CConstaterende datNieuwegein
Koppel je AI →
Document · PDF

2022-315 Bijlage 4 BP Structuurbaan_TOELICHTING.pdf

Raadsvergadering 13 oktober 2022, gemeente NieuwegeinBij agendapunt: Voorstel over vaststelling van het bestemmingsplan Structuurbaan22.739 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Nieuwegein - Structuurbaan

28

zijn geen gierzwaluwen binnen het plangebied aangetroffen. Voor het tegengaan van negatieve effecten zijn mitigerende en compenserende maatregelen in de vorm van het aanbieden van minimaal 2 (geschikte) alternatieve nestplaatsen noodzakelijk. Deze nestplaatsen zijn op 26 mei 2021 geplaatst. Om zorg te dragen voor een juiste uitvoering wordt geadviseerd te werken met een Ecologisch werkprotocol. Voorafgaande en tijdens de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de aanwezige soorten die vallen onder het zorgbeginsel van de Wet natuurbescherming. Voor de ruimtelijke plannen is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. In verband met de aanwezigheid van 1 nestplek van de huismus, is het noodzakelijk om 2 alternatieve nestplaatsen aan te bieden. De kans op aanwezigheid van vleermuizen is niet aannemelijk, een afdoend onderzoek is niet nodig. Op de planlocatie zijn twee watergangen te vinden, algemeen voorkomende amfibieën zijn hier niet uit te sluiten, maar geeft geen reden tot vervolgonderzoek. Ten behoeve van het plan is eveneens geen ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gezien de omgeving is de kans op aanwezigheid van algemeen voorkomende broedvogels aanwezig. Op de planlocatie is er mogelijkheid voor algemeen voorkomende broedvogels om te nestelen in de begroeiing en de bomen op het perceel.

Er moet rekening gehouden worden met het broedseizoen voor en tijdens de werkzaamheden op de planlocatie. Gebiedsbescherming Het beschermde Natura 2000-gebied ligt op een afstand van ruim 9 km ten zuidwesten en 11 km ten noorden van de planlocatie. De werkzaamheden betreffen sloop en nieuwbouw. De kans dat er een significante wijziging in de emissie is, is aanwezig. Een berekening van de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden is noodzakelijk en uitgevoerd, gezien de aard van de werkzaamheden. Andere aantastingen van kwalificerende habitats of soorten in het Natura 2000-gebied door de werkzaamheden, kunnen eveneens niet worden uitgesloten. Om te bepalen of er sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden en stikstofdepositie een belemmering vormt voor het voorgenomen plan, is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. De uitkomsten van deze berekening worden besproken in paragraaf 4.1.3. Algemene zorgplicht Voorts geldt bij uitvoering van werkzaamheden ten allen tijde een de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wet natuurbescherming). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Dit betekent dat wanneer tijdens uitvoering van de werkzaamheden een algemeen beschermde soort als konijn, veldmuis of gewone pad wordt aangetroffen zij de ruimte en tijd moet krijgen om een veilig heenkomen te zoeken.

Indien nodig kunnen aangetroffen exemplaren verplaatst worden naar een naastgelegen ruimte waar geen werkzaamheden uitgevoerd worden. 4.1.3

Stikstofdepositieberekening

Sinds 2015 was het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS) van kracht. Het programma bevatte een integrale beoordeling van de bron- en gebiedsgerichte maatregelen voor de aanpak van de stikstofproblematiek. Deze maatregelen werden getroffen in en nabij de Natura 2000-gebieden die onderdeel zijn van het PAS. Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603) geldt het PAS voor geen enkel Natura 2000-gebied meer. Dit betekent ook dat de collectieve passende beoordeling via het PAS door de uitspraak is komen te vervallen. Met de AERIUS Calculator kunnen de effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op Natura 2000-gebieden worden bepaald. Door de uitspraak is in het kader van dit bestemmingsplan ook gekeken naar de mogelijk te verwachten effecten. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied betreft 'Uiterwaarden-Lek' op een afstand van circa 9 kilometer. Van belang is dat de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) op 1 juli 2021 in werking is getreden. In de Wsn is een partiële vrijstelling van de natuurvergunningplicht opgenomen voor bouwactiviteiten in de bouw-, aanleg- en sloopfase, waarin emissies tijdelijk en beperkt zijn. Daarmee

Nieuwegein - Structuurbaan

29

hoeft de stikstofdepositie voor de bouw-, aanleg- en sloopfase niet meer te worden berekend en verschuift de nadruk naar de structurele uitstoot die een project in de gebruiksfase veroorzaakt. Er is door Kubiek Ruimtelijke Plannen op 27 januari 2022 een stikstofdepositieberekening uitgevoerd met behulp van de AERIUS Calculator om de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied te bepalen ten gevolge van een ruimtelijke ontwikkeling (zie bijlage 3 en 4). Er zijn geen rekenresultaten gevonden hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. 4.1.4

Conclusie

Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit de flora- en faunaregelgeving geen beperkingen worden opgelegd aan onderhavig initiatief. Voor het tegengaan van effecten zijn mitigerende en compenserende maatregelen in de vorm van het aanbieden van minimaal 2 (geschikte) alternatieve nestplaatsen noodzakelijk. Middels de stikstofdepositieberekening is aangetoond dat er geen rekenresultaten gevonden zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. 4.2

Bodemkwaliteit

4.2.1

Wettelijk kader

De Wet Bodembescherming schrijft voor dat in het kader van een ruimtelijk planologische procedure moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het gewenste nieuwe gebruik. De bodemkwaliteit kan (negatief) van invloed zijn op de gewenste nieuwe ontwikkeling. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van een dergelijk onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. 4.2.2

Resultaten onderzoek

Voorliggend initiatief voorziet in een toename van het aantal woningen. Er is in 2014 een onderzoek gedaan naar de nulsituatie wat betreft bodem. Ook is er door Linge Milieu bv een onderzoek gedaan naar de bodemkwaliteit op 2 juni 2017 (bijlage 5 en 6). De bodem bestaat uit siltige klei, overgaand in grijs zand op 2.0 á 2.5 m-mv. Op een groot deel van de voormalige boomgaard is een half-verharding van menggranulaat aangebracht. Deze laag heeft een dikte van 0.3 tot 0.5 meter en is geen onderdeel van de bodem. Er is buiten het menggranulaat geen puin van betekenis in de grond waargenomen. Volgens het kadaster is er voor percelen 3325 en 3327 een saneringsplicht. Grond De grond direct onder de half-verharding ter plaatse van de voormalige boomgaard is niet verontreinigd; Voor geen van de stoffen uit het NEN 5740-pakket wordt daarin een achtergrondwaarde overschreden. In de grond waar de sloot langs de westkant van het bedrijfsterrein mee is gedempt is lood als enige licht verhoogd. Van de bestrijdingsmiddelen zijn DDD en DDE licht verhoogd. Dit zijn beiden afbraakproducten van DDT. Grondwater Het grondwater ter plaatse van de verdachte deellocatie op het bedrijfsterrein kan als schoon worden beschouwd. Alleen voor barium wordt de streefwaarde overschreden.

De kwaliteit van het grondwater in de drie peilbuizen komt overeen met de kwaliteit zoals vastgesteld bij eerder onderzoek, in oktober 2014. Ook toen waren olie en aromaten nergens boven de streefwaarde verhoogd. Geconcludeerd kan worden dat de activiteiten van Koop Bronbemaling BV de afgelopen drie jaar niet geleid hebben tot enige verontreiniging in het grondwater.

Nieuwegein - Structuurbaan

30

In juni en augustus 2020 is door Linge Milieu bv een actualisatie-bodemonderzoek inclusief asbest uitgevoerd (Bijlage 7). Aanleiding voor het onderzoek is de mogelijke ontwikkeling van de locatie. Doel van het onderzoek is het actualiseren en aanvullen van de resultaten van eerder onderzoek. De belangrijkste conclusies zijn als volgt. De bodem van het terrein bestaat uit klei, overgaand in zand op 2.5 á 3.0 m-mv. Bij het onderzoek is voornamelijk klei of zandige klei waargenomen, plaatselijk overgaand in zand op 1.5 m-mv. De meeste boringen zijn tot 2.5 m-mv kleiig. De bovengrond op het zuidelijk deel van het terrein is sterk puinhoudend. Deze laag heeft een dikte van 0.3 á 0.5 meter. Er is visueel nergens asbest-verdacht materiaal aangetroffen. Grond De zandige en kleiige boven- en ondergrond van het terrein aan de Structuurbaan is wat betreft de stoffen uit het standaard NEN 5740-pakket niet boven de tussenwaarde verontreinigd. De aanwezigheid van puin resulteert dus niet in daadwerkelijke verontreiniging. Bestrijdingsmiddelen Er zijn zes grondmonsters van de grond direct onder de opgebrachte laag puin en zand op bestrijdingsmiddelen geanalyseerd. In één wordt voor DDE de interventiewaarde overschreden. Dit is een boring binnen de verontreinigingscontour van 2004.

In andere boringen, ook binnen de bekende verontreinigingscontour zijn maximaal licht verontreinigd met bestrijdingsmiddelen (DDE). De bestrijdingsmiddelen zijn in 2004 aangemerkt als geval van verontreiniging. De ernst en omvang van de verontreiniging zullen sinds 2004 niet of weinig zijn gewijzigd. Asbest Visueel is nergens asbest waargenomen. Er zijn vijf mengmonsters van grond en sterk puinhoudend zand op asbest geanalyseerd. Analytisch is door het lab in één van de vijf monsters asbest kleiner dan 20 mm aangetoond. Dit is het mengmonster van de diepere en kleiige ondergrond van de sleuven 4, 5 en 6, aan de westkant van de locatie. Daarin zijn sporen aan puin waargenomen. Het asbest in het monster bestaat uit twee stukjes, met een grootte tussen 8 en 20 mm. De stukjes zijn door het lab omschreven als hecht-gebonden chrysotiel en crocidoliet en resulteren in een gewogen gehalte van precies 100 mg/kg ds. Voor asbest in grond en puin is een interventiewaarde (hergebruiksnorm) van toepassing van max 100 mg/kg ds. Dat houdt in dat grond of puin met een gewogen asbestgehalte boven de 100 mg/kg ds niet herbruikbaar is als grond of puin. Conclusie van het onderzoek is dat het puin of de puinhoudende grond van de locatie aan de Structuurbaan niet boven de hergebruiksnorm verontreinigd is met asbest. Grondwater Het grondwater stond op het moment van het onderzoek op circa 1.2 m-mv.

Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Dit metaal is landelijk verhoogd en niet specifiek voor het terrein aan de Structuurbaan zelf. Conclusies en aanbevelingen De bestrijdingsmiddelen op het zuidelijk deel van het terrein zijn aangemerkt als geval van verontreiniging. Bij wijze van sanering is in 2008 een laag schoon zand en menggranulaat aangebracht, als isolatie-maatregel. Afhankelijk van de toekomstige inrichting van het terrein zullen maatregelen genomen moeten worden voor de (rest)verontreiniging met bestrijdingsmiddelen. Als de laag menggranulaat en schoon zand wordt gehandhaafd bij de ontwikkeling zijn verdere maatregelen niet nodig. Deze laag is onderdeel geweest van sanering en erkend als isolatiemaatregel. Als er wel gegraven moet worden in de verontreinigde grond, dan zal dat door een BRL SIKB 7000-erkend aannemer uitgevoerd moeten worden. Mogelijk kan dat op basis van een BUS-melding. Gezien de status van de bestrijdingsmiddelen als restverontreiniging zou dat overlegd moeten worden met het bevoegd gezag in deze, RUD Utrecht, namens Gemeente Nieuwegein.

Nieuwegein - Structuurbaan

31

Aanbevolen wordt onderzoek naar PFAS uit te voeren als bekend is welke grond afgevoerd moet gaan worden voor de ontwikkeling van het terrein. Als er voor de afvoer van grond partijkeuring uitgevoerd nodig is, dan moeten deze partijen standaard op PFAS worden gekeurd. Naar aanleiding van het bodemonderzoek is een BUS-melding gedaan. Deze is bijgevoegd in bijlage 8. 4.2.3

Conclusie

Op basis van de resultaten van het bodemonderzoek blijkt er vanuit het aspect bodem beperkte belemmeringen zijn voor onderhavig initiatief. Volgens het kadaster is er voor meerdere percelen binnen het ontwikkelingsgebied een saneringsplicht (bestrijdingsmiddelen en PAK). De grond zal gesaneerd worden. De BUS-melding voor deze sanering is bijgevoegd als bijlage 8. Na de nog te verrichte bodemsanering zal de grond geschikt voor het beoogd gebruik. Tevens zal voor het oostelijk deel een aanvullend bodemonderzoek worden verricht om ook een compleet beeld te krijgen van de verontreinigingssituatie. 4.3

Cultuurhistorie en archeologie

4.3.1

Wettelijk kader

Vanaf 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van archeologische en cultuurhistorische waarden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaal belang wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarin heeft en hoe het toezicht wordt geregeld. Als gevolg van deze wet wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het erfgoed meegewogen zoals alle andere aspecten die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. 4.3.2

Cultuurhistorie

Het plangebied kent geen aanduiding als rijks- of gemeentelijk monument en is niet aangemerkt als beeldbepalend of karakteristiek in het geldende bestemmingsplan. De omgeving en het landschap worden deels aangeduid als cultuurhistorisch waardevol. Het plangebied valt binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinie welke sinds 26 juli 2021 is opgenomen op de Werelderfgoedlijst van UNESCO. Op het plangebied is artikel 7.2 van de Interim omgevingsverordening van toepassing. Dit artikel ziet toe op het behouden, in stand houden en zo mogelijk versterken van de UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies. De uitzonderlijke universele waarde van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zoals besproken in paragraaf 3.1.2 worden met het voorgenomen plan niet geschaad. Om de universe waarden te borgen binnen het plangebied is voor een deel van de gronden de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' opgenomen. Deze dubbelbestemming ziet toe de bescherming en het behoud van aanwezige cultuurhistorische waarden, bestaande uit onder andere een oud bewoningslint langs ontginningsas, met stroken verkaveling en de cultuurhistorische waarde van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Zo blijft een deel van een oud bewoningslint ook in voorliggend plan herkenbaar. Tussen de nieuwbouw en het lint blijft een groene zone behouden.

Deze groene zone krijgt de enkelbestemming 'Groen', waardoor op deze locatie geen gebouwen gebouwd mogen worden. Tevens geldt voor een groot gedeelte van deze groenzone de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie'. In 2012 heeft de gemeente een interdisciplinaire studie gemaakt naar het aardkundige, historisch geografisch, historisch-bouwkundig en stedenbouwkundig erfgoed in de gemeente Nieuwegein. Deze studie heeft geleid tot het RAAP-Rapport 2538 “Jonge stad, oude kwaliteiten”. In het rapport zijn adviezen opgenomen hoe om te gaan met de diverse landschappen. Het plangebied valt binnen het bewonerslint van De Malapertweg. Voor het oude bewonerslint is de volgende ontwikkelingsrichting beschreven, waarbij gelijk is aangegeven hoe het plan rekening houdt met de gegeven punten: a. Handhaaf het karakter door geen nieuwe bebouwing toe te staan en zeer terughoudend te zijn bij uitbreiding van bestaande bebouwing. Er is een overgangszone bestemd met een dubbelbestemming voor cultuurhistorie, waardoor

Nieuwegein - Structuurbaan

32

openheid wordt geborgd. Dit is in lijn met het geldende bestemmingsplan waarin voor de overgangszone een agrarische bestemming was toegekend. b. Structuur bij voorkeur bestemmen voor langzaam verkeer. De woonbuurt zal enkel bestemmingsautoverkeer aantrekken. De cultuurhistorische zone is enkel bestemd voor voetgangers en bestemmingsfietsverkeer. c. Weg niet verbreden of indien mogelijk terugbrengen naar vroegere breedte. De Malapertweg wordt niet verbreed en de ontsluiting van de nieuwe woonbuurt verloopt via de Structuurbaan/Archimedesbaan. Het wegprofiel binnen het plangebied is dorps (ca. 4,8 meter) maar wel passend aan de minimale eisen die in de huidige tijd gelden voor de hulpdiensten. d. Laanbeplanting streven naar doorgaande continue structuur. In het huidige plan wordt deze structuur van rijbaan met laanbeplanting toegepast. e. Op- en afritten over sloten of weteringen via bruggen, indien toch via duikers dan deze smal houden. In de huidige stedenbouwkundige opzet wordt met een knipoog naar deze structuur van bruggen en dammen verwezen. Op diverse plekken binnen het plan grenst de wadi direct aan de voortuin. Woningtoegangen/inritten worden vorm gegeven als zijnde “dammetjes”. f. Handhaaf de maat van oude perceelindeling, uitbreiding van tuinen, erven of terreinen van naburige woningen of (agrarische) bedrijven over oude perceelgrenzen niet toestaan.

Bij nieuwbouw (bijvoorbeeld bij vervanging van gebouwen) de richting van de stroken en sloten in acht nemen. De cultuurhistorische dubbelbestemming wordt gerespecteerd. De nieuwe bebouwing bevindt zich op voldoende afstand van de Malapertweg. In de stedenbouwkundige opzet is rekening gehouden met de voormalige sloot- en kavelrichting, deze hebben de beoogde stedenbouwkundige opzet bepaald. Hierdoor brengt de gewenste ontwikkeling geen schade toe aan bestaande cultuurhistorische panden of structuren. Met het voorgenomen plan wordt voldaan aan hetgeen wat in artikel 7.2 wordt voorgeschreven. Het plan brengt geen schade toe aan de Nieuwe Hollandse Waterlinie. 4.3.3

Archeologie

Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Voorts geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. De gronden ter plaatse van de gewenste ontwikkeling zijn volgens het bestemmingsplan 'Structuurbaan 30 en achterterrein' verwachtingsgebied voor archeologische vondsten, het heeft een 'waarde archeologie 4' bestemming. Wanneer er groter dan een oppervlakte van 500 m2 wordt gebouwd of dieper dan 30 cm is er verder onderzoek benodigd. Op 23 februari 2021 is om deze reden een archeologisch vooronderzoek opgeleverd door RAAP Archeologisch Adviesbureau. De definitieve onderzoeksrapportage is toegevoegd als bijlage 9. Op grond van de onderzoeksresultaten en onder verwijzing naar de doelstellingen, hebben ze de volgende uitspraken gedaan: Het pleistocene oppervlak ligt op 9 tot 13 m diepte en zal door de geplande ingrepen niet worden geraakt. In het plangebied kunnen resten van bewoning worden aangetroffen uit de periode vanaf het Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen in de top van de oeverafzettingen van de stroomgordel van Jutphaas, afgedekt door een pakket kleiige komafzettingen van 70 tot 130 cm dik.

Mogelijk heeft in het plangebied ophoging en/of egalisatie plaatsgevonden waardoor de dikte van dit pakket plaatselijk dikker of dunner kan zijn. Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het plangebied (mogelijk) archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. Daarom wordt geadviseerd om de plannen zodanig aan te passen dat verstoring wordt voorkomen. Dat kan door bodemingrepen binnen het traject van het afdekkende kleipakket uit te voeren waardoor het relevante archeologische niveau niet geraakt

Nieuwegein - Structuurbaan

33

wordt. Ophogingen kunnen helpen om dit niveau ook te sparen op plaatsen waar diepere ingrepen in de bodem noodzakelijk zijn. Ongeacht of planaanpassing mogelijk is, wordt aanbevolen in het kader van de bestaande planvorming de onderstaande vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) te nemen. Om de gespecificeerde verwachting aan te vullen en te verfijnen en om de dikte van het afdekkende kleipakket in detail in beeld te brengen wordt een vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek door middel van een verkennend booronderzoek. Een dergelijk vervolgonderzoek heeft tot doel de opbouw van de ondergrond, de bodemopbouw en/of bodemverstoringen gedetailleerd in kaart te brengen. Aan de hand daarvan kan de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting worden getoetst en kunnen concrete gegevens worden verzameld over gaafheid en diepteligging van de verwachte archeologische resten. Op 1 april 2021 is de rapportage van dit inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) opgeleverd. De definitieve onderzoeksrapportage is samen met het archeologisch vooronderzoek toegevoegd als bijlage 9. Op grond van de onderzoeksresultaten en onder verwijzing naar de doelstellingen, hebben ze de volgende uitspraken gedaan.

Tijdens het veldwerk zijn onder het recente ophogingspakket in de top van de natuurlijke (kom)afzettingen restanten van de oude bouwvoor aangetroffen vanaf 30-65 cm –mv, met name in het noordwestelijk deel van het plangebied, ter hoogte van het AMK-terrein. Afgezien van de bouwvoor zijn in de intacte afzettingen geen aanwijzingen voor een duidelijke cultuurlaag aangetroffen. Op een dieper niveau binnen de natuurlijke afzettingen zijn intacte oeverafzettingen aangetroffen, met lokaal hierin de vorming van een laklaag. Er is op dit niveau geen sprake van een ‘vuile laag’/cultuurlaag. Alhoewel het onderzoek primair verkennend van karakter was, konden met het gehanteerde boorgrid nederzettingen uit de perioden (laat neolithicum/) bronstijd-middeleeuwen met een omvang tussen 500-1200 m2 en met een archeologische laag worden opgespoord. Dergelijke nederzettingen worden op basis van de resultaten niet meer verwacht in het plangebied. Vindplaatsen van kleinere omvang en/of zonder archeologische laag konden hiermee echter niet worden opgespoord. Ten aanzien van de laklaag en de top van de oeverafzettingen blijft de archeologische verwachting voor het aantreffen van dergelijke vindplaatsen uit de periode (laat neolithicum/bronstijd/)ijzertijd-Romeinse tijd en de late middeleeuwen dan ook hoog. De datering van de laklaag is niet bekend.

Op basis van de stratigrafie en de NAP-hoogte kan het gaan om een potentieel archeologisch niveau uit de periode ijzertijd-Romeinse tijd dat in dat geval stratigrafisch is gescheiden van het bovenliggende laatmiddeleeuwse niveau. De mate van diepe verstoring van de oorspronkelijke bodemopbouw is over het gehele plangebied bezien beperkt, getuige de aanwezigheid van (een restant van) de oude bouwvoor. Dit niveau is met name in het noordwestelijk deel van het plangebied waargenomen. Diepere verstoring van het maaiveld uit de nieuwe tijd (en mogelijk late middeleeuwen) en dieper is voornamelijk aanwezig in het zuidoostelijk deel van het plangebied, de zone ten oosten van boring 3 (inclusief bebouwde delen). Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het plangebied op twee stratigrafische niveaus (mogelijk) archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. Aangezien het bovenste niveau aanwezig is vanaf 30-65 cm –mv, lijkt planaanpassing om dit niveau te ontzien bij de voorgenomen ontwikkelingen niet mogelijk, afgezien van het aanbrengen van een integrale ophoging waarbinnen de geplande ontgravingen beperkt kunnen blijven.

Indien planaanpassing niet mogelijk is, of er bijvoorbeeld inderdaad kruipruimtes worden aangelegd, wordt aanbevolen in het kader van de bestaande planvorming de onderstaande vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) te nemen. Geadviseerd wordt om bij graafwerkzaamheden dieper dan 0,3 m -mv een inventariserend veldonderzoek karterende (en eventueel waarderende) fase, bestaande uit een proefsleuvenonderzoek (IVO-P), uit te laten voeren. In april en mei 2021 is een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek (karterend booronderzoek). De rapportage van het inventariserend veldonderzoek

Nieuwegein - Structuurbaan

34

(karterend booronderzoek) is bijgevoegd als bijlage 10. Op grond van de onderzoeksresultaten en onder verwijzing naar de doelstellingen, kunnen de volgende uitspraken worden gedaan: Direct onder het opgebrachte pakket is in vrijwel het gehele plangebied de oude bouwvoor aangetroffen, benoemd als cultuurlaag in het verkennend onderzoek. Hieronder zijn de natuurlijke afzettingen aanwezig in de vorm van oever- op kleiige en zandige geulafzettingen van de Jutphaas stroomgordel. In de oeverafzettingen is op twee niveaus een vegetatiehorizont (laklaag) aanwezig: ca. 0,95 m +NAP en ca. 0,16 m +NAP. Het bovenste (jongste) niveau bevindt zich hoog in het profiel en hangt lokaal direct onder de bouwvoor. De onderste laklaag bevindt zich dieper in de oeverafzettingen en de aanwezigheid hiervan lijkt samen te hangen met de ligging in een lager deel van de kronkelwaard. In het plangebied blijkt de onderste laklaag vermoedelijk onder natte omstandigheden te zijn gevormd in een lager gelegen zone binnen de kronkelwaard van de Jutphaas stroomgordel, min of meer centraal in het plangebied. De datering van dit niveau is niet bekend. Wel kan de verwachting voor de aanwezigheid van nederzettingsresten op dit niveau worden bijgesteld naar een lage verwachting.

Afhankelijk van de precieze aard en datering van deze zone kunnen mogelijk wel losse vondsten worden aangetroffen, die te verwachten zijn in een natte(re) context. In welke periode dergelijke vondsten geplaatst zouden kunnen worden is niet duidelijk. De handmatige bemonstering van de onderste laklaag in de karterende fase van het booronderzoek werd bemoeilijkt door de aanwezigheid van de losse puinlaag aan het maaiveld. De monsters zijn hierdoor zeer waarschijnlijk gecontamineerd met materiaal uit boven gelegen lagen. De in de boringen en monsters aangetroffen indicatoren wijzen in ieder geval op gebruik vanaf de late middeleeuwen en met name in de nieuwe tijd. Of deze indicatoren daadwerkelijk afkomstig zijn uit de bemonsterde niveaus is dus niet duidelijk. Er zijn tijdens het karterend booronderzoek geen indicatoren uit de periode ijzertijd – Romeinse tijd aangetroffen. Op basis van het karterend booronderzoek kan de gespecificeerde archeologische verwachting ten aanzien van het niveau van de cultuurlaag eveneens worden bijgesteld. De cultuurlaag betreft over het gehele plangebied een oude bouwvoor. De hierin aangetroffen indicatoren wijzen op agrarisch gebruik in de periode late middeleeuwen – nieuwe tijd. Er zijn geen aanwijzingen voor huisplaatsen uit de late middeleeuwen aangetroffen.

Sporen van agrarisch gebruik (kuilen, greppels e.d.) kunnen nog wel intact aanwezig zijn. De mogelijkheid dat in de nabijheid van het AMK-terrein met resten van huize Stormerdijk, hieraan gerelateerde grondsporen aanwezig zijn in het plangebied, kan gehandhaafd blijven. De kans hierop zal kleiner worden naarmate de afstand tot het AMK-terrein en de ontginningsas huidige Malapertweg) groter wordt. Dergelijke sporen zijn met een booronderzoek niet (systematisch) te karteren. De bovenkant van de oude bouwvoor is aangetroffen tussen 20 en 95 cm –mv (ca. 1,73 tot 0,63 m +NAP). Een eventueel sporenniveau uit deze perioden is zichtbaar direct onder deze bouwvoor. Stratigrafisch gezien kunnen de oeverafzettingen (met terrestrische laklaag) onder de oude bouwvoor het loopvlak hebben gevormd in de late prehistorie - Romeinse tijd. Dit zou kunnen betekenen dat een sporenniveau uit de ijzertijd/Romeinse tijd onder de oude bouwvoor (en mogelijk onderkant van een laklaag) aanwezig kan zijn. Er is evenwel geen vondstmateriaal aangetroffen dat gedateerd kan worden in deze periode. Voor de aanwezigheid van resten van bewoning (van enige omvang) uit deze periode geldt dan ook een lage verwachting. Aangezien de Jutphaas stroomgordel met name in de Romeinse tijd al intensief in cultuur gebracht was, kunnen op dit niveau wel sporen van agrarisch gebruik worden verwacht.

Deze sporen kunnen bestaan uit onder meer kuilen, greppels, sporen van waterbeheersing en zullen zich aftekenen in de oeverafzettingen onder de bovenste laklaag en/of de oude bouwvoor vanaf ongeveer 65 cm –mv / 0,95 m +NAP. Dergelijke sporen zijn met een booronderzoek niet (systematisch) te karteren. Op basis van het karterend booronderzoek kan richting gegeven worden aan het advies voor het uitvoeren van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P; karterende en waarderende fase). In het gehele plangebied kunnen onder de oude bouwvoor sporen van agrarisch gebruik aanwezig zijn uit de periode late middeleeuwen – nieuwe tijd. Tevens kunnen overige sporen (geen bewoningssporen) gerelateerd aan huize Stormerdijk (AMK-terrein 2953) aanwezig zijn. Deze worden met name verwacht in de zone grenzend aan het AMK-terrein. Een precieze begrenzing

Nieuwegein - Structuurbaan

35

is echter niet aan te geven op basis van het booronderzoek. Op basis van de onderzoeksresultaten van het verkennend en karterend booronderzoek lijkt het logisch te starten met de aanleg van proefsleuven in het noordwesten van het plangebied en van daaruit verder te werken al naar gelang de resultaten in deze zone. Aanvullend hierop kan de landschappelijke setting van de onderste laklaag nader worden onderzocht en eventuele hieraan gerelateerde archeologische resten worden opgespoord. In de zuidoostelijke zone van het plangebied, ter hoogte van de huidige bebouwing en omringende verharding, heeft het booronderzoek weinig informatie opgeleverd over de bodemopbouw en/of de aanwezigheid van archeologische resten. Naar verwachting is de bodemopbouw onder de bebouwing verstoord tot onder de oude bouwvoor. Rondom de bebouwing is in het merendeel van de wel geslaagde boringen de bodemopbouw verstoord tot onder de oude bouwvoor. Naar verwachting zullen eventueel aanwezige archeologische resten deels verstoord zijn en zal de informatiewaarde gering zijn. Wellicht kan de uitvoering van het proefsleuvenonderzoek in deze zone (zone 2 op figuur 8) afhankelijk gesteld worden van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek in het meer kansrijke deel van het plangebied (noordelijk deel van zone 1 op figuur 8).

Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het plangebied (mogelijk) archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. Daarom wordt geadviseerd om de plannen zodanig aan te passen dat verstoring wordt voorkomen. Dat kan door de bodemingrepen te beperken tot het in het plangebied aanwezige opgebrachte pakket. Indien planaanpassing (plaatselijk) niet mogelijk is, wordt aanbevolen in het kader van de bestaande planvorming de onderstaande vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) te nemen. Dit onderzoek dient meer inzicht te geven in de aard, omvang, datering, diepteligging, gaafheid, conservering en waarde van deze archeologische resten. Dit onderzoek kan bestaan uit een proefsleuvenonderzoek (IVO-P; karterende en waarderende fase). Ten behoeve van het proefsleuvenonderzoek is reeds een Programma van Eisen opgesteld. Dit Programma van Eisen is ter goedkeuring toegestuurd naar de gemeente Nieuwegein welke een akkoord heeft gegeven op het Programma van Eisen. Het goedgekeurde Programma van Eisen is opgenomen in bijlage 11 van de toelichting. Het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd. De rapportage van het proefsleuven onderzoek is opgenomen in bijlage 12. Het proefsleuvenonderzoek heeft slechts een geringe hoeveelheid relevante archeologische sporen opgeleverd.

Deze lijken te moeten worden gezien als zogenaamde off-site sporen. Mogelijk gaat het om de resten van een gebouwtje dat solitair in een akker of veld stond. Duidelijke aanwijzingen voor de datering of voor de aanwezigheid van een groter complex zijn niet aangetroffen. Op grond van deze conclusie wordt het bevoegd gezag dan ook geadviseerd om de dubbelbestemming archeologie voor het plangebied te verwijderen en het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling. Wel dient erop te worden gewezen dat er altijd sprake blijft van een meldplicht op het moment dat men onverhoopt toch archeologische resten aantreft tijdens de bouwwerkzaamheden. 4.3.4

Conclusie

De ontwikkeling vindt plaats in beschermd archeologisch gebied. Uit het verkennend bureau- en booronderzoek blijkt dat nader onderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek noodzakelijk te zijn. Het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd. Omdat het proefsleuvenonderzoek slechts een geringe hoeveelheid relevante archeologische sporen heeft opgeleverd en geadviseerd wordt het plangebied vrij te geven, vervalt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Het plangebied kent geen archeologische dubbelbestemming meer.

Nieuwegein - Structuurbaan

36

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1

Wettelijk kader

De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het niet in betekende mate (NIBM) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en/of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van aximaal 1,2 ìg/m3NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een plan kan gezien worden als NIBM wanneer het minder dan 1500 woningen bevat. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSLprogramma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen. 4.4.2

Beoordeling

De ontwikkeling kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Dit omdat het plan minder dan 1500 woningen bevat. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. 4.4.3

Conclusie

Het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. 4.5

Parkeren en verkeer

4.5.1

Parkeren

Het benodigde aantal parkeerplaatsen is berekend aan de hand van de kencijfers van het 'Koersdocument parkeren' dat op 24 september 2020 is vastgesteld door de gemeeteraad van de gemeente Nieuwegein. Het plangebied wordt gekenmerkt als de rest bebouwde kom in sterk stedelijk gebied. In totaal zijn er 74,65 parkeerplaatsen nodig (zie bijlage 13). Onderstaand figuur toont de berekening van de parkeerbehoefte en welke normen aangehouden zijn.

Er wordt op eigen terrein voldaan aan 76 parkeerplaatsen in het plan. Dit is weergegeven in onderstaand figuur. De parkeerbehoefte conform het Koersdocument parkeren komt neer op afgerond 75 parkeerplaatsen. Daarmee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte en vormt het aspect parkeren geen belemmering voor het voorgenomen plan.

Nieuwegein - Structuurbaan

37

4.5.2

Verkeer

Het plangebied wordt ontsloten via de Structuurbaan en via een voetpad naar De Malapertweg. Dit zijn respectievelijk een 50 en 30 km/u weg. In de huidige situatie is de verkeersgeneratie te bepalen aan de hand van de CROW publicatie 381 'Toekomstbestendig Parkeren'. Momenteel is op de planlocatie, ter plaatse van Structuurbaan 30, een aannemersbedrijf gevestigd. Dit bedrijfsgebouw heeft een oppervlakte van circa 1.940 m2. Het bouwvlak heeft in het vigerende bestemmingsplan 'Structuurbaan 30 en achterterrein' echter een oppervlakte van circa 2.465 m2 en mag volledig bebouwd worden. Dit vormt het uitgangspunt voor het berekenen van de verkeersgeneratie in de gewenste situatie. Voor het berekenen van de huidige verkeersgeneratie is voor een aannemersbedrijf gekeken naar de functie 'bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief'. Conform de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' geldt een kencijfer van maxmaal 5,3 per 100 m2 bvo. Het aannemersbedrijf heeft daarmee een verkeersgeneratie van maximaal 130,6 mvt/etmaal. Dit is gebaseerd op een aannemersbedrijf 'bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief' in rest bebouwde kom in sterk stedelijk gebied. Tevens is het ter plaatse van de planlocatie planologisch gezien ook nog mogelijk dat een tweede bedrijf zich op de planlocatie vestigt.

Conform het vigerende bestemmingsplan 'Structuurbaan 30 en achterterrein' is er op het binnenterrein nog een tweede bouwvlak aanwezig. Hier mag een hoveniers- en fruitbedrijf zich vestigen. Het bouwvlak heeft een oppervlakte van 4.970 m2. Dit bouwvlak mag voor maximaal 40% bebouwd worden. Dit staat gelijk aan een bedrijfsgebouw van maximaal 1.988 m2. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie voor een hoveniersbedrijf is gekeken naar de functie 'bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief'. Conform de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' geldt een kencijfer van maxmaal 5,3 per 100 m2 bvo. Het mogelijke hoveniersbedrijf heeft daarmee een verkeersgeneratie van maximaal 105,4 mvt/etmaal. Dit is gebaseerd op een hoveniersbedrijf 'bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief' in rest bebouwde kom in sterk stedelijk gebied. In de huidige planologische situatie geldt daarmee een verkeersgeneratie van maximaal 236 mvt/per etmaal. De verkeersgeneratie voor de gewenste situatie is eveneens bepaald met behulp van CROW publicatie 381 'Toekomstbestendig Parkeren'. Hierbij is uitgegaan van de gegevens voor rest bebouwde kom in sterk stedelijk gebied. Type w oning

Maximale verkeersgeneratie per w oning

Aantal

Totaal

2^1-kap w oningen

8,2

8

65,6

Rijw oningen

7,5

12

90,0

Vrijstaande w oningen

8,6

5

43,0

Vrije sector huur of koop

6,0

27

162

Totaal

360,6

De verkeersgeneratie neemt met onderhavig initiatief toe met 124,6 mvt/etmaal. De capaciteit van de Structuurbaan is voldoende om de toename in het verkeer op te vangen. Het verkeer dat afkomstig is uit het plangebied kan het plangebied in twee richtingen verlaten over de Structuurbaan. Gezien de ligging van het plangebied en de verkeerssituatie ter hoogte van het plangebied wordt aangenomen dat dit niet tot problemen leidt met de verkeersafwikkling in en rond het plangebied. 4.5.3

Conclusie

Voorgenomen initiatief zal niet leiden tot verkeerskundige en/of parkeertechnische problemen. Parkeren wordt op eigen terrein opgelost en de verkeersgeneratie neemt slechts zeer beperkt toe.

Nieuwegein - Structuurbaan

38

4.6

Geluidhinder

4.6.1

Wettelijk kader

Wegverkeer, railverkeer en scheepsverkeer Langs alle (spoor)wegen – met uitzondering van 30 km/u-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de (spoor)weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken/spoorstaven en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/u-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. Het scheepvaartlawaai afkomstig van het scheepvaartverkeer over het nabij gelegen Amsterdam-Rijnkanaal en Lekkanaal is in het kader van een goede ruimtelijke ordening en berekening van de gecumuleerde geluidbelasting tevens in het onderzoek betrokken. Industrielawaai Gezoneerde industrieterreinen hebben een vaste geluidzone die wordt vastgelegd door middel van een bestemmingsplan. Buiten de geluidszone wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. De maximale ontheffingswaarde binnen de geluidszone bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. In tegenstelling tot weg- en railverkeer wordt voor industrielawaai niet getoetst aan de Lden waarde maar aan de etmaalwaarde. De dosismaat Lden is voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai met ingang van 1 januari 2007 in de gewijzigde Wgh vastgelegd.

Voor industrielawaai wordt Lden in het kader van de Wgh voorlopig niet ingevoerd. 4.6.2

Onderzoek

Het plangebied is gelegen binnen de geluidzone van een industrieterrein; Plettenburg-De Wiers. Ook ligt het plangebied binnen de geluidzone van wegverkeer, namelijk van de Structuurbaan en De Malapertweg. Akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting is uitgevoerd door Buro Bouwfysica. Het rapport dat is opgesteld op 26-08-2020 van het onderzoek is toegevoegd als bijlage (bijlage 14). De geluidbelasting vanwege de Structuurbaan (max 56 dB na aftrek conform art. 110g Wgh) en het industrieterrein Plettenburg-De Wiers (max. 51 dB(A) overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB/50 dB(A) maar niet de maximaal te verlenen ontheffingswaarde van 63 dB/55 dB(A). De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt maximaal 63 dB waardoor sprake is van geluidsklasse 'Luid' en overschrijdt daarmee niet het maximum van 65 dB volgens het gemeentelijk beleid. Dit betekent dat het toepassen van dove gevels niet noodzakelijk is en hogere waarden vastgesteld kunnen worden. Voor de Structuurbaan wordt een hogere waarde van 56 dB vastgesteld en voor het industrieterrein Plettenburg-De Wiers een hogere waarde van 51 dB(A) vastgesteld. Het besluit tot vaststelling hogere waarden maakt onderdeel uit van de ruimtelijke procedure. 4.6.3

Conclusie

Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief, mits er wordt voldaan aan de aanbevelingen van het akoestisch onderzoek, zoals het aanvragen van een procedure Hogere Grenswaarden. Ook zijn er maatregelen nodig voor de grondgebonden woningen en de appartemementen. Voor de grondgebonden woningen dient er aan de westzijde een geluidluwe zijde gerealiseerd te worden. Ook dient er tenminste één slaapkamer aan de geluidluwe zijde te komen. De huidige stedenbouwkundige opzet voorziet hierin. Voor de appartementen met oriëntatie aan de noord-, zuid- en oostzijde is extra gevelisolatie nodig alsmede extra maatregelen ter plaatse van de buitenruimte. De appartementen met een oriëntatie aan de westzijde zijn geluidluw, het treffen van extra maatregelen aan deze zijde van het complex is niet noodzakelijk.

Nieuwegein - Structuurbaan

39

4.7

Bedrijven en milieuzonering

4.7.1

Wettelijk kader

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de onderstaande richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' dan wel 'gemengd gebied'. Milieucategorie

Richtafstand tot omgevingstype rustige w oonw ijk en rustig buitengebied

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied

1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

Richtafstanden en omgevingstype Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder.

Nieuwegein - Structuurbaan

40

4.7.2

Beoordeling

Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. De omgeving van het plangebied kan gekarakteriseerd worden als gemengd, gelet op de mix van woningen en bedrijven in de omgeving van de planlocatie. Woningen zijn een milieugevoelige functie. Ze leveren een belemmering voor de bedrijven in de omgeving. Als er een bedrijf is dat bijvoorbeeld veel geluid mag maken en er komen geluidgevoelige woningen naast, dat wordt zo'n bedrijf ernstig beperkt. Andersom kunnen bedrijven ook invloed hebben op woningen. Om deze reden is er op 12 november 2021 een Quickscan bedrijven en mileuzonering uitgevoerd door Aveco de Bondt (Bijlage 15). Het plangebied is in dit onderzoek benoemd als plangebied 1. Plangebied 2 betreft een naastgelegen ontwikkellocatie welke geen onderdeel is van het plangebied. Uit de inventarisatie van de planologisch rechten van de omliggende bedrijfskavels blijkt dat vooral ten zuiden van het plangebied diverse bedrijfskavels aanwezig zijn die bedrijven van milieucategorie 3.2 t/m 4.2 toelaten. De richtafstand van slechts enkele bedrijven overschrijdt daadwerkelijk de grenzen van één of beide plangebieden.

De overschrijding is aanwezig aan de zuidzijde van het onderzoeksgebied. Het gaat hierbij om de volgende bedrijven en milieuaspecten: A: De richtafstand van 'THIM Hogeschool' heeft overlap met het plangebied, echter niet met de gevels van geprojecteerde woningen. De overlap betreft uitsluitend openbare ruimte. Derhalve wordt hier geen belemmering verwacht. B: De richtafstand van 'Chikara import en export BV' overlapt zowel het plangebied als de beoogde bebouwing (woningen + tuin). De richtafstand betreft 50 meter met 'geluid' als maatgevend aspect. Op basis van de geldende richtafstand voor geluid is mogelijk sprake van een belemmering. Deze constatering is aanleiding geweest om in gesprek te gaan met de eigenaar van dit bedrijf. Uit dit gesprek, in combinatie met een bedrijfsbezoek, is gebleken dat de bedrijfsactiviteiten van dit bedrijf zeer gering zijn en ten aanzien van geluid een zeer beperkte geluiduitstraling op de omgeving hebben. Milieucategorie 3.2 is een overschatting van de daadwerkelijke situatie. De feitelijke situatie kan eerder gelijkgesteld worden aan een milieucategorie 2 bedrijf. Aangenomen mag dus worden dat bij de nieuwe woningen in plangebied 1 sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat het bedrijf niet onevenredig wordt beperkt in zijn bedrijfsvoering.

C: De richtafstand van 'Vernooy Vacuum Engineering BV' overlapt zowel het plangebied als de beoogde bebouwing (woningen + tuin). De richtafstand betreft 50 meter met 'geluid' als maatgevend aspect. Op basis van de geldende richtafstand voor geluid is mogelijk sprake van een belemmering. Deze constatering is aanleiding geweest om in gesprek te gaan met de eigenaar van dit bedrijf en een akoestisch onderzoek uit te voeren. In overleg met de eigenaar is de representatieve bedrijfssituatie vastgesteld, zijn enkele metingen op locatie uitgevoerd en is een rekenmodel uitgewerkt. De resultaten zijn uitgewerkt in een rapportage met kenmerk '21161101_AdB_RAP_0001_v1.0' (opgenomen in bijlage 1 van Bijlage 15). Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat in plangebied 1 wordt voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer die voor dit bedrijf van toepassing zijn. Geconcludeerd wordt dat bij de nieuwe woningen in plangebied 1 sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat het bedrijf niet onevenredig wordt beperkt in zijn bedrijfsvoering. Uit de nadere beoordeling van de bedrijfssituaties ter plaatse blijkt dat onderlinge hinder tussen de bedrijven aan de zuidzijde van het plangebied en de nieuwe woningen niet te verwachten is.

Ook in de rest van het plangebied is op basis van de nu aanwezige bedrijven en bijbehorende richtafstanden geen onderlinge hinder te verwachten. Bij de nieuwe woningen in plangebied 1 is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de bedrijven worden niet onevenredig beperkt in hun bedrijfsvoering. Derhalve is sprake van een goede ruimtelijke ordening.

Nieuwegein - Structuurbaan

41

4.7.3

Conclusie

Gesteld kan worden dat bij de nieuwe woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat het bedrijf Vernooy niet onevenredig wordt beperkt in zijn bedrijfsvoering. Geconcludeerd kan worden dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De woningen en het bedrijf ondervinden geen onderlinge hinder. 4.8

Externe veiligheid

4.8.1

Wettelijk kader

Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico's: risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen.

De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht.

Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden

Nieuwegein - Structuurbaan

42

blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Structuurvisie buisleidingen van belang. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen.

Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico's voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.

Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. 4.8.2

Beoordeling

Een woning betreft een kwetsbaar object, waardoor de gewenste ontwikkeling getoetst dient te worden aan de wetgeving omtrent externe veiligheid. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

Nieuwegein - Structuurbaan

43

Figuur: Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied in blauw vierkant (bron: ArcGis) Transport gevaarlijke stoffen Er ligt in de directe omgeving (binnen 200 meter) van het plangebied geen spoorbaan of rijksweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Ook bevindt zich in of nabij het plangebied geen buistransportleiding met een PR 10-6 contour. Wel bevindt zich binnen 200 meter een hoofdvaarweg over het Amsterdam-Rijnkanaal. Schepen kunnen te maken krijgen met brand, ontploffing en aanvaringen; ze kunnen stranden, zinken of kapseizen. De veiligheid wordt regelmaitig besproken door de inspectie. Ten oosten van het plangebied vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats over het Amsterdam-Rijnkanaal. Vervoer van gevaarlijke stoffen over het Amsterdam Rijnkanaal De locatie bevindt zich op circa 70 m van het Amsterdam Rijnkanaal. Deze vaarweg is onderdeel van het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. De PR10-6 contour ligt maximaal tot op de oever, er is geen veiligheidszone. Wel is er een plasbrandaandachtsgebied van 25 meter waarbinnen slechts gemotiveerd gebouwd mag worden. Dit plan maakt bebouwing binnen deze zone niet mogelijk. Het groepsrisico moet verantwoord worden binnen 200 meter van de vaarweg indien het aantal inwoners de 1500 per hectare bij dubbelzijdige bebouwing overschrijdt. Bij enkelzijdige bebouwing geldt 2500 inwoners per ha.

De dichtheid van personen hier ruim beneden en het groepsrisico bedraagt minder dan 0,1 x de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico vormt derhalve geen belemmering. Inrichtingen In de nabijheid van het plangebied zijn op ruime afstand (800 meter) EV-relevantie en een hoofdaardgastransportleiding inrichtingen gevestigd. Ten zuidoosten van het plangebied is een brandstofleiding van Defensie gelegen (niet opgenomen op de risicokaart) Anderzijds is de voorgenomen planontwikkeling geen risicovolle inrichting in het kader van de BEVI en vormt de gewenste ontwikkeling geen gevaar voor de omgeving. Kegelligplaatsen

Nieuwegein - Structuurbaan

44

Nabij de plofsluis bevinden zich aan de kopse kant van de Vuilcopsekanaaldijk drie kegelligplaatsen voor schepen met één kegel. En zuidelijk van de plofsluis in het ARK een kegelligplaats voor schepen met twee kegels. In de Richtlijn Vaarwegen van Rijkswaterstaat zijn hiervoor veiligheidsafstanden opgenomen van respectievelijk 100m en 300m tot gesloten woongebieden. Deze contouren bevinden zich op 100 m of meer van de ontwikkeling en vormen derhalve geen belemmering.

Figuur: Ligging kegelligplaatsen (bron: GeoWeb)

Figuur: Inrichtingen op de risicokaart. (bron: risicokaart.nl)

Nieuwegein - Structuurbaan

45

4.8.3

Conclusie

Er bestaat vanuit het thema externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Wel bevindt zich binnen 200 meter een hoofdvaarweg. De afstand tot de oever is groter dan 25 meter, waardoor de vaarweg geen risico vormt. Dit zorgt voor een risico. Deze risico's worden regelmatig besproken door inspectie. 4.9

Kabels en leidingen

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgasleidingen afhankelijk van druk; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Uit de toelichting en verbeelding van bestemmingsplannen 'Structuurbaan 30 en achterterrein' en 'Plettenburg-De Wiers 2009' is op te maken dat er een planologisch relevante leiding in het plangebied en in de directe omgeving daarvan aanwezig is. Een gedeelte van het plangebied heeft de dubbelbestemming 'Leiding - Brandstof'. Om deze reden wordt deze dubbelbestemming ook in dit plan opgenomen en wordt hier rekening mee gehouden. Er zijn verder geen andere planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig. Voor de verdere realisatie van het plan zal indien nodig een KLIC-melding gedaan worden om te achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. 4.10

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwegein&id=963cf59d-8915-4cb8-9063-d6aa8f731eb7