BP Korteraarseweg 104-106 (ontwerp)
Tekst van het document
bestemmingsplan
Korteraarseweg Ter Aar
104-106,
Gemeente Nieuwkoop
Planstatus:
ontwerp
Plan identificatie:
NL.IMRO.0569.bpTARkortersweg104-on01
Datum:
2023-11-15
Kenmerk Buro SRO:
SR220368
Opdrachtgever:
Teken- en adviesbureau J.M. Zevenhoven
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 10
3 Beleid en regelgeving ............................................................................................................................ 12 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 12 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 13 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 19 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 20
4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 23 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 23 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 24 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 24 4.4 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 25 4.5 Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................................................. 26 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 28 4.7 Ecologie .............................................................................................................................................................
30 4.8 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 32 4.9 Archeologie en cultuurhistorie .......................................................................................................................... 34 4.10 Parkeren en verkeer ........................................................................................................................................ 36
5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 38 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 38 5.2 Toelichting ......................................................................................................................................................... 38 5.3 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 38 5.4 Planregels .......................................................................................................................................................... 38 5.5 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 39
6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 40 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 41 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 41 7.2 Vooroverleg ....................................................................................................................................................... 41 7.3 Verslag zienswijzen ........................................................................................................................................... 41
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens op het perceel Korteraarseweg 104-106 in Ter Aar één nieuwe woning te realiseren. In het plangebied zijn op dit moment twee woningen, een schuur en een zomerhuis gelegen. Om de nieuwe woning mogelijk te maken dienen de schuur en het zomerhuis gesloopt te worden. De planlocatie ligt binnen de grenzen van het bestemmingsplan 'Korteraar'. De gronden van de locatie beschikken over de bestemming 'Wonen' en 'Tuin' en een deel van de bestemming 'Wonen' heeft de aanduiding 'Detailhandel'. Het voorgenomen plan past niet binnen het huidige bestemmingsplan. Ten behoeve van het voorliggende plan is door initiatiefnemer een principeverzoek ingediend bij de gemeente waar een positief advies over is gegeven. Om het beoogde plan juridisch-planologisch mogelijk te maken dient een partiële herziening van het bestemmingsplan (postzegelbestemmingsplan) vastgesteld te worden. Hierin houdt het perceel aan de Korteraarseweg de bestemming ‘Wonen’ maar wordt de aanduiding 'detailhandel' verwijderd en wordt een bouwvlak toegevoegd.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan is gelegen op het perceel Korteraarseweg 104-106 in Ter Aar. Op dit perceel is de woning beoogd. Het plangebied maakt deel uit van de percelen bekend onder de kadastrale gemeente Ter Aar, sectie B, nummers 3706 en 4708. In de omgeving van het plangebied zijn agrarische gronden en woningen aanwezig. De navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.
Globale ligging plangebieden, rood omkaderd (bron: google.com/maps)
5
Begrenzing plangebied Korteraarseweg, rood omkaderd (bron: Google Earth)
1.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het geldende bestemmingsplan 'Korteraar', vastgesteld op 25 november 2008. De gronden van het plangebied hebben in het geldende bestemmingsplan de bestemming 'Wonen' met de aanduiding 'detailhandel' en 'Tuin'. Tevens zijn de gronden voorzien van de dubbelbestemmingen 'Archeologisch waardevol gebied' en 'Waterstaatsdoeleinden'. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.
6
Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Korteraar' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn tevens voor een deel voorzien van een bouwvlak en bestemd met de functieaanduiding 'detailhandel'. Ter plaatse van het bouwvlak zijn 2 woningen toegestaan en ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel' is kleinschalige detailhandel toegestaan. Tevens zijn de gronden voorzien van de dubbelbestemming 'Archeologisch waardevol gebied'. Deze gronden zijn, behalve de daar voorkomende andere bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. Ook is de dubbelbestemming 'Waterstaatsdoeleinden' opgenomen voor de grond in het plangebied. Deze gronden zijn, behalve de daar voorkomende andere bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de waterhuishouding en waterkeringen. Het voorliggende plan past niet binnen het huidige bestemmingsplan omdat er een bouwvlak ontbreekt en het aantal woningen binnen het plangebied toeneemt. De ontwikkeling is daarnaast slechts mogelijk als de aanduiding 'detailhandel', ter plaatse van het plangebied wordt 'wegbestemd'. Tevens dienen de bestaande schuur en het zomerhuis gesloopt te worden. Om dit mogelijk te maken dient er afgeweken te worden van het bestemmingsplan, middels het opstellen van een postzegelbestemmingsplan.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk zal in hoofdstuk 2 het initiatief worden toegelicht. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante beleid. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en milieuwetgeving. In hoofdstuk 5 wordt de juridische planbeschrijving beschreven. Hoofdstuk 6 omvat de economische uitvoerbaarheid. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
7
2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Achter de Korteraarseweg 104-106 bevindt zich een perceel waar een grote schuur en een zomerhuis zijn gelegen. De schuur is in gebruik als detailhandelfunctie voor elektra materiaal. De gronden zijn te bereiken via een inrit tussen het dubbele woonhuis nr. 104 en de woning met nr. 110 aan de Korteraarseweg. Het plangebied wordt aan de achterzijde omsloten door agrarisch landschap waarvan het gescheiden wordt met een sloot. Aan de voorzijde wordt het plangebied door het lint van de Korteraarseweg omsloten. Aan dit lint zijn voornamelijk woningen gelegen, maar ook enkele detailhandelsfuncties zoals een slager en twee autobedrijven. Onderstaande afbeelding toont een aanzicht van het plangebied vanaf de Korteraarseweg.
Aanzicht plangebied vanaf de Korteraarseweg (bron: google.com/maps)
8
Schets bebouwing huidige situatie (bron: teken- en adviesbureau J.M. Zevenhoven)
3D impressie huidige situatie (bron: teken- en adviesbureau J.M. Zevenhoven)
9
2.2 Toekomstige situatie Initiatiefnemer is voornemens om op het perceel achter Korteraarseweg 104-106 één vrijstaande woning te realiseren. Op de gronden waar de beoogde woning is voorzien, het perceel achter Korteraarseweg 104106, staat momenteel een schuur die gebruikt wordt voor detailhandel en een klein zomerhuis. Ten behoeve van de nieuwe woning zal deze bebouwing gesloopt worden. De bestaande schuur zal voorafgaand aan de nieuw te bouwen woning worden gesloopt en het Zomerhuis zal na gereed melding van de nieuw te bouwen woning worden gesloopt. Tevens dient de bestemming van de gronden gewijzigd te worden, de aanduiding 'detailhandel' wordt wegbestemd en er wordt een bouwvlak toegevoegd voor de nieuwe woning. De beoogde nieuwe woning wordt voorzien binnen de grenzen van de bestaande schuur. De woning krijgt een oppervlakte van maximaal 150 m², met een goot- en bouwhoogte van 6 m en 10 m. Daarnaast worden er twee bijgebouwen beoogd, een aan de voorzijde en een aan de zijkant van de woning. Op onderstaande afbeeldingen is een situatie schets weergegeven van de beoogde situatie en een 3D impressie.
Situatie schets beoogde situatie (bron: Teken- en adviesbureau J.M. Zevenhoven)
10
3D impressie beoogde situatie (bron: Teken- en adviesbureau J.M. Zevenhoven)
11
3 Beleid en regelgeving 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het rijk zoals het realiseren en behouden van een goede leefomgevingskwaliteit en het ontwikkelen van nieuwe woningen. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Het Barro is niet specifiek van toepassing op het plangebied. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
12
De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.
3.
4.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt bij 12 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Onderhavig initiatief bestaat uit de realisatie van één nieuwe woning. Daarmee is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan de ladder van duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 april 2023. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:
• • • • • • •
het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen; de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht; het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie; de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie.
In aanvulling hierop toont de ruimtelijke hoofdstructuur van de ondergrond indicatief de ruimtelijke situatie van de ondergrond.
13
2.
Ambities en sturing
De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:
• • • • • •
Naar een klimaatbestendige delta Naar een nieuwe economie: the next level
3.
Omgevingskwaliteit
Naar een levendig meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving
Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:
•
Een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken.
•
Een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit.
•
Een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.
4.
Beleidskeuzes
De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes, bijvoorbeeld ten aanzien van behoud en versterking van ruimtelijke kwaliteit. Planspecifiek 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 2.
Ambities en sturing
De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de ontwikkeling. 3.
Omgevingskwaliteit
Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Hiervoor worden de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader omschreven.
14
Laag van de ondergrond Het plangebied is gelegen in een bijzonder reliëf - 'Oude stroomgordels en geulafzettingen'. Dit betreft een bijzonder reliëf en aardkundige waarden, onder meer strandwallen in de kustzone, oude stroomruggen, kreken en geulafzettingen, rivierduinen met donken en oude bovenlanden met restveen. Vanwege de hogere ligging waren deze plekken aantrekkelijk voor bewoning. Het zijn vaak plekken van grote archeologische en aardkundige waarde. Behoud van dit reliëf houdt de leesbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het gebied in stand. De richtpunten zijn dat ontwikkelingen de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand houden. Waar mogelijk worden de archeologische waarden met deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In de huidige situatie staat er al bebouwing, op exacte deze locatie wordt de nieuwe woning voorzien. De beperkte aard van de ontwikkeling doet geen verder afbreuk aan de waarden en structuren in het landschap. Het plangebied is daarnaast ook gelegen in een Veencomplex - Veen. Een groot deel van Zuid-Holland bestaat uit veengronden met een hoge waterstand. Het veen kent een geringe draagkracht. Daarnaast vinden we hier een groot aantal bestaande en voormalige plassen. De voormalige plassen zijn drooggemalen en staan bekend als droogmakerijen.
De ondergrond in deze droogmakerijen varieert van venig tot (oude zee)klei. Zuid-Holland kent een aantal droogmakerijen waar (in de toekomst) verzilting optreedt en het waterbeheer steeds lastiger wordt. Bij grote diepte kan daarnaast een waterveiligheidsvraagstuk spelen. Zorgvuldige omgang met het watervraagstuk (kwalitatief en kwantitatief) is in deze droogmakerijen van belang. Het richtpunt is daarom dat ontwikkelingen in droogmakerijen een bijdrage leveren aan een duurzame waterhuishouding. Met de ontwikkeling wordt de bestaande verharding en bebouwing verwijderd en wordt er een nieuwe woning toegevoegd. Daardoor neemt de verharding en bebouwing in het plangebied af en heeft daarmee een beperkt positieve invloed op de waterhuishouding van het gebied. Laag van cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied bevindt zich aan het lint van de Korteraarseweg. Linten zijn lineaire, aangesloten bebouwing langs wegen, waterwegen of dijken met een sterke relatie met het omliggende landschap. Ze bepalen mede de kenmerken van het landschap en zijn daarvan niet los te zien. Om die reden worden linten beschouwd als onderdeel van de tweede laag. Op kaart zijn zowel de linten buiten als binnen het stedelijk gebied aangegeven. De linten binnen het stedelijk gebied zijn met name opgenomen om de relatie met het lint in het buitengebied aan te geven.
De Korteraarseweg is een dijklint, waar de bebouwing op of tegen de dijk staat en er weinig ruimte is voor nieuwe bebouwing. Met het voorliggende initiatief wordt bestaande bebouwing vervangen ten behoeve van een nieuwe woning en is de wijziging zodoende beperkt. Het lint blijft in zijn huidige vorm behouden. Het plangebied is tevens gelegen in een droogmakerijenlandschap. Droogmakerijen zijn ontstaan uit natuurlijke meren en uit verveningen. Ze hebben een duidelijke begrenzing door een ringdijk, ringvaart of oude hoge oeverlanden. Het landschap is visueel open (tenzij het is verstedelijkt), grootschalig en ligt gemiddeld enkele meter lager dan de omgeving. De droogmakerij kent een aangelegd watersysteem met hoofdtochten, gemaal en een regelmatige basisverkaveling. Ontginningsboerderijen liggen op regelmatige afstand langs de ontginningsweg. Elke droogmakerij heeft haar eigen ordening en maat; kavelgrootte en lengte-breedte-verhouding zijn uniek. Deze typerende opbouw is bepalend voor de manier van inpassing van nieuwe ontwikkelingen. Richtpunt voor dit type landschap is dat nieuwe ontwikkelingen in de droogmakerij worden vormgegeven als eigentijdse objecten aan de ontginningslijnen, passend bij de schaal en het patroon van de rechthoekige verkaveling, met strakke groene omzoming en behoud van ruime doorzichten.
De onderhavige ontwikkeling zal hierop aansluiten, doordat de nieuwe woning wordt gebouwd als vervanging van een bestaand bouwwerk maar met een kleiner oppervlak. Daarnaast zijn er met de voorliggende ontwikkelingen geen wijzigingen in het verkavelingspatroon voorzien en wordt deze structuur in stand gehouden. Laag van de stedelijke occupatie De planlocatie ligt aan het bebouwingslint van de Korteraarseweg aan de oostzijde van de kern van Ter Aar en wordt aangemerkt als steden en dorpen. Elk dorp ontwikkelt zijn eigen identiteit en bouwt voort op haar karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap. Het dorp is deel van het omringende landschap, doordat onderliggende patronen herkenbaar zijn in de structuur van het dorp. Ontwikkelingen
15
dienen bij te dragen aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van het dorp. De planontwikkeling is kleinschalig van aard, doordat het zich beperkt tot één perceel en de realisatie van een woning, de identiteit van het dorp wordt dan ook niet aangetast. 4.
Beleidskeuzes
De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader. Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Hollands Plassengebied'. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. Navolgend worden de relevante elementen van het gebiedsprofiel Hollands Plassengebied toegelicht met betrekking tot de beoogde wijziging. Herkenbaar waterrijk veen(weide) Het plangebied is gelegen in een bovenland. Dit is een typische streeknaam voor een (relatief smalle strook) onvergraven veengrond aan weerszijden van een veenstroom of wetering met een scherpe overgang naar de aangrenzende dieper gelegen droogmakerijen. De verkaveling is veelal smal en loodrecht op de (oorspronkelijke) loop van de rivier die als ontginningsbasis diende. Bovenlanden kennen een kleinschalig en relatief besloten en groen karakter met oude karakteristieke boerderijcomplexen. Bebouwing en erfbeplanting bepalen het beeld. Er is sprake van menging van veel verschillende functies.
De ambitie is het behouden van de diversiteit en versterking van het multifunctionele karakter van de linten. Het voorliggende plan doet hier geen afbreuk aan omdat het slechts betrekking heeft op de ontwikkeling van een nieuwe woning. Droogmakerij als herkenbare eenheid De ringdijken en kades (liggen binnen de poldereenheid) van de droogmakerijen vormen een duidelijk ruimtelijk kader voor de polders. De ringdijk is de buitenste begrenzing van de polder. Van oudsher wordt aan de dijk gewoond en gewerkt. Naast hun waterkundige en kerende functie zijn de ringdijken en kades essentieel voor de ontsluiting van het gebied. Ontwikkelingen aan de dijken en kades dienen rekening te houden met de beleefbaarheid van het contrast tussen hoge boezemkade en lage polder. Zicht vanaf de dijken op de polders wordt gekoesterd. Het plangebied is gelegen aan een dichtbebouwd lint, en het plangebied zelf is ook dicht bebouwd. Het zicht op de polder ontbreekt dan ook in de huidige situatie. Het voorliggende plan voorziet in een afname aan bebouwing in het plangebied, de bestaande schuur en het zomerhuisje worden verwijderd. Het zicht op de polder wordt daardoor beperkt verbeterd, omdat er weer een zichtlijn via de inrit op de polder ontstaat. Kwaliteit in stads- en dorpsgebied De dorpen in het Hollands Plassengebied verschillen in oorsprong, stedenbouwkundige opzet en grootte.
Deze verscheidenheid is nog herkenbaar. Elk dorp in het Hollands Plassengebied versterkt of ontwikkelt zijn eigen karakter. Nieuwe ontwikkelingen bouwen voort op de karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap. De ontwikkeling van het voorgenomen plan past in de structuur van het landschap, daarnaast zijn er zijn geen historische elementen aanwezig op de planlocatie. Linten blijven linten Het plangebied is gelegen aan een Veenlint. Dit is een lint in een onverveend veenweidegebied (bovenlanden): Ze hebben een gemengd karakter met wonen en werken. Hier en daar is een doorzicht naar het achtergelegen landschap. Op die plekken is het hoogteverschil ervaarbaar tussen veen en aangrenzende droogmakerijen. De bebouwing ligt op één niveau met de directe omgeving. Dit biedt ruimte voor differentiatie dan wel verbreding van het profiel. De huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor de historische gaafheid van het lint zijn richtinggevend voor ontwikkelingen. Het voorliggende plan voorziet in de realisatie van een nieuwe woning ter vervanging van een bestaande schuur, daarbij blijft de bebouwing op de zelfde hoogte gelegen en is de ontwikkeling passend in het lint.
16
Naar een klimaatbestendig Zuid-Holland De provincie wil maatregelen nemen om Zuid-Holland voor te bereiden op klimaatopgaven als weersextremen, zeespiegelstijging en bodemdaling. Op al deze terreinen zet de provincie in op de bescherming van mensen, leefomgeving en economie tegen de gevolgen van overstromingen en extreem weer. Daarbij is de inzet van de provincie om bij ruimtelijke ontwikkelingen de risico's als gevolg van klimaatopgaven mee te laten wegen. Toekomstbestendig bouwen en inrichten van gebieden zijn de onderdelen die van belang zijn voor onderhavige ontwikkeling. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. Het beoogde initiatief zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en past dan ook binnen de Omgevingsvisie ZuidHolland en is in lijn met de ambities van de provincie. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 1 april 2023 in werking getreden. De Omgevingsverordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 lid 5 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.
b.
c.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling zich afspeelt op het niveau van een perceel en past bij de aard en de schaal van het gebied. Met de ontwikkeling van een vrijstaande woning wordt zoveel als mogelijk rekening gehouden met de bestaande gebiedsidentiteit en neemt de ruimtelijke kwaliteit toe omdat er bebouwing verwijderd wordt en bedrijvigheid komt te vervallen. Daarvoor in de plaats komt er een nieuwe woning. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart zijn in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart voldoet. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen: a.
b.
de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt
17
gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X.' Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Daaruit blijkt dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij het onderhavige plan. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. Veiligheid 20 Ke-contour Schiphol In artikel 6.14 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat voor de gronden binnen de 20 Ke-contour, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 13 in bijlage II, een bestemmingsplan kan voorzien in nieuwe woningen, uitsluitend binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. Het voorliggende plangebied is onderdeel van de lintbebouwing aan de Korteraarseweg. De planlocatie is voorzien van een woonbestemming en er zijn reeds woonfuncties aanwezig. Er kan zodoende worden voorzien in de realisatie van een nieuwe woning.
Wanneer een bestemmingsplan nieuwe woningen toestaat op gronden binnen de 20 Ke-contour, moet volgens artikel 6.14 lid 3 rekenschap worden gegeven van het feit dat op de betreffende locatie sprake is van geluid vanwege het luchtverkeer en dienen de redenen te worden vermeld die er toe hebben geleid dat op de locatie nieuwe woningen worden toegestaan. De provincie Zuid-Holland en de gemeente Nieuwkoop hebben de beleidsregel ‘Wonen en Vliegen 20 Ke-contour Schiphol’ vastgesteld. In deze beleidsregel is vastgelegd op welke wijze invulling wordt gegeven aan de plicht die volgt uit de Omgevingsverordening ZuidHolland. De initiatiefnemer realiseert zich terdege dat er geluidhinder vanwege luchtverkeer op zal treden. Initiatiefnemer zal de toekomstige bewoners van de beoogde woningen hierover tijdig en juist informeren. Klimaatverandering In artikel 6.27a 'risico's van klimaatverandering' is opgenomen dat in een bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, ten minste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. b. c. d.
wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte
Wateroverlast Uit de klimaatatlas blijkt dat er in het plangebied geen sprake is van wateroverlast bij extreme neerslag. Er wordt met het plan voldaan aan richtlijnen met betrekking tot waterberging en er zal ruimte zijn voor het infiltreren van water. Overstroming Uit raadpleging van de klimaatatlas blijkt dat er een zeer kleine kans (1/3.000 tot 1/30.000 per jaar) is op overstroming in het plangebied. Het aspect overstroming is niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Hitte Uit raadpleging van de klimaatatlas blijkt dat de temperatuur in het plangebied hoger is dan in de omgeving. Dit komt zeer waarschijnlijk omdat het plangebied overwegend verhard en bebouwd is. Met het voorliggende plan wordt er bebouwing gesloopt en een nieuwe woning terug gebouwd met een kleiner oppervlak dan bestaande bebouwing. Er is daarmee een afname aan bebouwing in het plangebied. Dit leidt mogelijk tot een licht daling van de temperatuur en kan er geconcludeerd worden dat hittestress geen probleem wordt in het plangebied, mede door de groene omgeving en nabijheid van water.
18
Droogte Om droogte tegen te gaan is het belangrijk om water zo veel mogelijk te laten infiltreren. Vanwege de ligging en de inrichting direct rondom het plangebied wordt verwacht dat droogte geen grote risico's oplevert voor het plangebied. Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland Op 24 juni 2009 heeft het Algemeen Bestuur de Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland vastgesteld. Op 28 maart 2012 is door het Algemeen Bestuur ingestemd met de eerste partiële herziening. De structuurvisie van de regio Holland Rijnland is de toekomstvisie op de ruimtelijke kwaliteit en ontwikkeling van de regio tot 2020, met een doorkijk naar 2030. De visie gaat in op het behouden en versterken van haar kwaliteiten, zoals de hoge landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit van de regio en de ruimtelijke structuur gebaseerd op een compacte historische centrumstad, een stedelijke kern midden in het Groene Hart, de vele hechte dorpen en de groene omgeving. De structuurvisie kent zeven kernpunten, te weten: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Holland Rijnland als een topwoonregio; Leiden vervult een regionale centrumfunctie; concentratie stedelijke ontwikkeling; groenblauwe kwaliteit staat centraal; het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open; twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports; verbetering van de regionale bereikbaarheid.
Planspecifiek Het voorliggende plan bestaat uit een kleinschalige ontwikkeling waarbij een vrijstaande woning wordt gerealiseerd. Het realiseren van nieuwe woningen sluit aan op het kernpunt 'Holland Rijnland als topwoonregio'. De planlocatie ligt aan het lint van de Korteraarseweg ten westen van de kern van Ter Aar. De ontwikkeling betreft slecht de realisatie van een woning die op een passende manier wordt ingepast in de ruimtelijke structuur van het lint. Gesteld kan worden dat het initiatief in lijn is met de Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland.
3.3.2 Regionale Woon Agenda Holland Rijnland 2017 In de Regionale Woon Agenda 2017 'Kwaliteit voor kwantiteit' voor de regio Holland Rijnland (vastgesteld op 14 maart 2018) is de kwalitatieve koers voor woningmarkt op regionaal, subregionaal en lokaal niveau geschetst. De regionale woonagenda helpt gemeenten bij de afstemming van woningbouw op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio en vormt een onderbouwing voor plannen in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. In de regio Holland Rijnland is snel vraag naar meer woningen die kwalitatief aansluiten bij de veranderende bevolkingssamenstelling. Om aan deze ambitie te kunnen voldoen en tegelijkertijd de woonaantrekkelijkheid van de regio te behouden, in te kunnen blijven spelen op de behoefte en verdringing van kwetsbare groepen op de woningmarkt te voorkomen heeft de regio Holland Rijnland de volgende keuzes gemaakt: 1.
tempoversnelling noodzakelijk, zeker voor de korte termijn;
19
2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
groei vraagt goede ruimtelijke ordening, balans tussen inbreiding en uitbreiding met prioriteit voor inbreiding; een kwalitatief programma dat borgt dat verdringing beperkt is; bevorderen doorstroming voor een betere werking van de woningmarkt; een programma dat recht doet aan de behoefte aan verschillende woonmilieus, centrumstedelijk, suburbaan en dorps/landelijk; groeien met aandacht voor duurzaamheid en bodemdaling; langer zelfstandig wonen met zorg faciliteren; bereikbaar bouwen; solidariteit.
Planspecifiek In de gemeente Nieuwkoop is in de periode 2017-2022 vraag naar 540 extra woningen. In de periode 2022-2030 bedraagt de behoefte 270 extra woningen. Er is dus in de periode 2017-2030 een behoefte aan 810 nieuwe woningen. Door per saldo één extra woning toe te voegen aan de woningvoorraad wordt er een bijdrage geleverd aan de behoefte. Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat het initiatief past binnen de ambities van de regio.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie gemeente Nieuwkoop De 'Omgevingsvisie gemeente Nieuwkoop' is de toekomstvisie voor de leefomgeving, waar de gemeente, inwoners, ondernemers en organisaties samen aan werken. De gemeente Nieuwkoop heeft gesprekken gevoerd over haar geschiedenis, karakter en identiteit. Hieruit is naar voren gekomen wat belangrijke waarden en kwaliteiten zijn voor het leven in de gemeente Nieuwkoop en voor de leefomgeving. Er zijn 'zeven Nieuwkoopse drijfveren' die de gemeente in de toekomst wil behouden en versterken: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Rust en ruimte; Weids landschap; Bijzondere natuur; Centrale ligging; Dorps karakter; Levendige dorpen; Saamhorigheid.
De Omgevingsvisie helpt antwoord te geven op de belangrijkste opgaven waar de gemeente de komende jaren mee te maken krijgt. De opgaven zijn vertaald in drie ambities: 'gelukkige mensen', 'sterke dorpen' en 'groene toekomst'. Voor het grondgebied van de gemeente geldt dat de betekenis van de visie per gebied anders zal zijn. De visie is dan ook uitgewerkt in drie gebieden: het noorden van de gemeente, het midden van de gemeente en het zuiden van de gemeente. Planspecifiek Het plangebied is gelegen in het gebied 'Midden van onze gemeente'. Ter Aar is van oudsher een agrarische kern en de ligging aan het Aarkanaal en de Ringdijk zijn kenmerken voor Ter Aar. Ten zuidwesten van Ter Aar vind je het kleine lintdorp Korteraar met de mooie Hogedijk (een pelgrimsroute!). Hier wordt het uitzicht over de polders zeer gewaardeerd. Kenmerkend voor Korteraar is de Korteraarseweg en het gemaal. Zowel Korteraar als Ter Aar zijn gemoedelijke dorpen waar inwoners zich verbonden voelen met elkaar en hun omgeving. In beide dorpen loop je zo de polder in. Dat geeft een enorm gevoel van vrijheid. De voorliggende ontwikkeling heeft geen directe bijdragen aan een van de 'zeven Nieuwkoopse drijfveren'. Er wordt slechts één vrijstaande woning gerealiseerd in de plaats van de bestaande schuur en het zomerhuisje. De bebouwing op het perceel neemt daardoor af.
Deze woning wordt gerealiseerd aan het lint van de Korteraarseweg. Er wordt zoveel als mogelijk aangesloten op de karakteristieken van het Lint.
20
Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat de ontwikkeling in lijn is met de Omgevingsvisie van de gemeente Nieuwkoop. 3.4.2 Integraal woningbouwprogramma Nieuwkoop In het Integraal woningbouwprogramma legt de gemeente Nieuwkoop de focus op het bouwen voor doelgroepen. Het nieuwe woningbouwprogramma legt de nadruk op het specifiek bouwen van betaalbare woningen voor de doelgroepen starters, ouderen en jonge gezinnen en op het bouwen voor doorstroming. Het programma ziet toe op minder grondgebonden woningen en meer tweekamer- en driekamerappartementen. De startdatum van het woningbouwprogramma is 1 januari 2019. Volgens de provinciale woningbehoeftecijfers geldt voor de gemeente Nieuwkoop vanaf deze datum voor een periode van 10 jaar een woningbehoefte van 1.910 woningen. Het Integraal woningbouwprogramma Nieuwkoop biedt een kader op basis waarvan tempo gemaakt kan worden met het bouwen van de juiste woningen op de juiste plek. Planspecifiek De bouw van een nieuwe vrijstaande woning levert een bijdrage aan de woningbehoefte van 1.910 nieuwe woningen voor de periode 2019-2029. De navolgende afbeelding toont de gewenste woningbouwprogrammering in deze periode.
Gewenste woningbouwprogramma gemeente Nieuwkoop 2019-2029 (bron: Integraal woningbouwprogramma Nieuwkoop).
De vrijstaande woning valt onder de categorie koop grondgebonden > € 200.000, waarnaar in de gemeente een behoefte van 668 extra woningen is. Er kan daarmee geconcludeerd worden dat het voorliggende initiatief past binnen het woningbouwprogramma. In de gemeente Nieuwkoop is tevens de Verordening woonfonds van kracht. Deze verordening heeft als doel de toegankelijkheid van de woningmarkt te bevorderen. Bij nieuwe ontwikkelingen waarbij niet voldaan wordt aan het vastgestelde percentage sociale woningbouw uit het woningbouwprogramma is de ontwikkelende partij een storting aan het woonfonds verschuldigd. Hierop zijn enkele uitzonderingen waaronder projecten die toezien op ruimtelijke kwaliteitsverbetering zoals; vervangende nieuwbouw of woningbouw ten behoeve van bedrijfssanering. Tevens geldt dit ook voor projecten van beperkte omvang, zoals op basis van de tabel uit de verordening blijkt, dat voor één vrijstaande woning het aandeel sociaal 0,0 is. Daarmee is de verordening niet van toepassing op het voorliggende plan. Ook geldt er de Beleidsregel Nieuwkoop anti-speculatiebeding en zelfbewoningsplicht. Op nieuwbouwwoningen met een vrij op naamprijs tot aan de NHG-grens past de gemeente Nieuwkoop het antispeculatiebeding en de zelfbewoningsplicht toe. Deze bepalingen gelden gedurende de eerste vijf jaar vanaf de eerste bewoning.
De beoogde woning valt niet in deze categorie, omdat het een vrijstaande woning betreft. Er worden om die reden geen eisen gesteld vanuit de beleidsregel.
21
3.4.3 Verordening doelgroepen woningbouw Nieuwkoop 2020 In de Verordening doelgroepen woningbouw Nieuwkoop 2020 zijn voor de categorieën sociale huur (< ca. € 752 p/m), middenhuur (< ca. € 975 p/m) en goedkope koop (< ca. € 200.000) de maximum prijsgrenzen, de bijbehorende doelgroepen (op basis van inkomen) en instandhoudingstermijnen bepaald. Via de doelgroepenverordening kan in bestemmingsplannen worden aangegeven hoeveel procent van de woningen een bepaalde woningbouwcategorie moet zijn. Daarvoor gelden dan ook de overige bepalingen in de verordening zoals de instandhoudingstermijn. Planspecifiek De Verordening doelgroepen is in dit geval niet van toepassing. Het voorliggende bestemmingsplan maakt een vrijstaande woning in de vrije sector mogelijk.
22
4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• • •
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Op de planlocatie aan de Korteraarseweg is in de huidige situatie bebouwing aanwezig in de vorm van een grote schuur en een zomerhuisje. Ten behoeve van de realisatie van een nieuwe vrijstaande woning wordt deze bebouwing gesaneerd. De oprichting van een vrijstaande woning aan de Korteraarseweg is
23
planologisch gezien dan ook een kleine toename ten opzichte van de huidige situatie. De wijziging is naar aard en omvang beperkt. Er kan dan ook gesteld worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. De activiteiten vallen niet onder één van de activiteiten uit onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Gezien het voorgaande is het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing en geldt er geen m.e.r.plicht.
4.2 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken moet aangetoond worden of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor het beoogde gebruik (wonen en tuin). In de huidige situatie zijn de gronden al voorzien van een woonbestemming, daarmee vindt er met het voorliggende initiatief geen wijziging plaats naar een strenger bodemgebruik van het plangebied. Tevens is het bodemloket geraadpleegd om te onderzoeken welke bodeminformatie bekend is voor de planlocatie.
Voor de locatie zijn er geen bodemonderzoeken bekend, ook zijn er geen slootdempingen, tanks of andere (voormalige) bodembedreigende activiteiten op de locatie bekend. Zodoende kan er ook geconcludeerd worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik, maar dient bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de bouw van de nieuwe woning een verkennend bodemonderzoek volgens de NEN5740 te worden aangeleverd.
4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);
•
andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Woningen zijn geluidgevoelige objecten zoals bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Het plangebied aan de Korteraarseweg achter 104-106 ligt niet binnen de zone van een geluidgezoneerd industrieterrein of in de in de nabijheid van een spoorlijn. Het plangebied ligt wel binnen de onderzoekszone van een weg, namelijk
24
de Korteraarseweg. Dit betekent dat er een akoestisch onderzoek vereist is. Er is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd door Adviesburo Van der Boom (kenmerk: 23-050, d.d. 4 april 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). De ontwikkeling ligt binnen de bebouwde kom van Ter Aar aan de Korteraarseweg op 29 meter uit de as van de weg. In de nabijheid van de locatie liggen nog een aantal gezoneerde wegen (Korteraarseweg, Hogedijk, Kerkweg en Zevenhovenseweg). De Hogedijk heeft een zeer lage verkeersintensiteit en is akoestisch niet relevant. De geluidbelasting door wegverkeer op de maatgevende Korteraarseweg bedraagt ten hoogste 39 dB na aftrek van 5 dB op de oostgevels van de woning. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee niet overschreden. De geluidbelasting door wegverkeer op elk van de overige wegen overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB eveneens niet. Er zijn geen hogere waarden nodig voor de geluidbelasting door wegverkeer. Bij het toetsen of sprake is van een goede ruimtelijke ordening is aangesloten bij het hogere waardenbeleid van de gemeente. De geluidbelasting op de woning overschrijdt de voorkeursgrenswaarden niet. Er wordt zonder maatregelen voldaan aan het hogere waardenbeleid van de gemeente. Er zal derhalve voor het aspect geluid door wegverkeer sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening.
Alle gevels van de woning zijn geluidluw. Voor de geluidluwe gevels van de woningen, met een geluidbelasting van ten hoogste 53 dB zonder aftrek, bedraagt de benodigde karakteristieke geluidwering GA;k 20 dB. Dit is de minimale waarde conform het Bouwbesluit. Voor geluidluwe gevels zijn geen aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor het voorliggende plan.
4.4 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 μg/ m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de ontwikkeling van een vrijstaande woning. Het project is daarmee aan te merken als een project van 'niet in betekenende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Atlas Leefomgeving (o.a. ministerie I&W en RIVM) echter wel gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) bedragen
25
respectievelijk 15,9 µg/m³, 8,4 µg/m³ en 12,8 µg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.5 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen