Zienswijzennota
Tekst van het document
17
3.28 Bestemmingsplan is in strijd met speerpunten uit de Omgevingsvisie van de gemeente, er wordt tevens verwezen naar de ingediende zienswijze m.b.t. de Omgevingsvisie. Beantwoording Voor een toets aan de Omgevingsvisie dient te worden gekeken naar de richtinggevende kaart hierin. Hierop is de locatie ingetekend als “Gepland bedrijven”. De genoemde speerpunten zijn nogal abstracte doelstellingen waarvan wij niet inzien dat die in strijd zouden zijn met deze ontwikkeling. Overigens wordt dat in de zienswijze ook niet nader uitgelegd. In onze optiek is de ontwikkeling Bonegraaf-Oost in lijn met de Omgevingsvisie. De zienswijze m.b.t. de Omgevingsvisie is door het college beantwoord en heeft niet geleid tot aanpassingen bij de vaststelling. 3.29 Indiener geeft aan dat het ontwerp bestemmingsplan niet voorziet in het herplanten van de houtopstand. Hiermee dreigt 2 hectare bos en 5 hectare agrarisch gebied verloren te gaan. Verder stelt indiener een gewijzigde terrein indeling voor door het bos te draaien richting de woonwijk waarmee een buffer wordt gecreëerd. Het bedrijfsdeel kan dan aangewend worden voor kleine tot middelgrote plaatselijke ondernemers waarvoor het lokale bedrijventerrein ook bedoeld is. Beantwoording Zie de beantwoording onder 2.5. en de algemene beantwoording onder D.
Aanvullend wordt opgemerkt dat met het verdwijnen van een deel van het bos er sprake is van een herplantplicht. Hiervoor is het ook noodzakelijk dat een vergunning wordt aangevraagd bij de provincie Gelderland. De te kappen bomen zullen dan ook op het perceel moeten worden herplant. 3.30 Ontwikkeling als laanboomteeltgebied zou beter voor de omgeving zijn. Vervolgens wordt een conclusie getrokken over de voornoemde punten uit Hoofdstuk 3. Beantwoording In de Intergemeentelijke Strategische Visie Laanboomteelt (ISVL; 2015) is het onderhavige gebied niet aangeduid als boomteeltconcentratiegebied, maar als “uitbreiding wonen/werken”. Deze visie gaat er dus al vanuit dat hier geen laanboomteelt zal komen. Overigens is het ook zeer de vraag of gelet op de spuitzoneproblematiek een ontwikkeling met laanboomteelt zou leiden tot een goed woon- en leefklimaat voor de aanliggende woningen. De conclusie onder punt 3.30 betreft punten die ook al in het voorgaande deel van de zienswijze waren opgenomen en deze hebben we van een beantwoording voorzien. 4.1 Indiener acht het onzorgvuldig om de met het ontwerp bestemmingsplan beoogde plannen en de andere voorgenomen ontwikkelingsplannen in de omgeving zonder Milieu Effect rapportage te willen bestemmen. Volgens indiener speelt er een veelheid aan factoren die het milieu en de (gevoelige) omgeving kunnen beïnvloeden.
Beantwoording Om te bepalen of voor het project een milieueffectrapport (M.E.R.) moet worden opgesteld, is het van belang om te kijken of de ontwikkeling een activiteit is als opgenomen in de bijlagen van het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.). De uitbreiding van het bedrijventerrein met bijbehorende ontsluiting en parkeerplaatsen kan worden gekwalificeerd als "de aanleg of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen" als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. De activiteit valt echter ruim beneden de gestelde drempelwaarde, waardoor geen sprake is van een directe m.e.r.-(beoordelings)plicht. Dit betekent concreet dat het bevoegd gezag zich ervan moet vergewissen of de activiteit, wanneer deze onder de drempelwaarden zit, daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Om die reden is de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling opgesteld. Op grond van deze notitie kan geconcludeerd worden dat mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van het initiatief kunnen worden uitgesloten. Voor de ontwikkeling hoeft dan ook geen Milieueffectrapportage te worden opgesteld. Het college van B&W heeft hiertoe op 27 september 2022 besloten.
18
4.2 Indiener geeft aan dat in de voorbereiding van het ontwerpbestemmingsplan en de MER ook andere plannen die in voorbereiding zijn, moeten worden betrokken. Als voorbeeld worden het nu strijdig in gebruik genomen D&E terrein en het nieuwe bedrijfsperceel Dalwagen ong. genoemd. Hierbij moet niet alleen gekeken worden hoe de plannen zich verhouden tot de huidige omgeving maar ook de toekomstige omgeving met twee basisscholen Beantwoording Zie tevens de beantwoording onder 4.1. In die besluitvorming is ook het perceel “D&E” meegenomen. Voor het perceel Dalwagen ong. wordt een afzonderlijke procedure gevoerd en daarvoor is een afzonderlijk vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen. Overigens zou de situatie niet anders zijn wanneer de ontwikkelingen op dit perceel en de percelen Bonegraaf-Oost gezamenlijk waren beoordeeld: ook beide ontwikkelingen samen blijven qua oppervlakte ruimschoots onder de drempelwaarde. Voor de gevolgen van het plan op het MFC wordt verwezen naar de beantwoording onder 4.3 4.3 Onduidelijk is hoe dit plan zich verhoudt tot het nieuwe MFC (Multifunctionele Centrum bij sporthal De Eng). Beantwoording In het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van afstanden volgens de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering”, zoals uitgelegd in paragraaf 3.9 van de toelichting.
Hierbij worden, afhankelijk van de toegestane milieucategorie, afstanden aangehouden ten opzichte van gevoelige functies. Bepalend zijn daarbij de meest dichtbij gelegen gevoelige functies, te weten in dit geval de woningen aan de Gieser Wildeman en Brederode. Indien er sprake is van realisering van nieuwe gevoelige functies (de geprojecteerde functies in het MFC in sporthal de Eng) op een veel grotere afstand, wordt altijd voldaan aan de voorgeschreven minimale afstanden en derhalve aan een “goede ruimtelijke ordening”. De afstand van het MFC tot Bonegraaf-Oost is minstens 160m. 4.4 In de planregels ontbreken waarborgen om hinder en overlast te voorkomen ten opzichte van gevoelige functies. Beantwoording Verwezen wordt naar de algemene beantwoording onder B. en C. 4.5 Indiener is van mening dat de conclusie in paragraaf 4.1 van de plantoelichting waarin is aangegeven dat er geen nadelige gevolgen zijn voor het milieu ongefundeerd is, en dat om die reden geen sprake kan zijn van objectieve besluitvorming. Beantwoording Ten behoeve van de ontwikkeling zijn alle relevante en noodzakelijke (milieu)onderzoeken uitgevoerd. Dit naar onder andere bodem, ecologie, akoestiek, luchtkwaliteit, stikstof, archeologie, externe veiligheid, spuitzones, water, milieuzonering en verkeer en parkeren.
Geen van deze onderzoeken leidt tot de conclusie dat de ontwikkeling onevenredige nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Derhalve kan de conclusie onderbouwd worden getrokken. 4.6 Bonegraafseweg is niet geschikt, en heeft onvoldoende capaciteit, als ontsluitingsweg voor Bonegraaf-Oost. Beantwoording Zie de algemene beantwoording onder E. 4.7 Met het ontwerp bestemmingsplan wordt voorbij gegaan aan het feit dat toekomstige verkeersbewegingen over de Bonegraafseweg en de Dalwagen zullen plaatsvinden, welke tevens dienen als hoofdtoegangsweg naar de dorpskern van Dodewaard. Eveneens is op deze wegen al jaren sprake is van een gevaarlijke verkeerssituatie.
19
Beantwoording Zie ook de beantwoording onder 1.4. De genoemde wegen Bonegraafseweg en Dalwagen zijn zogeheten gebiedsontsluitingswegen die zijn ingericht voor ontsluiting van onder andere het bestaande bedrijventerrein, maar ook deels voor de kern Dodewaard. Dergelijke wegen zijn bij uitstek geschikt en ook bedoeld om grotere verkeersstromen af te wikkelen en te ontsluiten naar het hogere regionale (provinciale wegen) en landelijke (rijkswegen) verkeersnetwerk. Dat daarbij aandacht moet zijn voor de verkeersveiligheid en de combinatie fietsers en (vracht)autoverkeer is evident. Maar het is niet zo dat deze wegen ontoereikend zijn voor de ontsluiting van het bestaande en de uitbreiding van het bedrijventerrein. Zie verder de algemene beantwoording onder E. In onze optiek zijn de gehanteerde cijfers correct. 4.8 Eerder voorziene fietsvoorzieningen en trottoirs langs de Bonegraafseweg ontbreken nog steeds. Beantwoording Verwezen wordt naar de beantwoording onder 1.4. 4.9 Inrichting Bonegraafseweg leidt er toe dat mogelijk geen ruimte is voor fietspaden / trottoirs. In de groenstrook liggen kabels en leidingen. Beantwoording Verwezen wordt naar de beantwoording onder 1.4. Overigens is een fiets- en voetgangersvoorziening in de regel prima te combineren met de aanwezigheid van kabels en leidingen is de ervaring.
4.10 De parkeerbehoefte is bepaald op basis van de maximale bouwmogelijkheden met één bouwlaag. Niet duidelijk is of het aantal parkeerplaatsen voldoet aan de maximaal mogelijke parkeerbehoefte met meerdere bouwlagen. Beantwoording Zie beantwoording onder 2.12. 4.11 Plannen Dalwagen ong. en MFC leveren ook toename verkeer. Dit moet in samenhang worden bezien. Beantwoording Er is geen noodzaak om het MFC qua verkeer in gezamenlijkheid te onderzoeken met Bonegraaf-Oost. Te meer niet omdat qua verkeerseffecten de beide ontwikkelingen vrijwel van elkaar zijn gescheiden. De ontwikkeling van Bonegraaf-Oost speelt zich – ook verkeerskundig gezien – voornamelijk ten noorden van de brandweerkazerne af, de ontwikkeling van het MFC ten zuiden hiervan. De plannen Dalwagen ong. en Bonegraaf-Oost leiden ook in gezamenlijkheid niet tot een toename van verkeer in die mate dat de Bonegraafseweg dit niet aan zou kunnen. 4.12 Verwezen wordt naar artikel SGP over onvoldoende aandacht voor verkeersveiligheid bij eerdere ontwikkelingen Beantwoording Zie beantwoording onder 4.11 4.13 Indiener is van mening dat met het toepassen van de parkeernorm niet alleen rekening moet worden gehouden met kantoormedewerkers, maar ook met medewerkers opslag en logistiek, chauffeurs van vrachtauto’s, medewerkers van de onderhoudsdienst en bezoekers. Hiermee kunnen volgens indiener verkeersaantallen hoger uitvallen.
Beantwoording Zie beantwoording onder 2.12.
20
4.14 Het bevreemdt indiener dat het huidige perceel van Pauw niet betrokken is bij het beoordelen van de verkeersaantrekkende werking van het plan, dit terwijl het planologisch bestaande perceel wel is meegenomen in het bestemmingsplan. Beantwoording In het rapport van Goudappel Coffeng, datum 17 september 2022 is de totale parkeer- en verkeersgeneratie van het bedrijventerrein worst case berekend. De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de verkeersgeneratiekencijfers uit CROW publicatie 381. Voor de norm is uitgegaan van een gemengd bedrijventerrein en de totale verkeersgeneratie is berekend over het totale oppervlakte van het bedrijventerrein, te weten circa 5,1 hectare. Hiermee is het huidige perceel van Pauw eveneens betrokken. 4.14 De verkeersgeneratie van De Bonegraaf Oost bedraagt 850 motorvoertuigbewegingen per etmaal, waarvan 160 vrachtwagens. Indiener is van mening dat de omliggende ontsluitingswegen dit onvoldoende aan kunnen. Beantwoording Zie de beantwoording onder 4.7 4.15 Volgens indiener is de omvang van het bedrijventerrein nog groter, omdat op de verbeelding ook de zuidelijke hoek van deelgebied 2 als bedrijventerrein wordt bestemd. Deze grond is niet meegenomen in de berekening van het aantal verkeersbewegingen. Beantwoording Het bedrijventerrein De Bonegraaf Oost heeft een netto omvang van circa 5,1 hectare.
Dit betreft alle gronden die op de verbeelding de bestemming “Bedrijventerrein” hebben gekregen en ook in die hoedanigheid zullen worden gebruikt. Ook zijn hierbij de wegen meegenomen die de bestemming ‘Verkeer’ hebben. Gronden met de bestemming ‘Groen’ zijn buiten beschouwing gelaten. Het zuidelijk deel van deelgebied 1 is daarbij inderdaad buiten beschouwing gelaten, omdat hier wordt voorzien in een wadi die noodzakelijk is voor een adequate waterhuishouding. Derhalve zullen we de bestemming hier aanpassen naar de bestemming ‘Groen’. Aanpassing: Gronden zuidzijde deelgebied 2 bestemmen tot ‘Groen’ 4.16 Volgens het ontwerp bestemmingsplan zijn voor GMB 150 parkeerplaatsen voorzien en zouden 137 parkeerplaatsen noodzakelijk zijn. Indiener bestrijdt deze aantallen en geeft aan dat er meer parkeerplaatsen noodzakelijk zijn en dat verwacht wordt dat GMB groep op korte termijn verder zal groeien. Indiener vindt daarom 150 parkeerplaatsen erg weinig. Beantwoording Zie de beantwoording onder 2.12. 4.17 Indiener geeft aan dat een vrij toegankelijk parkeerterrein gemakkelijk kan leiden tot een hangplek wat tot overlast kan leiden voor de woonwijk. Een parkeerbestemming is ongewenst. Beantwoording Het parkeerterrein voor GMB zal geen vrij toegankelijk parkeerterrein zijn, maar kan worden afgesloten. Enige vrees voor een hangplek hoeft er dan ook niet te zijn.
De aanduiding ‘Parkeren in het groen’ is opgenomen om het bijzondere karakter en daarmee de uitstraling van het parkeerterrein planologisch vast te leggen. Overigens geldt ter plaatse de bestemming ‘Bedrijventerrein’. 4.18 In het ontwerp bestemmingsplan is opgenomen dat het bijbehorend parkeren op eigen terrein dient te voldoen aan de parkeernota van de gemeente. Met als toevoeging dat indien deze beleidsregels worden gewijzigd rekening moet worden gehouden met deze wijziging. Dit leidt tot onzekerheid, vanwaar indiener graag de toevoeging ziet ‘onder voorwaarde dat deze wijziging niet leidt tot enige verslechtering voor de omgeving van het plangebied’. 21
Beantwoording De parkeeregels in het bestemmingsplan betreft een zogeheten “dynamische verwijzing” naar de gemeentelijke parkeernota. Hiermee is de realisatie van voldoende parkeerplaatsen juridisch gewaarborgd en toetsbaar op het moment van aanvraag omgevingsvergunning. Gangbaar is om daarbij een verwijzing te doen naar de meest actuele nota. Immers indien deze bij gewijzigde inzichten is aangepast is het juist te toetsen aan de meest actuele versie. De gevraagde toevoeging is dus niet nodig en bovendien onwenselijk. Dat maakt de regeling namelijk subjectief en (daarmee) rechtsonzeker. 4.19 Indiener geeft aan dat het aantal parkeerplaatsen in deelgebied nu al te kort schiet. Immers er worden 100 tot 120 parkeerplaatsen gerealiseerd, terwijl er op basis van berekeningen nu al 123 noodzakelijk zijn. Daarbij ligt het bedrijventerrein niet in de buurt van OV dus is de verwachting dat het percentage dat met de auto komt hoger zal zijn van de gebruikt 60%. Het parkeer tekort zal daarmee nog veel groter zijn. Beantwoording Verwezen wordt naar de beantwoording onder 2.12. Aanvullend merken wij op dat in de toelichting wordt aangegeven dat op eigen terrein er ook nog parkeergelegenheid is. Zodoende is er in totaliteit voldoende parkeergelegenheid. De inschatting van 60% is gebaseerd op cijfers voor Neder-Betuwe.
Veel bedrijfsterreinen in Neder-Betuwe hebben een vergelijkbare bereikbaarheid per OV. 4.20 Een tekort aan parkeervoorzieningen geeft het risico van parkeren in de woonwijk en daarmee een reden om niet te voorzien in het verleggen van het wandelpad en deze open te houden richting woonwijk. Beantwoording Zie beantwoording onder 2.12. Hieruit blijkt dat het niet aannemelijk dat er een parkeertekort ontstaat. Er is dan ook geen noodzaak om af te zien van de beoogde verlegging van het wandelpad. 4.21 Indiener merkt op dat er geen sprake is van de bestemming ‘parkeren in het groen’. Verder is het onduidelijk voor welke oppervlakten en op welke delen de bestemming ‘Groen’ en de bestemming ‘Bedrijventerrein’ en de bestemming ‘Parkeren in het groen’ wordt beoogd. Beantwoording Het bestemmingsplan kent een viertal hoofdbestemmingen, te weten ‘Groen’, ‘Bedrijventerrein’, ‘Verkeer’ en ‘Water’. De aangehaalde bestemming ‘Parkeren in het groen’ is geen bestemming, maar een functieaanduiding binnen de bestemming ‘Bedrijventerrein’ (gelegen direct ten oosten van de groenbestemming die bos en wandelpad omvat). Deze aanduiding is uitsluitend opgenomen om het bijzondere karakter en daarmee de uitstraling van het parkeerterrein planologisch vast te leggen. De bestemming ‘Bedrijventerrein’ is ter plaatse onverminderd van toepassing.
De website ruimtelijkeplannen bevat een handige rekentool waarmee oppervlakten eenvoudig kunnen worden berekend. 4.22 Indiener is van mening dat de conclusie in paragraaf 4.2 van de plantoelichting, waarin is aangegeven dat er voor parkeren geen belemmeringen aanwezig zijn voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, onvoldoende is onderbouwd. Beantwoording Zie beantwoording onder 2.12 4.23 Indiener is bezorgd over de ophoging van het ontwerp plangebied met netto 1,6 meter boven met maaiveld van de woningen in de woonwijk. Men vreest nadelige invloed op het grondwater en bodemhardheid, scheurvorming/verzakking van woningen en straatwerk, droogte en wateroverlast. Volgens indiener is er te weinig onderzoek gedaan naar de gevolgen van de beoogde ophoging.
22
Beantwoording Zie beantwoording onder 2.19. Aanvullend wordt opgemerkt, dat de ophoging van het plangebied, niet direct voor effecten zorgt voor de omliggende omgeving. Wel kan het gevolgen hebben voor de waterhuishouding ter plaatse. Immers het gebied ligt nu laag en vormt een soort van buffer voor hemelwater. Om die reden wordt met de planvorming juist extra aandacht besteed aan de nieuwe waterhuishouding en zal er aanzienlijk ruimte worden gerealiseerd voor waterberging aan de noordzijde van het plangebied. Deze oplossing, inclusief het waterhuishoudkundige plan is besproken met het Waterschap, waarna zij hiermee heeft ingestemd. 4.24 t/m 4.28 Geen maximale geluidemissie opgenomen cf. BP Einsteinstraat & Dalwagen. Beantwoording Verwezen wordt naar de algemene beantwoording onder C. en de beantwoording onder 3.22. 4.29 Indiener vraagt zich af of en in hoeverre rekening is gehouden met het geluid van Pauw op het door hen reeds strijdig in gebruik genomen (agrarisch) perceel. Beantwoording Verwezen wordt naar de algemene beantwoording onder C. Aanvullend is door Spa WNP Ingenieurs, datum 28 februari 2023, voor het gehele bedrijventerrein een onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Hiermee is worst case berekend wat de geluidsuitstraling van de toegestane bedrijfsactiviteiten is.
Uit dit onderzoek blijkt dat met realisatie van de eerdere beschreven geluidswal er kan worden voorzien in een goed woonen leefklimaat ter plaatse van de woningen. 4.30 Het laten draaien van koeltrailers valt volgens de VNG tabel in de activiteitencategorie 3.2 waarvoor een afstandsnorm van 100 meter tot gevoelige bestemmingen geldt. Op dit moment is al duidelijk dat zelfs op een afstand van 124 meter dit tot zeer ernstige geluidsoverlast lijdt. Beantwoording Verwezen wordt naar de beantwoording onder 2.2-2.3 en de algemene beantwoording onder C. 4.31 De afstandsrichtlijn van de VNG gaat uit van moderne bedrijven die gebruik maken van de best beschikbare technieken. Het latend raaien van koeltrailers op dieselmotoren is niet modern te nomen, waarmee de afstandsrichtlijn van de VNG niet afdoende zijn. Beantwoording Verwezen wordt naar de beantwoording onder 2.2-2.3 en de algemene beantwoording onder C. 4.32 In het ontwerpbestemmingsplan wordt voorgenomen om de bedrijfscategorie dichter bij de woningen toe te staan, er lijkt circa 45 meter aangehouden te worden, wat bij realisatie tot grote problemen zal leiden. Beantwoording Zie algemene beantwoording onder B en C.
4.33 Indiener is van mening dat bij de geluidsonderzoeken rekening moet worden gehouden met de maximaal mogelijke impact van het geheel aan plannen en alle activiteiten die onder het ontwerpplan mogelijk worden gemaakt. Beantwoording Zie beantwoording onder 4.29 en 4.32 en de algemene beantwoording onder C. 4.34 Indiener geeft aan dat voor diverse bedrijfsactiviteiten toeslagen op geluidnormen gelden omdat het geluid wat geproduceerd wordt extra hinderlijk is.
23
Beantwoording Zie beantwoording onder 4.29 en 4.32 en het algemene deel onder C. 4.35 Plan leidt tot degradatie van rustige woonwijk naar “gemengd gebied”. Beantwoording Verwezen wordt naar de algemene beantwoording onder B. Aanvullend: de gebiedscategorisering “gemengd gebied” is gebaseerd op de actuele situatie, niet op de situatie onder het nieuwe planologische regime. Het is dus niet zo dat na realisatie van Bonegraaf-Oost andere normen gaan gelden. 4.36 In de afgelopen jaren is er door verschillende activiteiten rondom het plangebied sprake geweest van meer dan normaal geluid. Hiermee is in de geluidsonderzoeken onvoldoende rekening gehouden. Beantwoording Bij het uitvoeren van akoestisch onderzoek wordt onderzocht wat de worst case belasting van geluid is op de directe omgeving. Zie ook de beantwoording onder 4.29. Dit wordt gedaan aan de hand van standaarden, gekoppeld aan de toegestane bedrijfscategorie. 4.37 Noord-zuid structuur van het nieuwe bedrijventerrein is qua geluid extra ongunstig voor de woonwijk omdat dit de achterzijde van bedrijven betreft. Ook de rijrichting noord-zuid op het GMB gedeelte is ongunstig. Beantwoording Verwezen wordt naar de algemene beantwoording onder C. 4.38 In het ontwerpbestemmingsplan wordt melding gemaakt van dove gevels. Indiener geeft aan dat de woningen aan de rand van de woonwijk geen dove gevels hebben.
Verder blijkt onvoldoende welke grenswaarden voor geluid ter plaatse zullen gaan gelden. Beantwoording In het bestemmingsplan wordt in zijn algemeenheid de kaders van geluidhinder en daarmee eveneens het begrip ‘dove gevels’ uitgelegd. In voorliggende situatie is geen sprake van een dove gevel. Zie beantwoording onder 4.29 en 4.32 4.39 t/m 4.43 Er is sprake van een rustige woonwijk, niet van “gemengd gebied” inzake de VNG-publicatie. Beantwoording Zie de algemene beantwoording onder B. Met “diverse woningen” wordt niet alleen de woonwijk De Heuvel bedoeld, maar ook de woningen aan de Kerkstraat en Dalwagen. 4.44 De kwalificatie “gemengd gebied” leidt ook tot een onjuist uitgangspunt voor planschade en tot een te lage planschade. Beantwoording Aangezien de gebiedstypologie wordt bepaald op basis van de (huidige) feitelijke situatie is dit voor het bepalen van planschade niet relevant, omdat in zo’n procedure een vergelijking plaatsvindt tussen planologische regimes. 4.45-4.47 Aangegeven wordt welke bestemmingen en functies aanwezig zijn in de woonwijk en binnen een afstand van 100m. Dit leidt tot de conclusie dat het een rustige woonwijk is en geen gemengd gebied. Beantwoording Verwezen wordt naar de algemene beantwoording onder B.
24
Wij merken voorts op dat uit de rechtspraak expliciet volgt dat bij het bepalen van de omgevingstypologie niet slechts moet worden gekeken naar een afstand van 100m rondom het object of gebied zoals in de zienswijze wordt gesuggereerd. Meestal worden afstanden van 300-400m aangehouden. Daarom zijn voor het bepalen van de gebiedstypologie ook het bestaande bedrijventerrein en de snelweg A15 en wellicht zelfs de Betuweroute van belang. 4.48 Er is geen sprake van agrarische bedrijven maar van agrarisch gebied. Beantwoording De term “agrarische bedrijven” is enigszins ongelukkig omdat daarmee vaak wordt gerefereerd aan agrarische bouwpercelen. Hier gaat het om agrarische bedrijvigheid. In de alinea ervoor, onder 4.5.1 staat het overigens wel correct (“kwekerij”). De term “agrarisch bedrijven” is dus niet bepalend voor de uiteindelijke conclusie “gemengd gebied”. 4.49-4.50 De zienswijze geeft een beschrijving van de woonwijk met het omliggende gebied. Beantwoording Voor wat betreft de typologie “gemengd gebied – rustige woonwijk wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder B. Op zich is de feitelijke beschrijving correct, wel merken wij op dat al in 1997 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Dodewaard een Structuurvisie is vastgesteld waarin de locatie Bonegraaf-Oost is opgenomen. Dit was dus tijdens de bouw van de woonwijk.
4.51 Woonwijk en omliggende functies zijn niet duidelijk weergegeven. Beantwoording In onze optiek is met het gehele bestemmingsplan een goed beeld gegeven van deze ontwikkeling alsmede de omliggende functies. In paragraaf 1.2 is bijvoorbeeld het plangebied weergegeven in een zeer ruime context van enkele kilometers. Het is geenszins de intentie van het plan te suggereren dat er maar enkele woningen aan de zuidzijde van Bonegraaf-Oost zouden liggen. 4.52-4.55 Herhaling van eerdere standpunten betreffende gebiedstypologie en aan te houden afstanden. Beantwoording Verwezen wordt naar de algemene beantwoording onder B. en C. 4.56 Indiener is van mening dat GMB in verband met zijn omvang maar ook in verband met de diversiteit aan activiteiten in een hogere bedrijfscategorie zou moeten vallen dan de nu aangehouden categorie 3.2 en er hiermee dus een grotere richtafstand zou moeten gelden. Daarbij achten zij GMB niet passend op een lokaal bedrijventerrein. Beantwoording Verwezen wordt naar de beantwoording onder 1.2. 4.57 Burgland Bouw betreft een bouwbedrijf en beoogd een buitenterrein van meer dan 2.000 m2 en is daarmee een categorie 3.2 bedrijf, dat niet gevestigd kan worden op het terreindeel dat beperkt is tot maximaal categorie 3.1. Beantwoording Ter plaatse zijn enkel activiteiten tot en met categorie 3.1 rechtstreeks toegestaan.
De beoogde activiteiten passen binnen de categorie. 4.58 De richtafstanden van de VNG dienen voor alle categorieën in acht te worden genomen, te weten geluid, geur, stof en gevaar. 25
Beantwoording Dat klopt, de VNG richtlijn geeft richtafstanden voor meerdere categorieën van hinder, te weten geluid, geur, stof en gevaar. Op die wijze zijn de richtafstanden ook beschouwd. 4.59 Niet eens met opgenomen afwijkingsmogelijkheid van de maximaal toegestane bedrijfscategorie (art. 3.5.1.b). Beantwoording Zie ook beantwoording onder 2.9. Aanvullend: de afwijkingsmogelijkheid voor bedrijven uit een andere categorie is overgenomen van de standaard regeling uit het bestemmingsplan Bedrijventerrein en zit overigens ook al in het door de indiener van de zienswijze veelgeprezen bestemmingsplan “Einstreinstraat & Dalwagen”. Wij zijn van mening dat de opgenomen voorwaarde een waarborg geeft dat het toepassen van deze regeling geen negatieve gevolgen heeft voor aanwonenden. Een identieke regeling die is opgenomen in het bestemmingsplan “De Heuning-Oost” (te Ochten) is door omwonenden aangevochten bij de Raad van State in 2017. De Raad van State oordeelde hierover als volgt: 11.2. Artikel 3, lid 3.4.2, van de planregels kan uitsluitend worden toegepast indien het bedrijf qua aard en omvang en invloed op het milieu en de omgeving gelijk te stellen is met de toegestane bedrijfsactiviteiten. Gelet hierop bestaat in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid in deze afwijkingsbevoegdheid heeft kunnen voorzien. Het betoog faalt.
4.60 Voor de richtafstanden is uitgegaan van de afstand tot het huidige bouwvlak van woningen. Niet is rekening gehouden met eventuele uitbreidingsmogelijkheden van woningen dan wel de mogelijkheid om een mantelzorgwoning te realiseren. Het ontwerp bestemmingsplan dreigt daarmee de huidige mogelijkheden van de woonbestemming. Beantwoording Het bestemmingsplan leidt niet tot een beperking van de planologische mogelijkheden ter plaatse van de woningen. 4.61 Er wordt geen relatie gelegd met omliggende plannen als Dalwagen ong. en het MFC. Beantwoording Voor wat betreft het MFC wordt verwezen wordt naar 4.3. Het bestemmingsplan Dalwagen ong. Dodewaard is wel degelijk in samenhang bezien met het BP Bonegraaf-Oost. Voor wat betreft woon- en leefklimaat is eveneens uitgegaan van de afstanden die volgen het de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering”. 4.62-4.63 Plan Dalwagen ong. en Bonegraaf-Oost moeten als 1 plan worden behandeld Beantwoording Bij het vaststellen van plangrenzen heeft de gemeenteraad een behoorlijke keuzevrijheid. Er is geen sprake van een onlosmakelijke verbondenheid die tot de conclusie leidt dat beide plannen gezamenlijk de procedure zouden moeten doorlopen, alhoewel de eerlijkheid gebied te zeggen dat dit ook de voorkeur van de gemeente was geweest.
De in bijlage V door bezwaarmaker ingetekende lijn is zeker niet de afstand van 100m ten opzichte van woonwijk De Heuvel. Het bestemmingsplan Dalwagen ong. Dodewaard is gelegen op een afstand van > 100m waardoor, hoewel wij stellen dat de buitenrand van De Heuvel is te karakteriseren als “gemengd gebied”, er zelfs wordt voldaan aan de afstanden behorende bij de gebiedstypologie “rustige woonwijk”. 4.64 Aan de rand van de woonwijk is een geluidwal opgenomen. Deze geluidwal eindigt voor de woningen aan de Gieser Wildeman, waardoor de geluidwal voor de woningen aan de Gieser Wilderman geen enkele bescherming biedt. Dit acht indiener onaanvaardbaar en in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Beantwoording Zie beantwoording onder 2.9. 26
4.65 Aan de zuidzijde van deelgebied 1 is de realisatie van de geluidwal gekoppeld aan het verhogen van de milieucategorie ter plaatse. Indiener geeft aan dat het een gemiste kans is om de geluidwal niet onvoorwaardelijk verplicht te stellen over de gehele zuidrand van het plangebied ter bescherming van de rustige woonwijk. Beantwoording Zie beantwoording onder 2.9. 4.66 In verband met de aanleg van een geluidwal, kan het bestaande wandelpad niet verlegd worden. Immers zou dit een onderbreking van de geluidwal zijn, waardoor het geluid alsnog de woonwijk kan binnen komen. Beantwoording Zie beantwoording onder 2.9. De geluidswal zal over de gehele zuidzijde gerealiseerd worden. In het onderzoek van Spa Ingenieurs van 28 februari 2023 is rekening gehouden met een opening in de geluidswal. 4.67 In het ontwerp bestemmingsplan is een geluidwal van 5 meter hoog en een lengte van 300 meter beoogt. Indiener beschouwt dit als een extreme maatregel wat onderschrijft dat de bedrijfsfunctie te kort op de woningen in de rustige woonwijk wordt gerealiseerd. De hoogte van de geluidwal staat niet in verhouding met bijvoorbeeld de hoogte van woningen. Beantwoording Verwezen wordt naar de algemene beantwoording onder B.
Zie tevens de beantwoording onder 4.29 en 4.32 4.68 In het ontwerp bestemmingsplan wordt geconcludeerd dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Indiener bestrijdt dit en merkt op dat uit het uitgevoerde geluidsonderzoek blijkt dat de belasting op de woningen maximaal 47 dB(A) bedraagt hetgeen de grenswaarde voor een rustige woonwijk overschrijdt. Bij de woningen is derhalve geen sprake van een goed woon- en leefklimaat. Ook wordt niets gezegd over piekgeluiden als gevolg van het vrachtverkeer. Beantwoording Verwezen wordt naar de algemene beantwoording onder B. Zie beantwoording onder 4.29 en 4.32. 4.69 Indiener heeft groot bezwaar dat er geen toetsing plaats vindt voor de omgeving aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit eens te meer omdat er plannen zijn voor het realiseren van een basisschool met kinderopvang. Daarbij zijn er nu ook al bedrijven die de luchtkwaliteit beïnvloeden. Beantwoording Ten behoeve van de ontwikkeling is door SPA WNP Ingenieurs, datum 12 april 2022 een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit ter plaatse. Ook is onderzoek uitgevoerd naar de bestaande luchtkwaliteit ter plaatse. Uit het onderzoek blijkt dat op alle receptorpunten de bijdrage van het project aan de jaargemiddelde concentraties minder is dan 3% van de grenswaarde (i.c.
1,2 µg/m3), voor zowel stikstofdioxide als fijnstof. De emissies vanwege het project zijn daarmee niet in betekende mate (NIBM). Een verdere toetsing aan de grenswaarden kan daarom achterwege blijven. 4.70 Indiener vreest voor stankoverlast als gevolg van de bedrijvigheid en overlast van deeltjes in de lucht. Beantwoording Zie beantwoording onder 4.69.
27
Aanvullend, ten behoeve van geuroverlast moet aansluiting worden gezocht bij de VNG welke richtafstanden geeft voor meerdere categorieën van hinder, onder andere geur. Voor de aangehaalde categorie geur wordt voldaan aan de aanbevolen richtafstanden (50 meter) voor een categorie 3.2 bedrijfsactiviteit. 4.71 Indiener vreest voor stankoverlast vanwege het ’s nachts stallen van vrachtwagens die overdag rioolslib vervoeren. Beantwoording Zie beantwoording onder 4.70 Aanvullend, op het perceel van GMB zal geen sprake zijn van het stallen van vrachtwagens die rioolslib vervoeren. 4.72 De beoogde noord-zuid structuur is extra nadelig voor de woonwijk o.a. vanwege de nadelige invloed op verplaatsing van fijnstof. Beantwoording Zie ook de beantwoording onder 2.4 Niet is duidelijk waarom een noord-zuid structuur zal bijdragen aan verplaatsing van fijnstof. 4.73 Indiener is bezorgd over het ontstaan van gevaarlijke situaties als gevolg van toename transport van fossiele brandstoffen en gevaarlijke stoffen. Beantwoording Het aspect externe veiligheid is in volledig beschouwd. Verwezen wordt naar paragraaf 4.8 van de plantoelichting. 4.74 Indiener heeft bezwaar tegen de uitzondering in het ontwerp bestemmingsplan die is gemaakt voor de definiëring van strijdig gebruik ten aanzien van risicovolle inrichtingen. Meer specifiek tegen de toevoeging ‘indien niet aangeduid’.
Beantwoording Artikel 3.4.1 betreft het zogeheten strijdig gebruik. Dit artikel stelt dat risicovolle inrichtingen juist in strijd zijn met het bestemmingsplan. De toevoeging ‘indien niet aangeduid’ (overgenomen uit de standaard regeling voor bedrijventerreinen) impliceert dat uitsluitend risicovolle inrichtingen zijn toegestaan als deze zijn aangeduid op de verbeelding. Omdat in voorliggend bestemmingsplan geen sprake is van risicovolle inrichtingen en de aanduiding dus ook niet van toepassing is, zullen we de aanduiding schrappen uit de planregels. Aanpassing: Artikel 3.4.1 onder b, schrappen de toevoeging ‘indien niet aangeduid’. 4.75 De opslag en productie van waterstof op zo’n korte afstand van de woonwijk is voor indiener onaanvaardbaar en leidt tot onaanvaardbare risico’s voor de huishoudens in de woonwijk. Beantwoording In het bestemmingsplan is uitsluitend de mogelijkheid voor waterstof opgenomen voor het eigen gebruik. Dit is op ruime afstand (circa 200 meter) van de woningen. Daarnaast is door Tauw, datum 23 december 2021 onderzoek uitgevoerd naar de maatgevende en de maximale effectafstand. Zelfs de maximale effectafstand ligt op een afstand van circa 100 meter van de woningen. Hiertussen zijn ook nog twee geluidswallen geprojecteerd. Derhalve wordt geconstateerd dat het aspect waterstof niet leidt tot onaanvaardbare risico’s voor de huishoudens in de woonwijk.
4.76 Indiener heeft bezwaar tegen het toestaan van tanks en drukhouders op het bedrijventerrein tot een hoogte van 4 meter. Men is bang voor explosies of brandgevaar.
28
Beantwoording Het bestemmingsplan maakt inderdaad tanks en drukhouders mogelijk op het bedrijventerrein. Dit betreft gangbare installaties die ook op bestaand bedrijventerreinen in Dodewaard mogelijk zijn. De risico’s op explosie en brandgevaar zijn minimaal en bovendien liggen tussen het bedrijventerrein en de woningen een tweetal (geluid)wallen en is de afstand ruim 50 meter. 4.77 Indiener is van mening dat het onaanvaardbaar is om op korte afstand van de woonwijk laadvoorzieningen en tankinstallaties voor fossiele brandstoffen toe te staan. Vanwege risico’s voor de veiligheid en overlast. Beantwoording Zie de beantwoording onder 4.76 4.78 Indiener mist beschermende maatregelen in het bestemmingsplan, zoals het voorkomen van hoge bebouwing met te veel verdiepingen, het voorkomen van openingen en ramen, beperkingen ten aanzien van balkons, dakterrassen aan de zijde van woningen. Ook mist indiener beperkingen ten aanzien van verlichting en lichtreclame aan bebouwing, maar ook eisen ten aanzien van kleuren en materialen vanwege het risico van inbreuk op de privacy. Beantwoording Zie de beantwoording onder 2.15 Aanvullende eisen ten aanzien van kleuren en materialen worden gesteld in het opgestelde beeldkwaliteitsplan, welke door de gemeenteraad als toetsingskader voor welstand zal worden vastgesteld gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan.
Voor wat betreft privacy verwachten wij geen nadelige effecten voor indiener gezien de ruime afstand van bebouwing tot de woningen en de beide geluidswallen. 4.79 Indiener heeft bezwaar tegen de afwijkingsbevoegdheid in artikel 8.3 van het bestemmingsplan, welke B&W de bevoegdheid geeft om af te wijken voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde voor waterstaatswerken. Beantwoording De afwijkingsmogelijkheid is standaard opgenomen om eventuele bouwwerken geen gebouwen zijnde voor waterstaatswerken toe te staan. Om onzekerheid hieromtrent weg te nemen, zal de afwijkingsbevoegdheid uit de planregels worden gehaald. Aanpassing: Afwijkingsbevoegdheid onder artikel 8.3 verwijderen. 4.80 Indiener heeft bezwaar tegen de voorwaardelijkheid van het geluidscherm hetgeen tot onduidelijkheid en onzekerheid lijdt. Beantwoording Zie beantwoording onder 2.9. 4.81 Indiener heeft bezwaar tegen de extreme hoogte en lengte van het geluidscherm zo dicht aan de rand van de woonwijk. Terwijl daar bovenuit nog opslag, kranen en verlichting zichtbaar is. Beantwoording In de zienswijze spreekt indiener zich enerzijds uit voor een langere geluidswal en anderzijds tegen een geluidswal. Hoe dan ook zal een geluidswal gerealiseerd worden, ook aan de zuidzijde van deelgebied 1.
De geluidswal ontneemt het zicht op het bedrijventerrein grotendeels* en daarmee opslag en achterkanten van bedrijfsgebouwen, zoals indiener graag ziet. Verder is geen sprake van een enkelvoudig scherm, maar wordt de geluidswal ingepast en voorzien van een begroeid talud. Hiermee wordt de geluidswal vanaf de woonwijk hetzelfde ervaren als de reeds bestaande wal die ten noorden van de woonwijk ligt. De regeling m.b.t. kranen komt uit de standaard regeling (bestemmingsplan Bedrijventerreinen) maar deze komen er niet en deze bepaling zal uit de regels worden verwijderd. *Niet alles zal uit zicht verdwijnen, bijvoorbeeld niet vanaf verdiepingsvloeren vanuit de woningen, maar wel zal er voldaan worden aan het criterium voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 29
Aanpassen: regeling voor hoogte van kranen uit de regels verwijderen. 4.82 Indiener heeft bezwaar tegen het verdwijnen van het mooie beeldbepalende bos. Beantwoording Verwezen wordt naar de algemene beantwoording onder D. 4.83 Indiener heeft bezwaar tegen de hoogte van de visuele afscheiding van 4 meter, omdat de opslag tot 5 en 8 meter is toegestaan. Beantwoording Zie beantwoording onder 2.9. Aanvullend, de visuele wal wordt niet gerealiseerd ter plaatse van de woningen. Hier zal sprake zijn van een geluidswal met een hoogte van 6 meter t.o.v. het huidige maaiveldniveau en 5 meter t.o.v. het opgehoogde (1 meter) maaiveldniveau. Verder wordt opslag direct ten noorden van de geluidswal beperkt tot 5 meter hoogte. Aanpassen: opslag met een hoogte van 8 meter direct ten noorden van de geluidswal wordt verwijderd. 4.84 Indiener is van mening dat er een MER moet worden uitgevoerd voor de beoogde ontwikkeling Beantwoording Zie beantwoording onder 4.1. 4.85 Indiener vreest voor lawaai als gevolg van de ontwikkeling in de weekenden. Beantwoording Zie beantwoording onder 4.29 en 4.32. Aanvullend in het onderzoek wordt ook rekening gehouden met weekenden en nachtperiode. 4.86 Indiener vreest voor lawaai in de nachtperiode als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Beantwoording Zie beantwoording onder 4.29 en 4.32.
Aanvullend in het onderzoek wordt ook rekening gehouden met weekenden en nachtperiode 4.87 Indiener vraagt zich af wat de beoogde ophoging met 1,60 meter voor consequenties heeft voor zicht, geluid, bouw- en opslaghoogtes, geluidschermen, verlichting, kranen etc. Beantwoording Zie ook hiervoor: de ophoging zal geen 1,60m maar (maximaal) 1m zijn. Verder zal zoals in de toelichting is aangegeven, een de geluidwal, inclusief begroeiing worden aangelegd die het zicht op opslag vrijwel geheel ontnemen. De geluidwal heeft een hoogte van 5 meter met daarbovenuit begroeiing. Verder is in de huidige situatie ook reeds sprake van een begroeide wal aan de achterzijde van de woningen aan de Brederode, waardoor zicht op opslag nagenoeg nihil zal zijn. 4.88 Indiener maakt zich zorgen over de ophoging met 1,60 meter, waarmee het plangebied 1 meter boven maaiveld van woningen ligt. Dit in verband met problemen met het grondwaterpeil en de afvoer van hemelwater, wateroverlast bij stortbuien, scheurvorming en verzakking van woningen en straatwerk. Beantwoording Zie beantwoording onder 2.19 en 4.23
30
4.89 Met de beoogde ontwikkeling zal een deel van het bos verdwijnen en een deel blijven bestaan. Indiener geeft aan dat tijdens een keukentafelgesprek met GMB aan is gegeven dat gezien de aard van het bos het rooien en kappen van bomen leidt tot het omvallen van de overgebleven bomen. Ook het ophogen van gronden zal effect hebben op het bos. De consequenties van het verdwijnen van 2 hectare bos voor milieu, gezondheid, opname stikstof, vasthouden fijnstof, geluid licht etc. moet zorgvuldig onderzocht worden. Beantwoording Zie de algemene beantwoording onder D. 4.90 Volgens de toelichting van het bestemmingsplan is er sprake van een meld- en herplantplicht. Volgens het bestemmingsplan zullen dan ook nieuwe bomen aangeplant worden. Een eenvoudig te realiseren alternatief zou zijn het bos te draaien zodat deze een natuurlijke afscheiding kan vormen tussen de woonwijk en het bedrijventerrein. Beantwoording Zie de algemene beantwoording onder 2.5 en 4.89. 4.91 Indiener geeft aan dat de noodzakelijke ontheffingen in het kader van de Wnb nog niet zijn verleend en dat daarmee de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet voldoende is aangetoond. Beantwoording Ten behoeve van de ontwikkeling dient inderdaad een aantal ontheffingen in het kader van de Wet natuur bescherming verleend te worden.
Ten behoeve van deze ontheffingen is een activiteitenplan opgesteld en in een vooroverleg met de provincie Gelderland is aangegeven dat, indien voldoende mitigerende maatregelen getroffen worden, er op voorhand geen reden is te verwachten dat een deugdelijke aanvraag niet tot verlening van ontheffing zal leiden. Na de ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan zijn de ontheffingen dan ook aangevraagd bij de provincie. Aanpassing: In artikel 3 een voorwaardelijke verplichting opnemen die de realisatie van het bedrijventerrein verbiedt zonder noodzakelijke en verleende ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming. 4.92 Indiener geeft aan dat het plangebied aan de grens van een kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied is gelegen. Indiener is van mening dat in de planregels onvoldoende waarborgen zijn opgenomen voor de bescherming van het kwetsbare drinkwatergebied. Men vraagt zich af wat de gevolgen zijn voor de drinkwaterwinning. Beantwoording Bij de laatste actualisatie van de Omgevingsverordening Gelderland zijn drinkwaterreserveringsgebieden aangewezen en zijn voor deze gebieden regels opgenomen. Deze regels gelden alleen binnen de gebieden zelf en hebben geen externe werking.
Het plangebied grenst aan een kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied, echter worden met het bestemmingsplan geen activiteiten toegestaan die een effect kunnen hebben op het reserveringsgebied. De provincie Gelderland heeft in het kader van het vooroverleg dan ook slechts opgemerkt dat het raadzaam is om alert te zijn op eventuele ontwikkelingen buiten het plangebied van dit bedrijventerrein, zoals onder andere bij geothermie. Echter, dit staat los van deze concrete ontwikkeling. 4.93 Indiener geeft aan dat de toename van stikstof-depositie op het nabijgelegen Natura-2000 gebied in de bouw-/aanlegfase niet berekend is. Gezien recente jurisprudentie dient deze berekening ook ten behoeve van het bestemmingsplan uitgevoerd te worden. Beantwoording De bedoelde jurisprudentie dateert van na het verschijnen van het ontwerp bestemmingsplan. Indiener van de zienswijze heeft gelijk dat er (alsnog) ook een stikstofberekening nodig is voor de bouwfase. Deze berekening is alsnog uitgevoerd. Daaruit volgt dat ook in de bouwfase geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op natura 2000-gebieden.
31
Aanpassing: toevoegen aanvullende AERIUS-berekening. 4.94 Indiener geeft aan dat in het bos en de groene randen van het gebied veel soorten vogels en ook beschermde vogels aanwezig zijn. Ook geeft men aan dat er in 2022 veel minder vogels zouden zitten vanwege geluidsoverlast. Beantwoording Niet wordt betwist dat in het bos mogelijk veel vogels zouden zitten. De vraag die in het kader van de Wet natuurbescherming moet worden beantwoord of er ook sprake van essentieel leefgebied en/ of verblijfplaatsen voor beschermde soorten. Om die reden is door NL Adviseurs, datum juni 2019 een quickscan natuurtoets uitgevoerd. Uit de quickscan kwam naar voren dat de projectlocatie geschikt is als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen, als vliegroute en foerageergebied van vleermuizen, als rust- en verblijfplaats voor de eekhoorn, bunzing, wezel en hermelijn, als nestlocatie voor roofvogels en als leefgebied van de grote modderkruiper. Om die reden heeft Buro Ontwerp & Omgeving een nader onderzoek gedaan om vast te stellen of er verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig zijn. Gezien de eigenschappen van het projectgebied is ter aanvulling op de voorgenoemde soorten ook nader onderzoek uitgevoerd naar de steenmarter, boommarter en ransuil. Op basis van het nader onderzoek is een activiteitenplan in combinatie met een ontheffingsvraag opgesteld.
De ontheffing is noodzakelijk voor de soorten vleermuizen (bomen en holtes), steenmarter, buizerd en sperwer. Zie verder de beantwoording onder 4.91. 4.95 Indiener geeft aan dat het ontbossen van 2 hectare bosperceel en herbestemming tot bedrijventerrein een negatieve invloed heeft op wateroverlast, stikstofopname, geluidsabsorptie, droogte en hitte. Beantwoording Verwezen wordt naar de algemene beantwoording onder D. 4.96 Indiener geeft aan dat zij bezwaar hebben tegen de hoogte van bebouwing en verlichting ter voorkoming van lichthinder voor verkeer, milieu, planen en dieren en direct omwonenden. Beantwoording Zie de beantwoording onder 2.15 en 4.81 4.97 Gemeente heeft het bos in de structuurvisie van 2003 aangemerkt als cultuurhistorisch waardevolle beplanting. Het bos is het laatst overgebleven bos dat nu verdwijnt. Beantwoording Bijlage U bij de zienswijze van indiener refereert aan de Structuurvisie Kernen uit 2003. Daarin wordt in de beschrijving van de huidige situatie het betreffende bos aangeduid als “waardevolle beplanting”. Waar de zienswijze echter aan voorbij gaat, is dat in deze visie bij de uiteindelijke keuzes voor ontwikkelingsrichtingen het gehele gebied is opgenomen als “potentiële bedrijfslocatie”, dus inclusief het betreffende productie(populieren)bos.
Overigens merken wij nogmaals op dat zeker niet het hele bos zal verdwijnen, zie voor een meer gedetailleerde beschouwing de algemene beantwoording onder D. 4.98 Voor deel van het gebied dat reeds door Pauw in gebruik is genomen moet nog archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Beantwoording Dit is een onjuiste conclusie. In het paraplu-bestemmingsplan Archeologie (27 september 2018) is al bepaald dat ter plaatse geen archeologische waarden voorkomen. Dit paraplubestemmingsplan “overruled” het bestemmingsplan Einsteinstraat & Dalwagen op het punt van archeologie. Er is hier dus geen nader onderzoek nodig.
32
5.1 Ter plaatse van de aanduiding ‘opslag’ is opslag toegestaan tot een hoogte van 8 meter, dit omdat sprake is van een hoge geluidwal waardoor zicht op opslag wordt ontnomen. Dit acht indiener onaanvaardbaar. Beantwoording Zie de beantwoording onder 4.83 en 4.87. 5.2 Overgangsrecht zoals genoemd in par. 5.5 mag niet van toepassing zijn op Pauw. Beantwoording Met betrekking tot de handhaving inzake Pauw verwijzen we naar 3.22. In paragraaf 5.5 van de toelichting wordt verwezen naar het overgangsrecht uit artikel 11 van de regels. Dit overgangsrecht is wettelijk voorgeschreven cf. artikel 3.2.1 en 3.2.2 uit het Besluit ruimtelijke ordening. Wij merken op dat gebruik dat al in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, niet onder het overgangsrecht valt. 5.3 Omvang beoogde bedrijven past niet op een lokaal bedrijventerrein en niet zo dicht bij een rustige woonwijk. Beantwoording Verwezen wordt naar de algemene beantwoording onder B. en de beantwoording 1.2. 5.4 Omvang beoogde bedrijven past niet op een lokaal bedrijventerrein en niet zo dicht bij een rustige woonwijk. Medel is een beter alternatief. Beantwoording Verwezen wordt naar de algemene beantwoording onder B. en F en naar de beantwoording onder 1.2. 5.5 Zicht en ligging van de woonwijk verslechterd dramatisch.
Beantwoording Wij zijn ons er terdege van bewust dat realisering van Bonegraaf-Oost gevolgen heeft voor de omgeving. Daarom is ook geprobeerd die gevolgen in ruimtelijke zin zoveel mogelijk te minimaliseren, bijvoorbeeld door het aanleggen van geluidswallen / groenvoorzieningen aan de zuidzijde en voor een deel gebruikmaking van het bestaande bosperceel als groen casco voor het nieuwe bedrijventerrein. Daarmee is sprake van een aanvaardbare ontwikkeling. We hebben echter niet de illusie dat een plan kan worden ontwikkeld waarbij niemand iets zal merken van nieuwe bedrijvigheid ter plaatse. 5.6 De Heuvel is nieuwste woonwijk van Dodewaard, pas nu wordt er gewerkt aan Fructus. Beantwoording Op zich een juiste beschrijving, maar betreft geen zienswijze omtrent voorliggend bestemmingsplan. 5.7 Beoogde hoogte van bebouwing past niet naast een rustige woonwijk. Beantwoording Zie de beantwoording onder 2.15, 4.81 en 4.87. 5.8 Toestaan van detailhandel leidt tot extra ontsluitings- en verkeersproblemen. Beantwoording Detailhandel is uitsluitend mogelijk als ondergeschikte nevenactiviteit, maximaal 20% van de vloeroppervlakte tot een maximum van 150 m2.
33
Wij zien niet in dat dergelijke kleinschalige en ondergeschikte mogelijkheden een structureel andere verkeersgeneratie opleveren dan reguliere bedrijvigheid. Het bestemmingsplan bevat daarnaast geen afwijkingsmogelijkheid voor detailhandel in volumineuze goederen (zoals wel opgenomen in het bestemmingsplan Bedrijventerrein). 5.9 Een bedrijfskantine is een normaal onderdeel van een bedrijf. Tegen de afzonderlijk bestemming horeca heeft indiener bezwaar omdat dit overlast kan veroorzaken. Beantwoording In het bestemmingsplan is geen sprake van een afzonderlijke horeca bestemming. Het perceel is bestemd als bedrijventerrein en ondersteunende horeca (als onderdeel van het bedrijf) is toegestaan. Dit komt overeen met de aangehaalde bedrijfskantine. 5.10 Bezwaar tegen toestaan van (GSM-)antennemasten Beantwoording De mogelijkheid voor GSM-antennemasten is een standaard regeling, overgenomen uit het bestemmingsplan Bedrijventerreinen. Het betreft een afwijkingsbevoegdheid (bevoegdheid college). Overigens is deze ook al opgenomen in het bestemmingsplan “Einsteinstraat & Dalwagen”. Hiermee kan met inachtneming van diverse randvoorwaarden de aanvaardbaarheid worden afgewogen. Wij kunnen ons voorstellen dat deze mogelijkheid niet direct naast de woonwijk De Heuvel wordt opgenomen, ook bij het bestemmingsplan Dalwagen ong. Dodewaard is deze afwijkingsbevoegdheid daarom niet opgenomen.
Aanpassing: De mogelijkheid niet opnemen binnen 100m van de bestaande woonbestemmingen aan de Brederode / Gieser Wildeman en voor het overige in stand te laten. 5.11 Indiener heeft bezwaar tegen het toestaan van kranen tot 15 meter hoog. Dit vanwege het zicht op kranen, maar ook het geluid en de verlichting. Beantwoording Zie hiervoor de beantwoording onder 4.81. 5.12 Indiener heeft bezwaar tegen de hoogte van buitenopslag van 5 tot 8 meter. Dit in verhouding tot de woningen die maximaal 9 meter hoog zijn. Beantwoording Zoals eerder aangehaald zal opslag niet ervaren worden door de realisatie van de geluidswal met een hoogte van 6 meter. Het talud van de geluidswal is begroeid met beplanting waarmee opslag niet zichtbaar zal zijn. 5.13 Indiener heeft bezwaar tegen de hoogte van buitenopslag omdat het stapelen van dergelijke hoogtes het gebruik van zwaar materieel vereist. Beantwoording Zie beantwoording onder 4.29 en 4.32. Ten behoeve van het stapelen zal sprake zijn van een heftruck, hetgeen als onderdeel van een normale bedrijfsvoering kan worden beschouwd. 5.14 Indiener heeft bezwaar tegen de hoogte van buitenopslag van 5 tot 8 meter . Dit zou zorgen voor stofwolken richting de woonwijk. Dit ook in verband met de grootte van het terrein. Beantwoording Niet wordt ingezien hoe de hoogte van buitenopslag zorgt voor stofwolken richting woonwijk.
Daarnaast is sprake van een geluidswal van 5 meter, waarmee eventuele stofwolken op eigen terrein blijven.
34
5.15 De beoogde noord-zuid structuur is extra nadelig voor de woonwijk o.a. vanwege de nadelige invloed op verplaatsing van fijnstof. En het zicht vanuit de woonwijk op achterkanten met opslag, kranen, lampen etc. Beantwoording Zie beantwoording onder 2.4 5.16 In het bestemmingsplan wordt een bouwhoogte van 12 of 13 meter toegestaan. Daarnaast wordt het plangebied volgens indiener opgehoogd met 1,60 meter. Het effect daarvan op uitzicht, lichtinval en dergelijken is onaanvaardbaar. Beantwoording Zie beantwoording onder 2.15 en 4.78. 5.17-5.18 Wandelpad kan niet gehandhaafd blijven omdat dit kan leiden tot parkeren in de woonwijk en tot een opening in de gewenste geluidwering. Beantwoording Vanwege het belang van het wandelpad voor inwoners van Dodewaard en werknemers op het bedrijventerrein willen wij dit wandelpad handhaven. Er zijn in het bestemmingsplan voldoende waarborgen opgenomen dat er bij de bedrijven voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Daarom lijkt het ons onaannemelijk dat de woonwijk zal worden gebruikt als overloop. GMB zal er ook op toezien dat werknemers niet gaan parkeren in de woonwijk. Voor wat betreft de opneming in de geluidwering wordt verwezen naar de beantwoording onder 4.66 5.19 Indiener constateert een aantal onjuistheden in het bestemmingsplan, zo is een aantal verwijzingen onder 3.1.2 niet correct.
Beantwoording Wij zullen de verwijzingen in artikel 3.1.2 aanpassen Aanpassing: corrigeren verwijzingen artikel 3.1.2. Reactie op Hoofdstuk 6 van de plantoelichting Algemeen In dit deel wordt vanuit de optiek van de indiener van de zienswijze beschreven hoe het voortraject, waaronder de omgevingsdialoog, is verlopen. Voor een deel nemen wij dit voor kennisgeving aan omdat het de perceptie betreft van bezwaarmaker. Daarbij komt dat in dit hoofdstuk voor een groot deel de inhoudelijke bezwaren tegen het plan worden herhaald en dat er verwezen wordt naar andere procedures (handhaving, WOB/WOO) waarop deels al is ingegaan en die voor het overige een eigen procedure kennen. Op enkele onderdelen menen wij toch een toelichting te moeten geven. Naar onze mening is er een serieuze en omvangrijke omgevingsdialoog gevolgd. Er zijn meerdere vormen van communicatie ingezet: er zijn keukentafelgesprekken gevoerd, een informatiebijeenkomst georganiseerd, nieuwsbrieven verzonden, er is gecommuniceerd via een speciaal opgezette website. Alles met als doel om de buurt op de hoogte te houden van het proces en zoveel mogelijk ideeën en suggesties mee te kunnen nemen bij de uitwerking van de plannen. Dit heeft ook wel degelijk geleid tot een bijstelling van de plannen voor wat betreft indeling van het GMB-terrein. Wij kunnen daarover alleen complimenten maken aan de initiatiefnemer.
Helaas heeft het blijkbaar voor bezwaarmaker niet gebracht wat was gehoopt. Daarbij hechten wij er aan om te benadrukken dat soms standpunten ook niet dichter bij elkaar komen te liggen als gevolg van inspraak, omgevingsdialoog of wat dan ook. Wij geloven niet dat het voeren van inspraak voor bezwaarmaker een wezenlijk verschil zou hebben gemaakt met de nu gevoerde procedure. Gesprekken met gemeentelijk projectleider en GMB Indiener geeft een eigen weergave van gesprekken met de gemeentelijk projectleider op 30 juni 2021 en met GMB op 7 juli 2021. 35
Beantwoording Op 23 juni 2021 hadden indiener en gemeentelijk projectleider telefonisch contact. Indiener gaf toen aan in gesprek te willen over vanwege “vragen over de Structuurschets Bonegraaf-Oost”. Dat gesprek vond vervolgens plaats op 30 juni. Gemeente had toen weliswaar overleggen met GMB over hun plannen – en er waren al eerste afspraken op hoofdlijnen over het starten van een omgevingsdialoog waarin GMB het voortouw zou nemen – maar gemeente was niet op de hoogte dat GMB al contact had opgenomen met indiener voor een eerste keukentafelgesprek. Ook in het telefonisch contact op 23 juni was daar niets over gezegd. Het gesprek op 30 juni nam daarom een andere wending dan verwacht. Neemt niet weg dat de gemeentelijk projectleider diverse malen heeft getracht uit te leggen wat de bedoeling was met de Structuurschets (kaders aanbrengen voor de al langer voorziene herontwikkeling van Bonegraaf Oost). Daarnaast is bevestigd dat de gemeente in gesprek was met concrete initiatiefnemers (waaronder GMB), maar dat zekerheid dat er daadwerkelijk een ontwikkeling zou starten niet gegeven kon worden, laat staan duidelijkheid over details daarvan. Uitgelegd is ook dat er eerst een omgevingsdialoog zou worden gevoerd door initiatiefnemers zelf en dat gemeente pas na die dialoog zou besluiten of een formele procedure voor bestemmingsplanwijziging zou worden gevoerd.
Projectleider heeft indieners vooral ook aangeraden om eerst die dialoog, die zou starten met keukentafelgespreek met direct omwonenden, af te wachten. Doel van die gesprekken was enerzijds uitleggen wat de plannen/ideeën waren, maar anderzijds ook zeker om bij omwonenden input op te halen die kon worden meegenomen in de verdere uitwerking van de plannen. Kortom: wacht de gesprekken af voordat je conclusies trekt. En natuurlijk kan er aan de hand daarvan opnieuw gesproken worden met de gemeente. Nadien (en voorafgaand aan het gesprek met GMB op 7 juli) heeft de projectleider per mail ook nog de nodige informatie nagezonden. Wij willen overigens nog opmerken dat het gesprek met de gespreksleider geen onderdeel was van het participatietraject wat indieners menen. De participatie, omgevingsdialoog, werd als gezegd gevoerd door de initiatiefnemers van de plannen: GMB, Pauw en Veens. Het gesprek met projectleider was ook op verzoek van indieners van de zienswijze, niet op initiatief van gemeente en zou ook gaan over de Structuurschets. Van overleggen op het gemeentehuis wordt overigens zelden een geluidsopname gemaakt, uitgezonderd raadsvergaderingen en de commissie bezwaarschriften. Van het overleg van indiener met de projectleider is in elk geval geen geluidsopname gemaakt.
Het gesprek van 7 juli 2021 met GMB (waarvoor de uitnodiging dus op 15 juni was gedaan) was het eerste keukentafelgesprek in de buurt. Daarmee was de indiener van de zienswijze ook als eerste uit de buurt op de hoogte was van de plannen van GMB op zich te vestigen op Bonegraaf-oost. Overigens waren de genoemde deelgebieden toen nog niet definitief aangekocht. Het gesprek ging enkel over het GMB deel, omdat het gezamenlijk opstellen met de andere initiatiefnemers op dat moment nog niet aan de orde was. Gesprekken tussen GMB en de andere initiatiefnemers hebben later die maand plaatsgevonden. Op 19 juli zijn de basisafspraken over samenwerking geformuleerd die in september tot de formele samenwerkingsovereenkomst hebben geleid. Tijdens de eerste ronde keukentafelgesprekken met andere bewoners (vanaf augustus) zijn die gesprekken ook namens de andere initiatiefnemers gevoerd. Gemeente is zelf niet bij dat gesprek aanwezig geweest, dus kan niet oordelen over de weergave ervan. Wel heeft GMB aangegeven dat het verslag een correcte weergave is van het op 7 juli gevoerde gesprek. Kennelijk verschillen indiener van de zienswijze en GMB daarover van mening. De door GMB getoonde tekeningen (schetsen) waren een eerste structuurbeeld van de inrichting van de deelgebieden 2 en 3, als “kapstok” voor het gesprek. Deze twee schetsen betroffen hetzelfde plan (op verschillend abstractieniveau.