CConstaterende datNieuwegein
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-026 Ondergrondse verkabeling Nieuwegein_Bijlagen_Bijlage 7 Natuurtoets

Raadsvergadering 29 februari 2024, gemeente NieuwegeinBij agendapunt: Bestemmingsplan Ondergrondse verkabeling Nieuwegein23.460 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Vleermuizen gebruiken vliegroutes voor dagelijkse verplaatsingen tussen verblijfplaats en foerageergebieden en in het geval van migrerende soorten, voor de jaarlijkse trek van en naar de winterverblijven. Meestal maken vleermuizen langdurig gebruik van vaste routes die ze onthouden. Daarbij worden lijnvormige elementen zoals bomenrijen, dijken en watergangen gebruikt als vliegrouteondersteuning. Het onderbreken of verwijderen van deze elementen bij 23 van 76

Natuurtoets Verkabeling 150 kV-lijn Oudenrijn - 150 kV station Nieuwegein (masten 17-30) projectnummer 0471703.100 19 september 2023 revisie 05 TenneT TSO B.V.

een (potentiële) vliegroute kan een negatief effect hebben op de mogelijkheid van vleermuizen om hun doel te bereiken. Ten slotte kunnen vleermuizen een projectgebied gebruiken als foerageergebied. De vleermuizen komen via vaste routes naar het foerageergebied om daar in de buurt van bomen en water te jagen op vliegende insecten. Net zoals vaste vliegroutes die veelvuldig gebruikt worden, maken vleermuizen ook gebruik van vaste foerageergebieden. Het ongeschikt maken van een foerageergebied door bijvoorbeeld het kappen of verlichten van bomen of het dempen van waterpartijen, kan tot gevolg hebben dat vleermuizen geen toegang meer hebben tot voldoende voedsel. Verblijf- en rustplaatsen De bebouwing in de omgeving van het tracé kunnen verblijfplaatsen bevatten van verschillende soorten gebouwbewonende vleermuizen. Kraam-, zomer-, en paarverblijven van de gewone dwergvleermuis en laatvlieger en zomer- en paarverblijven van de ruige dwergvleermuis kunnen in de omgeving van het tracé niet worden uitgesloten. In de bomen in de directe nabijheid van de werkzaamheden zijn geen geschikte holtes aangetroffen, echter kan de aanwezigheid van holtes of geschikt loshangend schors niet worden uitgesloten omdat de bomen niet volledig inspecteerbaar waren op het moment van het veldbezoek.

De aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen kan derhalve tevens niet worden uitgesloten. Vliegrouteondersteuning De watergangen onder het bestaande tracé, het Amsterdam-Rijnkanaal en de bomenrij langs Pieter de Hooghhage kunnen dienen als vliegrouteondersteuning. Het Amsterdam-Rijnkanaal betreft waarschijnlijk een essentiële vliegroute; er zijn geen vergelijkbare grote watergangen aanwezig in de directe omgeving. Voor de overige watergangen en de bomenrij zijn voldoende alternatieven voorhanden in de vorm van gebouwen, andere groenstructuren en watergangen. Het Amsterdam-Rijnkanaal betreft derhalve de enige potentieel essentiële vliegroute. Foerageergebied Het volledige projectgebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. In de directe omgeving van het tracé zijn vergelijkbare watergangen, tuinen en bomenrijen aanwezig. Park Galecop betreft mogelijk essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Conform de huidige voorgenomen werkzaamheden worden slechts een klein deel van het park aangetast (circa 1800 vierkante meter). Gezien de omvang van het park (circa 76000 vierkante meter), blijft voldoende geschikt foerageergebied beschikbaar. Het aanwezige foerageergebied in het projectgebied wordt daarom niet aangemerkt als essentieel foerageergebied.

Binnen de verstoringszone van het projectgebied is mogelijk wel essentieel foerageergebied voor vleermuizen aanwezig. Mogelijke consequenties van de ingreep op vleermuisverblijfplaatsen en vliegroutes worden behandeld in hoofdstuk 5.2.2.

Overige zoogdieren Uit het bureauonderzoek is naar voren gekomen dat er binnen een straal van 2,5 kilometer tot het tracé diverse beschermde, niet vrijgestelde, zoogdieren zijn waargenomen. Het gaat om de boommarter, das, eekhoorn en de steenmarter. Ook kan op basis van aanwezige habitats en bekende verspreidingsgegevens de aanwezigheid van de bunzing, hermelijn en wezel niet worden uitgesloten. Andere beschermde zoogdieren worden op basis van bekende verspreidingsgegevens en aanwezige habitats wel uitgesloten.

24 van 76

Natuurtoets Verkabeling 150 kV-lijn Oudenrijn - 150 kV station Nieuwegein (masten 17-30) projectnummer 0471703.100 19 september 2023 revisie 05 TenneT TSO B.V.

Boommarter De boommarter is een soort van een bosrijke omgeving. Verblijfplaatsen van de soort bevinden zich vaak in oude spechten- en inrottingsholten van bomen. De boommarter kan echter ook verblijfplaatsen hebben onder takkenhopen. Rustplaatsen bevinden zich ook op andere plekken, zoals in konijnen- en vossenholen en tussen boomwortels (Zoogdiervereniging, 2021). Er is één waarneming bekend van een levende boommarter in een weiland nabij Fort bij ’t Hemeltje, ten oosten van de A27. Daarnaast zijn drie dode boommarters in de afgelopen vijf jaar aangetroffen bij de A12. Het projectgebied en de omliggende verstoringszone betreffen geen geschikt habitat voor de boommarter. De parken en bosschages zijn geïsoleerd en maken geen onderdeel uit van een bosrijke omgeving. De bomen in park Galecop betreffen voornamelijk jonge bomen die onvoldoende doorsnede hebben om geschikte holtes voor boommarters te vormen. Het park nabij de Utrechtsestraatweg heeft daarnaast niet het karakter van een bos. Het overige deel van het tracé bevindt zich tussen woonwijken of op een bedrijventerrein. Hier is tevens geen geschikt habitat aanwezig. De aanwezigheid van verblijfplaatsen of essentieel leefgebied van de boommarter in de omgeving van het tracé kan derhalve worden uitgesloten.

Das De das leeft bij voorkeur in kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosschages, heggen en houtwallen met voldoende rust (Zoogdiervereniging, 2021). Binnen het projectgebied en in de directe omgeving hiervan ontbreekt dit type habitat. Het projectgebied is onderhevig aan veel verstoring en geschikte landschapselementen ontbreken. Aanwezigheid van de das in of binnen de verstoringszone van het project wordt uitgesloten. Eekhoorn Eekhoorns komen voor in bosachtige biotopen. Ze leven in verschillende bostypen maar ook in tuinen, parken en houtwallen. Zolang er voldoende voedsel beschikbaar is komen ze ook voor in bebouwd gebied. (Zoogdiervereniging, 2021). De parken binnen het tracé beschikken over weinig oudere bomen. Er zijn slechts enkele bomen aanwezig met geschikt voedselaanbod voor de eekhoorn. De aanwezige bomen betreffen voornamelijk populieren, berken, wilgen en linden. De tuinen langs het tracé zijn tevens ongeschikt voor de eekhoorn. De tuinen zijn klein en bevatten geen grotere bomen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen of essentieel leefgebied van de eekhoorn in de omgeving van het tracé kan derhalve worden uitgesloten Steenmarter De steenmarter is een typische cultuurvolger. Binnen het territorium heeft de soort soms wel tientallen rustplaatsen. Rustplaatsen kunnen zich op veel plaatsen bevinden, zowel in bebouwd gebied als in het buitengebied.

Verblijfplaatsen of nesten bevinden zich bijvoorbeeld in holtes, takkenhopen of in openening tussen platen en stenen (Zoogdiervereniging, z.d.). Verblijfplaatsen bevinden zich vermoedelijk in de bebouwing liggende in de omgeving van het projectgebied. Gezien de steenmarter gewend is aan menselijke activiteiten, zullen de werkzaamheden geen significante verstoring veroorzaken op de vermoedelijke verblijfplaatsen in de tuinen. Mogelijk bevinden zich tevens verblijfplaatsen in park Galecop, het park nabij de Utrechtsestraatweg of bij de groenstrook bij mast 27 vanwege de aanwezigheid van dichte struwelen. Mogelijk kunnen hier tevens geschikte holen aanwezig zijn die als verblijfplaats worden benut. Indien de dichte vegetatie op deze locaties wordt aangetast, kan dit leiden tot het beschadigen of vernielen van een verblijfplaats.Verder gebruikt de steenmarter mogelijk delen van het projectgebied als foerageergebied. Vanwege de kleine omvang van het projectgebied en de grote hoeveelheid alternatief foerageergebied in de omgeving, is dit foerageergebied echter niet essentieel voor de steenmarter. Mogelijke consequenties van de ingreep op de steenmarter worden behandeld in hoofdstuk 5.2.3.

25 van 76

Natuurtoets Verkabeling 150 kV-lijn Oudenrijn - 150 kV station Nieuwegein (masten 17-30) projectnummer 0471703.100 19 september 2023 revisie 05 TenneT TSO B.V.

Bunzing, hermelijn en wezel De bunzing, hermelijn en wezel leven in allerlei habitats, van open plekken tot in bossen. Belangrijk is dat er voldoende dekking en schuilmogelijkheden aanwezig zijn en dat er voldoende prooidieren in de vorm van (woel)muizen te vinden zijn. Verblijfplaatsen bevinden zich op plaatsen met voldoende dekking, zoals in bosschages, takkenbulten en in holen van muizen, ratten, konijnen, mollen, dassen en vossen (Zoogdiervereniging, z.d.). Binnen het projectgebied is op verschillende locaties dichte onderbegroeiing aanwezig. In park Galecop betreft dit omgevallen bomen, dichte struiken en rietvegetatie. Tevens is het landschap hier zeer divers, binnen korte afstand zijn watergangen, bosschages, tuinen en grasstroken aanwezig. Dit type landschap is met name geschikt voor de bunzing. Langs de watergangen tussen de woonwijken bevinden zich rietstroken en enkele (bramen-) struiken, welke dekking kunnen bieden voor kleine marterachtigen. Echter worden de naastgelegen grasvelden intensief beheerd, waardoor dit geen geschikt foerageergebied betreft. Op deze locatie is ook veel menselijke activiteit, waaronder mensen met honden. De aanwezigheid van verblijfplaatsen in de vegetatie langs deze watergangen is derhalve onwaarschijnlijk. Nabij mast 25 zijn geschikte locaties voor verblijfplaatsen aanwezig in de vorm van dichte struiken en heggen.

Het omliggende park kenmerkt zich door een afwisseling van bomen, struiken, verruigde kruidenlaag en gemaaide stukken gras. Dit betreft geschikt leefgebied voor de kleine marterachtigen. Mogelijke consequenties van de ingreep op de kleine marterachtigen worden behandeld in hoofdstuk 5.2.3.

Amfibieën In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen bekend van de Alpenwatersalamander, heikikker, poelkikker en de rugstreeppad. In de omgeving van het projectgebied zijn geen andere beschermde, niet vrijgestelde amfibieënsoorten bekend. Overige niet vrijgestelde amfibieënsoorten worden op basis van bekende verspreidingsgegevens en aanwezige habitats uitgesloten. Alpenwatersalamander De Alpenwatersalamander is niet heel kieskeurig wat betreft voortplantingswater, zolang deze maar niet snelstromend of rijk aan vis is. Overwintering vindt met name plaats op vochtige plekken onder de dekking van (loof)bossen, struwelen, ruigtes of andere kleinschalige landschapselementen, maar sommige individuen blijven in de modder van de sloot overwinteren (RAVON, 2021). Waarnemingen van de Alpenwatersalamander zijn bekend nabij een watergang in een wijk in Nieuwegein, 2 kilometer ten zuiden van het tracé. De watergangen langs het tracé betreffen geen geschikt habitat voor de Alpenwatersalamander. De watergangen zijn rijk aan vis en bevatten nauwelijks geschikte watervegetatie. Mogelijk worden tuinvijvers in de wijdere omgeving van Nieuwegein wel gebruikt als voortplantingswater, maar geschikte vijvers ontbreken in de directe omgeving van het projectgebied. Effecten op de Alpenwatersalamander als gevolg van de werkzaamheden kunnen worden uitgesloten.

Heikikker De heikikker leeft voornamelijk in vochtige gebieden zoals laagvenen, moerassen en veenweidegebieden, maar ook in bijvoorbeeld heidegebieden. Als voortplantingswater kunnen poelen, vennen en smalle slootjes gebruikt worden, waarbij de heikikker voornamelijk in voedselarme, zure wateren voorkomt (BIJ12, 2017; RAVON, 2021). De waarnemingen van de heikikker uit de bureaustudie zijn allen afkomstig uit de weilanden ten westen van de A2 of ten oosten van het Lekkanaal. Het uitvoeren van werkzaamheden bij mast 17 kan mogelijk effect hebben op de heikikker. Binnen de rest van het projectgebied is geen geschikt voortplantingswater voor de heikikker aanwezig, waardoor de aanwezigheid van de soort op 26 van 76

Natuurtoets Verkabeling 150 kV-lijn Oudenrijn - 150 kV station Nieuwegein (masten 17-30) projectnummer 0471703.100 19 september 2023 revisie 05 TenneT TSO B.V.

deze locaties uitgesloten kan worden. De aanwezige watergangen op deze locaties zijn breed en zijn rijk aan vis. Aanwezigheid van de heikikker kan op deze locaties worden uitgesloten Mogelijke consequenties van de ingreep op de heikikker worden behandeld in hoofdstuk 5.2.4. Poelkikker De poelkikker komt voor in schone, stilstaande, vrij voedselarme wateren zoals vennen, poelen en watergangen in hoogveengebieden, uiterwaarden, agrarisch gebied en laagveen. Niet alleen tijdens de voortplanting, maar een groot deel van het zomerhalfjaar is de poelkikker in en om het water te vinden. De soort overwintert meestal op het land, bijvoorbeeld ingegraven in de grond, in muizenholletjes, onder stronken of in dammetjes waar puin aanwezig is (BIJ12, 2017; RAVON, z.d.). De waarnemingen van de poelkikker zijn afkomstig uit de noordelijke punt van de strook land tussen het Lekkanaal en het Amsterdam-Rijnkanaal. In of binnen de verstoringszone van het project is de poelkikker niet waargenomen. Er is geschikt biotoop voor de poelkikker aanwezig nabij mast 17. Het uitvoeren van werkzaamheden bij mast 17 kan mogelijk effect hebben op de poelkikker. De aanwezige watergangen binnen het overige deel van het projectgebied zijn niet geschikt als voortplantingshabitat voor de poelkikker, waardoor de aanwezigheid van de soort op deze locaties uitgesloten kan worden.

De watergangen zijn groot en hebben een hoge visstand. Aanwezigheid van de poelkikker kan op deze locaties worden uitgesloten. Mogelijke consequenties van de ingreep op de poelkikker worden behandeld in hoofdstuk 5.2.4. Rugstreeppad De rugstreeppad is vaak te vinden in gebieden met een hoge dynamiek. Deze dynamiek kan ook door menselijke activiteiten veroorzaakt zijn. Hierbij kan gedacht worden aan gebieden met bouwterreinen, groeven, zand- en kleiafgravingen, rivierduinen en uiterwaarden. De soort plant zich voort in watergangen of poelen van klein formaat die onder invloed van de zon snel opwarmen. Voor de overwintering graaft de rugstreeppad zich meestal in, maar de soort kan ook overwinteren onder allerlei materialen zoals stenen en afval. De rugstreeppad is een echte pionier met een groot dispersievermogen en kan snel nieuwe gebieden koloniseren. Juveniele exemplaren kunnen tot wel vijf kilometer afleggen. Barrières worden daarbij gevormd door bijvoorbeeld wegen of beschoeide watergangen (BIJ12, 2017; RAVON, z.d.). Er zijn waarnemingen van individuen bekend in de woonwijken ten zuiden van het projectgebied en in de weilanden ten zuidwesten van het projectgebied. Het habitat nabij mast 17 is vergelijkbaar met de habitat ten zuidwesten van het projectgebied. De aanwezigheid van de rugstreeppad kan derhalve niet worden uitgesloten.

Het uitvoeren van werkzaamheden bij mast 17 kan mogelijk effect hebben op de rugstreeppad. Binnen het overige deel van het projectgebied ontbreken geschikte voortplantingslocatie, waardoor de aanwezigheid van de soort op deze locaties uitgesloten kan worden. De watergangen zijn groot en hebben een hoge visstand. Daarnaast zijn de bermen en oevers door de aanwezigheid van een dichte grasvegetatie slecht vergraafbaar. Aanwezigheid van de rugstreeppad binnen het projectgebied kan op deze locaties worden uitgesloten. De rugstreeppad is echter een pionierssoort die zich snel kan vestigen op nieuwe geschikte locaties. Het is mogelijk dat er door de werkzaamheden geschikt habitat ontstaat: 1. Nieuw geschikt habitat bestaat in het voorjaar en de zomer uit regenplassen of andersoortig klein stilstaand water, wat gebruikt kan worden voor voortplanting. 2. Nieuw geschikt habitat bestaat in de zomer en het najaar uit vergraven zandhopen, welke gebruikt kunnen worden voor overwintering. Mogelijke consequenties van de ingreep op de rugstreeppad worden behandeld in hoofdstuk 5.2.4. 27 van 76

Natuurtoets Verkabeling 150 kV-lijn Oudenrijn - 150 kV station Nieuwegein (masten 17-30) projectnummer 0471703.100 19 september 2023 revisie 05 TenneT TSO B.V.

Vissen In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen bekend van de grote modderkruiper. In de omgeving van het projectgebied zijn geen andere beschermde, niet vrijgestelde vissen bekend. Overige niet vrijgestelde vissoorten worden op basis van bekende verspreidingsgegevens en aanwezige habitatten uitgesloten. Grote modderkruiper De grote modderkruiper komt voor in ondiepe wateren met een goed ontwikkelde onderwateren oevervegetatie en een dikke modderlaag. Extensief beheerde landbouwsloten, moerassen, laagveengebieden en overstromingsgebieden van beken en rivieren vormen een geschikt habitat (RAVON, 2021). De sloten nabij mast 17 zijn mogelijk geschikt voor de grote modderkruiper. De sloten zijn smal, vrij ondiep, hebben oevervegetatie en staan in verbinding met andere sloten. Indien de sloten of oevers worden aangetast kunnen effecten op de grote modderkruiper optreden. De overige watergangen binnen het projectgebied zijn niet geschikt. De watergangen zijn breed, bevatten weinig beschutting of zijn niet verbonden met andere watergangen. Mogelijke consequenties van de ingreep op de grote modderkruiper worden behandeld in hoofdstuk 5.2.5.

Insecten In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen bekend van de grote vos en de grote weerschijnvlinder. In de omgeving van het projectgebied zijn geen andere beschermde, niet vrijgestelde insecten bekend. Overige niet vrijgestelde insectensoorten worden op basis van bekende verspreidingsgegevens en aanwezige habitatten uitgesloten. Grote vos De grote vos leeft met name in vochtige open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. De vlinder overwintert in holle bomen of stapels hout. De eitjes worden door het vrouwtje afgezet op de bovenste takken van hoge, vrijstaande bomen. De waardplanten van deze soort zijn onder andere iep, zoete kers en enkele wilgensoorten (Vlinderstichting, z.d.). De grote vos is een soort die over grote afstanden kan zwerven en in toenemende mate in Nederland wordt gezien. Grotendeels gaat het daarbij om zwervende dieren, maar sinds kort is op enkele locaties na lange tijd ook weer voortplanting vastgesteld. Binnen het plangebied zijn geen grote vrijstaande waardbomen aanwezig. De wilgenbomen in park Galecop bevinden zich in een bosachtige omgeving met dichte begroeiing, waardoor deze geen geschikte waardbomen betreffen. In het overige deel van het projectgebied zijn noch geschikte waardbomen, noch overwinteringslocaties aanwezig, waarmee de aanwezigheid van de grote vos uitgesloten wordt.

Grote weerschijnvlinder De grote weerschijnvlinder leeft in open plekken in bossen, zoals langs bospaden en bosranden. Als waardplant worden boswilg en grauwe wilg gebruikt, de imago’s leven van sap van bloedende bomen (Vlinderstichting, z.d.). In en rondom park Galecop is mogelijk geschikt habitat voor de grote weerschijnvlinder aanwezig. Het park heeft het karakter van een bos en bevat meerdere soorten wilgen, waaronder grauwe wilg. Echter is in de wijde omgeving van het plangebied geen populatie van de grote weerschijnvlinder aanwezig. De enige waarneming binnen een straal 2.5 kilometer betreft vermoedelijk een meegenomen of zwervend exemplaar, gezien de ongewone plek waar deze werd waargenomen (12e etage van een flatgebouw). De aanwezigheid van de grote weerschijnvlinder wordt derhalve uitgesloten.

28 van 76

Natuurtoets Verkabeling 150 kV-lijn Oudenrijn - 150 kV station Nieuwegein (masten 17-30) projectnummer 0471703.100 19 september 2023 revisie 05 TenneT TSO B.V.

Vaatplanten In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen bekend van de stijve wolfsmelk. In de omgeving van het projectgebied zijn geen andere beschermde, niet vrijgestelde vaatplanten bekend. Overige niet vrijgestelde vaatplanten worden op basis van bekende verspreidingsgegevens en aanwezige habitatten uitgesloten. Stijve wolfsmelk De stijve wolfsmelk groeit op open, zonnige tot licht beschaduwde, vochtige, stikstofrijke, matig voedselrijke, weinig of niet bemeste klei-, en mergelbodems, vaak op stenige plaatsen (FLORON verspreidingsatlas, z.d.). Binnen het projectgebied zijn geen geschikte groeiplaatsen aanwezig, vanwege de dichte grasvegetatie waaruit de aanwezige berm en oever is opgebouwd. De aanwezigheid van de stijve wolfsmelk binnen het projectgebied kan uitgesloten worden.

Weekdieren In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen bekend van de platte schijfhoren. In de omgeving van het projectgebied zijn geen andere beschermde, niet vrijgestelde weekdieren bekend. Overige niet vrijgestelde weekdieren worden op basis van bekende verspreidingsgegevens en aanwezige habitatten uitgesloten. Platte schijfhoren De platte schijfhoren leeft in Nederland met name in het laagveengebied. De soort komt voor in heldere, schone wateren met een rijke onderwatervegetatie (Stichting ANEMOON, 2016). De sloten nabij mast 17 zijn geschikt voor de platte schijfhoren. De soort is tevens binnen een straal van 2.5 kilometer van het plangebied in dit netwerk van sloten waargenomen. Indien de sloten door de werkzaamheden worden aangetast, kan dit consequencies hebben voor de platte schijfhoren. De overige watergangen binnen het projectgebied zijn niet geschikt voor de platte schijfhoren vanwege snelstromend of troebel water. Mogelijke consequenties van de ingreep op de platte schijfhoren worden behandeld in hoofdstuk 5.2.6.

Overige beschermde flora en fauna Overige beschermde soorten kunnen door middel van de recente waarnemingen, bekende verspreiding en de aanwezige habitatten worden uitgesloten binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden.

Invasieve exoten Japanse duizendknoop Langs slootkanten bij de Ravenswade (op het bedrijventerrein) en op de groenstrook bij mast 27 is Japanse duizendknoop aangetroffen. De Japanse duizendknoop betreft een invasieve exoot. Indien graafwerkzaamheden plaatsvinden op de groeilocaties van de Japanse duizendknoop, kan, indien geen maatregelen getroffen worden, de soort zich verspreiden dankzij de werkzaamheden. Aangeraden wordt om maatregelen te treffen om de verspreiding van deze soort te voorkomen. In hoofdstuk 5.2.7. staan deze maatregelen beschreven.

29 van 76

Natuurtoets Verkabeling 150 kV-lijn Oudenrijn - 150 kV station Nieuwegein (masten 17-30) projectnummer 0471703.100 19 september 2023 revisie 05 TenneT TSO B.V.

Figuur 4.12. Japanse duizendknoop nabij groenstrook mast 27 en Ravenswade (blauwe omlijning) (bron achtergrond: Esri).

Samenvatting beschermde soorten Uit het terreinbezoek is gebleken dat de soorten weergegeven in tabel 4.2 en die een beschermde status hebben in de Wet natuurbescherming mogelijk voor kunnen komen in het projectgebied. In hoofdstuk 5 wordt nader op deze soorten in gegaan. Tabel 4.2. Mogelijk aanwezige beschermde soorten in het projectgebied. Beschermings Aanwezigheid Toelichting Soort regime Mogelijk huismus en gierzwaluw aanwezig in de Waarschijnlijk naast het projectgebied liggende bebouwing. Jaarrond beschermde nesten en mogelijk Bomen waren op moment van veldbezoek niet Artikel 3.1 jaarrond beschermde voldoende inspecteerbaar om (mogelijk) Mogelijk nesten jaarrond beschermde nesten in de parken te kunnen uitsluiten. In de directe omgeving van de werkzaamheden Algemene broedvogels Artikel 3.1 Aanwezig is geschikt broedbiotoop aanwezig voor algemene broedvogels. Mogelijke verblijfplaatsen in de bebouwing in de Vleermuizen Artikel 3.5 Mogelijk omgeving van het projectgebied of in holtes/loszittend schors in bomen. Steenmarter Artikel 3.10 Mogelijk Geschikt habitat aanwezig in tuinen en parken Kleine marterachtigen Artikel 3.10 Mogelijk Geschikt habitat aanwezig in parken Heikikker Artikel 3.5 Mogelijk Geschikt habitat nabij mast 17. Poelkikker Artikel 3.5 Mogelijk Geschikt habitat nabij mast 17.

Geschikt habitat nabij mast 17, geschikt habitat Rugstreeppad Artikel 3.5 Mogelijk kan ontstaan gedurende werkzaamheden. Geschikt habitat nabij mast 17. Effecten indien Grote modderkruiper Artikel 3.10 Mogelijk sloten of oever hier wordt aangetast. Geschikt habitat nabij mast 17. Effecten indien Platte schijfhoren Artikel 3.5 Mogelijk sloten of oever hier wordt aangetast.

30 van 76

Natuurtoets Verkabeling 150 kV-lijn Oudenrijn - 150 kV station Nieuwegein (masten 17-30) projectnummer 0471703.100 19 september 2023 revisie 05 TenneT TSO B.V.

Naast bovenstaande beschermde soorten is een invasieve exoot aangetroffen langs de Ravenswade en op de groenstrook bij mast 27, de Japanse duizendknoop. Er dienen maatregelen getroffen te worden om de verspreiding van deze soort te voorkomen.

Resultaten bureaustudie Utrechtse soortenlijst De Utrechtse soortenlijst betreft gemeentelijk beleid en is enkel van toepassing op het deel van het tracé in de betreffende gemeente. Dit betreft het weiland ten westen van de A2, bij mast 17. In de paragrafen met betrekking tot de Utrechtse soortenlijst betreft enkel dit weiland het projectgebied. Uit de recente verspreidingsinformatie blijkt dat in of nabij het projectgebied in de afgelopen 5 jaar diverse soorten van de Utrechtse soortenlijst zijn waargenomen (binnen een straal van 2,5 kilometer). De soorten zijn weergegeven in Tabel 4.3. Tabel 4.3. Overzicht van waargenomen soorten van de Utrechtse soortenlijst in de omgeving van het projectgebied (binnen een straal van 2,5 kilometer) die in de NDFF door derden zijn ingevoerd (NDFF, 20172022). Soort Soortgroep Blauwborst Kleine karekiet Vogels Merel Roerdomp Tjiftjaf Bittervoorn Vissen Kleine modderkruiper Grote klokjesbij Bijen Lathyrusbij Aardaker Akkerklokje Bijenorchis Brede lathyrus Brede wespenorchis Distelbremraap Gele helmbloem Gewone dotterbloem Grote kaardenbol Grote kattenstaart Grote wederik Klein glaskruid Maretak Planten Prachtklokje Rapunzelklokje Rietorchis Ruig klokje Steenbreekvaren Tongvaren Veldlathyrus Veldsalie Waterdrieblad Wilde marjolein Wilde reseda Wouw Zomerklokje Zwanenbloem

31 van 76

Natuurtoets Verkabeling 150 kV-lijn Oudenrijn - 150 kV station Nieuwegein (masten 17-30) projectnummer 0471703.100 19 september 2023 revisie 05 TenneT TSO B.V.

Paddenstoelen

-

Op basis van de verspreidingsgegevens van een soort, in combinatie met kennis van de terreingeschiktheid voor deze soorten, is vervolgens nagegaan of het projectgebied een functie vervult voor (onder andere) deze soorten en of effecten aan de orde zijn. De bevindingen worden in paragraaf 4.2.5 uiteengezet. Tevens worden soorten van de Utrechtse soortenlijst die niet bekend aanwezig zijn, maar mogelijk wel verwacht aanwezig worden, toegevoegd.

Resultaten terreinbezoek - ecologische bevindingen Utrechtse soortenlijst Op basis van het bureauonderzoek en het terreinbezoek wordt per soortgroep ingegaan op de eventuele (kans op) aanwezigheid van beschermde soorten in het projectgebied.

Vogels Alle vijf vogels van de Utrechtse soortenlijst zijn in de afgelopen vijf jaar waargenomen binnen een straal van 2.5 kilometer van het projectgebied. Dit betreffen de roerdomp, kleine karekiet, blauwborst, tjiftjaf en de merel. De roerdomp en de kleine karekiet betreffen vogels die broeden in moerasgebieden en dichte rietkragen. Deze zijn niet aanwezig in de directe omgeving van het projectgebied. De blauwborst broedt tevens in overgangszones van moerassen, maar ook in natte gevarieerde gebieden met open plekken en struweel- en loofboombegroeiing. De tjiftjaf is een bosvogel die houdt van veel lage begroeiing, zoals struikgewas en lage bomen (vogelbescherming, z.d.). Voor zowel de blauwborst als de tjiftjaf ontbreekt geschikt broedhabitat vanwege het ontbreken van structuurrijke vegetatie. Het projectgebied en de omgeving betreffen weilanden met slechts enkele bomen en tuinen in de omgeving. De merel kan wel nabij het projectgebied tot broeden komen, in de nabijgelegen tuinen. De soort is weinig kieskeurig wat betreft zijn habitat en komt voor waar graslanden en enkele bomen en struiken aanwezig zijn (vogelbescherming, z.d.). Aanwezigheid van de merel kan niet worden uitgesloten. Mogelijke consequenties van de ingreep op de merel worden behandeld in hoofdstuk 5.3.1.

Vissen In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen bekend van twee van de drie vissoorten van de Utrechtse soortenlijst. Dit betreffen de bittervoorn en de kleine modderkruiper. Aanwezigheid van de rivierdonderpad wordt niet verwacht vanwege de afwezigheid van oeverbeschoeiing, stenen en boomwortels. De bittervoorn is een soort van schoon water die nabij begroeide oevers leeft. De kleine modderkruiper heeft een voorkeur voor stilstaand tot langzaam stromend ondiepe wateren met een rijke plantenbegroeiing en een zandige of met dunne sliblaag bedekte bodem (RAVON, z.d.). Aanwezigheid van de bittervoorn en de kleine modderkruiper is niet uit te sluiten. De sloten rondom het weiland hebben voldoende vegetatie, schoon water en een sliblaag. Mogelijke consequenties van de ingreep op de kleine modderkruiper en de bittervoorn worden behandeld in hoofdstuk 5.3.2.

Bijen Er zijn waarnemingen bekend van de grote klokjesbij en de lathyrusbij. Aanwezigheid van de overige bijen van de Utrechtse soortenlijst, de gewone slobkousbij, de kattenstaartbij, klokjesdikpootbij en de resedamaskerbij, zijn echter tevens niet uit te sluiten. Voor alle soorten zijn geschikte planten bekend binnen een straal van 2.5 kilometer van het projectgebied. Deze planten worden hoofdzakelijk langs de slootkanten verwacht waar minder frequent gemaaid

32 van 76

Natuurtoets Verkabeling 150 kV-lijn Oudenrijn - 150 kV station Nieuwegein (masten 17-30) projectnummer 0471703.100 19 september 2023 revisie 05 TenneT TSO B.V.

wordt. De gewone slobkousbij, de kattenstaartbij en de klokjesdikpoot betreffen soorten die nestelen in de grond. De grote klokjesbij en de resedamaskerbij nestelen in holle stengels. De lathyrusbij maakt gebruik van bestaande holtes (wildebijen, z.d.). De aanwezigheid van nesten binnen het projectgebied (grondnesten) wordt uitgesloten vanwege frequente verstoring van de bodem door regulier gebruik (bijvoorbeeld mest injecteren). Alleen op het talud langs de slootkanten kunnen mogelijk nesten aanwezig zijn. Nesten in holle stengels, zoals in riet, nabij het projectgebied kunnen niet worden uitgesloten. Mogelijke consequenties van de ingreep op de bijen van de Utrechtse soortenlijst worden behandeld in hoofdstuk 5.3.3.

Planten Een relatief groot aantal planten staan vermeld op de Utrechtse soortenlijst. De soorten die nabij het projectgebied zijn waargenomen betreffen soorten van zonnige, matig voedselrijk tot voedselrijke, kalkarme en relatief natte gronden. Dit betreffen zwanenbloem, gewone dotterbloem, grote kattenstaart en veldlathyrus. Daarnaast kan grote wederik mogelijk voorkomen in de directe omgeving van het projectgebied. Uit de verspreidingsgegevens blijkt dat de planten voornamelijk voorkomen langs de slootkanten, waar minder frequent wordt gemaaid. Op basis het gebruik en het maaibeleid wat normaliter wordt uitgevoerd op het perceel, worden de hierboven genoemde soorten niet verwacht zijn binnen het projectgebied. Wel kunnen zij voorkomen langs de slootkanten waar minder intensief gemaaid wordt. De overige waargenomen soorten bevinden zich in andere biotopen en worden op basis van de bekende verspreiding en habitatskenmerken (voornamelijk door de afwezigheid van kalkrijke grond en stenige plekken) niet verwacht. Mogelijke consequenties van de ingreep op zwanenbloem, gewone dotterbloem, grote kattenstaart, veldlathyrus en grote wederik worden behandeld in hoofdstuk 5.3.4.

Paddenstoelen In de omgeving van het projectgebied zijn geen waarnemingen van paddenstoelen van de Utrechtse soortenlijst bekend. Binnen het projectgebied worden tevens geen van de paddenstoelen van de Utrechtse soortenlijst verwacht. De betreffende paddenstoelen groeien voornamelijk in bossen, op loofbomen of op oude schrale graslanden. Het projectgebied betreft een voedselrijk weiland wat regelmatig beheerd wordt. Aanwezigheid van paddenstoelen van de Utrechtse soortenlijst binnen het projectgebied wordt uitgesloten.

Samenvatting beschermde soorten Utrechtse soortenlijst Uit het terreinbezoek is gebleken dat de soorten van de Utrechtse soortenlijst weergegeven in tabel 4.4 voor kunnen komen in het projectgebied. Het projectgebied betreft voor de Utrechtse soortenlijst enkel het weiland ten westen van de A2, bij mast 17. In hoofdstuk 5 wordt nader op deze soorten in gegaan. Tabel 4.4. Mogelijk aanwezige soorten van de Utrechtse soortenlijst in en nabij het projectgebied. Soort Aanwezigheid Toelichting Soortgroep Vogels Merel Waarschijnlijk Nestgelegenheid bij nabijgelegen tuinen. Bittervoorn Waarschijnlijk Leefgebied in sloten rondom weiland. Vissen Kleine Mogelijk Leefgebied in sloten rondom weiland. modderkruiper

33 van 76

Natuurtoets Verkabeling 150 kV-lijn Oudenrijn - 150 kV station Nieuwegein (masten 17-30) projectnummer 0471703.100 19 september 2023 revisie 05 TenneT TSO B.V.

Bijen

Planten

Resedamaskerbij Grote klokjesbij Lathyrusbij Kattenstaartbij Klokjesdikpootbij Gewone slobkousbij Zwanenbloem Gewone dotterbloem Grote kattenstaart Veldlathyrus Grote wederik

Mogelijk

Mogelijk

Mogelijk geschikte planten voor de soorten aanwezig binnen of nabij het projectgebied, voornamelijk langs slootkanten. Mogelijk nesten langs slootkanten.

Geschikte groeiplaatsen nabij projectgebied.

Beschermde gebieden Natura 2000 gebieden Het projectgebied is niet gelegen in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied, de ‘Uiterwaarden Lek’, is gelegen op ruim 9 kilometer ten zuiden van het projectgebied. Het volgend dichtstbijzijnd gelegen Natura 2000-gebied, de ‘Oostelijke Vechtplassen’ bevindt zich op circa 10 kilometer ten noorden van het projectgebied (figuur 4.13). Overige Natura 2000gebieden bevinden zich op grotere afstand. Binnen de doelstelling van het Natura 2000-gebied de ‘Uiterwaarden Lek’ zijn de habitattypen slikkige rivieroevers, stroomdalgraslanden, ruigten en zomen, glanshaver- en vossenstaarthooilanden, en vochtige alluviale bossen. De kamsalamander betreft de enige habitatrichtlijnsoort binnen de doelstelling van dit gebied. Binnen de doelstelling van het Natura 2000-gebied de ‘Oostelijke Vechtplassen’ zijn de habitattypen kranswierwateren, meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, vochtige heiden, blauwgraslanden, ruigten en zomen, overgangs- en trilvenen, galigaanmoerassen en hoogveenbossen. Zeggekorfslak, gevlekte witsnuitlibel, gestreepte waterroofkever, bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad, meervleermuis, Noordse woelmuis, groenknolorchis en platte schijfhoorn zijn de habitatrichtlijnsoorten binnen de doelstelling van dit gebied.

De roerdomp, woudaap, purperreiger, porseleinhoen, zwarte stern, ijsvogel, snor, rietzanger, en grote karekiet zijn de broedvogels die zijn aangewezen als vogelrichtlijnensoorten binnen de doelstelling van dit gebied. Daarnaast is het gebied aangewezen voor de aalscholver, kolgans, grauwe gans, smient, krakeend, slobeend, tafeleend en nonnetje.

34 van 76

Natuurtoets Verkabeling 150 kV-lijn Oudenrijn - 150 kV station Nieuwegein (masten 17-30) projectnummer 0471703.100 19 september 2023 revisie 05 TenneT TSO B.V.

Figuur 4.13. Ligging van het tracé (rode lijn) ten opzichte van de Natura 2000-gebieden (bron achtergrond: Esri).

NNN-gebieden In de omgeving van Nieuwegein zijn verschillende NNN-gebieden aanwezig. Het tracé bevindt zich niet binnen een NNN-gebied (Figuur 4.14). Het dichtstbijzijnde NNN-gebied bevindt zich op 1,6 kilometer afstand ten oosten van het tracé. Het tussenliggende gebied bestaat uit agrarische percelen, bedrijventerreinen en enkele woningen. Ten westen en ten zuiden van het tracé liggen op 3,2 kilometer en 5 kilometer afstand respectievelijk bevinden zich tevens NNN-gebieden. In figuur 4.14 is de ligging van het tracé weergegeven ten opzichte van de NNN-gebieden. Figuur 4.15 toont de beheertypen van de dichtstbijzijnde NNN-gebieden.

35 van 76

Natuurtoets Verkabeling 150 kV-lijn Oudenrijn - 150 kV station Nieuwegein (masten 17-30) projectnummer 0471703.100 19 september 2023 revisie 05 TenneT TSO B.V.

Figuur 4.14. Globale ligging van het projectgebied (rode lijn) ten opzichte van de NNN (blauw gearceerd) (bron achtergrond: Esri).

Figuur 4.15. Ligging tracé (rood) ten opzichte van de omliggende NNN-gebieden (bron achtergrond: Esri).

36 van 76

Natuurtoets Verkabeling 150 kV-lijn Oudenrijn - 150 kV station Nieuwegein (masten 17-30) projectnummer 0471703.100 19 september 2023 revisie 05 TenneT TSO B.V.

Groene contour Het tracé bevindt zich niet binnen de groene contour. Het dichtstbijzijnde deel van de groene contour bevindt zich op 2.15 kilometer ten zuidwesten van het tracé. In figuur 4.16 is de ligging van het tracé ten opzichte van de groene contour weergegeven.

Weidevogelkerngebieden Het tracé bevindt zich niet binnen de weidevogelkerngebieden. Het dichtstbijzijnde weidevogelkerngebied bevindt zich op 7 kilometer ten zuidwesten van het tracé. In figuur 4.16 is de ligging van het tracé ten opzichte van de weidevogelkerngebieden weergegeven.

Ganzenrustgebieden Het tracé bevindt zich niet binnen de ganzenrustgebieden. Het dichtstbijzijnde ganzenrustgebied bevindt zich op 5.5 kilometer ten zuidwesten van het tracé. In figuur 4.16 is de ligging van het tracé ten opzichte van de ganzenrustgebieden weergegeven.

Figuur 4.16. Ligging van het tracé (rood) ten opzichte van de groene contour (groen), ganzenrustgebieden (blauw) en de weidevogelkerngebieden (rood gestreept) met de gruttogebieden (paars) (bron: Esri).

Waterparels Het tracé bevindt zich niet binnen een waterparel-gebied. De dichtstbijzijnde waterparel bevindt zich op 6 kilometer ten zuidwesten van het tracé. In figuur 4.17 is de ligging van het tracé ten opzichte van de waterparels weergegeven.

37 van 76

Natuurtoets Verkabeling 150 kV-lijn Oudenrijn - 150 kV station Nieuwegein (masten 17-30) projectnummer 0471703.100 19 september 2023 revisie 05 TenneT TSO B.V.

Natuurparels Het tracé bevindt zich niet binnen een natuurparel-gebied. De dichtstbijzijnde natuurparel bevindt zich op ruim een kilometer ten noorden van het tracé. Deze natuurparel betreft stedelijk gebied. Daarnaast is op 1.8 kilometer ten noordwesten en op 2 kilometer ten zuidenwesten natuurparels met het type ‘grote wateren’ aanwezig. In figuur 4.17 is de ligging van het tracé ten opzichte van de natuurparels weergegeven.

Figuur 4.17. Ligging van het tracé ten opzichte van de omliggende water- en natuurparels (bron achtergrond: Esri).

38 van 76

Natuurtoets Verkabeling 150 kV-lijn Oudenrijn - 150 kV station Nieuwegein (masten 17-30) projectnummer 0471703.100 19 september 2023 revisie 05 TenneT TSO B.V.

5

Toetsing In paragraaf 5.1 is de effectbepaling van het plan gegeven. In paragraaf 5.2 worden de werkzaamheden getoetst aan de soortenbescherming (Wnb). Indien vervolgstappen aan de orde zijn, is dit aangeven in een tekstkader. In paragraaf 5.3 wordt het plan getoetst aan het beschermingsregime van het NNN-gebied en de Wet natuurbescherming (Wnb).

Effectbepaling plan De ingreep heeft de volgende verstoringen tot gevolg: -

Er zal machinaal worden gegraven in grasstroken en -velden, agrarische percelen, bij bosschages en parkeerplaatsen; Er worden mogelijk bomen gekapt; Er worden mogelijk delen van een sloot bij mast 17 en de watergangen in de groenstrook in Nieuwegein gedempt; Er worden meerdere hoogspanningsmasten verwijderd inclusief de fundering; Er wordt af- en aangereden met materialen over bestaande wegen, agrarische percelen en grasstroken binnen het projectgebied; Er worden tijdelijk gronddepots gemaakt bij de werkputten en de masten.

Effecten op beschermde soorten Vogels Jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4) en mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5) Er worden tijdens de werkzaamheden geen gebouwen aangetast. Jaarrond beschermde nesten van huismussen en gierzwaluwen worden dus niet aangetast. Door de aanwezigheid van afschermende elementen tussen de werkzaamheden en de potentiële verblijfplaatsen, zoals bomen en struiken, door de kleinschaligheid van de werkzaamheden en de hoge mate van gewenning van de soorten aan menselijke activiteiten kunnen negatieve effecten op eventuele broedgevallen van huismus en gierzwaluw worden uitgesloten. In de bomen in het Galecoppark en het park nabij de Utrechtsestraatweg kunnen jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn (categorie 1 t/m 5). Op het moment van het veldbezoek stonden de bomen volledig in blad waardoor deze niet goed inspecteerbaar waren. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten in bomen binnen het projectgebied of de verstoringszone van het projectgebied zijn niet uit te sluiten. Indien jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn binnen het projectgebied of binnen de verstoringszone kunnen de werkzaamheden leiden tot het beschadigen of vernielen van jaarrond beschermde nesten, of tot verstoring die kan leiden tot het verloren gaan van de functionaliteit van de nesten gedurende het broedseizoen.

Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een nadere controle uitgevoerd te worden op de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten in de bomen. Daarnaast kunnen in de periode tussen het schrijven van de onderhavige natuurtoets en het uitvoeren van de werkzaamheden nesten ontstaan in de te amoveren masten. Om deze reden dient een ecoloog aanwezig te zijn ten tijde van de start van de werkzaamheden.

39 van 76

Natuurtoets Verkabeling 150 kV-lijn Oudenrijn - 150 kV station Nieuwegein (masten 17-30) projectnummer 0471703.100 19 september 2023 revisie 05 TenneT TSO B.V.

Algemene broedvogels Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming (artikel 3.1). Met de meeste broedvogels kan echter in het algemeen relatief eenvoudig rekening worden gehouden door eventuele werkzaamheden niet uit te voeren in de broedtijd (circa maart tot en met juli1) en indien concrete broedgevallen aanwezig zijn. Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Wet Natuurbescherming aan de orde. De omgeving van de masten is geschikt voor een aantal algemene broedvogelsoorten. In gebouwen, bomen en bosschages kunnen diverse zangvogels tot broeden komen, in akkers, op weilanden, natuurlijke graslanden en braakliggend terrein grondbroeders en weidevogels en langs watergangen watervogels. Het verdient daarom de aanbeveling om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Een wettelijk vastgestelde periode voor het broedseizoen bestaat niet, bepalend is of broedgevallen aanwezig zijn. Indicatieve datumgrenzen zijn 15 maart tot 15 juli, maar er bestaan, afhankelijk van het weer en de vogelsoort, vele uitzonderingen op deze regel. Gezien de grote hoeveelheid potentiële nestlocaties binnen de verstoringszone van het tracé, is het aan te bevelen de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren.

Het ongeschikt maken van deze locaties door middel van kap-, snoei- en maai-werkzaamheden is niet wenselijk omdat het een behoorlijke afname in nestgelegenheid veroorzaakt. Indien het niet mogelijk is om (volledig) buiten het broedseizoen te werken, kunnen lokaal maatregelen getroffen worden om broedvogels te weren: Door het plaatsen van fluitlinten kunnen weidevogels en grondbroeders zoals scholekster buiten het projectgebied en de bijbehorende verstoringszone gehouden worden; Door het kort maaien en kort houden van de berm en oevervegetatie is er geen nestgelegenheid voor watervogels zoals zwaan, meerkoet en wilde eend. Het functioneren van de preventieve maatregelen dient gecontroleerd te worden vanaf de plaatsing totdat de werkzaamheden zijn afgerond. Tevens mogen de preventieve maatregelen geen negatieve effecten veroorzaken op andere mogelijke aanwezige beschermde flora en fauna. Indien de werkzaamheden starten te midden van het broedseizoen, dient het plan- en verstoringsgebied eerst door een ter zake kundige ecoloog gecontroleerd te worden op aanwezigheid van broedvogels.

Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het plan- of verstoringsgebied, worden door de ter zake kundige ecoloog specifieke maatregelen voorgesteld en/of wordt (een deel van) het projectgebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden tot alle nesten, vanuit eigen beweging van de vogels, niet meer in gebruik zijn.

Vleermuizen Vleermuizen zijn beschermde soorten en staan vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn. In het kader van de Wet natuurbescherming is daarom een aantal verbodsbepalingen ten aanzien van vleermuizen opgesteld die in principe niet overtreden mogen worden door onder andere een ruimtelijke ontwikkeling.

1

Voor het broedseizoen wordt in het kader van de wet geen standaardperiode gehanteerd. Het broedseizoen is afhankelijk van klimatologische omstandigheden; dit houdt in dat het seizoen eerder dan wel later van start kan gaan en eerder dan wel later kan eindigen. Van belang is of er broedgevallen aanwezig zijn. 40 van 76

Natuurtoets Verkabeling 150 kV-lijn Oudenrijn - 150 kV station Nieuwegein (masten 17-30) projectnummer 0471703.100 19 september 2023 revisie 05 TenneT TSO B.V.

Ten tijde van de werkzaamheden worden geen gebouwen gesloopt of aangepast. Wel worden er mogelijk bomen gekapt en worden er werkzaamheden uitgevoerd nabij bomen waarin mogelijke verblijfplaatsen zich bevinden. De aanwezigheid van geschikte holtes of loshangende stukken schors in bomen in park Galecop en het park nabij de Utrechtsestraatweg kunnen niet worden uitgesloten. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een nadere controle uitgevoerd te worden op de aanwezigheid van potentieel geschikte vleermuisverblijfplaatsen in de bomen. Daarnaast kan er, indien ‘s avonds of ’s nachts wordt gewerkt gedurende de actieve periode voor vleermuizen (circa 15 april t/m 15 oktober), lichtverstoring door het gebruik van bouwverlichting optreden. Hierdoor kunnen mogelijk aanwezige vleermuizen gedesoriënteerd raken. Ten gevolge daarvan kan het functioneren van mogelijk aanwezige verblijfplaatsen verminderen. Een dergelijk effect is in strijd met de Wet Natuurbescherming. Om effecten van lichtuitstraling te voorkomen wordt geadviseerd om de gebruikte verlichting weg te draaien van de naastgelegen bebouwing. Dit is zeker noodzakelijk in de schemer en nacht (van 1 uur voor zonsondergang tot 1 uur na zonopkomst) gedurende de actieve periode van vleermuizen (circa 15 april t/m 15 oktober).

Dit houdt in dat de verlichting naar beneden gericht dient te zijn op de masten en de start- en eindlocaties van de HDD-boringen en niet naar de omgeving mag uitstralen. In onderstaande figuur is een dergelijke werkwijze schematisch weergegeven. De V in de tekening geeft weer hoe de lichtuitstraling naar de omgeving zoveel mogelijk kan worden beperkt kan worden. In de situatie met een X is er sprake van wezenlijke lichtuitstraling naar de omgeving waardoor een mogelijk effect op verblijfplaatsen van vleermuizen niet is uit te sluiten. Bij voorkeur wordt er bij het plaatsen van een licht gekozen voor amberkleurige verlichting.

Figuur 5.1. Voorbeeld van toepassing bouwverlichting bij werkputten. X= verlichting veroorzaakt uitstraling naar omgeving, V= verlichting veroorzaakt geen uitstraling richting de omgeving (Bron: JM ecologie).

41 van 76

Natuurtoets Verkabeling 150 kV-lijn Oudenrijn - 150 kV station Nieuwegein (masten 17-30) projectnummer 0471703.100 19 september 2023 revisie 05 TenneT TSO B.V.

Overige zoogdieren Steenmarter Potentiële verblijfplaatsen van de steenmarter kunnen zich in de tuinen van de omliggende bebouwing bevinden en/of onder dichte struwelen of in holen in park Galecop, het park nabij de Utrechtsestraatweg en de groenstrook bij mast 27 bevinden. De werkzaamheden hebben geen effect op de verblijfplaatsen in tuinen, de steenmarter is gewend aan menselijke verstoring als cultuurvolger en deze verblijfplaatsen worden niet fysiek aangetast. Indien dichte struiken, onderbegroeiing of holen in het Galecoppark, het park nabij de Utrechtsestraatweg of de groenstrook bij mast 27 verwijderd of vernield worden kan dit mogelijk leiden tot het vernielen van een verblijfplaats van de steenmarter. In dit geval dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de steenmarter. Kleine marterachtigen Potentiële verblijfplaatsen van kleine marterachtigen kunnen zich onder dichte struwelen of in holen in het Galecoppark of het park nabij de Utrechtsestraatweg bevinden. Indien dichte struiken, onderbegroeiing of holen op deze locaties verwijderd of vernield worden kan dit mogelijk leiden tot het vernielen van vaste verblijfplaatsen van de kleine marterachtigen. In dit geval dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de kleine marterachtigen. Tevens kunnen de werkzaamheden leiden tot verstoring van potentiële verblijfplaatsen.

Gezien de tijdelijke aard van de werkzaamheden, de kleinschaligheid van het project en het feit dat kleine marterachtigen gebruik maken van een netwerk aan verblijfplaatsen, zal dit niet leiden tot significant negatieve effecten.

Amfibieën Heikikker en poelkikker Nabij mast 17 is geschikt biotoop voor de heikiker en poelkikker aanwezig. Indien geen sloten worden aangetast als gevolg van de werkzaamheden, is het mogelijk negatieve effecten op deze soorten te voorkomen door gedurende de winterrust te werken of door het projectgebied ontoegankelijk te maken. Het projectgebied betreft geen essentieel landhabitat, in de omgeving is ruim voldoende vergelijkbaar landhabitat aanwezig. Op het agrarisch perceel waarop mast 17 zich bevindt zijn geen geschikte overwinteringslocaties aanwezig vanwege het ontbreken van dichte vegetatie, stenen, hout of andere ruigtes. Vermoedelijk bevinden de overwinteringslocaties zich in de tuinen van de omliggende boerderijen. Gedurende de winterrust (circa 15 oktober tot 15 februari) kunnen de werkzaamheden worden uitgevoerd. Tevens is het mogelijk gedurende deze periode de bouwweg en de werklocatie bij de mast ontoegangelijk te maken door middel van het plaatsen van amfibieënschermen. Indien het projectgebied gedurende de winterrust ontoegankelijk gemaakt en gehouden wordt, kunnen de activiteiten tevens plaats vinden gedurende het actieve seizoen van de heikikker en poelkikker. Bij het plaatsen van de amfibieënschermen dient circa twee meters afstand gehouden te worden van de slootkanten, zodat het meest geschikte stukken foerageergebied beschikbaar blijven voor de soorten.

Tot slot dienen effecten van eventuele bemaling op deze locatie te worden beoordeeld middels een bemalingsrapport. Wanneer bemaling leidt tot significante wijzigingen in de waterstand van de nabij het projectgebied gelegen sloten, dient nader onderzoek naar de heikikker en poelkikker plaats te vinden. Tevens dient het opgepompte water in de grotere doorgaande watergangen, zoals weteringen en kanalen, geloosd te worden in verband met effecten van potentiële temperatuurverschillen. Indien dit niet mogelijk is en het water in kleinere sloten of sloten met stilstaand water geloosd wordt, dient dit plaats te vinden onder begeleiding van een ter plaatse ecologisch deskundige. Een indicatie van het maximale temperatuurverschil wat mag optreden is vijf graden, echter kan dit per situatie verschillen. Vooral temperatuurverlagingen wanneer de 42 van 76

Natuurtoets Verkabeling 150 kV-lijn Oudenrijn - 150 kV station Nieuwegein (masten 17-30) projectnummer 0471703.100 19 september 2023 revisie 05 TenneT TSO B.V.

oorspronkelijke watertemperatuur al relatief laag is (rond de 10 graden), kunnen zeer drastische gevolgen hebben op het voortplantingssucces van amfibieën. Rugstreeppad De aanwezigheid van rugstreeppad nabij mast 17 is tevens niet uit te sluiten. Indien geen sloten worden aangetast als gevolg van de werkzaamheden, is het mogelijk negatieve effecten op deze soort te voorkomen door gedurende de winterrust te werken of door het projectgebied ontoegankelijk te maken. Het projectgebied betreft geen essentieel landhabitat, in de omgeving is ruim voldoende vergelijkbaar landhabitat aanwezig. Op het agrarisch perceel waarop mast 17 zich bevindt, zijn geen geschikte overwinteringslocaties aanwezig vanwege het ontbreken van dichte vegetatie, stenen, hout of andere ruigtes. Tevens is de grond op het agrarisch perceel slecht vergraafbaar doordat het volledig begroeid is met gras. Vermoedelijk bevinden de overwinteringslocaties zich in de tuinen van de omliggende boerderijen. Gedurende de winterrust (circa 15 oktober tot 15 februari) kunnen de werkzaamheden worden uitgevoerd. Tevens is het mogelijk gedurende deze periode de bouwweg en de werklocatie bij de mast ontoegangelijk te maken door middel van het plaatsen van amfibieënschermen.

Indien het projectgebied gedurende de winterrust ontoegankelijk gemaakt en gehouden wordt, kunnen de activiteiten tevens plaatsvinden gedurende het actieve seizoen van de rugstreeppad. Bij het plaatsen van de amfibieënschermen dient circa twee meters afstand gehouden te worden van de slootkanten zodat het meest geschikte deel foerageergebied beschikbaar blijft voor de soort. Daarnaast dienen effecten van eventuele bemaling op deze locatie te worden beoordeeld middels een bemalingsrapport. Wanneer bemaling leidt tot significante wijzigingen in de waterstand van de nabij het projectgebied gelegen sloten, dient nader onderzoek naar de rugstreeppad plaats te vinden. Tevens dient het opgepompte water in de grotere doorgaande watergangen, zoals weteringen en kanalen, geloosd te worden in verband met effecten van potentiële temperatuurverschillen. Indien dit niet mogelijk is en het water in kleinere sloten of sloten met stilstaand water geloosd wordt, dient dit plaats te vinden onder begeleiding van een ter plaatse ecologisch deskundige. Een indicatie van het maximale temperatuurverschil wat mag optreden is vijf graden, echter kan dit per situatie verschillen. Vooral temperatuurverlagingen wanneer de oorspronkelijke watertemperatuur al relatief laag is (rond de 10 graden), kunnen zeer drastische gevolgen hebben op het voortplantingssucces van amfibieën.

Tot slot kunnen tijdens de werkzaamheden zandbulten of tijdelijke waterplasjes ontstaan ten gevolge van de werkzaamheden en kan vervolgens dit geschikte habitat in korte tijd gekoloniseerd worden. Dit kan tot gevolg hebben dat de werkzaamheden stilgelegd moeten worden. Om die reden dient voorkomen te worden dat de rugstreeppad zich vestigt op het werkterrein. Dit kan door de werkzaamheden uit te voeren buiten de actieve periode van de rugstreeppad (half oktober tot en met maart). Indien dit niet mogelijk is dient ervoor gezorgd te worden dat zandbulten binnen enkele dagen afgevoerd worden en dat er geen laagtes op het werkterrein ontstaan waar waterplasjes kunnen achterblijven.

Vissen Grote modderkruiper De sloten nabij mast 17 zijn geschikt biotoop voor de grote modderkruiper. Indien geen sloten worden aangetast of beïnvloed als gevolg van de werkzaamheden, kunnen effecten op deze soort worden uitgesloten. Wanneer het noodzakelijk is om de sloten aan te tasten, zal dit leiden tot beschadiging of het vernielen van leefgebied van de soort. Tevens kunnen individuen als gevolg van werkzaamheden aan de sloten worden gedood. Dit betreffen overtredingen van de Wet natuurbescherming. Indien sloten worden aangetast, dient eerst nader onderzoek naar de grote modderkruiper te worden uitgevoerd.

43 van 76

Natuurtoets Verkabeling 150 kV-lijn Oudenrijn - 150 kV station Nieuwegein (masten 17-30) projectnummer 0471703.100 19 september 2023 revisie 05 TenneT TSO B.V.

Waneeer de sloten niet fysiek worden aangetast dient enkel rekening gehouden te worden met effecten als gevolg van bemaling. De effecten van eventuele bemaling op deze locatie dienen te worden beoordeeld middels een bemalingsrapport. Wanneer bemaling leidt tot significante wijzigingen in de waterstand van de nabij het projectgebied gelegen sloten dient nader onderzoek naar de grote modderkruiper plaats te vinden. Tevens dient het opgepompte water in de grotere doorgaande watergangen, zoals weteringen en kanalen, geloosd te worden in verband met effecten van potentiële temperatuurverschillen. Indien dit niet mogelijk is en het water in kleinere sloten of sloten met stilstaand water geloosd wordt, dient dit plaats te vinden onder begeleiding van een ter plaatse ecologisch deskundige. Een indicatie van het maximale temperatuurverschil wat mag optreden is vijf graden, echter kan dit per situatie verschillen. Vooral temperatuurverlagingen wanneer de oorspronkelijke watertemperatuur al relatief laag is (rond de 10 graden), kunnen zeer drastische gevolgen hebben op het voortplantingssucces van vissen.

Weekdieren Platte schijfhoren De sloten nabij mast 17 zijn geschikt biotoop voor de platte schijfhoren. Indien geen sloten worden aangetast of beïnvloed als gevolg van de werkzaamheden, kunnen effecten op deze soort worden uitgesloten. Wanneer het noodzakelijk is om de sloten aan te tasten, zal dit leiden tot beschadiging of het vernielen van leefgebied van de soort. Tevens kunnen individuen als gevolg van werkzaamheden aan de sloten worden gedood. Dit betreffen overtredingen van de Wet natuurbescherming. Indien sloten worden aangetast eerst nader onderzoek naar de platte schijfhoren te worden uitgevoerd. Waneeer de sloten niet fysiek worden aangetast dient enkel rekening gehouden te worden met effecten als gevolg van bemaling. De effecten van eventuele bemaling dienen te worden beoordeeld middels een bemalingsrapport. Wanneer bemaling leidt tot significante wijzigingen in de waterstand van de nabij het projectgebied gelegen sloten dient nader onderzoek naar de platte schijfhoren plaats te vinden. Tevens dient het opgepompte water in de grotere doorgaande watergangen, zoals weteringen en kanalen, geloosd dient te worden in verband met effecten van potentiële temperatuurverschillen. Indien dit niet mogelijk is en het water in kleinere sloten of sloten met stilstaand water geloosd wordt, dient dit plaats te vinden onder begeleiding van een ter plaatse ecologisch deskundige.

Een indicatie van het maximale temperatuurverschil wat mag optreden is vijf graden, echter kan dit per situatie verschillen. Vooral temperatuurverlagingen wanneer de oorspronkelijke watertemperatuur al relatief laag is (rond de 10 graden), kunnen zeer drastische gevolgen hebben op het voortplantingssucces van de platte schijfhoren.

Invasieve exoten Japanse duizendknoop Langs het talud aan de Ravenswade en op de groenstrook bij mast 27 is tijdens het veldbezoek de Japanse duizendknoop waargenomen (zie Figuur 4.12). Verspreiding van deze soort dient voorkomen te worden. De beste optie is om minimaal 3 meter afstand tot de groeilocatie te behouden omdat wortels van de Japanse duizendknoop zo ver reiken. Indien dit niet mogelijk is kan onderstaande werkwijze aangehouden worden om de verspreiding zoveel mogelijk te voorkomen:  Hou het werkgebied zo klein mogelijk.  Laat alleen noodzakelijk materieel en personeel toe in het met duizendknoop besmet gebied.  Graafmachines dienen (zoveel mogelijk) op gesloten verharding of rijplaten en buiten besmet gebied te worden geplaatst om inrijden van duizendknoopresten te voorkomen.

44 van 76

Natuurtoets Verkabeling 150 kV-lijn Oudenrijn - 150 kV station Nieuwegein (masten 17-30) projectnummer 0471703.100 19 september 2023 revisie 05 TenneT TSO B.V.

  

Voorkom te allen tijde verspreiding van duizendknoopresten (grond, wortels of stengels). Voorkom zoveel mogelijk tussentijdse opslag van met duizendknoop besmette grond in het gebied. Indien er toch tijdelijke opslag van besmette grond nodig is: o Verzamel besmette grond en plant-/wortelresten op de besmette locatie. o Zorg ervoor dat deze grond of resten niet in contact kunnen komen met de ondergrond door ze op een verharding of rijplaten te leggen. o Voorkom verspreiden of wegwaaien door de grond en resten af te dekken. Situeer de (tijdelijke) opslag niet bij mogelijke verspreidingsroutes (zoals watergangen). o Kleine hoeveelheden kunnen worden opgeslagen in afsluitbare Big Bags. Bij tijdelijke uitname van grond, bijvoorbeeld voor kabels en leidingen, gelden de bovenstaande regels voor het tijdelijk opslaan van besmette grond. Bij tijdelijke uitname van grond moet er wel rekening worden gehouden dat na terugplaatsing van de grond meestal een groeispurt volgt van de Japanse duizendknoop. Bespreek derhalve voor uitvoering met opdrachtgever of terreineigenaar of terugplaatsing wel wenselijk is. Al het gebruikte materieel (graafmiddelen, banden, traptreden, schoenzolen, kleding etc.) dient te worden schoongemaakt voordat het terrein verlaten wordt (denk aan borstelen, afspuiten, compressor). Het schoonmaken dient te gebeuren op een verhard oppervlak.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwegein&id=5c1f042c-b1e5-4177-ae93-2f0cb7f4e753