dat het projectgebied een essentiële voortplantingsplaats is voor de rugstreeppad. Enkele foto’s van waarnemingen van de rugstreeppad in het projectgebied zijn in Figuur 4.4 weergeven.

Blad 11 van 21

Nader onderzoek Ruygeborg II Onderzoek naar beschermde amfibieën (heikikker en de rugstreeppad) projectnummer 0465181 11 augustus 2022 Provincie Zuid-Holland

Figuur 4.3 Waarnemingen van de rugstreeppad in het projectgebied. Het getal boven de locaties betreft het aantal waargenomen individuen. Bij het waarnemen van de koorzang is het aantal individuen niet vastgesteld.

Figuur 4.4. Foto’s waarnemingen rugstreeppad.

4.3

Overige waarnemingen In het projectgebied zijn diverse soorten amfibieën, broedvogels en weekdieren aangetroffen in het projectgebied. Verspreid over het projectgebied betreft dit individuen van de bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, draaikolkschijfhoren, gewone schijfhoren, gewone poelslak, geoorde poelslak en de grote posthorenslak. In het projectgebied Ruygeborg I zijn diverse soorten broedvogels gehoord waaronder de bruine kiekendief, grote karekiet, snor, sprinkhaanzanger en de zwartkopmeeuw. Langs de Kousweg en de Hogedijk is een overvliegend individu van de kerkuil waargenomen richting de Groene Jonker. Desbetreffende waarnemingen zijn op kaart weergeven in Figuur 4.5. Enkele foto’s zijn weergeven in Figuur 4.6.

Blad 12 van 21

Nader onderzoek Ruygeborg II Onderzoek naar beschermde amfibieën (heikikker en de rugstreeppad) projectnummer 0465181 11 augustus 2022 Provincie Zuid-Holland

Figuur 4.5. Kaart overige waarnemingen in het projectgebied.

Figuur 4.6. Foto’s overige waarnemingen in het projectgebied. Foto links: individu van de kleine modderkruiper. Foto rechts: individu van de bruine kikker.

Blad 13 van 21

Nader onderzoek Ruygeborg II Onderzoek naar beschermde amfibieën (heikikker en de rugstreeppad) projectnummer 0465181 11 augustus 2022 Provincie Zuid-Holland

5

Effectbeoordeling In dit hoofdstuk worden de in hoofdstuk 4 uiteengezette bevindingen getoetst aan de Wet natuurbescherming en wordt aangegeven of er een noodzaak is om een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aan te vragen.

5.1

Toetsing Wet natuurbescherming - Amfibieën Zowel de heikikker als de rugstreeppad zijn beschermd onder artikel 3.5 (Habitatrichtlijn) van de Wet natuurbescherming. Indien verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de heikikker en de rugstreeppad overtreden worden, is een ontheffing noodzakelijk. Om de effecten op de aanwezige populaties van de heikikker en rugstreeppad gedurende en na uitvoer van de werkzaamheden zoveel mogelijk te verzachten, zijn mitigerende en compenserende maatregelen benodigd. Om de effecten op de aangetroffen populaties van de heikikker en rugstreeppad inzichtelijk te maken, worden beide soorten afzonderlijk behandeld.

5.1.1

Heikikker In de watergangen direct rondom het perceel tussen de Molenweg en de Kousweg (de “Grote Driehoek”) is koorzang van de heikikker waargenomen en zijn er 31 (juveniele) individuen van de heikikker aangetroffen. De direct rondom de Grote Driehoek gelegen waterlichamen zijn in gebruik als voortplantingsplaats van de heikikker. In desbetreffend deel van het projectgebied worden diverse werkzaamheden uitgevoerd welke mogelijk een negatief effect kunnen hebben op de heikikker. Deze werkzaamheden en diens effect worden onderstaand nader toegelicht. Er wordt een wandelpad gerealiseerd op het perceel. De wandelpaden worden op 40 centimeter boven het winterwaterpeil gerealiseerd na uitvoering van de werkzaamheden en de verwachte bodemdaling. Tijdens de uitvoer van de werkzaamheden wordt het landbiotoop tijdelijke beïnvloedt wat kan leiden tot verstoring of doding van individuen van de heikikker. Na realisatie van de wandelpaden neemt de recreatiedruk toe in de permanente situatie wat eveneens kan leiden tot verstoring. Een deel van het perceel wordt ontgraven tot – 5.50 NAP. De vrijgekomen grond van de ontgraving wordt gebruikt om de wandelpaden te verhogen. Tijdens de ontgraving en het grondverzet wordt tijdelijk het landbiotoop van de heikikker aangetast. Door mechanische effecten van het te gebruiken materiaal kunnen individuen van de heikikker worden verstoord en gedood.

Het talud van de oevers van de omliggende waterlichamen worden natuurvriendelijker gemaakt. Tijdens werkzaamheden aan en langs de oever kunnen (afhankelijk van de werkperiode) individuen van de heikikker worden verstoord en gedood. In de zuidoostelijke hoek van desbetreffend perceel wordt bos geplant. Bij de aanplant kunnen mogelijk aanwezige individuen van de heikikker worden verstoord of gedood. Na uitvoer van de werkzaamheden is onder andere in het perceel waar de heikikker is aangetroffen aanvullend geschikt habitat voor heikikker gerealiseerd. Dit betreft een vergroting van het areaal voor voortplantingsplaatsen van de heikikker door vernatting van het gebied, maar ook een toename in drogere delen welke geschikt zijn voor overwinteringsplaatsen zoals het talud langs de paden en de te realiseren bosschages.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwkoop&id=07ec6b20-6a2b-4a08-816b-16c9b3b82f57