CConstaterende datnieuwkoop
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Korteraarseweg 104-106 (ontwerp)

Besluitvormende raadsvergadering 25 september 2025, gemeente nieuwkoopBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan ‘Korteraarseweg 104-106, Ter Aar’ (2025-075)30.015 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Planspecifiek Met het beoogde initiatief wordt een gevoelige functie (wonen) mogelijk gemaakt. Derhalve dient er beoordeeld te worden of er ter plaatse van deze gevoelige bestemming sprake is van een goed woon- en leefklimaat en milieubelastende activiteiten in de omgeving niet belemmerd worden als gevolg van het plan. Aan de hand van de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' wordt bepaald of er voldaan wordt aan de gestelde richtafstand. De planlocatie ligt aan een bebouwings lint met voornamelijk woonfuncties functies en enkele (agrarische) bedrijven. De omgeving kan worden aangemerkt als gemengd gebied. Korteraarseweg 102 Aan de Korteraarseweg 102 is een detailhandelsbedrijf (slagerij) gevestigd. Dit is een categorie 1 bedrijf waarvoor een richtafstand van 0 m geldt in gemengd gebied. De afstand van de nieuwe woning tot aan dit bedrijf is 0 m. Derhalve wordt er voldaan aan de minimale gewenste afstand. De slagerij heeft echter een rookkast direct aangrenzend aan het beoogde woonperceel, tevens heeft de slagerij enkele koelinstallaties die mogelijk geluidhinder veroorzaken. Ten aanzien van de rookkast dient daarom ingegaan te worden op het aspect geur. In het Activiteitenbesluit wordt voor het voorkomen van geurhinder verwezen naar de Activiteitenregeling. Hierin worden regels ten aanzien van het voorkomen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het tot een

26

aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder. Dit wordt bewerkstelligd door eisen te stellen aan het afvoeren van afgezogen dampen en gassen van het bereiden van voedingsmiddelen. De uitmonding van de pijp dient zich tenminste 2 m boven de hoogste daklijn van omliggende woningen binnen 25 m van de installatie bevinden. Of de afgezogen dampen en gassen moeten worden geleid door een doelmatige ontgeuringsinstallatie. Het toepassen van een geurfilter is in onderhavig geval geen haalbare mogelijkheid. In overleg met de Omgevingsdienst West-Holland is bepaald dat aanvullende maatregelen aan de schoorsteen van de rookkast getroffen worden. Initiatiefnemer zal in samenspraak met de slagerij zorgdragen voor de gewenste aanpassingen aan de schoorsteen, waarbij deze tot 2 m wordt verhoogd boven de definitieve bouwhoogte van de te bouwen woning. Wat betreft het aspect geluid dient voor de koelinstallaties beoordeeld te worden over deze mogelijk voor geluidhinder zorgen ten aanzien van de nieuwe woning. Er zijn drie koelmoteren aanwezig die aan de achtergevel van het woonhuis/slagerij zijn bevestigd. De dichtstbijzijnde koelmotor hangt op minimaal 17 m afstand van de nieuwe woning, tevens schermt het bijgebouw van de slagerij de koelmotoren af van de nieuwe woning. Daarmee is het niet te verwachten dat er geluidhinder optreedt door de koelmotoren op de nieuwe woning.

Onderstaande afbeelding toont de positionering van de koelmotoren en de schoorsteen van de rookkast ten opzichte van de nieuwe woning.

Schets positie koelmotoren en schoorsteen rookkast (bron: teken- en adviesbureau J.M. Zevenhoven)

27

Gezien het voorgaande vormt het bedrijf geen belemmering voor de nieuwe woning net als dat de nieuwe woning geen beperkingen voor het bedrijf heeft. Aangenomen kan worden dat ter plaatse van de nieuwe woning sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Auto bedrijven, Korteraarseweg 93 Ten zuidwesten van de nieuwe woning zijn een tweetal autobedrijven gevestigd, de gronden ter plaatsen beschikken over de bestemming 'Bedrijf', waar bedrijven tot en met categorie 2 zijn toegestaan. In gemengd gebied geldt daarvoor een richtafstand van 10 m. De bedrijfspercelen waar categorie 2 is toegestaan liggen op minimaal 175 m afstand van het plangebied, waarmee wordt voldaan aan de richtafstand. De bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering beperkt en er kan worden aangenomen dat er ter plaatse van de nieuwe woning sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Agrarische bedrijfspercelen Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door agrarische gronden, die zijn bestemd voor een grondgebonden agrarisch bedrijf. Op dit moment zijn deze gronden in gebruik als grasland. Ten zuiden is tevens een varkenshouderij gelegen (Korteraarseweg 132), op basis van de VNG-handreiking wordt een varkenshouderij ingedeeld in milieucategorie 4.1, waarvoor het aspect geur relevant is om nader te beschouwen. De afstand van het plangebied tot aan dit bedrijf bedraagt circa 150 m.

Door de Omgevingsdienst West-Holland is door middel van een berekening met het programma V-stacks bepaald dat de geurbelasting bij de nieuwe woning 3,2 OUE/m³ bedraagt. Daarmee wordt er niet voldaan aan de norm 2,0 OUE/m³voor een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. De Korteraarseweg (de lintbebouwing van Korteraar) wordt namelijk gezien als bebouwde kom volgens de Verordening Geurhinder en veehouderij Nieuwkoop 2013. In de geurgebiedsvisie is aangegeven dat de rechten van de veehouders niet in het geding zijn, aangezien er al sprake is van een overbelaste situatie ter plaatse en de bedrijven 'op slot' zitten, omdat er al bestaande woningen dichter bij de veehouderijen bevinden. Dit betekent dat voor ontwikkellocaties in het lint moet worden aangetoond dat er op deze locaties sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Zoals aangegeven is de geurbelasting onvoldoende voor een locatie binnen de bebouwde kom, echter kan beargumenteerd worden dat voor een locatie op de rand van het landelijk gebied deze belasting aanvaardbaar kan worden geacht. In het landelijk gebied moeten bewoners er rekening mee houden dat er bepaalde agrarische geuren kunnen worden waargenomen. Voor een locatie aan een lint op de rand van het landelijk gebied is dit dan ook een vergelijkbare situatie, door de aanwezigheid van veehouderijen in de omgeving.

Een geurbelasting van 3,2 OUE/m³ kan daarom als aanvaardbaar worden geacht voor de voorliggende locatie. Ten oosten van het plangebied voorbij de Hogedijk zijn ook diverse agrarische gronden gelegen. De afstand van het plangebied tot deze gronden is minimaal 93 m. Op deze gronden zijn grondgebonden agrarische bedrijven en een wijngaard toegestaan. Dit is bedrijvigheid tot maximaal categorie 2, de richtafstand die hiervoor aangehouden dient te worden is 10 m in gemengd gebied. Daar wordt ruim aan voldaan. Om deze redenen dient aangenomen te worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat de agrarische bedrijven in de omgeving niet in de bedrijfsvoering worden gehinderd. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid

28

erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze Structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.

Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, transportroutes van gevaarlijke stoffen en/of buisleidingen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart.

29

Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omcirkeld (bron: risicokaart.nl)

Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen en/of buisleidingen aanwezig zijn. Er zijn wel enkele risicovolle inrichtingen in de omgeving van het plangebied gelegen, het betreft enkele bovengrondse propaantanks. Voor deze inrichtingen geldt een brand- en explosieaandachtsgebied in de directe omgeving van de inrichting. De afstand van het plangebied ten opzichte van deze risicovolle inrichtingen (minimaal 100 m) is dusdanig groot dat het plangebied buiten de invloed van deze inrichtingen is gelegen. Er zijn geen belemmeringen van risicovolle inrichten op het plangebied. Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen veroorzaakt voor het voorliggende plan.

4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.

30

Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Het voorliggende plan ziet toe op de sloop van twee gebouwen in het plangebied en de realisatie van een vrijstaande woning. Aangezien er bebouwing wordt gesloopt en het plangebied wordt heringericht zijn effecten op beschermde dier- en plantsoorten op voorhand niet uit te sluiten. Om deze reden is er een ecologische quickscan uitgevoerd door Natuurbank Overijssel (kenmerk: 5052 versie 1.1, d.d. 06 april 2023 - aangepast op 11 oktober 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Beschermde soorten De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats.

Vleermuizen bezetten geen vaste rustof verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied, er is echter geen sprake van een essentieel foerageergebied. Het plangebied heeft geen functie voor nestelende vogelsoorten waarvan het nest jaarrond beschermd is. Het plangebied kan wel gebruikt worden als nestplaats voor overige vogelsoorten zoals merel, heggenmus, vink, roodborst, witte kwikstaart, holenduif, houtduif, Turkse tortel en winterkoning. De nesten van deze vogelsoorten zijn niet-jaarrond beschermd, van deze vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de loods wordt gesloopt en beplanting wordt verwijderd tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield.

Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën die een vaste (winter)rust en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘doden’ en `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaats’. Initiatiefnemer dient echter alles in het werk te stellen om het onnodig doden van beschermde dieren en alle andere in het wild levende dieren en planten te voorkomen, ook wel bekend als de algemene zorgplicht. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden, dient gepoogd te worden de dieren weg te jagen of om ze te vangen (om elders los te laten). In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied voor vleermuizen tijdelijk af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. Beschermde gebieden Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied.

Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de bescherming van het NNN, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Zuid-Holland. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Andere negatieve effecten op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, worden wél uitgesloten. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de vigerende

31

Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland ten aanzien van overige beschermde provinciaal aangewezen gebieden. Stikstofdepositie Voor de beoogde ontwikkeling is ten behoeve van de Wet natuurbescherming een AERIUS-berekening (Buro SRO, SR220368, d.d. 15 november 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3) uitgevoerd, gebruik makend van AERIUS-Calculator versie 2023. Er zijn twee berekeningen uitgevoerd: een berekening voor de bouwfase en een berekening voor de gebruiksfase. De nieuwe vrijstaande woning wordt gasloos uitgevoerd, waardoor voor de gebruiksfase enkel de verkeersgeneratie relevant is voor de stikstofdepositie. Voor de bouwfase is een inschatting gemaakt van de te gebruiken mobiele werktuigen en de verkeersgeneratie tijdens de bouw. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat er geen depositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar op de omliggende Natura 2000-gebieden is. Een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is derhalve niet noodzakelijk. Daarmee staat vast dat er geen significante gevolgen zullen zijn voor een Natura 2000-gebied vanwege dit plan. Conclusie De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming.

Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Het voorliggende plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking het aspect ecologie.

4.8 Waterhuishouding De waterhuishouding is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via

32

de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Keur en beleidsregels De 'Keur en Beleidsregels' maken het mogelijk dat het hoogheemraadschap haar taken als waterkwaliteitsen kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor:

• • •

Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken), Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen).

De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Watervergunning op grond van de Keur. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Beleidsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van Rijnland nader uitgewerkt. De meest actuele versies betreffen de Keur Rijnland 2020 en de Uitvoeringsregels Keur 2020. Indien de toename aan verharding minder bedraagt dan 500 m², dan geldt alleen de algemene zorgplicht. Indien de toename meer bedraagt (t/m 5.000 m²) is in de regels opgenomen dat het oppervlak van het ter compensatie aan te leggen water, minimaal 15 % moet bedragen van het oppervlak van de toename aan verharding. Indien nieuwe compensatie moet worden gerealiseerd, moet deze voorafgaand aan het aanbrengen van de verharding zijn gerealiseerd, of gelijktijdig met het aanbrengen van de verharding worden gerealiseerd. Planspecifiek Watercompensatie Met het voorliggende plan wordt één vrijstaande woning gerealiseerd met een oppervlakte van circa 150 m² en een tweetal bijgebouwen van in totaal circa 70 m².

In totaal zal dit circa 220 m² aan verhard oppervlak van nieuwe bebouwing bedragen in de nieuwe situatie. Daarnaast wordt er beperkt verharding aangelegd in de vorm van parkeerplaatsen en overige erfverharding. In de huidige situatie zijn er een tweetal gebouwen (schuur en zomerhuisje) aanwezig in het plangebied en is er al verharding aanwezig in de vorm van bestrating en overige verharding. De schuur heeft een oppervlakte van circa 460 m² en het zomerhuisje heeft een oppervlakte van circa 45 m², totaal is er dus circa 505 m² aan bebouwing aanwezig in het plangebied. In totaal zal er dus sprake zijn van een verhardingsafname van circa 285 m². De vrijstellingsgrens van 500 m² zal dus niet overschreden, waardoor watercompensatie niet noodzakelijk is. Waterafvoer De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater gescheiden afgevoerd wordt en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. De voordelen van het gescheiden afvoeren van hemelwater zijn:

33

• • •

de riolering wordt ontlast waardoor minder overstorten van ongezuiverd rioolwater optreden; de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken waardoor het zuiveringsrendement verbetert; schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.

Voor de woning geldt dat het hemelwater gescheiden afgevoerd wordt en het afvalwater wordt aangesloten op het bestaande rioolstelsel. Hiermee wordt voldaan aan het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland. Waterkeringen en watergangen Uit het raadplegen van de legger van het hoogheemraadschap van Rijnland blijkt dat aan de westzijde van het plangebied een regionale waterkering aanwezig is. Een deel van het plangebied ligt binnen de beschermingszone van deze waterkering. Binnen deze zones mag niet gebouwd worden zonder watervergunning. Bouwen is mogelijk, mits er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de waterkering. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een watervergunning aangevraagd bij het hoogheemraadschap. Op 2 augustus 2023 is de aangevraagde vergunning verleend door het hoogheemraadschap (zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). Aan de gronden die binnen de beschermingszone liggen is in het voorliggende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' toegekend. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmeringen veroorzaakt voor het voorliggende initiatief.

4.9 Archeologie en cultuurhistorie 4.9.1 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek In het bestemmingsplan ‘Korteraar' heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Archeologisch waardevol gebied’. Archeologisch onderzoek is vereist bij bodemingrepen anders dan kleine uitbreidingen tot 30 m² bij bestaande gebouwen. Met het voorliggende initiatief worden deze normen overschreden.

Ook uit de Cultuurhistorische atlas van de provincie Zuid-Holland blijkt dat het plangebied aangeduid is als gebied met een hoge archeologische verwachting vanwege zijn ligging in een historisch dorpslint. Er is in dat kader dan ook archeologisch onderzoek uitgevoerd door Transect (kenmerk: 23010111, d.d. 02-10-2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). Op basis van het bureauonderzoek geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachting voor de periode Nieuwe tijd vanwege de ligging langs het bewonings- en ontginningslint van Korteraar. In het plangebied geldt op basis van dit bureauonderzoek een lage verwachting op archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Mesolithicum. Deze resten zouden zich theoretisch gezien op de top van het dekzand kunnen bevinden. Dergelijke archeologische resten zijn in de omgeving van het plangebied niet bekend, voornamelijk vanwege de relatieve diepteligging (ter hoogte van het plangebied circa 9,6 m -NAP (8,3 m -Mv). Vanwege de grote diepte is dit niveau buiten beschouwing gelaten. De archeologische verwachting uit het Neolithicum in het plangebied zijn gekoppeld aan het voorkomen van getijdegeulen in de

34

ondergrond. Met name de oevers langs de geulen lagen relatief hoog in het landschap, waarmee ze mogelijk een aantrekkelijke bewoningslocatie vormen. Op het AHN is de aanwezigheid hiervan niet zichtbaar, aangezien er nog sprake is van een pakket veen in het plangebied. Theoretisch gezien zouden er dus bewoonbare oevers van een getijdegeul binnen het plangebied aanwezig kunnen zijn. Er zijn echter in de wijde omgeving geen aanwijzingen dat deze oevers ook daadwerkelijk bewoond werden. De verwachting op resten uit het Neolithicum op mogelijk aanwezige getijdegeul-oevers is hierom laag. Vanaf het Neolithicum vernatte het gebied en vond er veenvorming plaats ter hoogte van het plangebied. Dit zijn over het algemeen zeer natte gronden die ongunstig waren voor bewoning. Er zijn echter tijdelijk en plaatselijk bewoningmogelijkheden geweest op ontwaterd veen. Er zijn ter hoogte van het plangebied echter tot op heden geen archeologische resten bekend op dergelijke afzettingen. De verwachting op resten uit de Bronstijd tot en met de Vroege Middeleeuwen op veraarde veenniveaus is daarom middelhoog. Gedurende de Late Middeleeuwen is de omgeving van het plangebied ontgonnen. Het plangebied bevindt zich langs het ontginnings- en bewoningslint van Korteraar. Op basis van topografische kaarten vanaf de 17 de eeuw maakt het plangebied deel uit van het erf en de tuin van een woning.

In het oosten van het plangebied zouden ook resten van bebouwing aanwezig kunnen zijn. Er geldt hierom een hoge archeologische verwachting voor de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is de archeologische verwachting in navolging van het plangebied hoog voor resten uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd. De aanwijzing hiervoor vormt een intacte cultuurlaag die in de boringen onder een moderne ophoging vanaf een diepte van 10 -50 cm -Mv nog aanwezig is. In deze laag kunnen, tot op de top van het veraarde veen resten uit de Late Middeleeuwen aanwezig zijn die te relateren zijn aan de bewoning in het gebied. Het veraarde veenniveau op een diepte vanaf 100-130 cm -Mv (2,0-2,3 m -NAP) kan theoretisch gezien resten kunnen bevatten uit de periodes Bronstijd – Vroege Middeleeuwen. De kans is echter groot dat de veraarding van het veen door historische en moderne ontginningen komt. Omdat de oorsprong van de veraarding niet met zekerheid vastgesteld kan worden is de middelhoge verwachting op resten uit de periodes Bronstijd – Vroege Middeleeuwen bevestigd. Voor de overige perioden blijft de archeologische verwachting op grond van het bureauonderzoek laag. Advies Op basis van het archeologisch vooronderzoek geldt in het plangebied een hoge archeologische verwachting voor de aanwezigheid van resten uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd.

Deze kunnen in principe vanaf een diepte van 10-50 cm -Mv al worden aangetroffen, zowel onder de huidige te slopen loods als daaromheen. Daarom wordt in het kader van de voorgenomen sloop en nieuwbouw een vervolgonderzoek geadviseerd (inventariserend veldonderzoek, karterende en waarderende fase). Dit onderzoek kan het beste plaatsvinden in de vorm van een archeologische begeleiding van de sloop van de ondergrondse funderingen van de bebouwing in het gebied, waarna aansluitend een of meerdere proefsleuven gegraven zouden kunnen worden. Voor een dergelijk onderzoek is een Programma van Eisen nodig waarin de randvoorwaarden en vereisten voor het onderzoek zijn vastgelegd. Dit PvE moet op voorhand van de werkzaamheden worden goedgekeurd door de bevoegde overheid, de gemeente Nieuwkoop. Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Nieuwkoop) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied. 4.9.2 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.

Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.

35

Planspecifiek Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen gemeentelijke en/of rijksmonumenten aanwezig. Daarnaast maakt het plangebied geen onderdeel uit van een beschermd stads- of dorpsgezicht. Ook andere cultuurhistorisch waardevolle elementen zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 Parkeren en verkeer 4.10.1 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. De gemeente Nieuwkoop heeft in de Nota parkeernormen gemeente Nieuwkoop 2021 (vastgesteld op 8 juli 2021) vastgelegd welke parkeernormen er gelden. Planspecifiek Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is de Nota parkeernormen gemeente Nieuwkoop 2021 geraadpleegd. De beoogde ontwikkeling betreft één vrijstaande woning. De parkeerbehoefte voor de beoogde ontwikkeling staat in de navolgende tabel weergegeven. Soort woning/categorie

Aantal woningen

grondgebonden woningen, ≥ 130 m²

1

Parkeernorm gemeente Nieuwkoop 2,5

Aantal parkeerplaatsen 2,5

Er zijn volgens de parkeernorm uit de Nota parkeernormen gemeente Nieuwkoop 2021 2,5 parkeerplaatsen nodig voor deze ontwikkeling. Afgerond moeten er daarmee 3 parkeerplaatsen aangelegd worden in het plangebied. In het plangebied is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in dit aantal parkeerplaatsen. 4.10.2 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' (2018) kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.

36

Planspecifiek Volgens de Nota parkeernormen gemeente Nieuwkoop 2021 behoort het plangebied tot de categorieën 'buitengebied' en 'niet stedelijk'. In de navolgende tabel wordt de verkeersgeneratie in de nieuwe situatie weergegeven. Soort woning

Aantal woningen

CROW-verkeersgeneratie

koop, huis, vrijstaand Totaal

1 -

7,8 - 8,6 -

Totale verkeersgeneratie 7,8 - 8,6 7,8 - 8,6

De ontwikkeling van de vrijstaande woning veroorzaakt een maximale toename van 8,6 voertuigbewegingen per etmaal. In de huidige situatie is er een detailhandelsbedrijf gevestigd in het plangebied, daar hoort ook een bepaalde verkeersgeneratie bij, deze verkeersgeneratie komt blijvend te vervallen. Daarmee kan er geconcludeerd worden dat de verkeersgeneratie minimaal gelijk is of zelfs afneemt ten opzichte van de bestaande situatie. Dit verkeer kan opgevangen worden met de bestaande verkeersstructuur.

37

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.4 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:

• • • • • •

bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);

38

•

omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

5.5 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen: Tuin De bestemming 'Tuin' is toegekend aan de gronden behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen gebouwen. Deze gronden zijn onder andere bestemd voor tuinen, parkeervoorzieningen, in- en uitritten en groenvoorzieningen. Wonen De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor wonen met daarbij behorende erven, tuinen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen. Er mogen gebouwen worden gebouwd binnen het bouwvlak en binnen dit bouwvlak zijn niet meer wooneenheden toegestaan dan is aangegeven op de verbeelding. De goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de ter plaatse aangeduide 'maximum goot- en bouwhoogte'. Waarde - Archeologie 1 Gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. Bij bouwwerkzaamheden met een bouwdiepte van meer dan 0,5 m en een totale oppervlakte van 100 m², dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden om aan te tonen dat de archeologische waarden niet verstoord worden. Waterstaat - Waterkering Aan de gronden in het in het plangebied is teven de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' toegekend.

Vanwege de ligging binnen de beschermingszone van de waterkering is het bouwen van bouwwerken en het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden slechts onder voorwaarden toegestaan. Hierbij kan een advies van de beheerder van de waterkering benodigd zijn. Luchtvaartzone - 20ke Ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - 20ke' geldt het vrijwaringsbeleid in de 20-Ke zone rond Schiphol, en zijn geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen en terreinen toegestaan zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, met uitzondering van woningen die in het bestaand stads- en dorpsgebied liggen.

39

6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Het project wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van het plan zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de procedure zullen aan de initiatiefnemer worden doorbelast. Voor de gemeente zijn er verder geen kosten aan de ontwikkeling verbonden. De economische uitvoerbaarheid van dit initiatief zal met het afsluiten van een anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente Nieuwkoop worden geregeld. Hierin zal opgenomen worden dat het planschaderisico voor rekening van de initiatiefnemer komt. Hiermee kan afgezien worden van het vaststellen van een exploitatieplan.

40

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub c Wro overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen, kan in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie Initiatiefnemer heeft het plan besproken met de omwonenden van het dubbelwoonhuis Korteraarseweg 81Q en 81R, met de eigenaar en bewoner van de slagerij Korteraarseweg 102 en met de eigenaar van de naastgelegen woning die verhuurd wordt aan arbeidsmigranten Korteraarseweg 110. Allen hebben positief gereageerd op de plannen.

7.2 Vooroverleg In deze paragraaf of in een separate bijlage worden te zijner tijd de resultaten van het wettelijk vooroverleg opgenomen.

7.3 Verslag zienswijzen In deze paragraaf of in een separate bijlage worden te zijner tijd de eventuele zienswijzen op het ontwerp bestemmingsplan samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien.

41

bestemmingsplan

Korteraarseweg Ter Aar

104-106,

Gemeente Nieuwkoop

Planstatus:

ontwerp

Plan identificatie:

NL.IMRO.0569.bpTARkortersweg104-on01

Datum:

2023-11-15

Kenmerk Buro SRO:

SR220368

Opdrachtgever:

Teken- en adviesbureau J.M. Zevenhoven

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

2

Inhoudsopgave 1 Inleidende regels ..................................................................................................................................... 5 Artikel 1 Begrippen ................................................................................................................................................... 5 Artikel 2 Wijze van meten ......................................................................................................................................... 9

2 Bestemmingsregels ............................................................................................................................... 10 Artikel 3 Tuin ........................................................................................................................................................... 10 Artikel 4 Wonen ...................................................................................................................................................... 11 Artikel 5 Waarde - Archeologie - 1 .......................................................................................................................... 14 Artikel 6 Waterstaat - Waterkering ......................................................................................................................... 16

3 Algemene regels .................................................................................................................................... 18 Artikel 7 Anti-dubbeltelregel ................................................................................................................................... 18 Artikel 8 Algemene bouwregels .............................................................................................................................. 18 Artikel 9 Algemene gebruiksregels .......................................................................................................................... 19 Artikel 10 Algemene aanduidingsregels .................................................................................................................. 19 Artikel 11 Algemene afwijkingsregels ..................................................................................................................... 19 Artikel 12 Algemene wijzigingsregels ...................................................................................................................... 20

4 Overgangs- en slotregels ....................................................................................................................... 21 Artikel 13 Overgangsrecht ....................................................................................................................................... 21 Artikel 14 Slotregel .................................................................................................................................................. 21

3

4

1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 plan: het bestemmingsplan Korteraarseweg 104-106, Ter Aar NL.IMRO.0569.bpTARkortersweg104-on01 van de gemeente Nieuwkoop.

met

identificatienummer

1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.3 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.4 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.5 agrarisch bedrijf: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.

1.6 agrarisch bouwvlak: bouwvlak voor de bedrijfsbebouwing van een agrarisch bedrijf.

1.7 akkerbouwbedrijf: een bedrijf dat overwegend of uitsluitend gericht is op het telen van akkerbouwgewassen in de volle grond.

1.8 archeologisch onderzoek: het verrichten van werkzaamheden met als doel het verzamelen van kennis en wetenschap van bekende of verwachte overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden. Een archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd op basis van een programma van eisen opgesteld overeenkomstig de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, dat moet worden goedgekeurd door het college van burgemeester en wethouders. In het programma van eisen wordt aangegeven op welke wijze de voorwaarden die aan de vergunning worden verbonden worden uitgevoerd.

1.9 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

5

1.10 bedrijf aan huis: het door de bewoner van de woning bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend, niet zijnde detailhandel, behoudens de beperkte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten en webwinkels.

1.11 beroep aan huis: een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch, of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend.

1.12 bestaande bebouwing: bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor bouwen, met uitzondering van bebouwing die weliswaar bestaat op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar is gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

1.13 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak.

1.14 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.15 bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

1.16 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

1.17 bouwgrens: de grens van een bouwvlak.

1.18 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop volgens de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.19 bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel.

6

1.20 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

1.21 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond en bestemd is om ter plaatse te functioneren.

1.22 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen verhuren en/of leveren van goederen aan personen die de goederen kopen en/of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.23 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.24 grondgebonden agrarisch bedrijf: een agrarisch bedrijf dat voor de bedrijfsvoering in overwegende mate afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond welke tot dat bedrijf behoort zoals een akkerbouwbedrijf en een grondgebonden veehouderij, met uitzondering van glastuinbouw, sierteelt, fruit- en boomteelt en bosbouw.

1.25 hoofdgebouw: een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

1.26 hoofdverblijf: het adres dat fungeert als het centrum van iemands sociale en maatschappelijke activiteiten en dat ingevolge de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens noopt tot inschrijving als woonadres.

1.27 huishouden: een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een duurzaam gemeenschappelijk huishouden voeren.

1.28 mantelzorg: intensieve zorg of ondersteuning die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met behulp van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal medisch-adviseur kan worden aangetoond.

7

1.29 nutsvoorzieningen: voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalinginstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.

1.30 permanente bewoning: het gebruik van een kampeermiddel of recreatiewoning door een persoon, gezin of andere groep van personen, op een wijze die in gevolge de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegeven noopt tot inschrijving van de bewoners in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Nieuwkoop, terwijl deze personen elders niet over een hoofdverblijf beschikken.

1.31 prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

1.32 seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.33 smartshop/growshop: een bedrijf waar bedrijfsmatig psychoactieve middelen en/of benodigdheden voor de kweek van hennep en/of andere verdovende middelen te koop worden aangeboden, verstrekt of geleverd.

1.34 voorgevel: naar de weg (als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder b van de Wegenverkeerswet 1994) gekeerde gevel. Niet als voorgevel worden aangemerkt de gevel(s) die gekeerd zijn naar wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer, tenzij de hoofdontsluiting van het gebouw via deze weg voor langzaam verkeer loopt. Indien een gebouw met meerdere zijden aan de weg grenst, geldt de als zodanig door of namens burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel(s).

1.35 waterhuishoudkundige voorzieningen: voorzieningen ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit.

1.36 woning: een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

8

Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, met dien verstande dat boven de goothoogte geen platte daken zijn toegestaan.

2.2 inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.3 bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.4 oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Bij een overkapping zonder gevelvlak(ken) de neerwaartse projectie van het dakvlak.

2.5 ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk: vanaf het peil tot het diepste punt van het bouwwerk.

2.6 peil: a. b. c. d.

voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst; de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang; voor gebouwen langs een dijk; de gemiddelde hoogte van de bestaande weg op de dijk, ter plaatse van de naar de dijk gekeerde zijde van het gebouw; voor oeverbeschoeiingen: de gemiddelde waterlijn; in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld.

2.7 vloeroppervlak: de gebruiksvloeroppervlakte volgens NEN 2580.

9

2 Bestemmingsregels Artikel 3 Tuin 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b.

tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen; met de daarbij behorende parkeervoorzieningen, in- en uitritten, groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen, waterhuishoudkundige voorzieningen.

3.2 Bouwregels Voor het bouwen ten behoeve van de in het eerste lid genoemde bestemmingsomschrijvingen gelden de volgende bouwregels: 3.2.1 Gebouwen Er mogen geen gebouwen worden gebouwd; 3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. b. c. d.

bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd binnen het bouwperceel; de maximale bouwhoogte van terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 meter voor zover gelegen achter de voorgevelrooilijn; de maximale bouwhoogte van terreinafscheidingen bedraagt maximaal 1 meter voor zover gelegen vóór de voorgevelrooilijn; de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt 2 meter;

10

Artikel 4 Wonen 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b.

c. d.

wonen; al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis in hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat het oppervlak ten behoeve van die activiteiten maximaal 30% van het vloeroppervlak per woning inclusief de bijbehorende bouwwerken bedraagt, met een maximum van 100 m²; mantelzorg, met dien verstande dat het oppervlak ten behoeve van mantelzorg maximaal 100 m² van het vloeroppervlak per woning inclusief de bijbehorende bouwwerken bedraagt; met de daarbij behorende tuinen en erven, parkeervoorzieningen, in- en uitwegen, groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen, steigers en plankieren.

4.2 Bouwregels Voor het bouwen ten behoeve van de in het eerste lid genoemde bestemmingsomschrijvingen gelden de volgende bouwregels: 4.2.1 Algemeen a. b. c.

toegestaan zijn grondgebonden woningen; binnen het bouwvlak zijn niet meer wooneenheden toegestaan dan het aantal op de verbeelding aangeduide “maximum aantal wooneenheden“; het bouwvlak mag volledig worden bebouwd.

4.2.2 Hoofdgebouw a. b. c.

het oppervlak van een hoofdgebouw mag niet meer dan 150 m² bedragen (exclusief bijbehorende bouwwerken); de goothoogte van het hoofdgebouw mag niet meer dan de op de verbeelding aangeduide 'maximum goot- en bouwhoogte'; bij een bestaande woning met een groter bouwvolume die rechtmatig is gebouwd geldt dit grotere bouwvolume als het maximale bouwvolume, dat bij herbouw ook mag worden terug gebouwd.

4.2.3 Bijbehorende bouwwerken a. b.

c.

d. e.

bijbehorende bouwwerken mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd; de goothoogte van aangebouwde bijgebouwen/aan- en uitbouwen mag maximaal 20 centimeter meer bedragen dan, de hoogte van de bovenkant vloer van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, waaraan wordt aangebouwd; de bouwhoogte van een kap op aangebouwde bijgebouwen/aan- en uitbouwen moet tenminste 2 meter onder de bouwhoogte van de kap van het hoofdgebouw liggen en mag niet meer dan 8 meter bedragen; de goothoogte van een vrijstaand bijgebouw mag niet meer dan 3 meter bedragen en de bouwhoogte van een kap op een vrijstaand bijgebouw mag niet meer dan 5 meter bedragen; buiten het bouwvlak mag de gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen/aan- en uitbouwen die bij eenzelfde hoofdgebouw behoren: 1. op een bouwperceel kleiner dan 500 m², niet meer bedragen dan 60 m²; 2. op een bouwperceel van 500 m² of groter, niet meer bedragen dan 60 m² plus 2% van de oppervlakte van het desbetreffende bouwperceel, tot een maximum omvang van 100 m².

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwkoop&id=16d10f9b-1511-446e-b8f4-17c2578f6e89