2021-499 PR 252 Nota van bevindingen naar RKC voor bestuurlijk 091121.pdf
Tekst van het document
Denk hierbij aan de aanschaf van een contractmanagementsysteem, maar ook een jaarplanning wat een inzichtelijk regionaal contractmanagementproces mogelijk maakt. Ook zijn er driehoeksoverleggen opgezet met de vijf verschillende gemeenten, om op gemeentelijk niveau ook de kosten van de zorgaanbieders per gemeente te monitoren. In het verlengde van deze driehoeksoverleggen zijn kwartaalgesprekken gepland met de zorgaanbieders om sturing op de uitgave aan de individuele aanbieders te geven. Daarnaast worden de kwartaalgesprekken samen met de beleidsmedewerkers gevoerd om het zorginhoudelijke gesprek op reguliere basis aan te gaan. Mede
Bevindingen beoogde uitvoering
27
hierdoor wordt de communicatie met de Sociale Teams en de zorgaanbieders versterkt. Het contractmanagementsysteem ondersteund het professionaliseringsproces. Het GSO heeft de wens uitgesproken om dit jaar regionaal tot KPI’s te komen voor Jeugd en Wmo met name om meer grip te krijgen op de stijgende zorgkosten Wmo en Jeugd. Het moet gaan om een beperkt aantal regionale KPI’s voor een langere periode, die geschikt zijn voor alle regiogemeenten. Het doel is om focus te creëren voor gemeenten, sociaal teams, zorgaanbieders en de RBL als belangrijke basis voor het verkrijgen van meer grip op kwaliteit en kosten. Door middel van de KPI’s wil de gemeente gaan werken aan een inhoud gestuurde kostenbeheersing en het zichtbaar maken of de transformatiedoelen t.a.v. jeugdhulp en Wmo worden bereikt. Hierbij worden ook de doelen van de nieuwe inkoop meegenomen. Deze doelen zijn: betere kwaliteit van ondersteuning en zorg, versterking van het gewone leven en meer efficiency in voorzieningen. Rol- en taakverdeling tussen gemeente-wijkteam-aanbieders Binnen de gemeente Nieuwegein is lokaal het welzijnswerk en de toegang geregeld. Regionaal in samenwerking met de Lekstroom gemeenten is de inkoop met jeugdzorgaanbieders ingericht. Elke gemeente binnen de lekstroom heeft een lokaal sociaal team ingericht. Binnen Nieuwegein is dat Geynwijs.
Geynwijs besluit als opvoedvraagstuk te complex is om op eigen kracht of met ‘vrij toegankelijke hulp’ dit op te lossen, een beschikking af te geven voor specialistische hulpverlening. Ook andere professionals (denk aan huisartsen, artsen jeugdgezondheidszorg en medisch specialisten) kunnen naar specialistische hulp doorverwijzen. Geynwijs, en daarmee de gemeente, heeft de regie op de casus wanneer nodig. Dit volgens de rollen van Geynwijs en de gemeente in het speelveld word weergegeven in de onderstaande figuur. Figuur: Transformatiemodel 2017-2020
Het is de rol van zorgaanbieders om de behandeling te monitoren en evalueren. Als er geen stijgende lijn in zit, moet gekeken worden of men nog op de goede weg is of dat iets anders nodig is. Als het goed gaat en er is meer tijd nodig, dan kan een verlenging aangevraagd worden. De rol van Geynwijs is om kritisch te kijken naar verlengingen, het gesprek met zorgaanbieders daarover aan te gaan en tot overeenstemming te komen. Zij moeten kunnen onderbouwen waarom het nodig is. Ook zit er in deze rol de samenwerking met de inwoners/ouders. Een goede samenwerking is van groot belang. Daarnaast ligt
Bevindingen beoogde uitvoering
28
waar mogelijk de regie bij de inwoner, deze heeft dan ook regie over wens tot verlengen van een zorgtraject.
3.3
Beoogde rollen gemeente en gemeenteraad in de uitvoering
Onderzoeksvraag: 4. Wat is de beoogde rol van de gemeente en de gemeenteraad in de inrichting van de uitvoering het jeugdbeleid? Beantwoording op hoofdlijnen: ▪ De beoogde rollen voor de gemeente, het college en de gemeenteraad zijn klassiek opgesteld. o De raad is verantwoordelijk voor de kaderstellende en controlerende taken o Het college is verantwoordelijk voor de uitvoerende raken en het voorzien van de raad met de juiste informatie en gegevens om de kaderstellende en controlerende taken uit te voeren. Onderbouwing In de gemeente Nieuwegein worden de klassieke rollen beoogd voor de gemeente en de gemeenteraad. De gemeenteraad kent daarin de kaderstellende en de controlerende rol. Met de kaderstellende rol stelt de raad de algemene beleidskaders vast waarbinnen het college kan bewegen. Zo bepaalt de raad de beleidsmatige en financiële grenzen voor de uitvoering door het college. Het kaderstellen vereist dat raadsleden nadenken over het ‘Wat’ om te komen tot een visie en wat zij voor de jeugd in Nieuwegein willen bereiken. De controlerende rol richt zich op de controle over de uitvoering van de kaders. Daarbij controleert de raad in hoeverre er binnen de gestelde kaders voldaan is aan het bereiken van het ‘Wat’. Daarbij wordt deze gevoed door het college met informatie over hoe de doelen en ambities zijn bereikt en of daarbij binnen de gestelde kaders is gebleven.
Het gaat daarbij over de doelen en ambities zoals besproken in hoofdstuk twee.
3.4
Toetsing aan het normenkader
Voor de toetsing aan de norm werken we met de volgende termen in volgorde van niet voldoen tot voldoen: ▪ Voldoet niet: dit betekent dat op geen enkele wijze wordt voldaan aan de norm ▪ Voldoet beperkt: dit betekent dat voor een klein deel wordt voldaan aan de norm ▪ Voldoet merendeels: dit betekent dat voor een groter deel wel dan niet wordt voldaan aan de norm ▪ Voldoet grotendeels: dit betekent dat voor een zeer groot gedeelte wordt voldaan aan de norm ▪ Voldoet: dit betekent dat volledig wordt voldaan aan de norm. Norm Toetsing De gemeente heeft de doelen vertaald in een Voldoet. Er is gekozen om deels lokaal en deels uitvoeringstrategie met daarin: regionaal te organiseren en de wijze waarop de ▪ Een keuze in organisatieschaal (lokaal-regionaal) toegang is georganiseerd via Geynwijs. Ook is ▪ Een keuze in de wijze van contractering, daarin in samenspraak met de Lekstroombekostiging en verantwoording van uitvoerende gemeenten een keus gemaakt voor de partijen contractering en de bekostigingssystematiek. ▪ Een keuze voor de wijze waarop de toegang is georganiseerd Een keuze voor de wijze waarop de verbinding wordt Voldoet grotendeels. Door Geynwijs op school gelegd met aanpalende beleidsterreinen, wordt er een sterke verbinding gelegd met zowel
Bevindingen beoogde uitvoering
29
Norm voorliggende voorzieningen en partners zoals onderwijs en jeugdgezondheidszorg
Toetsing het basis- als voortgezet onderwijs. Uit de plannen blijkt onvoldoende hoe de verbinding met voorliggende voorzieningen zoals het welzijnswerk wordt gelegd door Geynwijs. De beoogde inrichting is door het college opgesteld Voldoet. De inrichting van de toegang, voorveld en in lijn met de inhoudelijke en financiële kaders inkoop van zorg zijn in lijn met de inhoudelijke en gesteld door de gemeenteraad. financiële kaders zoals opgesteld door de gemeenteraad.
Bevindingen beoogde uitvoering
30
Klik hier en voeg via Invoegen Afbeeldingen een foto in. Om te vergroten: klik op een hoek en sleep. Om te verschuiven: klik op Bijsnijden in het rechtertabblad Opmaak.
4
BEVINDINGEN UITVOERINGSPRAKTIJK
32
4. Bevindingen uitvoeringspraktijk 4.1
Inleiding
In dit hoofdstuk worden de bevindingen van de uitvoeringspraktijk weergegeven. De verschillende onderzoeksvragen worden op hoofdlijnen beantwoord, gevolgd door een onderbouwing van dat antwoord. Het hoofdstuk eindigt met een toetsing van de bevindingen aan de normen behorend bij de behandelde onderzoeksvragen.
4.2
Feitelijke uitvoering jeugdbeleid
Onderzoeksvraag: 5. Hoe vindt de feitelijke uitvoering plaats op de volgende aspecten: voorliggend veld, toegang, inkoop en bekostiging/verantwoording, de rol- en taakverdeling tussen gemeente-wijkteams-aanbieders? Beantwoording op hoofdlijnen: ▪ De feitelijke uitvoering van de toegang komt redelijk overeen met hoe deze beoogd is. ▪ Uit het casusonderzoek komt naar voren dat het voorliggend veld niet tot nauwelijks bekend is of wordt betrokken bij de respondenten. ▪ Bevindingen betreffende de inkoop richten zich voornamelijk op de nieuwe inkoop. Verbeteringen hangen nauw samen met het nieuwe inkoopmodel. ▪ De wijkteams blijken voor een groot deel te werken zoals beoogd. Zij blijken flexibeler dan beoogd, omdat de grootte van de stad te klein is om als Geynwijs op wijkniveau te acteren. Daardoor nemen wijkteams werk van elkaar over wanneer dit passend is. Onderbouwing Voorliggend veld Het voorliggende veld staat voor het totaal aan algemene voorzieningen dat beschikbaar is in een wijk of gemeente. Het gaat dus om alle voorzieningen voor (hulp)vragen zonder indicatie. Van de 20 respondenten waren slechts 3 respondenten bekend met het voorliggend veld voor hun traject en slechts 1 respondent heeft gebruikgemaakt van het voorliggend veld tijdens het traject.
Geen van de respondenten heeft gebruikgemaakt van, of is overgedragen aan het voorliggend veld na afsluiting van de hulpverlening. Ook de professionals uit de ontwikkelkamer en de interviews gaven aan dat het voorliggend veld op het moment nog onvoldoende wordt gebruikt. Veel van hen geven wel aan dat zij weten dat de gemeente hiermee bezig is en er activiteiten op aan het ontwikkelen is. Daarnaast gaf een professional van de gemeente aan dat zij bezig zijn met het organiseren van een zorgmarkt voor het voorliggend veld. Vanuit de onderzoeksagenda is de kenniswerkplaats jeugd recent gevraagd onderzoek te doen in Nieuwegein naar Preventieve Jeugdhulp in Nieuwegein. Doel van dit onderzoek is meer inzicht te krijgen in hoe we het preventieve aanbod van Nieuwegein verder kunnen versterken Het onderzoek is inmiddels gestart. In het onderzoek worden jongeren tussen de 10 en 23 jaar en hun ouders geïnterviewd over hun ervaringen met het preventieve aanbod in Nieuwegein. Toegang Uit het casusonderzoek, ontwikkelkamer en de interviews met de professionals komt naar voren dat de beoogde uitvoering redelijk overeen komt met de feitelijke uitvoering. In het casusonderzoek geven respondenten aan dat zij in eerste instantie zelf meestal niet wisten waar zij met hun zorgvraag naar toe moesten, maar dat zij uiteindelijk met de hulpvraag op de goede plek zijn terechtgekomen. Een kleine
Bevindingen uitvoeringspraktijk
33
meerderheid van de respondenten geven aan zelf hulp te zijn gaan zoeken, de rest is door een instantie op hulp gewezen. Toeleiding naar jeugdhulp vindt meer vraaggericht en gezinsversterkend plaats, met behulp van Krachtwerk als daarbij passende methodiek. Ouders geven aan dat de hulp veelal gericht is op het hele gezin, dit werd als positief en gezinsversterkend ervaren. Tevens lag de regie door de casussen heen niet uitsluitend bij één partij, dit werd door de professionals in de ontwikkelkamer als positief ervaren. Op deze manier ligt de regie bij de meest passende partij. Ouders en jongeren ervaren de regie meestal als prettig. Een punt van verbetering is de echter de nazorg door Geynwijs in het geval zij niet de regie neemt. Ouders en jeugdigen geven veelal aan dat er dan geen nazorg heeft plaatsgevonden en dit werd niet als positief ervaren. De professionals geven aan te werken met het Krachtkompas, wat de bewoner in eigen kracht zet. Mondige ouders uit het casusonderzoek geven aan dat zij vaak kregen waar zij om vroegen, wat duidt op een vraaggerichte aanpak. Meer mogelijkheden vanuit de eigen kracht van de jeugdige/ouder, het eigen en het informele netwerk betrekken bij de toeleiding naar ondersteuning. Uit het casusonderzoek komt niet naar voren dat ouders of jeugdigen zijn gestimuleerd om het eigen netwerk te betrekken.
Beter signaleren en toeleiden naar passende ondersteuning van kwetsbare jeugdigen en hun ouders die niet vanzelfsprekend in beeld zijn en/of met een vraag komen. Uit het casusonderzoek en de interviews komt naar voren dat onvoldoende aan vroegsignalering en preventief werk wordt gedaan in de gemeente Nieuwegein (zie 4.4). De ouders en professionals merken op dat de gemeente zich vooral richt op curatief gebied. Wanneer de jeugdigen eenmaal in zicht zijn dan is het beeld veelal positief en professionals denken dat de grootste groepen jongeren worden bereikt. Ouders en professionals merken op dat in sommige gevallen veel tijd verstrijkt voordat zij de juiste hulp hebben gevonden, bijvoorbeeld door niet-passende hulp die eraan voorafging, door wachtlijsten of door een combinatie van de twee. Vanuit het onderwijskansenbeleid zijn de afgelopen periode extra activiteiten ontwikkeld door de gemeente Nieuwegein. Tevens is in het najaar van 2020 een pilot gestart met als doel een betere samenwerking tussen de kinderopvang, JGZ en GW voor jonge kinderen (0-4 jaar) met mogelijke zorgvragen. Deze pilot had positieve resultaten: korte lijnen, betere afstemming, sneller schakelen, snellere signalering, kennisdeling en afspraken over regievoering. Vanwege deze positieve effecten wordt de pilot per 2022 omgezet naar structureel.
Toeleiding vaker faciliteren met betrokkenheid van medeopvoeders en andere professionals (van gespecialiseerde jeugdhulp). Professionals in de ontwikkelkamer geven aan dat zij zich in sommige gevallen alleen voelen in de hulp die geboden wordt. Geynwijs wordt voor ouders en partners in het veld steeds meer een deskundig en goede gesprekspartner voor toeleiding naar de basisinfrastructuur en/of jeugdhulp Alle ouders in het casusonderzoek hebben ofwel een verwijzing via Geynwijs ontvangen, ofwel via de huisarts. Daarnaast toont het casusonderzoek dat in het grootste deel van de casussen Geynwijs naast de verwijzing ook begeleiding biedt. Professionals die aanwezig waren bij de ontwikkelkamer vertelden dat zij een goede samenwerking hebben met Geynwijs en tevreden zijn over hun rol. Zij zouden wel graag zien dat de gemeente de leiding neemt in het vormen van een hechter netwerk van professionals die ondersteuning en zorg verlenen aan de jongeren in Nieuwegein.
Bevindingen uitvoeringspraktijk
34
Inkoop en bekostiging/verantwoording Professionals geven aan dat in de regio Lekstroom sprake is van een ingewikkeld netwerk aan organisaties en voorzieningen waar zorg en ondersteuning door wordt verleend of die op een of andere manier een rol hebben in de zorgketen. Dit wordt mede veroorzaakt door het huidige inkoopmodel waardoor professionals te maken hebben met een grote hoeveelheid zorgaanbieders. Voor de zorgaanbieders die vallen onder de inkoop van jeugdhulp is het daarnaast vaak onduidelijk wat van ze verwacht wordt. Dit komt ook door de lokale verschillen tussen de participerende gemeenten in de regio Lekstroom. Daarnaast geven professionals aan dat het huidige inkoopsysteem samenwerking niet stimuleert, daardoor werkt slechts een kleine groep aanbieders samen. Het is bij de professionals bekend dat er een nieuwe inkoop aankomt. Zij geven aan dat veel van de mogelijkheden tot verbetering nauw samenhangen met het inkoopmodel. Het verschilt hoe betrokken professionals zijn bij de inrichting van deze inkoop. De uitvoer van Geynwijs is bijvoorbeeld niet betrokken bij de inkooptafels, hier is wel behoefte aan. Veel van de gesproken professionals tijdens het interview en de ontwikkelkamer zijn bekend met het beoogde model en geven aan op de hoogte te zijn van het huidige bekostigingsmodel (P x Q) en het taakgerichte bekostigingsmodel.
Rol- en taakverdeling: Geynwijs is de spin in het web van jeugdbeleid in vrijwillig kader. Daarmee is de afstand tussen de uitvoering door Geynwijs en het ontwikkelen van het beleid door de gemeente verkleind. Geynwijs is ingedeeld in verschillende teams met elk hun eigen domein. Zo heb je binnen Geynwijs gezamenlijke WMO & jeugd teams. Een apart team onderwijs en jeugd (inclusief leerplicht en RMC/JOLO) en een apart team Intensieve Ondersteuning, bestaande uit de subteams Intensieve Casusen (IC, inclusief CPMG) en het Outreachteam. De rollen en taakverdelingen zijn gescheiden van elkaar in deze domeinen. Geynwijs is de verwijzer, maar naast Geynwijs krijgen aanbieders ook verwijzingen binnen via de huisarts en de GI. Zodra een verlenging nodig is na een traject via de huisarts dan komt Geynwijs in beeld om het over te nemen. De functies van de sociaal teams verschillen. De rollen en taakverdelingen zijn gescheiden van elkaar in deze domeinen. Geynwijs is de verwijzer, maar naast Geynwijs krijgen aanbieders ook verwijzingen binnen via de huisarts. Zodra een verlenging nodig is na een traject via de huisarts dan komt Geynwijs in beeld om het over te nemen. Er zijn drie wijkteams (Noord, Midden en Zuid). De wijkteams van Jeugd en Wmo richten zich voornamelijk op de instroom, doorstroom en uitstroom van ondersteuningsvragen die inwoners stellen.
Professionals geven aan dat het prima is om op wijkniveau aan te sluiten bij een eerstelijnsorganisatie of buurtplein, maar dat de stad eigenlijk niet groot genoeg is om als Geynwijs op wijkniveau te acteren. Het werken met postcodes gebeurt in de praktijk daarom niet altijd. Als het bij wijkteam Zuid rustig is, maar in wijkteam Midden het druk is dan pakt wijkteam Zuid een deel van de caseload van wijkteam Midden op. Wijkgericht werken is meer voor MOvactor en andere (collectieve) partners, maar het wijkteam moet wel goed vindbaar zijn op de juiste plekken. Opvallend uit de interviews en uit de ontwikkelkamer is dat de netwerksamenwerking tussen aanbieders voornamelijk in de handen ligt van de aanbieders. Over het algemeen gaat de samenwerking goed, maar zij zouden elkaar soms wel sneller willen vinden. Opvallend uit de interviews en uit de ontwikkelkamer is dat de netwerksamenwerking tussen aanbieders voornamelijk in de handen ligt van de aanbieders. Over het algemeen gaat de samenwerking goed, maar zij zouden elkaar soms wel sneller willen vinden. Professionals in de ontwikkelkamer gaven aan dat zij graag zien dat de gemeente hier een actievere rol in zou spelen. Een voorbeeld van een actievere rol die de gemeente aanneemt in netwerksamenwerking is het Netwerk GGZ Nieuwegein. Deze is opgestart vanuit een intervisie van GGZ aanbieders.
Inmiddels is dit uitgebreid met professionals van Geynwijs en professionals vanuit het preventieve aanbod. De gemeente is onderdeel van de organisatie van deze bijeenkomsten.
Bevindingen uitvoeringspraktijk
35
4.3
Perspectief ouders en jeugdigen
Onderzoeksvragen: 6. Weten jeugdigen en ouders waar ze zich kunnen melden voor de hulp en weten ze waar ze recht op hebben? 7. Als jeugdigen en ouders bij de toegang zijn; hoe verloopt het proces in de praktijk tot het krijgen van een beschikking of verwijzing of een afwijzing? 8. Als de beschikking er is, is de hulp dan beschikbaar voor jeugdigen en ouders? 9. Zijn jeugdigen en ouders tevreden over de geleverde jeugdzorg, de omgang met hun hulpvraag en mogelijke overdracht naar volwassenzorg? Beantwoording op hoofdlijnen: ▪ Ongeveer de helft van de ouders en jeugdigen gaat zelf op zoek naar hulp, de andere helft wordt op hulp gewezen. Veel van de ouders die zelf hulp zoeken, beginnen hun traject bij de huisarts, zij worden vervolgens doorverwezen naar Geynwijs. Weinig ouders wisten zelf van Geynwijs af. Een belangrijke plek waar Geynwijs en de hulp onder de aandacht wordt gebracht is de school. Geynwijs en aanbieders zorgen er op verschillende manieren voor dat ouders en jeugdigen weten waar ze recht op hebben: inzet van een maatschappelijk werker, evaluaties voor eventuele doorverwijzing, het gebruik van een krachtkompas en het kennen van de sociale kaart. Respondenten die hulpverlening ontvingen in de tijd dat Geynwijs net was opgericht gaven aan dat zij niet het gevoel hadden dat zij voldoende werden geïnformeerd over wat mogelijk was. Over de tijd heen is dit verbeterd.
▪ De trajecten beginnen veelvuldig bij de huisarts of na een zoektocht op het internet. Wanneer zij een contactmoment hebben gehad met de gemeente komt er een consulent voor een intakegesprek. Wanneer jeugdigen en ouders bij de toegang zijn worden hun verzoeken niet snel afgewezen. Mondige ouders geven aan dat zij vaak kregen waar zij om vroegen. De verwijzingen naar aanbieders ging bij de start van Geynwijs langzaam, maar is in de loop der tijd verbeterd. Daarnaast is goed terug te zien in het casusonderzoek dat Geynwijs naast de verwijzing en beschikking ook begeleiding aanbiedt. ▪ Het overgrote deel van de respondenten was van mening dat zodra zij om hulp vroegen bij Geynwijs, zij de hulp op tijd kregen. Een enkeling spreekt van een wachtlijst of een langzame verwijzing. Een verbeterpunt dat veel respondenten benoemen is het tijdig krijgen van preventieve hulp, voordat de hulpvraag al te groot was geworden. ▪ De tevredenheid over de geleverde jeugdzorg is verdeeld. Over de jaren heen is deze verbeterd, maar deze heeft nog steeds onvoldoende langetermijnperspectief of nazorg. ▪ In het casusonderzoek zijn geen opvallende verschillen gevonden tussen de behandeling van ouders of jeugdigen vanwege geslacht, migratieachtergrond of leeftijd. Onderbouwing Wat opvalt uit de reflectie op de 20 casussen is dat er vaak een klik is met (de betrokken consulent van) Geynwijs.
We hebben gehoord dat dit de laatste jaren sterk verbeterd is. Volgens de ouders en jeugdigen richten de interventies zich niet op een lange termijn perspectief. Ongeveer 1 op de 5 respondenten gaf aan dat zij zich niet serieus genomen voelden of dat de interventie niet passend was bij hun situatie. Tevens wordt er aangegeven dat de ouder geen sparringpartner had, of in onvoldoende mate. Ouders en jeugdigen geven veelal aan dat er dan geen nazorg heeft plaatsgevonden, waarmee zij het gevoel hadden dat de zorg abrupt eindigde. Dit werd niet als positief ervaren. Aangegeven werd dat zij liever nog een contactmoment hadden gehad na het afsluiten van de hulpverlening. Dit speelde bij zowel casussen waar een Geynwijs professional betrokken was als regisseur, als waar de Geynwijs professional de casus had overgedragen aan een zorgaanbieder. De gecontracteerde zorgaanbieders verzorgden wel vaker nazorg, dit werd als positief ervaren.
Bevindingen uitvoeringspraktijk
36
Wat daarnaast opvalt is dat de 20 respondenten aangeven dat zij uiteindelijk met de hulpvraag op de goede plek zijn terechtgekomen. Een kleine meerderheid van de respondenten geven aan zelf hulp gezocht te hebben, de rest is door een instantie op hulp gewezen. In 9 van de gevallen de huisarts die de respondent wees op het hulp zoeken bij Geynwijs. Uit de interviews met de ambtelijke organisatie blijkt tevens dat de huisarts belangrijk is voor de ingang naar jeugdzorg. In een aantal andere gevallen is de ouder op hulp gewezen door school. Enkele casussen betroffen trajecten die zijn gestart door een instantie, zoals slachtofferhulp of een ondertoezichtstelling. Een paar respondenten geeft aan dat zij wel zelf hulp zijn gaan zoeken, maar uiteindelijk verder op weg zijn geholpen door een andere organisatie richting de juiste weg. Daarnaast werd door deze ouders aangegeven dat zij een lange weg hebben afgelegd langs verschillende geïndiceerde hulpverleners voordat zij de weg naar de hulp vonden of voordat zij op de juiste plek terechtkwamen. Meerdere respondenten uit het casusonderzoek hebben aangegeven dat de ondersteuning die zij hebben ontvangen in de tijd dat Geynwijs net was opgericht voor verbetering vatbaar was. Zij merkten daarnaast op dat de hulpverlening van Geynwijs in de loop van de tijd is verbeterd.
Sinds de overgang naar de gemeente is er een duidelijke verbetering te zien in de hulpverlening van Geynwijs. Opvallend bij de ondersteuning door Geynwijs is dat een groot deel van de casussen naast de verwijzing ook begeleiding hebben ontvangen vanuit Geynwijs. Het komt niet vaak voor dat Geynwijs enkel een verwijzing verzorgt. Deze extra betrokkenheid wordt door ouders en jeugdigen als positief ervaren. Bijna alle ouders en jeugdigen geven aan dat er geen nazorg door Geynwijs heeft plaatsgevonden, dit werd niet als positief ervaren. Daarnaast is het opvallend dat de regie niet eenduidig bij één bepaalde partij ligt in alle casussen. De regie ligt soms bij de ouder (vaak bij de wat mondige ouders), en soms bij de aanbieder (vaak wordt voor lichtere problematiek de regie overgelaten aan de zorgaanbieder). Soms ligt de regie duidelijk bij Geynwijs. Meermaals is dan sprake van zwaardere of multi-problematiek. In de ontwikkelkamer werd door de professionals aangegeven dat de verdeelde regie tussen Geynwijs en aanbieders positief en wenselijk is. In het casusonderzoek zijn geen opvallende verschillen gevonden tussen de behandeling van ouders of jeugdigen vanwege geslacht, migratieachtergrond of leeftijd. Uit de interviews met de aanbieders en ambtelijke organisatie blijkt dat scholen een belangrijke plek zijn om de beschikbare hulp onder de aandacht te brengen.
Zij noemen daarnaast inzet van een maatschappelijk werker, evaluaties voor eventuele doorverwijzing, het gebruik van een krachtkompas en het kennen van de sociale kaart als belangrijke instrumenten om ouders te informeren over hun rechten.
4.4
Bereik, vroegsignalering en overgang 18- 18+
Onderzoeksvragen: 10. Bereikt de gemeente Nieuwegein de jeugdigen en gezinnen die dat nodig hebben met preventieve of curatieve ondersteuning? 11. Signaleert de gemeente Nieuwegein risico’s en problemen in een vroegtijdig stadium en grijpt de gemeente daarop effectief in? 12. Op welke wijze is de overdracht van jeugd- naar volwassenenzorg georganiseerd? Beantwoording op hoofdlijnen: ▪ Als ouders of jeugdige eenmaal aan de bel hebben getrokken, biedt de gemeente en de aanbieder voldoende hulp aan. Echter, preventief bereikt de gemeente jongeren en ouders onvoldoende zo blijkt uit de interviews en het casusonderzoek. De focus van de gemeentelijke inspanning ligt in de praktijk nog veel op de curatieve vormen van hulp.
Bevindingen uitvoeringspraktijk
37
▪
▪
Een beweging naar vroegsignalering is in uitvoering, maar wordt nog weinig herkend door professionals en ouders. De gemeente Nieuwegein signaleert jongeren met problemen niet in een vroegtijdig stadium. Pas als de problemen dermate groot zijn dat ouders en jeugdigen zelf om hulp zoeken, worden deze gezinnen bereikt. In de uitvoering zijn de ambities ten aanzien van een soepele overgang 18-/18+ nog niet uitvoerig terug te zien. Onvoldoende passend aanbod bestaat voor uithuisgeplaatste jongeren als zij een volwassen leeftijd hebben bereikt. De urgentie wordt bij de professionals wel gevoeld.
Onderbouwing De respondenten uit het casusonderzoek gaven aan dat het jeugdzorgbeleid van gemeente Nieuwegein reactief beleid is, waarbij je als ouder zelf aan de bel moet trekken. Als je niet om hulp vraagt, ontvangt deze ook niet. Ouders geven meermaals aan dat als zij om hulp vragen dit eigenlijk al te laat is, in dit stadium is de problematiek vaak vergevorderd. Ouders hebben niet de indruk dat de gemeente Nieuwegein en de partners van de gemeente problemen in een vroegtijdig stadium in beeld hebben of daar actief naar op zoek gaan. Professionals vermoeden dat de grootste groepen jongeren in Nieuwegein met problemen wordt bereikt, maar zij geven ook aan dat bepaalde groepen lastiger te bereiken zijn. Voorbeelden zijn jonge meiden die slachtoffers zijn van fors seksueel overschrijdend gedrag, multi-probleem gezinnen die onder de radar willen blijven, jongeren waar ouders goed in staat zijn om problemen te verbergen, de (vroegtijdig) schoolverlatende jeugd die niet in beeld is bij school en de huisarts. Tevens bevestigen de aanbieders dat de problematiek vaak al gevorderd is op het moment dat ouders en jeugdigen bij hen aankloppen. Daarnaast werd in de ontwikkelkamer aangegeven dat jongeren die drugs (o.a. wiet) gebruiken niet worden toegelaten in de GGZ voor verdere opname. Dit bemoeilijkt de doorstroom vanuit aanbieders naar de GGZ.
De gesprekken met de professionals van de gemeente wijzen erop dat een beweging naar signalering bij de voorkant in uitvoering is. Professionals van de gemeente vertellen dat zij bezig zijn met de verschuiving. De aanbieders vertellen dat zij onvoldoende merken dat de gemeente Nieuwegein aan vroegsignalering doet. Als de gemeente vroegsignalering serieus wil oppakken, vraagt dat ook laagdrempelige voorzieningen waar jongeren makkelijk binnen kunnen lopen. Die zijn er nu onvoldoende volgens professionals. Vaak is er wel ruimte voor een pilot, maar dat garandeert geen structurele inzet na afloop daarvan. Succesvolle pilots kunnen niet breed worden uitgerold omdat de financiering daarvan binnen de bestaande budgetten moet worden gevonden. Meer voorliggend aanbod is gewenst. Dit is een aanbod voor (hulp)vragen zonder indicatie bij algemene voorzieningen die beschikbaar zijn in een wijk of gemeente. Er zijn succesvolle pilots uit het transformatieprogramma Kansen voor Jeugd die een structurele inzet hebben gekregen zoals: Buurtgezinnen, Voorzorg (GGD) en Villa Pinedo. Het vroegtijdig signaleren is afhankelijk is van het netwerk dat om de gezinnen heen zit. Scholen zijn terughoudend in het melden van zorgwekkende situaties om de vertrouwensrelatie met ouders en kind niet te beschadigen. In december 2020 is de eindrapportage Project 18-/18+ uitgebracht.
Hier zijn veel adviezen uit voort gekomen. In de producten en tarieven van 2021 is voor 18+ jongeren enkel een productcode voor reguliere pleegzorg 18 plus opgenomen. Uit de interviews met de professionals blijkt dat de urgentie voor de overgang 18-/18+ er is. Ook in de ontwikkelkamer kwam dit onderwerp aan bod en spraken professionals hun bezorgdheid over deze overgang uit. Zo bestaat onvoldoende passend aanbod voor met name jongeren als zij een volwassen leeftijd hebben bereikt. Deze 18+ uithuisgeplaatste jongeren kunnen amper ergens terecht, terwijl zij het echt nodig hebben, de plekken zijn schaars.
Bevindingen uitvoeringspraktijk
38
Uit “Producten en tarieven 2021” Deeltijd Pleegzorg 44 44A18 Reguliere Pleegzorg 18 44 44A19 plus
Etmaal Etmaal
€ 43,12 € 28,54
Alleen verwijzing via het lokale team. Alleen verwijzing via het lokale team. Bijzondere kosten: per geval overleg met het lokale team.
Noot: Er zijn nog meer producten gericht op elders wonen, hierboven zijn de twee meest relevante benoemd.
4.5
Rolinvulling gemeente en gemeenteraad in uitvoering jeugdbeleid
Onderzoeksvraag: 13. Hoe wordt de rol van de gemeente en de gemeenteraad in de uitvoering van het jeugdbeleid feitelijk ingevuld? Beantwoording op hoofdlijnen: ▪ Wat betreft de kaderstelling geven zowel de raad als het college aan dat het bestaande jeugdbeleid zich in eerste instantie richt op de inrichting en uitvoering. Er zijn nauwelijks streefwaarden en indicatoren voor maatschappelijke effecten en de transformatie. ▪ Op het gebied van gegevensverzameling en informatieverstrekking worden zowel financiële gegevens (via P&C cyclus) als gegevens over inrichting en gebruik (via Dashboards) verstrekt aan de raad. Op het gebied van maatschappelijke effecten en de transformatie wordt geen informatie verstrekt aan de raad. Mede daardoor ervaart de raad weinig sturing en grip op het jeugdbeleid. Onderbouwing De gemeente stuurt vanuit het jeugdbeleid en via de planning- en controlcyclus. Het college erkent dat het stelsel van jeugdzorg redelijk complex is, ervaart het als een openeinderegeling en onderkent dat sprake is van een zeer grote uiteenlopende hoeveelheid van belangen van verschillende partners. Volgens zowel college als raad is niet goed gedefinieerd in het jeugdbeleid waar de gemeente op wil interveniëren. Hierdoor is het college veelal met de raad in de discussie over inrichtings- en uitvoeringskwesties en het verantwoording afleggen over de realisatie van de uitvoering.
Via dashboards op het gebied van inrichting en uitvoering zijn inmiddels goede gegevens voorhanden. Echter op het gebied van maatschappelijke effecten en de transformatie krijgt de raad nauwelijks tot geen informatie. Het college en de gemeenteraad zijn in gesprek via de klankbordgroep data om indicatoren en streefwaarden te kiezen voor de gestelde doelen. De gemeenteraad ervaart weinig grip en sturing op het jeugdbeleid. Raadsleden missen vooral informatie over de maatschappelijke effecten en de transformatie. Ook blijkt uit de reflectiesessie met de gemeenteraad dat meer duiding kan worden gegeven aan de ervaringen van inwoners in de verstrekte informatie aan de raad.
4.6
Toetsing aan het normenkader
Voor de toetsing aan de norm werken we met de volgende termen in volgorde van niet voldoen tot voldoen: ▪ Voldoet niet: dit betekent dat op geen enkele wijze wordt voldaan aan de norm ▪ Voldoet beperkt: dit betekent dat voor een klein deel wordt voldaan aan de norm ▪ Voldoet merendeels: dit betekent dat voor een groter deel wel dan niet wordt voldaan aan de norm ▪ Voldoet grotendeels: dit betekent dat voor een zeer groot gedeelte wordt voldaan aan de norm ▪ Voldoet: dit betekent dat volledig wordt voldaan aan de norm.
Bevindingen uitvoeringspraktijk
39
Norm De beoogde inrichting komt overeen met de gerealiseerde inrichting
Toetsing Voldoet grotendeels. De feitelijke uitvoering van de toegang komt redelijk overeen met hoe deze beoogd is. Uit het casusonderzoek komt naar voren dat het voorliggend veld niet tot nauwelijks bekend is of wordt betrokken bij de respondenten. De wijkteams blijken grotendeels te werken zoals beoogd. Zij blijken flexibeler dan beoogd, omdat de grootte van de stad te klein is om als Geynwijs op wijkniveau te acteren. Daardoor nemen wijkteams werk van elkaar over wanneer dit passend is. Jeugdigen en ouders weten waar ze zich Voldoet beperkt. Veel van de ouders die zelf hulp zoeken kunnen melden voor hulp en waar ze beginnen hun zoektocht bij de huisarts, zij worden vervolgens recht op hebben doorverwezen naar Geynwijs. Ouders met een nieuwe hulpvraag Jeugdigen van de gemeente kennen Geynwijs nauwelijks. Een belangrijke plek waar Geynwijs Nieuwegein ontvangen naar eigen en de hulp onder de aandacht wordt gebracht is de school. De oordeel tijdig en volledig de juiste hulp. tevredenheid over de geleverde jeugdzorg is verdeeld. Over de jaren heen is deze verbeterd, maar deze heeft nog steeds onvoldoende langetermijnperspectief of nazorg. Het overgrote deel van de respondenten was van mening dat zodra zij om hulp vroegen bij Geynwijs, zij de hulp op tijd kregen. De gemeente kent de jeugdigen en Voldoet merendeels.
Wanneer de ouders of jeugdige eenmaal gezinnen die preventieve of curatieve aan de bel heeft getrokken biedt de gemeente en de aanbieders ondersteuning nodig hebben en bereikt voldoende hulp aan. Echter, preventief bereikt de gemeente hen met haar aanbod. jongeren en ouders onvoldoende. De gemeente heeft binnen de uitvoering een grote focus op curatief gebied. Binnen de curatieve zorg is er wel een daling van zwaardere zorg naar lichtere zorg waargenomen. De gemeente is in staat om in een Voldoet beperkt. Een beweging naar signalering bij de voorkant vroegtijdig stadium risico’s en is in uitvoering, maar is nog niet voldoende merkbaar. De problemen te signaleren en grijpt daar gemeente Nieuwegein signaleert jongeren met problemen effectief op in. onvoldoende. Zij grijpt pas in bij het stadium waar de oudere/jongere zelf aan de bel trekt. Op laagdrempelig niveau gebeurt weinig en er zijn geen plekken waar jongeren laagdrempelig kunnen komen. Daardoor is vroegsignalering lastig. De overdracht 18- naar 18+ is naar Voldoet beperkt. In de uitvoering zijn de ambities ten aanzien oordeel van ouders, jongeren en van de overdracht 18-/18+ nog niet uitvoerig terug te zien is. professionals goed geregeld en heeft Onvoldoende passend aanbod bestaat voor uithuisgeplaatste geen negatieve gevolgen voor de jongeren wanneer zij een volwassen leeftijd hebben bereikt. De betreffende jongere.
urgentie wordt bij de professionals benadrukt en is voor de uithuisgeplaatste jongeren problematisch. De beoogde rolinvulling komt overeen Voldoet beperkt. In kaderstelling geven zowel de raad als het met de gerealiseerde rolinvulling. college aan dat het bestaande jeugdbeleid zich in eerste instantie richt op de inrichting en uitvoering. Er zijn nauwelijks streefwaarden en indicatoren voor maatschappelijke effecten en de transformatie. Op het gebied van gegevensverzameling en informatieverstrekking zien we dat zowel financiële gegevens (via P&C cyclus) als gegevens over inrichting en gebruik (via Dashboards) worden verstrekt aan de raad. Op het gebied van maatschappelijke effecten en de transformatie wordt geen informatie verstrekt aan de raad. Daarom ervaart de raad weinig sturing en grip op het jeugdbeleid.
Bevindingen uitvoeringspraktijk
40
Klik hier en voeg via Invoegen Afbeeldingen een foto in. Om te vergroten: klik op een hoek en sleep. Om te verschuiven: klik op Bijsnijden in het rechtertabblad Opmaak.
5
BEVINDINGEN RESULTATEN
Bevindingen uitvoeringspraktijk
42
5. Bevindingen resultaten 5.1
Inleiding
In dit hoofdstuk worden de bevindingen van de resultaten beschreven. De onderzoeksvragen worden op hoofdlijnen beantwoord, gevolgd door een onderbouwing van dat antwoord. Het hoofdstuk eindigt met een toetsing van de bevindingen aan de normen behorend bij de behandelde onderzoeksvragen.
5.2
Realisatie wettelijke en eigen doelen
Onderzoeksvragen: 1. Realiseert de gemeente Nieuwegein de doelen en beoogde maatschappelijke effecten die opgenomen zijn in de Jeugdwet? 2. Realiseert de gemeente Nieuwegein haar eigen ambitie, doelen en beoogde effecten van het jeugdbeleid? Beantwoording op hoofdlijnen: ▪ Vanuit rapportages , interview en casusonderzoek blijkt dat inrichting en gebruik van de jeugdzorg op het gebied van toegang en inkoop de laatste jaren goede resultaten kent. ▪ Vanuit de verantwoording van de gemeente Nieuwegein kan niet worden aangetoond of de beoogde maatschappelijke effecten van de jeugdwet en de eigen doelen en beoogde effecten van het jeugdbeleid worden gerealiseerd. ▪ Uit de interviews en het casusonderzoek blijkt dat er een betere samenwerking is ontstaan tussen Geynwijs en zorgaanbieders en met scholen (primair onderwijs) maar dat verder preventieve interventies nog grotendeels ontbreken. Trajecten richten zich niet op een lange termijn perspectief en het is de vraag of afschaling plaats vindt. Daarmee geeft dit de indicatie dat het merendeel van de samengevatte doelen van de gemeente nog niet gerealiseerd worden. Onderbouwing Uit de verschillende rapportages blijkt dat de inrichting van de jeugdzorg via de toegang en de inkoop van de gespecialiseerde zorg via Geynwijs en de Regionaal Backoffice Lekstroom nu goed verloopt.
Tevens blijkt dat in de meeste gevallen goede en tijdige hulp wordt verleend. Uit het casusonderzoek en interviews komt naar voren dat de laatste twee jaar de uitvoering van de toegang en de inkoop aanzienlijk verbeterd is. In het Dimensus-onderzoek hebben gebruikers gereflecteerd op de doelen van de gemeente vooral op het gebied van inrichting en uitvoering. Daaruit blijken positieve veranderingen. De doelen die de gemeente in de periode vanaf 2013 heeft geformuleerd zijn samengevat: 1. Vroegsignalering en preventieve interventies. In de tweede planperiode ligt daar meer nadruk op, dan in de eerste periode. 2. Het versterken van de pedagogische basisinfrastructuur in de wijken in samenwerking en samenhang met alle relevante netwerkpartners rondom jeugd. Ook hiervoor geldt dat in de tweede planperiode meer doelen en ambities zijn geformuleerd op dit punt. Het is zelfs de eerste pijler in het beleidsplan. 3. Het bevorderen van de eigen regie en kracht van de gezinnen. Daaraan wordt ook de afschaling van specialistische en intensieve jeugdhulp naar lichtere vormen van hulp en ondersteuning als doel aan gekoppeld. 4. Het bieden van hulp zo dicht mogelijk bij de gezinnen thuis, ook als er sprake is van complexe (multi)problematiek.
De indicatoren met streefwaarden waarop de gemeente Nieuwegein verantwoording aflegt, hebben dominant betrekking op het gebruik van voorzieningen en in mindere mate op ervaringen van inwoners.
Bevindingen resultaten
43
Voor de informatie over kosten en gebruik van voorzieningen is voorzien in een dashboard. De dashboards zijn inmiddels goed ontwikkeld en geven ook actuele informatie over gebruik en voorzieningen. Deze worden volgens raadsleden in de P&C cyclus gedeeld en eind 2020 is hier ook meer duiding aan gegeven aan de gemeenteraad. Vanuit de ambtelijke organisatie wordt aangegeven dat hiermee in 2019 reeds is gestart. Indicatoren over de bredere maatschappelijke effecten van het jeugdbeleid en daarmee de bovengenoemde doelen ontbreken nagenoeg. De indicatoren in de planning- en controlcyclus zijn niet een op een aan te sluiten op de doelen uit het vigerende jeugdbeleid (periode 2018-2022). Dit is, naast het ontbreken van gegevens over de maatschappelijke effecten, een aanvullende verklaring waarom het niet goed mogelijk is om uitspraken te doen over de mate waarin beleidsdoelen worden gerealiseerd. Uit het gesprek met professionals blijkt dat er in de gemeente Nieuwegein een breed aanbod aan zorgaanbieders is die verschillende hulp kan aanbieden waardoor het makkelijk is om te schakelen tussen de gemeente en de zorgaanbieders. En deze schakel verloopt inmiddels naar tevredenheid van de professionals aan beide kanten. Men weet elkaar goed te vinden. Op een aantal aspecten is er nog niet voldoende aanbod.
Zo noemden de professionals in de ontwikkelkamer bijvoorbeeld onvoldoende vervolgaanbod voor jongeren die opgenomen zijn geweest, respijtzorg en dagbehandelingen. Uit het casusonderzoek blijkt dat er voorafgaand aan de hulptrajecten (vroegsignalering) en tijdens en na de hulptrajecten geen tot weinig sprake is van ondersteuning door het voorliggend veld. Uit de interviews en het casusonderzoek blijkt dat er een toenemende samenwerking is met scholen. Dit is een positieve ontwikkeling. Dit wordt onderkend voor het primair onderwijs door de professionals die deelnamen aan de ontwikkelkamer. Zij geven echter aan de in de samenwerking met het voortgezet onderwijs nog veel is te verbeteren. De samenwerking met andere algemene voorzieningen is niet waargenomen in de onderzochte casussen. Ook komt uit het casusonderzoek naar voren dat de zorg en ondersteuning zich volgens de respondenten nog niet richten op een lange termijn perspectief. Daarnaast komt het vrij vaak voor dat in het proces van de ondersteuning van de jongeren meerdere jeugdhulppartijen veelal na elkaar betrokken zijn. Het is daarom de vraag of er actief wordt gewerkt aan afschaling van specialistische en intensieve jeugdhulp naar lichtere vormen van hulp en ondersteuning.
In de ontwikkelkamer met de professionals komt naar voren dat afschalen vaak als lastig wordt ervaren en dat daardoor jongeren vaak langer blijven zitten bij de zwaardere zorg. Ouders gaven aan dat voor hun ervaring er bij Geynwijs geen aanspreekpunt was voor dat moment in het proces. Daardoor moeten zorgaanbieders veel tussenstappen zetten voordat de indicatie voor lichtere zorg komt. Uit de casusonderzoeken blijkt dat in een flink aantal gevallen door de ondersteunende hulpverlening niet of nauwelijks aandacht is voor het hele systeem/netwerk van de jongere buiten het gezin. De hulp is vooral gericht op de jongere en het gezin.
5.3
Financiële resultaten
Onderzoeksvraag: 3. Zijn de kosten van het jeugdbeleid in lijn met de gestelde financiële kaders? Beantwoording op hoofdlijnen: De kosten van het jeugdbeleid zijn niet in lijn met de gestelde financiële kaders: ▪ Er is sprake van 50% stijging van kosten tussen 2017 en 2020. ▪ Er is een fors verschil tussen begrote en gerealiseerde uitgaven.
Bevindingen resultaten
44
Onderbouwing In aansluiting op paragraaf 2.4 waarin vermeld staat dat in Nieuwegein de gerealiseerde uitgaven op de in beschouwing genomen kostenposten stijgen van 2017 (van € 10.654.000,-) naar 2020 (opgelopen tot € 15.969.000,-). Dit is een stijging van 50& procent en is hoger dan het landelijke gemiddelde. Landelijk, zo blijkt uit een recent (december 2020) onderzoek naar de groei van de uitgaven in de jeugdhulp in opdracht van het ministerie, is de groei van de uitgaven 47 procent over deze periode. De begrote uitgaven nemen eveneens fors toe: van ruim 6 miljoen in 2017 tot ruim 15 miljoen in 2021. In de jaren 2018 en 2019 is een fors verschil tussen de begrote en de gerealiseerde uitgaven. In de begroting van 2020 wordt gemeld dat als gevolg van de forse uitgavengroei de reserve Sociaal Domein volledig is benut. In de begroting van 2021 wordt aangegeven dat vanwege de toename van uitgaven op het gebied van Jeugdzorg en WMO de reserve Sociaal Domein al in 2020 volledig is ingezet. Er kan dus voor 2021 geen beroep worden gedaan op deze reserve. Daarom komt het tekort van € 1,3 miljoen over 2021 ten laste van het begrotingssaldo. In de interviews zijn verschillende verklaringen genoemd voor de verschillen tussen de begrote en gerealiseerde uitgaven. De Jeugdwet is volgens geïnterviewden een open eindregeling, hierdoor is er dus eigenlijk geen financiële limiet.
Verder zoekt de gemeente naar inrichtingsalternatieven die bijdragen aan de doelen. Daardoor worden er op korte termijn interventies uitgezet en kosten gemaakt met als doel een resultaat op lange termijn. De manager van Geynwijs is budgethouder sinds januari 2020. Daarvoor was het financieel management volgens geïnterviewden wat diffuser doordat Geynwijs een stichting was en van daaruit rapporteerde aan de gemeente. Sinds begin 2020 stuurt Geynwijs op meer kostenbewustzijn via gesprekken met medewerkers over de kosten van de indicaties. Medewerkers kijken sinds kort of er ook andere mogelijkheden zijn om af te schalen na afloop van een indicatie. Er is een zeer grote instroom in de zwaardere zorg en met name in de basis-GGZ (behandeling van lichte tot matige geestelijke gezondheidsvragen). De gemeente probeert hierop te sturen via het Regionaal Backoffice Lekstroom (RBL) en door Geynwijs inclusief de POH Jeugd. De dashboards zijn inmiddels goed ontwikkeld en geven nu ook actuele informatie. Er is een driehoeksoverleg sinds 2 jaar tussen Beleid, Geynwijs en financiën. Door maandelijkse bespreking van de dashboardgegevens door Geynwijs werd eerder gesignaleerd dat de basis-GGZ vorig jaar een grote stijging in aantallen cliënten meemaakte (daar waar specialistische inzet leek te dalen). Hierover wordt gesproken in een driehoeksoverleg samen met het RBL.
Het RBL voert sinds dit jaar daarnaast eens per kwartaal gesprekken met aanbieders. Recent begint het contractmanagement meer op kosten te sturen. Twee jaar geleden is de projectgroep Grip op Jeugd gestart om meer grip te krijgen op de financiële ontwikkelingen. Door de maandelijkse bespreking van het dashboard wordt de inzet op de werkgroep Grip op Jeugdhulp bepaald. Ook worden cijfers besproken en geduid in overleg met Geynwijs professionals. Relevante input wordt bijvoorbeeld betrokken bij de input op accountgesprekken. Medio 2021 zal in deze werkgroep worden gekeken op welke issues de gemeente zich wil concentreren. Volgens geïnterviewden is de prognose voor 2022, dat er nog wel kostenstijging is als gevolg van indexatie, maar niet als gevolg van een stijging van het gebruik van voorzieningen. De laatste prognose over Q1 2021 laat voor 2021 overschrijding van ongeveer 100.000 zien ten opzichte van de begroting (totaal ongeveer 15 miljoen). De sturing op uitstroom, een knop om aan te draaien, is volgens geïnterviewden weerbarstig. Geynwijs is mede o.b.v. het speerpunt uit het jaarplan (bevorderen integrale samenwerking informeel en formeel netwerk) o.a. de samenwerking met vrijwilligersorganisaties aan het bevorderen.
Bevindingen resultaten
45
5.4
Effectiviteit geboden ondersteuning
Onderzoeksvraag: 4. Is de geboden ondersteuning (preventief en curatief) effectief? Voorkomt de ondersteuning escalatie van problemen of leidt het tot beheersing of afname van problemen rondom opvoeden en opgroeien? Beantwoording op hoofdlijnen: ▪ De geboden ondersteuning is vooral gericht op het stabiliseren en oplossen van problemen en is vooral curatief van aard. De inzet van Geynwijs wordt gewaardeerd. Geynwijs is meer betrokken als onderdeel van de oplossing in de laatste jaren. Er is nog weinig aandacht voor preventie en voor het lange termijn perspectief: afschaling en nazorg wordt slecht zelden actief toegepast. Onderbouwing Voor de 20 casussen die in het onderzoek betrokken zijn, geldt dat de hulpverlening voornamelijk curatief van aard was en dat deze volgens de respondenten bijgedragen hebben aan de stabilisering of in een beperkt aantal gevallen aan de oplossing van de problemen die zich voordeden. In de ondersteuning verzorgt Geynwijs naast de verwijzing ook begeleiding. Het komt niet vaak voor dat Geynwijs enkel een verwijzing verzorgt. Een punt van verbetering is de nazorg. Ouders en jeugdigen geven veelal aan dat geen nazorg heeft plaatsgevonden. Dit werd niet als positief ervaren. Daarnaast is het opvallend dat de regie niet eenduidig bij één bepaalde partij ligt in alle casussen.
De regie ligt soms bij de ouder (vaak bij die ouders die wat mondiger zijn), en soms bij de aanbieder (vaak wordt voor lichtere problematiek de regie overgelaten aan de zorgaanbieder). Soms ligt de regie duidelijk bij Geynwijs en dit lijkt erop dat dit is bij zwaardere of multi-problematiek. Verder komt uit het casusonderzoek naar voren dat in de ondersteunende hulpverlening niet of nauwelijks aandacht is voor het hele systeem/netwerk van de jongere. In een gering aantal van de gevallen (20%) is er wel duidelijk aandacht voor op het systeem/netwerk van de jongere. Vaak is de hulp gericht op zowel de jongere als het gezin. In een paar gevallen gaat dit echter volgens de respondenten niet goed of is dit niet gewenst door het betreffende gezin. Het casusonderzoek geeft aan dat de ondersteuning vanuit het voorliggend veld (vrij toegankelijke voorzieningen) vooraf niet bekend was bij de jongeren of hun ouders. Geen van de casussen zijn na afloop van de hulpverlening overgedragen naar het voorliggend veld. En slechts in één casus was er sprake van het parallel lopen van hulpverlening door een zorgaanbieder en ondersteuning door het voorliggend veld. In de interviews met het college en de ambtelijke organisatie wordt aangegeven dat er tot nu toe vooral curatief is ingezet in de jeugdhulp in de vorm van een triage-achtig model.
Het versterken van het voorliggend veld en een andere opvatting ten opzichte van hulp en zorg: meer gericht op herstelvermogen, draagkracht dient nu vorm te worden gegeven. De gemeente wil hierin twee sturingsdocumenten hanteren: de transformatieagenda en de nota jeugdbeleid. De transformatieagenda en het beleidsplan zijn op elkaar afgestemd. De beleidsnota start met de uitgangspunten van de transformatieagenda. Er zijn grote verwachtingen dat er in partnerschap de transformatie kan worden ingezet, maar de gemeente realiseert zich dat de partners nog niet zover zijn. Volgens geïnterviewden van de gemeente is het jeugdbeleid verkokerd aangestuurd vanuit de gemeente, waardoor er geen strategisch partnerschap is ontstaan. Er is sprake van een disbalans tussen praktijk en beleid. Het is volgens respondenten nog steeds lastig om keuzes te maken, bijvoorbeeld om budget in te zetten voor voorliggende of preventieve voorzieningen. Dit vooral daar waar het gaat om het inzetten van jongerenwerkers. Jongerenwerk was tot voor kort nagenoeg niet meer aanwezig in de gemeente
Bevindingen resultaten
46
Nieuwegein en kon ook geen rol meer spelen als netwerkpartner in jeugdhulp. Inmiddels is uitbreiding van het aantal jongerenwerkers voorgelegd aan het college.
5.5
Verbetermogelijkheden effectiviteit en rolverdeling
Onderzoeksvragen: 5. Op welke punten kan de effectiviteit van de jeugdhulp in Nieuwegein verbeterd worden en wat is daarvoor nodig? 6. Op welke punten (toegang, inkoop, hulp en ondersteuning en verantwoording) kan de rolverdeling tussen gemeente en partners in de gemeente Nieuwegein verbeterd worden? Beantwoording op hoofdlijnen: ▪ De effectiviteit van de jeugdhulp is de laatste jaren enorm verbeterd. De effectiviteit kan nog verder verbeterd worden door het vervolgaanbod verder te ontwikkelen en beter op elkaar te laten aansluiten. ▪ In de toegang kan de samenwerking met het voortgezet onderwijs en het voorliggend veld verbeterd worden. Verder zou er meer actief kunnen worden gestuurd op op- en afschaling door bijvoorbeeld altijd een contactpersoon bij Geynwijs te hebben. ▪ Met betrekking tot de inkoop van ondersteuning (zowel zorg als voorliggend veld) zou de netwerksamenwerking tussen professionals nog sterk kunnen verbeteren. De gemeente wordt gevraagd om hierin meer de regie te nemen.
▪ In de verantwoording is het van belang dat er indicatoren en streefwaarden worden benoemd voor maatschappelijke effecten en de transformatie Onderbouwing Effectiviteit van de jeugdhulp Uit casusonderzoek en interviews blijkt dat de effectiviteit van de jeugdzorg de laatste jaren verbeterd is en dit komt vooral doordat de toegang via Geynwijs en de inkoop via het Regionaal Backoffice Lekstroom nu beter werkt. In de gesprekken met de professionals tijdens de ontwikkelkamer kwam naar voren dat op een aantal aspecten nog niet voldoende aanbod is. Zo is er onvoldoende vervolgaanbod voor jongeren die opgenomen zijn geweest. Dit geldt in mindere mate ook voor de jongeren die 18 worden. Daarnaast is voor het jongere kinderen soms zoeken naar passend aanbod en onvoldoende aanbod voor respijtzorg of overbruggingszorg voor jongeren die op wachtlijsten staan van de zwaardere zorg. Uit het casusonderzoek blijkt dat er voorafgaand aan de hulptrajecten (vroegsignalering) en tijdens en na de hulptrajecten geen tot weinig sprake is van ondersteuning door het voorliggend veld. Toegang Uit de interviews en het casusonderzoek blijkt dat er een toenemende samenwerking is met scholen. Dit is een positieve ontwikkeling. Dit wordt onderkend voor het primair onderwijs door de professionals die deelnamen aan de ontwikkelkamer.
Zij geven echter aan de er in de samenwerking met het voortgezet onderwijs nog veel is te verbeteren. De samenwerking met andere algemene voorzieningen zijn nog niet waargenomen in de onderzochte casussen. Ook komt uit het casusonderzoek naar voren dat interventies zich volgens de respondenten nog niet richten op een lange termijn perspectief. Daarnaast komt het vrij vaak voor dat in het proces van de ondersteuning van de jongeren meerdere jeugdhulppartijen veelal na elkaar betrokken zijn. Het is daarom de vraag of er actief wordt gewerkt aan afschaling van specialistische en intensieve jeugdhulp naar lichtere vormen van hulp en ondersteuning. In de ontwikkelkamer met de professionals komt naar voren dat afschalen vaak als lastig wordt ervaren en dat daardoor jongeren vaak langer blijven zitten bij de
Bevindingen resultaten
47
zwaardere zorg. Het is door ouders uit het casusonderzoek ervaren dat bij Geynwijs er geen contactpersoon is op dat moment in het proces, omdat het dossier bij Geynwijs dan afgesloten is. Zeker bij zwaardere/complexere problematiek voert Geynwijs veelal casusregie. Blijkbaar komt de casusregisseur onvoldoende in beeld bij afschaalvragen. Daardoor moeten zorgaanbieders veel tussenstappen zetten voordat de indicatie voor lichtere zorg komt. Inkoop en verantwoording Professionals hechten grote waarde aan netwerksamenwerking tussen professionals (zowel zorg als voorliggend veld/preventie), zodat zij van elkaar weten wat andere professionals kunnen bijdragen. Daardoor kan samen met anderen worden gespard zodat je vanuit meerdere gezichtspunten tot een betere oplossing kunt komen. Maar ook om samen nieuw aanbod te ontwikkelen en samen terug te kijken op wat echt werkt. Professionals zouden het appreciëren als de gemeente hierin de regie neemt maar zien voor zichzelf hierin ook een actieve rol.
5.6
Rolinvulling gemeente en gemeenteraad in verantwoording en controle op resultaten
Onderzoeksvraag: 7. Wat is de rol van de gemeente en de gemeenteraad in het verantwoorden en controleren op resultaten in het jeugdbeleid? Beantwoording op hoofdlijnen: ▪ De gemeente kan richting de raad verantwoorden op kosten en gebruik van voorzieningen en de ervaringen van inwoners met Geynwijs (Dimensus onderzoek). Echter de raad ontvangt weinig tot geen informatie over de transformatie en de bereikte maatschappelijke effecten. ▪ Mede daardoor ervaren gemeenteraadsleden nog weinig grip en sturing op het jeugdbeleid. Onderbouwing Gemeenteraadsleden geven aan dat zij nog weinig grip en sturing ervaren op het jeugdbeleid van de gemeente Nieuwegein. Er worden weinig tot geen streefwaarden gebruikt in de informatie naar de raad en daarin zit nauwelijks informatie over het bereiken van maatschappelijke effecten en de transformatiedoelen. De informatie die de gemeenteraad nu krijgt, gaat over het gebruik van voorzieningen en de financiën. Raadsleden ervaren dat zij onvoldoende op de hoogte zijn van wat er speelt. Bovendien geven raadsleden aan dat ze onvoldoende informatie krijgen over het effect van preventieve maatregelen en de voortgang van de transformatie. De Raad heeft afgelopen jaren ingestemd met de inhoudelijke prioriteiten van de transformatie agenda afgelopen jaren, o.a. zomer 2019.
Daarnaast is de raad geïnformeerd over de transformatie agenda op september 2020, oktober 2020 en voorjaar 2021. Bij raadsbehandeling is door het college toegezegd jaarlijks met de raad in gesprek te gaan om cijfers te duiden en toe te lichten. In sessie met raad in 2019 is gesproken over de wens meer beeld over de effectiviteit van jeugdhulp te krijgen. Hierop heeft het Lectoraat Jeugd Utrecht de gemeenteraad inzicht gegeven op manieren hoe gemeenten met hun partners duiding kunnen geven aan de cijfers en zo kunnen sturen op kwaliteit en effectiviteit in het veranderende jeugdveld met een notitie en presentatie in april 2020. De gemeentelijke organisatie maakt voor het gebruik van voorzieningen gebruik van de gegevens die worden beheerd in de backoffice op regionaal niveau voor jeugdhulp. De dashboards die de regio maakt zijn inmiddels goed ontwikkeld en geven ook actuele informatie over gebruik en voorzieningen. Deze worden in de P&C cyclus met de gemeenteraad gedeeld en eind 2020 is hier ook meer duiding aan gegeven aan de gemeenteraad.
Bevindingen resultaten
48
5.7
Toetsing aan het normenkader
Voor de toetsing aan de norm werken we met de volgende termen in volgorde van niet voldoen tot voldoen: ▪ Voldoet niet: dit betekent dat op geen enkele wijze wordt voldaan aan de norm ▪ Voldoet beperkt: dit betekent dat voor een klein deel wordt voldaan aan de norm ▪ Voldoet merendeels: dit betekent dat voor een groter deel wel dan niet wordt voldaan aan de norm ▪ Voldoet grotendeels: dit betekent dat voor een zeer groot gedeelte wordt voldaan aan de norm ▪ Voldoet: dit betekent dat volledig wordt voldaan aan de norm. Norm De gemeente verzamelt gegevens (vanuit de vier invalshoeken van sturing), interpreteert deze en verwerkt deze tot verantwoordingsinformatie naar de gemeenteraad op zodanige wijze dat de gemeenteraad hiermee grip en sturing ervaart.
Toetsing Voldoet beperkt. Er worden voornamelijk gegevens verzameld over het gebruik van voorzieningen en financiën. Daarnaast zijn er gegevens over inwonerservaringen vanuit het Dimensus onderzoek naar de dienstverlening door Geynwijs. Er zijn geen gegevens voorhanden voor transformatie en maatschappelijke effecten. De gemeente slaagt erin om: Voldoet beperkt. De gemeente slaagt erin om op het ▪ De eigen doelen en streefwaarden (inhoudelijk gebied van inrichting en gebruik te rapporteren. en financieel) te realiseren Financieel zijn er forse verschillen tussen begrote en ▪ De landelijke doelen van de Jeugdwet te gerealiseerde kosten. Daar er weinig streefwaarden bereiken. zijn gesteld op het gebied van transformatie en maatschappelijke effecten kan hiervoor niet aangetoond worden dat de gemeente er in slaagt om deze te realiseren. Uitspraken over het realiseren van de landelijke doelen (anders dan het bieden van voorzieningen) kunnen hierdoor niet gedaan worden. De geboden ondersteuning is effectief: Voldoet merendeels. De geboden ondersteuning via ▪ Beoogde resultaten worden bereikt Geynwijs en de inkoop via de regio is over het ▪ Het voorkomt escalatie van problemen algemeen effectief sinds een paar jaar. Mede Het leidt tot beheersing of afname van de hierdoor wordt escalatie van problemen voorkomen.