2024-026 Ondergrondse verkabeling Nieuwegein_Toelichting
Tekst van het document
4.1.5
Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaalt in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren. De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfsklimaat. Planspecifiek Een ondergrondse 150kV kabelverbinding is niet geurgevoelig. Dit aspect vormt dus geen belemmering voor het plan. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.
blad 26 van 51
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Ondergrondse verkabeling Nieuwegein Gemeente Nieuwegein Projectnummer 0471703.411
4.1.6
Milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten. De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven.
Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Planspecifiek Een ondergrondse 150kV kabelverbinding is geen activiteit die voorkomt in de VNG-lijst. Dit aspect vormt dus geen belemmering voor het plan. Er is geen sprake van aantasting van het woon- en leefklimaat. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering (geur, geluid, stof en gevaar).
4.1.7
Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting. De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn. Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR).
Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers.
blad 27 van 51
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Ondergrondse verkabeling Nieuwegein Gemeente Nieuwegein Projectnummer 0471703.411
Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan. Planspecifiek Op basis van de website www.risicokaart.nl zijn de bestaande risicobronnen geraadpleegd. In figuur 4.1. zijn deze bronnen zichtbaar. De ondergrondse 150kV kabelverbinding zal een leiding van Defensie kruisen ter hoogte van de A.C.Verhoefweg. Deze leiding wordt middels een gestuurde boring gekruist volgens de geldende regels qua veiligheid.
Figuur 4.1: Uitsnede risicokaart, waarbij aardgasleiding met een rode onderbroken lijn is weergegeven. De blauwe lijn is de globale ligging van de nieuwe ondergrondse 150kV kabelverbinding. Assets van TenneT vallen zelf niet onder de werkingssfeer van wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid. De realisatie van de ondergrondse 150kV kabelverbinding heeft geen gevolgen voor het risiconiveau (plaatsgebonden risico en groepsrisico) van de hiervoor vermelde risicobron. Er is geen sprake van vaststelling van een ruimtelijk besluit, dat betrekking heeft op de gronden in de omgeving van een (niet) basisnetroute en die de bouw, vestiging of aanleg van nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten toelaat. Er worden met dit plan geen nieuwe kwetsbare bestemmingen mogelijk gemaakt. Een nadere verantwoording hoeft dan ook niet te worden opgesteld. De realisatie van de ondergrondse 150kV kabelverbinding is vanuit het aspect externe veiligheid planologisch aanvaardbaar.
blad 28 van 51
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Ondergrondse verkabeling Nieuwegein Gemeente Nieuwegein Projectnummer 0471703.411
4.1.8
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Voor plannen en besluiten die ontwikkelingen bevatten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, geldt de verplichting om de procedure voor milieueffectrapportage te doorlopen of te beoordelen of het doorlopen van een dergelijke procedure noodzakelijk is (een m.e.r.-beoordeling). Op die manier krijgt milieu een volwaardige rol in de afweging van belangen. De milieueffectrapportage is geregeld in de Wet milieubeheer en nader uitgewerkt in de AMvB Besluit m.e.r. De categorieën van activiteiten waarbij deze verplichting aan de orde is, zijn vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Het gaat om de C-lijst en de D-lijst waarin alle activiteiten staan genoemd waarvoor m.e.r.-verplichtingen kunnen gelden. De aard en omvang van de activiteit bepaalt in belangrijke mate welke verplichtingen gelden ten aanzien van de rapportages. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling, een m.e.r.-beoordeling of een m.e.r.-plicht. De gevallen waarvoor een milieueffectrapportage verplicht is, staan in onderdeel C. De gevallen waarvoor een m.e.r.-beoordeling verplicht is, staan in onderdeel D. De gevallen in onderdeel D zijn overigens indicatief.
De verplichting voor een m.e.r.-beoordeling geldt ook wanneer op grond van de selectiecriteria in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Deze omstandigheden zijn: 1.
de kenmerken van de projecten (omvang project, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder, risico en ongevallen en de cumulatie met andere projecten); 2. de plaats van de projecten (bijzondere gebieden, bestaand grondgebruik, rijkdom/kwaliteit/regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen van het gebied, het opnamevermogen van het natuurlijk milieu); 3. de kenmerken van de potentiële effecten (in samenhang met de eerste twee criteria: bereik, grensoverschrijdende karakter van het effect, orde/grootte/complexiteit effect, waarschijnlijkheid effect, duur/frequentie/onomkeerbaarheid van het effect). Gelet op de wetswijziging per 16 mei 2017 moet er voor de aanleg van een ondergrondse 150kV kabelverbinding op grond van het Besluit m.e.r. bijlage D een aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling door de initiatiefnemer worden opgesteld, op basis waarvan de gemeente een besluit neemt over de m.e.r.-beoordelingsplicht.
Planspecifiek De vormvrije m.e.r.-beoordeling is uitgevoerd door Antea Group in de vorm van een aanmeldingnotitie, die als bijlage 10 is bijgevoegd. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat op basis van de huidige beschikbare onderzoeken en gegevens, significant blad 29 van 51
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Ondergrondse verkabeling Nieuwegein Gemeente Nieuwegein Projectnummer 0471703.411
negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten voor het aspect water. Om de effecten voor aspect 'Water' uit te kunnen sluiten wordt nog een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd. Bovendien zal een vergunningplicht gelden voor de werkzaamheden waarbij de vergunningen door het bevoegd gezag alleen verleend zal worden als er geen schade ontstaat voor de waterhuishouding. Op basis van de beschikbare onderzoeken wordt er vanuit gegaan dat deze vergunningen ook afgegeven kunnen gaan worden. Tenslotte wordt op twee plekken vervolgonderzoek gedaan naar bodem en naar specifieke soorten in het kader van natuur. Op deze plekken die nog onderzocht worden kunnen maatregelen getroffen worden zodat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht worden.
4.2
Water Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Deze beleidsdocumenten zijn beschreven in hoofdstuk 3 van deze toelichting. Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek gaan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen: de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.
Planspecifiek Er is voor het plangebied een watertoets opgesteld door Antea Group 'Watertoets 150kV-verkabeling Nieuwegein, d.d. 12 juli 2023. Deze watertoets is als bijlage 6 opgenomen bij deze toelichting. De conclusie van de watertoets luidt als volgt. De aanleg van de ondergrondse kabelverbinding heeft geen invloed op de waterhuishouding. Voor eventuele werkzaamheden langs het Amsterdam-Rijnkanaal zal een vergunning moeten worden aangevraagd bij Rijkswaterstaat en zal moeten worden aangetoond dat de werkzaamheden geen invloed hebben op de waterveiligheid. Voor het aanleggen van de kabelverbinding langs en onder de watergangen in beheer van het hoogheemraadschap geldt een Algemene Regel zonder meldplicht en de Zorgplicht. Voor eventuele bemalingen en lozingen moet wel een vergunning aangevraagd worden. Bij het verwijderen van masten, inclusief fundering, langs watergangen zal afstemming moeten worden gezocht met het waterschap voor eventuele aanvullende eisen. Bij het verwijderen van mast 27 langs het Amsterdam-Rijnkanaal moet een vergunning bij Rijkswaterstaat aangevraagd worden indien er wordt gegraven in de beschermingszone. Initiatiefnemer heeft expertise met het kruisen van watergangen. Vanwege het grote maatschappelijke belang wordt er tevens vanuit gegaan dat deze vergunningen ook verleend kunnen worden. Daarmee is het plan vanuit het aspect water uitvoerbaar.
blad 30 van 51
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Ondergrondse verkabeling Nieuwegein Gemeente Nieuwegein Projectnummer 0471703.411
4.3
Natuur Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland. Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied. Via het ruimtelijk spoor (provinciale omgevingsverordening) wordt het Natuurnetwerk Nederland (NNN) beschermd. Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten.
Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
4.3.1
Natuurtoets Planspecifiek Er is een Natuurtoets uitgevoerd. In het rapport 'Verkabeling 150kV-lijn Oudenrijn - station Nieuwegein (masten 17-30), d.d. 19 september 2023' zijn hiervan de resultaten beschreven. Dit onderzoek is bijgevoegd in bijlage 7. Onderstaand worden de conclusies beschreven. Conclusies: Beschermdegebieden Het projectgebied is niet gelegen in een NNN-gebied, de Groene contour, weidevogelkerngebieden, ganzenrustgebieden, waterparels, natuurparels of Natura 2000-gebied. Effecten door externe werking op deze gebieden kunnen uitgesloten worden of zijn vrijgesteld. Onderstaand wordt specifiek op deze gebieden ingegaan. Natura 2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, de ‘Uiterwaarden Lek’, is gelegen op ruim 9 kilometer ten zuiden van het projectgebied. Het volgend dichtstbijzijnd gelegen Natura 2000-gebied, de ‘Oostelijke Vechtplassen’ bevindt zich op circa 10 kilometer ten noorden van het projectgebied. Vanwege de afstand, de geringe omvang van het tracé, de korte duur van de werkzaamheden en tussenliggende afschermende elementen, zijn storingsfactoren als visuele verstoring of verstoring door geluid, licht, trillingen, verdroging of versnippering op deze en overige Natura 2000-gebieden uitgesloten. Negatieve effecten van verzuring en vermesting ten gevolge van stikstofdepositie via de lucht kunnen niet op
blad 31 van 51
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Ondergrondse verkabeling Nieuwegein Gemeente Nieuwegein Projectnummer 0471703.411
voorhand uitgesloten worden. Hiervoor is een stikstofberekening uitgevoerd waaruit gebleken is dat de stikstofuitstoot 0,00 mol/ha/jaar betreft (zie paragraaf 4.3.2). Significant negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden kunnen derhalve uitgesloten worden. Er zijn geen vervolgstappen voor Natura 2000-gebieden benodigd. NNN Het tracé kruist geen NNN-gebieden. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied bevindt zich op 1,6 kilometer van het projectgebied. Effecten van licht, geluid en trillingen zijn op deze afstand verwaarloosbaar. Het voornemen veroorzaakt geen barrièrewerking of andere vormen van fysieke verstoring. Effecten op de NNN-gebieden als gevolg van een toename van stikstof gedurende de aanlegfase van het project zijn niet uit te sluiten. Naar verwachting zijn de effecten echter niet significant, gezien het een relatief kleine en kortdurende ingreep betreft en gezien de afstand tot de NNN-gebieden en de reeds bestaande achtergronddepositie. Aantasting van de ecologische (wezenlijke) waarden en kenmerken van de NNN-gebieden als gevolg van de werkzaamheden kunnen worden uitgesloten. Groene contour, weidevogelkerngebieden, ganzenrustgebieden, waterparels of natuurparels Het tracé is niet gelegen binnen de groene contour, weidevogelkerngebieden, ganzenrustgebieden, waterparels of natuurparels.
De afstand tussen deze gebieden en het projectgebied bedraagt 1,8 tot 7 kilometer. Vanwege de afstand, de geringe omvang van het tracé, de korte duur van de werkzaamheden en tussenliggende afschermende elementen, zijn storingsfactoren als visuele verstoring of verstoring door geluid, licht, trillingen, verdroging of versnippering uitgesloten. Het regime ter bescherming van het deze gebieden in de provincie Utrecht kent geen externe werking. Effecten als gevolg van het project kunnen worden uitgesloten. Tabel 4.1: Overzicht conclusies en vervolgstappen gebiedsbescherming. Natura 2000
NNN
Overig
Aanwezig binnen de invloedssfeer?
Nee
Nee
Nee
Effecten?
Nee
Nee
Nee
Vereiste Ja vervolgstappen aan de orde?
Nee
Nee
Is het plan uitvoerbaar Ja in het kader van de gebiedsbescherming?
Ja
Ja
Conclusies: Beschermdesoorten Uit de bureaustudie in combinatie met het terreinbezoek is gebleken, dat (leefgebied van) de volgende in het kader van de Wet natuurbescherming beschermde soorten aanwezig zijn en/of mogelijk verwacht worden in het projectgebied: Jaarrond beschermde nesten huismus en gierzwaluw (mogelijk aanwezig in bebouwing); Jaarrond beschermde nesten diverse vogelsoorten (mogelijk aanwezig in bomen); Algemene broedvogels (geschikte nestplaatsen aanwezig); Vleermuizen (potentiële verblijfplaatsen aanwezig); Steenmarter (potentiële verblijfplaatsen aanwezig); Kleine marterachtigen (potentiële verblijfplaatsen aanwezig); Heikikker en poelkikker (potentieel voortplantings- en landhabitat aanwezig); Rugstreeppad (potentieel voortplantings- en landhabitat aanwezig, geschikt habitat kan ontstaan door werkzaamheden); Grote modderkruiper (potentieel habitat aanwezig); Platte schijfhoren (potentieel habitat aanwezig). blad 32 van 51
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Ondergrondse verkabeling Nieuwegein Gemeente Nieuwegein Projectnummer 0471703.411
Daarnaast is tussen mast 27 en Ravenswade (en langs de Ravenswade) een invasieve exoot aangetroffen, de Japanse duizendknoop. Gezien het tracé door verschillende typen biotoop loopt, is niet over het gehele tracé geschikt habitat voor die hierboven opgenoemde soorten aanwezig. Het tracé is derhalve opgedeeld in verschillende deelstukken op basis van het omliggende habitat. Hierbij zijn de locaties waar werkzaamheden bovengronds plaatsvinden, zoals het afbreken van de masten en de begin- en eindpunten van de HDD-boringen, met name relevant. Op locaties waar de HDD ondergronds loopt, worden geen negatieve effecten verwacht op mogelijk aanwezige soorten. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten en verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen, die middels de bureaustudie en het eerste veldbezoek niet uitgesloten konden worden, is middels een nader onderzoek onderzocht. De conclusies van het nadere onderzoek, en derhalve de soorten per gebied waarvoor maatregelen genomen moeten worden, zijn in de onderstaande tekst verwerkt: A.
Mast 17: Algemene broedvogels (geschikte nestplaatsen aanwezig); Heikikker en poelkikker (potentieel voortplantings- en landhabitat aanwezig); Rugstreeppad (potentieel voortplantings- en landhabitat aanwezig, geschikt habitat kan ontstaan door werkzaamheden); Grote modderkruiper (potentieel habitat aanwezig); Platte schijfhoren (potentieel habitat aanwezig).
B.
Mast 18: Algemene broedvogels (geschikte nestplaatsen aanwezig); Vleermuizen (potentiële verblijfplaatsen aanwezig in omgeving, voorkomen lichtverstoring); Steenmarter (potentiële verblijfplaatsen aanwezig); Kleine marterachtigen (potentiële verblijfplaatsen aanwezig).
C. Mast 19 tot en met 24 en tussenliggende open ontgravingen en start- en eindpunten van HDD-boringen: Vleermuizen (potentiële verblijfplaatsen aanwezig in omgeving, voorkomen lichtverstoring); Algemene broedvogels (geschikte nestplaatsen aanwezig). D. Mast 25, Algemene broedvogels (geschikte nestplaatsen aanwezig); Vleermuizen (potentiële verblijfplaatsen aanwezig in omgeving, voorkomen lichtverstoring); Steenmarter (potentiële verblijfplaatsen aanwezig); Kleine marterachtigen (potentiële verblijfplaatsen aanwezig).
blad 33 van 51
E.
Open ontgraving tussen mast 25 en mast 26, bij mast 26: Vleermuizen (potentiële verblijfplaatsen aanwezig in omgeving, voorkomen lichtverstoring); Algemene broedvogels (geschikte nestplaatsen aanwezig).
F.
Mast 27 en (potentiële) open ontgraving door groenstrook: Vleermuizen (potentiële verblijfplaatsen aanwezig in omgeving, voorkomen lichtverstoring); Algemene broedvogels (geschikte nestplaatsen aanwezig); Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Ondergrondse verkabeling Nieuwegein Gemeente Nieuwegein Projectnummer 0471703.411
Steenmarter (potentiële verblijfplaatsen aanwezig in groenstrook); Japanse duizendknoop (groeiplaatsen van invasieve exoot). G. Mast 28 en mast 29: Vleermuizen (potentiële verblijfplaatsen aanwezig in omgeving, voorkomen lichtverstoring); Algemene broedvogels (geschikte nestplaatsen aanwezig). Japanse duizendknoop (groeiplaatsen van invasieve exoot langs Ravenswade). H. Mast 30: Vleermuizen (potentiële verblijfplaatsen aanwezig in omgeving, voorkomen lichtverstoring); Algemene broedvogels (geschikte nestplaatsen aanwezig). In onderstaande tabel 2 is aangegeven welke gevolgen de aanwezigheid van (het leefgebied van) deze soorten heeft voor het voorliggende plan. Aangegeven is of een nader onderzoek nodig is, of er sprake is van een overtreding van de Wet natuurbescherming, of dit middels maatregelen voorkomen kan worden en of bij de uitvoering van het plan een ontheffing nodig is. In Hoofdstuk 5 van de Natuurtoets in bijlage 7 staat de onderbouwing voor de gegeven conclusies. In tabel 4.3 wordt beschreven in welke periode deze onderzoeken het beste uitgevoerd kunnen worden. Tabel 4.2. Overzicht conclusies en vervolgstappen soortbescherming.
blad 34 van 51
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Ondergrondse verkabeling Nieuwegein Gemeente Nieuwegein Projectnummer 0471703.411
Tabel 4.3. Overzicht meest gunstige periode voor het uitvoeren van de werkzaamheden en periode van (eventuele) nadere onderzoeken.
blad 35 van 51
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Ondergrondse verkabeling Nieuwegein Gemeente Nieuwegein Projectnummer 0471703.411
Conclusies: Utrechtse soortenlijst In en nabij het projectgebied kunnen diverse soorten van de Utrechtse soortenlijst aanwezig zijn (betrekking op gebied nabij mast 17, Gemeente Utrecht). De soorten van de lijst genieten geen aanvullende bescherming, maar vallen wel onder de zorgplicht. De lijst betreft een indicatie van bijzondere soorten die in de omgeving voor kunnen komen. In tabel 4.4. is aangegeven welke soorten mogelijk voorkomen rond het projectgebied en de geadviseerde zorgplichtmaatregelen. Tabel 4.4 Overzicht van mogelijk aanwezige soorten van de Utrechtse soortenlijst en de geadviseerde zorgplichtmaatregelen.
De realisatiefase is voorzien over enkele jaren omdat de werkzaamheden ook in de Gemeente Utrecht plaatsvinden. Hier is de engineering nog niet zo ver om ook een planologische procedure te kunnen starten. Uit de uitgevoerde Natuurtoets blijkt dat er weliswaar beschermde soorten aanwezig (kunnen) zijn maar dat met werken in een specifieke periode en werken volgens een vastgesteld werkprotocol voorkomen kan worden dat er specifieke ontheffingen nodig zijn. Mocht er toch ontheffing nodig zijn dan wordt vanwege het maatschappelijk belang van de energievoorziening er vanuit gegaan dat deze uiteindelijk verkregen kan worden. Voordat de werkzaamheden plaatsvinden zal er een ecologisch werkprotocol opgesteld worden en ter goedkeuring worden aangeboden aan de gemeente. In het jaar voorafgaand aan de werkzaamheden zal er opnieuw onderzoek gedaan worden en op dat moment eventueel de ontheffingen aangevraagd worden. Daarmee is dit bestemmingsplan uitvoerbaar.
blad 36 van 51
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Ondergrondse verkabeling Nieuwegein Gemeente Nieuwegein Projectnummer 0471703.411
4.3.2
Stikstofdepositie Er is door Antea Group een stikstofdepositieberekening uitgevoerd met behulp van de AERIUS Calculator die in juni 2023 beschikbaar was. In het rapport 'Verkabeling 150 kV-lijn Oudenrijn - Nieuwegein (masten 17-30)' d.d. 19-09-2023 zijn hiervan de resultaten beschreven. Dit rapport is opgenomen als bijlage 8. Uit de AERIUS-berekening volgt dat er geen sprake is van een bijdrage in de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De invoer en het resultaat van de berekening zijn vastgelegd in een pdf-bestand met AERIUS-kenmerk RhmNM4STdBSJ, welke is opgenomen in bijlage 1 van deze rapportage uit bijlage 8 bij deze toelichting. Gevolgen voor het bestemmingsplan Aangezien er geen sprake is van een toename in de stikstofdepositie op (bijna) overbelaste hexagonen, kunnen significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie worden uitgesloten. Daarmee is er geen sprake van een vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming voor het aspect stikstofdepositie.
4.4
Verkeer Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van het plan op de verkeersstructuur en het parkeren. Er worden geen ontwikkelingen toegelaten die leiden tot een substantiële toename van het verkeer of parkeren. Doordat de ondergrondse kabel wordt gerealiseerd door, met name, gestuurde boringen heeft dit geen impact op parkeercapaciteit of verkeersstructuur. Het aantal verkeersbewegingen in de aanlegfase is beperkt. Ten aanzien van het aspect verkeer worden geen belangrijk nadelige gevolgen voor de omgeving of het milieu verwacht.
4.5
Cultuurhistorie en archeologie In een bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie. Cultuurhistorie Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Archeologie De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden.
Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.
blad 37 van 51
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Ondergrondse verkabeling Nieuwegein Gemeente Nieuwegein Projectnummer 0471703.411
Op basis van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.
4.5.1
Cultuurhistorie Planspecifiek Cultuurhistorie Cultuurhistorie kan worden gedefinieerd als: "Sporen, objecten en patronen/structuren die zichtbaar of niet zichtbaar, onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie en ontwikkeling" (Nota Belvedère, 1999). Cultuurhistorische waarden zijn daarom verbonden aan landschappelijke kwaliteiten, archeologie en bouwkundige monumenten. In het plangebied bevinden zich geen bouwkundige monumenten. De gemeente Nieuwegein heeft een cultuuhistorische waardenkaart vastgesteld met daarin beschreven de kenmerkende waarden van de diverse gebieden in Nieuwegein.
Figuur 4.2: fragment cultuurhistorische waarden nabij het nieuwe trace (rood) zoals opgenomen in de cultuurhistorische waardenkaart. Er zijn een aantal gebieden aangewezen in de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente die als waardevol te beschouwen zijn. Ze liggen met name ten westen van het Amsterdam Rijnkanaal. Het zijn de volgende gebieden: Ontginningsas Reinesteijnseweg & Copeontginninglandschap langs Reinesteijnseweg; In het ontwerp van de woonwijk Galecop zijn enkele historische structuren opgenomen. Dit zijn onder andere de ontginningsassen Reinesteijnseweg langs de westflank, en de Galecopperdijk, die dwars door de nieuwe wijk loopt. Langs de Reinesteijnseweg zijn elementen van de oude verkavelingsstructuren en de agrarische lintbebouwing herkenbaar gebleven. Galecopperdijk; Centraal in dit gebied werd van noord naar zuid een wetering gegraven, met daarlangs een kade, de huidige Galecopperdijk. Dit werd de ontginningsbasis van de cope. Vanaf deze wetering werden naar beiden kanten lange rechte sloten gegraven tot aan de achterkades, om zo het gebied te ontwateren. De sloten verdeelden het gebied in lange strookvormige percelen. Langs de ontginningsbasis werden de boerderijen gebouwd. Copeontginning in Huis de Geer; De wijk Zuilenstein is gebouwd op de middeleeuwse copeontginning Jutphaas.
Het zuiden van het plangebied ligt op de oost-west gerichte ontginningsas van de, de Jutphase wetering met daarlangs Nedereindseweg. Loodrecht daarop werden sloten gegraven die het gebied in strook-vormige percelen verdeelden. Deze middeleeuwse structuur bleef in grote lijnen bewaard tot de verstedelijking. Merwedekanaal; blad 38 van 51
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Ondergrondse verkabeling Nieuwegein Gemeente Nieuwegein Projectnummer 0471703.411
Een belangrijke impuls voor de nederzettingsontwikkeling van Nieuwegein was aan het einde van de 19e eeuw de aanleg van het Merwedekanaal (1882-1892), de verbeterde waterverbinding tussen de Rijn en Amsterdam. Westelijk van het Merwedekanaal is het lint nu zowel aan de noord- als aan de zuidzijde omgeven door nieuwe woonwijken. Het lint zelf is echter nog gaaf, en heeft zijn dorpse karakter weten te behouden. De kenmerkende hoek tussen percelen en bebouwing enerzijds en de Nedereindseweg anderzijds is plaatselijk nog zichtbaar. Amsterdam Rijnkanaal. Het gebied aan de oostkant bij het Amsterdam Rijnkanaal maakt onderdeel uit van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. De Nieuwe Hollandse Waterlinie is een 85 kilometer lange verdedigingslinie tussen de voormalige Zuiderzee en de Biesbosch. De aanleg startte in het begin van de negentiende eeuw, met als doel het economisch hart van Nederland te beschermen tegen aanvallen uit het oosten. De Nieuwe Hollandse Waterlinie bestaat uit een hoofdweerstandslijn (achterste begrenzing), verdedigingswerken, sluizen / kanalen / keerkaden en een open inundatiegebied (het gebied dat onder water kon worden gezet). De inundatiegebieden vormden het hoofdbestanddeel van de verdediging. Op plaatsen waar inundatie niet mogelijk was, of op plaatsen waar wegen de linie doorkruisten, bouwde men forten.
Omstreeks 1870 kreeg de oostzijde van de stad Utrecht een tweede ring van grote forten. Tijdens de mobilisaties van 1914 - 1918 en van 1939 1940 werd de linie versterkt met tussenstellingen bestaande uit series kazematten en groepsschuilplaatsen. In 1951 werd de linie opgeheven. De voormalige schootsvelden rondom de forten zijn vaak nog onbebouwd en hebben weinig opgaande begroeiing (de ‘verboden kringen’ rond de forten kenden strenge bouwbeperkingen). De openheid van de voormalige inundatiegebieden versterkt de beleving van de linie. In dit gebied staat nu al een mast en die zal vervangen worden. Dit tast de kenmerken van dit culturhistorisch waardevol gebied niet aan. Langs het tracé bevinden zich ook enkele gebouwen die op de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart van Nieuwegein zijn aangewezen als historische bebouwing. Gezien het grootste deel van de werkzaamheden middels een gestuurde boring plaatsvinden is er geen verwachting dat cultuurhistorische waarden worden aangetast. Dit heeft dan ook geen significant negatief effect op de cultuurhistorische waarden in het gebied. Het verkabelen draagt juist bij aan de belevingswaarde van het cultuurhistorische landschap.
Figuur 4.3: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart gemeente Nieuwegein en indicatieve ligging te verkabelen tracé (Bron: gemeente Nieuwegein).
blad 39 van 51
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Ondergrondse verkabeling Nieuwegein Gemeente Nieuwegein Projectnummer 0471703.411
Conclusie cultuurhistorie Het ondergronds brengen van de kabelverbinding door dit deel van Nieuwegein zal bovenstaand beschreven gebieden kunnen versterken. De huidige beeldbepalende masten verdwijnen en de gehele kabelverbinding komt ondergronds te liggen waardoor er, ten opzichte van de huidige situatie, dus minder sprake is van aantasting van historische structuren en elementen. Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn de plannen dan ook passend.
4.5.2
Archeologie (bureauonderzoek) Ten aanzien van het aspect archeologie is een bureauonderzoek uitgevoerd. In het rapport 'Verkabelen 150kV lijn Oudenrijn-Nieuwegein (gemeente Utrecht en Nieuwegein, d.d. 19-09-2023' zijn hiervan de resultaten beschreven. Dit rapport is als bijlage 4 opgenomen bij deze toelichting. Dit bureauonderzoek heeft betrekking op het verkabelen van ‘150 kV-verbinding Utrecht Lage Weide - Oudenrijn – Nieuwegein’, tussen mast 17 en het 150 kV-station Nieuwegein nabij mast- 30 (Afbeelding 1, Afbeelding 2 en de overzichtskaart in de Kaartbijlage). Nieuwegein ligt in de archeoregio Utrechts-Gelders rivierengebied. Het westen van het plangebied bij mast 17 (met het werkterrein en open ontgraving 1), mast 18, mast 19, en open ontgraving 2, ligt op de Blokstroomgordel die actief was tussen 3795 en 3000 BP (Before Present). De bovenkant van de stroomgordel ligt op ca. -0,1 tot -0,6 m NAP; ter plaatse van het westelijke gedeelte van het tracé is dit ca. 0,5 tot 1,4 m beneden maaiveld. Op basis van de datering van de Blokstroomgordel, de gemeentelijke verwachtingskaarten en van geregistreerde archeologische vondsten, geldt er voor dit gedeelte van het plangebied een middelhoge archeologische verwachting voor de periode midden-neolithicum tot en met de late bronstijd en een hoge archeologische verwachting voor de periode de ijzertijd tot en met de Romeinse tijd.
Eventueel aanwezige archeologische resten kunnen direct onder de bouwvoor tot ca. 1,4 m beneden maaiveld worden verwacht, op de oevers van de restgeul van de Blok. Verder geldt er voor de zone tussen mast 21 en 22 volgens de gemeentelijke verwachtingskaart een hoge archeologische verwachting voor de periode vanaf de middeleeuwen, omdat de Galecopperdijk een ontginningsas was en deze mastlocaties daar in de buurt liggen. Voor mast 23 en 24 geldt op basis van eerder uitgevoerde archeologische onderzoeken een middelhoge tot hoge archeologische verwachting voor de periode tussen de ijzertijd tot en met de nieuwe tijd, wat samenhangt met de aanwezigheid van de Jutphaas stroomgordel. Daarnaast geldt er voor mast 23 en 24 volgens de gemeentelijke verwachtingskaart een middelhoge archeologische verwachting voor crashlocaties uit de Tweede Wereldoorlog. Voor mast 29 geldt een hoge archeologische verwachting voor bewoningssporen uit alle perioden, maar met name voor de late ijzertijd tot en met de late middeleeuwen. Deze mast staat binnen AMK-terrein 5627 en ligt in de buurt van de Jutphaas stroomgordel. Het oorspronkelijke maaiveld is in de buurt van mast 29 mogelijk afgegraven ten behoeve van de baksteenindustrie. De rest van het plangebied ligt in rivierkommen. Binnen de te verwachte diepte waar grondroerende werkzaamheden gaan plaatsvinden (ca.
0,8-1,5 m) geldt op basis van bestaande geologische boringen in DINOloket en de archeologische verwachtingskaart van gemeente Nieuwegein een lage archeologische verwachting voor alle archeologische periodes. Het onderste potentiële archeologische niveau in de bodem betreft de top van het pleistocene dekzand, dat in het onderzoeksgebied op ca. 3-9 m beneden maaiveld ligt en dat bij de werkzaamheden niet geroerd zal worden. Advies
blad 40 van 51
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Ondergrondse verkabeling Nieuwegein Gemeente Nieuwegein Projectnummer 0471703.411
Bij mast 17 (het werkterrein en open ontgraving 1) en open ontgraving 2 wordt er vanwege de (middel)hoge archeologische verwachting een archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase, geadviseerd omdat er bodemroerende werkzaamheden gaan plaatsvinden (Afbeelding 12). Indien bij het verkennend booronderzoek intacte archeologische lagen worden aangetroffen, wordt er over gegaan in een karterend booronderzoek. Uit eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek (uit het jaar 1993) blijkt dat er veel indicaties waren voor de aanwezigheid van nederzettingen uit de ijzertijd-Romeinse tijd, gelegen op stroomgordels. Met een verkennend booronderzoek wordt dan in eerste instantie bepaald of de bodem (met archeologische lagen) nog steeds intact is. Indien hoogspanningsmasten 18-26 worden verwijderd, dan wordt er bij mast 18-19, 21-24 en 29 vanwege de (middel)hoge archeologische verwachting een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase, geadviseerd. Het is onbekend of er bij het verwijderend van deze masten daadwerkelijk eventueel aanwezige archeologische resten verstoord kunnen worden, vandaar dat er wel een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) wordt geadviseerd. Verder wordt er geadviseerd om de rest van het plangebied tot 2,5 m beneden maaiveld vrij te geven.
Binnen 2,5 m beneden maaiveld geldt er voor deze locaties een lage archeologische verwachting. Dieper dan 2,5 m beneden maaiveld (maar waarschijnlijk dieper) kan de top van het pleistocene dekzand voorkomen, waarvoor een archeologische verwachting geldt voor de periode tussen het midden neolithicum en de late bronstijd. Een IVO-O is erop gericht om de archeologische verwachting te toetsen aan de hand van de bodemopbouw en de aanwezigheid van archeologische lagen. Bij de verkennende fase wordt geadviseerd om een boordichtheid van 40x50 m te hanteren. Gezien de breedte van de stroomgordel wordt verwacht dat deze boordichtheid voldoende is. Ter plaatse van de eventueel te onderzoeken mastlocaties 17-19,21-24 en 29 wordt geadviseerd om drie boringen per mastlocatie uit te voeren, die 30 cm dieper reiken dan de te verwachten verstoringsdiepte. Bij een karterende fase wordt geadviseerd om een boordichtheid van 17x20 m te hanteren. Er moet wordt dan geboord met een edelmangrondboor met een diameter van 12 cm. Als waarnemingstechniek worden de boorkernen zo volledig mogelijk verbrokkeld of versneden (methode C31). Ter plaatse van het werkterrein bij mast 17 wordt er geadviseerd om een boordiepte van 2 m te hanteren.
Deze boordiepte reikt >50 cm dieper dan de voorgenomen bodemverstoringen, en is naar verwachting diep genoeg om de locatie en diepteligging van de Blokstroomgordel vast te stellen. Daarnaast wordt geadviseerd elke vijfde boring tot 3 m beneden maaiveld door te zetten, zodat de bodemopbouw van de diepere ondergrond kan worden vastgesteld.
4.5.3
Archeologie (veldonderzoek) Op basis van het bureauonderzoek (zie par 4.5.2) is door Antea Group een veldonderzoek uitgevoerd. In het rapport 'Antea Group Archeologie 2022/29, Inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen, Verkabelen 150kV lijn Oudenrijn - Nieuwegein (gemeente Utrecht en Nieuwegein), d.d. 19-09-2023' zijn hiervan de resultaten beschreven. Dit rapport is als bijlage 5 toegevoegd aan deze toelichting. Uit het eerder uitgevoerde archeologisch bureauonderzoek blijkt dat er een archeologische verwachting geldt voor Mast 17 (met het werkterrein en open ontgraving), Mast 18-Mast 19, open ontgraving 2, Mast 21-24 en 29. Bij de voorgenomen graaf- en grondroerende werkzaamheden ter plaatse van de open ontgravingen bij het cultuurtechnisch herstel en bij de te verwijderen hoogspanningsmasten kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. In het bureauonderzoek werd daarom voor deze locaties een IVO-O geadviseerd, waar het bevoegd gezag mee instemde.
blad 41 van 51
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Ondergrondse verkabeling Nieuwegein Gemeente Nieuwegein Projectnummer 0471703.411
Een IVO-O is erop gericht om de archeologische verwachting te toetsen zoals die in het archeologisch bureauonderzoek is vastgesteld, aan hand van de bodemopbouw en de aanwezigheid van archeologische lagen. Voorafgaand aan dit onderzoek is plan van aanpak (PvA) opgesteld dat is goedgekeurd door het bevoegd gezag. Het inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase (IVO-O) is de tweede stap binnen de Archeologische Monumentenzorg (AMZ, Bijlage 2). Resultaten In het westen van het plangebied bij Mast 17 (met het werkterrein en open ontgraving 1), Mast 18, Mast 19 en bij open ontgraving 2 (gelegen op de Blokstroomgordel; boring 4-5, 102-104, 201, 204, 206 en 210) zijn direct onder de recente bouwvoor intacte archeologische lagen aangetroffen in de vorm van een donker blauwgrijze/bruinbeige oude bouwvoor (al dan niet met vegetatielagen direct eronder). Deze archeologische lagen bevinden zich tussen ca. 0,35 en -0,3 m NAP; 0,15 tot 0,45 m beneden maaiveld. Er geldt een hoge archeologische verwachting voor resten uit de late ijzertijd tot en met de Romeinse tijd. Daarnaast is een andere archeologische relevante laag de vegetatiehorizont bij boorpunt 4 (Mast 18), die aangetroffen werd tussen ca. -0,6 en -0,75 m NAP (ca. 105 cm beneden maaiveld).
De middelhoge archeologische verwachting voor de periode midden-neolithicum tot en met de late bronstijd, en de hoge archeologische verwachting voor periode ijzertijd tot en met de Romeinse tijd kan worden gehandhaafd. Ook is in het westen van het tracé een archeologische relevante laag de zwakhumeuze laag bij boorpunt 202 (het werkterrein bij Mast 17), die aangetroffen werd tussen ca. -1 en -1,05 m NAP (ca. 1,4 en 1,45 m beneden maaiveld). De bodemeigenschappen en de diepteligging komen overeen met een nabijgelegen prehistorische vindplaats. In het midden van het plangebied bij Mast 21 en 22 (nabij de ontginningsas Galecopperdijk; boring 6, 107-109) werd er onder de recente ophooglaag en/of recente bouwvoor een intacte oudere bouwvoor aangetroffen van ca. 25-55 cm dik (tussen ca. -0,25 en -0,9 m NAP; 0,3 tot 0,7 m beneden maaiveld). Als er archeologische resten aanwezig zijn wordt verwacht dat deze samenhangen met agrarische activiteiten vanaf de middeleeuwen. In het oosten van het plangebied bij Mast 29 zijn direct onder de recente bouwvoor archeologische lagen aangetroffen in de vorm van een oude bouwvoor, gevlekte cultuurlagen en/of vegetatielagen.
Op basis van de zeefmonsters kunnen geen duidelijke conclusies worden getrokken over de ouderdom van de bemonsterde bodemlagen, omdat het aangetroffen materiaal (schelpen, metaalslakachtig materiaal, grind, houtskool en baksteenbrokjes) zowel Romeins als recent kunnen zijn. De ligging van het AMK-terrein (met sporen van bewoning uit de late ijzertijd tot en met de late middeleeuwen) hangt waarschijnlijk samen met de Jutphaas stroomgordel die vrij ondiep in de ondergrond voorkomt. De bovenkant van de stroomgordel, incl. de vegetatiehorizonten, ligt op ca. 0,7 tot 1 m beneden maaiveld (tussen ca. 0,85 en 0,4 m +NAP). Vanwege de aangetroffen vegetatielagen en de relatief ondiepe ligging van de Jutphaas stroomgordel in de ondergrond blijft de archeologische verwachting voor de late ijzertijd tot en met de late middeleeuwen bestaan. Bij de overige boorpunten, zo ook voor Mast 23 en 24 (in het oosten van het plangebied, gelegen nabij de Jutphaas stroomgordel) zijn geen relevante archeologische lagen aangetroffen.
Advies Bij Mast 17 (ter hoogte van boorpunt 201, 204 en 206) en bij open ontgraving 2 (boorpunt 210) wordt vanwege de hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de late ijzertijd tot en met de Romeinse tijd een verkennend proefsleuvenonderzoek geadviseerd (protocol 4003), indien er daadwerkelijk graafwerkzaamheden en/of cultuurtechnisch herstel gaat plaatsvinden (de omvang en ligging van het werkterrein staat nog niet vast). blad 42 van 51
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Ondergrondse verkabeling Nieuwegein Gemeente Nieuwegein Projectnummer 0471703.411
Het archeologische relevante niveau bevindt zicht direct onder de recente bouwvoor, ca. 15-30 cm beneden maaiveld (Tabel 4, Afbeelding 5, Afbeelding 6 van het onderzoek in bijlage 5). Bij Mast 18, 19, 21 en 29 wordt archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd indien de graaf- of grondroerende werkzaamheden gaan plaatsvinden binnen een straal groter dan 0,5 m rondom de fundaties/poeren van de mast (Tabel 4, Afbeelding 5, Afbeelding 6). Gezien de aard van de voorgenomen werkzaamheden, het verwijderen van masten, wordt geadviseerd om dit te doen onder archeologische begeleiding (de te verwachten verstoringsdiepte is ca. 2,5 m beneden maaiveld). De rest van het plangebied wordt geadviseerd om vrij te geven: Bij boorpunt 202 binnen het werkterrein bij Mast 17, als het cultuurtechnisch herstel (of eventueel andere grondroerende werkzaamheden) gaat plaatsvinden tot ca. 0,9 m beneden maaiveld. Het archeologische relevante niveau ligt op ca. 1,4 m beneden maaiveld. Mast 22 omdat bij twee van de drie boringen, en dus waarschijnlijk binnen het grootste gedeelte bij deze mastlocatie, het bodemprofiel was vergraven waardoor er geen intacte bouwvoor aanwezig was. Binnen het grootste gedeelte van deze mastlocatie worden er dus geen archeologische relevante lagen verwacht. Mast 23 en 24 vanwege het ontbreken van archeologische relevante lagen.
Gevolgen voor het bestemmingsplan In het bestemmingsplan zijn twee dubbelbestemmingen voor archeologie opgenomen. De dubbelbestemming Waarde-archeologie 1 heeft betrekking op het gebied bij de open ontgraving 2. Hier mag alleen gewerkt worden nadat er proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd. Rondom mast 18,19, 21 en 29 is de dubbelbestemming Waarde - Archeologie - 2 toegekend waarin met een verbodsbepaling opgenomen is dat er geen grondwerkzaamheden mogen plaatsvinden zonder archeologische begeleiding. De realisatie van de ondergrondse 150kV kabelverbinding is daarmee vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie passend en uitvoerbaar omdat bij het aantreffen van archeologische resten passende maatregelen (opgraven/vastleggen van vondsten) genomen kunnen en moeten worden.
4.6
Gezondheid Magneetvelden Overal waar stroom doorheen loopt ontstaat een magnetisch veld. Zo ook rond hoogspanningsverbindingen. Er is geen sprake van wettelijke limieten voor blootstelling aan deze magnetische velden, maar er is wel sprake van Europees en nationaal beleid. Ook is er uitgebreid wetenschappelijk onderzoek gedaan of er gezondheidseffecten bij mensen te verwachten zijn door blootstelling aan laagfrequente magneetvelden zoals die bij hoogspanningsverbindingen voor komen. Op basis van dit wetenschappelijk onderzoek zijn in internationaal verband blootstellingslimieten aanbevolen voor magneetvelden. Deze houden in dat blootstelling aan een magneetveldsterkte van meer dan 100 microtesla wordt afgeraden (Europese Richtlijn 1999/519/EC). De verzamelde wetenschappelijke gegevens wijzen daarnaast op het bestaan van een zwakke, maar statistisch significante associatie tussen het voorkomen van leukemie en langdurige nabijheid van bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Ondanks dat er geen aanwijzingen zijn voor een oorzakelijk verband is er sinds 2005 voorzorgbeleid voor bovengrondse hoogspanningsverbindingen geformuleerd door het Rijk. In april 2023 heeft de Minister voor Klimaat en Energie dat voorzorgbeleid herijkt (Kamerbrief voorzorgbeleid
blad 43 van 51
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Ondergrondse verkabeling Nieuwegein Gemeente Nieuwegein Projectnummer 0471703.411
voor magneetvelden bij elektriciteitsvoorzieningen, kenmerk: DGKE-DRE / 26746813, d.d. 21-04-2023). Het herijkte beleid is van toepassing op alle netcomponenten van het hoogspanningsnet (bovengrondse hoogspanningsverbindingen, ondergrondse hoogspanningskabels en hoogspanningsstations). De doelstelling van het voorzorgbeleid is om de blootstelling aan magneetvelden van alle netcomponenten, waar mogelijk en proportioneel, beperkt te houden. Dit wil de Minister bereiken door het nemen van proportionele bronmaatregelen bij de aanleg van nieuwe netcomponenten of het wijzigen van bestaande netcomponenten, waardoor de magneetvelden van deze netcomponenten zo klein mogelijk worden gehouden danwel worden verminderd. Voor bovengrondse verbindingen geldt daarnaast het advies om afstand te houden. Voor ondergrondse hoogspanningskabels en -stations geldt dit advies om afstand te houden niet en acht de Minister het voldoende om enkel de proportionele bronmaatregelen te treffen. Deze bronmaatregelen zijn opgenomen in bijlage 2 behorend bij het herijkte voorzorgbeleid (https://www.rivm.nl/documenten/bijlage-2-overzicht-proportionele-bronmaatregelen). TenneT volgt het beleidsadvies van de Minister en zal in dit project de in het advies opgenomen bronmaatregelen treffen. Deze bronmaatregel betreft het aanleggen van de kabels in een driehoekformatie.
Het (herijkte) voorzorgbeleid van het Rijk ziet op langdurige blootstelling. Voor alle netcomponenten geldt daarnaast te allen tijde de blootstellingslimiet van 100 microtesla conform de aanbeveling van de Europese Unie. Deze waarde wordt ook in Nederland gehanteerd. Op voor publiek toegankelijke plaatsen nabij hoogspanningsinfrastructuur van TenneT wordt deze limiet nergens overschreden. Ondergrondse verbindingen In het kader van bovenstaande heeft TenneT de magneetvelden voor ondergrondse 150 kV verbindingen (zoals de aan te leggen ondergrondse verbinding in Nieuwegein) onderzocht. Daarbij is de magneetveldsterkte van de kabelverbinding berekend. Uit de berekeningen blijkt dat wordt voldaan aan de aanbeveling voor de magneetveldsterkte van maximaal 100 µT uit de Europese Richtlijn 1999/519/EC. Conclusie is dan ook dat wordt voldaan aan de aanbevelingen op Europees en nationaal niveau voor wat betreft magneetvelden.
4.7
Kabels en leidingen Bij de aanleg van een ondergrondse 150kV kabelverbinding is het belangrijk te bezien of er andere ondergrondse infrastructuur aanwezig is in de vorm van kabels en leidingen die nadelig kunnen worden beïnvloed door de ondergrondse 150kV kabelverbinding . Het is ook mogelijk dat het functioneren van de ondergrondse 150kV kabelverbinding nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van kabels en leidingen. Bij de aanleg wordt ook rekening gehouden met kabels- en leidingverordening van de betrokken gemeenten. Kruisingen worden uitgevoerd door middel van een boring en vormen daarmee geen belemmering. Bij het kruisen van gasleidingen door middel van boringen wordt een afstand van 5 meter boven of onder de gasleiding aangehouden. Bij conventionele aanleg (open ontgraving) kan de afstand beperkt blijven tot 0,5 à 1 meter. De ondergrondse 150kV kabelverbinding kruist een leiding van defensie. Er heeft afstemming plaatsgevonden tussen de betrokken leidingenbeheerders. In de NEN norm 3654 zijn afstandsnormen en richtlijnen opgenomen voor gewenste afstanden tussen hoogspanningsverbindingen en andere kabels en leidingen. Daarnaast is een richtlijn opgenomen om te komen tot een ideale afstand. Hiermee dient rekening te worden gehouden bij aanleg en instandhouding van nieuwe verbindingen van TenneT.
Worden deze afstanden aangehouden dan is de noodzaak tot het treffen van maatregelen geminimaliseerd en kan de ongestoorde ligging beter worden geborgd.
blad 44 van 51
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Ondergrondse verkabeling Nieuwegein Gemeente Nieuwegein Projectnummer 0471703.411
4.8
Conventionele explosieven (CE) Er kunnen als gevolg van gevechtshandelingen conventionele explosieven (hierna CE) in het onderzoeksgebied zijn achtergebleven. Er ontstaat bij het spontaan aantreffen en beroeren van CE uit de Tweede Wereldoorlog mogelijk een verhoogd veiligheidsrisico. Onbedoelde detonaties kunnen bij de uitvoering van werkzaamheden in het ergste geval leiden tot dodelijk letsel en zware schade aan materieel en omgeving. Spontane CE vondsten kunnen resulteren in meerwerkkosten door stagnatie van de uitvoeringswerkzaamheden. Planspecifiek Er is door AVG Explosieven Opsporing NL een vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd. In het rapport '150kV lijn Oudenrijn - Nieuwegein, d.d. 19-10-2022' zijn hiervan de resultaten beschreven. Dit rapport is als bijlage 9 aan deze toelichting toegevoegd. Onderstaand worden de conclusies van het onderzoek beschreven. Op basis van de beoordeelde feiten van het vooronderzoek is geconcludeerd dat er indicaties zijn voor de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten, zie ook figuur 4.5.
De volgende aan ontplofbare oorlogsresten gerelateerde handelingen heeft in en nabij het onderzoeksgebied plaatsgevonden: De aanwezigheid van militaire infrastructuur De volgende ontplofbare oorlogsresten kunnen mogelijk in het onderzoeksgebied worden aangetroffen: Gedumpte/achtergelaten munitie De mogelijke oorlogsresten hebben alleen betrekking op de oostzijde van het plangebied. Daarbij ligt 1 locatie op de route van het noordelijke tracé. Indien in een later stadium deze route wordt gekozen voor de definitieve ligging van de verkabeling zullen vervolgstappen genomen moeten worden. Indien het middelste of zuidelijke tracé gekozen wordt zijn vervolgstappen niet vereist. De andere locatie betreft de groenstrook voor het hoogspanningsstation. Hier staat op het moment mast 30. Vervolgstappen zijn hier vereist.
blad 45 van 51
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Ondergrondse verkabeling Nieuwegein Gemeente Nieuwegein Projectnummer 0471703.411
Figuur 4.5: Mogelijke locaties conventionele explosieven De geadviseerde vervolgstappen zijn: 1. Verkleinen verdachte gebieden Voor de stellingen aan de noordoostzijde van het onderzoeksgebied (aan de huidige Laagraven), wordt het uitvoeren van een verdiepingsslag geadviseerd, daar deze locatie naoorlogs veel veranderd is. Hierbij moeten de volgende stappen genomen worden. In het rapport worden de te nemen stappen verder toegelicht. Verdiepingsslag Pragmatische Opsporingsanalyse Risicoanalyse 2. Opsporing ontplofbare oorlogsresten Voor de verdachte gebieden en de gebieden die niet konden worden gereduceerd met een risicoanalyse of POA wordt geadviseert om over te gaan op opsporing. Hierbij moeten de volgende stappen genomen worden. In het rapport worden de te nemen stappen verder toegelicht. opsporingsfase Detectieonderzoek Benaderen van objecten Detectieonderzoek waterbodem Conclusie De realisatie van de ondergrondse 150kV kabelverbinding is vanuit het aspect CE uitvoerbaar, mits vervolgonderzoek uitwijst, dat er geen belemmeringen zijn. Indien in een latere fase naar voren komt dat de resten verwijderd moeten worden, wordt dit opgepakt voor daadwerkelijke uitvoering. Ten aanzien van het aspect ontplofbare oorlogsresten (OO) dient er een verdiepingsslag gemaakt te worden en indien noodzakelijk over te gaan tot het opsporen van OO. Als deze blad 46 van 51
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Ondergrondse verkabeling Nieuwegein Gemeente Nieuwegein Projectnummer 0471703.411
stappen worden doorlopen zijn er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten. Als OO resten verwijderd moeten worden dan wordt dit tijdens de uitvoering volgende de daarvoor geldende regels en protocollen uitgevoerd.
4.9
Economische uitvoerbaarheid Grondexploitatiewet Op grond van artikel 6.12 Wro, lid 1 (afdeling 6.4 grondexploitatie) stelt de gemeenteraad bij de vaststelling van (onder meer) een bestemmingsplan een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen, indien het kostenverhaal niet op een andere wijze is verzekerd. Het moet gaan om een bouwplan, omdat de effectuering van het kostenverhaal op grond van het exploitatieplan altijd gekoppeld is aan de verlening van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. In het Besluit ruimtelijke ordening is aangegeven wat onder een bouwplan moet worden verstaan (Art. 6.2.1 Bro): de bouw van een of meer woningen; de bouw van een of meer hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met tenminste 1.000 m2 of met een of meer woningen; de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor kantoor- of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m2 (was 1.000 m2) bedraagt;' de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2.
Een exploitatieplan is niet vereist, indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld via gronduitgifte, precarioverordening of (exploitatie)overeenkomsten. Uiteraard is een exploitatieplan ook niet noodzakelijk, als realisering van het bouwplan geen kosten vergt van de overheid. Kosten van aanleg en instandhouding De kosten van de aanleg en instandhouding van een hoogspanningsverbinding worden voor het grootste deel gedragen door TenneT. De leveringszekerheid is een wettelijke taak van TenneT op grond van de Elektriciteitswet 1998. De gemeente zal ook 15% van de kosten voor haar rekening nemen. Indien nut en noodzaak van een project zijn aangetoond kan TenneT de investeringskosten doorberekenen in de tarieven voor transport van elektriciteit. Vestiging zakelijk recht Voor de aanleg en instandhouding van de 150kV-hoogspanningsverbinding moet TenneT gebruik kunnen (blijven) maken van een strook grond ter plaatse van de hoogspanningsverbinding. Deze strook (de zakelijk rechtstrook) is vastgesteld op basis van het benodigde ruimtebeslag voor aanleg en instandhouding. Daarbij is rekening gehouden met veiligheidseisen.