CConstaterende datNieuwegein
Koppel je AI →
Document · PDF

2023-174 Toelichting en regels bestemmingsplan Buizerdlaan-Kauwenhof.pdf

Raadsvergadering 22 juni 2023, gemeente NieuwegeinBij agendapunt: Bestemmingsplan Buizerdlaan-Kauwenhof26.790 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Deze ambities zijn vervolgens uitgewerkt in vijf beleidsuitgangspunten. Enkel de beleidsuitgangspunten 1 en 5 zijn relevant voor dit plan. Beleidsuitgangspunt 1 ziet toe op compacte winkelgebieden met het doel dat de klant op één locatie terecht kan voor de boodschappen en dat de bestaande structuur van de buurt- en wijkwinkelcentra wordt gehandhaafd. Supermarkten moeten de klanten verleiden om naar het gebied te komen, waar vervolgens andere winkeliers van profiteren. Dit standpunt is als volgt verwoord : "Als gemeente vinden wij het dan ook belangrijk dat deze supermarkten hun rol kunnen blijven vervullen. Daarbij hoort een breed en diep assortiment. De klant verwacht dit en wil dit." Beleidsuitgangspunt 5 ziet toe, dat nieuwe initiatieven het toetsingskader doorlopen. In paragraaf 2.5 van de Winkelvise is aangegeven, dat de beleidsuitgangspunten 1 tot en met 4 over bekende/lopende ontwikkelingen gaan. In de Winkelvisie wordt onderkend dat de wereld niet stil staat en nieuwe initiatieven welkom zijn. Voor onbekende plannen geldt dan ook de "Ja, mits instelling" als vertrekpunt. Dit standpunt is als volgt verwoord: "Mocht een initiatief niet passen in een bestemmingsplan en ook niet passen in de beleidsuitgangspunten dan vult de gemeente de "ja, mits" in met het toetsingskader voor detailhandelsinitiatieven." Dit toetsingskader bevat de volgende onderdelen: 1. 2.

Het initiatief moet zorgen voor een kwalitatieve versterking van het winkelcentrum of de gemeentelijke structuur. Het initiatief moet bijdragen aan een kwalitatief meer complementair aanbod.

planstatus vastgesteld

referentie BPDO2022HER001 / 192681

pagina 31 van 109

3. 4. 5.

Het initiatief stelt de klant centraal. Er moet een nadere analyse aan het initiatief ten grondslag liggen die de behoefte onderbouwd. Betrokkenheid van de buurt is van belang.

Planspecifiek: Kijkend naar de Kauwenhof kan worden geconstateerd dat in de loop der jaren het winkelaanbod is veranderd en de enige winkel nog een supermarkt is van een naar huidige maatstaven beperkte omvang. In de ontheffing van de Interim omgevingsverordening, afgegeven door Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht, is dit treffend verwoord: "De locatie Kauwenhof is de bestaande locatie voor het wijkwinkelcentrum. Van oorsprong een winkelcentrum met verschillende winkels, maar nu een solitaire supermarkt met een cafetaria en een gezondheidscentrum." Feitelijk gaat het hier dus om een verplaatsing van het gehele voormalige winkelgebied, waarbij op de achterblijflocatie de detailhandelsfunctie komt te vervallen. Zowel in de huidige- als in de nieuwe situatie is er dus, in afwijking van ambitie 1 en beleidsuitgangspunt 1 van de Winkelvisie Nieuwegein, reeds sprake van een solitaire supermarkt. Daarbij komt dat uitbreiding van de bestaande supermarkt gewenst is om een breed en diep assortiment, wat de klant wil en verwacht, te kunnen bieden. In de huidige omvang van de supermarkt is nu al sprake van een ernstig verkeers- en parkeerprobleem. Bij een uitbreiding zal dit alleen maar groter worden.

Enerzijds voldoet de huidige situatie niet meer aan de uitgangspunten van een wijkwinkelcentrum en anderzijds voldoet de huidige supermarkt niet aan datgene wat de klant verwacht en wil. Dat laatste komt dus niet overeen met ambitie 2 van de Winkelvisie over het inspelen op de consumentenbehoefte. Bij beleidsuitgangspunt 1 geldt, dat er in elk geval een supermarkt in de wijk is, zodat boodschappen om de hoek gedaan kunnen worden, wat het feitelijke doel is van het beleid. Op dit punt sluit het plan goed aan bij Beleidsuitgangspunt 1. Uit paragraaf 2.5 van de Winkelvisie blijkt dat nieuwe initiatieven niet zozeer aan Beleidsuitgangspunten 1 t/m 4 getoetst worden, maar dat daarvoor Beleidsuitgangspunt 5 is opgesteld. Duidelijk is dat dit plan een nieuw initiatief betreft. Immers: in januari 2017, toen de Winkelvisie is opgesteld, was dit nog geen bekende/lopende ontwikkeling. Toetsing van het plan aan de criteria in Beleidsuitgangspunt 5: 1.

Het initiatief moet zorgen voor een kwalitatieve versterking van het winkelcentrum of de gemeentelijke structuur.

Gelet op de situatie bij de Kauwenhof waar een suboptimale, naar huidige maatstaven betrekkelijk kleine supermarkt met een verkeers- en parkeerprobleem zit, voorziet de beoogde ontwikkeling in een kwalitatieve versterking. De gemeentelijke structuur blijft gehandhaafd, doordat een supermarkt "om de hoek" beschikbaar blijft voor de inwoners van de wijk Doorslag en wordt versterkt door een duurzame supermarkt, die voldoet aan de huidige maatstaven van een supermarkt, waarvan de behoefte is aangetoond door middel van een ladderonderbouwing (bijlage 1 bij de toelichting). 2.

Het initiatief moet bijdragen aan een kwalitatief meer complementair aanbod.

Gelet op het feit dat de supermarkt aan de Kauwenhof niet meer voldoet aan de maatstaven die een consument heden ten dage aan een supermarkt stelt, draagt de ontwikkeling hiertoe bij. Door de onzekere economische tijden is er door de consument een toenemende behoefte aan een supermarktaanbod met een gunstige prijs/kwaliteitverhouding, ofwel een formule die met voldoende service ook een prijsfocus kan bieden. De Coronacrisis heeft er toe geleid dat de consument veilig en ruim wil winkelen, waarbij de consument steeds meer eisen gaat stellen aan de kwaliteit van producten en de winkelomgeving in het licht van duurzaamheid.

planstatus vastgesteld

referentie BPDO2022HER001 / 192681

pagina 32 van 109

Het huidige filiaal aan de Kauwenhof is te klein en er zijn geen uitbreidingsmogelijkheden om in te spelen op de veranderende wens en winkelgedrag van de consument. Bovendien zijn er geen mogelijkheden om maatregelen te nemen, die nodig zijn om dit filiaal te laten voldoen aan de moderne eisen van duurzaamheid en de energietransitie. Met de ontwikkeling aan de Buizerdlaan kan op deze veranderende vraag ingespeeld worden en kunnen deze aspecten gerealiseerd worden. 3.

Het initiatief stelt de klant centraal.

Dit volgt reeds uit de hiervoor genoemde punten. 4.

Er moet een nadere analyse aan het initiatief ten grondslag liggen die de behoefte onderbouwd.

Er is een laddertoets opgesteld, waarin de behoefte is onderbouwd. Zie hiervoor bijlage 1 bij de toelichting. 5.

Betrokkenheid van de buurt is van belang.

De buurt is op verschillende manieren bij de ontwikkeling betrokken. Op 1 februari 2022 is een digitale informatieavond gehouden voor de gehele wijk Doorslag. In dezelfde maand is aan de bewoners een schriftelijk beantwoording gestuurd op de vragen uit de informatieavond. Op deze avond is medegedeeld wanneer het voorontwerpbestemmingsplan ter inzage zal liggen. Daarnaast heeft de buurt tweemaal een buurtbericht ontvangen (in maart 2022 en begin december 2022 over de inhoud van respectievelijk het voorontwerpbestemmingsplan en het ontwerpbestemmingsplan. Gelijktijdig is een website ingericht om de buurt op de hoogte te houden van de ontwikkelingen (op www.ikbennieuwegein.nl). Er is uiteindelijk door één buurtbewoner een inspraakreactie en door één buurtbewoner een zienswijze ingediend. Gelet op het bovenstaande is het planologisch mogelijk maken van een supermarkt aan de Buizerdlaan in overeenstemming met de Winkelvisie. Op deze wijze wordt in lijn met de Winkelvisie geborgd dat er ook in deze wijk een toekomst-bestendige supermarkt is. De Winkelvisie verplicht niet tot het realiseren van een groter aanbod (winkels), zoals uit het bovenstaande blijkt. 3.3.6

Duurzaamheidsbeleid

Visie klimaatadaptatie Het klimaat verandert. We krijgen te maken met meer en heftigere regenbuien, langere droge periodes en meer hete zomerse dagen en nachten. Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen moeten we nu al stap voor stap investeren in een klimaatbestendige inrichting van de stad. Op Rijksniveau is in 2014 de Deltabeslissing ruimtelijke adaptie vastgesteld. Deze beslissing houdt in dat uiterlijk in 2020 klimaatadaptie integraal onderdeel van beleid en handelen moet zijn en dat in 2050 de Nederlandse steden water-robuust en klimaatbestendig moeten zijn. De gemeente heeft in 2014 de Intentieverklaring Ruimtelijke Adaptie ondertekend. Hiermee onderschrijven zij de intenties om nu al invulling te geven aan de opgave. Ook maak de gemeente deel uit van het regionale samenwerkingsverband Coalitie ruimtelijke adaptatie regio Utrecht. Om richting te geven aan deze opgave is een visie klimaatadaptie opgesteld. Beleid van de gemeente is om bij herstructurering, renovatie en nieuwbouw inrichtingsmaatregelen mee te nemen die een optimale bijdrage leveren aan de inpassing van de gevolgen van de klimaatverandering. Door maatregelen te nemen kan eventuele schade, hinder en overlast zoveel mogelijk voorkomen worden. Mogelijke maatregelen zijn:  

Het plan zodanig inrichten en ontwerpen dat regenwater verwerkt kan worden op het betreffende perceel (zonder riolering)'; Waterpasserende of waterdoorlatende verharding;

planstatus vastgesteld

referentie BPDO2022HER001 / 192681

pagina 33 van 109

 

Openbare ruimte en percelen inrichten met groenlocaties die bijdragen aan de thema's hittestress en wateroverlast; Toepassen van groene gevels en/of groene daken.

'Duurzaam bouwen' Op donderdag 21 april 2022 heeft de Nieuwegeinse gemeenteraad het Omgevingsprogramma Duurzaam Bouwen Woningbouw 2022 vastgesteld. Dit omgevingsprogramma bevat prestatie-eisen en uitgangspunten voor duurzame woningbouw in Nieuwegein, voor de bouwkavel (zie de gemeentelijke website). Het gaat in op de thema's energietransitie, klimaatadaptatie, duurzame mobiliteit, circulair bouwen, biodiversiteit/natuurinclusiviteit en gezonde leefomgeving. In het beleid zijn ten aanzien van deze thema's verschillende prestatie-eisen en uitgangspunten geformuleerd. Routekaart Energieneutraal Nieuwegein 2040 De gemeente Nieuwegein wil in 2040 een klimaatneutrale stad zijn (raadsbesluit 2017 'Routekaart Energieneutraal Nieuwegein 2040'). Dit sluit aan op het Klimaatverdrag van Parijs. Om klimaatneutraal te worden is het van belang om de energievoorziening volledig te verduurzamen. Dit betekent een aardgasloze gebouwde omgeving, waarbij elektrisch wordt gekookt en verwarmd wordt via een warmtenet, elektrische warmtepompen of andere duurzame technieken. Voor het bereiken van energieneutraliteit is nieuwbouwen of transformeren zonder aardgasaansluiting echter niet voldoende. De gemeente Nieuwegein wil dat er nu al volledig energieneutraal wordt gebouwd en verbouwd.

In de Omgevingsvisie Nieuwegein zijn daartoe de volgende uitgangspunten vastgelegd: alle nieuwbouw is minimaal energieneutraal (BENG 3 = 100%), bij alle nieuwe appartementen (tot en met vier woonlagen) is de energieprestatie beter dan BENG 3 = 100% en bij alle nieuwe grondgebonden woningen is de energieprestatie beter dan Nul-op-de-meterwoningen. Mogelijke maatregelen zijn:    

Geen aardgasaansluiting; Bij aanpassing van de gebouwschil is het een uitgelezen kans om de schil optimaal te isoleren; Zonnepanelen op daken en geveldelen; Het toepassen van lagetemperatuurverwarmingssysteem.

Planspecifiek Voor zowel de te realiseren woningen als de supermarkt is een hoogwaardig duurzaam concept uitgewerkt. Hierbij is zowel aandacht besteed aan gebouwgebonden zaken (o.a. circulaire materialen, hoogwaardige isolatie en duurzame energieopwekking, alsmede aan de inrichting van de buitenruimte (klimaatadaptatie). Belangrijke uitgangspunten voor het plan zijn:   

versterken van de ecologische hoofdstructuur; klimaatadaptieve ecologische openbare ruimte; toepassen innovatieve duurzame toepassingen.

Concreet wordt de supermarkt aan de Buizerdlaan uitgevoerd als een klimaatbestendig, volledig gasloos en nul-op-de-meter gebouw (en openbare ruimte). In het voorlopige ontwerp zijn daartoe 1.700 zonnepanelen geplaatst op het dak van het gebouw en boven de parkeerplaatsen. De woningen worden conform het gemeentelijke beleid minimaal energieneutraal (BENG 3 = 100%) opgeleverd, waarmee de energieprestatie beter is dan nul-op-de-meter woningen. Daarbij dienen de woningen minimaal GPR score van 8 te krijgen. Om aan deze uitgangspunten te voldoen worden de daken van de woningen optimaal benut voor zon op dak en/of klimaatadaptatie. Versterken ecologische hoofdstructuur en klimaatadaptatie De projectlocatie wordt aan de west- en zuidzijde begrensd door een ecologische structuur, onderdeel van een grotere ecologische structuur door en rondom Nieuwegein. De voorgestelde ontwikkeling sluit aan op deze structuur en maakt gebruik van de bestaande kwaliteiten en versterkt deze waar mogelijk. De versterking vindt plaats door realisatie van een nieuwe zijarm, welke een

planstatus vastgesteld

referentie BPDO2022HER001 / 192681

pagina 34 van 109

groenbuffer vormt tussen het terrein van de supermarkt en het woningblok (zie afbeelding 6 in paragraaf 2.3). Op deze manier worden de woningen aan drie zijden begrensd door kwalitatief hoogwaardig groen. In deze groenbuffer worden diverse paden aangelegd die de woningen niet alleen met de supermarkt, maar ook met de groene ruimte langs de A2 (ecologische verbindingszone met water) en de bestaande speeltuin verbinden. Dit nodigt uit tot wandelen, ook voor de overige bewoners van de wijk. In de groene gebieden worden ook meerdere wadi’s aangelegd om water te kunnen bergen. Daarmee worden in de omgeving zowel natte als droge gebieden gerealiseerd, hetgeen leidt tot een bijdrage aan de biodiversiteit. Het maaiveld in het projectgebied zal bestaand uit een mix van gazon grassen, gebieden met ruige bloemrijke graslanden en gebieden met heesters/struikgewas. Voor de heesters/struikgewas worden soorten geselecteerd welke een positieve bijdrage leveren aan de biodiversiteit. In de wadi’s in het park wordt een mengsel voor bloemweides toegepast, speciaal geselecteerd voor boomgaarden, aantrekkelijk voor insecten zoals bijen hommels en vlinders. Door ruige bloemrijke graslanden toe te voegen in delen van de openbare ruimte, zoals de wadi’s en greppels, wordt de biodiversiteit verbeterd en voegen we meer kleur toe.

Daarnaast zijn de graslanden minder intensief in onderhoud, waar deze maar 2x per jaar gemaaid hoeven worden in plaats van 20x voor het normale gazon gras. De mandelige gebieden zullen worden onderhouden door bewoners, en de openbare ruimte door de gemeente Nieuwegein. Innovatie duurzame toepassingen Het stedenbouwkundig ontwerp van de Buizerdlaan kent een groen blauwe ruggengraat met de toevoeging van een ecologische structuur, welke een natuurlijke buffer vormt tussen de woningen en de supermarkt Het verbinden van groen, de woningen en de supermarkt is een belangrijke maatregel voor de gezondheid en de leefbaarheid van de bewoners van de Buizerdlaan. Voor de woningen valt te denken aan bovengrondse hemelwaterafvoer en het dak te gebruiken als vijfde gevel ten bate van duurzame oplossingen. Door de toepassing van goed georiënteerde daken is optimale opbrengst uit zonnepanelen en/of zonnecollectoren mogelijk. Daken zonder installaties worden ingericht ten behoeve van het innovatief omgaan met water en/of groen. Voor de duurzaamheid zal voldaan worden aan de geldende bouwbesluit normen en daar waar de oriëntatie goed is kunnen extra zonnepanelen worden aangeboden. Voor de woningbouw is het uitgangspunt minimaal energieneutraal (BENG 3 = 100%) en is het streven naar een energieprestatie beter dan nul-op-de-meter woningen.

Concreet wordt de supermarkt aan de Buizerdlaan uitgevoerd als een klimaatbestendig, volledig gasloos en nul-op-de-meter gebouw (en openbare ruimte). In het voorlopige ontwerp zijn daartoe 1.700 zonnepanelen geplaatst op het dak van het gebouw en boven de parkeerplaatsen. Om dit planologisch mogelijk te maken is in dit bestemmingsplan ter plaatse van het beoogde parkeerterrein de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - overkapping' opgenomen.

planstatus vastgesteld

referentie BPDO2022HER001 / 192681

pagina 35 van 109

Afbeelding 15: Impressie parkeerterrein Lidl inclusief overkappingen met zonnepanelen Met onder andere deze toepassingen sluit de planontwikkeling aan op de ambities en het beleid van de gemeente Nieuwegein voor duurzaamheid en klimaatbestendigheid.

planstatus vastgesteld

referentie BPDO2022HER001 / 192681

pagina 36 van 109

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1

Archeologie en cultuurhistorie

4.1.1

Toetsingskader

In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds juli 2016 is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die (naar verwachting) in 2021 in werking zal treden. Het archeologiebeleid van de gemeente Nieuwegein inzake het plangebied staat verwoord in de Erfgoedverordening Nieuwegein 2020, dat bestaat uit een beleidsnota en een kaartenserie, waaronder een archeologische beleidskaart. Op de laatstgenoemde kaart is per zone vastgelegd welke archeologische verwachting een gebied heeft. 4.1.2

Onderzoek

Het plangebied ligt volgens de beleidsadvieskaart in een Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied (AWV-3). Aan dit gebied zijn in het beleid aanvullend vrijstellingsgrenzen geformuleerd. Initiatieven die kleiner zijn dan 2500 m 2 en niet dieper reiken dan 150 cm-maaiveld worden vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Omdat de voorgenomen ingreep de vrijstellingsgrenzen voor dit gebied overschrijdt, geldt op basis van het bestemmingsplan een archeologische onderzoeksplicht. De ingrepen vinden namelijk plaats over het hele oppervlak van het plangebied (1,9 ha) en vanwege het aanbrengen van heipalen wordt het dieptecriterium ook overschreden (>150 cm -Mv). Voor de planontwikkeling aan de Buizerdlaan 12 is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 3. Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, bepalen van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen.

Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is vastgesteld dat in het plangebied sprake is van een hoge archeologische verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode Laat Mesolithicum-Vroeg-Neolithicum. Naar aanleiding hiervan is een karterend booronderzoek uitgevoerd om vast te stellen of en in hoeverre er in het plangebied daadwerkelijk sprake is van een archeologische vindplaats. Dit vervolgonderzoek is opgenomen in Bijlage 4.

planstatus vastgesteld

referentie BPDO2022HER001 / 192681

pagina 37 van 109

Het vervolgonderzoek betreft een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), karterende fase. Het doel van het Inventariserend Veldonderzoek is het aanvullen en toetsen van de archeologische verwachting. Op basis van de resultaten van het karterende booronderzoek kan de hoge archeologische verwachting die voor het plangebied was opgesteld in voorgaand onderzoek worden bijgesteld naar laag. Dit is gebaseerd op het ontbreken van archeologische indicatoren in de opgeboorde grondmonsters. De kans dat zich hiermee een vindplaats in de ondergrond van het plangebied bevindt, is klein. De beoogde plannen voor het realiseren van een woonwijk in het gebied kunnen op basis van de uitgevoerde archeologische onderzoeken door gaan. Als er tijdens de werkzaamheden vondsten worden gedaan waarvan men weet of redelijkerwijze kan aannemen dat deze archeologisch waardevol zijn, dient dit direct gemeld te worden bij het bevoegd gezag, de gemeente Nieuwegein. Ten aanzien van cultuurhistorie wordt opgemerkt dat er binnen het plangebied geen cultuurhistorische waardevolle gebouwen en/of elementen aanwezig zijn. Ter plaatse van de Kauwenhof wordt uitsluitend de vestiging van een supermarkt verboden in de planregels. Van fysieke wijzigingen of verruiming van de planregels is geen sprake. 4.1.3

Conclusie

De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.2

Bodem

4.2.1

Toetsingskader

Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Bovendien dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien gebouwen worden gerealiseerd voor menselijk verblijf. 4.2.2

Situatie plangebied

Door Lievense CSO is in 2016 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar de bodemkwaliteit binnen het plangebied. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 5. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt het volgende:   

 

Tijdens het veldonderzoek zijn in de bodem plaatselijk sporen puin aangetroffen. Verder zijn geen asbestverdachte materialen of andere bodemvreemde materialen aangetroffen. In de bovengrond en ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aanwezig. In het grondwater zijn licht tot matig verhoogde concentraties barium en licht verhoogde concentraties cadmium, koper, lood, nikkel, zink, xylenen, naftaleen en 1,2-dichloorethenen aangetroffen. De verhoogde concentraties xylenen en barium kunnen beschouwd worden als van nature verhoogde achtergrondconcentraties. De hypothese dat de locatie onverdacht is voor bodemverontreiniging, dient formeel te worden verworpen. Dit vanwege de licht tot matig verhoogde concentraties in het grondwater. De aangetoonde verhoogde concentraties in het grondwater brengen geen onaanvaardbare risico's met zich mee.

Door Wareco is in 2021 een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd naar de bodemkwaliteit binnen het plangebied. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 6. Om een completer beeld te krijgen van de bodemkwaliteit binnen het herontwikkelingsgebied zijn verschillende deellocaties onderscheiden:

planstatus vastgesteld

referentie BPDO2022HER001 / 192681

pagina 38 van 109

     

Deellocatie A: verkennend bodemonderzoek voormalige bebouwing Buizerdlaan 12. Deellocatie B: Asbestonderzoek voormalige bedrijfsterrein Buizerdlaan 12. Deellocatie C: Aanvullend bodemonderzoek voormalige watergangen. Deellocatie D: Verkennend bodemonderzoek zuidelijk terreindeel. Deellocatie E: Verkennend bodemonderzoek realisatie nieuwe parallelweg Buizerdlaan. Deellocatie F: PFAS-verbindingen in grond (gehele onderzoekslocatie)

Uit de resultaten van het aanvullend bodemonderzoek blijkt dat in de grond en het grondwater op de locatie maximaal licht verhoogde gehalten zijn aangetroffen. Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek door Lievense CSO uit 2016 en het aanvullend bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen bezwaren tegen de voorgenomen bouwplannen. De algemene bodemkwaliteit voldoet aan “achtergrondwaarde”. Deze kwaliteit voldoet aan de gewenste toekomstige functie “wonen” (wonen met tuin) of “industrie” (bedrijf). Er zijn verder geen lokale gevallen van sterke verontreiniging aangetroffen. De bodemkwaliteit vormt daarom geen belemmering voor de geplande bestemmingswijziging. De PFAS gehalten vormen bij grondverzet een aandachtspunt, maar vormen geen belemmering voor wijziging van de bestemming. Ter plaatse van de Kauwenhof wordt uitsluitend de vestiging van een supermarkt verboden in de planregels. Van fysieke wijzigingen of verruiming van de planregels is geen sprake. 4.2.3

Conclusie

Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.3

Flora en fauna

4.3.1

Toetsingskader

De Wet natuurbescherming vormt het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de ecologische soortenbescherming en ecologische gebiedsbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Bij een ruimtelijke ingreep moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de op grond van de Wet natuurbescherming gestelde regels. Soortenbescherming Soortenbescherming is onder de Wet natuurbescherming geregeld op basis van een drietal verschillende beschermingsregimes, namelijk voor vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten. Voor al deze soorten geldt dat het verboden is ze opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eventuele eieren opzettelijk te vernielen, om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om beschermde plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Hiervan kan onder andere sprake zijn bij het kappen van bomen, het slopen van gebouwen of het storten en afgraven van gronden. Gebiedsbescherming Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland.

Projecten of andere handelingen en plannen die negatieve effecten op deze beschermde gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel (zonder vergunning) niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie).

planstatus vastgesteld

referentie BPDO2022HER001 / 192681

pagina 39 van 109

De Wet Natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op om te zorgen voor de instandhouding van het binnen de eigen provincie gelegen deel van een landelijk ecologisch netwerk; het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen ook wel Ecologische Hoofdstructuur genoemd. Het NNN is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland, dat voldoende robuust is voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 4.3.2

Situatie plangebied

Door Ecogroen is in 2019 een quickscan natuurtoets uitgevoerd naar beschermde natuurwaarden in het plangebied en de directe omgeving. Dit onderzoek is in 2023 geactualiseerd. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 7. Ter plaatse van de Kauwenhof wordt uitsluitend de vestiging van een supermarkt verboden in de planregels. Van fysieke wijzigingen of verruiming van de planregels is geen sprake. Hier is dus geen verder onderzoek naar flora en fauna noodzakelijk. Onderdeel van de quickscan is een literatuuronderzoek en een veldbezoek. Tijdens het veldbezoek is aandacht besteed aan beschermde soorten binnen de Wet natuurbescherming en mogelijke relaties tussen het onderzoeksgebied en beschermde gebieden. Daarnaast is in kaart gebracht of (mogelijke) jaarrond beschermde nesten van broedvogels aanwezig zijn binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Aanwezige bomen zijn gedurende de bomencheck geïnspecteerd op boomholtes en spleten voor vleermuizen. Ook de aanwezige bebouwing is geïnspecteerd op potentiële vaste verblijfplaatsen van vleermuizen. Vervolgens is op basis van het voornemen bepaald welke effecten kunnen optreden op beschermde soorten en gebieden. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Uiterwaarden Lek, dat is gelegen op 6,3 kilometer afstand, ten zuidwesten van het plangebied.

De voorgenomen bestemmingsplanwijziging heeft geen negatieve effecten als gevolg van additionele verstoring door geluid en licht op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Emissie van stikstof kan echter over grotere afstand de natuur beïnvloeden, derhalve is een separate AERIUSberekening uitgevoerd. Deze is opgenomen in Bijlage 8. Uit de Aerius-berekening blijkt dat de totale stikstofemissie tijdens de gebruiks- en de realisatiefase niet leidt tot stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden (depositie is niet hoger dan 0,00 mol/ha/jaar). Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het natuurnetwerk is gelegen op 850 meter afstand, ten zuiden van het plangebied. Vanwege deze afstand en de tussengelegen infrastructuur en bebouwing is negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet te verwachten. Soortenbescherming Ten aanzien van soortenbescherming volgen uit de quickscan de volgende conclusies: 

  

In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor diverse vleermuissoorten. Er worden echter geen negatieve effecten verwacht op essentiële vliegroutes en foerageergebieden in het plangebied en directe omgeving. In het plangebied zijn vaste verblijfplaatsen van algemene, grondgebonden zoogdieren en amfibieën aangetroffen en/of te verwachten. Voor de te verwachten soorten geldt een provinciale vrijstelling. Het plangebied vormt een potentieel leefgebied voor de rugstreeppad. Aanvullend onderzoek moet uitwijzen of de rugstreeppad in het plangebied voorkomt. Er zijn in het plangebied geen vogelsoorten aanwezig of te verwachten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden is broedbiotoop aanwezig voor algemene vogelsoorten van struwelen en bomen en daken.

planstatus vastgesteld

referentie BPDO2022HER001 / 192681

pagina 40 van 109

In het plangebied zijn geen standplaatsen van flora of vaste verblijfplaatsen van reptielen, vissen en ongewervelden aangetroffen of te verwachten die bescherming genieten.

Bij de geplande ingrepen kunnen enkele exemplaren en verblijfplaatsen van algemene, grondgebonden zoogdieren en amfibieën met een provinciale vrijstelling verloren gaan. Voor deze soorten geldt in voorliggende situatie automatisch vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze soorten niet aan de orde is. Werkzaamheden die broedbiotopen van aanwezige vogels verstoren of beschadigen dienen te allen tijde te worden voorkomen. Dit is voor de meeste soorten mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten in de periode voor half maart en na eind juli of het plangebied te controleren op broedende vogels en nesten binnen de invloedsfeer van de plannen. Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd, maar is het van belang of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Bij uitvoering van de werkzaamheden in de periodes tussen half februari - half maart en half juli - half december, is het wel van belang om na te gaan of nog bewoonde nesten van vroeg of laat in het seizoen broedende soorten als houtduif aanwezig zijn binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. 4.3.3

Conclusie

Aanvullend onderzoek moet uitwijzen of de rugstreeppad in het plangebied voorkomt. Indien dit het geval is, zal er een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming benodigd zijn. Op basis van de analyse zoals opgenomen in de quickscan blijkt dat, indien noodzakelijk, voldaan kan worden aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming. Derhalve vormt het aspect flora en fauna geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. 4.4

Geluid

4.4.1

Toetsingskader

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. De gemeente Nieuwegein heeft geluidbeleid vastgesteld (Beleid hogere waarden Wet geluidhinder, d.d. 15 april 2009). Hierin zijn de onderstaande relevante eisen opgenomen die voor elke woning geldt:    

Er dient ten minste één geluidluwe gevel aanwezig zijn. De gecumuleerde geluidbelasting op een geluidluwe gevel bedraagt minder dan 55 dB; Indien een woning beschikt over een buitenruimte is ten minste één ruimte niet aan de hoogst belaste zijde gesitueerd; Ten minste één slaapkamer die niet aan de hoogste geluidbelaste zijde is gesitueerd; Bij een gecumuleerde geluidbelasting van meer dan 65 dB (plandrempel in “Actieplan Geluid”) wordt geen hogere waarde verleend.

planstatus vastgesteld

referentie BPDO2022HER001 / 192681

pagina 41 van 109

4.4.2

Situatie plangebied

Het plan betreft de realisatie van 45 grondgebonden nieuwbouwwoningen en een supermarkt. De woningen betreffen geluidgevoelige objecten, de supermarkt niet. Het plan is gelegen binnen de wettelijke geluidzone van de Rijksweg A2, N210/Wijkslootweg/Weg naar de Poort en Buizerdlaan. Door Aveco de Bondt is onderzocht of bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder en de voorwaarden uit het geluidbeleid van de gemeente. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 9. De resultaten van het onderzoek worden per geluidbron omschreven: 

Rijksweg A2: Uit de resultaten blijkt dat de geluidbelasting ten hoogste 51 dB bedraagt, na aftrek artikel 110g Wgh (2 dB). Op 38 woningen is sprake van een overschrijding van de voorkeurswaar de van 48 dB, maar blijft de geluidbelasting binnen de maximale ontheffingswaarde van 53 dB. De overschrijdingen treden alleen op bij de bovenste verdieping (zolder). Omdat sprake is van een overschrijding van de voorkeurswaarde, is verder onderzocht of geluidbeperkende maatregelen mogelijk zijn aan de Rijksweg A2 om zoveel mogelijk te kunnen voldoen aan de voorkeurswaarde. Hieruit blijkt dat het treffen van geluidbeperkende maatregelen stuit op overwegende bezwaren van financiële aard. Het advies is om voor 38 woningen een hogere waarde vast te stellen vanwege de Rijksweg A2 van ten hoogste 51 dB. Er wordt voldaan aan de eisen in het geluidbeleid. N210/Weg naar de Poort/Wijkerslootweg: Uit de resultaten blijkt dat de geluidbelasting ten hoogste 51 dB bedraagt, na aftrek artikel 110g Wgh (2 dB of 5 dB). Op 27 woningen is sprake van een overschrijding van de voorkeurswaar de van 48 dB, maar blijft de geluidbelasting binnen de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. De overschrijdingen treden alleen op bij de bovenste verdieping (zolder).

Omdat sprake is van een overschrijding van de voorkeurswaarde, is verder onderzocht of geluidbeperkende maatregelen mogelijk zijn aan deze wegen om zoveel mogelijk te kunnen voldoen aan de voorkeurswaarde. Hieruit blijkt dat het treffen van geluidbeperkende maatregelen stuit op overwegende bezwaren van verkeerskundige en financiële aard. Het advies is om voor 27 woningen een hogere waarde vast te stellen vanwege de N210/Weg naar de Poort/Wijkerslootweg van ten hoogste 51 dB. Er wordt voldaan aan de eisen in het geluidbeleid. Buizerdlaan: Uit de resultaten blijkt dat de geluidbelasting vanwege de Buizerdlaan ten hoogste 57 dB bedraagt, na aftrek artikel 110g Wgh. Op de 18 woningen is sprake van een overschrijding van de voorkeurswaarde van 48 dB, maar blijft de geluidbelasting binnen de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Omdat sprake is van een overschrijding van de voorkeurswaarde, is verder onderzocht of geluidbeperkende maatregelen mogelijk zijn aan de Buizerdlaan om zoveel mogelijk te kunnen voldoen aan de voorkeurswaarde. Hieruit blijkt dat het treffen van geluidbeperkende maatregelen stuit op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en financiële aard. Het advies is om voor 18 woningen een hogere waarde vast te stellen vanwege de Buizerdlaan van ten hoogste 57 dB. Er wordt voldaan aan de eisen in het geluidbeleid.

Uit het onderzoek blijkt verder dat elke woning in het plan ten minste één gevel heeft waarop de gecumuleerde geluidbelasting niet hoger is dan 55 dB en is hiermee voldaan aan een geluidluwe zijde. Hiermee beschikt elke woning over een buitenruimte die niet aan de hoogst belaste zijde is gesitueerd. Ook kan ten minste één slaapkamer worden gerealiseerd die niet aan de meest geluidbelaste zijde is gesitueerd. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 62 dB en is hiermee niet meer dan 65 dB zoals gesteld in het geluidbeleid. Hiermee is geen sprake van onaanvaardbare effecten als gevolg van de cumulatie van geluid en kunnen hogere waarden worden verleend.

planstatus vastgesteld

referentie BPDO2022HER001 / 192681

pagina 42 van 109

4.4.3

Conclusie

De geluidbelasting van omliggende wegen op het woningbouwplan overschrijdt plaatselijk de voorkeursgrenswaarde, maar blijft binnen de kaders van de Wet geluidhinder en het gemeentelijk geluidbeleid. Hogere grenswaarden dienen te worden vastgesteld voor woningen waar de voorkeursgrenswaarden worden overschreden. Daarmee vormt het aspect geluid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. Er kan voldaan worden aan wet- en regelgeving en er is sprake van een goede ruimtelijke ordening. 4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Toetsingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet Luchtkwaliteit. De Wet Luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden en vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005'. De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om:  

negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken; mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.

De wet voorziet ondermeer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL bevat enerzijds alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren en anderzijds alle ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren. De positieve effecten (maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren) overtreffen de negatieve effecten (ruimtelijke projecten die de luchtkwaliteit verslechteren). Het doel van het NSL is te voldoen aan de Europese grenswaarden voor fijn stof (PM10), zeer fijn stijf (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2). Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe wet geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:    

er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3%) ten opzichte van de grenswaarde (een grenswaarde van 3% staat gelijk aan de bouw van circa 1.500 woningen of 100.000 m² kantoorruimte met één ontsluitingsweg); een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.

Bij ieder ruimtelijke ontwikkeling moet toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaatsvinden, met andere woorden het moet duidelijk zijn welke gevolgen het project heeft voor de luchtkwaliteit. Uitgangspunt is dat de luchtkwaliteit niet verslechtert c.q. dat het project 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. In 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen per amendement in Wet Milieubeheer opgenomen. Het besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van ‘gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Hierbij spelen de volgende onderwerpen een rol: 

Onderzoekszones: Het besluit richt zich op bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Dit zijn vooral kinderen, ouderen en zieken. Daarom zijn in het besluit onderzoekszones ingesteld. Binnen die onderzoekszones is luchtkwaliteit onderzoek benodigd. Voor rijkswegen is deze onderzoekszones 300 meter breed en bij provinciale wegen 50 meter breed. Gevoelige bestemmingen: De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn een gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.

planstatus vastgesteld

referentie BPDO2022HER001 / 192681

pagina 43 van 109

4.5.2

Situatie plangebied

Het beoogde plan betreft de realisatie van maximaal 45 woningen en een supermarkt met een winkelvloeroppervlak van maximaal 1.700 m2. Dit is ruim minder dan de 1.500 woningen en 100.000 m2 kantoorruimte welke als inidcatie voor het overschrijden van de grenswaarden worden genoemd in het Besluit NIBM. Ook al betreft is een supermarkt een andere functie dan kantoorruimte, kan gelet op de aard en omvang van de voorliggende ontwikkeling (en de betreffende achtergrondconcentraties) zondermeer gesteld worden dat voldaan zal worden aan de geldende luchtkwaliteitseisen. Naast de effecten van het onderhavige plan op de luchtkwaliteit, moet worden bezien of er voor de te realiseren woningen voldaan kan worden aan een goed leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Om te bepalen of de plaatselijke luchtkwaliteit voldoet aan de normen voor een goed leefklimaat zijn verschillende bronnen onderzocht (NSL en Atlas Leefomgeving). Indien uit de monitoring blijkt dat de doelstellingen van het NSL niet worden gehaald, kunnen extra maatregelen worden getroffen. Op basis van de geraadpleegde bronnen blijkt dat de achtergrondconcentraties fijn stof (PM10), fijn stof (PM2,5) en stikstofdioxide NO2 ter plaatse van het plangebied ver onder de wettelijke norm zit. In 2020 bedraagt de achtergrondbelasting respectievelijk 19,5 µg/m³ (PM10), 11,9 (PM2,5) en 24,1 µg/m³ (NO2).

Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke normen. Ook wordt voldaan aan het aantal overschrijdingsdagen dat jaarlijks maximaal toelaatbaar is. In de navolgende figuur is een uitsnede van de NSL monitoringstool opgenomen.

Afbeelding 16: Uitsnede kaart luchtkwaliteit (NSL-monitor)

planstatus vastgesteld

referentie BPDO2022HER001 / 192681

pagina 44 van 109

Gelet op de ligging van het plangebied langs de Rijksweg A2 en provinciale weg N210 is toetsing aan het besluit gevoelige bestemmingen relevant. Het deel van het plangebied waar woningbouw voorzien is, is niet gelegen binnen de onderzoekszone van de provinciale weg, maar wel deels gelegen binnen de onderzoekszone van de Rijksweg A2. Er is echter geen sprake van een overschrijding of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Bovendien worden er geen (voor luchtkwaliteit) gevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt binnen het plangebied. Het besluit gevoelige bestemmingen vormt dan ook geen belemmering voor het plan. Ter plaatse van de Kauwenhof wordt uitsluitend de vestiging van een supermarkt verboden in de planregels. Van fysieke wijzigingen of verruiming van de planregels is geen sprake. 4.5.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. Er wordt voldaan aan wet- en regelgeving en er is sprake van een goede ruimtelijke ordening.

4.6

Bedrijven en milieuzonering

4.6.1

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  

ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Bij de ontwikkeling van woningen of andere gevoelige bestemmingen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder als gevolg van (bedrijfs)activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van de gevoelige bestemmingen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies wordt milieuzonering toegepast. Daarbij wordt gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Bij een gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. 4.6.2

Situatie plangebied

Het plangebied kan worden aangemerkt als een gemengd gebied. In de omgeving komen verschillende functies voor, waaronder wonen en kantoordoeleinden. Met de komst van de supermarkt wordt daar nog detailhandel aan toegevoegd. Verder is er een provinciale weg en rijksweg gelegen langs het plangebied. Deze combinatie van factoren maakt het gebied tot een gemengd gebied waar reeds sprake is van een hogere mate van hinder. In een gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind. In de directe omgeving van het plangebied is alleen het ten noorden gesitueerde hotel inclusief vergaderaccomodatie (Fletcher) en een groothandelcentrum voor de schoenenbranche (CAST) relevant in het kader van bedrijven en milieuzonering. Volgens de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) vallen dergelijke bedrijven maximaal in categorie 2. In een gemengd gebied is bij categorie 2 bedrijven sprake van een richtafstand van 10 meter, in een rustig gebied is sprake van een richtafstand van 30 meter. De afstand tussen deze bedrijven en de binnen het plangebied geprojecteerde woningen voldoet ruimschoots aan deze afstand. De afstand bedraagt namelijk meer dan 100 meter. Onderlinge hinder is uit te sluiten.

planstatus vastgesteld

referentie BPDO2022HER001 / 192681

pagina 45 van 109

Binnen het plangebied wordt een supermarkt voorzien. Een supermarkt betreft een categorie 1 bedrijf. Dit houdt in dat de supermarkt minimaal 10 meter van een zogenoemde rustige woonwijk moet liggen. De afstand tussen de supermarkt, de binnen het plangebied geprojecteerde woningen en bestaande woningen in de omgeving voldoet ruimschoots aan deze afstand. De afstand bedraagt namelijk meer dan 30 meter. Onderlinge hinder is uit te sluiten. In de navolgende figuur zijn de bijbehorende richtafstand weergegeven op kaart met een verbeelding van het nieuwbouwplan.

Afbeelding 17: Afbeelding richtafstanden Bedrijven en milieuzonering Ter plaatse van de Kauwenhof wordt uitsluitend de vestiging van een supermarkt verboden in de planregels. Van fysieke wijzigingen of verruiming van de planregels is geen sprake. 4.6.3

Conclusie

Het aspect bedrijf- en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening.

planstatus vastgesteld

referentie BPDO2022HER001 / 192681

pagina 46 van 109

4.7

Externe veiligheid

4.7.1

Toetsingskader

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij productie, gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit). Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd:  

het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burger; het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.

Kwetsbare objecten, zoals woningen en functies met veel bezoekers, zijn niet toegestaan binnen de 10-6-contour van het PR rond inrichtingen waarin opslag en productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Naast het feit dat vanuit de Rijksoverheid risiconormen zijn gesteld, laat de wet- en regelgeving ook ruimte aan gemeenten (en provincies) om eigen veiligheidsambities te formuleren. In de Beleidsvisie externe veiligheid (raadsbesluit 2007-403) is aangegeven hoe de gemeente Nieuwegein met deze beleidsvrijheid omgaat. Zo is onder andere in de visie aangegeven dat de gemeente zich het recht voorhoudt om bij nieuwe situaties af te zien van het zogenaamde “stand still"-beginsel voor het groepsrisico, zolang aan de oriëntatiewaarde wordt voldaan. 4.7.2

Onderzoek

Aan hand van de Signaleringskaart EV is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de de Signaleringskaart EV staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In de onderstaande figuur is een uitsnede van de Signaleringskaart EV met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven.

planstatus vastgesteld

referentie BPDO2022HER001 / 192681

pagina 47 van 109

Afbeelding 18: Uitsnede Signaleringskaart Externe veiligheid Uit de signaleringskaart blijkt dat nabij het plangebied een aantal risicobronnen zijn gelegen:   

Een hoge druk aardgasleiding van de Gasunie; Een kerosineleiding van Defensie Pijpleiding Organisatie; de Rijksweg A2 waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.

Door AVIV is onderzoek gedaan naar de externe veiligheidsrisico's. In Bijlage 10 is de rapportage van dit onderzoek opgenomen, de resultaten worden per risicobron samengevat. Uit het rapport van Aviv blijkt dat het groepsrisico niet toeneemt als gevolg van de ontwikkeling. In dat geval kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Deze bestaat uit de volgende onderdelen:    

Het aantal personen in het invloedsgebied van de gasleiding in de nieuwe situatie; De hoogte van het groepsrisico; De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; De mogelijkheden tot zelfredzaamheid in het gebied.

Ter plaatse van de Kauwenhof wordt uitsluitend de vestiging van een supermarkt verboden in de planregels. Van fysieke wijzigingen of verruiming van de planregels is geen sprake. Verder onderzoek naar de effecten op externe veiligheid zijn hier dus niet benodigd. Hoge druk aardgasleiding Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied. In zowel de huidige als toekomstige situatie is het groepsrisico een factor 0.018 ten opzichte van de orientatiewaarde. Volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. De rapportage van AVIV geeft reeds inzicht in de personendichtheid in het invloedsgebied van de buisleiding en de hoogte van het groepsrisico. Voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid dient

planstatus vastgesteld

referentie BPDO2022HER001 / 192681

pagina 48 van 109

het bevoegd gezag de regionale brandweer in de gelegenheid te stellen hierover advies uit te brengen. De bebouwing binnen het plangebied wordt zodanig gepositioneerd dat deze buiten de belemmeringenstrook valt. Kerosineleiding Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied. In zowel de huidige als toekomstige situatie is er geen sprake van een groepsrisico. Dit betekent dat de verantwoordingsplicht van het groepsrisico niet van toepassing is. De bebouwing binnen het plangebied wordt zodanig gepositioneerd dat deze buiten de belemmeringenstrook valt. Rijksweg A2 Het plangebied ligt op een afstand groter dan 200 meter vanaf de A2. De verantwoording van het groepsrisico kan daarom achterwege blijven. Wel dient het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet. Verantwoording groepsrisico De plannen zijn voorgelegd aan de veiligheidsregio in het kader van het vooroverleg. Daarop hebben zij hun advies kenbaar gemaakt in het kader van de verantwoording van de plannen, deze is in de volgende subparagraaf uitgewerkt.

Na aanpassing van enkele opmerkingen, die zijn verwerkt in de plannen, is door de veiligheidsregio ingestemd met de voorliggende plannen. 4.7.3

Verantwoording

Voor de buisleidingen dient het groepsrisico beperkt verantwoord te worden. In een beperkte verantwoording wordt aandacht gegeven aan de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Tevens dient inzicht te worden gegeven in de hoogte van het groepsrisico en het aantal personen in het invloedsgebied van de gasleiding in de nieuwe situatie. Populatie invloedsgebied gasleiding Het aantal personen in het invloedsgebied van de gasleiding bedraagt in de toekomstige situatie 4.652 personen. De daadwerkelijke aanwezigheid daarvan varieert gedurende de dag, afhankelijk van de functie (wonen of werken). Hoogte groepsrisico In zowel de huidige als toekomstige situatie is het groepsrisico een factor 0.018 ten opzichte van de oriëntatiewaarde. Bestrijding en beperking Maatgevend scenario Grondroeren, het verrichten van grondwerkzaamheden door derden in de nabijheid van deze leiding, is de voornaamste risicofactor . Door breuk of beschadiging van de leiding vindt uitstroming van gas onder hoge druk plaats. Directe ontsteking van het ontsnapte gas bij een breuk resulteert in een vuurbal gevolgd door een brandende verticale fakkel (jet) . Deze kan zoveel warmtestraling afgeven dat tot een effectafstand van 50 meter (1e ring) onherstelbare schade optreedt en branden veroorzaakt. Tot 95 meter kunnen secundaire branden optreden (2e ring), tot 160 m is er geen of lichte schade.

De geplande woningen en de supermarkt in het plangebied vallen hiermee binnen de 1e en 2de ring waardoor bij een incident met de hogedruk aardgasleiding gewonden te verwachten zijn met (zware) brandwonden en mogelijk dodelijke slachtoffers.

planstatus vastgesteld

referentie BPDO2022HER001 / 192681

pagina 49 van 109

Rampenbestrijding Het aardgas dat door het transportleidingennet getransporteerd wordt is geurloos, al zijn eventuele kleine verontreinigingen meestal wel te ruiken. Daardoor kan bij een klein gat (ponsgat tot ca. 20 mm) het enige tijd duren voordat de lekkage ontdekt wordt. Bij een dergelijke lekkage zal de druk in het buisleidingensysteem niet noemenswaardig veranderen waardoor zowel de leidingbeheerder als afnemer niets significants opmerken. Wanneer lekkage ontdekt wordt en de melding binnenkomt bij de brandweer, politie of leidingbeheerder (Gasunie) zullen deze de relevante instanties alarmeren en zich naar de plaats van het incident begeven. Als de veiligheid in het geding is zal de Gasunie starten met het inblokken van de leiding. De Gasunie beschikt over een 24-uurs wachtdienst, waarvan de deskundige zich zo snel mogelijk ter plaatse begeeft om de situatie te beoordelen. De opkomsttijd kan 0,5 tot 2,5 uur bedragen, maar tijdens het aanrijden is deze wel telefonisch beschikbaar. Ook heeft de Gasunie een "SOS-contract" met een gespecialiseerde firma voor het leveren van specialistisch materieel en deskundigheid tijdens een incident. Dit bronbestrijdingsteam heeft onder andere als taak het lek te beheersen.

In geval een incident is geëscaleerd tot een fakkelbrand kan als gevolg van de hittestraling de brandweer niet optreden in de 1e ring en nauwelijks optreden in de 2de ring. In de 2de ring zal de brandweer zich beperken tot een eventueel redden van slachtoffers zover dit mogelijk is, brandbestrijding is nauwelijks mogelijk. Hoofdzakelijk zal de brandweer zich, tot de gastoevoer is afgesloten door de Gasunie, richten op verdere uitbreiding voorkomen van branden vanaf de 3de ring. Pas na het afsluiten van de gastoevoer kan de brandweer de 1ste en 2de ring goed betreden om aanwezige branden te blussen en eventuele slachtoffers te redden. De brandweer dient snel te kunnen beschikken over voldoende bluswater, zowel primaire (brandkranen) als ook secundaire (geboorde put) of tertiaire (open water), om branden te kunnen bestrijden. In afstemming met de Veiligheidsregio en de gemeente zullen de initiatiefnemers voor voldoende voorzieningen zorgen, zo worden de verschillende ongevalsscenario's meegenomen in de noodplannen van de Lidl. Zelfredzaamheid Onder zelfredzaamheid wordt de mogelijkheid verstaan om zichzelf in geval van een incident tijdig in veiligheid te kunnen brengen. Dat wil zeggen dat omwonenden en ook medewerkers zonder hulp van hulpdiensten op een plaats weten te komen waar zij de schadelijke effecten niet ondervinden.

Aard en aantal van de ontsluitingswegen in het plangebied is voldoende te noemen. In het plangebied komen geen objecten met verminderde zelfredzaamheid voor (zoals bejaardentehuizen of kinderdagverblijven). In geval van een lekkage is het mogelijk het plangebied te ontvluchten indien het falen van de leiding tijdig herkend wordt. Op het moment dat een lekkage of breuk van de leiding resulteert in een fakkelbrand hebben de aanwezigen binnen de 1ste ring echter nauwelijks mogelijkheden tot zelfredzaamheid vanwege de grote hittestraling, personen die buiten zijn hebben geen overlevingskans. Personen die binnen verblijven hebben de grootste overlevingskans wanneer zij binnen blijven en zich zoveel mogelijk beschermen tegen hittestraling. Conclusie De hoogte van het groepsrisico in de huidige situatie wordt acceptabel geacht. Deze bedraagt 0,18 x de oriëntatiewaarde en neemt niet (waarneembaar) toe na de ontwikkeling. Daarmee achten wij tevens de kans op het optreden van een ramp of zwaar ongeval acceptabel. Over de risico's en mogelijke handelingsperspectieven zal communicatie plaatsvinden, in samenhang met de risico's van de gasleiding.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwegein&id=6933bd79-71cc-47bd-a589-61637f92abb1